Moderne psychologie (1972)

image_pdf

4 december 1972

Aan het begin van de bijeenkomst moet ik u erop wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Ik hoop dat u zelf zult nadenken. In de tweede plaats, het onderwerp dat gekozen is voor deze avond: Moderne psychologie.

Nu zult u begrijpen, dat ik in een korte tijd daar geen volledig overzicht van kan geven, laat staan zelfs een gedegen betoog. Daarvoor hebt u meer tijd nodig en ik zal mij dus moeten beperken tot een aantal opmerkingen. Ik hoop dat u daartegen geen bezwaar hebt. Na de pauze krijgt u vanzelf de gelegenheid, om daar verder op in te gaan.

Wanneer we spreken over moderne psychologie, dan doen we dat eigenlijk een beetje in tegenstelling met de Freudiaanse psychologie. Freud heeft alles betrokken op het ego, op het vredesleven, eigenlijk het droomleven van de mens, als je het goed bekijkt.

Wanneer we de moderne psychologie zien, dan wordt daar veel meer rekening gehouden met de gedragsnormen van de mens, zijn eigen gedragspatronen en daarnaast dus met de verstoring van die patronen, zoals die op kan treden. We zouden daar het een en ander over kunnen zeggen natuurlijk. Een mens bv. heeft de neiging om zichzelf in rang te verhogen. Dat is onontkoombaar, omdat de mens behoort tot die wezens die in groepen, in kudden zou je kunnen zeggen, leven. De mens kon niet alleen leven, hij is gebonden aan een gemeenschap en in die gemeenschap zoekt hij die kenmerken te verwerven, waardoor hij hoger wordt in rang. De maatschappij kent, precies zoals de kippenren, een picking-order. Dat wil zeggen, er zijn dus bepaalde figuren, die altijd op hun duvel krijgen én we krijgen in die maatschappij, omdat ze een zekere orde moet hebben, ook nog de mensen die – u permitteert de uitdrukking – moeten dienen als “piespaaltje”. Dat zijn degenen dus, die overal de schuld van krijgen, opdat de mens, in zijn eigen ogen, zijn eigen waardigheid kan behouden.

Ik geloof dat deze enorme drang om de persoonlijkheid tot uitdrukking te brengen en rekening te houden met alle facetten daarvan, mede veroorzaakt wordt door het feit dat de mens in een overmatig gereguleerde maatschappij bestaat. Overmatig gereguleerd betekent dat deze mens zo weinig werkelijke vrijheid geniet om zichzelf te zijn en zichzelf te vormen, dat hij door de gemeenschap genormd en in een bepaald patroon geperst, afwijkingen krijgt, waardoor hij zich tegen deze normering tracht te verzetten. Ik hoop niet dat u dit onduidelijk vindt.

Het is gelijktijdig ook duidelijk dat in een dergelijke maatschappij de mens gaat proberen om dus eenieder op zijn plaats te brengen.

Vroeger was de gemeenschap iets wat zichzelf automatisch vormde, waarbij sterkeren als vanzelf naar boven toe kwamen. En waarbij eenieder eigenlijk zijn eigen bijdrage moest leveren, wilde hij in die gemeenschap kunnen bestaan.

Tegenwoordig is het bestaan in de gemeenschap een recht geworden. Wanneer je dat recht eenmaal erkent, dan komen er een hele hoop andere rechten bij te pas, dat weet u wel. Die rechten zijn o.m. – ik noem nu maar wat – elke mens heeft recht op vrijheid van godsdienst. Waarom eigenlijk? Omdat elke mens op een andere wijze gelooft? Ik zou zeggen: neen. Elke mens heeft vrijheid van denken. Maar die vrijheid van denken wordt hem niet helemaal toegesproken. Wel de vrijheid om iets te geloven, wat maatschappelijk van minder belang is, van minder betekenis zal zijn.

De mens heeft recht op arbeid. Ik weet niet of u arbeid zoiets heerlijks vindt; iets onontbeerlijks is het misschien in de maatschappij. Maar alweer, een nadruk in een bepaalde richting. Werk is noodzakelijk. Is werk noodzakelijk? Vroeger was het zo dat de mens leefde in een maatschappij, waarin hij dus op een gegeven ogenblik vrij kon komen van alle arbeid, die hij niet zelf begeerde, wanneer hij sterk genoeg was. Wanneer hij zwak genoeg was, dan moest hij ook alle arbeid aanvaarden en elke taak, die hem werd opgedragen. Dan had hij verder geen rechten. Dat lijkt erg wreed, volgens de moderne denkwijzen.

Maar het is wel duidelijk dat wanneer ik iemand rechten geef, althans opvoedt met het denkbeeld, dat hij rechten heeft, dat ik daarmee dan automatisch een afwijzen van plichten veroorzaak. Want de verhouding recht-plicht, die een heel lange tijd in de mensheid maatstaf is geweest, is in deze dagen wel heel erg verzand. Dit heeft op de houding van het individu ongetwijfeld allerhande invloed. Laten we een paar punten nemen, dingen die met deze moderne samenleving samenhangen:

De mens heeft de neiging om, zoals elk dier, ook elk kuddedier, zijn eigen territoir af te bakenen. Dat is dan wel heel beperkt, maar dit territoir wordt geschonden. De mens kan zich tegen deze schending niet voldoende verdedigen en wordt daardoor in toenemende mate agressief. Zijn territoir is een deel van zijn eigen denk- en gewoonteleven, daarnaast een deel van de ruimte die hij voor zichzelf opeist. In al deze gevallen komt men er niet werkelijk aan tegemoet.

Een typisch verschijnsel bv. is de ‘flatneurose’, ik weet niet of u het geval kent. Men is eens nagegaan, in welke mate de agressiviteit en dus ook de overspannenheid bij flatbewoners optrad op de verschillende woonlagen. Men moest tot de conclusie komen dat degenen, die op de begane grond of de eerste etage leefden, heel weinig spanningen vertoonden, ook wanneer zij in een flat woonden. Hun agressiviteiten waren te vergelijken met die van mensen die een eigen huis hebben. Ging men verder, dan bleek de agressiviteit te stijgen en kwam men bv. op de vijfde of zesde woonlaag, dan bleek daar een zeer grote overspanning aanwezig te zijn. Deze mensen reageerden dus met een enorme geladenheid op de buitenwereld en zij hadden de neiging om agressief te zijn tegen elke wijze van denken, die in die gemeenschap algemeen aanvaard werd. Hun reacties daarbij zijn over het algemeen niet erg redelijk. Gaan we nog verder naar boven, dan blijkt dat toe te nemen, totdat we aan de bovenste woonlaag komen, daar neemt het ineens weer af. Je zou kunnen zeggen dat dat waarschijnlijk te wijten is aan de enorme invloed, die het gevangen zijn te midden van anderen op een mens heeft. Want, wanneer je geen werkelijk eigen ruimt hebt, wanneer je niet genoeg – zoals dat heet – privacy kunt genieten, geen hol hebt om je in terug te trekken, dan word je steeds instabieler van gedrag, omdat je geen kans krijgt om tot rust te komen. Er is altijd wel iets, zoals u weet, wat de mens kan stimuleren in het flatgebouw: de ruzie van de buren misschien, die hij net niet helemaal kan verstaan – enorm frustrerend – of de baby van de benedenburen of de buren aan de andere kant ernaast, kortom, overal zijn er invloeden, die hem aantasten.

Het is duidelijk dat de moderne vorm van samenleving agressiviteiten bevorderd. Daarbij is de steeds sterkere reglementatie van die samenleving de oorzaak dat de mens zoekt door zijn gedrag, zijn belangrijkheid in deze maatschappij te bewijzen. Hij probeert dus in wezen door zijn gedrag een hogere rangorde te vinden binnen de groep. Hij doet dit door agressief te zijn, hij doet dit kortom door de regels te beschouwen als voor hem niet bestaand.

Zoals ik al zei, ik kan alleen maar fragmenten nemen. Maar laten we een ander fragment nemen uit deze maatschappij. De auto is enorm populair. Waarom? De auto blijkt eigenlijk alleen maar populair te zijn, omdat ze de mens het vermogen geeft, zich met snelheid voort te bewegen, op anderen neer te kijken als het ware. Het is niet alleen een statussymbool, maar het is een machtsverhoging. Door deze machtsverhoging heeft men het gevoel onafhankelijker te zijn, voelt men zich vrijer, voelt men zich belangrijker. Men kan dus bepaalde frustraties afreageren. Wanneer we het vervoer in zijn geheel nagaan, dan blijkt dat over het algemeen de auto een duur en ook in vele gevallen niet bepaald vlot vervoermiddel is. Dat laatste neemt zelfs toe. Toch zullen de mensen auto’s blijven kopen, omdat het gevoel over een motor te regeren, dus aan de eigen energie een enorme kracht toe te voegen, voor hen een enorme psychische verleiding vormt.

Een aspect, dat ook opvallend is in deze tijd, wordt door de kerken heel vaak aangeduid met ontkerstening. Ik geloof niet dat die term erg juist is. Want ook de moderne mens heeft iets nodig, waarin hij zichzelf als het ware sublimeert. Dat kennen we in de godsdienst, dat kennen we in de mystieke systemen, dat gaat van de verste oudheid met de eerste sjamanen tot vandaag de dag toe. Of die mens daarbij nu kiest voor een politiek-sociaal systeem of dat hij kiest voor een religieus systeem of een mystiek systeem, maakt weinig uit. Hij sublimeert zichzelf, hij maakt zichzelf deel van een grotere, al beheersende macht en ontleent daaraan de kracht om op zijn eigen plaats datgene te verdragen, wat anders niet te verdragen zou zijn.

Nu is in de laatste tijd God eigenlijk een wezen, dat zich steeds minder kenbaar manifesteert. In de oude tijd waren er wonderen, tegenwoordig weet men, dat veel van die wonderen berustten op natuurlijke verschijnselen. Vroeger waren er grote leraren, inderdaad, maar daar stond dus tegenover dat er veel minder mensen waren, die wisten. Een leraar kon dus gemakkelijker een overwicht hebben. In deze dagen valt dat een beetje weg. We kennen nog wel profeten, maar dat zijn dan meestal profeten, die op de dagelijkse werkelijkheid inhaken.

De mens, die in deze tijd leeft en iets wil hebben waardoor hij sterker is, waardoor hij méér is, heeft een eigen relatie nodig, zij het met God, met de Partij, of iets anders. Wanneer deze eigen relatie niet gegeven wordt en in feite alleen bestaat in vorm, dus bepaalde riten zonder meer, dan zal hij langzaam maar zeker dit geheel verlaten. Hij heeft de innerlijke beleving nodig, het innerlijk gevoel van verbondenheid. Waar hij dit niet bereiken kan, wordt hij dermate door zijn wereld gefrustreerd, dat hij zoekt naar een andere weg om die frustratie te ontladen. Hij doet dit meestal dan door zijn gemeenschap vaarwel te zeggen en te zoeken naar een plaats in een andere gemeenschap, onverschillig dewelke.

Dit vindt u misschien allemaal niet zozeer moderne psychologie. U hebt gelijk. Er zijn enorm veel theorieën daarvoor, er zijn enorm veel boeken geschreven. Maar wanneer we eerlijk zijn, moeten we ook toegeven dat deze boeken voor een groot gedeelte in feite filosofisch zijn. De filosofie over de menselijke psyché heeft een peil en een uitgebreidheid bereikt, die in zeg maar geen twintigduizend jaar op aarde bereikt is. Maar zijn we met die filosofie dan ook verder?

Wanneer we ons houden bij de feiten, dan zullen we genoeg kunnen leren omtrent de menselijke psyché. Jung bv. is ergens een filosoof. En pas op het punt, waar hij reëel gaat constateren en bv. zegt: in elk menselijk wezen treffen psychisch een bepaald gebied aan, dat wij niet kunnen betreden, maar hoogstens enigszins in zijn begrenzing kunnen aangeven, dan wordt hij realist. Dan is het volgens mij psychologie.

Wanneer wij proberen om het gedrag van een mens te verklaren, dan lijkt wel of men daarbij ook gelooft aan “tout comprendre c’est tout pardonner”. Alles begrijpen is alles vergeven. Dat is natuurlijk wel waar. Je kunt de mensen wel alles vergeven wat ze doen, maar dan zondig je weer tegen iets anders. Wanneer ik bv. denk aan de gerechtelijke psychologie en psychiatrie zoals die in deze tijd wordt bedreven, dan word ik met een heel eigenaardig verschijnsel geconfronteerd. Enerzijds wenst men de aanpassing van de persoon aan de geregimenteerde maatschappij, anderzijds begrijpt men dat de persoon zich niet aan kon passen en verklaart dus dat hij niet aansprakelijk is voor hetgeen hij heeft gedaan. Ik geloof dat we hier eigenlijk hinken op twee krukken en dat je daarmee ook weer een fout maakt.

De mens heeft een gedragspatroon. Dat gedragspatroon wordt voor een groot gedeelte bepaald door de belevingen in de jeugd, de ouders o.m., het wordt daarnaast mede bepaald door natuurlijk bepaalde erfelijke factoren en niet ten laatste, door datgene waarmee men geconfronteerd wordt in de wereld. Wanneer u de kinderen elke dag op de tv laat kijken naar scènes, waarin mensen elkaar neerschieten, dan is dit voor hen iets normaals. Wanneer je mensen sprookjes vertelt, wat vroeger gebeurde, waarin de meest bloeddorstige daden door helden worden begaan, die dan toch beloond worden, dan krijg je ook een gewenning aan dat gedrag. Voor het kind is er weinig verschil, naar ik aanneem, tussen de fantasie en de werkelijkheid. Die grens is maar heel moeilijk te trekken. Vandaar dat het kind geneigd is, om de feiten, die behoren tot een fantasiewereld over te brengen naar zijn werkelijkheidsreactie. Het is dus een kwestie van opvoeding.

De mensen hebben de laatste tijd geprobeerd om de kinderen vrijer op te voeden. Dat is fantastisch. Maar gelijktijdig ontzeggen ze die kinderen de vrijheid om voor zichzelf te beslissen. Ze krijgen meer vrijheid, minder aansprakelijkheid en gelijktijdig moeten ze toch leren, precies zoals het hen gezegd wordt: gehoorzaam zijn. Ze moeten zich bij de ouders gedragen volgens de normen van die ouders. Enerzijds geef je ze vrijheid en zegt: je bent volwaardig mens en aan de andere kant nemen ze de werkelijke rechten af. Het is duidelijk, dat we hierdoor een soort gespletenheid veroorzaken. Die gespletenheid wordt nog erger wanneer we zien hoe de opvoeding dus in de jeugdperiode staat tegenover de maatschappelijke periode waarin je terecht komt.

Want in die maatschappij is het plotseling noodzakelijk om je te onderwerpen, om een zekere mate van beleefdheid te betrachten, om een zekere mate van trouw te kennen, kortom om je plaats te kennen in het leven. Terwijl je in je jeugd juist de vrijheid had en je eigen plaats moest leren bepalen. In de speelwereld lagen de belangrijkheden, de mogelijkheden ook totaal anders dan in de maatschappij.

Wanneer je een kind wilt opvoeden in een maatschappij, dan moet je het van het begin af aan daarin integreren. Dit doet men niet. De moderne psycholoog zegt: we moeten het kind niet frustreren. Dat ben ik eens met die moderne psycholoog, wanneer hij gelijktijdig de middelen aan kan geven, waardoor de frustratie ook in het latere leven vermeden kan worden. Wanneer dat echter niet het geval is, dan zou ik zeggen: laat het kind met zijn eigen agressie, met zijn eigen frustratie worstelen op zijn eigen manier, totdat het leert op zijn eigen wijze een aanpassing te vinden aan de gemeenschap. Dan kan het later frustraties verdragen en het zal zich later maatschappelijk beter, zelfstandiger en juister kunnen bewegen.

Er zijn theorieën in die richting. Ik denk hier onder meer aan theorieën over onderwijsvernieuwing. Nu lijkt het misschien heel erg leuk, wanneer je de kinderen zegt: nu, je moet het zelf maar weten, wat je gaat leren. Het gekke is dat die kinderen dat heus wel gaan leren, want die kinderen willen ergens de gelijke worden van de volwassenen. Elke volwassene kan rekenen en schrijven, dan willen zij het ook kunnen. Wanneer die volwassene kan lezen, dan willen zij ook in staat zijn staat zijn te weten wat die mensen zo belangrijk vinden in een boekje. Dus die kinderen gaan wel degelijk leren. Je geeft ze dan een grote vrijheid.

Maar in die vrijheid – en dat moet je ook begrijpen – ontneem je hen het denkbeeld dat leiderschap aanvaard moet worden. En dan breng je ze later in een wereld, waar alles op leiderschap gebaseerd is. Die kinderen zullen daar nooit in kunnen passen. Opvoedingssystemen in deze tijd zijn niet goed. Een opvoedingssysteem moet aangepast zijn aan de maatschappelijke ontwikkeling, kan daar desnoods misschien iets op vooruitlopen, maar nooit onbeperkt.

Dat is ook duidelijk, want het gedragspatroon dat in de jeugdjaren wordt gevormd, heeft belangrijke perioden. Voor genegenheden bv. de eerste vier levensjaren, voor gedrag ten aanzien van anderen zeg maar de eerste twaalf tot veertien levensjaren. Wanneer het gaat over de absorptie van feiten, concentratiemogelijkheden en dergelijke, die periode ligt ongeveer tussen vier en acht à negen jaar. In deze perioden moet dus het kind de middelen krijgen, waardoor het zich zonder grote frustratie in een gemeenschap kan bewegen. Dit gebeurt niet.

Het onderwijs is ofwel in feite geretardeerd. U weet, dat retardatie een naam is die we ook wel gebruiken voor iets wat de burger ook wel idiotie wil noemen – anderzijds dermate progressief, dat het eveneens geen mogelijkheden biedt. De gemeenschap is een geheel. De gemeenschap van heden is echter geen werkelijk geheel meer. Het is duidelijk dat daaruit een groot gedeelte van de agressie, van de frustraties e.d. ook voortkomen.

Een kind dat gewend is altijd in een stad te leven, zal in vele gevallen moeite hebben zich aan te passen aan de eenzaamheid, bv. op een boerderij die 30 km. van de dichtstbijzijnde andere boerderij ligt. Dat is dan net te veel. Een kind dat op het platteland is opgegroeid, zal nooit zich in een stadse samenleving volledig thuis voelen. Het zijn allemaal dingen, die we wel weten, maar waarmee we geen rekening houden.

In de moderne psychologie probeert men enerzijds deze stellingen wel naar voren te brengen en zoekt men anderzijds naar lapmiddelen, waardoor de incongruentie van het gehele maatschappelijk bestel ongedaan gemaakt kan worden door een wat zoetelijke benadering van degene, die afwijkt. Het is inderdaad zo, dat een maatschappij misdadigers maakt. En in deze tijd is het soms al zover gekomen, dat de misdadigers de maatschappij bepalen.

Maar, is dat wel een reden om te zeggen: we moeten een afwijkend gedrag zonder meer tolereren, we hoeven daar geen consequenties aan te verbinden. Ik dacht dat de consequentie erg noodzakelijk is. Denk niet dat u een mooie aanpassing kunt krijgen door voldoende dressuur. De opvoedingstechniek, zoals die bv. in Sovjet-Rusland een tijdlang gebruikelijk was en nu ten dele nog, is in feite op de Pavlov-reactie geënt. Waarbij men dus door systemen van beloning en bestraffing een bepaald gedragspatroon probeert te verankeren in de persoon. Het blijkt echter dat dit maar ten dele gelukt. Dus we kunnen nooit zeggen, we vinden een psychologische benadering die voor iedereen altijd past.

Maar daar staat tegenover – en nu denk ik dus speciaal juist aan die psychiatrische benadering van wat men noemt de misdaad – dat men kiezen moet tussen ofwel opvoedingssysteem ofwel bestraffingssysteem Wanner je probeert het strafsysteem met een opvoedingssysteem te verbinden, dan verhoog je de frustratiewaarde en dus ook de agressiviteit, de potentie althans tot agressie bij de personen die aan het regime onderworpen worden. Wanneer je ze volledig vrijlaat en dus alleen heropvoedt, dan krijg je meestal wel goede resultaten. Maar gelijktijdig schep je een enorme frustratie in de gemeenschap daaromheen.

Het klinkt een beetje gek, wanneer je zegt: isolement zou het beste zijn. Toch is dat waar. Men heeft een paar experimenten uitgehaald in die richting. Men heeft namelijk een aantal misdadigers samengebracht op een farm in de U.S.A. een zgn. gevangenisfarm en men heeft toen besloten, degenen die daar kwamen, zelf hun regime te laten uitmaken, zelfs hun taakverdeling. Er werd zelfs niet gezegd dat ze moesten werken. Maar hun mogelijkheden om vermaak te krijgen, om voeding te krijgen en de rest waren wel afhankelijk van hetgeen de gemeenschap als geheel presteerde. Het bleek dat in deze farm-methode veel grotere aanpassing van het individu ontstond en dat daarbij gelijktijdig veel minder agressie resulteerde, wanneer de persoon weer in de maatschappij kwam. Het systeem is overigens gestaakt, omdat het, volgens sommige christelijke mensen in die omgeving, niets te maken had met bestraffing. Deze mensen zouden nooit berouw voelen over hetgeen ze gedaan hadden en daarom was het systeem niet goed.

En dat brengt ons meteen weer tot een ander punt. Juist in een steeds toenemende bevolking, dus een vergroting van massa, die gelijktijdig een aantasting teweegbrengt van het eigen territoir van de mens en hem de vrijheid van een eigen gedragspatroon steeds meer ontneemt, krijgt men de neiging om abstracties te kiezen als uitweg. Dat is ook weer begrijpelijk. Wanneer je dus niet metterdaad iets doen kunt, kun je denken. En wanneer je zelf beperkingen hebt, waaraan je je niet ontworstelen kunt, dan kun je dat vaak compenseren, door diezelfde beperking – onnodig meestal – aan anderen op te dringen.

Hierdoor zien we ook dus een aspect ontstaan, dat in deze maatschappij wel erg bepalend is, ofschoon het zeker geen nieuw effect is, Vroeger meende men bv. dat Napoleon een genie was. Dat is misschien ook wel geweest. Maar we weten dus nu ook dat hij in wezen een enorm gefrustreerd man was. Dat zijn frustratie al voortkwam uit zijn kleine gestalte, zijn onaanzienlijke afkomst, waardoor hij de mindere moest zijn van zijn gelijken. Dat hij later ook door familiale verhoudingen, pressie die overal op hem werd uitgeoefend, als het ware voortdurend genoopt werd om veldtochten te voeren. De veldtocht was voor Napoleon in feite de enige manier om voor zichzelf vrede te vinden, Dat is zelfs in sterke mate aanwezig, wanneer we zien, hoe hij het Russisch avontuur ingaat.

Datzelfde kunnen we ook stellen voor een Hitler, maar ook voor een Winston Churchill. Het is opvallend, dat vele van de grote mensen in deze tijd op één of andere manier gefrustreerd zijn. Voorbeeld: Churchill is een gefrustreerde kunstenaar, die juist door deze frustratie en een hem in feite opgedrongen, door traditie opgedrongen militair-zijn langzaam maar zeker heerszucht ontwikkeld, waarbij hij zijn kunstzinnigheid dus probeert over te brengen op een ander terrein. In zijn redevoeringen vind je daar dan ook nog wel steeds fragmenten van terug.

Kijken we naar Hitler bv. Alweer iemand, die een erkenning zoekt die hij niet krijgen kan en die, wanneer hij die erkenning krijgt, zijn eigen onfeilbaarheid eigenlijk steeds meer ziet ontstaan als een reëel iets. Ik weet niet of bv. de naam Nixon u bekend is. Ook iemand, die dezelfde neiging heeft en die dus zover komt, dat hij zijn eigen sluwheid gaat aanzien voor genialiteit.

Daar hebben we ook weer zo’n aspect: de seksuele verhoudingen. De seksuele verhoudingen in deze maatschappij zijn voor een groot gedeelte op bezitsverhoudingen gebaseerd. Dat weten de mensen niet, maar dat is toch werkelijk zo. Want vroeger was het koppelen van een man en een vrouw in feite het samenbrengen van bezit, dus het scheppen van een grotere machtseenheid. Wanneer we dat in de oude tijd bekijken wordt dat heel erg duidelijk. Farao’s huwen vaak met vrouwen dus, die prinses zijn, alleen om daardoor binding tussen twee koninkrijken tot stand te brengen, of om een gijzelaar te hebben bv. Salomo had trouwens ook een dergelijke techniek.

Later zien we het burgerlijk huwelijk, zoals het in Frankrijk bv. bestaat. Daar gaat het om het samenvoegen van invloed of het samenvoegen van bezit en langzaam maar zeker heeft men dus, juist daardoor, het gehele probleem van de seksualiteit op de achtergrond geschoven.

Het ging om het samenzijn van mensen, terwijl men bedoelde het samenzijn van bezit. Dit voerde tot allerhande eigenaardige religieuze interpretaties, zodat er een vorm van kuisheid ontstond, die niets met de natuur en alles met kunstmatigheid te maken had. Dit gedragspatroon is die mensheid opgelegd en men heeft geloof ik, nog steeds niet in de gaten, waar de eigenlijke grens ligt.

In deze tijd zijn er heel veel mensen die als verzet tegen deze enorme gebondenheid voor een libertinisme stemmen. Libertinisme is alleen aanvaardbaar in een maatschappij waarin geen nakomelingschap is. Want de gezinsvorm heeft ten doel het nageslacht te beschermen, maar ook gelijktijdig in te leiden in de maatschappij. Dat kunnen we ook bij lagere diersoorten zien, dat is niets bijzonders. Instinctief is daarom een bepaalde periode van trouw noodzakelijk en wel totdat de jongen het nest verlaten. Datzelfde geldt ook voor de mens. Dat daarnaast dus geen reden bestaat om de seksualiteit te onderdrukken of te gaan zien als iets belangrijks. Ik geloof, dat dat duidelijk is zodra je de achtergronden van het hele seksuele gedrag van deze tijd bekijkt. Er is helemaal niets op tegen dat je met elkaar naar bed gaat, waarom zou je het niet doen, het is natuurlijk. Maar, wanneer je dat dus doet in een situatie, waarbij nageslacht daardoor in de verdrukking komt, de relatie tussen de ouders geschaad wordt dus, dan kun je dat niet doen. Want het nageslacht is in de seksuele verhouding, op een gegeven ogenblik het dominerende punt en blijft dat tot het uit kan vliegen. Dat betekent niet, zoals bij de mensen, dat je voor zo’n kind moet blijven zorgen totdat je zeventig bent. Of zoals die man van achtennegentig jaar zei tegen zijn zoon van achtenzeventig: snotjongen, kun je het niet eerst aan je vader vragen? Dat is typisch menselijk. Dan wordt het kind doodeenvoudig tot bezit gepromoveerd.

Het kind heeft op een bepaald ogenblik – dat is meestal het begin van de pubertijd – het vermogen, om zichzelf maatschappelijk te bewegen. En vanaf dat ogenblik houdt eigenlijk de verplichting van de ouder tegenover het kind, materieel gesproken op. Wat er aan geestelijke bindingen bestaat, behoeft niet door een gezinsvorm beschermd te worden, dat is er toch wel.

In deze maatschappij weten de mensen ook weer geen uitweg hier. Aan de ene kant weet men dus nu zo langzamerhand wel, dat nageslacht lang niet altijd het meest wenselijke is. Er komt een ogenblik dat nageslacht eigenlijk maatschappelijk eerder een belasting gaat betekenen dan een voordeel. En daar reageert de mens op. En bij die reactie zal hij een tijdlang beïnvloed worden natuurlijk door hetgeen hem aangepraat is. Maar ook dat verandert. Dan komt er dus een ogenblik dat een zekere mate van libertinisme eigenlijk normaal en onvermijdelijk is. Maar dan moet het ook uit de sfeer van de verborgenheid komen. Dat is heel gek. Was er vroeger iemand, die “De Lach” verkocht, in de tijd, dat “De Lach” nog tien cent kostte – “een dubbeltje beentjes” ook wel genoemd – dan verkocht hij dat van onder de toonbank. En omdat hij het van onder de toonbank verkocht, kochten veel meer mensen het, want ze dachten dat er iets verbodens in stond. Met andere woorden, met de verbodsclausules, met de in feite onjuiste poging, een bepaalde moraliteit tot stand te brengen, heeft men een attractie geschapen, die in wezen vaak tegennatuurlijk is.

Wanneer wij zien bv. – ik hoop dat u mij niet kwalijk neemt, dat ik ook dat er bijhaal – de copulatiepatronen, dan kennen wij daar allerhande patronen bij, bv. beleefdheidscoïtus, waarbij dus man en vrouw dus eigenlijk als een soort beleefdheid met elkaar gaan. Dat op zichzelf lijkt mij niet zo verschrikkelijk, maar wanneer nu die mensen elkaar gaan nemen, alleen om daardoor te bewijzen, wat ze waard zijn, dan vind ik het wel verschrikkelijk. Want dan wordt hier dus het seksuele gedrag als normbepalend beschouwd voor de werkelijk menselijke waarde.

Dat is een absolute vertekening van de werkelijkheid. Je betekenis voor de gemeenschap bestaat immers niet in datgene wat je in een bed kunt presteren, behalve misschien als je van koninklijken bloede bent. Neemt u mij niet kwalijk, dat ik het zeg, het is inderdaad zo. Vooral van koninklijke kinderen wordt verwacht dat ze verdere koninklijke kinderen voortbrengen. Als ze dat goed genoeg doen, dan zijn er altijd wel anderen, die ervoor zorgen, dat alles goed gaat. Het is geen kritiek overigens op uw Koninklijk Huis, dat ondanks en niet dankzij deze benadering toch grote mensen heeft opgeleverd, behalve de mislukkingen, waarover u ongetwijfeld niet zult spreken.

Ik geloof dat de neiging om te verbergen en daardoor de zaak eigenlijk onaantastbaar en attractief tegelijk te maken in uw maatschappij ook al een heel grote rol speelt.

In de moderne psychologie heeft men experimenten gedaan ten aanzien van kinderen, die dus normaal samen werden opgevoed en waarbij ook de seksualiteit zich normaal ontwikkelde. In die periode komt inderdaad een tijdje voor van zeg maar homoseksuele relaties tussen die kinderen, dat is gewoon een periode. Er komt een periode van zelfbevrediging voor, maar het verdwijnt allemaal. Maar wanneer je nu ziet wat er gebeurt in een gemeenschap, waarin die dingen strikt verboden zijn, bv. in bepaalde Engelse kostscholen, dan kom je vreemd genoeg tot de conclusie dat, wanneer hier die relaties ontstaan, onder een grote pressie dus, ze meteen in het ego verankerd zijn. Vanaf dat ogenblik is er een abnormaliteit gecreëerd die in de loop van het leven ten hoogste met erg veel moeite ongedaan kan worden gemaakt.

We moeten gewoon zien de normaliteit van de zaak. Wanneer men zegt: homoseksualiteit is verwerpelijk, dan ontkent men doodgewoon dat de attractie tot het eigen geslacht voor elk kind in een bepaalde periode van het leven domineert. Dat de meisjes de juffrouw aanbidden en de jongens de meester en niet de jongens de juffrouw en de meisjes de meester. Dat verandert pas wanneer het wat later is.

Wanneer we gaan kijken dus, hoe dat gedragspatroon tot stand komt, dan kunnen we ook begrijpen, dat naast de hormonaal veroorzaakte homoseksualiteit er vormen zijn van homoseksualiteit die in feite alleen door frustratie in de persoonlijkheid bestaat, waarbij die frustratie niet meer ongedaan kan worden gemaakt, geloof dat niet. En waarbij de neiging ook niet als een soort ziekelijkheid kan worden weggenomen. Ze kan hoogstens ten dele worden gecompenseerd. Dat komt allemaal voort uit de methode van benadering.

Wanneer je dingen geheimhoudt, dan maak je ze daardoor gevaarlijk. Dat is iets dat zouden heel veel staten moeten begrijpen, dan zouden er minder spanningen zijn in de wereld. Wanneer je de dingen openlijk zegt, dan kan er inderdaad conflict uit voortkomen, maar dan ontstaat er geen frustratie, omdat men weet, waarmee men te maken heeft. Men is in staat die zaken te overwinnen. Een vreemd verschijnsel in deze tijd is ook een toenemend sadisme en masochisme, dit bedoel ik dan niet alleen als een verschijnsel in de seksualiteit, maar zelfs in het gehele gedrag. Wanneer we rekening houden met het gedrag van bepaalde jeugd-gangs bv. dan komen we vreemd genoeg te staan voor een aantal jongelieden, die, juist omdat ze in hun jeugd nooit de mogelijkheid kregen zichzelf te zijn, nu gewelddadig worden en zichzelf als het ware alleen tevreden kunnen voelen, wanneer ze anderen doen lijden, wanneer ze anderen angst inboezemen. Dat is een zoeken naar eigen veiligheid, naar eigen geborgenheid. Niet zonder meer misdadigheid en zelfs niet zonder meer immoraliteit.

Aan de andere kant zien we dat er veel mensen zijn, die zich bewust of onbewust voortdurend in situaties brengen, waar hen lichamelijk of anderszins leed wordt toegevoegd. Dit leed en het zich daarover beklagen, schijnt voor hen een soort zijnsrechtvaardiging te zijn. Het maakt het voor hen mogelijk, hun eigen falen te aanvaarden juist omdat immers de ander schuld is. Het zijn krankzinnige situaties, zoals u begrijpt.

En wanneer we nog een stapje verder gaan, dan worden we geconfronteerd met – ik hoop, dat het voor u aanvaardbaar blijft – het feit, dat je paranormaal begaafden hebt. Want in de moderne psychologie zal men, nolens volens misschien voor velen de richting uit moeten van de parapsychologie. We ontdekken namelijk dat onder bepaalde condities begaafdheden ontstaan, die algemeen als niet-bestaand werden beschouwd, of ten hoogste als een goddelijke gave. Je kunt zeggen dat iemand de gave van profetie krijgt als God door hem spreekt. Maar het is wel vreemd dat iemand ook ineens kan profeteren als hij toevallig een balk op zijn hoofd heeft gehad. En het blijkt ook dat bepaalde profetieën, zij het dan misschien niet van direct goddelijke origine, door mensen, die door een ongeval getroffen worden, gedaan kunnen worden. Het is krankzinnig dat bepaalde telepathische begaafdheden door grote psychische spanning kunnen ontstaan of op kunnen treden wanneer een bijzondere uitputtingstoestand bereikt is.

We kunnen langzaam maar zeker een groot aantal van de zogenaamde geestelijke gaven althans releren met fysieke verschijnselen. En wanneer we dan, wat eigenlijk hier de kern is, dan blijkt het ook weer een begeerte te zijn, een manifestatie-behoefte, een behoefte om te zijn, om zich duidelijk te maken. Het is een verzet tegen een toestand waarin men verkeert, of een gebeuren dat men ondergaan heeft. Het is dit verzet dat in de mens iets wakker roept. Waarom?

Ik meen daarbij het volgende te mogen stellen. Dat is natuurlijk geen psychologie, dat begrijpt u wel. De mens is geest naast stof. Normalerwijze brengt hij – bewust of onbewust – een scheiding tussen deze beide aan. Datgene wat van de geest is, hoort thuis in de kerk, in het klooster of op de séance en de rest, de materie die hoort dan thuis wanneer we in het leven zijn. Die scheiding van de persoonlijkheid in verschillende delen is m.i. veel sterker geworden toen men geconfronteerd werd met de kerkelijke gezagsverhouding. Op het ogenblik dat de profeet in de kerk aanvaard kon worden, was profeteren iets wat normaal was. Het kwam veel voor en men nam de belangrijkheid daarvan ook niet zo erg au sérieux, men ging wel eens kijken wat ervan terechtkwam. Op het ogenblik dat de kerk begint de profeet uit te sluiten, is er voor hem nog maar één mogelijkheid; hij moet met zijn begaafdheid zich verzetten tegen het geheel en dat betekent dat zijn gehele zijnsinhoud wordt geprojecteerd in die gave ofwel moet hij het onderdrukken. Onderdrukken brengt de grootste zekerheid en is dus hetgeen het meest voorkomt.

Nu behoeven we hier niet te gaan spreken over de heksenvervolgingen en dat soort dingen, de inquisitie. Ik dacht dat die dingen eigenlijk bijkomstig zijn. Belangrijk is wel de pressie van de gemeenschap. Wanneer je in staat bent om iets te doen wat een ander niet kan dan pas je niet in de gemeenschap. Je wordt er buiten gezet. Daardoor hebben de mensen hun geestelijk leven langzaam maar zeker als het ware geheel afgezonderd van hun stoffelijk bestaan, hun materiële acties en mogelijkheden en komen ze er niet alleen niet toe om ze te gebruiken, maar ze komen er ook zelfs niet toe om ze in zichzelf te erkennen. Daardoor is er een kunstmatige scheiding tot stand gebracht, die door een bepaalde psychische schok of door een uitputting, waardoor inderdaad ook begrenzingen in het bewustzijn verzwakken, dan overbrugd kan worden.

Maar als wij in de moderne psychologie willen proberen de mens te vinden, dan kunnen we dat niet doen door te verwaarlozen wat hij aan mogelijkheden heeft. Hoe komt het dat zoveel mensen een licht telekinetische begaafdheid hebben? Wanneer we nagaan hoe het komt, dan is het in feite een vorm van concentratievermogen, de rest geschiedt automatisch.

  • In welke vorm?

Nu, neemt u bv. de dobbelaar, die dus met grote concentratie en een zuivere voorstelling van hetgeen hij wil werpen, werpt en haalt een gemiddelde juist dat ver boven het toeval gemiddelde ligt. Iets, wat bewezen is, hoor. Ik dacht dat dit duidelijk genoeg was.

We hebben hier dus kennelijk met iets te maken dat we aan de mens toe kunnen voegen. En nu is het misschien erg vermetel van mii om, terwijl er zoveel wetenschappelijke werken geschreven zijn over die dingen in de laatste tijd, om hier een eenvoudig beeld te geven van wat volgens mij noodzakelijk is. Ik geloof, dat de mens moet worden aangemoedigd om zijn geestelijke bekwaamheden praktisch te gebruiken. Ik geloof dat de grens, die ligt tussen wat normaal en paranormaal moet zijn, dient te worden weggenomen, allereerst in het voorstellingsvermogen van de mens. Hij moet begrijpen dat het paranormale niet bestaat, dat het alleen een vorm van het normale is. Men moet dus zijn norm begrip een beetje wijzigen.

In de tweede plaats moet men de mens duidelijk maken dat hij vaak door het gebruik van die paranormale kwaliteiten in staat is zijn frustraties te voorkomen of op een normale wijze af te reageren. Hij krijgt een totaal nieuw leefgebied erbij, waarin hij zijn territoir veel gemakkelijker kan handhaven en dat hem bovendien in staat stelt om dus alle reacties van anderen zuiverder te beoordelen en daardoor ook harmonischer in die gemeenschap samen te gaan.

Ik meen verder dat de mens eerst zijn maatschappij zal moeten hervormen voor hij zichzelf kan hervormen. En ik meen niet dat de psychologie in staat is daartoe veel bij te dragen, zolang zij zich blijft baseren op het bereiken van aanvaardbaarheid voor de geldende norm. Ik geloof dat de psychologie zich los moet maken van het maatschappelijk geheel. Dat zij niet moet verworden tot een massapsychologie die, op de eenling toegepast, hem weer een aanvaardbaar deel van de massa maakt. Ik meen dat zij zich eerder moet toespitsen op het duidelijk maken aan de mens zelf waar zijn mogelijkheden liggen, waar zijn frustraties liggen en wel op een wijze, waardoor hij zelf tot die constatering komt, zodat hem niet een schema wordt voorgelegd.

Zodra de psychologie probeert uit te gaan van de gekende normwaarde, dan faalt ze. Een van de meest bekende voorbeelden is van die directeur, die wel eens wilde weten hoe het nu eigenlijk stond met alle mensen in zijn bedrijf. Hij liet dus nagaan, wie psychologisch voor zijn taak wel en wie daarvoor niet geschikt was. Hijzelf was het minst geschikt voor directeur. Daardoor had hij het zo ver gebracht, maar dat stond er niet bij. Dat zijn heel typische dingen dus.

Wij moeten begrijpen: het gaat er niet om, om iets in de termen van een norm uit te drukken. We moeten begrijpen dat het erom gaat om de enorme frustratie en de gespletenheid, die in het individu bestaat zoveel mogelijk ongedaan te maken. Wanneer we dat kunnen doen en de mens kunnen leren om zichzelf te zijn en niet alleen maar om zich aangepast te gedragen, dan zullen we ook komen tot een maatschappijverandering. Ik zou u daarvan een paar voorbeelden kunnen geven, als u dat interesseert.

In Duitsland bestaat sedert een jaar of acht een psychologisch experiment. Onderricht. Men heeft het nu de laatste tijd ook op een paar scholen meer openbaar willen toepassen, maar dat is nog niet zo goed geslaagd. Het ging hierbij dus om de totaal vrije opvoeding van kinderen, ook binnen een bepaald onderwijsschema. Daarbij bleek in de eerste plaats dat door deze vrijheid in de periode die normalerwijze aan dressuur is gewijd, de persoonlijkheid rustiger werd, evenwichtiger, dat het feiten absorptievermogen aanmerkelijk hoger lag dan bij kinderen die normaal werden opgevoed. Maar enkele van deze jonge mensen beginnen nu in de maatschappij te komen. En het vreemde is hier dat zij – hoewel zij totaal anders zijn opgevoed – zich kunnen aanpassen aan alles, behalve aan één ding: de uitspraak van het gezag.

Van die jongelui zijn er op het ogenblik een stuk of negen, die militaire dienst zouden moeten vervullen. Ze zijn, als daarvoor niet geschikt, afgekeurd. De reden was dat zij een bevel, wanneer het hen redelijk scheen, uitvoerden op hun eigen wijze en niet inzagen waarom het noodzakelijk was dat op een minder rationele wijze te doen.

Ja, dat is natuurlijk iets wat voor een militair erg frustrerend werkt dat begrijpt u. De militair is iemand – dat is ook een psychologisch verschijnsel – die zich inkapselt in een eigen maatschappij met een zodanig vaste ordening, dat zijn eigen positie en gezag voortdurend onaantastbaar zijn door een principe en zijn eigen verdiensten en mogelijkheden eigenlijk pas op de laatste plaats komen. Door zich in te voegen in het schema, dus daar volledig aan te binden, maakt hij zichzelf onaantastbaar. En elke aantasting van het systeem, dus ook van zijn eigen waardigheid, is een aantasting van zijn totale zekerheid en daarvoor onverdraaglijk. Dat is dus ook de reden dat men bepaalde ontwikkelingen in de legers – bv. in Nederland – eenvoudig niet kan nemen. Een democratisch leger is niet denkbaar. Dat lijkt u misschien vreemd, een democratische strijdmacht wel. Maar een leger is iets dat gebaseerd is op een ordening, die op vastgelegde gezagsverhoudingen gebaseerd is, waarbij de hiërarchie inhoudt dat eenieder, die lang genoeg erbij blijft, op den duur de top bereikt.

Een ander beeld, dat er enigszins op lijkt, vinden we in de bureaucratie, waar ook een dergelijk systeem vaak functioneert. En deze mensen kunnen elk verschijnsel dat een aantasting is van hun eigen gezag of van het systeem niet aanvaarden, want dan valt hun zekerheid weg.

Het is de mens, die zichzelf tot het uiterste conditioneert, omdat hij in deze conditionering zekerheid vindt plus een mogelijkheid tot agressieve zelfuiting tegenover anderen.

  • Een officier, die bij de generale staf komt, die wordt toch door zijn bijzondere opleiding en zijn bijzondere gaven boven de anderen verheven, dus ik zou zeggen….

In de eerste plaats zou ik graag willen opmerken, dat, zowel zijn bijzondere gaven als zijn scholing bepaald worden door zijn meerderen. Niet dus door buitenstaande machten.

  • Dat is bij ieder mens.

Dat geldt niet voor iedere mens. In een maatschappij geldt dit als geheel namelijk niet, niet noodzakelijkerwijze althans. Binnen de legerorganisatie wel. U begrijpt wel, wanneer dus iemand arbiter moet spelen over juist en onjuist, er de vraag komt, wie dan moet arbitreren over zijn beslissingen. In een leger valt dit gewoon weg. Er is dus wel een politiek, een poging, om zoveel mogelijk aanvaard te worden, als geheel en als persoon ook, vandaar ook dat vele militairen in hun normaal gedrag erg prettige mensen kunnen zijn. Dat is hun behoefte om aanvaard te worden. En die aanvaarding hebben ze niet helemaal nodig en daarom kunnen ze ook veel incasseren vaak. Maar degenen die bepalen wat hun waardigheid is en hun rang, dat zijn degenen, die boven hen staan.

  • Maar waar is dat niet zo?

Nu, bv. is dat niet zo in de gewone maatschappij, waarin de mens niet gebonden is aan een bepaalde arbeidsverhouding. Om u een voorbeeld te geven: een medicus kan bekwaam zijn of onbekwaam. Maar hij zal werkelijk moeten presteren, wil hij dus als geneesheer een goede reputatie krijgen. Een advocaat kan dus alle wetten van buiten kennen, zich precies gedragen, zoals dat gevraagd wordt, maar dat betekent nog niet dat hij succes zal boeken. Daarvoor heeft hij bepaalde persoonlijke kwaliteiten en eigenschappen nodig. Als het erop aankomt, blijkt dat zijn wetskennis een instrument is, waarvan hij zich bedient en niet zijn raison-d’être. Dat is bij de militair wel zo. Bij de militair is het voorschrift zijn raison d’être, de zin van het bestaan. Ik hoop dus dat u mij dit niet kwalijk neemt. Ik zeg niets militair, ik wijs op een verschijnsel.

En dit verschijnsel wordt gereproduceerd vaak in grote maatschappijen. Menig concern kent dus een hiërarchische verhouding en een gehoorzaamheidseis en een reeks voorschriften, waardoor je daarin alleen verder kunt komen op de manier als in het leger, volledig beantwoorden aan hetgeen je meerdere van je vergt. En ik geloof, dat daarin het grote gevaar is gelegen. Een leger is gevaarlijk, omdat het zijn eigen interne maatstaven, gebaseerd in feite op de behoefte de zekerheid te verwerven en daarmee de agressie tegenover allen, wordt overgedragen op de gemeenschap, waarin men leeft. Men grijpt naar de macht om alles aan de normen van het leger aan te passen. En datzelfde zien we bij het concern. Het concern is eveneens een in zich tijdig gerichte instelling, zo goed als het leger, maar het zal vaak trachten zichzelf te gedragen als arbiter over de samenleving en de gehele samenleving dezelfde waarden en waarderingen op te dringen die dus in het concern zelf bestaan. De onaanvaardbaarheid hierbij is, dat de vrije ontwikkeling van de mens onmogelijk wordt gemaakt en dat daardoor zijn frustraties, zijn onzekerheden en zijn agressies in feite toenemen, hetwelk dan echter volgens de voorschriften wordt uitgeleefd.

Het is niet zonder meer onverklaarbaar – ik hoop niet, dat ik te lang praat – bv. een typisch voorbeeld: hogere directeuren e.d. zijn wel veeleisend tegenover hun directe ondergeschikten, maar zeer mild tegen de lagere ondergeschikten. Wie zijn degenen, die het hardst optreden in een volledig georganiseerd leger? Dat zijn de sergeants. De sergeants en de korporaals. Hoe komt dat? Omdat die verantwoordelijkheden krijgen opgelegd, die in feite hun meerderen toekomen en voor het falen aansprakelijk worden gesteld. Zodat zij hun gefrustreerd zijn en hun onvermogen zich te wreken op de meerdere omzetten in een onjuist gedrag tegenover de mindere. Dat is de laatste tijd wel wat minder geworden, in uw land zeker, maar het is toch nog iets dat overal bestaat.

Hetzelfde zien we ook weer in de grote concerns, in de grote maatschappijen, we zien hetzelfde in departementen bv. degenen, die het meest onaangenaam zijn tegenover hun minderen zijn degenen die verantwoordelijkheden te dragen krijgen van hun meerderen, die in feite vaak niet eens bekwaam zijn om deze te dragen. Daar zit dus dat hele frustratiepatroon aan vast.

Ik ben bang, dat ik langzaam maar zeker in een maatschappelijke beschouwing verzeild ben geraakt, maar dat was eigenlijk niet mijn bedoeling. Maar de achtergronden ervan behoren toch, naar ik dacht wel degelijk tot die fenomena, waarmee de moderne psychologie zich bezig moet houden. Je kunt – en daarmee wil ik dan dit eerste gedeelte besluiten – nooit en te nimmer een mens beter maken en veranderen door het hem onmogelijk te maken zichzelf te zijn en te uiten. Maar je kunt wel elke mens in een positie brengen, waarbij hij zijn uiting, zijn persoonlijkheid en zijn zekerheid vindt door datgene wat hij met anderen gemeenschappelijk heeft. Moderne psychologie wijst m.i. in een richting waarin juist de gemeenschappelijkheid van waarden, met een grote vrijheid van persoonlijk gedrag zonder dwang, voeren kan tot een minder agressief, meer evenwichtig beeld van de mens en een gedrag, dat uiteindelijk gebaseerd is op de gemeenschap, omdat het individu slechts in de gemeenschap het begeerde bestaan en de begeerde zekerheid kan vinden. Maar gelijktijdig zichzelf zijnde daarbij een voortdurend wisselende eigen plaats binnen die gemeenschap kan vinden.

Misschien heb ik sommigen van u teleurgesteld op een gegeven moment. Ik ben begonnen met een paar voorbeelden, ik ben erin gestikt. Dat is iets wat meer voorkomt, dat is ook een psychologisch effect. Op het ogenblik dat je niet de theorie zoekt, kom je in een reële problematiek terecht, die dan zodanig het ik in beslag neemt, dat men de theoretische achtergronden uit het oog verliest en daardoor misschien wel meer bruikbare, maar voor de theoreticus minder aanvaardbare uitspraken en gevolgtrekkingen te berde brengt. Wanneer ik dat gedaan heb, vrienden, hebt u na de pauze alle gelegenheid, om me daarop te wijzen.

 Tweede deel

Ik zou nu willen beginnen met de vragen en commentaren, betrekking hebbende op het onderwerp eerst en als we nog tijd over hebben, misschien nog andere. De schriftelijk binnengekomene graag eerst.

  • Is het renovatieproject van Ko van Calcar (gelijke kansen voor iedereen) zinvol voor de lagere sociale milieus?

Nu, ik geloof het niet. Op het ogenblik dat je lagere sociale milieus hebt, krijg je dus de neiging om het lagere milieu te maken tot een standaardwaarde en op het ogenblik dat dat gebeurt, is wel een zekere revaluatie van dit milieu mogelijk, maar dat gaat alleen ten koste van de werkelijke mogelijkheden van het geheel.

  • Maar hoe zou je dat dan anders moeten opvangen?

Ik geloof dus, dat je het moet opvangen door niet het milieu veranderen, maar de mensen in het milieu mogelijkheden te geven. Dat is dus een benadering, waarbij je uitgaat van de mogelijkheid van het individu en niet van het milieu als zodanig, waarbij dus langzaam maar zeker steeds meer mensen naar een ander milieu evolueren, waarin de mogelijkheden groter zijn. Omdat het lagere milieu in zichzelf dus wel van uiterlijke waarde kan veranderen, maar daarbij een bepaalde mentaliteitskwestie onveranderlijk is, juist door het feit, dat het als milieu behandeld wordt. Ik weet niet, of u dat begrijpen kunt zo.

  • Een soort van Montessori systeem dus?

Nu, Montessori? Ja, misschien wel. Ik geloof in zelfwerkzaamheid en daarbij dus steun om je problemen op te lossen, maar gelijktijdig ook de noodzaak om het zelf te doen. Dus geen gratis verstrekkingen, Het klinkt misschien erg gek om het zo te zeggen, geen gratis verstrekkingen, geen gratis morele raad, die bij wijze van spreken wordt opgedwongen, maar doodgewoon de mogelijkheid om mee te doen. En dan maar zelf kijken wat je ervan maakt. Dan geloof ik dat, zeker gezien de ontwikkeling zoals die op het ogenblik ligt en de tendens zoals deze geprojecteerd kan worden, zeg op de volgende eeuw, het lagere sociale milieu langzaam maar zeker niet meer bestaat. Dat ook het elitair systeem dat in deze maatschappij heel erg sterk is, verdwijnt en daarvoor in de plaats komt één milieu, waarin prestatienorm bepalend kan zijn voor status, zonder dat het overigens bepalend is voor bezit, beloning en dergelijke. Ik geloof dat het zelf nemen van een risico beloond zal worden, maar dat deze beloning eerder zal bestaan in een grotere mogelijkheid binnen een bestaand milieu dan in een bezit, waardoor je in feite van het milieu vervreemd.

  • In Australië vind je dat al sterk, dacht ik.

Ja, maar de Australische maatschappij is op dit moment dus niet één geheel. Australië kent enerzijds de typische stadmaatschappij met zijn typische groepsvorming, waarbij de underdogs zich natuurlijk als zodanig adverteren en dus proberen op de voorgrond te komen en daarnaast een zeer grote ruimte, waarin het individu inderdaad zijn eigen mogelijkheden tot ontwikkeling heeft. Maar deze twee dingen lopen naast elkaar en zijn dus niet één geheel en komen steeds sterker, dat kunt u in de komende dagen ook wel zien, denk ik, met elkaar in conflict.

  • Het systeem van Rudolf Steiner, is dat aan te bevelen?

Het was mij niet bekend, dat er een psychologische benadering bestond op grond van het systeem van Rudolf Steiner, maar ik zou zeggen Steinerisme is in feite een op feiten, althans deels op feiten gebaseerd mysticisme en kan als zodanig in systemen wel gebruikt worden om een bepaalde benadering te vinden, zonder dat er een systeem uit kan worden afgeleid, dat in zich volledig goed en juist is, omdat het altijd zijn mystieke basis behoudt, waaraan je je dus niet geheel kunt onttrekken. En daarmee dus geneigd is tot een dogmatisme, dat beperkend is voor elke ontwikkeling.

  • Een onderzoek naar zgn. flatneurose, gehouden door twee sociaalpsychologen Reverda en Dantzig wijst uit dat neurotisch gedrag van hoog- en laagbouwbewoners geen belangrijke verschillen zijn te constateren. Wat is Uw reactie hierop?

Mijn reactie heb ik in feite al gegeven in mijn inleiding. Er is wel degelijk een sterke afwijking te zien en deze afwijking ligt o.a. in bepaalde vormen van agressie, grotere isolementsneiging in bepaalde lagen van de flatwoningen, daarnaast ongetwijfeld ook grotere gezinsspanningen in deze zelfde lagen. Ik geloof dat men over het hoofd heeft gezien dat het niet alleen gaat over het neurotisch gedrag ten aanzien van een bepaald aspect, maar dat het geheel van de neurotische spanningen, de daaruit voortkomende agressie en al wat daarbij behoort, afzonderlijk zou moeten worden gewaardeerd. Het is duidelijk dat in deze maatschappij eenieder die zegt dat flats geen neurosen veroorzaken, welkom zal zijn, want de oplossing die men gevonden heeft voor deze maatschappij is kinderbijslag en stapelplaatsen voor mensen. Maar ik geloof niet, dat dat de juiste oplossing is.

  • Dus volgens U moet dat onderzoek herwaardeerd worden?

Volgens mij moet het onderzoek vanuit andere maatstaven opnieuw gaan worden.

  • Maar kent U het onderzoek dan?

Er zijn mij enkele feiten van het onderzoek bekend, niet alle. Ik kan namelijk niet alles op uw wereld zonder meer volgen, dat zult u begrijpen. Dan zou ik trouwers in de geest in een gekkenhuis terecht moeten komen. Wij hebben geen gekkenhuizen, maar wij vinden wel mensen vaak gek. Ik vind namelijk dat onderzoek dermate geposeerd in een bepaalde richting, dat door het onderzoek met bepaald vooropgesteld doel, eigenlijk automatisch een uitkomst wordt verkregen in overeenkomst met de vooropgestelde opinie. Dat is een van de nadelen van de moderne wetenschap. De mensen onderzoeken datgene wat ze bevestigd willen zien op een zodanige wijze, dat ze de bevestiging vinden. Een hernieuwd aanpakken van dit onderzoek en dan vooral in die gemeenschappen dus, waar flatbouw domineert, in een voorstad van Amsterdam bv., dat dat dus inderdaad kentekenend zou zijn, zeker wanneer men dan niet het vergelijk zou trekken met de mensen, die daar in een laagbouwwoning vlak naast wonen, maar gewoon zo kijken, wat hebben we te maken met een gemeenschap, waarin die laagbouw overwegend is. Ik zou bv. Hilversum tegen Bijlmermeer willen afwegen. Dan kunt u zeggen: dat zijn twee verschillende omgevingen, dat is inderdaad waar. Maar wat zijn de bepalende factoren in die omgevingen? Die kunnen gemakkelijk zonder meer omschrijven en dan komen we tot een héél groot verschil.

  • Zal de moderne psychologie erin slagen onze maatschappij in harmonische zin te veranderen, zolang zij de werking van de goddelijke vonk in de mens blijft ontkennen?

Ik geloof, dat zij dit niet werkelijk doet. Maar ik geloof dat zij tamelijk realistisch is, en dat is elke wetenschap. Men zegt, die goddelijke vonk is er wel, maar we weten er niets van af, dus daar kunnen we ook geen rekening mee houden. Ik geloof dat het introduceren van een aantal onbekenden in een vergelijking, wanneer geen mogelijkheid is die daardoor te definiëren en op te lossen, onjuist is. En als zodanig geloof ik dat de moderne psychologie niet de maatschappij zal kunnen veranderen, maar dat zij met het omschrijven van aspecten van die maatschappij, de mens beter bewust zal kunnen maken van zijn werkelijke relatie met die maatschappij en hem daardoor m.i. ook bewuster zal maken op den duur van de goddelijke vonk, die in hem leeft. Want alles hangt samen. Ik geloof dus niet dat het noodzakelijk is om van een zeeppoeder te beweren dat het witter wast dan wit, om het te gebruiken om de was te doen. Met andere woorden, ik geloof niet dat de aanbevelingen en de propagandatermen noodzakelijk zijn om iets wat aanwezig is, nog eens extra te bewijzen en te stimuleren. Ik geloof dat, wanneer je gewoon werkt met hetgeen je hebt, alle bestanddelen als vanzelf alle bestanddelen daarin mede tot gelding zullen komen. En in al wat met het menselijk leven samenhangt, dat met alle leertrant samenhangt, schuilt de goddelijke vonk en dat betekent dat naarmate de mens meer leert om te leven, zijn leven bewust en harmonisch op te bouwen, te weten waar hij aan toe is, als vanzelf ook geconfronteerd zal worden met de grote onbekende, die we de goddelijke vonk noemen, met die waarde in zichzelf, die hij dan ook steeds meer als zodanig gaat erkennen. Ik geloof dat dat onvermijdelijk is.

Maar dat is een kwestie van een heel lang bewustwordingsproces en je kunt niet verwachten dat de moderne psychologie zichzelf ontdoet van haar wetenschappelijke betekenis door in wezen een praktische geloofsfilosofie te worden, waardoor ze zich dus op hetzelfde peil gaat brengen van de theologie – het is toch al een pseudowetenschap voor een groot deel – en daarmede dus zichzelf vervreemdt juist van de mens, die deze psychologie het meeste nodig heeft. De mens dus, die materieel is ingesteld.

  • Hoe ziet U de verhouding: “onderwijs als vrije zelfactualisatie” en “onderwijs als aanpassing aan de maatschappij”

Nu, ik zie de verhouding ongeveer als volgt: Op het ogenblik dat de maatschappij voor en door de mens bestaat en niet meer vanuit de mens voor een bepaald deel van de mensheid, dan zal een zelfactualisatie, een zelfverwezenlijking ook middels het onderricht, ook de meest juiste benadering zijn. Zolang de maatschappij echter gebaseerd is op de voorrechten van bepaalde groepen, is het logisch, dat het onderwijs een grote mate van dressuur zal moeten inhouden, omdat het immers aanvaardbaar moet maken wat reeds bestaat en gelijktijdig een conditionering moet betekenen, waardoor het bestaande zich verder kan handhaven.

  • Maar dan krijg je toch nooit, een verandering? Je kunt de maatschappij toch alleen maar veranderen via het onderwijs? Door dus niet aan de maatschappij aan te passen?

Ik geloof dat dat onjuist is. Ik geloof, dat het onderwijs pas dan veranderen kan, wanneer de maatschappij verandert. U moet heel goed begrijpen dat wanneer je het onderwijs verandert zonder dat de maatschappij verandert, er door degenen, die het onderwijs gevolgd hebben, steeds groter spanning ontstaat, waardoor zij zelf ook op den duur alle voordelen, als evenwichtigheid, grotere vermogens vaak ook die zij door dat onderwijs hebben gekregen, zullen verliezen, ofwel zich zullen opwerken tot de dominerende groep, die dan echter de neiging heeft om de anderen in een meester-slaaf verhouding te dwingen. Want deze maatschappij is gebaseerd op een meester-slaaf verhouding. Ook wanneer wij niet meer spreken van slaven. We spreken van democratie. Maar een democratie betekent in uw tijd nog steeds dat en bepaalde kaste uitmaakt, wat u kunt weten, waardoor wordt uitgemaakt wat u zou kunnen kiezen, waardoor bepaald wordt wat er werkelijk verwezenlijkt wordt, ondanks het feit dat u iets anders gekozen hebt. Dus we moeten eerst in de maatschappij de benadering en de mentaliteit veranderen. Het onderwijs moeten we aanpassen aan de optimale mogelijkheid tot vrijheid die de maatschappij biedt. Maar wanneer we verder gaan scheppen we alleen maar een conflict, zowel voor de kinderen die het onderwijs gevolgd hebben als voor die maatschappij, En dan veroorzaken we niet een gezonde revolutie maar een botsing, waardoor we dus alleen een andere partij aan de top krijgen, maar waarbij de werkelijke verandering tot broederschap onder de mensen niet verder gerealiseerd wordt.

  • Denkt U dat de parapsychologische werkgroep te Utrecht enige klimaatverandering tot stand kan brengen? Hoeveel procent van de mensen weet of gelooft er eigenlijk in een hiernamaals of reïncarnatie?

U vraagt hier twee dingen. In de eerste plaats: deze werkgroep in Utrecht is mij niet volledig bekend. Zo ver ik na kan gaan, heeft zij wel bijgedragen tot een aanvaarding van de paragnost, zij het meer als een psychologisch helper van de medicus dan als een zelfstandig genezer. Ik geloof wel dat ze daardoor een betere integratie van bepaalde paranormale verschijnselen in de maatschappij helpt bevorderen Ik geloof niet, dat ze daarbij uiteindelijk van beslissend belang zal zijn.

Wat betreft degenen die geloven in het hiernamaals en eventueel reïncarnatie? Alles samenvattend op deze wereld kunnen we zeggen: in de beschaafde maatschappij gelooft werkelijk eraan ongeveer tien tot twaalf procent. Voorgeven eraan te geloven ongeveer 65 tot 70%. Maar er is een verschil tussen een werkelijk geloof en een iets aanvaarden terwijl het gepaard gaat met inwendige twijfels. Wanneer we de niet-beschaafde wereld nemen, dan moeten we zeggen dat het geloof in het hiernamaals eventueel ook dus de reïncarnatie aanmerkelijk groter is en dat het voor de wereldbevolking dus komt op een percentage van 63% dat daaraan gelooft en dat het resterend percentage voor een groot gedeelte toch wel vormen van denken belijdt, zij het zonder innerlijke deelname, waarbij iets dergelijks als mogelijk wordt gesteld.

  • Het is mij nog helemaal duidelijk hoe U zich dat voorstelt, dat de psychologie mee zou kunnen werken aan een verbetering van deze maatschappij.

Nu, dat zal ik u vertellen. De psychologie schept kennis. Kennis, die zij schept ten aanzien van de processen die zich in de mens afspelen, maken het mogelijk de mens met zichzelf te confronteren. Ik geloof niet dat we daarbij veel zullen hebben aan de behandeling op de psychiatrische couch, ofschoon het natuurlijk een goed inkomen is voor menige psychiater. Ik geloof dus wel dat de samenhang beter begrepen zal worden tussen bv. lichamelijke defecten en de geestelijke spanningen. Dat daardoor o.m. – en dat zal een van de belangrijkste punten zijn van de moderne psychologie – het mogelijk wordt, de mens in omstandigheden te brengen, waarin hij gezonder en dus aangepaster en gelukkiger kan leven. Ik geloof daarnaast dat de erkenning van de motivatie van de mens in zijn gedrag, de mogelijkheid schept om dit gedrag ook te beheersen. Ik spreek dus niet eens over een veranderen. Maar het onbeheerste in de mens beheersbaar maken, dat lijkt mij de belangrijkste bijdrage die de psychologie kan leveren in deze tijd.

image_pdf