Moed en angst

13 november 1955

We hebben voor u een spreker die een verhandeling zal houden over moed en angst.

Het is inderdaad een lezing, die alle magische kwaliteiten in zich draagt, die ook voor uzelf en uw ontwikkeling van belang kunnen zijn.

De spreker zelf heeft zeer lang geleden in China geleefd.  Moed en angst zijn twee factoren, die, meer dan men zich over het algemeen realiseert, met elkaar verwant zijn.  Het zijn ook twee factoren waarvan we kunnen zeggen dat zij het leven van de mens – stoffelijk en geestelijk- voor een zeer groot gedeelte beheersen.  Waar juist in ons leven – daar wij esoterisch bewust willen worden – waar wij magisch werkende, een groter deel van het Goddelijke licht door onszelf in de wereld willen brengen, dus beide noodzakelijk zijn, verzoek ik uw aandacht hiervoor.  Deze dingen zijn zo veelbetekenend voor ons allen, dat we ons eenvoudig niet kunnen permitteren de bijzonderheden hierover terzijde te leggen.

Op deze twee gegevens: moed en angst, is indertijd door meester Tsoe een hele filosofie opgebouwd, die het leven van de mens geheel tot uitdrukking bracht.  Nu zal Tsoe Ei Lan, die vandaag tot u spreekt – een leerling van meester Tsoe – ongetwijfeld mede versleuteld, enkele van de grote wijsheden van Tsoe ook verwerken.  Het is echter noch mijn taak om U deze sleutels te ontrafelen, noch naar ik aanneem de bedoeling van de spreker zelf om U deze dingen voor te leggen in een klare, en voor ieder begrijpelijke vorm.  Degene die ze begrijpt, begrijpt ze en houdt ze voor zich.  Degene, die ze niet begrijpt, ach, die zal erlangs heen horen en desnoods ook langsheen lezen.  Die zal niet begrijpen wat de betekenis is.

Gastspreker

Moed en angst zijn twee paarden, die de wagen van het leven voortbewegen.  Moed en angst zijn aan elkaar verwant en geboren uit dezelfde moeder: de drang tot leven.  De moed is eigenlijk een kort moment, waarin de angst zichzelf meer vreest dan al het andere, dan het gevreesde.

Wij leven allen – geestelijk en stoffelijk – voortdurend in de ban van de vrees.  Onze angst is een wijze van denken: een voorhand ons voorstellen van wat de dag van morgen brengt, van hetgeen wij zullen lijden, van hetgeen wij in het leven moeten ondergaan.

Wanneer een mens, zoekend naar bewustzijn, voor de eerste keer in de eenzaamheid gaat, dan zal hij uitroepende tot de demonen, de demonen vrezen.  Want hij kent de demonen niet.  En de demonen niet kennende, bouwt hij voor zichzelf een structuur van verschrikkingen op, die hij moet ondergaan.

Hij vreest echter het onbewust zijn meer dan al hetgeen als  angst uit zijn bewustzijn voortgekomen, hem ondergang en lijden voorspiegelt.  Zij is degene die inwijding zoekt, moedig en beangst tegelijk.  Het is het probleem van alle inwijding, van alle leven, van alle scholing.

Wij denken onszelf graag moedig en menen dat we moed kunnen noemen ” het-niet-bewust-zijn ” van gevaar, het zonder na te denken verdergaan, het a.h.w. het onbewust leven en reageren.  Doch, kan men zeggen dat een dwaas moedig is?  Moed kan dwaas lijken in de ogen van een ander.  Maar een dwaas kan niet moedig zijn.  Een dwaas is laf, altijd.  Omdat een dwaas altijd datgene doet, wat hij gevaarloos denkt te kunnen doen.  En wat men zijn moed noemt, komt voort uit zijn niet-weten, zijn niet-bewust-zijn van gevaar.  Wij, zoekende naar inwijding, zoekende naar bewustzijn, moeten veel leren over de wereld.  Veel leren over het leven.  Veel leren over elke sfeer, die er bestaat.  Dit weten draagt in zich het bewustzijn van de grote gevaren, die ons telkenmale weer bij elke daad, bij elke handeling, bedreigen.

Het bewustzijn dat wij verwerven, betekent: sterker en beter inzicht verwerven in alle lijden op de wereld.  In alle lijden dat er bestaat in en buiten de mensen.  Een ingewijde is een mens die grote angsten kent.  Een zoeker naar de waarheid, die de waarheid reeds gevonden heeft, is de meest angstige onder alle geesten en alle mensen, want hij kent de gevaren en vreest ze.  Hij is ook moedig.  Want, de gevaren kennende en vrezende voor wat ze hem kunnen brengen, gaat hij verder, omdat het doel hem heiliger is dan zijn eigen wezen.

Angst is een noodzaak.  Wanneer we onverwacht komen te staan voor een probleem van het leven, voor de noodzaak iets te verloochenen of iets te ondergaan  en zijn we onvoorbereid, dan kunnen we falen.  Maar wanneer we eerst de angst hebben gekend, wanneer de vrees in onze geest en lichaam heeft opgewoeld en opgejaagd, dan brengen wij zelf het geestelijk bewustzijn, de lichamelijke stimulans voort die noodzakelijk zijn om moedig te blijven.

Al werd dit niet gezegd in mijn tijd, toch zou ik kunnen zeggen: Angst is de moeder van de ware moed.  Uit angst wordt de moed geboren, de ware, zichzelf verloochenende en toch zuiver alle waarden afmetende moed, die u in staat stelt om elke kracht des kwaads te overwinnen.

Een mens die de krachten des kwaads niet vreest, is een dwaas.  Een dwaas kan niet moedig zijn.  Een mens, die de demonen in de geestelijke sferen niet vreest, is een dwaas.  Want hij weet niet wat zij betekenen.  En in zijn on-bewustzijn, zal hij stoffelijk en geestelijk, verkeerd handelen.  Wij moeten ons wel degelijk de afschrikwekkende aspecten van leven in geest en stof voor ogen stellen.  Wij mogen vrezen voor onze eigen tekortkomingen.  Wij mogen vrezen voor een wereld, die zo groot en zo sterk is.  Want slechts wanneer wij de angst in onszelf ervaren, hebben we iets van de waarheid gevonden.

Een mens zendt zijn geest uit naar een andere wereld, een andere sfeer, een andere plaats.  De mens, die dit doet zonder zich te realiseren hoe groot het gevaar is, die gaat uittreden.  En komt het gevaar, dan zal hij aarzelen.  Niet, omdat hij moedig is, maar omdat hij niet weet, hoe groot het gevaar is.  En hij zal zich niet op de juiste tijd terug kunnen trekken in het lichaam.  Of, hij zal zich misschien te snel terugtrekken in het lichaam, en daardoor een ander, die hij had kunnen redden in het verderf achterlaten.

Denk niet dat weten op zichzelf de vrees bant.  Slechts de volmaaktheid van het eigen wezen kan de angst verdrijven en daarmee ook de moed wegnemen.

Moed is een waagstuk.  En een waagstuk is alle werelden en alle leven.  Of gij het weet of niet, rond u leven de draken en de demonen nog even sterk, even vurig, even dodelijk als vroeger.  Of ge het weet of niet, rond U staan lichtende heirscharen ook vandaag de dag klaar, om mee in de strijd aan te vallen, dat het bevel van de grote Schepper, de Heerser van alle bestaan, wordt volvoerd.  Gij kunt het middelpunt van die strijd zijn, zodat de slagen van beide zijden op u neerkomen.  En wanneer ge moedig zijt, dan blijft ge staan, en dan vecht ge terug tegen twee machten, die ge niet beseft, niet bevat en ook niet kunt waarderen op hun juist waarde.

Dan is het een kwestie van geestelijke krachten, die bepalen, of ge later zult behoren tot het licht of tot het duister.  Zij echter, die de angst kennen omdat zij de kracht en de macht, die rond hen strijden, kunnen aanvaarden en realiseren, zij zullen vluchten tot het goede en meestrijden met het goede.

Zo door hun eigen kracht – op zichzelf vaak onbelangrijk -, de overwinning,  de glorierijke bewustwording binnen het Licht zeker stellen.

Moed.  Moed is het aanvaarden van een risico.  Van een bewust ervaren risico.  Ware moed is het om te weten, hoe je staat in de wereld, hoe je leeft in een sfeer.  Niet onaantastbaar, niet degene, die rustig kan gaan zonder te vallen.  Niet degene, in wie de wet van gedrag een zekerheid heeft geschapen tegen elke verachtelijke daad, tegen elke verloochening van wereld, of het ik zelf.  Moed betekent te weten, dat men falen kan.  En liever te falen, dan zich aan een toeval te onderwerpen.  Liever zelf ten ondergaan strijdend voor het goede, dan u aan de wisselvalligheid van spelende krachten rond u, over te laten, wat uw wereld zal zijn, en waar gij uiteindelijk zult komen.

Eenieder, die zoekt naar bewustzijn, moet door de poorten van de angst gaan.  En de vrees zal voortdurend met u zijn, vanaf het ogenblik dat ge dat bewustzijn hebt verworven.  Tot de tijd dat ge veilig ingaat in de volmaaktheid, die ons aller doel is.  Onze moed betekent niets anders dan de vrees in het aangezicht schouwen en toch doorgaan, verdergaan.  Ons niet laten beïnvloeden door dat, wat we weten, dat onszelf vernietigen kan, dat pijn en lijden kan betekenen en ondergang.

Men heeft eens gezegd dat er moed voor nodig is om martelaar te zijn.  Ik ben dat niet altijd met de christelijke schrijvers eens.  Want, velen realiseren zich de pijn te laat om er iets aan te doen, terwijl ze zich alleen de goede kant – de eeuwige zaligheid, zoals dit heet – voor ogen hebben gesteld.  Dan is het geen kunst om een martelaar te zijn, want dan ben je een dwaas.  Weten wat lijden betekent – de pijn a.h.w. in gedachte reeds aan je voelen knagen – en dan, terwijl je lichaam siddert en beeft, sterk van geest te besluiten dat het andere belangrijker is, belangrijker dan alle lijden, dat is moed.

Er is vaak meer moed nodig om nederig een lering te aanvaarden, dan lerarend over de wereld te gaan.  Want leraren betekent: overwicht hebben en niet beseffen hoe gevaarlijk het is anderen op uw weg te voeren, zonder zelf te weten waar ge schrijden zult.  Leraar zijn en de lering van een ander aanvaarden, dat betekent heel veel.  Dat betekent de moed te hebben toe te geven dat je zelf niet alles weet.  En de angst in jezelf, dat je te kort komt, te verminderen door het aanvaarden van raad, door het delen van verantwoordelijkheid met anderen.  Zo is het overal, maar in de eerste plaats wel bij de geestelijke bewustwording.

Denk niet dat uw weg de enige is.  Denk niet dat uw wijsheid de ware is.  Realiseer u dat al wat ge denkt en droomt, waan kan zijn, een vergissing.

Wanneer heel uw wereld dan wankelt, wanneer ge siddert van vrees, dat dit niet waar kan zijn, vraag dan uzelf af: Is het doel, waarheen dit alles mij voert heilig genoeg om dit alles te riskeren?  En kunt ge daarop ” Ja ” antwoorden, ga dan uw weg in vrede.  Moedig, maar niet meer onbewust.

De mensheid denkt dat bewustwording van geest en stof betekent, kennis, hoe eenzijdig deze ook gericht zij.  Een Mandarijn heeft eens gezegd: ” De hoogste beambte van de keizer, die schrijft in het schoonste vers, wiens pennenstreken kunstwerken zijn, meent zichzelf een belangrijk mens. “Maar hij is een dwaas.  De boer, die aarzelend zijn letters neer penseelt en het schrift kan lezen, die denkt over wijsheid en de hand aan de ploeg slaat, die nederig zichzelf weet te zijn, een van velen en geen uitverkorene, hij is een wijze en vindt bewustzijn.  Zich niet stellende boven anderen, is de wijsheid van de wereld de zijne.  Zich niet vernederend als onbewuste tegenover alle grootheid, kan hij de wijsheid aanvaarden en voor zichzelf verwerken, omdat zij ook voor hem waardevol, bewustzijnsvergrotend is.  Dat is de waarheid in alle wereld.

Ieder van ons, geest en stof, heeft zijn eigen richting van leven.  En men meent moedig te zijn, wanneer men zich krampachtig vastklampt aan deze eenmaal ingeslagen bepaalde richting.  Men acht zichzelf goed en braaf en heilig, wanneer men afziet van alle consequenties; wanneer men elke vergelijking schuwt en zich terugtrekt,  opdat men onberoerd zou blijven in zijn eenzijdigheid.  Ik zeg u: dit is geen weg tot bewustwording.  Dit is lafheid ten top gedreven.

Al noemen velen dit moedig om kunstmatig blind te zijn voor de werkelijkheid van het bestaan.  Een moedig mens zal niet eenzijdig zijn.  Hij kent de innerlijke onzekerheid; de vraag of het nu wel zo is.  Hij is er zich van bewust, dat hij niet alleen volbrengen kan en hij wil naar anderen luisteren.  Ook wanneer dat niet strookt met zijn mening of overtuiging.

Vergelijkende vindt deze mens dan bij veel innerlijke onzekerheid en strijd misschien de punten in het leven, die de moeite waard zijn voor hem of haar, om voor te strijden.  En om dan te strijden, ondanks die innerlijke verdeeldheid, wordt niet alleen de grote eenheid van de schepping geaccentueerd, maar uiteindelijk gemaakt tot bewust deel van de levende mens of geest.

Maar bovendien wordt het ik overwonnen en blijft men deel van de wereld, in plaats van zich ver daarboven te stellen.  Men noemt het soms moedig, wanneer men haat en strijdt tot het laatste.  In werkelijkheid is het de angst voor dat wat men niet aanvaarden durft, of kan.  Een moedig mens vreest niets, omdat hij weet, dat hij onder alle omstandigheden zichzelf kan zijn.  Dit kan hij slechts weten, wanneer hij de beproevingen heeft gezien die aan zijn persoon kunnen worden opgelegd.

Ik wil deze woorden besluiten met een kort citaat: Waan is de uitvlucht van de lafaard.  Waarheid is niet kenbaar voor hen die leven in waan.  Maar de waan wordt hen tot werkelijkheid.  Wie zijn eigen werkelijkheid kent en de moed heeft om daarachter de verborgen nieuwe en grotere mogelijkheden te zien, zal het bewustzijn verwerven dat hem misschien eens tot de werkelijkheid brengt, maar zeker het hem onmogelijk maakt onder te gaan in de waan.

En hiermee dank ik u voor uw aandacht en besluit ik deze lezing.

En ik – als vertaler – zou hier graag aan toevoegen:

Ik heb naar mijn beste weten en kunnen vertaald.  Maar, het was mij onmogelijk om alle eigenaardigheden van uitdrukkingen en zegswijzen voor het medium zo uit te drukken, dat ze gelijkluidend waren aan de mij toegezonden impulsen.

Desondanks ben ik ervan overtuigd, dat de weergave qua gedachte-inhoud volledig in overeenstemming was met hetgeen werd uitgesproken.