Moderne neurosen

30 april 1965

Bij het begin van deze bijeenkomst wil ik u er aan herinneren, dat wij, sprekers van deze groep, niet alwetend of onfeilbaar zijn. Denkt dus zelfstandig na over alles, wat naar voren wordt gebracht en uw belangstelling heeft. Ons onderwerp voor vandaag gaf ik de titel: moderne neurosen.

Enkelen van u beginnen nu meteen te zuchten en denken: dat speel je nooit klaar in zo korte tijd. U hebt gelijk, het is onmogelijk alle neurosen van deze tijd in een kort ogenblik uiteen te rafelen. Wel hebben wij echter tijd genoeg om enkele van de hoofdverschijnselen op dit terrein onder enkele hoofden samen te brengen. En dit kan al voldoende zijn, want onze belangstelling ligt niet in de eerste plaats bij de vele variëteiten van deze moderne kwaal, maar bij de middelen om ze te genezen of althans te verbeteren.

Ik wil dan om te beginnen stellen, dat de moderne mens het in vele gevallen te goed heeft. Dat klinkt u misschien wat vreemd in de oren. Maar wanneer je alles, wat je hebben wilt, kunt krijgen door er maar luidkeels om te vragen of het eenvoudig te kopen, blijft er maar weinig over om naar te streven. Hoe begeerlijk dit ook lijkt, de mens heeft nu eenmaal de typische eigenschap, dat hij om waarlijk te leven een doel nodig heeft. Iets wat hij wil – en tenminste ook ten dele kan – bereiken. In het verleden was een dergelijk doel steeds weer eenvoudig te vinden: men leefde en streefde toe op een paar nieuwe schoenen voor Jantje, een nieuwe hoed voor vader, een nieuw meubelstuk of servies. Ofschoon men nu, in deze dagen dat soort dingen ook niet altijd zo maar kan krijgen, kan men zich dezen toch zonder moeite en zonder daarvoor eerst te werken en te sparen, wel aanschaffen.

Wij mogen dan ook stellen, dat in bijna alle landen op aarde, een dringend behoefte hebben aan iets, een met geheel zijn wezen streven naar een dergelijk eenvoudig en ook bereikbaar doel, steeds minder een belangrijk deel van het leven uitmaakt. Het is waar, dat er in deze dagen steeds minder mensen in een onmiddellijke noodsituatie leven, maar het is even waar, dat er voor alle mensen steeds minder sprake is van een eenvoudig doel, dat niet het gehele leven in beslag neemt en dat men in enige tijd door streven, sparen en werken waar kan maken. Hoe minder de mens de mogelijkheid heeft, zich aan zichzelf te bewijzen en zijn pretenties in het leven waar te maken door dergelijke in feite kleine dingen, hoe meer hij zal zoeken naar iets, dat inhoud geeft aan zijn bestaan. Maar een inhoud in het bestaan is voor velen niet te vinden in een doel, dat te ver weg ligt van het heden of té abstract is om onmiddellijk voor eigen leven belangrijk te zijn. Op het ogenblik, dat men zich voorstellingen gaat maken van, en een doel gaat stellen dat te ver weg ligt, is de mogelijkheid groot, dat het contact met de werkelijkheid in meerdere of mindere mate verloren gaat en wij neurotische verschijnselen op zien treden.

Bij het bezien van fanatici – onverschillig of zij werken op godsdienstig, politiek of ander terrein – zullen wij ontdekken, dat niet alleen hun gedrag van de norm afwijkt, maar dat zij ergens buiten de werkelijkheid staan. Dit vloeit voort uit het feit, dat zij het door hen nagestreefde niet werkelijk en waar kunnen maken in hun wereld en zo, om zich een doel en belangrijkheid te verschaffen, steeds weer de waarden van hun wereld moeten vervalsen. Pas door een voor zich vervalsen der werkelijkheid, zoals deze in leven en wereld bestaat, kunnen zij een zekere tevredenheid met zichzelf bereiken, maar daarmee zijn zij er nog niet. Omdat hetgeen zij als bereiking voorstellen niet werkelijk is, maar in wezen een fantasie, zal de gehele wereld voor hen een voortdurende aanval op deze bereikingen betekenen en daarmede steeds weer een gevaar en aantasting betekenen van eigen waarden, inhoud van eigen persoonlijkheid, zoals zij deze menen te zien.

Het resultaat is een reeks van handelingen, die krankzinnig zijn. Wij kunnen hierbij denken aan de inquisitoren van de oudheid en zien soortgelijke verschijnselen optreden bij vele politici van heden. Een al zeer eenvoudig voorbeeld van dergelijke neurotische uitingen kunnen wij zien bij de protesten van sommigen tegen het feit dat in hun gemeente gemengd mag worden gebaad, en zelfs, o schande, door heidenen wordt gevoetbald op zondag. De ijver, waarmee men zich verzet tegen het recht van medemensen, om op hun eigen wijze te leven, is wel degelijk een ziekelijk verschijnsel, al beseft men dit zelf niet. Men meent immers het goede te dienen. In wezen is dit gedrag met al zijn argumenten en acties alleen een poging eigen belangrijkheid te verdedigen tegen een wereld, waarin men zich in wezen onbelangrijk weet. Vaak houdt men geheel geen rekening met de werkelijkheid en de eisen van de werkelijke wereld, maar gaat men uit van abstracte of geheel irreële stellingen en offert alles op om zichzelf via deze stellingen aan anderen op te dringen en eigen belang en uitverkoren zijn – of politiek juist handelen of humanitair verantwoord leven – in eigen denken te kunnen handhaven.

Wat volgens mij betekent, dat de grootste oorzaak van ziekelijk denken en handelen in deze dagen vooral is gelegen in het niet binnen eigen bereik en vermogen liggen van een voor dit ik onmiddellijk belangrijk doel. Wanneer alle kleine dingen bereikbaar zijn of voor je verzorgd worden – zoals de sociale zekerheden bv. – blijft voor het ik als factor om eigen ik te uiten en belangrijk te maken, alleen de onbereikbare en vaak onwerkelijke doelstelling over. Op deze wijze kan men dan op twee manieren reageren: men kan zeggen het doel wat ik mij zou kunnen stellen is toch onbereikbaar, dus heeft mijn leven geen werkelijke inhoud. Maar men kan ook stellen: ik bereik dit doel in wezen wel. Ik verwerkelijk het elke dag weer. Maar in dit geval berust de pretentie op niets en leeft men, zoals ik reeds stelde, steeds in vijandschap met de wereld en haar werkelijke ontwikkelingen.

Nu valt mij persoonlijk in deze moderne tijd vaak een groot gebrek aan verdraagzaamheid op. Wanneer bv. twee automobilisten gezamenlijk een verkeersfout maken en even tijd hebben, daarover met elkaar te spreken, lijkt hun conversatie vaak op een catalogus van Artis. Soms gaan zij zelfs verder en worden handtastelijk. Daarbij beseffen zij meestal de werkelijke toedracht van de zaak niet, maar zijn ijverig bezig hun machtsdrift en onverantwoordelijkheid te rationaliseren, door de ander hartstochtelijk schuldig en onwaardig te verklaren. Dit is echter maar één enkel symptoom. Uw moderne samenleving lijdt haast overal onder het optreden van provo’s, nozems en hoe men dergelijke groepen nog meer wil noemen. Deze groeperingen van agressieve jongelieden bestaan uit jonge mensen, die in zich geen enkel werkelijk levensdoel, geen enkele persoonlijke belangrijkheid hebben kunnen vinden en nu voortdurend bezig zijn dit gebrek aan een levensinhoud te wreken op de maatschappij, die een dergelijk doel schijnbaar nog wel heeft.

Nu weet ik wel, dat dit laatste veelal als een sociaal verschijnsel wordt bezien. Volgens mij is het echter in de eerste plaats een neurotische reeks van uitingen, waardoor de reacties van dergelijke groepen worden bepaald. De gemeenschap bevordert dergelijke neurosen door zijn eis, dat dergelijke jongelieden zich zullen aanpassen aan een leefwijze, die hen zonder doel en inhoud laat. De maatschappij, met al haar goede bedoelingen, is hier de oorzaak, ook al kan men haar moeilijk in haar geheel aansprakelijk stellen.

Het is eenvoudig nu te stellen, dat de maatschappij deze mensen dan maar een levensdoel moet geven. Maar welk? Bezit? Zij hebben de mogelijkheid alles, wat zij zich werkelijk wensen, te kopen of bij elkaar te stelen. Meent u misschien, dat waardering een doel kan worden? Deze mensen wensen een dergelijke waardering vaak niet, omdat hun patroon, meester, ouders, de agent etc. voor hen geen werkelijk gezag betekenen en over hen – volgens hun eigen denken – geen werkelijke zeggenschap bezitten. De waardering van een gelijkgezinde vriend, die het gevoel van doelloosheid deelt, is hen veel belangrijker.

Vroeger lag dit alles anders, maar in de laatste jaren is het evenwicht tussen levensenergie, levensmogelijkheid en levensdoel zoekgeraakt. De onverdraagzaamheid en het gebrek aan verantwoordelijkheid, die – zoals ik reeds opmerkte – in deze dagen zo sterk tot uiting komen, hebben echter nog een andere oorzaak. Naarmate men meer overtuigd is te leven in een wereld, waarin rechten bestaan, die niet afhankelijk zijn van eigen wezen, kunnen en gedrag, zal men sneller eisen aan anderen stellen. Men zal een niet beantwoorden aan die eisen ook sneller gaan zien als een inbreuk op eigen leven, eigen rechten, eigen bestaansnoodzaken zelfs.

Dat hieruit dwaze situaties kunnen ontstaan weet u allen. Flatbewoners beneden zullen de schreeuwende baby van boven bv. niet bestrijden door hulp aan de ouders van dit kind, maar door het als tegenprestatie overluid weergeven van radioprogramma’s op de tijd, dat dit voor de bovenburen zorgelijk is. Zoals men elders de vraag, hoe men een schoonhouden van trappen zal verdelen niet oplost in overeenstemming met de mogelijkheid tot volbrengen van dit werk, die eenieder heeft, maar strijdt over zijn “rechten” en het probleem verergert door te smijten met volle vuilnisbakken. M.a.w., men is zozeer van eigen rechten overtuigd en heeft zo weinig begrip voor anderen, dat men in de meeste gevallen de ergerlijke omstandigheden vergroot en niet, zoals redelijk zou zijn, deze in onderling-verleg bestrijdt.

De grondslag van dit alles is een illusie: het denkbeeld, dat rechten op zich bestaan. Toch is recht, ook in de moderne maatschappij, een illusie, zodra het zelfstandig wordt bezien. Ook hier geldt, al zal men dit niet graag toegeven, in wezen nog steeds het recht van de sterkste. Want ook in deze dagen is het niet de mens, die zich aan alle regels tracht te houden, maar de mens, die zelf iets presteert, die iets durft te riskeren, die zich doorzet. Deze zal uiteindelijk zijn zin krijgen, niet degene, die zich op rechten en contracten beroept, zonder verder enig risico voor eigen bezit of persoon te willen lopen.

Een goed voorbeeld hiervan voor uw land zijn wel de z.g. wilde stakingen in het laatste jaar, waarbij de stakers – vaak na veel ellende en strijd – kregen wat zij wilden, ook al hadden zij volgens de geldende rechtsnormen geheel geen recht op dat, wat zij eisten. Zij kregen hun zin, niet omdat zij volgens recht en rede gelijk hadden, maar omdat zij durfden optreden en een zekere macht hadden. Iets, wat in de huidige maatschappij aanvaard wordt. Men ontgaat in deze tijd dergelijke conflicten maar al te vaak door de eisen, die de sterksten stellen, eenvoudig over te nemen en te legaliseren. Men beseft blijkbaar niet, dat juist hierdoor nu niet direct een vertrouwen in leiding en rechtsverhoudingen bij de mensen bevorderd wordt.

Ook hierdoor is er steeds weer sprake van een grote innerlijke onzekerheid, die groter zal worden, naarmate het recht voor de zwakkere een grotere beperking van zijn vrijheden betekenen zal, terwijl aan de andere kant zijn wil en wensen, zijn rechten, zoals dezen omschreven staan, door anderen steeds meer geschonden worden.

Ook hier blijken verschillende reacties mogelijk te zijn, die echter beiden vaak ziekelijke aspecten vertonen. Men trekt zich bv. van alle actie terug en laat zich eenvoudig leven. Men denkt niet meer zelf, maar laat anderen maar voor zich denken. Men ontwijkt alle beslissingen en laat aan anderen alle besluiten over. Een levenshouding, waarmede de inhoud van eigen leven te loor gaat, niet alleen geestelijk maar ook materieel voelt men zich machteloos, veracht zichzelf en ontlaadt deze minachting in een haat voor de anderen, die wel handelen. Dat een onnatuurlijk leven, innerlijke verwarringen en onredelijke reactie op anderen het gevolg hiervan is, zal duidelijk zijn. De mens weet in dit geval, dat hij een nulliteit is en zal dit niet voor zich willen erkennen. Hij probeert voor zich dus dit gevoel te compenseren door opschepperijen, fantasie en een niet gefundeerde agressie naar buiten toe. Het treurige daarbij is, dat zelfs de agressie, die impulsieve daadstellingen inhoudt, zinloos en redeloos blijft, omdat zij geen werkelijk doel heeft en als doel op zich geen werkelijke bevrediging kan schenken. Onbeheerstheid en drift komen vooral bij mensen die zo leven steeds vaker voor.

Moorden uit hartstocht bv. zijn er altijd wel geweest, maar het motief van die moorden lag toch in het verleden vaak anders dan in deze dagen. Iemand kiest zich een meisje, dat echter niet vol overgave reageert, maar ook wel eens met een ander uit wil gaan. De zich onwaardig voelende kan niet komen tot een poging zijn geliefde te heroveren, of van een ander terug te winnen. Hij voelt zich zo minderwaardig, dat hij niet aan deze mogelijkheid gelooft, dus neemt hij, zonder aan mogelijke gevolgen te denken, een mes en steekt het meisje neer. Hij meent door een dergelijke daad zijn waardigheid, zijn persoonlijke macht, te bewijzen, maar in feite erkent hij daardoor juist eigen onvermogen, aanvaardt hij daardoor juist eigen verlies – en beseft dit, terwijl hij door zinloze woede uitingen en zelfbeklag voor zich nog enig aanzien probeert te herwinnen. Het gegeven voorbeeld is natuurlijk van meer extreme aard en kan dan ook slechts dienen, om een uiterste aan te geven. Maar soortgelijke reacties met minder spectaculaire gevolgen komen zo veelvuldig voor, dat men daaraan haast geen aandacht meer besteedt. Men belastert bv. zijn geliefde en wenst – lees durft – haar niet weer te zien.

De tweede reactie binnen deze rechtswaan is echter nog erger: men wordt een soort betweterige twistzoeker en gaat voortdurend uit van alles, wat “recht en rechtmatig” is, een- ieder bekritiserende die ingaat tegen een van de voorstellingen, wetten of voorschriften, die men zelf meent te kennen. Zo isoleert men zich van de medemens – en pleegt in de opwinding over de fouten van anderen, over het algemeen erger, dan zij, die zondigen. Het leven van een dergelijke mens wordt verbitterd door het feit, dat anderen zich niet aan de door hem erkende regels en wetten wensen te houden. Deze mensen beschouwen hun “rechten” als deel van eigen persoonlijkheid, wezen en leven. Zij menen, dat zij alleen door deze wetten en rechten, zoals zij die interpreteren, te handhaven, nog enig persoonlijke belangrijkheid te kunnen gewinnen. Letterknechterij, zelfs wanneer deze tot voor ieder kenbare onmenselijkheden zou voeren, is voor deze mensen de enige bestaansrechtvaardiging, die zij kunnen vinden. Agressiviteit en verloochening van menselijke gevoelens zijn hiervan het gevolg.

Naast beide geciteerde oorzaken van de moderne neurosen is er nog een derde punt, dat ik heden in mijn beschouwingen wil betrekken: de dood.

Wanneer je op aarde niet veel te verliezen hebt, zal elk hiernamaals weinig minder dan een verbetering zijn. De dood is dan geen vijand, maar een natuurlijk gebeuren, of zelfs een vervuller van alle wensen, die in het leven onbevredigd bleven Maar een mens, die in het leven zichzelf niet als waarlijk belangrijk kan beschouwen, in wiens leven te weinig streven mogelijk is, zal geen vertrouwen in zichzelf hebben. Hij vreest de dood, vooral wanneer hij in het leven kan beschikken over veel, dat toch aangenaam en prettig is, veel bezit heeft, dat hij door de dood zal moeten verlaten. Men kan het begrip van een dood dan niet meer aanvaarden. Deze dood wordt immers een afscheid van een wereld, waarin men nog mee kan, waarin men nog belangen heeft, zelfs al dankt men dit aan anderen, die het ik meeslepen van een ontlasten van verantwoordelijkheden. Sterven zal dan op zijn best een intreden in een nieuwe wereld worden, waarin men op zichzelf staat – en dus vreest niet te zullen slagen – of een uitblussing, waarin men alles verliest, wat men nu heeft. De angst voor de dood is, vreemd genoeg, in deze dagen veel groter dan algemeen wordt beseft. Een mens zegt niet eerlijk: ik ben bang om te sterven. Hij ontkent voor zich de mogelijkheid van de dood en meent: alles is goed, zoals het is. “Mensen moeten sterven, dat is nu eenmaal zo” – en stil voor zich heen – “maar mij kan dit natuurlijk niet overkomen.”

Dit voert weer tot verschijnselen en innerlijke processen, die wij neurotisch mogen noemen. Men wordt onverschillig voor de dood van anderen en hun lijden, terwijl men gelijktijdig de mogelijkheid van lijden en sterven voor zich ontkent. Nu zal dit ook zonder neurotische gevolgen wel voorkomen; deze houding is wel enigszins inherent aan de cultuurvorm, die de mens in de loop van eeuwen geschapen heeft. Maar in het heden wil dit probleem toch te vaak voeren tot een gedrag, dat niet meer logisch en redelijk is, maar een gevoelsmatige vervalsing van die werkelijkheid betekent .

Het is natuurlijk niet altijd zo geweest. In de tijd, dat voor zeer vele mensen de dood de poort kon zijn tot een beter bestaan, zien wij godsdiensten floreren, die zich in de eerste plaats richten op het hiernamaals en daarbij alleen met geestelijke – lees dogmatische – leerstelligheden zich bezighouden. In tijden, dat de mens de dood begint te vrezen als een vijand, zien wij, dat de godsdiensten niet meer floreren. Men kent hen niet meer het recht toe zonder meer hun eigen weg te gaan. Zij moeten de weg gaan, die de mensen qua rechtsverhoudingen en begrip van eigen belangrijkheid nog aanvaarden kunnen. Van de godsdienst wordt, in deze tijden niet allereerst verwacht, dat zij een prettig hiernamaals levert – zoals dit vroeger het geval was – maar slechts, dat zij een bewijs levert – al dan niet redelijk – dat de dood niet werkelijk bestaat.

Daarnaast wordt de godsdienst echter teruggedrongen tot een sociale functie, waarbij de geestelijke waarden terug moeten treden voor een onderling materieel samengaan. Deze strijd tegen de dood brengt natuurlijk eveneens veel afwijkingen van de werkelijkheid, vreemde vormen van zelfhandhaving, die alle werkelijke verhoudingen en mogelijkheden ontkennen, met zich.

Ik heb hier natuurlijk niet alle oorzaken voor de neurosen van deze tijd aangestipt, laat staan alle neurosen zelf. Ik gaf slechts enkele beelden, die de grondslag vormen voor een onredelijke vrees bv. voor het atoom, of een even onredelijk voorbij zien van alle gevaren, die een misbruik daarvan zou kunnen hebben. Ook de vreemde aspecten van godsdiensten, die in de eerste plaats politieke en economische machten worden, vloeien hier uit voort, evenals vele andere onredelijke en toch algemeen aanvaarde aspecten van de moderne samenleving. Naar ik meen zult u het tot nu toe gestelde wel kunnen aanvaarden. Ik kom nu dus tot een volgend deel van mijn betoog, tot de punten, waarom het volgens mij in wezen gaat.

Een mens, die op aarde leeft, mag een nog zo grote en belangrijke geest zijn, hij zal toch voor een opnemen in zijn bewustzijn alles terug moeten brengen tot menselijke termen, tot datgene, wat in een materiële wereld voorstelbaar is. Er is dus, zelfs in zijn voorstellingen van bv. God en hemel, sprake van een herleiden van de geestelijke werkelijkheid tot een stoffelijk realistisch beeld. Dit is altijd zo geweest en zal, zo lang de mens bestaat, als men alleen een bewustzijn van zijn stoffelijke wereld heeft – in de zin van waarnemingen en dus ook voorstelling – zo blijven. De geest zoekt een uitweg uit deze beperkingen. Zij vindt deze op de meest eigenaardige wijze. Zo zal een dichter in vers en metrum soms kunnen ontvluchten aan de beperktheid van stoffelijk denken en bestaan, in een ritme, dat voor anderen maar bijkomstig is, de werkelijkheid van al, wat hij met woorden tracht weer te geven, kunnen aflezen. Zo kan ook de musicus in klanken komen tot een conflictstelling en zelfs een oplossing van problemen in klanktermen, terwijl probleem en oplossing niet in menselijke woorden of voorstellingen alleen te stellen zijn en een leek uit de klankenreeksen de innerlijke waarde daarvan niet zal kunnen lezen. In een dergelijke weergave van niet uitdrukbare waarden onttrekt de kunstenaar zich voor een ogenblik aan zijn stoffelijke werkelijkheid, aan alle materialistische voorstellingen, om zich over te geven aan de oerritmen, die in hem leven, zo een weergave en uitdrukking gevende aan innerlijke waarden, die verstandelijk slechts als een onbestemde emotie kunnen worden omschreven.

Ik wil hieraan toe voegen, dat vooral in de moderne kunst tot voor kort dit vinden van een emotioneel ritme eigenlijk bepalend was. Het ging de kunstenaar niet in de eerste plaats om het resultaat, maar om het uitdrukking geven aan iets, dat verder gaat dan eigen begrip van eigen stoffelijk zijn. Het kunstwerk vervult dan voor de kunstenaar de functie van een aantekening, waarin zijn emotionele waarden en innerlijke – niet verstandelijke – problemen en erkenningen zijn neergelegd. Dit verklaart de hartstocht van de klodderschilders, de zin van de van alle melodische constructie ontdane atonaliteit van sommige moderne componisten.

Ja, dit is zelfs een verklaring voor de eigenaardige emotionele inhoud van het platvloerse vier- letter-woorden-proza van sommige moderne schrijvers en dichters.

Laat ons de zin van dit alles goed begrijpen: de geest wil meer dan wat stoffelijk uitdrukbaar of redelijk omschrijfbaar is. In vroegere tijden had de mens niet zo zeer het gevoel zijn wereld te kennen en te beheersen, of, zonder mogelijkheid tot eigen leven, door die wereld beheerst te worden. De mens van vroeger beschouwde zichzelf als een natuurlijk factor in een geheel met een betrekkelijk grote vrijheid. Hij voelde zich vrijer en belangrijker, zelfs indien hij in wezen minder vrij en in zijn mogelijkheden veel meer beperkt was dan de hedendaagse mens. Daardoor waren voor hen ideeën als inwijding, godsdienstige, beleving enz. niet alleen normaal, maar zelfs een noodzaak voor begrip van de wereld en het leven. Overtuigd van eigen waarden en niet belemmerd door een grote, maar zeer onvolledige kennis van de materie, kon hij zijn leven zin verschaffen door het te verrijken met het gebied der mystiek, de beleving, die, vanuit redelijk standpunt gezien, abstract en moeilijk omschrijfbaar is, de beleving, die het Ik echter een gevoel van eeuwigheid en verbondenheid met alle leven kan verschaffen.

Helaas heeft ook de mystiek veel van haar werkelijke inhoud voor de mens verloren, doordat ook zij aangetast werd door wat ik toch een materialisme wil noemen – of, zo u het anders wilt zeggen – haar uitdrukking alleen nog schijnt te vinden binnen het kader van een materialistische dialectiek. Wij zien deze verandering bv. wanneer wij een ogenblik terugzien naar de bijna religieuze achtergronden van de arbeidersbeweging in het verleden. Daartoe kunnen wij volstaan met de achtergronden en gedachten na te gaan van figuren als Niemoller of Troelstra. Deze mensen gaan uit van een ideaal, dat niet geheel redelijk te omschrijven is, maar zeker hoger staat dan het denkbeeld van de sociale rechtvaardigheid alleen. De menselijke waarden, een aanvoelen, van de geestelijke waardigheid en achtergronden van de mens klinkt hier steeds weer door en komt ook in de strijdliederen van die tijd steeds weer tot uiting.

Wanneer wij echter zien, welke denkbeelden de massa van de arbeidersbeweging reeds rond 1920 overheerst, en zien, hoe steeds meer het streven alleen op materiële zekerheid en bereiking wordt ingesteld, terwijl de mystiek van klassenverbondenheid en bereiking van vrijheid alleen nog maar een leuze is, die steeds weer in al zijn consequenties terug moet treden voor zelfzucht, politiek en zelfzucht, moeten wij toegeven, dat er reeds in deze jaren iets zeer belangrijks teloor gaat. De mythos van de Übermensch, zoals deze in Duitsland wordt opgebouwd, is eveneens een voorbeeld van het herleiden van een innerlijke mystiek, een gevoel van waardigheid en vrijheid in de geest, naar materieel menselijke termen. De bevrijding en waardigheid van de mens, normaal binnen de mystiek beleefd achter het menselijke denken als een grote emotionele golf in het Ik, wordt gebonden aan stoffelijke kenmerken en zo tot een rassenwaan, een gevoel van rassenmeerwaardigheid.

Ook in het Stalinisme en de terugkeer van het Leninisme in deze dagen treffen wij dergelijke elementen aan van tot stoffelijke waarden en denkbeelden omgezette mystiek, die daardoor haar werkelijke invloed en macht over de mens verliest en hem tot een rationalistisch wezen maakt waarin geweten en dergelijke geestelijke termen geen werkelijke betekenis meer hebben. Wij kunnen zelfs overblijfselen van een oude mystiek en ook haar teloor gaan in te materiële voorstellingen en denkwijzen terugvinden bij een beschouwen van de partijconventies in de USA.

Hier is geen sprake meer van een vrije vlucht van de geest buiten de menselijke beperkingen, maar het scheppen van een illusie van superioriteit binnen en gebaseerd op het huidig menselijke denken. En juist die superioriteit bestaat niet werkelijk.

Zo, door het wegvallen van de vlucht van de geest buiten het redelijk menselijke, komt dus het conflict in mens en wereld scherper en meedogenlozer tot uiting. Er is a.h.w. een emotionele stoomketel tot stand gekomen, waarvan de zekerheid is vastgeschroefd. De vroeger bestaande mogelijkheid spanningen af te reageren en zelfs om te zetten in, – voor het waardevolle, zij het onredelijke – belevingen, is te niet gedaan. Nu blijft het alleen maar de vraag, of het vuur der menselijke emoties heet genoeg zal zijn, om de stoomdruk te verhogen tot een explosie plaats vindt, waarbij alle redelijke en menselijke waarden tijdelijk evenzeer teloor gaan als de mystieke mogelijkheden, waarvan ik u sprak.

Dit is gebeurd in het jaar 1914 toen onder typische Mars-Saturnus-invloeden een wereldoorlog tot stand kwam die door niemand werkelijk gewild werd – zelfs niet door Wilhelm. Dit was een oorlog, die werd mogelijk gemaakt en opgebouwd uit allerhande in materialistische denkbeelden omgezette geestelijke waarden. Er ontstond een vertekening van alle in het Ik bestaande werkelijke waarden. De gehele oorlog werd veroorzaakt door dergelijke misverstanden en vergissingen, zoals alle beslissingen in die oorlog eveneens deel blijken te zijn van reacties  die vergissingen mogen heten en onverwachte gevolgen met zich brachten.

Na die oorlog komt men wel degelijk een ogenblik weer tot een zoeken naar waarden, die boven het materieel-redelijke uitgaan. Ik denk hier bv. aan het optreden van Wilson. Maar ook hier is men niet meer in staat de innerlijke mystieke waarden te doen prevaleren boven schijnbaar redelijke overwegingen en materialistische mystiek, waarin eigen heldendom en meerwaardigheid – ten onrechte – in de plaats wordt gesteld van eigen falen en eigen verplichtingen t.a.v. de mensheid.

Wanneer wij zien naar alles, wat gebeurt in de jaren 1932-’33, ontdekken wij als grondslag wederom een valse mystiek. Wanneer wij zien, hoe de Tweede Wereldoorlog tot stand komt, die door niemand, zelfs niet door Hitler, gewenst wordt – treft ons – om met een mooi germanisme te spreken – ook hier de onafwendbaarheid van het gebeuren. Want deze oorlog is niet te voorkomen, al wenst niemand haar. Eenieder beoordeelt de wereld echter aan de hand van de denkbeelden, die hij zelf redelijk acht, maar die in feite een omzetting zijn van eigen idealisme en mystiek in stoffelijke termen. Denkbeelden over eigen kracht, belangrijkheid, waardigheid zijn. t.a.v. de buitenwereld, zozeer opgevoerd, dat men eenvoudig niet beseft, wat men doet en, wanneer men de gevaren beseft, eenvoudig niet meer weet, wat men zou moeten doen. Overigens begint ook deze Tweede Wereldoorlog onder een typisch ongunstig Saturnus-Mars- Venus-aspect, – dit voor de astrologen. Ook nu bevindt de wereld zich in een Saturnus-aspect waarbij o.m. Mars en Venus een grote rol spelen. Persoonlijk acht ik zoiets echter niet van beslissende aard.

Ook nu wenst eenieder op de wereld in feite vrede, maar eenieder heeft god en mystieke waarde van alle leven tot iets gemaakt, dat alleen in materiële vorm wordt uitgedrukt. Zo komt men tot een overmatige waardering voor, verering van, en ondanks alle verstandelijke inzichten en argumenten, een gevoelsmatige verering voor de materiële welvaart, waaraan alle grondslagen van gezonde menselijkheid ontbreken. Daarnaast beroept men zich voortdurend op eigen edelmoedigheid bij het verlenen van hulp aan anderen – ofschoon die hulp veelal alleen verloond wordt, wanneer men daarmede zelf iets wint, al is het maar aanzien. Zo heeft men opnieuw een materialistische mythes opgebouwd, die geen uitweg meer laat voor de geestelijke spanningen en behoeften in de mens.

Ongeacht de naam, die men deze mythes meegeeft – democratie of arbeidersdemocratie bv., die twee tegengestelde waarden zijn – de werkelijke waarde blijft in deze dagen een en het zelfde: er is geen geestelijke uitlaat, de stoffelijke energieën en gevoelens ontladen zich alleen in vormen van dictatuur en denkbeelden van een altijd gelijk hebben. Gelijktijdig is er hierdoor een beperking van alle vrijheid, ook in de stof, gaande, die de spanningen in de mens nog hoger opvoert. Zou de menselijke geest uit kunnen grijpen buiten de beperkingen van eigen stoffelijk bestaan, dan zou het neurotische gedrag van de mensheid afnemen en zo voor alle nu overheersende problemen een oplossing gevonden kunnen worden zonder strijd. Dan zou de mens voldoende gevoelens van belangrijkheid en waardigheid in zich kennen om op minder belangrijke punten wat toe te geven. Maar nu is dit niet het geval. Nog uit zich het innerlijke conflict in vormen van koehandel, waarbij men zichzelf kan verheerlijken en belangrijker en doordrongen van groter gevoelen van verantwoordelijkheid dan anderen. Maar al snel komt hiervoor in de plaats een machtswaan.

De mens van heden wil wel degelijk kern en geloof handhaven – maar niet in de eerste plaats als een geestelijke beleven, doch als een pressiegroep, een macht, waartoe ook hij kan behoren en waaraan hij materiële belangrijkheid kan ontlenen – in waan of werkelijkheid. De mens wil wel de idealen dienen van een bepaalde sociaal filosoof, maar wenst daarbij gelijktijdig macht aan de denkbeelden te ontlenen en alle stellingen, die daartoe kunnen bijdragen, beschouwen als een onaantastbare wet, als een heiligdom, dat ten koste van alles verdedigd moet worden. Op het ogenblik dat ik zeg: de paus is onfeilbaar, of, de partij is onfeilbaar – zeg ik in wezen niet, dat dezen geen fouten kunnen maken. Ik stel, dat mijn eigen wezen in zijn handelingen en bestaan alleen als meerwaardig tegenover anderen kan worden gezien en in zijn bestaan gerechtvaardigd kan zijn, wanneer de bronnen, waaraan wij ons gezag en onze meerwaardigheid ontlenen, geen fouten kunnen maken. Met het gevolg, dat men ieder en alles, vaak zelfs zichzelf, op zal offeren om deze kostbare illusie maar in stand te kunnen houden.

Inwijding betekent een boven het menselijk denken uitgaan, iets wat in woorden dus niet verklaarbaar is, iets wat bezien vanuit menselijk en vooral menselijk wetenschappelijk denken irrationeel is. De mens van heden, die zoveel ontleent aan stoffelijke waarden of illusies, kan het punt van wereld-ontruktheid maar zelden meer bereiken. Hij tracht alles op een verstandelijk- redelijke basis te brengen. Hij tracht het boven-redelijke vast te leggen en te behandelen als een herhaalbaar proces, het niet aanvaardende als een eenmalige onderdompeling in het onbekende, die op deze wijze nooit meer herhaald kan worden en voor anderen nimmer op geheel gelijke basis kan plaats vinden. Hierin ligt de hoofdoorzaak voor de vele moderne neurosen: de uitweg naar de boven-redelijke wereld bestaat niet meer en kan alleen door een enkeling nog bereikt worden, wanneer hij daarvoor alle respect van en vaak zelfs contact met de wereld van heden prijs wil geven. De mens heeft beheersing willen inwisselen voor een heerschappij naar buiten toe en heeft beiden daardoor verloren.

Flatneurose bv. is een gevolg van het onvermogen van de mens zich voor niet gewenste prikkels af te sluiten. Het is hierbij opvallend, hoe zeer de aandacht voor de hinderlijke geluiden en relaties groeit. Een mens, die de gehele dag werkt in een fabriek, waarin machines stampen, stoomhamers neerbonken, en daar, in al dit lawaai redelijke aangenaam kan werken en onder alle geluid in staat is, een normaal gesprek met anderen te voeren, blijkt thuis soms gek te worden van het geluid van de krakende trap van de buren. Hier vinden wij het bewijs dat deze mens, die zich tijdens zijn werk van alle niet gewenste geluiden weet af te sluiten, dit thuis niet kan. Er is hierbij in de allereerste plaats sprake van een gebrek aan beheersing. Dit wordt verergerd door de rechtswaan, waardoor op zich niet belangrijke geluiden en factoren worden beluisterd tot zij het gehele leven schijnen te overheersen, alleen omdat men daarin een aantasting van eigen rechten meent te mogen zien.

Wij moeten begrijpen dat dit alles weer zijn oorzaak vindt in de bij de mens van heden onbewust gehanteerde vergoddelijking van de materie. Ik heb niets tegen gezond materialisme, dat moet u begrijpen. Maar een verkeerd hanteren van materialistische begrippen voert tot onbeheerstheid, beïnvloedt de mens, tot hij niet meer in staat is uit eigen krachten en oordeel selectief te leven. En dit in een tijd, dat dit voor een geestelijk en stoffelijk gezond blijven op aarde meer dan ooit noodzakelijk is. Bewust gehanteerde selectiviteit van leven en zelfs zintuiglijkheid was in het verleden voor vele mensen niet alleen belangrijk, maar zelfs een deel van hun leefwijze en juist hierdoor voor hen de mogelijkheid, krachtens hun geestelijke gaven en mogelijkheden, de wereld rond hen te beheersen.

Ik bemerk, dat u niet goed begrijpt, wat ik bedoel met de woorden zintuiglijke selectiviteit. Ik zal u een voorbeeld geven om mijn bedoelingen duidelijk te maken.

Wanneer men te maken heeft met de spoorzoekers van de Zoeloes of de inboorlingen van Australië, zo valt niet alleen bij hen het volgens van voor anderen niet eens zichtbare sporen op, maar ook het feit, dat zij zich voor alle niet gewenste indrukken schijnen af te kunnen sluiten. Zij schijnen bv. alleen de dingen te horen, die voor hen belangrijk zijn, alleen op te merken, wat voor de taak, die zij zich oplegden noodzakelijk is. Zij reageren traag of niet op hetgeen de mensen bij hen zeggen. Maar aan de andere kant blijken zij op vele kilometers afstand de aanwezigheid van wild en water te kunnen constateren, terwijl zij aan tekens, die niet voor anderen zichtbaar zijn, schijnen af te kunnen lezen, wie en wat op een bepaalde plaats voorbij ging en wanneer dit gebeurde. Deze feiten kunnen wij verklaren door te spreken van een zodanig herleiden van alle ontvankelijkheid en kracht naar één of enkele zintuigen, zodat dezen overprikkeld worden en men tot een prestatie komt, die aanmerkelijk hoger ligt dan de norm. Deze concentratie maakt het hem – de spoorzoeker – mogelijk veel scherper en duidelijker dan normaal tekens te lezen en te interpreteren.

Stel hier tegenover nu de moderne mens in een maatschappij, waarin een bewuste selectie van indrukken, van zintuiglijke impressies een levensnoodzaak is geworden. Deze mens moet in staat zijn zich af te sluiten voor overmaat aan stank, geluid, licht enz. Maar hij heeft de kunst van bewuste concentratie en beperking van waarneming verloren en heeft niet, zoals de eenvoudige inboorlingen, geleerd zich te concentreren op een punt, dat deze selectie mogelijk maakt. De inboorling concentreert zich, om resultaten te verkrijgen, op zijn godheid, voorouders, beschermgeest enz. Hij stelt dus een abstractie in de plaats van de werkelijkheid van zijn wereld. Door de eigenschappen, die hij toe schrijft aan deze abstractie zal hij een richten van zintuigen en een beperken van eigen vermogens in bepaalde richtingen tot stand brengen, zonder zelfs te weten, wat hij precies doet. Hij bereikt dit alles eenvoudig door niet-redelijke waarden als deel van zijn wereld te aanvaarden en via deze niet redelijke waarden tot wel redelijk kenbare en hanteerbare resultaten te komen.

Dit betekent niet alleen, dat bepaalde resultaten bereikt kunnen worden, maar ook dat men over een verdediging en zelfs wapens beschikken kan, die, al zijn zij niet redelijk geheel kenbaar, een blijven heersen in eigen milieu mogelijk maken. Denk nu aan de moderne mens en u zult begrijpen, hoe weerloos deze, juist door zijn ver doorgevoerde rationaliteit van leven en denken, is geworden.

Vrijheid, meester zijn over jezelf, is iets, wat wij ook in het materialistische denken steeds weer tegen komen. Men beseft daar echter niet voldoende, dat dit niet betekent: kunnen doen wat je wilt, geen belemmeringen kennen, maar in wezen inhoudt, dat men uit het totaal van hetgeen rond het Ik bestaat, datgene kan selecteren en gebruiken, dat voor eigen leven op het ogenblik van belang is en al het andere zover uit eigen ervaren en bewustzijn kan terugdringen, dat het geen irriterende werking of te grote invloed op eigen belevingen en acties zal hebben.

De geest is – vreemd genoeg – het brandpunt van al deze werkingen en krachten in de mens geweest in de achter ons liggende eeuwen. Het is de geest – liggende achter het menselijk redelijk bestaan en begrip – die in staat is, zowel een noodzakelijk isolement als een eenzijdige, maar noodzakelijke instelling op de verschijnselen van de wereld tot stand te brengen. Het is de geest, die in staat is om in de plaats van een wat opgelegde meerwaardigheidsmystiek in materiële zin een gevoel van verbondenheid met leven en al te scheppen, dat voor alle minderwaardigheidsgevoelens in de plaats kan treden. Het is de geest, die de innerlijk gevoelde onmacht en minderwaardigheid van deze tijd kan compenseren en te niet doen door innerlijk besef van verbondenheid met alle leven en persoonlijke oneindigheid. Of de denkbeelden, die uit deze geestelijke werkingen ontstaan nu logisch zijn of niet, doet niet ter zake. Ook mijn woorden zijn op het ogenblik niet redelijk logisch. Maar de krachten van de geest, hoe ook geformuleerd en weergegeven, hebben invloed op de mens en zijn leven, en werken in op hemzelf en zijn omgeving.

Daarom durf ik wel enige conclusies te trekken uit het voorgaande.   De eerste daarvan luidt: Een mens, die binnen de moderne maatschappij bewust en met redelijke vrijheid – vrij van al te grote ziekelijkheden van lichaam of geest – wil leven, zal moeten leren zijn geest te gebruiken als brandpunt voor eigen denken en actie. Hij zal buiten de ratio om moeten komen tot een gevoelsgerichtheid, die het hem mogelijk maakt in zijn wereld, naar behoefte te selecteren uit de te grote veelheid van impressies en verschijnselen.

In de tweede plaats durf ik stellen: Naarmate de onbeheerstheid en doelloosheid in de wereld toeneemt, is het zeker, dat, ondanks alle schijn van opbouw en verdergaande organisatie, de ondergang van de mensen naderbij komt. Het is nimmer de wetenschap, het geheel rationele denken, dat een ondergang weet te voorkomen. Het is altijd het niet-rationele, het emotionele, of geestelijke, dat hier reddend optreedt. Maar om dit te kunnen doen, moet het in de mens voldoende vrij zijn van binding aan de ratio.

In de derde plaats kunnen wij dit probleem alleen voor ons zelf oplossen. Juist omdat de geest, omdat deze emotionele wereld wel lichamelijk, maar niet mentaal of redelijk bepaalbaar is, zal eenieder een eigen niet redelijke weg moeten vinden. Eerst wanneer eenieder vrij is om deze innerlijke weg naar eigen begrip en inzicht te vinden en te volgen, zal de huidige mensheid haar twistziek zijn, haar prikkelbare gelatenheid en onbegrepen en ongeremde agressiviteit kunnen bedwingen.

Ten laatste nog het volgende. Wij kunnen het probleem van de zenuwziekten van deze tijd het beste omschrijven door te stellen, dat dezen haast allen het gevolg zijn van een gebrek aan inhoud bij degenen, die daaraan lijden. Zolang wij uitgaan van het standpunt, dat een zieke beter wetenschappelijk verantwoord kan sterven, dan onwetenschappelijk genezen – en er zijn heel wat mensen, die dit standpunt innemen, zij het niet openlijk of zelfs bewust, maar als gevoelswaarde – zullen wij zien, dat de wereld, volgens alle sociale, economische en andere wetenschappen, geheel verantwoord naar de bliksem gaat Eerst wanneer wij bereid zijn de niet logische, niet rationele en niet geheel bepaalbare achtergronden van het persoonlijk bestaan te aanvaarden, vooral de onbestemde mystiek geestelijke achtergronden daarbij accepterende, ondanks het feit, dat zij onredelijk schijnen te zijn, kan de wereld van heden weer voor zichzelf worden beschermd, kan de werkelijke waarde van de huidige beschaving en cultuur voor een ondergang worden gered.

Wanneer ik spreek van de ziekelijkheden van deze tijd, zo doe ik dit zeker niet om de mensheid daarvan een verwijt te maken.

Maar het feit blijft bestaan, dat deze mensheid juist door haar poging tot alleen rationeel en materialistisch denken zich steeds meer in allerhande gevaren van geestelijke en emotionele aard heeft gestort. Dit zijn gevaren, die zo kunnen groeien, dat zij op een bepaalt ogenblik zowel voor de materie als voor de geest bepalende veroordelend kunnen werken. Dit alles heeft echter weinig zin, wanneer wij niet tevens trachten een antwoord te vinden op de vraag, wat dan de mogelijkheid en weg kan zijn, om aan de ernstigste gevolgen van deze neurotische inwerkingen in de wereld te ontsnappen. Want het omschrijven en definiëren van een probleem heeft eerst dan zin, wanneer men ook bereid is een poging te wagen, om tot een oplossing daarvan te komen.

In de eerste plaats stel ik dan, dat de mens iets moet kennen dat niet in zijn eigen wereld onmiddellijk kenbaar en zichtbaar is, maar waaraan hij kan geloven, waarop hij kan vertrouwen. De erkenning van dit niet onmiddellijk kenbare moet echter voeren tot mogelijkheden en directe resultaten in eigen leven. Al datgene, wat ik in mijzelf als mystiek of emotioneel erken, is van even groot belang als al het andere, dat meer reëel lijkt. Men moet in eigen leven deze geestelijke inwerkingen en emotionele invloeden – of men dezen nu zelf bepalen kan qua oorzaak en gehalte of niet – als deel van eigen werkelijkheid bewust mede verwerken. Daarbij moet men niet aan de materie de gerichtheid en doelmatigheid van geestelijk krachten proberen te bepalen, maar zijn gerichtheid in de stof en zijn werkingen vanuit de stof aan de geestelijke, zij het niet redelijk geheel omschrijfbare, waarden ontlenen.

Dit laatste nu blijkt op betrekkelijk eenvoudige wijze mogelijk te zijn, wanneer men niet in de eerste plaats resultaten eist, vóór men zelf tot werkelijke en langdurige inspanningen wil overgaan. Want óók hier is het zo, dat de “kost voor de baat” uitgaat. De eenwording met deze geestelijke en emotionele inhouden van eigen wezen moeten eerst bestaan, omdat, eerst hierdoor een – misschien volgens anderen dwaas of onredelijk – zelfvertrouwen, gevoel van bestemming en taak gegroeid moeten zijn, voor men tot werkelijke resultaten op korte termijn zal kunnen komen.

Voorts dient men te beseffen dat niemand onder de mensen in staat is om, volgens uw redelijke of verstandelijke omschrijvingen, die weg te gaan, die u precies gaat. Daarom moet de innerlijke weg voortdurend een zeer eigene en persoonlijke blijven, terwijl deze weg en haar waarde vanuit het Ik, bewezen wordt door het bereiken van resultaten, die algemeen – en dus ook voor anderen – kenbaar en van kracht zijn.

Wij moeten ten laatste hier stellen, dat de omschrijving van een geloof of weg in zich niet belangrijk is. Wel is de intensiteit van belang, waarmede men gelooft en zijn weg gaat. Zelfs indien wij aan niets geloven, maar daarin zo zeer opgaan, dat wij juist dit negatieve geloof in ons zelf tot drager maken van ons gehele bestaan, beschikken wij – in de zin van het voorgaande – over een geloof, dat waarde heeft en waaraan men krachten kan ontlenen.

Eerst wanneer wij ons nihilisme maken tot een wat aarzelende ontkenning van iets, waar wij ergens nog wel enigszins in geloven of zouden willen geloven, wanneer wij dus niet met ons gehele wezen op kunnen gaan in onze ontkenning van goddelijke waarde, menselijke waarden als eeuwigheidsprincipe e.d., zal het ontkennen waarlijk voor de mens en zijn wereld gevaarlijk worden. Wij zullen moeten beseffen, dat het bestaan zelf binnen het geheel van het Zijn altijd de rechtvaardiging van het bestaan inhoudt, ofschoon de rechtvaardiging van het persoonlijk bestaan voor het Ik zelf alleen voort kan spruiten uit een voortdurende verhoging van de waardering in het Ik voor dit Ik.

Slechts de mens, die zichzelf steeds gelukkiger, harmonischer en/of wijzer gevoelt, zal ook voortdurend in staat zijn een maximum aan beheersing en prestatie op te brengen.

Als u daar dan nog een vereenvoudigde dooddoener bij wilt horen die toch ergens waar is: Mens, begin met in jezelf te geloven. Want wanneer je in de wereld, de kosmos en in God gelooft, maar niet in jezelf, hebben deze dingen voor jou geen werkelijkheid en waarde; slechts wie in zichzelf gelooft, kan een geloof, een emotie, een vorm van zijn en leven, voor zich tot iets maken, dat beheerst gebruikt kan worden en voor het Ik waarlijk waardevol is, daarmede aan bewuste betekenis gewinnende in alle werelden en sferen die er zijn.

Dit is, in het kort, een belichting van het door ons heden aangesneden probleem. Ik ben bewust kort geweest en heb vele soorten van neurotisch gedrag en denken in de maatschappij terzijde gelaten. Anders zouden wij moeten spreken over de neurotische nadruk die men legt op de seksualiteit, waardoor de nadruk op de kuisheid op het ogenblik – zoal niet in theorie dan toch wel in de praktijk – overslaat in een belangstelling voor vooral de seksuele aberraties. Dergelijke verschijnselen acht ik echter van minder belang, omdat ook zij in wezen een uiting zijn van de door mij beschreven grondwaarden. Wat mij betreft, wil ik het hierbij laten. Indien u nog vragen of opmerkingen hebt, is het nu de tijd, om daaraan uiting te geven.

  • De neurosen waarvan u spreekt, komen natuurlijk voornamelijk voor in het westen, maar zullen toch wel minder voorkomen in bv. China?

Zij nemen in bv. China wel enigszins andere vormen aan. Een typisch gevolg van een neurose is onbeheerstheid en een gespletenheid tussen rede en gedrag. Dat zult u met mij eens zijn? (ja). Wanneer wij enerzijds horen, dat China groot en machtig is, maar aan de andere kant een gedrag zien, dat haast wel voort moet vloeien uit een innerlijk gevoel van minderwaardigheid, mogen wij dus wel zeggen dat China op dit terrein neurotisch is. Indien aan de ene kant deugdzaamheid wordt bevorderd en gecontroleerd in China, terwijl aan de andere kant geordende verhoudingen van het huwelijk van staatswege steeds weer verstoord worden en een soort vrije liefde of belangenhuwelijk daarvoor in de plaats wordt aanbevolen, is wederom sprake van een verschil tussen theorie en praktijk, dat de mens in dit land neurotisch zal doen worden.

Wanneer deze mensen zich aan de ene zijde beroemen op hun moderniteit, hun overtreffen van het westen op het gebied van techniek en materialistische logica, maar aan de andere kant zich, om de waarde van hun volk en beschaving te bewijzen, steeds weer teruggrijpen op de oude filosofen, die zeker niet allen materialistisch dachten, is ook dit een aanduiding voor neurotisch gedrag. Ik kan vele andere voorbeelden aanduiden van een afwijken van de redelijke normen en een ziekelijk denken, dat de innerlijke rust van mens en volk beperkt en verstoort. Ik meen echter, dat reeds voldoende duidelijk is geworden, dat hier evenzeer als overal elders sprake is van neurotisch gedrag van de staat zowel als van de enkelingen binnen die staat, zelfs indien de wijze, waarop zij tot uiting komen, verschillen van de uitingen waaraan men in de westelijke wereld min of meer gewend is geraakt. Het sociaal milieu verschilt veel van het westen, maar de neurosen, die ook daar overheersen, zijn in wezen gelijk aan de ziekelijke instelling van denken en beleven, die in een groot deel der westerse wereld heersen.

  • U stelde als een noodzaak geloof, innerlijk leven. Als tegenhanger stelde u de volmaakte agnosticus. Ik kan niet begrijpen, dat een denkend mens een volkomen agnosticus kan zijn.

Daarover zou men kunnen debatteren. Ik stelde de perfecte agnosticus als mogelijkheid om een stelling duidelijker te doen worden. Ik noemde de agnosticus als tegen- stelling van de perfecte gelovige op dezelfde wijze als men tegenover de Goede God de duivel pleegt te stellen – ofschoon je bij het bezien van de wereld gemakkelijker in de duivel dan in God zou kunnen geloven volgens mij. Ik stel deze perfecte agnosticus, om duidelijk te maken, dat erkenning of ontkenning van minder belang zijn, dan het volkomen opgaan in de – op zich altijd onredelijke – aanvaarding, zij het van het bestaan van God of het niet bestaan van iets anders dan materie.

Ik stelde, dat de eenheid met de weergave van innerlijke gesteldheid het motief wordt tot beheersing van eigen Ik en zo resultaten kan geven, die alleen bij perfecte integratie van de gehele persoonlijkheid voor de mens bereikbaar zijn. Zowel het aanvaarden als het verwerpen van geest en God is op zich onlogisch en onredelijk, omdat geen werkelijk bewijs te leveren is hiervoor. Wanneer men zich voor kan stellen, dat iemand een God aanvaardt als enige werkelijkheid, moet men ook aanvaarden, dat, onder dezelfde omstandigheden en voorwaarden op aarde, een algehele ontkenning van geest en god mogelijk is. Het punt van uitgang en de conclusie zijn weliswaar geheel verschillend, maar de werking op zich is gelijk en omvat in beide gevallen emotionele elementen, die niet rationeel tot uitdrukking gebracht kunnen worden in hun totaliteit. Kort gezegd: positief en negatief zijn aanduidingen, die de waarde t.a.v. ons of een materiële waarde aangeven, maar niet de kracht zelf en haar waarde tot uitdrukking brengen in absolute zin.

Hiermede zijn wij dan aan het einde van mijn betoog. Ik hoop, dat ik uw vermogens tot nadenken daarmede niet heb uitgeput, zodat u nog energie genoeg overhoudt om zo nu en dan achter de wereld van het beperkt redelijk denken door te dringen en de krachten van de werkelijkheid in uzelf op te wekken. Ik hoop, dat mijn betoog over moderne neurosen u van één punt heeft kunnen overtuigen: dat de neurosen van heden niet het onvermijdelijk nevenproduct van de moderne samenleving zijn, maar het onvermijdelijk resultaat zijn van een verkeerde menselijke oriëntatie binnen dit geheel – wat heel iets anders is. Wijzigt zo nodig dus uw oriëntatie in de wereld en wordt gezond. Dat lijkt mij een betere slagzin dan de bekende reclameslogans voor vlees, vis en kaas. Want de mens leeft nu eenmaal niet bij brood, vis, vlees of kaas alleen.

————————–

Esoterie

Het tweede deel van onze bijeenkomst is meestal bestemd voor een bespreken van meer esoterische stellingen en strijdpunten. Vandaag wil ik vooral aandacht schenken aan: goed en kwaad.

Dit onderwerp lijkt zo eenvoudig, dat slechts weinigen zich de moeite getroosten er eens over na te denken. Zij zeggen, dat er eenvoudig geen wit en zwart, goed en kwaad bestaat en daarmede basta. Dit is een benadering, die voert tot een afwijzen van een deel van het bestaan.

Wanneer wij in de geest willen zoeken naar de totaliteit van God, om zo in Hem op te gaan, máár ons oordeel over goed en kwaad willen behouden, zullen wij een deel van de schepping af moeten wijzen, omdat dit kwaad is en dus voor ons niet aanvaardbaar is. Wanneer wij een verschil willen maken in eigen leven tussen goed en kwaad, doen wij dit maar zelden t.a.v. onszelf en eigen instelling in het leven. Wij zullen een dergelijk oordeel steeds weer baseren op de wereld, de geopenbaarde wetten Gods of iets anders.

Juist daarom meen ik, dat het wel eens goed kan zijn, juist binnen het kader van het esoterische denken en leven de problemen van goed en kwaad eens nader te bezien.

Zeer eenvoudig gezegd kan men stellen: goed is voor ons al datgene, wat voor ons aanvaardbaar is, kwaad is al datgene, wat voor ons niet aanvaardbaar is. Maar dit is wel een zeer beperkte formulering. Wanneer wij esoterisch streven, zullen wij ons n.l. beperkingen opleggen, die in wezen zelfs voor onszelf haast niet aanvaardbaar zijn. In vele gevallen zullen wij ook aan de wereld op grond van ons oordeel over goed en kwaad eisen stellen, waarvan wij in wezen de onredelijkheid zelf wel inzien.

De kwestie van goed en kwaad is, wanneer wij het nauwkeuriger willen omschrijven, voor ons meer een toepassing van kracht: wanneer wij een kracht toepassen en de resultaten voor ons denken niet geheel aanvaardbaar zijn, spreken wij van kwaad. Indien dezelfde kracht en middelen iets tot stand brengen, dat voor ons zeer wel aanvaardbaar is, zo noemen wij het opeens goed, een wonder, heilig, werk van God.

Indien men een eigenaardig voorbeeld van dergelijke waarderingen wil hebben, kunnen wij dit vinden in het nabije verleden. In de buurt van Turijn was een paranormaal genezer werkzaam, die goede resultaten behaalde, maar zelf nu niet direct vroom en kerkelijk was.

De herder van de plaatselijke gemeenschap waarschuwt zijn gelovigen voor deze man en zijn werk en noemt dit werk van de duivel. Nu werkt binnen de kerk eveneens een paranormaal genezer, die priester en lid van een kloosterorde is. Dezelfde zielenherder bespreekt deze genezingen – als tegenstelling – met zijn gelovigen en noemt dezen “een wonder, een genade Gods”, dit, ofschoon de werkwijze en zelfs de resultaten van beide genezers niet veel verschillen. Een dergelijk oordeel, dat veel pleegt voor te komen, gaat niet uit van de feiten, de werkzame krachten, maar van een waardering van uiterlijkheden door het menselijk denkvermogen.

In de materie is een dergelijke verdeling eventueel nog te handhaven. Maar in de esoterie worden wij voortduren weer met delen van ons eigen wezen geconfronteerd, waarmede wij geen vrede hebben, die wij zelfs verwerpelijk vinden. In ons zelf zullen wij, naast de paradijselijke Godbelevingen, steeds ook de diepe afgronden zien van een absolute duisternis, een demonisch afgesloten raken van alle dingen. Indien deze beide waarden niet binnen ons ik aanwezig zijn, zijn wij geen echte mensen, geen waarlijk bewuste wezens. Wij moeten dan ook leren beide delen van ons ik gelijkelijk te aanvaarden.

Bij de meeste inwijdingsgebruiken zien wij degene, die naar inwijding zoekt, in het duister eenzaam vertoeven. Om tot Licht te komen, moet men kennelijk ook het duister leren kennen en aanvaarden. Logisch: eerst wanneer het duister eveneens aanvaard is, zal men met beide waarden kunnen werken en zullen zij niet slechts een ervaring of erkenning blijven, maar ook een praktische mogelijkheid en betekenis vormen voor het ego.

Ook laat men de zoeker naar waarheid niet alleen opstijgen naar hoge bergen, om daar zijn goden te ontmoeten, maar doet men hem in onderaardse, krochten, langs echte of schijnbare afgronden gaan, volgens eigen besef voortdurend bedreigd door een onbekende dood, aangevallen door alle elementen. Kortom: al wat hij vreest of verwerpt, bedreigt hem op zijn gang naar inwijding. De reden is, dat men eerst eigen angst moet leren overwinnen en deze waarden – duister, de elementen – moet leren aanvaarden.

In de esoterie is dan ook de kwestie van goed en kwaad van zo groot belang, omdat zij o.m. onze angsten bepaalt. Wanneer u bang bent voor iets, en het blijft verwerpen, zult u het nooit leren kennen, terwijl ook een deel van uw eigen wezen voor u onbereikbaar blijft.

Zo men wel alles aanvaardt en erkent, wat goed is, maar geen evenwicht in zichzelf vinden kan door ook het kwade te erkennen en het bestaan daarvan in en buiten het ik evenzeer te aanvaarden, zal er een innerlijke onevenwichtigheid ontstaan, waardoor men zelfs, indien men iets bereikt, weer terugvalt.

U kunt nooit de wereld kennen, wanneer u geen Licht en duister kent. Uw wereld blijft dan altijd een persoonlijke waan. U kunt God nooit waarlijk kennen, wanneer u niet zowel de diepste en meest duistere sfeer als de hoogste Kracht van Licht durft en wilt erkennen.

Het gaat dus niet zozeer om de begrippen goed en kwaad, Licht en duister op zich, als wel om het evenwichtig tussen deze dingen in ons zelf, dat wij moeten vinden. Zolang Licht en duister in ons zelf een evenwichtig geheel vormen, erkennen wij de totaliteit van God en zullen wij zelfs beschikken over de Goddelijke Krachten, zover dezen maar in ons geopenbaard kunnen worden.

Dan eerst kunnen in ons ook een weten en een wijsheid ontstaan, die niet slechts een deel van Zijn en wereld, maar de totaliteit van alle Zijn doen begrijpen. Wanneer wij op deze wijze verder gaan blijkt ons, dat goed en kwaad niet alleen een persoonlijke kwestie zijn, maar zelfs, dat zij in wezen als afzonderlijke waarden geheel niet bestaan.

Dit klinkt u misschien vreemd en menigeen zal dit een gevaarlijk stelling noemen. Goed en kwaad bestaan echter niet voor zich en feitelijk. Zij bestaan voor de mens, omdat zij een uiting zijn van zijn persoonlijke voorstelling en waardering, waardoor hij een verdeling van het zijn voor zich tot aanzijn pleegt te brengen.   Het is logisch hieraan onmiddellijk toe te voegen: goed en kwaad zijn een deel van de begoocheling, waardoor een mens in de onvolledigheid van zijn bewustzijn toch reeds tot een wereldervaring kan komen.

Nu wordt het tijd eens even goed na te denken. Wanneer ik iets doe, dat kwaad is – voor mij – dan zal dit kwaad zich op mij wreken volgens de wetten van oorzaak en gevolg. Maar gelijktijdig heb ik gesteld, dat het kwade niet feitelijk bestaat. Dan zal de wraak, die volgens oorzaak en gevolg, uit het doen van “het kwade” voortkomt, in wezen voortkomen uit een deel van mijzelf, een deel van mijn ik, dat ik niet wens te aanvaarden en dat door mij kwaad wordt genoemd. Het gevolg vloeit niet voort uit het “kwaad” zelf, maar uit de reactie in het ik op het begrip van het kwade.

Menigeen zal geneigd zijn hieruit de conclusie te trekken, dat wij dus niets als kwaad mogen zien. U hoeft dit inderdaad niet te doen. Maar u zult het wel steeds weer doen. Men onthoudt zich nu eenmaal niet van oordelen. En dit is zeker niet alleen beperkt tot het leven en bewustzijn in stoffelijke werelden. Want ook in de sferen, de geestelijk werelden, kennen wij dingen die door ons als laag, kwaad en duister enz. worden gezien. Dit echter is iets, wat uit onszelf voortkomt. Maar omdat het in onszelf als een persoonlijke waarheid bestaat, zullen wij moeten handelen in overeenstemming daarmede tot het ogenblik, dat ons besef zich wijzigt.

Als je de maatschappij op aarde beziet, zo blijkt, dat zij wel schijnbaar een vaste code van goed en kwaad hanteert, maar in feite slechts formuleringen handhaaft, terwijl de inhoud daarvan voortdurend aan veranderingen onderhevig is. Men hoeft alleen de jurisprudentie maar na te gaan om te beseffen, hoe een en dezelfde wet zo vaak verschillend geïnterpreteerd kan worden, dat zij verkeert in het tegendeel van hetgeen de wetgever oorspronkelijk daarmede wilde bereiken.

Goed en kwaad zijn voor ons noodzakelijke waarden, omdat daardoor ons erkennen van het leven kan ontstaan en een beoordeling van onze eigen weg binnen dit leven ons mogelijk is. Maar wanneer wij voortdurend onszelf aanpassen aan het besef, dat wij gewonnen hebben, zal elke vaste waardering van goed en kwaad een hinderpaal worden, een blok aan het been bij alle geestelijke ontplooiing.

Hier kom dus de kwestie van de z.g. eeuwige wetten, die vele godsdiensten kennen, in het geding. Wanneer men bv. spreekt over de 10 geboden, spreekt men over leefregels, die eens gegeven werden onder zeer bepaalde omstandigheden aan een bepaald volk. Nu kent men aan deze regels een eeuwige waarde toe, maar blijkt deze wetten alleen als eeuwig te kunnen handhaven, door de interpretatie daarvan steeds weer aan de feitelijke ontwikkelingen en omstandigheden aan te passen. Zo men dit niet doet, zal een dergelijke, op zich grote en goede wet, die eens een instandhouding van de mens en een vergroting van zijn innerlijke zekerheden betekende, de ondergang van diezelfde mens gaan betekenen. Een geloof is over het algemeen gebaseerd op dergelijke wetten. Het is dan ook vooral de gelovige mens, die op de duur besluit het esoterische pad te gaan volgen. Daarom is het wel heel belangrijk dat deze mens beseffen kan, dat er geen enkele wet is, oordelend over goed en kwaad, die permanent, voor alle tijd en sfeer, van kracht blijft en de verdeling van Licht en duister in en rond de mens steeds op een juiste en voor de mens aanvaardbare wijze weer kan geven.

Hieruit vloeit weer voort, dat geen enkele van dergelijke wetten en regels waarlijk goddelijk kan zijn. Deze dingen zijn altijd een menselijke interpretatie van iets, wat als principe binnen God wel bestaat, maar veel meer omvat en bovendien, zoals de gehele schepping, indien wij haar vanuit God bezien, in alle aspecten “goed” is.

Degene, die in zichzelf zoekt naar waarheid, komt, mede als gevolg van deze wetten en de daaraan verbonden waarderingen, al heel snel tot een strijd met zichzelf. Hij verwerpt een deel van zichzelf en probeert zichzelf te hervormen in overeenstemming met de regels waaraan hij eeuwigheidswaarde toekent. Hij kan hiermede echter niet boven een menselijk en in zich bestaan uitgroeien; een mens, die tracht zich als een engel te gedragen, wordt geen supermens of engel, maar een karikatuur van de engel en zichzelf beiden.

Erkennende dat geheel ons wezen, met alles wat daarin bestaat en daarbij kan behoren, een deel van de goddelijke waarheid is, wanneer wij erkennen, dat daarin kosmisch gezien geen goed of kwaad zal bestaan, omdat het slechts een uiting van de Schepper is binnen zijn schepping, hebben wij reeds veel bereikt: wij verwerpen onszelf niet meer en zijn niet meer bevreesd om onszelf te zijn. Goed en kwaad vormen dan niet meer de maatstaf, waarmee wij de wereld meten, maar slechts een maatstaf, waarmee wij onze eigen innerlijke evenwichtigheid weten te erkennen en te handhaven.

Bij een mozaïek zal de volmaaktheid van het inlegwerk bepaald worden door het feit, dat onregelmatigheid – onvolmaaktheid van vorm – bestaat in de delen, waaruit het is samen- gesteld. Gods Schepping kan hiermede worden vergeleken: geest en, sferen, toestanden, elk op zich onregelmatig – onvolmaakt – zijn daarin samengevoegd tot het perfecte beeld van God, het beeld van de perfecte evenwichtigheid.

Door te eisen, dat alle delen volmaakt zullen zijn, of zich zullen vervolmaken, verwerpen wij het goddelijk evenwicht, en eisen, dat de Schepper zichzelf en zijn schepping wijzigt. Een eis die wij nimmer terecht kunnen stellen, zodat wij ons zullen moeten onderwerpen aan alle waarden van ons feitelijke bestaan. Alle innerlijke opgang is daarom gebaseerd op aanvaarding; niet op oordeel dus. Het innerlijk streven kan niet waarlijk gebaseerd worden op een sorteren van de waarden van innerlijk leven of de zich in het Ik openbarende krachten, maar slechts op een aanvaarden van het geheel, zoals het zich ons toont. De bewustwording is niet een wijzigen van eigen persoon of wereld, maar het vinden van een begrip voor het evenwicht, waardoor al het zijnde als erkend en aanvaard binnen het Ik zal kunnen blijven bestaan, ongeacht de wijzigingen, die wij als mens of als geest menen waar te nemen.

Onze bewustwording, inwijding, esoterische vooruitgang, vormen een uitbreiding van onze persoonlijkheid, niet een verhogen of wijzigen ervan. Wij blijven wat wij zijn en wie wij zijn, maar omvatten steeds meer bewust het totaal, dat ons werkelijke wezen is. Van eenvoudig een “mens” wordt men tot het bewuste beeld van de gehele mensheid. Misschien kan men daaruit verder gaan en uiteindelijk zeggen: van een bewust beeld van de mensheid als geheel worden wij tot het bewuste beeld van de sferen, waarvan de mensheid slechts een enkel deel is en zal ons bewustzijn ons voeren tot een, binnen ons eigen vermogen en wezen, bewust deel hebben in de schepping en kracht, die het Al voortbrengt en die wij God plegen te noemen. Het belangrijke bij dit alles is wel, dat wij ons onthouden van verwerping, ons onthouden zelfs van beoordelingen en veroordelingen, tenzij in verband met onszelf en de onevenwichtigheden, die in ons bestaan.

In de komende tijd zal het voor velen, die esoterisch willen streven, wel eens moeilijk worden, omdat zij rond zich steeds meer kwaad menen te zien, terwijl zij goed willen scheppen. Indien zij zich dan deze les herinneren, zullen zij begrijpen, dat men nimmer een deel van het geheel kan stimuleren, zonder in het geheel een ontwikkeling tot stand te brengen, en zo hun vrede te vinden.