Moderne levenstechniek

image_pdf

 22 februari 1963

Wij zijn niet alwetend of onfeilbaar. Denk dus zelf na, vooral over het onderwerp, dat wij heden avond met elkander zullen bespreken: Moderne levenstechniek.

Wanneer wij de huidige tijd bezien, met al haar problemen, die uit de technische ontwikkelingen voortkomen, en alle psychische problemen, die voor de mens blijken te ontstaan door de noodzaak tot heroriëntatie binnen deze ontwikkelingen, is het duidelijk, dat de mens behoefte heeft aan een andere manier van leven en denken, een andere levenstechniek dan tot op heden gebruikelijk was.
Vooropgesteld dient te worden, dat elke mens bewust of onbewust in de eerste plaats naar levensvreugde zoekt. Deze levensvreugde is van groot belang: een mens, die geen blijheid kent in het leven, zal zelden positief denken en handelen. Wanneer hij zelfs geen hoop op levensvreugde meer heeft, blijkt er geen aansporing tot enig streven meer aanwezig te zijn.

Om een zekere blijheid te vinden, gebruikt de mens een reeks van gewoonten, gebruiken en vaststaande opvattingen, die gezamenlijk een levenstechniek genoemd kunnen worden. In perioden van verandering – zoals de huidige periode – blijken de gebruikelijke techniek en opvattingen echter niet meer te beantwoorden aan de verwachtingen. Daarom wil ik op deze avond – ook in praktische zin – de aspecten van de huidige ontwikkelingen bezien, waardoor de levensvreugde van de mens in het gedrang komt. Daarnaast zal ik trachten aan te geven, op welke wijze een aanpassing bereikt, en de levensvreugde herwonnen kan worden.

Voor ik echter hiertoe overga, allereerst iets over de levensvreugde. Wat wij levensvreugde noemen is heel iets anders, dan een vrij zijn van zorgen. Een mens kan immers alles in het leven hebben wat hij zich maar voor kan stellen en desondanks voortdurend gefrustreerd zijn, zich ergeren, voortdurend naar buiten toe conflicten veroorzaken en innerlijk ongelukkig zijn. Er kan dus geen stoffelijke maatstaf worden gesteld, waaraan hetgeen noodzakelijk is om levensvreugde te kennen kan worden afgemeten.
Integendeel, er zijn op aarde vele eenvoudige mensen, boeren en herders, die elk jaar weer op de rand van de hongersnood leven, die toch stralen van een eigenaardige vitaliteit, van voortdurend weer opvlammende levensvreugde. Zij zijn heel anders dan de mensen, die alle zekerheden bezitten, alle stoffelijke voordelen, maar toch altijd weer cynisch, verveeld, terneergeslagen, of opstandig, door het leven gaan, zonder ooit maar één moment van werkelijke levensvreugde te kennen.

Levensvreugde kan alleen bestaan, wanneer men zijn leven en vormen van bestaan en arbeid begint te aanvaarden; daarnaast impliceert levensvreugde ook de behoefte rond je steeds weer vreugde te zien. In wezen is dit dus een soort naastenliefde, want het berust op het delen van alles, wat je bent, wat je hebt, wat je kunt met anderen. Levensvreugde betekent verder nog, dat men in het leven steeds weer voor zich en anderen zoekt naar de meer positieve zijden van het bestaan, zodat men ervaringen heeft, die tot bewustwording voeren en de mens zich steeds dichter bij zijn God doen voelen.
Cynisme, neerslachtigheid enz. zullen de mens echter eerder met duistere krachten in contact brengen. U zult begrijpen, waarom ik de mogelijkheid zekere levensvreugde te kennen zo belangrijk acht en haar maak tot een van de belangrijkste criteria voor een beoordeling van de aanpassingen, die de mens in deze dagen voor zich zal moeten zoeken.

Een korte definitie van het begrip levenstechniek. Wanneer u leeft, zal een zeer groot deel van uw handelingen en opvattingen gebaseerd zijn op gewoonte. De mensen kennen dan ook in alle tijden opvattingen, gebruiken en zelfs idealen, die niet uit henzelf voort zijn gekomen, maar binnen de gemeenschap nu eenmaal bestaan en zo al snel een soort gewoonte worden.

Waar deze waarderingen enz. meestal langere tijd achtereen algemeen worden aanvaard, voeren zij tot vaste gewoonten, tot vastliggende handelwijzen. Men stelt wel, dat de mens een van de schepselen is met de grootste mogelijkheden tot aanpassing enz. In het verleden mag dit waar zijn geweest en onder bijzondere omstandigheden kan deze eigenschap misschien wel weer te voorschijn komen. In zijn normale doen echter is de mens een gewoontedier. Het valt hem dan ook moeilijk zich aan te passen aan veranderingen, die onmerkbaar langzaam op hem afkomen. Juist bij geleidelijke veranderingen ziet de mens niet in, waarom hij het oude overboord moet werpen.

In het verleden treffen wij meerdere perioden aan, waarin de mens heeft gezocht naar een mogelijkheid het oude te handhaven en toch gelijktijdig zich aan te passen bij het nieuwe en zelfs een vernieuwing mede tot stand te brengen. Dit voerde tot een soort techniek van leven en denken, waarbij – dit geef ik eerlijk toe – zelfbedrog vaak een grote rol speelde.
Verder blijkt, dat dergelijke technieken vaak niet tot het beoogde doel konden voeren, omdat zij een te vaak voorkomend afschuiven van eigen verantwoordelijkheden inhield. Een voorbeeld van dit delegeren van verantwoordelijkheden is de lange tijd gehuldigde stelling: “Ik moet Gods Wil doen.” De priester is de vertegenwoordiger van God. Ook wanneer ik besef, dat de bevelen van de priester onjuist of onredelijk zijn, zal ik hem gehoorzamen: door de wil van de priester te doen doe ik immers Gods wil, zodat ik zelf nimmer voor de gevolgen aansprakelijk kan zijn.

Dit is wel een erg gemakkelijke methode om alle verantwoordelijkheid en alle geestelijke problemen van je af te schuiven, om zo innerlijke vrede te bezitten. Men stoorde zich daarbij dus niet aan het feit, dat levensvreugde en geluk eigenlijk alleen zouden gewonnen worden door het zielloos herhalen van de stellingen van anderen. In een tijd, waarin de gemiddelde kennis zeer beperkt was, kon men dit doen, door zich op eigen onwetendheid te beroepen. In uw tijd echter gaat dit niet meer, omdat men eerst eigen minderwaardigheid tegenover allen – en niet alleen tegenover de priesters – zou moeten stellen.

De in lange tijd ontwikkelde techniek, deze reeks van gewoonten en ezelsbruggetjes uit het verleden, blijkt in het heden niet meer voldoende te werken, om de mens nog ware levens- vreugde te schenken. Het is dus noodzakelijk een andere wijze van denken, een andere reeks gewoonten te vinden, die de levensvreugde ook onder de huidige omstandigheden niet aan- tasten: een nieuwe techniek van leven en denken.

Nu zou het overdreven en onjuist zijn te stellen, dat deze nieuwe levenstechniek in enkele eenvoudige regels samengevat kan worden. Zelfs indien dit mogelijk zou zijn, zou de doorsnee mens menen, dat dergelijke regels in strijd zijn met de mogelijkheden, de maatschappelijke behoeften, de wil van God, de kosmos enz. In vele gevallen zal men verder stellen, dat de regels de eigen aansprakelijkheid te buiten gaan of – omgekeerd – dat zijn huidige verantwoordelijkheden, zijn aansprakelijkheid tegenover de maatschappij enz. het niet toelaten, dat hij dergelijke regels aanvaardt en omzet in de praktijk.

Daarom zal mijn betoog, hoezeer ik ook tracht mij op de praktijk te richten, steeds weer een verklaring en verdediging moeten bevatten van de regels die ik geef. Gezien de tijd, die mij ter beschikking staat, zal ik dit alleen voor enkele hoofdregels kunnen doen. Het al dan niet juist zijn van andere regels zult u dus zelf moeten overwegen.

De eerste regel is een eenvoudige:

Elke mens, die in deze dagen zoekt naar levensblijheid en levensgeluk, moet beginnen met alle dreigingen te verwerpen en alle angsten van zich af te zetten. De tegenpartij zal onmiddellijk uitroepen: “Is het atoomgevaar dan niet reëel? Bestaat er geen gevaar voor een wereldoorlog, voor hongersnood? Bestaat er dan geen gevaar, dat alles verkeerd zal gaan? Moeten wij voor dit alles dan maar eenvoudigweg blind zijn?”
Mijn antwoord luidt: angst voor vele dingen is in uw dagen inderdaad niet onjuist of onredelijk. Maar in uw dagen wordt angst te vaak gebruikt om u te dwingen tot een manier van handelen, die met uw wezen niet strookt. Kunstmatig veroorzaakte dreigingen en de daaruit voortspruitende algemene angsten zullen spanningen brengen, die u op de duur niet kunt verwerken, zodat men op deze wijze niet alleen u dwingt tot bepaalde reacties, maar tegens uw levensvreugde steelt.

Er wordt voortdurend gespeculeerd op uw hoop en uw vrees. Een mens die in deze dagen dus een zeker levensgeluk wil verwerven en een techniek machtig wil worden, waardoor hij persoonlijk onder de huidige omstandigheden gelukkig kan leven, werken en zich bewust worden, mag zich dus niet onder de invloed laten brengen van hen, die op een soms wel zeer onverantwoorde wijze een spel spelen met zijn gevoelens, angsten en zelfs met zijn redelijke vermogens.

Nogmaals, de eerste regel dient te zijn:

“Weest nergens bevreesd voor. Zet alle angsten van u af. Of het uw persoonlijk leven, de wereld, of de kosmos zelf betreft, erken geen angst.” De mens, die in deze dagen de angst uit- schakelt, zonder daarom nu er maar op los te gaan leven, zal namelijk niet alleen veel onnodig voorbehoud, onnodige voorzichtigheid, maar ook veel van zijn reactietraagheid uitschakelen.
Wie de wereld beziet, zal moeten erkennen, dat het juist de door angst en onnodige voorzichtigheid, door behoefte aan zekerheid ontstane traagheid van reageren is, die de mens belemmert in zijn aanpassing aan de eisen van de tijd en het gebruiken van de mogelijkheden die geboden worden door de ontwikkelingen. Men dient te beseffen, dat men met alle grondigheid, alle voorzichtigheid niet in staat is op de duur alle mensen te binden, terwijl men alleen reeds omwille van eigen geluk zich ook door anderen niet mag laten binden.

Wanneer wij dit als een aanvaardbaar begin van een aanpassing aan het heden beschouwen, dient hierop onmiddellijk de volgende regel aan te sluiten:

In de oudheid stelde men, dat de goden alle verhoudingen bepaalden. Daarna is er een tijd geweest, dat men god of goden vertegenwoordigd achtte door een vorst, een priester-koning of een priester en in hen waarheid meende te kunnen vinden. In deze dagen kunnen wij dit niet meer stellen. Er is niemand op de wereld, die wij kunnen beschouwen als de bovenmenselijke representant van God, die waarlijk voor die god kan spreken.
Hier kan ik protest van de katholieken van Rome verwachten. Ik wil hen er echter op wijzen, dat zelfs de paus alleen onfeilbaar is volgens de leer van de kerk, wanneer hij ex cathedra uitspraken doet die betrekking hebben op de leerstukken enz. van de kerk, terwijl lang niet elke paus of priester met deze stelling van de pauselijke onfeilbaarheid gelukkig is.
Voor het dagelijkse leven, de maatschappelijke problemen enz. is de paus echter uitdrukkelijk niet onfeilbaar en dus een mens, wiens meningen men ondanks alle eerbied wel degelijk mag bekritiseren.

Van een absoluut gezag, dat voor iedereen aanvaardbaar is, of door macht van een ieder wordt afgedwongen, is in deze tijd geen plaats meer. Nu kan men stellen, dat wij op God moeten betrouwen. Dat is heel mooi, maar God geeft ons geen antwoord, of tenminste geen antwoord dat wij onmiddellijk kunnen verstaan, wanneer wij Hem vragen, onze stoffelijke aansprakelijkheden en verantwoordelijkheden binnen het kader van de laatste ontwikkelingen te bepalen. Een nieuwe levenstechniek kan dus niet meer gebaat zijn bij de stelling dat de paus, de koningin, het partijbestuur, het altijd beter weten en wel zullen bepalen wat wij moeten doen. Men kan hierin niet meer werkelijk en geheel geloven, men ziet te duidelijk de fouten, die ook daar gemaakt worden.

Met alle gestelde alwetendheid, met de onfeilbaarheid van het gezag, komt men in deze dagen steeds meer in strijd. De enige oplossing zal zijn, te bepalen waar en hoever de eigen verantwoordelijkheid geldt. Van een verantwoordelijkheid in algemene zin, dus voor alles en allen kan in deze dagen echter geen sprake meer zijn. Evenmin blijken wij onze eigen aansprakelijkheden, zover wij die kunnen beseffen, zonder meer aan anderen te kunnen delegeren.

Dan zal de tweede regel dus moeten luiden:

“Ik ben aansprakelijk voor het geluk, de vreugde en de vrede van allen, die ik rond mij ken en zie, zover mijn vermogens hiertoe reiken. Wanneer ik hen geef naar mijn beste weten, is hiermede aan mijn aansprakelijkheid voldaan.”
Daarnaast mag nog worden gesteld, dat men juist door op deze wijze voor anderen te werken en hen vreugde te schenken, zonder daaraan voorwaarden of eisen te verbinden, men ook  waarheid en helderheid voor zichzelf – en mogelijk voor anderen – zal scheppen.

Misschien vraagt u zich af, wat in deze regel het woord vreugde wél inhoudt. Wanneer u iemand anders iets geeft, dat hij begeert, zonder dat het anderen dan uzelf iets kost, hebt u waarlijk vreugde gegeven, zo u overtuigd bent dat het geschonkene aan de ontvanger geen zorgen of erger zal bereiden. Wanneer u een taak of verantwoordelijkheid van een ander overneemt – niet om deze weer aan anderen te delegeren, maar om deze zelf te volbrengen – hebt u die ander vreugde gegeven, door hem meer vrijheid te schenken, indien u deze taak ook werkelijk goed kunt vervullen in de geest van de ander.

Op deze wijze kunnen wij dus vreugde schenken aan allen en alles rond ons. Te weinig echter handelt de moderne mens alzo, met als resultaat het steeds toenemende probleem van de vereenzaming. Hierover is reeds meerdere malen gesproken, zodat ik kort kan zijn.

Mensen zijn vaak niet eenzaam, omdat dit niet anders kan, maar omdat zij de bemoeiingen en belangstelling van anderen niet wensen te aanvaarden of te ondergaan. Men wenst alleen contact met anderen op eigen voorwaarden en wijst alle bemoeiingen met eigen persoonlijk leven af, terwijl men geheel geen rekening houdt met hetgeen anderen wensen.
De mensen, die zich beklagen, dat zij zo eenzaam zijn, zullen in zeer vele gevallen niet eenzaam zijn, omdat er geen andere mogelijkheid is, maar eenvoudig omdat zij niemand kunnen vinden, die geheel aan hun wensen en verlangens kan beantwoorden. Velen willen zelfs niet zoeken naar een contact met anderen, maar menen, dat ook dit van anderen moet uitgaan en geëist mag worden. In wezen is dan ook hun eerzaamheid zelfgeschapen.
In de moderne wereld mogen wij dienaangaande stellen: “Houd je bezig met je naaste, maar sta dan ook toe, dat je naaste zich bezig houdt met jou. Oordeel niet en eis niet, maar geef anderen steeds het beste van wat je bezit aan raad en kracht, geef voor alles de ander uw aandacht.”

Men beseft te weinig, dat men soms het levensgeluk van anderen aanmerkelijk kan vergroten, door hen de gelegenheid te geven tegen u te klagen. Zij worden gelukkiger en evenwichtiger, wanneer zij hun gevoelens eens een keer kunnen ontladen en ook zonder voorbehoud mogen klagen.
Men maakt dit mogelijk door belangstelling te tonen voor aspecten van hun leven, die op zich voor u onbelangrijk zijn. Informeer eens naar het welzijn van een oom, een tante, kind, hond of kat, ook wanneer deze u in wezen niet interesseren, alleen om zo meer deel te hebben aan het leven van die ander. Laat zien, dat u niet alleen voor hen persoonlijk, maar ook voor hun leven en problemen belangstelling hebt.

De eenzaamheid valt dan ook weg op het ogenblik dat men kan zeggen: “Ik wil trachten zoveel en intens mogelijk deel te nemen aan het leven van die anderen rond mij, als die mij willen aanvaarden”, zonder daar ooit eisen of rechten aan te verbinden. Ook dit is een belangrijk aspect van de nieuwe levenstechniek. Wij kunnen, wanneer wij ons leven op de mensen rond ons baseren, aan de ene kant terug keren naar de gelukkiger verhoudingen van de vroegere kleine gemeenschappen, waarin een ieder iedereen kende, een gemeenschap, die ongetwijfeld ook vele nadelen had, maar de mens de zekerheid gaf, dat hij iets kon betekenen, dat hij ergens bij behoorde.
Ook voor de mensen van heden is dit m.i. noodzakelijk. Hoe kun je iets goeds voor de mensheid of de wereld doen, wanneer je nergens bij behoort? Let wel, dit hoeft niet noodzakelijkerwijze een geestelijke of stoffelijke gebondenheid van grote intensiteit te zijn, maar zal toch in ieder geval moeten voeren tot een voldoende onderling begrip, waarin een niet alleen op het Ik en de begeerten daarvan gebaseerde samenwerking kan ontstaan.

Wij zijn nu reeds zover, dat wij kunnen begrijpen, dat de moderne levenstechniek ten dele is gebaseerd op het verwerpen van gevoelens en emoties, die ons door anderen worden opgelegd, zoals angst, spanningen, hoop en verwachtingen, die niet met ons, maar alleen met de wil van anderen te maken hebben.
Anderzijds blijkt de nieuwe levenstechniek niet gebaseerd te zijn op een bepaalde houding tegenover de wereld als geheel, maar op het scheppen van een zo juist mogelijke verhouding tot de delen van mensheid en wereld, die wij op ons pad ontmoeten.
De oude techniek is in de eerste plaats gericht op de massa, op grote en onoverzichtelijke gemeenschappen of idealen, waarop men zelf weinig of geen invloed kan uitoefenen. Het is altijd gemakkelijker in termen van het zeer grote, in termen van eeuwen e.d. te denken. Maar wie van u is in staat zich een miljoen gulden voor te stellen? U kunt dit niet. Misschien kunt u zich voorstellen wat 100 of 1000 gulden betekent in koopkracht enz. misschien, maar veel verder zal uw voorstellingsvermogen meestal niet gaan.

Anderen maken daarvan misbruik door te spreken in getallen en termen, die voor u geen waarlijke betekenis hebben. Grote getallen, grote massa’s zeggen u nu eenmaal weinig of niets. Wanneer men u zegt, dat 100.000 mensen ergens op de wereld dreigen dood te hongeren, zult u medelijden met hen hebben. Maar het zal u niet zo werkelijk ontroeren als bij een mens, die werkelijk honger lijdt in uw nabijheid. M a.w., een mens, die uzelf beleeft, zegt u meer dan ongetelde massa’s in de verte. Slechts wat de mens persoonlijk kent, wat deel uitmaakt van zijn leven en ervaren, leeft werkelijk voor hem.

Dit brengt ons tot een volgende regel, waarvan men in deze dagen dient uit te gaan, indien men ten volle wil leven en levensgeluk wil kennen:

“Wat ik mij voor kan stellen, wat ik zelf kan doen, is voor mij boven alles belangrijk. Datgene, wat ik mij niet voor kan stellen, datgene, waarin ik zelf niet onmiddellijk werkzaam kan zijn, maakt geen deel uit van mijn leven. Het onvoorstelbare, het onoverzienbare, erken ik dus niet als direct deel van eigen werken en leven.”

Uw leven zal hierdoor kleiner worden in zekere zin, want het omvat minder van de grote wereld. Maar het omvat details, die voor eigen geluk en bewustzijn van het grootste belang zijn en u anders zouden ontgaan. Op deze wijze krijgt men de mogelijkheid waarlijk gelukkig te zijn. Wanneer u een ruime gave geeft om een hongersnood in China of India te bestrijden, kleding geeft voor slachtoffers van overstromingen in Italië, Spanje, Z.-Frankrijk of Joegoslavië, zal dit wel enige voldoening geven.
Indien u slachtoffers helpt uit uw eigen omgeving, zult u echter de gevolgen van uw daad beter kunnen volgen. U kunt gemakkelijker aanvullen, wanneer dit noodzakelijk is. U zult meer meeleven. Er ontstaat een contact uit, dat blijvende waarde heeft.
De moderne maatschappij heeft echter het werkelijke en persoonlijke contact tussen de mensen tot een minimum teruggebracht. Vele mensen leven opeengestapeld in steden en woonkazernes, terwijl zij eigenlijk niet eens weten wie er boven of onder, links of rechts van hen woont. De erkenning van de ander is vluchtig en beperkt zich vaak tot een gebaar. Vaak haat men elkander, zonder elkanders zorgen en problemen te kennen, alleen omdat men niet bij elkaar schijnt te passen, omdat de ander niet dezelfde gewoonten, opvattingen en voorkeur blijkt te hebben.
Wanneer men begint naar vrede voor geheel de wereld te streven, maar niet in staat is de vrede met zijn naaste omgeving te bewaren, zal alle moeite de wereld niet veel verder helpen. Een moderne levenstechniek vergt dan ook het teruggaan naar een intensere, maar kleinere en misschien zelfs meer besloten gemeenschap.

Ook een andere factor speelt in onze moderne levenstechniek een grote rol:

De grootste levensvreugde komt namelijk niet tot de mens uit alles, wat hem zonder moeite wordt gegeven, dat wat hem als een recht van buitenaf toegeworpen wordt, maar uit dat, wat je zelf doet, dat wat je zelf hebt kunnen veroorzaken, dat wat je zelf hebt geschapen. Daarom moeten wij stellen, als een belangrijk vereiste:

“Elke mens moet weer leren zelf iets te scheppen, bij voorkeur zal dit iets moeten zijn, waaraan anderen deel kunnen hebben, waaraan anderen eveneens hun vreugde hebben, wat anderen zullen erkennen.”

Tot zover heb ik mij, bij het opbouwen van een nieuwe levenstechniek, zoveel mogelijk op het oude, het bestaande gebaseerd. Maar uit voorgaande lezingen heeft u reeds kunnen leren, dat volgens ons op de wereld vele dingen bestaan, opvattingen, leringen en toestanden, die allesbehalve juist zijn.
Wij hebben daarbij o.m. gewezen op verkeerde ideeën en maatstaven op seksueel terrein, onjuiste waarden en waarderingen in politiek, economie en sociaal stelsel. Dit alles zijn voorbeelden van de fouten, die geheel de wereld omvatten. Een juiste hervorming zal echter niet voort kunnen komen uit een veranderen van de grote maatstaven. Reeds de noodzaak in dit geval rekening te houden met vele gevestigde belangen, bestaande vooroordelen enz. houdt in, dat dan de oude fouten ook in de nieuwe maatstaven zullen blijven voortbestaan en de veranderingen in wezen waardeloos zullen maken.
Alle veranderingen en vernieuwingen moeten voortkomen uit onszelf. Wij moeten dus trachten een weg te vinden waardoor een ieder voor zichzelf volgens de krachten van de nieuwe tijd en met gebruik van de nieuwe wetten en mogelijkheden zal kunnen leven, wanneer deze elders nog niet kenbaar bestaan. Men zal zelf moeten beginnen en niet op anderen moeten wachten.

In dit verband zou ik allen willen voorstellen eens eerlijk na te gaan, hoeveel men voor anderen betekent. Daarnaast zou men er goed aan doen eens na te gaan, of men niet een droom in zich draagt, die werkelijkheid zou kunnen worden, terwijl men zélf de verwerkelijking of een poging daartoe, in de hand heeft.

Geloof mij, dit is belangrijk. De levenstechniek van het verleden is geneigd steeds weer te stellen: ga uit van groep en gemeenschap en wacht af, wat er gebeurt. Vandaar dat geheel de wereld tegenwoordig blijkt te wachten op iets, wat zal gebeuren, zonder in feite iets belangrijks te doen. Men bouwt alleen het verleden uit en versterkt oude waarden, terwijl toch wel degelijk begrepen wordt, dat andere en nieuwe maatstaven en waarden noodzakelijk zijn geworden. Hierin gaat de levensvreugde en vaak zelfs de zin van arbeid en bestaan teloor.

Men zal er daarom goed aan doen voor zich te stellen:

“Wanneer ik handel, zo doe ik dit volgens mijn begrip van verantwoordelijkheid. Als ik mijn verantwoordelijkheid aan anderen delegeer of moet delegeren, zal ik dit doen op basis van mijn persoonlijke kennis van die anderen, hun leven en streven. Ik zal nimmer uitgaan van hetgeen algemeen als noodzakelijk of mogelijk wordt gesteld, maar trachten de noodzaak, mogelijkheid, en waarschijnlijkheid, te constateren. De verwerkelijking van al, wat mij noodzakelijk lijkt, zal ikzelf en als gevolg van mijn eigen initiatieven verwachten, uitgaande van het feit, dat alleen ikzelf geheel en juist voor de door mij besefte waarden zal kunnen strijden.”

Hierdoor wordt eveneens een vernieuwing mogelijk, die door praten en theorieën alleen nimmer tot stand kan komen. Men kan stellen, dat morele herbewapening, seksuele hervorming, terugkeer tot de mystiek, verandering van innerlijk besef, noodzakelijk is, zonder daarmee ook werkelijk verder te komen. Het stellen van een noodzaak heeft alleen zin, wanneer men ook bereid is zelf daarmee te beginnen. Anderen zullen op hun wijze reageren op uw stellingen en zo u niet dat vertrouwen geven, dat u door zelf werkzaam te zijn kunt hebben. Wie steeds van eigen praktisch streven uitgaat, zal niet alleen zekerder zijn en meer belevingen en ervaringen hebben, maar ook door oorzaak en gevolg tot de erkenning komen van de juiste weg, zo de kosmische werkelijkheid en het ware Ik steeds meer benaderen. Zo vindt de mens de band met de oneindigheid, die het leven vreugdig en zinvol maakt.

Nu zult u uit het voorgaande misschien reeds begrepen hebben, dat het delegeren van verantwoordelijkheid, het stellen van een werkelijk vertrouwen, niet alleen betrekking kan hebben op politici. Het zal evenzeer gelden voor alle andere waarden, zelfs voor God. Het moet evenzeer gelden voor de voorstellingen en/of procedures, waarmede wij het leven na de dood benaderen.
Wij zullen steeds moeten uitgaan van het standpunt: Wat is voor ons belangrijk? Wat is voor ons waardevol, wat leeft er in en voor ons waarlijk? Dit betekent, dat elke mens in zijn eigen gedachten, daden, gebeden en procedures om God of de wereld te benaderen, allereerst zal moeten zoeken naar datgene dat hij kan aanvaarden, datgene waarin hij waarlijk vreugde heeft. Te vertrouwen, dat God je tegenstanders wel eens zal straffen en je eens zal rechtvaardigen, geeft meestal wel hoop, maar weinig onmiddellijk ervaren, weinig werkelijke vreugde. Want als het ons gaat om het bestraffen van tegenstanders, of het rechtvaardigen van onze stellingen, wacht God voor ons altijd veel te lang. Daarom is het beter zich met dergelijke denkbeelden niet bezig te houden, zichzelf zo goed mogelijk te rechtvaardigen en erop te vertrouwen, dat wanneer men zelf maar begint, God wel de kracht en de mogelijkheid zal geven, om het juiste doel te bereiken en het de juiste tijd vol te kunnen houden.

Daarnaast lijkt het mij belangrijk, dat men inziet, dat sommige dingen volgens de wereld weliswaar onmogelijk zijn, maar dat men deze toch voor zichzelf waar kan maken, omdat men zelf kan handelen. Dit geeft m.i. inhoud aan het menselijke bestaan. Ook hier zullen wij, vrienden, bij de moderne techniek dus  allereerst ons moeten richten op eigen persoonlijkheid, eigen wensen en mogelijkheden. Alleen langs deze weg wordt men de kunst van het vreugdig leven machtig.

Denk echter niet, dat de wereld u zonder meer de kans zal geven zelfstandig te denken, op uw eigen wijze het leven rustig of minder rustig te genieten. Wanneer wij uitgaan van de door mij besproken regels, zullen wij immers in strijd komen met de in deze stoffelijke wereld steeds sterker wordende tendens, om alles gelijk te maken, om alle verschillen op te heffen. Conformisme kan soms onder de voortdurende druk van de wereld wel een aangename oplossing lijken. Maar dan heeft het leven geen werkelijke zin meer.
Stel daarom: “Ik zal nooit trachten, geheel gelijk te zijn aan een ander, een ander geheel na te volgen. Want om aan een ander gelijk te zijn zal ik een deel van mijn ware Ik tijdelijk moeten doden.” Wie zich geheel baseert op het voorbeeld van een ander, zonder daarbij allereerst rekening te houden met zichzelf, zal steeds weer teleurstellingen ondergaan. Hij komt tot een zelfoverschatting of een zelfonderschatting, die het leven alle vreugde ontnemen en resulteren kan – en hem voert – tot een aapachtig imiteren van anderen, terwijl hij daarom zichzelf veracht.
Stel daarom ook steeds weer: “Ondanks alles ben ik mijzelf. Slechts als mijzelf kan ik leven, slechts door mijn eigen streven en denken, door mijn vermogen aan te voelen, wat voor mij werkelijk belangrijk is, kan ik het leven voor mijzelf aanvaardbaar maken. Op het ogenblik dat ik dit niet doe, zal ik schade toebrengen aan mijzelf en anderen, terwijl ik voor mijzelf de ware levensvreugde onmogelijk maak.”

Misschien vraagt u zich af, wat er dan alzo tegenwoordig niet meer deugt. Ik zal enkele voor- beelden hiervan geven.

Daar heb je bv. de burgerlijke beleefdheid. Zij bestaat uit ledige vormen, die echter, naar men zegt, het leven aanvaardbaar maken. De oude hoffelijkheid heeft echter in deze dagen haar betekenis praktisch verloren. In de laatste 100 jaar is de verhouding tussen de geslachten aanmerkelijk gewijzigd.
Het tempo van werken en leven is in de moderne maatschappij zoveel hoger dan vroeger, dat men geen tijd meer heeft voor uitvoerige beleefdheden. Een nieuwe en betere hoffelijkheid wordt bereikt, wanneer men tracht een ieder te geven, wat men zelf van de ander verwacht. Vaste regels hebben hier weinig waarde. Dus, niet voor iemand opstaan, in trein of tram, omdat dit zo hoort, maar omdat men ziet, dat iemand moe is enz. Neem je hoed niet af, omdat iemand directeur is, maar omdat men hiermede getuigt van een waarlijk gevoeld respect enz.
Kort gezegd, niet de formele benadering van de medemens, maar de oprechte benadering van de medemens, zijn behoeften en problemen zal in uw dagen de juiste vorm van beleefdheid zijn. Geen “bon maintien” dus, maar een uitdrukken van de persoonlijke aanvaarding. Want alleen op deze basis kan een hoffelijkheid in deze dagen groeien en bestaan op een wijze, die, gezien de maatschappelijke ontwikkelingen helemaal aanvaardbaar is en hoffelijkheid maakt tot een deel van de levensvreugde van alle dag, in plaats van haar te maken tot een lastige regel, waaraan men zich voor zijn goede naam dient te houden.

Een ander opvallend aspect van de laatste jaren is de lust, die een ieder schijnt te bevangen, om anderen iets te leren. Dit is goed, wanneer de ander blijkt geeft deze leringen op prijs te stellen. Maar het is een aantasten van de persoonlijke waarden en rechten van anderen, wanneer men tracht zijn inzichten en weten aan anderen tegen wil en dank op te dringen. Wanneer men bv. in een amusementsprogramma op radio of tv. een culturele boodschap tracht te verstoppen, ergert men hen, die niet willen leren door de les, en degenen die wél willen leren door de vorm, en bereikt men weinig of niets.
Ik besef wel, dat dit alles goed bedoeld wordt. Maar het slachtoffer zal zich vaak gevoelen als iemand, die verkouden is en geheel de dag van een ieder recepten te horen krijgt waarmee hij van zijn kwaal verlost zou kunnen worden. Voor zo iemand zal op de duur de goede raad erger lijken dan de ziekte zelf, zodat hij verlangt naar een plekje, waar hij in godsnaam dan maar op zijn eigen manier ziek mag zijn, zonder door de opgedrongen recepten en het uitputtende medeleven van anderen gekweld te worden.

Ga dus uit van het standpunt, dat het in deze dagen weinig zin heeft anderen tegen wil en dank te onderrichten. Maak hen desnoods duidelijk, dat u onderricht kunt geven, maar laat hen zelf het recht te beslissen, of zij daar al dan niet gebruik van zullen maken. Wie kennis zoekt in deze dagen, zal over voldoende mogelijkheden en middelen daartoe kunnen beschikken, zelfs zonder u.
Tracht daarom niet in de eerste plaats steeds anderen iets te leren, maar probeer hen de vrede, de innerlijke rust te geven, waardoor zij zullen kunnen leren wát zij wensen en indien zij dit wensen. Geef anderen zo mogelijk de lach, de ontspanning, die de meesten meer behoeven dan stellingen en wijsheid van anderen. Zo zal men het meeste bereiken.
Laat vooral debatten over God, godsdienst, politiek e.d. rusten – hoe belangrijk deze dingen ook voor u mogen zijn – tenzij de ander begerig blijkt ook daarop in te gaan. Respecteer zelfs dan de inzichten van de ander en dring hem niet te nadrukkelijk uw stellingen op.
Geef vooral anderen de gelegenheid hun eigen stellingen en inzichten te verkondigen: u kunt daarvan heus nog veel leren en de ander zal daarin vreugde vinden. Kort gezegd: men tracht op het ogenblik te veel eigen wijsheid en waarderingen aan anderen te brengen. Het is echter beter uit het leven en denken van anderen eigen wijsheid en inzichten te verruimen.

Ook de te ver doorgevoerde verering van de gemeenschap in deze dagen kan als een typische fout worden gezien. Niet omdat gemeenschapszin verkeerd zou zijn, maar omdat de wijze waarop deze wordt gericht en gebruikt geheel verkeerd is. Door te veel te willen doen voor te veel mensen, zal men altijd zowel zichzelf als de anderen schaden en tekort doen, doordat men gedwongen is, waarden te scheppen, die noch de anderen, noch de mensen zelf begeren. Zelf zal men daardoor op een verkeerd spoor gedwongen worden, dat men omwille van het goede doel niet meer durft te verlaten, terwijl men in anderen verwachtingen en opvattingen over recht zal scheppen, die niet passen in een onvolmaakte wereld. Deze anderen verliezen daarbij maar al te vaak alle zelfstandigheid, worden traag en lusteloos, zodat ook in hen alle levensgeluk, alle mogelijkheid tot bewustwording en zelfstandig leven wordt bedreigd of zelfs tijdelijk gedood.

Stel daarom: “Ik zal nimmer de gemeenschap zien als middel om de wereld te verbeteren, of als doel in zichzelf. Ik zal de gemeenschap ten hoogste beschouwen als een bestaansvorm, waarin een ieder naar eigen wil en wens kan leren, kan slagen, of mislukken door eigen fouten en zwakheden. Zelf zal ik kracht en verantwoordelijkheid zoeken, opdat ik door eigen daden en werken de wereld mag verbeteren tot mijn eigen vreugde en heil van anderen.”

Wanneer men steeds blijft hameren op de gemeenschap, gaat de kracht van het individu, waarop deze gemeenschap uiteindelijk gebaseerd is, ten gronde. Wanneer een ieder echter voor zich moet streven en werken, zal er steeds weer een reeks nieuwe elementen aan het bestaan worden toegevoegd, waardoor de maatschappij soepel en levend blijft en de gemeenschap niet mors, duf en doods wordt. Er zullen dan nieuwe waarden en mogelijkheden ontstaan, zonder dat het bestaande – dat meestal heilig wordt geacht – steeds meer wordt uitgehold, zodat de dingen waarop men meent te vertrouwen, in feite ineenstorten bij de eerste tegenslag.

De drang tot organiseren heeft de mensen reeds vaak in moeilijkheden gebracht, doordat zij verleren te improviseren en naar omstandigheden te handelen. Dit blijkt ook op geestelijk gebied in sterke mate doorgedrongen, waardoor er een bepaalde benadering van alle geestelijke waarden is ontstaan, die voor velen gevaarlijk, of zelfs onjuist blijkt te zijn. Onder druk van deze benadering meent men maar al te vaak: wanneer ik maar voldoende luister, studeer, lees en gehoorzaam, zal ik vanzelf wel bewuster en beter worden. Stel voor uzelf daarom: “Het is beter een enkele kleine wijsheid, een enkel klein begrip in zich te bereiken, dan 10.000 feiten te kennen. Ik streef daarom niet in de eerste plaats naar kennis, maar naar begrip.”

Het verwerven van begrip is een van de methoden, om in uw dagen de wereld steeds gelukkiger te maken en tevens zelf gelukkiger en evenwichtiger te leven. Geluk vindt men, evenals begrip, voornamelijk in en voor dingen, die met je wezen verwant zijn. Nimmer blijken deze waarden voor het Ik te leven in begrippen of waarden, die in feite buiten eigen geestelijk of stoffelijk bereik liggen. Eerst wanneer men begrijpen kan, waarom bv. de begroting zoveel gelden vergt, waarom defensie noodzakelijk is, bepaalde sociale ontwikkelingen begeerlijk zijn enz. zal men zich aan kunnen passen en gelukkig zijn daarmede. Heeft men geen voldoende inzicht, dan lijkt het mij beter, wanneer men zich met deze dingen maar niet bezighoudt.

Hetzelfde geldt, wanneer men te maken heeft met God of met idealen. Er zijn altijd vele mensen, die u tot God willen brengen. In het verleden was dit misschien gemakkelijk, maar in deze dagen gaat dat haast niet meer. De God die men verkondigt past niet meer geheel in deze tijd en lokt een innerlijk verzet uit. Men beweert altijd weer, dat het Gods wil is, die alle dingen goed maakt, maar ook dat het Gods wil is, die rampen veroorzaakt of toelaat enz.

De moderne mens kan dit meestal maar moeilijk verwerken, wanneer hij verder nadenkt. Hij kan nu wel stellen, dat alles zijn zin zal hebben, maar voor zich komt hij daar maar weinig verder mee. In deze dagen zal dan ook een benadering van God, een gaan tot God, niet in de eerste plaats een kwestie zijn van leerstelling, maar het gevolg van een innerlijk gaan tot God, zoals men deze innerlijk kan aanvaarden, zoals men daarin innerlijk gelooft. Ook de praktijk van een geloof zal niet meer gebaseerd kunnen zijn op gebruiken, die in wezen voor de mens ledig schijnen, maar zal tot stand kunnen komen door een zo goed mogelijk uiting geven aan de God, die men in zich erkent. Ik zal de God, die ik innerlijk erken en aanvaard, voortdurend en volgens mijn beste weten dienen, door zijn krachten in de wereld te uiten en zijn wetten, zoals ik die in mij ervaar, te gehoorzamen. Dit is wel de beste wijze om dit probleem op te lossen.

Er zijn ongetelde methoden om een esoterisch bewustzijn te verwerven en ongetelde methoden, om zich occulte gaven eigen te maken. Maar al deze methoden hebben alleen zin voor degenen, die geheel binnen het systeem ervan passen. En dat zijn maar enkelingen. Daarom moet ook hier met nadruk worden gesteld: zoek je eigen systeem, doe je eigen ervaringen op, zoek je eigen God. Gebruik de leringen en systemen, die anderen je geven, indien zo nodig als leidsnoer. Probeer echter liever in jezelf één enkele waarheid te erkennen, één enkel punt te bereiken, dat dan de basis kan worden van je eigen streven, van je eigen systeem, dan alles van anderen aan te nemen en de stellingen van anderen te bestuderen, zonder je tijd te laten allereerst zelf werkzaam te zijn, zelf te denken en te bereiken.

Er is bij velen verder in de laatste jaren de gewoonte ontstaan alle moeilijkheden te ontlopen, door steeds maar weer over te gaan van het ene geloof op het andere, het ene beroep op het andere, te wisselen van partij en werkgever, zodra er moeilijkheden dreigen. Sommigen gaan zelfs zover, dat zij de ene vrouw na de andere huwen – via echtscheidingen – in plaats van hun mogelijkheden te overwegen en hun problemen zo goed mogelijk op te lossen.
Dit komt voort uit een zich baseren op waarden, voorstellingen en gewoonten, die uit het verleden stammen en niet passen bij de nieuwe tijd. Wij moeten ons bij de nieuwe tijd aanpassen en voor onszelf een techniek van leven proberen te vinden, waarbij al dergelijke problemen zoveel mogelijk kunnen worden uitgeschakeld.
Daarom lijkt het mij verstandig om te stellen: “Ik zal mij in het leven nimmer binden aan één geloof, één persoon, instantie of instelling, maar met eenieder trachten samen te werken zover en zo goed als mij dit mogelijk is”. Dan immers blijft de vreugde van het leven, zonder dat men steeds hoeft weg te lopen of anderen te binden. Bovendien zal men op deze wijze meer kunnen leren, meer begrijpen.

U meent misschien, dat dit alles wel mooi is, maar te vaag. Dit is moeilijk te vermijden. Ik zal nu trachten de regels van deze tijd punt voor punt op te sommen. Ofschoon de persoonlijke ontwikkeling mede van belang is kunnen wij toch stellen:

Van alle gewoonten is er in deze dagen slechts één goed: de gewoonte om altijd te trachten, ieder, en alles te begrijpen.

Elke andere gewoonte is schadelijk, omdat zij ons minder bewust maakt.

Wij moeten vrij zijn van vooroordeel, dit betekent, dat wij ook vrij moeten zijn op gebieden, waar het stoffelijk vooroordeel nog sterk regeert.

Een beperkte mogelijkheid tot begrip en een beperkte samenwerking is steeds beter dan een mooie of algemenere theorie.

Vraag nimmer van een ander – tenzij in hoogste nood – doch geef altijd van uzelf.

Neem zelf uw besluiten naar beste inzicht, maar vraag nimmer, wat het volgen van de door u als juist erkende weg u zal kosten. Vraag slechts of de genomen besluiten en de weg, die zij u tonen, past bij uw eigen wezen
Leef uw leven vanuit uzelf en op eigen verantwoordelijkheid, doch zo, dat de gemeenschap hierdoor nimmer wordt belast of geschaad. Streef er steeds naar, zo te handelen en te leven, dat gij toch altijd uzelf kunt zijn.

Neem steeds zelf het initiatief, wanneer dit gewenst of noodzakelijk schijnt. Wacht er niet op tot anderen dit doen, vertrouw er niet op, dat een ander wel de eerste stap zal doen. Alleen zo zal het mogelijk zijn, waarlijk volgens eigen inzichten bewust in de gemeenschap te leven.

Vraag u niet af, wat God is, maar vraag u wel af, wat de God, waarin u gelooft, doet voor u, hoe Zijn Wetten in de praktijk voor u juist blijken.

Denk nooit , dat een ander aan u gelijk is, maar erken, dat geen andere mens ooit geheel uw innerlijk wezen kennen en beseffen zal. Tracht steeds uzelf aan anderen duidelijk te maken, zonder echter van anderen hetzelfde te verlangen.

Werk steeds praktisch in uw eigen omgeving. Zoek hierin blijheid. Laat wat ver af is, voorlopig rusten.

Begin elke dag met een erkenning van de mogelijkheden, die zij brengt. Beëindig elke dag met een erkenning van de fouten, die gij hebt gemaakt. Berouw is niet noodzakelijk, mits men tracht dergelijke fouten niet weer te maken. Beklaag u niet over de gevolgen ervan.

Meen nimmer, dat u onrecht wordt aangedaan; zelfs indien dit volgens alle gangbare normen waar is, is het nog beter om te stellen, dat men het kosmische recht en de loop van de gebeurtenissen niet kan beoordelen, doch zelf verplicht is, steeds rechtvaardig te blijven tegenover anderen.

Ik meen met deze korte reeks regels veel te hebben gesteld, dat schijnbaar bij de oude opvattingen tijd schijnt te behoren. U zult echter beseffen, waar het verschil ligt, wanneer u zich realiseert, dat er in deze regels geen enkele gezagsverhouding als absoluut of zelfs maar belangrijk wordt erkend, buiten de verhouding tussen mens en God aan de hand van de innerlijke beleving van deze God.

In de nieuwe tijd, onder de nu bestaande omstandigheden, zal de mens geen enkele gezagsverhouding kunnen handhaven, die niet op absolute waarden gebaseerd is. De oude gezagswaarden hebben hun werkelijke inhoud en waarde reeds verloren, terwijl nieuwe gezagslichamen, organisaties enz., nog niet tot stand zijn gekomen.

Ik zal u enkele voorbeelden geven:

Vakbonden, eens sociale strijdmiddelen, zijn nu een doel op zich geworden en maken gebruik van middelen, die soms bedenkelijk op intimidatie en afpersing lijken, om hun eigen voort- bestaan te kunnen rechtvaardigen.
Godsdiensten, die eens een sociale hervorming brachten, gepaard gaande met een esoterische vorming van de mens, zijn langzaamaan tot machtslichamen geworden, die eveneens alles blijken te willen doen, wanneer zij hun macht maar kunnen behouden. Begrippen als nationaliteit, eens noodzakelijk om ontginningen en internationale handel een achtergrond te geven, of zelfs mogelijk te maken, zijn nu vaak belemmeringen voor een juiste samenwerking van de mensheid.
De strijd om persoonlijke vrijheid en rechten, eens noodzakelijk om de mens vrij te maken in een maatschappij, die zijn heerschappij over alle aspecten van het menselijk bestaan, inclusief geloof, liefde enz., wilde uitstrekken, heeft geleid tot een zo grote vrijheid, dat vereenzaming er het resultaat van is.

U begrijpt, naar ik meen, wat ik met deze voorbeelden wil zeggen: het gaat om onszelf, om niemand anders. Vanuit en voor onszelf zullen wij moeten werken. Niet omdat wij egocentrische wezens of zelfs egoïsten zijn, maar omdat wij beseffen, dat alleen in onszelf de nieuwe waarheid geboren kan worden en weten, dat alleen wijzelf iets definitiefs kunnen doen waardoor wij bewustzijn, geluk en vrede kunnen verwerven. Dit kunnen wij aan niemand opdragen.
Al het andere blijkt op speculaties te berusten en ligt in een niet te bepalen verte, toekomstige ontwikkelingen. Toekomstige waarden, kunnen nooit met zekerheid bepaald worden, wij kunnen alleen aan de hand van eigen ervaring weten, of iets werkelijk goed of uiteindelijk niet goed voor ons was. Tevens dienen wij steeds weer te beseffen, dat wij weliswaar vanuit ons standpunt stellingen op kunnen bouwen en kunnen trachten deze waarden, die voor ons goed schijnen te zijn, aan anderen op te leggen, maar dat wij nooit zullen kunnen weten, of deze stellingen enz. voor geheel de mensheid, of misschien zelfs kosmisch, juist zijn.
De algehele omschakeling van eigen leven en wezen, tot zelfs eigen geweten toe – zover dit uit maatschappelijke waarden is opgebouwd – geeft de mens de mogelijkheid sterk te zijn en staande te blijven in een wereld, die over het algemeen de werkelijke levenswaarden en levensvreugde schijnt uit te willen bannen of ontkennen. Wij moeten trachten, de werkelijke bevrijdende lach, de innerlijke vreugde en de verlossende humor te behouden die ook zelfspot niet schuwt en innerlijke rijkdom te garen uit de vreugdige beleving van het leven en de bevrediging, die voortspruit uit het goed volbrengen van eigen werk.

Vragen

  • U stelt, dat wij geen beroep op anderen mogen doen. Ik zal graag een ander helpen, maar meen, wanneer ik in nood ben, toch wel een beroep op anderen rond mij te mogen doen. Wanneer zij van mij houden, zal dit voor hen een vreugde zijn.

Wanneer zij werkelijk van u houden, zullen zij helpen, wanneer dit nodig is en niet wachten, tot u hen er om vraagt. In de gegeven regels staat, dat u alleen in uiterste nood een beroep op anderen mag doen. Anderen zullen u waarschijnlijk graag helpen. Maar waar het hier om gaat, is, dat niet tevoren op de hulp van anderen wordt gerekend. Men mag niet als vanzelf- sprekend hulp verwachten.
Vele mensen in deze dagen hebben de gewoonte eerst een beroep op anderen te doen en dan eerst zelf het uiterste te doen, wanneer alle anderen neen zeggen. Deze mentaliteit is vooral na de laatste wereldoorlog sterk gegroeid en dreigt reeds een tamelijk algemene gewoonte te worden. Voor de geestelijke gezondheid is dit een groot gevaar; men gaat er zo zeer op rekenen, dat anderen de moeilijkheden wel op zullen lossen, dat men geen raad meer weet, wanneer men op zichzelf is aangewezen.
Wat wordt bedoeld is dus: reken alleen op jezelf. Wanneer het nodig is, zullen anderen waarschijnlijk wel bereid zijn je te helpen, maar van die hulp mag je niet uitgaan. Leef je eigen leven en probeer niet het jezelf ten koste van anderen gemakkelijker te maken.

Ook mag u niet vergeten, dat de houding: laat anderen dit maar doen, doe jij dit even, help mij, op de duur tot een totale afhankelijkheid zal voeren, die niet alleen stoffelijk, maar ook geestelijk is, zodat op de duur in deze tijd door een zich beroepen op de hulp van anderen, zelfs een vrije bewustwording onmogelijk kan worden.
Behulpzaamheid is ook heden nog een goede gewoonte. Het steun zoeken bij de gemeenschap, wanneer er geen werkelijke noodzaak bestaat – dus een levensbelang – kon tot voor 10 jaar nog aanvaardbaar heten. In deze tijd past het echter niet meer, omdat reeds teveel hulp en steun ongevraagd wordt gegeven, ja zelfs wordt opgedrongen, o.m. door de Staat. De levenstechniek dient te worden aangepast aan de invloeden, die in deze tijd op treden. Ik geef graag toe, dat men steeds weer hulp van anderen nodig zal hebben. Alleen de theoreticus zal misschien stellen: wanneer je maar volmaakt in God vertrouwt, heb je geen andere hulp nodig. Zover ga ik zeker niet. Maar eerst zelf het uiterste doen, dan pas hulp zoeken.

  • Maar dan zouden sommigen misschien zolang wachten met vragen, zodat zij een last voor de gemeenschap zouden worden.

Zonder mij bezig te gaan houden met de sociale ontwikkelingen van dit land in deze tijd – wat uw vraag in feite doet – meen ik toch, dat hulp alleen gevraagd moet worden wanneer er geen andere mogelijkheid bestaat. Ook instanties zouden dit moeten aanmoedigen. Het is voor de gemeenschap gemakkelijker 100 mensen werkelijk geheel te helpen, dan 10.000 mensen te helpen, die gemakzuchtig hulp en steun verlangen onder verschillende voorwendsels, terwijl deze niet zonder meer een noodzaak is. De hulp voor die 100 mensen zou meer afdoende kunnen zijn, terwijl halfheid, onbekwaamheid, gemakzucht e.d., die nu de gemeenschap kapitalen kosten en vele bekwame krachten voortdurend bindt, veel minder voor zouden komen. Naar ik meen zou dit voor de gemeenschap een zegen zijn.
Nu immers eist menigeen van de gemeenschap steun voor zijn plannen, liefhebberijen, vanwege zijn mislukkingen en gebrek aan rationeel werken en usurpeert zo krachten, gelden en tijd van de gemeenschap, die deze voor het algemeen nut wel beter zou kunnen gebruiken. Zonder dit liefdeloos te bedoelen meen ik daarom, dat het beter is degenen, die dreigen te mislukken, eerst eens geheel te laten mislukken, voor men hulp verleent. De mislukking zal veel eigenwaan wegnemen en er toe leiden, dat men minder eisen stelt, terwijl men dankbaarder is en harder zal werken of streven, om een tweede mislukking te voorkomen. Iedereen, die mislukt, en hulp wil aanvaarden, heeft recht daarop.
Maar het is onzinnig mensen te helpen, zich te handhaven met hulp op plaatsen, waar zij in feite niet passen. Want dan zullen al snel alle mislukkingen ten koste van de gemeenschap gaan, terwijl alle verdiensten als een blijk van eigen bekwaamheid beschouwd worden.

Dit geldt zakelijk, lichamelijk en geestelijk. Voorbeeld: wanneer men een zakenman steunt, terwijl zijn productiemethoden niet meer rendabel zijn, steunt men iemand, die klaarblijkelijk het juiste inzicht, dat voor het leiden van zaken noodzakelijk is, mist. Het lijkt mij juister die mens op een plaats in de maatschappij te brengen, waar hij wel past, ook al zou hij uiteindelijk daardoor boerenknecht moeten worden, of geheel ongeschoold arbeider moeten worden.
Uiteindelijk is ook dit een vorm van ‘het oude ten koste van alles handhaven’. De gewoonte alles in zijn oude vorm te willen bewaren, zal men in de komende jaren overigens toch wel prijs moeten geven. Een ander voorbeeld is het bestrijden van de automatisering in sommige landen, omdat men vreest, dat zij in de toekomst de werkgelegenheid zal verminderen. Men kan de ontwikkeling niet tegenhouden. Het zou voor de betrokkenen dan ook beter zijn, wanneer zij reeds nu alle voorzorgen zouden treffen zodat de arbeiders, vooral de jongeren, zoveel leren, dat zij de ontwikkeling vooruit blijven en door automaten niet zonder meer vervangen kunnen worden.

Genoeg hiervan echter. Heeft u er overigens wel eens over nagedacht, hoeveel mensen door ideeën als de voorgaande, of het ten koste van alles willen handhaven van een bedrijf, een positie, waarvoor zij niet geschapen zijn, waarin zij in feite niet passen, ook geestelijk ten onder gaan? De mensheid leeft in een veranderende wereld. Wanneer wij een nieuwe techniek van leven zoeken, zullen wij deze moeten baseren op de feitelijke mogelijkheden van het ego en niet voor enige hardheid ten opzichte van onszelf mogen terugschrikken. Want alleen de mens, die de moed heeft zo nodig ook hard voor zichzelf te zijn, die de moed heeft af te rekenen met ongezonde sentimentaliteit, zal geluk in de wereld en een bewustwording in het leven kunnen vinden, volgens de grote waarden en mogelijkheden van deze dagen.

De gegeven regels zijn niet bedoeld als een richtsnoer voor sociale activiteiten, als regel voor anderen, voor de buitenwereld; zij zijn bestemd om de mens zelfstandiger te maken, om hem te doen breken met oude gewoonten en te brengen tot een vrij denken. Dit gaat zover, dat menigeen oude idealen terzijde zal moeten stellen, omdat hij aan de verwerkelijking daarvan zelf weinig of niets kan doen. Men moet de groepsidealen terzijde stellen om eerst zelf ideaal te leren leven. Een geheel volgens eigen inzichten leven en idealen verwerkelijken bestaat in deze dagen echter helaas haast niet meer. Het persoonlijke streven is – in verband met het ideaal – maar al te vaak een dode theorie geworden, die men eerst in de praktijk hoopt te gaan brengen “wanneer de wereld er rijp voor is.”

Er zijn mensen, die druk bezig zijn met leuzen om de wereld van de hongerdood te redden, die niet eens in staat zijn rijstepap te koken zonder deze aan te laten branden, die hun eigen gezin niet eens goed te eten weten te geven. Tot hen zou ik willen zeggen: “doe eerst het kleine goed. Dan zult u misschien eens ook het grote bereiken. Zoals u nu streeft bereikt u echter het tegendeel”.

Nogmaals: het gaat er om een levenstechniek te vinden, waarmede men op aangepaste wijze in de moderne wereld kan leven, de steeds sterker optredende beïnvloedingen uit de kosmos kan verwerken en toch blijmoedig door het leven kan gaan.

Dit betekent nog niet, dat men dus niet meer bv. naar de kerk mag gaan, geen cao af mag sluiten enz., maar deze dingen zijn uiterlijkheden. De vraag zal steeds weer zijn: doet u dit, omdat het zo in u leeft; baseert u uw eisen en plannen op uw eigen mogelijkheden en capaciteiten? Of rekent u, wanneer het er op aankomt, er reeds nu mee, dat anderen het wel voor u op zullen knappen? Dit is essentieel. Evenmin gaat het er om opeens alle wetten en regels overboord te werpen. Wel dient men, ook al houdt men zich aan wetten en regels, reeds nu voor zich uit te maken of, en in hoeverre, deze dingen werkelijk voor het eigen Ik belangrijk zijn, in hoeverre zij iets te zeggen hebben.
Respecteer een ieder, die zich uit overtuiging aan een wet houdt, een regel als een soort dogma erkent. Maar besef, dat u, wanneer het er op aan komt, u alleen zich aan de in ú levende wetten zult houden en bereid u op die situatie voor. Dan zult u ook bereid zijn de consequenties van uw optreden en werken zelf te dragen.

De moderne techniek van leven mag niet meer gebaseerd zijn op gemeenschapssymbolen, zoals die in rijke mate overal bestaan. De gemeenschap heeft zich namelijk reeksen van symbolen geschapen voor status, geloof, betrouwbaarheid, e.d., die niet meer oprecht ervaren en beleefd kunnen worden. Het is beter dat de mens een op zich geheel zinloos symbool oprecht en met geheel zijn wezen eert of aanbidt, dan dat hij de ogen vroom opslaat naar het kruis en ondertussen aan iets anders denkt. Het is beter, dat de mens die een kosmisch symbool vindt dat voor hem geldt, een woord vindt, dat voor hem God betekent. Want daarmede kan hij meer bereiken en meer doen dan met alle oude en nieuwe stellingen, wetten en geheimen die hem uiteindelijk weinig zeggen, tezamen. Het is beter voor de mens, dat hij één enkele gave in zich verlangt en tot werkelijkheid maakt – stoffelijk of geestelijk – dan te dromen van duizenden idealen.

De levenshouding van de mens in deze dagen blijkt maar al te vaak gebaseerd op een: daar moet een ander nodig eens iets aan doen, enz. Slechts weinigen zeggen: ik besef de noodzaak, dus zal ik het doen.
Later, in de sferen, zal men beseffen, wat men goed of verkeerd deed. Het heeft geen zin, een taak of daad, die men innerlijk en juist meent te erkennen, nu maar uit te stellen tot later, tot men zeker is. Want dan heeft men de mogelijkheid niet meer te handelen. Houdt daarom niet krampachtig vast aan dingen, die geen werkelijk nut of betekenis hebben voor u onder de leuze: wij zullen ons langzaam en geleidelijk wel ontwikkelen tot de levenshouding en het bewustzijn, dat ons past. Want dit is alleen waar, wanneer men reeds nu bewust streeft.
Stel steeds weer: “Ik moet leven. Ik moet verwerkelijken. Nu, heden en niet ergens in toekomende tijd. Wat kan ik nu doen?” Dit immers betekent, dat ook occulte waarden, dromen enz. worden herleid tot vandaag, tot het heden. Dit bevordert de realiteitszin. Men zal dan niet meer dromen: “misschien word ik morgen wel helderziende”, maar erkennen: “vandaag heb ik inspiratie”.

Vraag u dus niet af, wat u in de toekomst zult gaan verwezenlijken, maar vraag u steeds weer af, wat vandaag uw mogelijkheid is. Dit is onder de huidige invloeden zo belangrijk, dat ik niet weet, hoe dit nadrukkelijk en duidelijk genoeg te stellen. De techniek van het leven mag nu niet gebaseerd zijn op plannen, die misschien over 50 jaar verwerkelijkt zullen worden. Men kan en mag zelfs als mens niets naar morgen verschuiven, wanneer het tot de mogelijkheden van vandaag behoort. Het maken van plannen op langere termijn zal men over moeten laten aan hen, die een beter overzicht hebben dan de mensen, aan de Meesters uit hoge geestelijke Orde. Wij echter hebben als eerste taak: vandaag alles te doen, wat vandaag gedaan kan worden.

In uw tijd beroepen velen zich op dat wat was. Vergane grootheid komt steeds weer naar voren, bv. in de geschiedenis van een land en in zijn eisen aan de wereld van heden. Het verleden telt echter vandaag niet meer mee. De gevolgen van het verleden zijn deel van het heden. Reken dus steeds weer met het heden en besef, dat vandaag vooral de geestelijke kracht van vandaag gelden zal, dat de invloed geldt die vandaag de wereld beroert, en niet wat eens was. Weet ook, dat het steeds de feiten van vandaag zijn, die werkelijke betekenis hebben, niet de theorieën. De feiten van het heden zijn dwingend en bepalend. Al het andere zal met het gaan van de tijd steeds meer een waan, een illusie blijken te zijn.

Het is moeilijk dit alles geheel duidelijk te maken. Geloof mij echter, wanneer ik zeg, dat degenen die alleen iets op willen bouwen dat er over zovele jaren zal zijn, daarvan geen geluk en bevrediging kunnen verwachten. In tegendeel: elk plan, dat men vandaag zo mooi opbouwt, zal morgen onder veel ergere (omstandigheden Red.) alweer getorpedeerd worden. Je wordt daar ongelukkig onder en vraagt je af, wat het leven voor zin heeft. Op de duur geloof je zelfs niet meer in “kosmische rechtvaardigheid” of God, maar zie je jezelf alleen nog maar door dreigende demonen omringd. Dan zie je geen wereld meer, waarin mogelijkheden voor een ieder bestaan, maar denk je te leven in een verambtelijkte wereld, die alleen maar uit een papiertje leeft en verder dood is.

Wij moeten kunnen voorkomen, dat de mensen, wanhopig worden. Er ís een levenstechniek  denkbaar, waarbij elke dag zin heeft en elke dag zijn eigen kleine vreugden brengt. Wanneer het leven wordt gebouwd op de waarden van het heden, geeft het onnoemelijk veel bevrediging, geeft het vele ervaringen, waar men Licht uit kan putten. Dan brengt het voor de mens Goddelijke en hoog geestelijke waarden vlak bij. Wel geldt over het algemeen: hoe langer je aarzelt in waarheid volgens eigen wezen te handelen, hoe langer je wacht, hoe verder God van je af lijkt te staan.

Er is geen revolutie nodig. De nieuwe levenstechniek is niet revolutionair tegenover de buitenwereld, maar slechts ten opzichte van eigen leven. De slagzin van deze revolutie: “Laat elke dag wat vreugde brengen, laat elke dag het Ik iets betekenen voor anderen, laat elke dag een kleine wijsheid, een kleine bewustwording brengen”. Zie van alle dingen zoveel mogelijk de goede kant. Stel je geluk niet afhankelijk van een ander, stel het afhankelijk van God, zoals je die erkent in jezelf, vindt levensgeluk in het steeds weer vervullen van je levenstaak zonder enige aarzeling, zoals je die op het ogenblik eerlijk ziet. Dit is de weg voor de mensen van deze tijd, de weg, die niet onbelangrijke aspecten van het uiterlijk beslaan, maar geheel het innerlijk leven wijzigt.

Ten laatste wijs ik u er nog op, dat er in deze tijd misschien wel vele strijdigheden zijn, maar dat je deze strijdigheden nooit kunt oplossen in de wereld. Wel in jezelf. Vergis u niet. Denk niet, dat de gemeenschap van de mensen zo voort kan blijven gaan als zij nu is. Er is in de afgelopen twee jaar reeds zeer veel veranderd, al ging dit gelukkig nogal geleidelijk. De verandering van de wereld, van de mensheid, gaat onophoudelijk voort. Dit geheel te beheersen of zelfs maar geheel te overzien, ligt buiten uw bereik. De invloeden, die hiervoor aansprakelijk zijn, liggen ver buiten uw eigen leven en levensbereik. Indien u echter uw leven juist opbouwt, zullen de veranderingen buiten u voor u de bevestiging zijn van alles, wat u reeds in uzelf erkende. Juist daarom raad ik u aan: verander uw waarderingen zo nodig en maak u een nieuwe techniek van leven, een nieuwe wijze van denken eigen.

Esoterische aspecten van de rechtvaardigheid

U weet, dat het innerlijke pad vaak voor een groot deel zal worden bepaald door de uiterlijke krachten en werkingen, waarmee de mens in contact komt. Gezien hun inwerking op de mens kunnen wij deze krachten splitsen in krachten van schoonheid, van rechtvaardigheid en van wijsheid. Heden wil ik uw aandacht richten op rechtvaardigheid. De wijze, waarop wij deze zullen beleven is afhankelijk van ons innerlijk evenwicht. Wij ervaren dan ook rechtvaardigheid niet in de eerste plaats als een kosmische werking, als de wet van oorzaak en gevolg, maar als een verandering in de wereld t.a.v. onszelf. Daar wij onszelf veelal onvoldoende kennen, zal de wereld voor ons dan ook vol onrecht schijnen te zijn. Wij plegen dan ook het onrecht te bestrijden. Toch zullen wij dit niet doen – al denken wij dit – omdat het onrecht is. Wij bestrijden het, omdat het ergens onze innerlijke vrede aantast. Dit wettigt de conclusie, dat recht en onrecht tot de door ons niet begrepen waarden behoren; waarden, die in ons innerlijk leven echter toch een grote rol spelen en zo onze bewustwording onmiddellijk beïnvloeden.

Men stelt wel, dat de kosmische rechtvaardigheid een weg is, langs welke de mens wordt geleid tot een begrip van eeuwige waarden. Zonder de praktische beschouwingen van mijn voorganger geheel te willen volgen, meen ik te moeten stellen, dat enig begrip van de goddelijke rechtvaardigheid noodzakelijk is, om innerlijk verder te kunnen komen. Wat de mens in het leven overkomt, de tegenslagen, die wij ook innerlijk vaak ervaren, evenals de grenzen, die wij innerlijk nog niet durven of kunnen overschrijden – de innerlijke tegenstand ook, die wij vaak ervaren, wanneer wij ons toch werkelijk voornemen een hoger doel te dienen – moeten dan ook niet als onredelijke remmen of onrechtvaardige beproevingen worden beschouwd, maar eerder als een aspect van ons gehele wezen.

Ons ware Ik is in de kosmos geheel evenwichtig en kent rechtvaardigheid in alle voertuigen. Wanneer zich een innerlijke rem of tegenstand openbaart, zo is dit rechtvaardig, niet omdat u het hebt verdiend, maar omdat dit onaangename voor u een innerlijke reactie kan betekenen, waarbij het innerlijk evenwicht dichter benaderd wordt. Daar waar mij, volgens eigen erkennen, altijd recht geschiedt, handel ik uit een waar bewustzijn. Daar, waar mij volgens mijn innerlijk aanvoelen en erkennen geen recht geschiedt, doch ten nadele of ten voordele van mijzelf onrechtvaardig op mijn leven schijnt te worden ingewerkt, zal ik de waarheid niet beseffen.

De innerlijke wereld van de mens is zijn persoonlijk beleven, maar tevens zijn persoonlijke oneindigheid. Men kan dit innerlijk alleen met goddelijke waarden waarlijk vullen. De mens bereikt dit slechts, wanneer zijn daden en gedachten deze goddelijke waarden steeds openbaren in alle dingen.

Zo men God in zichzelf erkent, ook al is dit maar een klein en beperkt aspect van de werkelijkheid, dan zal men hierdoor in harmonie zijn met de kosmos. Zo zal de wereld, die in het Ik bestaat, gelijkwaardig zijn voor mij aan de innerlijke wereld, omdat ik rechtvaardigheid en kosmisch evenwicht buiten mij kan beseffen. Een snelle bewustwording wordt dan mogelijk door de parallellen, die bestaan tussen uiterlijke en innerlijke werelden. Zolang de innerlijke wereld echter niet waarlijk God erkent, maar grotendeels gevuld is met waan, zal alle gebeuren buiten het Ik van onrechtvaardigheid doortrokken zijn door het Ik-besef. In feite is er dan sprake van een disharmonie. Daarom zal de esotericus nimmer zeggen, dat hij de rechtvaardigheid moet beoefenen, maar gaat hij uit van het standpunt, dat het zijn taak is het recht in alle dingen te erkennen en zelf daarvan deel te zijn.

Hij beseft, dat, door aan de hand van redelijke denkwijzen onrecht en recht vast te stellen – te oordelen dus – de mens in strijd zal komen met de werkelijke waarden van  zijn innerlijke wereld. Daarom stelt hij: “Wanneer gij een God erkent, zult gij geheel de schepping zien als zijn rechtvaardigheid en u, zelfs niet beseffend, wat de redenen van bepaalde gebeurtenissen wel mogen zijn, u daaraan aanpassen, omdat alle gebeuren een deel is van de goddelijke wetten”.

( aanmerkelijk verkort )

image_pdf