Moderne mentaliteit

image_pdf

3 maart 1961

Aan het begin van deze avond wijs ik u er op, dat wij niet al wetend of onfeilbaar zijn. Over twee weken zal wederom gelegenheid tot algemene vraagstelling worden gegeven. Ons onderwerp voor heden luidt: Moderne mentaliteit

Onder u zullen verschillende zijn, die menen: “Ha, nu krijgt de jeugd eindelijk zijn verdiende loon weer eens”. Het spijt mij, dat ik u teleur moet stellen. De moderne mentaliteit vinden wij namelijk niet alleen bij de jeugd, maar ook bij de ouderen en daar pleegt zij zich zelfs veel scherper te uiten. Bij het bespreken van dit onderwerp hoop ik u tevens te wijzen op punten, die in uw eigen leven plegen voor te komen. Tevens zal ik trachten u enige aanwijzingen te geven, waardoor u bepaalde ongewenste verschijnselen zult kunnen onderdrukken, of – wat zelfs nog beter is – in de gewenste en goede richting zult kunnen leiden.

De mentaliteit van de moderne mens kenmerkt zich door een uiterlijk zeer groot sociaal gevoel, gepaard gaande met een steeds grotere onverschilligheid voor ontwikkelingen, die buiten hem plaats vinden en een sterk egocentrisch denken, dat bovendien nog vaak een verwerpen van de wereld inhoudt.

Allereerst merken wij op, dat de doorsnee mens in deze dagen pleegt uit te gaan van het standpunt: Men heeft de verplichting deze dingen voor mij te regelen, dit moet van bovenaf geregeld worden zonder dat het mij moeite kost. Daarbij stelt men steeds grotere eisen aan de medemensen, aan de gemeenschap en zelfs aan God.
Bij het stellen van deze eisen gaat men bovendien nog uit van het standpunt dat zij uiteindelijk wel niet vervuld zullen worden. Men meent, dat men ter wille van eigen rechten, ondanks eigen mening, ook niet praktische of logisch aanvaardbare meningen, voor allen zal moeten trachten door te zetten. Deze mentaliteit vinden wij bij de ouderen, zowel als bij de jeugd. De fout is hier wel allereerst de eis: ik heb immers het recht van anderen iets te vorderen, wanneer ik zelf niet bereid ben daarvoor iets werkelijks – dus meer dan woorden – in ruil te geven. Het leven van een gemeenschap kan nimmer worden gezien als een handelsovereenkomst en zakelijk worden geregeld. De vraag mag dan ook nooit luiden: Hoe kan ik, door zo weinig mogelijk te geven, zoveel mogelijk verwerven? Zoals men pleegt te doen. De juiste vraag, die men moet stellen, luidt: Hoe kan ik persoonlijk aan mijn plichten voldoen en – zo ik geheel daaraan voldoe – wat mag ik in dit geval van anderen redelijk verwachten?

U bent zich waarschijnlijk niet eens bewust van het feit, dat ook u zo pleegt te denken. U stelt uw eisen en gaat daarbij geheel van uw eigen wezen en denken uit. Voorbeeld? Ik heb geen belangstelling voor klassieke muziek. Waarom spelen zij dit dan nog op de radio? Ik heb geen belangstelling voor… geen interesse in… etc. Dat horen wij steeds meer, alsof dit een criterium zou zijn voor hetgeen de wereld past. Anderen stellen: ik heb belang bij kinderbijslag, waarom wordt deze dan niet verhoogd? Of omgekeerd: ik heb geen belangstelling voor kinderbijslag, men moet dit opheffen, want ik zie geen enkele reden om te betalen voor de kinderen van anderen.

Misschien herkent u uit deze voorbeelden reeds bepaalde gedachten, die ook u pleegt te koesteren. Om de juiste houding te vinden, moeten wij uitgaan van het standpunt, dat ons leven deel is van een organisme. Dit organisme heet mensheid, omvat stof en geest, terwijl elk van ons daarin een eigen en bijzondere taak heeft. Ook wanneer deze taak voor de gemeenschap door ons niet beseft wordt, zullen wij deze nog vervullen. Het organisme zelf regelt immers, wat ons mogelijk is en wat niet. Indien wij eisen aan het organisme gaan stellen en niet in de eerste plaats onze taak daarin trachten te vervullen, zal het organisme “mensheid” ziek kunnen worden. Vooral, wanneer vele delen van het organisme op een gelijksoortige manier eigen belangen ten koste van het geheel trachten te bevorderen. Op de duur zal het organisme dan niet meer – aan de voor de delen noodzakelijke en natuurlijke levensvoorwaarden – kunnen beantwoorden.

Nu zijn wij, indien wij eigen standpunt beschouwen, voor ons zelf steeds het begin en het einde van alle dingen. Er is slechts één enkele kracht, die wij – zo wij haar in onszelf leren kennen – het ware begin en einde kunnen en mogen noemen buiten het Ik: God. Ofschoon u dit misschien wat vreemd klinkt, bestaat er in wezen voor ons buiten het Goddelijke alleen het “Ik” nog als volkomen realiteit. Wanneer men nu bij zichzelf ontdekt, dat men intolerant is, of teveel aan zichzelf denkt, zo heeft het weinig zin te stellen, dat men meer aan de gemeenschap dient te gaan denken. Dit blijkt de meeste mensen tóch niet mogelijk. Zo zij al aan de gemeenschap trachten te denken – sociaal te denken – zal dit in de meeste gevallen toch alleen maar een bemanteling of verdraaiing van de oorspronkelijke en egoïstische zienswijze zijn.
Het is daarom beter te vragen: schuilt er in mijn intolerantie iets, waardoor de gemeenschap beter kan worden…? Voor degene, die zich verzet tegen het uitzenden van klassieke muziek over de radio betekent dit dan, dat hij niet moet ijveren voor een afschaffen van de klassieke programma’s, maar voor een verbetering van de lichte muziek. Degenen, die zozeer op klassieke muziek gesteld zijn, zullen dan ook daarin hun vreugde kunnen vinden, zodat het aandeel van de amusementsmuziek dus toe zal nemen.

Wij noemen een dergelijke reactie wel: de positieve benadering van een persoonlijk probleem. Vooral bij oudere mensen pleegt deze positieve benadering nogal eens weg te vallen. Deze gaan van het standpunt uit: Wij alleen weten het, wij hebben het recht onze mening te zeggen, anderen niet, wanneer wij iets zeggen, is het ook zo…. . Hieruit kunnen conflicten met ernstige gevolgen voortkomen. Ik denk hierbij aan het conflict, dat in de U.S.A. op het ogenblik is gerezen tussen de afscheidnemende Eisenhower administratie en de aan het bewind komende Kennedy- groep. Daarbij valt op, dat Eisenhower steeds weer stelde: Zó is het goed. Zó gaat het goed, want Ik vind het goed. Kennedy daarentegen stelt: “Volgens mij zijn vele van uw uitspraken feitelijk onjuist….” . De werkelijke toestand is geheel anders. Beiden hebben beperkt gelijk en beiden hebben ook ongelijk. Beide partijen geven namelijk een eenzijdige belichting van de feiten. Indien zij dit erkennen, zo kunnen zij de goede punten van de ander gebruiken. In dit geval het goede, dat door de Eisenhower administratie wel degelijk tot stand werd gebracht. Dit te erkennen, ook openlijk, is voor Kennedy wel van buitengewoon belang. Zou hij deze mogelijkheid over het hoofd zien en alleen eigen maatregelen willen treffen, zonder Eisenhower zijn besluiten en maatregelen te continueren, zo wacht hem, en met hem een groot deel van de wereld, een zeer onrustig en moeilijk jaar.

Ook voor u geldt steeds weer, dat u vooral moet zoeken naar hetgeen in de meningen en handelingen van anderen voor u bruikbaar is. Stel, dat er iemand is, die u met zijn gepraat buitengewoon verveelt. Dan kunt u natuurlijk stellen, dat u daarnaar niet meer luistert, omdat dit alles u niet interesseert. U kunt ook stellen: Ik zal toch steeds weer blijven zoeken naar één enkel punt, één enkel gegeven, dat ook voor mij van belang kan zijn. De rest laat ik dan wel over mij heen gaan….. Door dit ene punt is een contact met de spreker mogelijk. Vanuit dit punt kan men dan tot een belangrijker en interessantere uitwisseling van gedachten komen. Veel is afhankelijk van de wijze, waarop men anderen benadert.

Een tweede, al even vaak voorkomend verschijnsel in deze dagen, is het opsommen van alle dingen, die maar even negatief zijn. De jeugd van heden stelt bv.: wij krijgen dit niet, wij hebben dat niet. Een ander heeft dit wel, ik niet, enz. . Of: waarom mogen wij, jonge mensen, niet ons eigen leven besturen? Waarom eist men van ons, dat wij hard werken? Wij hebben daarin geheel geen zin… . Door dit opsommen van alle werkelijke en schijnbaar negatieve punten in eigen bestaan, worden deze jongeren gedreven tot een sombere en zwartgallige levensbeschouwing, waardoor zij geen oog meer hebben voor de meer positieve kanten van hun bestaan. Pas wanneer zij, door het sluiten van een huwelijk, verplaatsing in een nieuwe omgeving, of het aanvaarden van een nieuwe en grote aansprakelijkheid, worden gedwongen tot meer positief streven, kunnen zij deze houding veranderen. Dan blijken de negatieve keldertypen niet alleen bruikbare burgers te zijn, maar ook geestelijk veel te kunnen presteren. Zolang zij in hun duistere levensbeschouwing blijven volharden, brengen zij niets waardevols voort. De jonge mensen kunnen aan een negatieve levenshouding nog ontgroeien door een grote omkeer in hun bestaan. Bovendien zal een dergelijke verandering in hun bestaan ook een verandering en aanpassing van leefwijze vergen, waardoor eveneens een omkeer wordt bevorderd.

De ouderen uiten hun negativisme niet zo openlijk. Ofschoon zij zich daarvan niet bewust schijnen te zijn, denken zij vaak op dezelfde wijze als de jeugd. Voor hen zijn in het leven minder schokkende gebeurtenissen te wachten, zodat een omkeer, die hen tot een meer positief leven en streven brengt, zeldzaam wordt. Ook de schijnbare redelijkheid van hun argumenten draagt vaak tot een blijvend negatief leven en denken bij. De argumenten, die wij horen bij een pogen eigen negativisme te rechtvaardigen, luiden: atoomgevaar, huizen tekort, een komende crisis, wereldondergang, de tekorten aan arbeidsgelegenheid over zoveel jaren enz. Statistieken en nog niet vaststaande feiten of verkeerde vergelijkingen dragen tot een hardnekkig ontkennen van enige vooruitgang of mogelijkheid voor de wereld bij. In huiselijke kring horen wij soortgelijke argumenten: de melk is slechter dan vroeger, maar veel duurder. Het brood gaat steeds meer kosten. Suiker, koffie, thee, tabak, alles schijnt de mensen van mindere kwaliteit te zijn, terwijl de nominale prijzen veel hoger zijn dan vroeger.

Men vergeet daarbij het volgende: de huidige koopkracht is – in verhouding tot de z.g. goedkopere en betere oude tijd – veel hoger. Lasten, die vroeger zwaar op de mens drukten, zijn  weggenomen, of aanmerkelijk verminderd. Denk hierbij bv. aan de medische verzorging vroeger en nu. Men vergeet verder, dat men zich in het heden menige kleine luxe kan veroorloven, die vroeger haast onbereikbaar was. De wereldvoorstelling is geheel vertekend, de reacties zullen in eigen omgeving geheel onjuist zijn en ontevredenheid wekken, waar hiervoor in feite geen reden bestaat.
Ouderen zeggen ook vaak: de mensen luisteren niet meer naar de woorden van een oud en wijs mens. Zij vergeten daarbij te vermelden, dat zij ook niet naar de wereld luisteren, waardoor hun raad, wijsheid enz. niet op de werkelijkheid betrekking hebben. De zo ontstane onvrede voert tot onnodige spanningen. Het negativisme van ouderen kan moeilijk meer onderbroken worden en voert tot een té vergaand pessimisme, dat op zijn beurt aanleiding wordt tot een pogen geheel de maatschappij, evenals eigen leven, te baseren op de pessimistische en irreële beschouwingen, die men nu eenmaal heeft.
Indien u ouder bent en aan een dergelijke levenshouding laboreert, is de beste raad: som elke dag de goede momenten op, die u hebt beleefd. Tel steeds weer het goede in het heden op en overtuig u weer ervan, dat ook in de moderne wereld en de moderne mens nog veel goeds schuilt. Aanvaard de dreigingen, die aan deze tijd eigen zijn, maar erken tevens, dat je daaraan zelf weinig of niets kunt doen. Werk aan hetgeen waarin u werkelijk iets kunt bereiken, iets goeds voor anderen kunt doen. U zult dan, evenals de jongere mensen, door de veranderingen in hun leven, veel kunnen gewinnen aan geluk, geestelijke wijsheid en doelmatigheid van leven en handelen.

In deze dagen blijkt ook de oude gedachtegang, dat vreemdelingen gevaarlijk zijn, een ongewoon grote rol te spelen. Dit is een herleven van een zeer oud principe, dat vroeger vooral in kleinere stam- en dorpsgemeenschappen werd gehuldigd. Ieder, die anders is, denkt, of handelt, is een vreemdeling. Men kan deze tolereren, zolang hij voordeel geeft. Zodra hij aan werkelijke, of vermeende rechten tornt, dan wel aan de verdienste van de kleine gemeenschap raakt, wordt hij tot vijand en moet vernietigd worden. De mentaliteit komt ook nu nog in kleinere gemeenschappen voor, maar wordt tevens als de hoogste wijsheid onder rassen en kleurgroepen uitgedragen.
Het is niet zeker, dat een Ariër superieur is aan een Jood of omgekeerd, evenmin als het zeker is, dat een niet neger altijd verstandiger of beter zal zijn dan een neger of omgekeerd. Men zou in deze dagen moeten beseffen, dat bekwaamheid, eigenschappen en mogelijkheden van een mens alleen op een zuiver persoonlijke basis kunnen worden geschat, maar nimmer op een algemene basis. Ook dient men te begrijpen, dat eigen maatstaven voor beschaving, cultuur etc. nimmer voor de gehele wereld gelijkelijk van kracht kunnen zijn. Daarom zal in deze dagen voor allen de raad gelden: bouw voor uzelf een zo groot mogelijke tolerantie op voor alle andere vormen van leven en denken. Houdt u zo sterk mogelijk aan hetgeen u juist acht voor uzelf, zonder deze maatstaven aan anderen op te dringen. Op deze wijze zult u voor uzelf en geheel de wereld goed handelen en samenwerking tussen volkeren en rassen mogelijk maken, waar deze nu nog onmogelijk schijnt.

Zo het genoemde in het groot het meest kenbaar naar voren treedt, bestaat dezelfde neiging toch ook in kleinere kring. Er zijn in uw leven mensen, die u niet kunt luchten of zien, alleen omdat zij plegen te spreken over dingen, die u niet interesseren, of gewoonten hebben, die u irriteren. Zelfs mensen, die steeds weer op een door u niet verwachte wijze reageren, pleegt u af te wijzen en te haten. Ook hier is het noodzakelijk een zo groot mogelijke tolerantie voor van het Ik afwijkende waarden en een zo groot mogelijk begrip voor anderen op te bouwen. Eerst wanneer wij dit hebben gedaan, zullen wij werkelijk in de wereld iets kunnen bereiken en ook geestelijk kunnen stijgen, waar onze wereld en daarmede onze mogelijkheden aanmerkelijk groter worden.

Een zeer belangrijk punt in de moderne mentaliteit komt tot uiting in de veel gehoorde en gedachtevraag: is er eigenlijk wel een God? Degenen, die zo denken, laten hier in het westen onmiddellijk op volgen: wij geloven natuurlijk in Jezus Christus, de wijze, waarop Hij op aarde is gekomen enz. Wij geloven in Jezus, roept men steeds weer uit en vervolgt vaak: In Zijn Naam moeten wij tot samenwerking komen… . Maar daarmede gelooft men nog niet in een alomvattende Godheid, een eenheid, die boven alle dingen gaat. Deze onuitgesproken mening gaat verder en stelt: wanneer wij door dit geloof niet méér zijn dan anderen en méér rechten hebben op de eeuwigheid, dan is die Jezus ons eigenlijk niet zoveel waard. Men zoekt niet meer in de eerste plaats zijn God, of een aanvaardbaar beeld van zijn God, maar een bevoorrecht zijn, een meer waardig zijn t.o.v. anderen. Men is dan ook meestal niet bereid, zelfs niet indien dit voortvloeit uit de leer, die men zegt aan te hangen, van dit meer waardig en bevoorrecht zijn afstand te doen. Ook al is deze houding niet volledig algemeen, zo blijkt zij toch in alle groepen sterk op de voorgrond te treden, zelfs bij de spiritisten.
De juiste houding zou zijn: Wij geloven in God, ongeacht hetgeen wij van die God verwachten en/of niet mogen verwachten. Wanneer wij door dit geloof sterker of meer bevoorrecht zijn dan anderen, zullen wij dit geloof alleen mogen uitbuiten om anderen meer te geven, ook wanneer dit ten koste van onszelf gaat. Bij het geven geldt dan verder nog: leer niet alleen te geven, zoals gij wenst te geven, maar bovenal zó te geven, als anderen wensen te ontvangen… .  Alleen op deze wijze heeft het uiterlijke geloof in God een innerlijke basis gekregen en kan men geestelijk en stoffelijk verder komen.

Helaas is God té veraf voor de doorsnee mens om hem tot een dergelijke levenshouding te bewegen. Het Godsbegrip wordt dan ook tot speelbal van de menselijke belangen en is niet geestelijk reëel meer. Hieruit volgt weer een volgend punt: de behoeften zijn meerwaardigheid ook op andere wijze tot uitdrukking te brengen, waar immers een alleen door beroep op God meer waardig zijn de meesten niet werkelijk genoeg lijkt. Hieruit volgt dan de stelling: Ik weet veel, ik heb diploma’s, waarin dit erkend wordt, dus ben ik wijzer dan een ander… . Maar kan het begrijpen van God en Zijn wetten dan alleen afhankelijk zijn van een doctoraat in de theologie? Kan men alleen met een diploma van vakbekwaamheid een goed kruidenier zijn of geen putjesschepper, zonder eerst een diploma te bezitten, dat aangeeft, dat u een beroepsopleiding met goed gevolg hebt gevolgd? De mens, die zich nadrukkelijk meent te moeten blijven beroepen op zijn onderricht, zijn behaalde diploma’s e.d., geeft in feite toe, dat hij zich alleen kan beroepen op de gedachten en prestaties van anderen, die hij heeft leren herhalen, zonder dat hij zelfstandig genoeg leeft en denkt, om uit eigen streven en pogen iets zelfstandig te leren en te benaderen.

Een dergelijk mens zal dan ook, ondanks zijn schijnbaar zo grote meerwaardigheid, steeds weer terug schrikken voor het vormen van een persoonlijke mening en steeds bij anderen navragen, wat hij nu eigenlijk moet denken. Bovendien zal een dergelijk mens geen verantwoordelijkheid voor eigen streven, of voor het leven en werken van anderen, wensen te dragen, tenzij hij zich op voorschriften, wetten e.d. kan beroepen, die hem uiteindelijk vrijpleiten van elke verplichting tot zelfstandig handelen en denken. Een mens die zich op formele kennis zonder praktijk laat voorstaan t.o.v. anderen, die deze formele kennis niet schijnen te bezitten, geeft in feite een gevoel van onzekerheid en innerlijk aangevoelde minderwaardigheid toe.

Ons weten heeft alleen zin, wanneer het ons tot een beter begrip van anderen brengt, het ons mogelijk maakt voor anderen hun eigen begrippen en denkwijzen beter te formuleren en hen beter inzicht te geven in het geheel, terwijl wij tevens zelfstandig denkend en handelend ons geheel durven baseren op onze kennis, zonder ons daarbij ooit op anderen te beroepen, wanneer hieruit een verdergaande verantwoordelijkheid voort zou spruiten. Wie – ondanks de in deze dagen gangbare leefwijze – tot een dergelijk optreden en leven weet te komen, zal ontdekken, dat hieruit niet alleen praktische voordelen voortspruiten, maar dat ook de geestelijke bewustwording op wonderlijke wijze toeneemt en open zal bloeien.

Het voorgaande leidt tot een andere fout van het moderne denken. Wanneer men nl. een hogere Al-kracht moet erkennen, zo eist men, dat deze kracht – ongeacht haar eigen geaardheid en wezen – zich zal openbaren op een wijze, die voor de mens niet alleen kenbaar, maar ook redelijk aanvaardbaar is. M.a.w.: men stelt, dat God wel wonderen mag doen, indien hij dit wenst, maar deze dan zo zal moeten volbrengen, dat het wonder zelf wetenschappelijk vaststelbaar en ontleedbaar is. Zou God Zich buiten deze redelijke menselijke normen durven wagen, zo kan men noch Hem noch Zijn wonder erkennen… Dit is natuurlijk onjuist. Toch treffen wij deze denkfout niet alleen bij de wetenschappelijk gevormden aan, maar evenzeer bij de gewone mens.

Wanneer je gaat spreken over de mogelijkheden van gedachtenkracht enz. en dit technisch enigszins aannemelijk kunt maken, zo wil men dit nog wel aanvaarden. Maar zelfs hier vraagt men niet alleen: hoe kan ik zelf van dit alles een bewijs leveren, maar eist men ook een verklaring. De moderne mens neemt geen genoegen met bewijzen alleen, maar eist tevens verklaringen. Men begrijpt schijnbaar niet, dat, waar het gaat over niet stoffelijk kenbare waarden, elk bewijs op zich reeds een vervalsing van deze waarden en een vertekening van hun werkelijke inhoud zal vormen.

Laat mij daarom hier even vastleggen, dat het menselijke leven gesplitst kan worden in twee gebieden: het stoffelijke en ook redelijk kenbare en omschrijfbare gebied, en het onstoffelijke terrein, dat zich dan ook geheel aan het redelijke onttrekt. Dit laatste gebied omvat alle Goddelijke waarden, plus alle geestelijke waarden, die uit het bovennatuurlijke voortvloeien. Zodra men tracht een materiële maatstaf aan te leggen bij het beschouwen en erkennen van alles, wat tot de geest en tot God behoort, zal de mens tekort schieten en falen. Een dergelijke mentaliteit kan de mens tot twee uitersten voeren: ofwel hij is van eigen waarde geheel overtuigd en verwerpt daarmede tevens geheel alles wat niet redelijk is, in het leven alleen uitgaande van het stoffelijk bewijsbare, dan wel hij is niet zeker van zichzelf, weigert de rede als belangrijk te beschouwen en gaat alleen uit van betrekkelijk wilde redeneringen. Daarbij stelt hij, dat alles, wat hij verlangt dat waar zal zijn, in feite waar is.
Vooral voor jongere mensen kan een dergelijke denkwijze fataal worden. Voor oudere mensen, met eenmaal gevormde denkgewoonten, is de invloed van een geloof, of een alleen zich op de rede gaan beroepen, over het algemeen niet zo groot meer. Deze oudere mens zal zich uiteindelijk aan eigen gevormde opinies houden. Indien een jonge mens gevormd wordt in een te materialistisch denkende wereld en daarin geestelijke krachten zal moeten leren gebruiken, zal  het noodzakelijk zijn, dat deze ook het onderscheid tussen de materie, en haar redelijk gebruik, én de Goddelijke krachten leert begrijpen.

Ook al bent u wat ouder, zo wil ik u toch raden: waar u een openbaring van God, de geest, of iets dergelijks verwacht, niet op de rede, het verstandelijk denken en streven af te gaan. Tracht in deze ontmoetingen geheel boven-redelijk te zijn en laat alle pogingen tot logische ontledingen en verklaringen voorlopig terzijde. Wanneer zich verschijnselen voordoen als gevolg van een dergelijke communicatie met het boven-stoffelijke, dan mag u de materieel voorkomende verschijnselen nuchter en redelijk beschouwen en ontleden. Is een beschouwen en erkennen via de zintuigen niet mogelijk, zo is het beter voorlopig de openbaring of mededeling zonder meer te aanvaarden.

Ik breng dit buiten mijn eigenlijke onderwerp naar voren, omdat zich juist in deze dagen steeds meer eigenaardige verschijnselen openbaren en reacties bij de mensen wekken. Ik denk hierbij niet alleen aan de vliegende schotel-rage, die tussen veel onzin ook enkele korrels werkelijkheid bevat, maar ook aan de bestrijding van de kwakzalverij. Hierbij blijkt men in vele gevallen het kind met het badwater weg te werpen. Ongeloof en het verzet tegen gebedsgenezing binnen vele kerkelijke groeperingen is ook al een voorbeeld, evenals het pogen binnen bepaalde godsdiensten een sacrament, dat in feite een magisch gebeuren is, terug te brengen tot een ceremonie met alleen symbolische inhoud.

Er zijn meer voorbeelden te geven. Toch is er juist in deze dagen, mede dankzij de moderne mentaliteit, een grote behoefte aan het bovennatuurlijke bij vele mensen. De mens, die zich alleen op het redelijke, alleen op de materie baseert, kan in dit leven vaak niet meer verder komen. De moderne mens beseft zelf zeer wel, dat hij niet over een voldoende beheersing beschikt, zelfs op redelijke en logische basis, om al hetgeen hij op deze wereld heeft geschapen, ook geheel meester te blijven. Reeds nú is het zover, dat in sommige bedrijven en instanties de mensen door een rekenmachine worden geregeerd, omdat men beseft, dat het menselijke kunnen tekort schiet. Waarbij men vergeet, dat een machine het menselijke ontbeert en zo op een andere wijze evenzeer tot falen gedoemd is. Nu al kan een toeval beslissen over oorlog en vrede, een voortbestaan, of vernietigen van de wereld, terwijl de mens met al zijn redelijke betogen daarop geen of weinig invloed meer uit kan oefenen.

De conclusie is duidelijk: het is noodzakelijk de rede te doen gelden en redelijkheid de voorkeur te geven, waar deze werkelijk van toepassing is. Het is ook noodzakelijk slechts een gemiddelde te nemen over de grotere massa, indien wij een redelijke beslissing willen treffen, wanneer dit werkelijk onvermijdelijk is. Bij voorkeur dient men, zelfs bij grotere, meer omvattende en belangrijke beslissingen, steeds af te gaan op eigen kennis, ervaring en waarnemingen. Alleen op deze wijze zal de mensheid in het leven kunnen slagen, een beheersing van de stof kunnen verwerven en mede door de innerlijke en geestelijke waarden in het Ik, meester kunnen blijven over alles, wat zij heeft geschapen. Enkel door een juist toepassen van de rede, gepaard met een aanvaarden van het bovenzinnelijke, zal de mensheid en de mens als eenling tot een zich verheffen kunnen komen tot hoger niveau van materieel en geestelijk leven.

Nu wij toch hiervan spreken, stel ik tevens de vraag, waarom wij bij zovele mensen in deze dagen ofwel een hartstochtelijke ontkenning van de dood, dan wel een onlogisch en haast morbide aandacht voor de dood aantreffen. Klaarblijkelijk is in deze dagen het leven zelf weinig waard. Het verwerpen van de dood betekent, dat men weigert haar te beschouwen als een logisch gevolg van het leven. Dit duidt op een onredelijke vrees voor de dood. Een je voortdurend bezighouden met de dood betekent in feite hetzelfde. Degene, die meer dan normaal zijn aandacht richt op de dood en het voortbestaan, dan wel alles doet om elke herinnering aan de dood terzijde te schuiven, leeft niet werkelijk. De belangstelling voor de dood is belangrijker, dan u, oppervlakkig gezien, zou menen. Dit komt ook tot uiting in debatten omtrent het voor of tegen van crematie, het al of niet stichten van blijvende familiegraven enz. Dergelijke vragen en de daaruit voortvloeiende beschouwingen over de dood zijn niet alleen een onderwerp van gesprek voor de gewone mensen, maar dringen zelfs door tot gemeenteraad en -kamer, niet alleen in Nederland, maar ook in vele andere landen vinden wij een abnormale belangstelling voor de dood en al wat daarmee samenhangt.

Ook uzelf zult u waarschijnlijk met de dood meer bezighouden, positief of negatief, dan, gezien uw bestaan, in feite noodzakelijk is. Zelfs de jeugd, in haar sombere gedichten en atonale muziek, geeft eveneens blijk van een meer dan normaal geboeid zijn door de doodsgedachte. Het stellen van de dood als een onvermijdelijk iets, is m.i. voor elke mens noodzakelijk. De erkenning van de dood als een mijlpaal in het leven, moet ook inhouden, dat het leven zelf, de weg, die de mens gaat, veel belangrijker is dan de mijlpaal, die men eens zal ontmoeten. De nadruk zal steeds moeten liggen op het leven en de mogelijkheden van het leven. Realiseer u, dat elke gedachte, die u aan de dood wijdt, of aan het leven na de dood, in evenwicht dient te worden gehouden door een tenminste even intense belangstelling voor alles, wat in het leven mogelijk is en gebeurt.
Tracht u zelf, maar ook jongere mensen steeds, weer duidelijk te maken, dat zolang men op de wereld vertoeft, het stoffelijke leven het meest belangrijke is, wat er kan bestaan. Juist wanneer men geestelijke bewustwording begeert, is dit noodzakelijk. Streef dan ook naar geestelijke rijping, vooral door eigen levensvreugde en levensaanvaarding. Bevorder uw geestelijke en lichamelijke gezondheid door het terzijde stellen van elke preoccupatie met de dood, het sterven en alles, wat daarmee samenhangt. Wie hierin slaagt, bevordert niet alleen eigen bewustwording, maar tevens een juister leven in de stof voor allen, die met het Ik in aanraking komen.

Andere conflicten, die uit de moderne mentaliteit voortvloeien, bewegen zich vooral op het gebied van de moraal. De ouderen roepen vaak uit: vroeger arbeidde de jeugd reeds vroeg, pas later dacht zij over huwelijk enz. Nu willen de jonge mensen, terwijl zij nog niets van het werkelijke leven afweten, met elkaar omgaan, verloven zij zich en komen tot contacten, die aan het huwelijk gelijk komen, of tenminste veel verder gaan, dan wij zedelijk toelaatbaar achten. Velen achten een herzien van deze toestanden buitengewoon en boven alles belangrijk. Deze mentaliteit vinden wij in tegengerichte zin bij de jeugd.
Daar stelt men alles, wat de ouderen op dit terrein van ons verlangen, is kolder, is onzinnig. Laat ons daarom alle regels breken. Beide standpunten zijn onjuist. De goede oplossing is hierin: besef, dat niets in het leven voor de mens geestelijk en stoffelijk zo belangrijk kan zijn, als het geheel dragen van eigen verantwoordelijkheden. Wanneer elke mens bereid is de gehele verantwoording te aanvaarden voor alles, wat hijzelf doet, zal het gevolg hiervan een algemeen gangbare moraal zijn, die voor allen even aanvaardbaar blijkt. Het is dan niet meer noodzakelijk bepaalde zedelijke normen te gaan propageren, of je daartegen te verzetten. Eveneens zal het niet meer noodzakelijk zijn de verhoging van het kindertal te bevorderen, of af te remmen. Indien elke mens gehouden wordt de volledige aansprakelijkheid voor eigen daden te dragen, is het ook niet zo belangrijk meer, wat de jongere mensen wel of niet doen. Slechts moeten ook de ouderen bereid zijn hen de volledige consequenties van eigen daden te laten ondergaan. Het is vreemd, dat mensen, die omtrent oorzaak en gevolg, weten of geloven aan Gods wil en de predestinatieleer, steeds zo hevig zich verzetten tegen elke poging van anderen om ook maar enigszins anders te denken en te leven, dan zij aanvaardbaar achten.

Het is dwaas het gemengde baden te verbieden, of het kussen op straat strafbaar te stellen. Toch maakt men zich in verschillende landen over deze dingen druk, en men vergeet rustig dat ergens op de wereld nog mensen zijn, die verhongeren. Het is dwaas je op te winden over normen van zedelijkheid, wanneer er op de wereld nog zoveel onrecht bestaat, dat mensenlevens kost. Het is onlogisch de nadruk te leggen op beheersing in het seksuele bovenal, wanneer onbeheerstheid bv. in het verkeer zoveel ernstiger gevolgen met zich pleegt te brengen. Over dit laatste windt men zich niet zo erg op.
Conclusie: de mens, die verstandig wil leven en werken, dient juist de moderne mentaliteit op dit gebied voor zich tot iets bruikbaars te maken. Daarbij dient men uit te gaan van de stelling: ikzelf en ik alleen draag de volledige verantwoording voor alles wat ik doe.

Ik moet deze verantwoordelijkheid zelf blijven dragen, zelfs wanneer anderen geneigd zijn deze van mij af te nemen. Wanneer de staat bv. mij aanbiedt een groot deel van mijn verantwoordelijkheden van mij af te nemen, zo zal ik moeten eisen deze zelf te mogen dragen. Ook voor alles, wat ik anderen leer, of voor anderen doe, moet ik bereid zijn de volle aansprakelijkheid te aanvaarden. Wanneer jonge mensen tegen de geldende regels, of het door u goed geachte, in willen gaan, dient u eenzelfde standpunt in te nemen. Stel: het is niet erg, wanneer je deze dingen wilt doen, maar besef wel, dat jij en jij alleen alle gevolgen daarvan zult moeten aanvaarden. In het laatste geval is het zelfs de plicht van ouderen en ouders te zorgen, dat de jongeren niet aan de gevolgen van hun daden kunnen ontkomen door deze op anderen af te schuiven. Wanneer het merendeel van de mensen zo durft te leven, zien wij een sfeer van grotere persoonlijke vrijheid ontstaan, met grotere mogelijkheid tot het vormen van persoonlijke harmonie.

Een overdenken van de moderne mentaliteit brengt onwillekeurig ook de invloeden van Aquarius op de voorgrond. Er is een steeds toenemende behoefte aan mystiek waar te nemen, die zeker aan de komende wereldheerser te danken is. Bij jonge mensen vinden wij deze mystieke honger vaak weergegeven in hun eigen ritmen en dansen, die in vele gevallen tot een eigen taal worden. Wij vinden deze mystieke neigingen evengoed weerkaatst in de vaak verwrongen gedichten, als in het verdraaide taalgebruik, dat de vorm krijgt van een steeds wisselend wachtwoord van een geheime gemeenschap. De jonge mens tracht hiermee niet alleen een onafhankelijkheid van de ouderen te verwerven, maar wel degelijk tevens een band met iets onzienlijks te scheppen. Ook bij de oudere mensen blijkt de behoefte aan mystiek steeds groeiend te zijn. De aandacht van de ouderen wordt daarbij steeds sterker gericht op alle manifestaties van het bovennatuurlijke, of het ‘zogenaamde’ bovennatuurlijke.

Dit zal lang niet altijd een gezonde belangstelling zijn. Aquarius vergt mystieke ervaringen. Maar kan men deze opdoen door te gaan zien naar het werk van een al dan niet echte paragnost, zoals anderen aan sport menen te doen door een voetbalwedstrijd als toeschouwer bij te wonen? Men kan niet in de mystiek doordringen door alleen naar de woorden van anderen te luisteren, zonder daarbij tevens zelf en innerlijk met de gedachten, die hieruit voortkomen, te werken. Er is geen contact met het Goddelijke te vormen, indien dit niet voortkomt uit eigen actie en streven. M.i. dient de moderne mens zijn behoefte aan communicatie met het ongeziene en contact met het Goddelijke om te zetten in een persoonlijk streven, beleven, in een persoonlijk contact. Tevens dient de mens dan rekening te houden met het feit, dat het bereiken van een dergelijk contact direct en materieel merkbare gevolgen in eigen wereld met zich zal brengen. Elke mystieke beleving moet voor de mens resulteren in bepaalde stoffelijke veranderingen en uitgedrukt worden binnen bepaalde stoffelijke gebeurtenissen.

Het zal u duidelijk zijn, dat juist dit laatste punt in deze dagen van meer dan gewoon belang moet worden geacht. Hoe vaak zien wij in deze dagen, dat iets op goed geloof wordt aangenomen. De goedgelovigheid en suggestibiliteit van de doorsnee mens neemt in de laatste jaren op haast ontstellende wijze toe. Godsdienst, politiek en reclame wil ik buiten beschouwing laten. Wel wil ik wijzen op de suggestie, die voor zeer velen blijkt uit te gaan van het oordeel, dat anderen vellen. Men vindt iets al te vaak alleen goed of lelijk, wanneer anderen dit goed of lelijk vinden, maar stelt eigen oordeel steeds weer achter bij de meningen, die uit de wereld tot het Ik kunnen doordringen. De suggesties, waaraan men zich zo gaarne onderwerpt, verdringt niet alleen een eigen oordeel, maar maakt ook een eigen en persoonlijk beleven haast onmogelijk. Een mens zal alleen kunnen beantwoorden aan de nieuwe invloeden, wanneer hij ook een eigen visie heeft op zijn leven en de feiten daarvan, een eigen gevoel voor schoonheid weet te ontwikkelen en – zo hij al een roes noodzakelijk meent te hebben – ook een eigen en voor hem in het bijzonder aanvaardbare vorm van roes weet te aanvaarden.

Dit alles is aanleiding tot eigenaardige verschijnselen. Wanneer wij bv. tot de mensen spreken, zo blijkt ons gehoor voor tenminste 3/4 uit vrouwen te bestaan. Toch zijn onze lezingen over het algemeen niet direct eenvoudig en gemakkelijk te begrijpen. Ook doen deze lezingen niet in de eerste plaats een beroep op het sentiment. De vrouwen, die dergelijke lezingen volgen, zullen – althans voor een groot deel – wel over de verstandelijke vermogens beschikken, die een volgen van onze argumentatie mogelijk maken. Zo rijst de vraag, waarom de mannen dit werk niet zo gaarne aanvaarden en volgen en veelal dit veroordelen of verwerpen, zonder het ook maar werkelijk en onpartijdig te hebben leren kennen. Het antwoord is meestal, dat de man zijn eigen wereld en gezag aangetast denkt te zien door hetgeen wordt gebracht, dan wel vreest in de ogen van anderen belachelijk te worden, wanneer hij dergelijke, niet alleen op logica gebaseerde, verschijnselen als reëel aanvaardt.

Ook vraag ik mij af, waarom de vrouw, die toch zeker krachtens haar begrip over voldoende verstandelijke vermogens beschikt, t.o.v. de man onmiddellijk weer zegt: Maar ik ben maar een vrouw! Zo zou men zich af kunnen vragen, waarom zelfs in deze moderne wereld aan de vrouw bepaalde verplichtingen worden opgelegd, die voor de man klaarblijkelijk niet bestaan en omgekeerd. Misschien dient de vraag te luiden: Hoe komt het, dat de vrouw – ondanks haar optreden als gelijkwaardige partner voor de man – in deze maatschappij in zo vele opzichten toch nog de mindere blijkt te zijn? M.i. veroorzaakt zij dit bewust of onbewust zelf. Zij vreest haar eigen persoonlijke rechten prijs te moeten geven. Zij houdt ten koste van alles vast aan het begrip zwak te zijn, omdat haar dit een verontschuldiging geeft voor vele fouten, die zij in zichzelf erkent en bovendien de man de verantwoordelijkheid oplegt voor vele maatschappelijke facetten van haar bestaan. Vandaar, dat menige vrouw het verschrikkelijk zou vinden, wanneer zij eens een huwelijksaanzoek zou moeten doen. Menige vrouw vreest er voor een man op een niet snibbige, maar volkomen redelijke en normale wijze op zijn plaats te moeten zetten. Een man blijkt niet in staat volkomen redelijke en verantwoorde argumenten te aanvaarden, wanneer deze van een vrouw afkomstig zijn.

Waarom is dit heden nog zo? Waarom tracht het moderne meisje veelal niet een meisje te zijn, maar een imitatie jongen? M.i. is dit alles het gevolg van een grote verwarring, waarbij uiterlijke verschijnselen en maatschappelijke waarderingen belangrijker worden geacht dan innerlijke en geestelijke vermogens, eigen intellect enz. Lichaamsvormen schijnen in velen hun ogen belangrijker te zijn dan inzicht en bewustzijn. Zo blijkt, dat de man steeds weer meent bovenal redelijk te moeten denken en handelen, zijn gevoelens te moeten beheersen en zelfs aan zijn honger naar mystiek alleen op gereglementeerde wijze tegemoet te mogen komen. Volgens mij is dit alles slechts een teken van zeer grote innerlijke onzekerheid bij beide geslachten. De suggestie van de maatschappij omtrent verantwoordelijkheid, aanvaardbaarheid, de drang van de publieke opinie, is natuurlijk ook hier van belang, maar het eigenlijke probleem schuilt toch dieper dan dit alles.

De nieuwe, komende krachten zijn niet gericht op één bepaalde sekse, maar op de mensheid. Zij zijn bestemd voor alle geesten met een stoffelijk voertuig en een stoffelijke uitvoerings- mogelijkheid. De nieuwe kracht op deze wereld wil voor allen een nauwer contact met het  bovennatuurlijke en de z.g. occulte werelden tot stand brengen, terwijl gelijktijdig een grotere mogelijkheid tot verantwoorde stoffelijke beheersing wordt geschapen. De mensheid zal deze voordelen van de nieuwe tijd alleen kunnen aanvaarden, wanneer zij afstand kan doen van het zwaar stellen van de innerlijke verschillen, die zij in het verleden kunstmatig heeft weten te veroorzaken. Slechts de uiterlijke verschillen blijven normaal tellen en zullen de verhouding van de seksen uiteindelijk blijven bepalen. Stel nooit een verschil tussen de seksen in verstandelijk opzicht, tracht nooit een maatschappelijke verhouding te baseren op eisen, die het ene geslacht aan het andere meent te kunnen stellen, zonder daartegenover een gelijke aansprakelijkheid te aanvaarden. Het is voor de moderne mens bovenal noodzakelijk de principiële gelijkwaardigheid van alle mensen te aanvaarden, hoe moeilijk dit misschien ook moge zijn.

In een stellen van een volkomen gelijkwaardigheid, ook tussen de seksen, kan een samenwerking van geest tot geest ontstaan, die niet meer met seksualiteit en voortplanting te maken heeft. Wanneer de seksualiteit in het leven onbelangrijker wordt en daarvoor in de plaats het innerlijk contact en de geestelijke samenwerking superieur worden gesteld, ontstaat ook de mogelijkheid eindelijk de mensheid tot één geheel te maken. Slechts indien de mensen elkaar als gelijkwaardig aanvaarden en alle stoffelijke verschillen zoveel mogelijk terzijde stellen, kan een juiste en harmonische leefwijze voor allen ontstaan waarbij een onderling contact mogelijk is, maar bovenal in de gemeenschap van meerdere mensen een direct contact met de werelden van geest en de Goddelijke kracht normaal kan worden.

Er zijn nog vele andere verschijnselen in de moderne mentaliteit te noemen. Ik zal volstaan, met hetgeen ik reeds gezegd heb. Het lijkt mij belangrijker nog enkele conclusies te trekken op een wijze, die men in het dagelijkse leven onmiddellijk bruikbaar maakt.

Zoals u hier tezamen bent, gevoelt u allen ergens de behoefte het hogere te kiezen. Realiseer u, dat het kennen van het hogere identiek is met het hogere tot uiting brengen. Slechts dat, wat je uit in het leven, kun je werkelijk zijn. Dit is je eigen werkelijkheid. Tracht daarom alle uitingen zoveel mogelijk met uw geestelijke inzichten en verlangens te doen stroken. Besef, dat er geen enkele mogelijkheid is, waardoor men de moeilijkheden van een geestelijke bewustwording kan ontlopen. Alle leven is strijd. Alleen door deze strijd kan het Ik als een afzonderlijk wezen bestaan en is redelijke, zowel als geestelijke ontwikkeling mogelijk. Alleen krachtens de strijd van het leven kan het Ik aan kracht en vermogens steeds weer winnen en zich verder ontplooien naar de volmaaktheid toe.

Besef, dat ook in uw eigen leven de tegenwerking, die u ondergaat, de problemen, die u kent, de tegenwerkingen, die u kwellen, de enige waarden vormen, die een verdere ontwikkeling van uw eigen wezen mogelijk maken. Ontwikkel zoveel mogelijk door deze problemen uw persoonlijkheid en verzet u tegen deze dingen niet nutteloos. Ga niet voor moeilijkheden uit de weg, maar gebruik ze om wijzer en beter te worden. Ga geen enkel conflict met anderen uit de weg, wanneer u blijkt, dat dit conflict voor een verdere vorming of beproeving van het Ik en eigen innerlijke wereld van belang kan zijn. Zoek nooit strijd en conflict, wanneer deze voor uw eigen wezen en leven niet van buitengewoon belang schijnen te zijn. Voorkom elke nodeloze strijd, indien u niet tevoren kunt oordelen over de waarschijnlijke resultaten en deze u voor het innerlijke leven niet begeerlijk voorkomen. Strijd nooit voor waarden, die uzelf niet beroeren, maar die u in anderen zou moeten beleven, ondergaan of verkrijgen. Strijd en werk alleen voor hetgeen uzelf belangrijk is en dat kan voeren tot een beleven, ondergaan, of schenken aan anderen.

Slechts de mens, die uit zichzelf en vooral vanuit zijn geestelijk en innerlijk wezen leeft, heeft in de moderne tijd een kans. Vraag nooit naar een inwijding, die u, dankzij een bepaald recept, gegarandeerd binnen bepaalde tijd tot hoger geestelijk zijn zal verheffen. Dit bestaat niet. Inwijding zal, zelfs terwijl de beproevingen aan de gang zijn, door niemand reëel beseft kunnen worden. Inwijding is een normaal deel van het leven en zal haast elke mens tijdens het stoffelijke bestaan bepaalde proeven stellen.
Elke werkelijke inwijding ligt verscholen in de z.g. kleine gebeurtenissen van het leven. Roep niet om inwijding, maar leef zo goed en zo gelukkig, als je maar kunt. Dan vind je aan het einde van het leven de bevestiging, dat je werkelijk een inwijding hebt ondergaan. Vraag nimmer om een ingrijpen van de geest, of maatregelen van anderen in de materie, maar leef steeds zó, dat dergelijke maatregelen – zover het u betreft – overbodig worden gemaakt. Het gevolg hiervan is, dat meer dan voldoende vanuit de wereld en van stof en geest aan uw behoefte tegemoet zal worden gekomen. Wie zich steeds op anderen, zelfs op de plichten van anderen, blijft beroepen, zal aan het einde van zijn stoffelijk bestaan moeten vaststellen, dat niet de anderen, maar hijzelf tekort is geschoten.

Spreek, zoveel u wilt, over ziel en geest. Ga desnoods uit in de u vreemde werelden van de geest en beleef of droom dáár. Maar wanneer u in de materie bent en deze materie u bepaalde plichten oplegt, dient u allereerst te beseffen, dat u in de materie leeft, zodat deze materie voor u het belangrijkste is. Besef, dat u, zolang u in de stof leeft, alleen vanuit de materie zult mogen werken en streven. Slechts dáár, waar de materie – na herhaald pogen – kennelijk tekort schiet, mag men een beroep doen op geestelijke krachten. Slechts dáár, waar de geestelijke krachten geen werkingen in de stof mogelijk maken, zal de mens zich tenminste enigszins aan de stoffelijke realiteit mogen onttrekken.

Alles, wat het leven schenkt, is uit God. Alles, wat het leven schenkt, heeft voor ons een bepaalde waarde. Deze waarde zal in onze ogen lang niet altijd Goddelijk zijn. In vele gevallen zal zelfs voor onze bewustwording een dergelijke waarde niet Goddelijk mogen worden genoemd. Daarom zullen wij, uit het in het leven mogelijke, altijd weer in de eerste plaats die belevingen moeten kiezen, die menselijk en menswaardig zijn, volgens ons eigen oordeel. Daarnaast zullen wij, indien ons verdere mogelijkheden worden gelaten, datgene kiezen, wat volgens ons bewustzijn het meest met het Goddelijke harmonisch, of in overeenstemming is. Wij zullen op deze wijze moeten kiezen in het leven, omdat degenen, die in het leven alleen naar het Goddelijke zoeken, het menselijke over het hoofd zullen zien en daardoor er ook niet in kunnen slagen binnen het menselijke leven het Goddelijke tot een blijvende werkelijkheid te maken. Beroep u op de geest, zoveel u wilt, maar doe dit alleen, wanneer u zelf faalt. Beroep u zelfs dan bij voorkeur op de God, waarin u gelooft. Het beroep op deze God omvat immers tevens een beroep op alle geestelijke sferen en entiteiten, die volgens uw Goddelijk aanvaarden lichtend en goed zijn.

Leg in het leven niet teveel nadruk op ceremonieel. Leg zelfs niet teveel de nadruk op alles wat men in het leven hoffelijkheid, vormelijkheid e.d. noemt. Tegenover anderen zult u natuurlijk hoffelijk en vormelijk mogen zijn, zover dit werkelijk noodzakelijk is. Doe dit nooit om uzelf een houding te geven, maar altijd alleen, omdat anderen hierop een hoge prijs stellen. Voor uzelf hebben dergelijke dingen geen enkele zin en betekenis. Vraag van elke mens in de wereld alleen, dat deze u eerlijk en als mens tegemoet treedt. Dicht die mens geen beweegredenen toe, want die kun je niet overzien. Aanvaard hem, zoals hij is, met zijn verklaringen en vooroordelen. Indien je aan zijn verklaringen niet gelooft, stel je hem desnoods op de proef, maar je moet uitgaan van het standpunt, dat elke mens volgens uw inzicht slechts kan handelen, misbruik van u en uw mogelijkheden kan maken, volgens uw inzicht of ervaring, zonder dat dit van enig belang is, wanneer uzelf daartoe geen aanleiding hebt gegeven. Slechts de mens, die anderen verleidt tot misbruiken e.d. is daarvoor zelf verantwoordelijk en heeft de plicht daaraan ook iets te doen.

Wanneer u spreekt over recht en rechtvaardigheid, dient u te beseffen, dat noch uw eigen mening noch mening en inzichten van anderen werkelijk recht en rechtvaardigheid kunnen bevatten in kosmische zin. Beroep u daarom nooit op uw rechten, of op rechtvaardigheid, maar ten hoogste op de regels, volgens welke men nu eenmaal pleegt te leven.

Indien u in God gelooft, in het vaderland, in het vorstenhuis enz., geldt: dien deze zo goed u kunt. Niet omdat zij uw God, uw vaderland, of uw vorstenhuis vormen, maar omdat deze dingen een deel uitmaken van uw levensweg en uw bewustzijn. Besef dat elk falen in het beantwoorden aan de eisen – die volgens uw mening – door deze personen of waarden niet alleen een falen tegen deze waarden zelf, maar vooral een falen tegen uzelf inhoudt. Laat u vooral in deze tijd niet teveel overdonderen door beschouwingen over alles, wat er in de wereld wel verkeerd is. Laat u evenmin overdonderen door de tekortkomingen, die uzelf of andere mensen blijken te tonen.

Zoek naar alles, wat in uw leven, of het bestaan van anderen, positief kan zijn. Zoek dit overal, verzamel het positieve. Negeer alles, wat negatief, of zelfs maar neutraal lijkt. Slechts in het positief zoeken, werken en realiseren, kunt u in deze moderne tijd tot de juiste mentaliteit komen. Alleen degene, die positief leeft, werkt en denkt, is in staat alle onbelangrijke dingen in de wereld over het hoofd te zien, zo van zijn leven een werkelijk samengaan met God en de geest makend, dat de basis kent van stoffelijke redelijkheid, stoffelijke vormen en samenleving, zonder ooit de geestelijke waarde of ontwikkeling te remmen of te stuiten.

Een laatste raad: besef, dat er geen enkele politieke partij, geen enkele godsdienst, maar ook geen enkel vriendenclubje bestaat, dat uw eigen wezen, eigen overtuiging en streven volledig weer kan geven. Behoudt u de vrijheid voor, steeds dáár te reageren, te zoeken en te beleven en zelfs u aan te sluiten, waarnaar uw inzicht op het ogenblik de meest juiste uitdrukking van uw persoonlijk streven en besef te vinden is. Bindt u in deze tijd niet. Een dergelijk je binden, houdt namelijk in, dat men aansprakelijkheden aan anderen over gaat dragen en gelijktijdig eigen leven en ervaringsmogelijkheden gaat beperken.

Wat de moderne mentaliteit betreft, heb ik hier reeds voldoende gezegd. Het lijkt mij wel goed, wanneer ik ook nog even wijs op de juiste Orde Der Verdraagzamen mentaliteit.

Wij noemen ons “Orde der Verdraagzamen” en streven de verdraagzaamheid na. Wij trachten alle dingen te zien, zoals zij werkelijk zijn. Wij aanvaarden elke grote leer of openbaring, zover deze ook in de geest kenbaar is. Dit houdt in, dat wij, volgens eigen beste weten en denken, persoonlijk zullen streven, zonder daarbij ooit een ander in die zijn wijze van leven en streven te hinderen.

Esoterie

Wanneer ik moet spreken over esoterie, denk ik aan enkele dichtregels, die voor mij een groot deel van het esoterische streven symboliseren. “Wanneer ik luister naar het ruisen van mijn bloed, zo hoor ik het onstuimig roepen van de oceaan. En ziet, uit de gedachten in mijn brein is een nieuw werelddeel ontstaan.”

Wanneer wij begrijpen, hoe er een harmonie bestaat tussen eigen wezen en de oneindigheid, zo zullen wij ons ook bewust kunnen worden van de werkelijke taak, die de onze is. De dichter stelt hier: in ons is een nieuw continent ontstaan. In ons allen bestaat een terra incognita, een onbekende wereld, die wij slechts moeizaam en met schroom leren betreden. Toch is het juist deze onbekende wereld, die wij voor zovele verschijnselen aansprakelijk kunnen stellen, ofschoon wij deze verschijnselen redelijk over het hoofd plegen te zien.

Indien ik in de stof leef en zou opletten, zo ben ik er zeker van, dat ik iets onverklaarbaars tegen zou komen. Soms een droom, soms een onverwacht denkbeeld, zelfs het samenvallen van een woord, dat je denkt en een woord dat je gelijktijdig leest of hoort. Merk je dit op, dan heb je vaak het gevoel, dat de wereld met een echo antwoord geeft op hetgeen in jezelf gebeurt. Wanneer je die echo niet erkent, zo noem je deze werking vaak een ergernis, een toeval, of een onverklaarbaar verschijnsel.

Zodra je in de geest bestaat, leef je bijna geheel in dat nieuwe continent, waarvan de dichter spreekt. De onbekende wereld van de mens is voor een groot deel identiek met de vormenwerelden van de geest. Vandaar, dat het mij wel mogelijk is over die onbekende wereld iets te zeggen.

Zij is in feite het totaal van eigen denken, plus het totaal van alle invloeden, die daarin optreden. Niets van hetgeen u kent, droomt van hetgeen u overkomt, kan ontstaan, zonder dat men er zelf althans enigszins debet aan is. Indien men zijn innerlijk dus erkennen wil, maar met verschillende onbegrippen, verschijnselen worstelt, zo luidt de eerste vaststelling in ieder geval:  “Dit is deel van mijzelf. Dit ben ik…” Het is wel mogelijk, dat hier een geest spreekt, een meester zich openbaart, dat Goddelijke of kosmische krachten hier ingrijpen, maar in feite ben ik dit alles toch in de eerste plaats zelf. Want slechts, wat reeds in mij leeft, bewust of niet, kan op een dergelijke wijze tot uiting komen… Natuurlijk wil men het onbekende graag verklaren, of in ieder geval het waarom weten. Aan de hand van wat ik in de geest hierover heb kunnen leren, stel ik, dat alles, wat onverklaarbaar is en in de stof niet te verklaren is, zal behoren tot waarden in mijn leven, waartegen ik mij in wezen verzet.

Een mens heeft in de wereld vele dingen, die hij zou willen overwinnen, of waarvan hij af zou willen zijn. Misschien zijn deze verschijnselen in hoofdzaak uiterlijk. Innerlijk hebben zij – uit de oceaan van mogelijkheden, die wij in ons dragen – een bouwwerkje, een structuur gekristalliseerd. Het is deze structuur, die aansprakelijk blijkt te zijn voor het onverklaarbare. Wij willen of kunnen dit niet erkennen, omdat wij onszelf niet kennen of weigeren – althans op dit punt – eigen wezen in waarheid te zien en te ontleden. Hieruit hoeft men nog niet de gevolgtrekking te maken, dat dit alles geheel bewust plaats vindt.

Misschien lijkt dit alles u nogal vaag en vraagt u zich af: wat moet ik met deze gegevens doen? Wanneer je in jezelf dwaalt, zo vind je vele sterren, maar ook een monster, dat menige ster verslindt en je – wreed en niet welgezind – uit het sterrenheir verdrijft, tot je van verre toe blijft zien, naar wat je eigen dromen zijn. Dat, wat je in jezelf niet wilt erkennen, je verzet tegen de wereld, je verzet tegen God, het verwijt, dat je in jezelf tegen de mensen en je eigen Ik pleegt te dragen, de haat, die je koestert tegen bepaalde verschijnselen, delen van eigen leven, of de wereld, vormen een belemmering bij het zoeken naar waarheid. Het maakt het ons ook mogelijk om een verklaring te vinden voor de genoemde eigenaardige gebeurtenissen en verschijnselen. Zouden wij dit alles kunnen verklaren, dan zouden wij immers tevens onszelf veel toe moeten geven, wat wij liever verborgen zouden houden? Zowel in u, als in velen van ons, leeft een voortdurende honger naar de verklaring, naar het weten. Wij menen, dat alles van ons uit moet gaan. Sommigen gaan daarbij zelfs even ver als de bekende dichter-filosoof, die uitroept: “Zo ik sterf, mijn God, sterft Gij dan niet met mij?”

Ofwel wij gaan alleen op uiterlijkheden af, dan wel menen wij, dat er buiten ons niets verder werkelijk voor ons kan bestaan. Dit is een dwaasheid. Wij erkennen dan niet, dat er buiten ons wel degelijk een werkelijkheid bestaat, die niet van ons eigen zijn en denken afhankelijk is. Een werkelijkheid overigens van zeer groot belang, onveranderlijk en blijvend. Voor ons geldt dan wel: Als een kind dwaal ik in de Doolhof van Gods Schepping en meen, dat ik mijzelf ken en mijn eigen pad, maar vele malen moet ik terugkeren op mijn schreden, tot ik geleerd heb de wet van de Doolhof te erkennen, de Doolhof te doorkruisen en de Tempel van de Werkelijkheid te betreden. In één enkele zin staat hier haast alles bijeen, wat voor ons esoterisch belangrijk is: Wij staan in een doolhof, omdat wij niet zoeken naar hetgeen met ons harmonisch is – en dit zelfs ten koste van alles – maar naar alles, wat aan onze wensen beantwoordt. Dit laatste – helaas – ook veelal ten koste van alles.

Onze wensen zijn dingen, die wijzelf beseffen als niet geheel mogelijk. Toch streven wij daarnaar naar verder, omdat wij nu eenmaal weigeren onze werkelijkheid, onze werkelijke mogelijkheden, zowel als onze beperkingen te erkennen. Wij menen dan, dat dit en dat best zal gaan, best kan. Maar zelfs, al is een bereiken dan uiterlijk nog wel mogelijk, zo mogen wij niet vergeten te vermelden, dat wij met het bereikte toch niet tevreden zullen kunnen zijn.

De Doolhof Gods is hoofdzakelijk opgebouwd uit de mogelijkheid tot verkeerd begeren en vrezen. De wet leert ons zonder vrezen of begeren het juiste te doen en de doolhof te doorschrijden. Tevredenheid is – naar ik meen – wel de kern van alle Godservaring. De mens, die tevreden is, heeft niet alleen vrede met zichzelf, maar ook met de wereld, met de geuite Schepping. Hij zal zonder enig verzet God in alle dingen kunnen erkennen en deze God ook kunnen ondergaan.
De moeilijkheid is voor ons allen in stof zowel als geest, dat wij niet blijvend tevreden kunnen zijn. Wij willen steeds verder gaan, steeds meer bezitten of bereiken. Zo dit het geval is, kunnen wij ook niet werkelijk met het gehele Al harmonisch zijn. Ik geloof wel, dat deze tevredenheid ons door God is ingeschapen. Misschien vloeit hieruit wel de steeds weerkerende gedachte, voort, dat je de volmaaktheid hiér en nú zult kunnen vinden, dat nu reeds het begeerde volledig te bereiken is. Je beseft niet, dat juist het begeren naar de volmaaktheid reeds in zich een erkennen is van een in jezelf gelegen tekort.

Maakt u hier nu niet uit op, dat mijn stelling luidt: Waarom zou je nog iets doen? Waarom zou je nog streven? Je hebt deze dingen nodig om in leven te blijven, om geestelijk bewust te blijven. Ons idee van bereiken zelf is m.i. te veel omschreven, te nauwkeurig en beperkt uitgedrukt. Een denker – ik meen, dat het Salomo was – heeft eens uitgeroepen: “Wie kent de Heilige Naam? Wie omschrijft God in woorden? Wie zal de Oneindigheid omschrijven in klanken, of weergeven, in letters uitgedrukt”? De Naam is Heilig, maar ook het tegendeel verborgen. Slechts wie het zegel kent en in zichzelf één kan zijn, ontplooit de volle kracht. Deze denker trachtte hiermee tot uiting te brengen, dat de mens, die één is met God, tevens Heerser is van Licht en Duister. Hij kan dus alle dingen buiten God, de Bron, aan zichzelf ondergeschikt maken. Maar over Salomo staat ook geschreven, ik meen in een werk van Abou Tariff: Deze mens beheerste alle geest, maar niet zichzelf, daarom slaagde hij niet… . M.a.w.: hij bleef ontevreden… .

Wij kunnen niet gaan zeggen: “Wij kunnen God begrijpen, omvatten, uitdrukken”. Wij zouden ten hoogste God aan moeten voelen, in Hem op moeten gaan. Dit kan men niet redelijk bepalen, of zelfs met het gevoel. Wanneer dit al gebeurt, kun je het niet eens erkennen, of het ook maar omschrijven. Ten hoogste kan gesteld worden, dat het zich uit door een vrede, waarin jezelf staat. Op het ogenblik, dat je innerlijke vrede bereikt hebt, denk je dan ook meestal wel, dat je heel ver bent. Maar wat gebeurt er dan? Ongeacht alles, wat je in jezelf erkend hebt en alles, wat je over de wereld buiten je weet, zul je toch tevens meester moeten worden over alles, wat er buiten je staat. Daartoe kom je door de vrede, waarin je opgaat, zelden of niet. Het gevolg daarvan is: verstoring van de innerlijke vrede door waarden buiten je en opnieuw streven, streven, streven.

Vele mensen stellen in een dergelijk geval: Wij gaan een weg van inwijding. Ik vind dat erg mooi en ben blij, wanneer iemand er in slaagt een stap op het geestelijke pad verder te komen. Maar is de inwijdingsweg, die de mens gaat in vele gevallen, toch nog niet een van het ene punt naar het andere gaan, zonder daarbij innerlijk iets werkelijk definitiefs, iets werkelijk blijvends te bereiken? Naar ik meen, ontstaat dit dwalen door het feit, dat wij, als mens en geest, geneigd zijn steeds weer van punt naar punt en van kracht naar kracht te gaan. Ik zal dit met een voorbeeld duidelijk trachten te maken:

Stel, dat u hier achter mij opeens 8 lichtende engelen zou zien, elk een eigen gave bij zich dragende. U zou dan waarschijnlijk niet tevreden zijn met te zeggen: “Hoe mooi is dit” maar innerlijk al meteen overleggen: “Hoe kan ik nu deze gaven meester worden? Zal ik eerst naar deze of gene engel gaan…”? U zult uiteindelijk een van de engelen verkiezen en die zijn gave aanvaarden. Dit heeft tot gevolg, dat u in het aanvaarden van een der gaven, de andere engelen negeert. U wordt daardoor onevenwichtig. Het geheel, dat u mocht aanschouwen, gaat voor u teloor. Zou u allen tegelijk blijven zien, van geen van de krachten een gave vergen, maar trachten in uzelf voor allen gelijktijdig een begrip te vinden, dan zou uw evenwicht niet verstoord worden en zou u esoterisch voleind zijn, zover het deze krachten betreft.

Ik herinner mij nog een uitspraak van een leerling van Apollonius, die hierop wel slaat. Het is eigenlijk een gedichtje, dat ik zeer vrij zal vertalen:

“Wanneer ik de meester zie, weet ik alle dingen mogelijk. Indien ik deze mogelijkheid in mijzelf wil openbaren, ontbreekt zij mij en breekt de kracht als een beschreven tafel, weggeworpen en vertreden. Want in mij is niet de macht die ik in de meester ken. Ik wil één zijn met de meester, maar zelf de macht van de meester bezitten. Daaraan ga ik nog ten onder.”

Wij willen allen graag tot God gaan, willen allen gaarne geheel ingewijd worden. Wij willen kort en goed alles in de kosmos ook met ons dragen, zo groot, zo goed en zo lief zijn, als maar mogelijk is, innerlijke vrede kennen zonder grenzen enz. Maar…. dan moet God wel zo goed zijn om ons zo nu en dan eens Zijn troon af te staan, opdat wij ook eens even de Schepping kunnen regeren…. . Deze laatste instelling is absoluut voor ons falen aansprakelijk. Dit alles brengt mij tot enkele eenvoudige conclusies, waarmee ik mijn betoog voor heden wil gaan besluiten.

  1. Alle onverklaarbare verschijnselen, die zich aan mij voordoen, hebben een verklaring, die in mijzelf ligt, ongeacht de vraag, of deze verschijnselen al dan niet redelijk verklaarbaar zijn vanuit de wereld, waarin ik leef. Elk tekort in mijzelf openbaart zich in invloeden, die van buiten uit op mij in zullen werken. Elk tekort, dat ik in de wereld erken, openbaart zich aan mij als een noodzaak tot handelen, een geven van kracht, en gedachten vanuit mijzelf.
  1. Mijn streven naar volmaaktheid kan nooit alleen uit de wil Gods, of vanuit mijn innerlijke rust voortspruiten. Wanneer ik God zonder meer kan aanvaarden, heb ik de eeuwige vrede en ben ik daardoor reeds volmaakt. Waar ik dit bewust wens te doen, zal ik mij steeds blijven wenden tot de delen van de Schepping en niet tot het geheel. Als gevolg daarvan zal ik nimmer het geheel kunnen omvatten of begrijpen, onvolmaakt blijven en van macht tot macht en invloed tot invloed blijven dwalen. Dit zal voortgaan, tot ik besef, dat alle waarden en wegen slechts een openbaring van dezelfde kracht zijn, zodat niet hun wezen, maar slechts hun gewaad verschilt.
  1. Wanneer ik in mijzelf er naar streef mijzelf te kennen, zal ik er in slagen mijzelf, althans ten dele, aan mijzelf te verklaren. Ik zal er nooit in kunnen slagen mijn gehele wezen te overzien, waar ik altijd weer belemmerd wordt door het feit, dat, terwijl sommige delen vanuit mijn huidige leven te hoog zijn om te kunnen beseffen, andere delen zo laag zijn, of door mij zo laag worden geacht, dat ik weiger ze te erkennen. Waar ik mijzelf niet volledig ken, moet ik oordelen aan de hand van de verschijnselen die de wereld toont en mij openbaart.
  1. Alles wat ik vanuit de wereld verwacht, dien ik als gave te ondergaan. Maar slechts hetgeen ik door eigen handelen vanuit de wereld verwerf, is een feitelijke bereiking van mijn eigen wezen en draagt ertoe bij, dat ik mijzelf beter zal kennen. Hoe sterker ik streef naar een geestelijk weten, hoe sterker ik mijn wezen ook als vergeestelijkt in mijn wezen – voor u stof dus – uit zal moeten drukken, hoe juister ik alle stoffelijke normen van aanvaardbaarheid en volmaaktheid in mijn wereld tot volkomen en kenbare uitdrukking zal moeten brengen. Elke mens moet alles, wat hem in gedachten voortdurend bezig blijft houden, van zich af leren zetten, door hetzij de gedachten te overwinnen, hetzij door het tot daad maken en zo in de werkelijkheid te kennen en te beschouwen.
image_pdf