Monotheïsme en pantheïsme

3 mei 1959

Men kan over heel veel dingen nadenken en steeds weer op hetzelfde terecht komen. Zo gaat het ons tenminste. Of we nu beginnen bij een wijsgeer, bij een krantenbericht, of we beginnen met de meest moderne gedachtegangen of de oudste, die wij maar kunnen vinden, wij komen altijd weer bij God terecht. En dat brengt mij onwillekeurig tot het schijnbare verschil tussen monotheïsme en het veelgodendom of het z.g. naturalisme.

Er zijn natuurlijk veel godsdiensten, die een praktisch onbeperkt pantheon hebben. Er worden bv. in de Japanse godsdienst ongeveer een 8 miljoen goden genoemd. Dit alles is eigenlijk deel van een godheid of God, Wij vinden in andere leerstellingen weer de overgave aan een bepaalde God met de erkenning van de goddelijkheid in alle andere dingen. Zo vinden wij bv. bij de Hindoes het z.g, Shiwaïsme, het Vishnuïsme, enz., waarbij men zich dus in een volledige liefde a.h.w. overgeeft aan een bepaalde God, maar daarnaast alle andere goden erkent. Schijnbaar daartegenover staat de ene God, die in bepaalde andere religies als bv. het christendom opgeld doet. Maar als wij goed nadenken, dan blijkt, dat ook in deze religies een soort goden bestaat. Alleen worden zij niet met die naam genoemd. De christenen geloven in een hele reeks van heerscharen van engelen, die elk voor zich Gods taak vervullen. Sommigen geloven in heiligen, anderen geloven weer in de profeten als de directe stemmen Gods, kortom ook hier treedt het verschijnsel van goden en halfgoden naar voren. De vraag, waar het ons dan vandaag om gaat, is deze; Kunnen wij op enigerlei wijze een verschil maken tussen veelgodendom en één godendom in de praktijk? En in de tweede plaats; Wat is voor ons de meest juiste benadering van het probleem God?

In de praktijk – zoals ik reeds zegde – is het zeer moeilijk een verschil te maken tussen monotheïsme en pantheïsme. Waar wij God zoeken, zullen wij God vinden. Maar de pantheïst gaat uit van het standpunt van de mens, de monotheïst van het standpunt van God. De mens ziet God in duizenden vormen verschijnen en geeft elk dier vormen een aparte naam. Hij ziet de werking Gods soms in het kleine, soms in het grote en deelt naar belangrijkheid deze verschijnselen in, waardoor hij een reeks van figuren krijgt, die elk voor zich een deel van de goddelijke kracht vertegenwoordigen. Daarnaast stelt de monotheïst zich op het standpunt: Er is een God, er kan dus geen verdere God zijn.

De moeilijkheid ligt hier in het gebruik van het woord God. Want elke goddelijke functie is ongetwijfeld even goddelijk als God zelf. Elke mens, uit en door God geschapen, is in feite God, zij het beperkt. Een feitelijk verschil is er niet te vinden. Voor onszelf met ons eigen denken wordt het erg moeilijk om nu van hieruit de juiste benadering te vinden. Wij kunnen natuurlijk zoals wij meestal doen uitgaan van een monotheïsme. In het westen is dat meer gebruikelijk. Maar kunnen wij ontkennen dat alle dingen goddelijk zijn? Het zou betekenen God te vernederen door  te zeggen dat God niet alles beheerst, dat er delen van de schepping zijn, die buiten God om bestaan. U zult mij toegeven, dat is betrekkelijk dwaas. Neen, onze praktische benadering moet gericht zijn op een in naam monotheïstisch denken, waarbij de abstractie God toch weer verwerkelijkt wordt in het beleven.

Ik weet wel, dat wijzelf (onze groep dus) niet ons denken zijn gekomen tot een zeer vage abstractie, waarvan wij hebben gezegd: Dat is nu God. Een God, waarvan wij niet alles begrijpen, maar waarvan wij in ieder geval wel begrijpen, dat Hij niet direct met ons in verband staat, tenzij dan op een wijze, die wij niet bevatten.

Wij hebben God onwillekeurig willen zien als een projectie buiten ons, niet als een kern in ons. Maar in de praktijk van het leven, vrienden, is het wel heel erg moeilijk om dat vol te houden. Wanneer Jezus zegt:” Want dit zeg niet ik u,” doch de Vader spreekt tot u door mij,” dan geeft hij daar eigenlijk mee te kennen, dat hij op dat ogenblik God is. Dus zelfs in het christendom komt God voor in een beperkte vorm, komt God voor als optredend in een bepaalde functie. Als wij dat nu voor een ding erkennen, kunnen wij het dan verwerpen voor al het andere? Hoe vreemd het u klinkt, eten, drinken, slapen, werken, spelen, lachen, zijn allemaal delen van God, wanneer je die God erin kunt vinden. Het erkennen van deze goddelijke functie in alle dingen, met eventueel de normale benoeming van die handelingen, daden, feiten, voorwerpen, enz. erbij, maakt de band met God veel groter. En als er een bezwaar is, dat wij kunnen opperen tegen de abstractie, die uit het monotheïsme is voortgekomen, dan is het wel dat God zo ver van de mensen weg staat.

Bij de pantheïst vinden wij God overal. Hij staat voor een boom en er leeft een God in de boom. Hij gaat over de vlakten heen en uit de wolken spreekt God en uit de aarde rijst God. Telkens met een andere naam, maar Hij is er. Voor onszelf is het praktisch noodzakelijk, dat wij tot een steeds grotere vereenzelviging komen met God. En dat kunnen wij alleen, wanneer wij het Goddelijke in alle dingen erkennen en juist daardoor ongeacht onze eigen levenshouding in alle toestanden het kwade elimineren.

Die eliminatie kan nooit geschieden in de wereld, want die wereld is uit God geschapen. Zij kan slechts geschieden in onszelf. Wij moeten een oordeel spreken dat is voor ons bewustzijn noodzakelijk maar dit oordeel mag nooit betrekking hebben op de totaal omvattende waarden van iets, wat buiten ons ligt. Wij kunnen het totaal niet omvatten. Wij kunnen kwaad zien vanuit ons standpunt, maar moeten gelijk toegeven: Toch is hier goed, toch is hier leven, toch is hier licht. En dan kom ik onwillekeurig inde verleiding om een paar uitspraken naast elkaar te gaan zetten.

Dan krijgen wij bv, in het Shintoïsme de uitspraak, die inderdaad bestaat: “Zij, de gouden koningin van de zon, baarde haar zoon (het gaat dan over de Tenno, de vorst) en haar zoon baarde ons allen.” Een relatie, die men misschien niet zo gauw terugvindt in de praktijk van de maatschappij in Japan, maar waarin toch de band, die bestaat tussen God (tussentrap; de vergoddelijkte keizer dus) en de mens, wordt uitgedrukt als een vader – kindrelatie. Eenheid wordt hierin gevonden.

In de Chinese filosofie en vooral wel in de filosofie van Kung Fu Tze vinden wij ook een soortgelijke regel, al is die schijnbaar heel anders. “Want wie kent de weg en aanvaardt de weg, vindt in alle dingen de rechtvaardiging, die zonder einde is.” Ge zult zeggen, dat is een raadselspreuk. Daar waren ze in China nogal sterk in, vooral in de oude tijd. En daarbij komt nog dat mijn vertaling wat kort is. Oorspronkelijk is het een gedichtje van 4 regels.

Wanneer wij weten, wat recht is, wat rechtvaardigheid is (dat is de weg) en wij leven volkomen ons richtend op datgene wat wij zijn, op de verplichtingen die wij tegenover de wereld hebben, dan vinden wij in deze weg een rechtvaardiging, een deel-zijn van alle dingen, een verwant zijn met alle dingen en gelijktijdig een vervulling van een hoger doel, dat in de confuciaanse filosofieën niet verder wordt aangestipt. Maar dat scheelt zoveel niet. Het is net alsof je zegt; Hier is God. God heeft een rechtvaardigheid en een kracht en daarin moeten wij doordringen. En als wij dan de juiste verhouding tegenover de rest van het Goddelijke in acht nemen, dan zijn wij er.

Zo kun je verdergaan. Boeddha bv., die daar in het bosje van de gazellen bij Benares de bekende toespraak houdt en de weg van de 8 waarheden uitspreekt, begint al met te zeggen: “Doch bedenk wel dat gij, monniken – hij heeft het ook tegen zijn volgelingen – dat gij, monniken, u onthoudt van de uitersten. Want zo zeg ik u, zij, die een teveel kennen aan begeerten, gaan onder; doch zij die in bitterheid en pijn een ontvluchting zoeken, ook zij zullen niet bereiken. Daarom zeg ik u, volg de weg van het midden.”

Ge zult zeggen; Wat heeft dat er mee te maken? Maar let wel, de Boeddha geeft hier een concept van God, waarbij God eigenlijk niet wordt aangeroerd. Een typisch verschijnsel in het boeddhisme. Het boeddhisme spreekt niet over God, maar het zegt: Buiten de uitersten; m.a.w. de weg van het gulden midden, het evenwicht, de harmonie. Die harmonie kunnen wij alleen krijgen, wanneer wij op de juiste wijze staan tegenover degenen, die rond ons zijn. Als je de waarheden leest, die de Boeddha zegt, dan gaat het om het juiste leven, het juiste recht, het juiste bidden, het juiste mediteren. Dus het gaat allemaal om een maat, een verhoudingsmaat. Maar in die verhoudingsmaat is het Boeddha worden, de bevrijding van het rad, besloten. Die bevrijding van het rad op zichzelf komt weer neer op wat wij noemen eenwording met God. Zo vind ik ook daar weer een parallel.

Dan kunnen wij verder de oudheid ingaan desnoods. Luister bv. eens naar dit citaatje uit een deel van de beginperiode van de Isis-dienst, dat is ongeveer 3000 v. Chr. “Zij, de machtige Moeder, draagt ons en voedt ons. Wij zijn uit haar geboren en door haar één met de machtige Zon.” Op de een of andere manier wordt hier dus ook weer een eenheid gesteld met de hoofdgoden van het Egyptische pantheon. Het is niet zo, dat wij er buiten staan en dat God buiten ons staat. Er is een deelgenootschap. En dan zegt men in die oude Isis-dienst verder en dat is misschien wel de clou van mijn hele betoog: “Beantwoord nooit aan uw wensen maar aan uw erkenning der goden. Wie de wil leeft van de Moeder (dat is Isis in dit geval) zal in deze wil de volle erkenning vinden van de macht der goden.” Om het nu heel simpel te zeggen: Op het ogenblik, dat je je juiste verhouding vindt tegenover God, bén je God. Daarop komt het neer.

Zou het voor ons nu anders zijn dan voor al de mensen van die andere godsdiensten in het verleden? Per slot van rekening is het eigenlijk maar een kleine vergelijkende studie over een paar deeltjes van het geheel. Maar het antwoord, dat er uit voortkomt op de vraag, die ik in het begin stelde, is m.i. toch wel zeer interessant. Wanneer wij alle dingen doen in bewustzijn van God, dan is alles God, uit God, door God. Dan is er niets, wat ons van God kan terughouden. Dan kunnen wij op deze manier komen tot een volmaaktheid, die uiterlijk niet kenbaar is, maar die innerlijk volledig bestaat.

Dat zijn dingen, waartoe ze hier op deze wereld vaak niet zo gemakkelijk komen om dat te begrijpen. Maar als u mij het niet kwalijk neemt, dat ik de termen hier gebruik; De vrouw van de lichtste soort, die zich in haar door de gemeenschap veroordeeld leven en werken volkomen richt op God, is beter dan de beste dominee, die God alleen buiten zich ziet. Het gaat niet om datgene wat je doet, maar het gaat om de wijze waarop, de inhoud van het wezen. De kleine handelaar, die langs de straat staat met een wagentje, maar die in zijn handel met al zijn grapjes erbij misschien, met zijn wanhoop en zijn borreltje toch in alle dingen zoekt naar God en zo de goedheid, uit God geboren, heeft t.o.v. de schepping! (deel van God), staat veel hoger dan de braafste mens met het grootste kapitaal, die duizend kerken heeft gebouwd. Het is de kwestie niet! Wat doen we, of hoe leven wij, of wat zijn wij in het leven, of zelfs wat voor beschaving hebben wij? Het is; Hoe staan wij tegenover de rest van de schepping? Hoe komen wij ertoe alle krachten van het Goddelijke te erkennen rond ons in die schepping?

Dan is er eigenlijk maar één ding, dat als regel kan worden gesteld en wat dan de praktische lering is, waar het ons om ging. En dat is dit: Wanneer je handelt onverschillig wat, hoe of waarom tracht steeds te handelen, alsof Gods goedheid deze daad bepaalt. Rechtvaardig uzelf nooit. Laat die rechtvaardiging aan God over. Maar doe niets met haat, doe niets met ergernis. Doe alle dingen uit een liefde tot het leven en met een liefde tot het leven en met een liefde tot God. Op deze wijze zult u leven in een wereld, die vele goden heeft, want God treedt u uit alle verschillende standpunten, uit alle verschillende mogelijkheden tegemoet. U zult dus een praktisch pantheïst zijn en toch gelijktijdig zult ge u bewust zijn van de ene God. Die gelijk is in u en in alle dingen. Ge zult ook monotheïst zijn. Maar ge zult geen prijs meer stellen op een bepaling van uw geloof, een bepaling van uw leven. Ge zult in het handelen alleen de volheid vinden.

o-o-o-o-o

Na al dat monotheïsme en pantheïsme mag ik dan misschien eens een keer praten zonder “isme”. Want ismen zijn de staartstukken, die de mens zich aanmeet, om zijn gedachten tot die der apen terug te brengen. Elk ‘isme’ op zich zelf is fout. Je kunt sociaal denken en sociaal leven. Maar als het socialisme wordt, wordt het dogmatiek. En als het dogmatiek wordt, erkent het niet meer de volledige vrijheid van anderen. Katholiek  zijn is goed, alomvattend. Wat kan beter zijn dan een geloof, dat alle dingen omvat? Maar zet er eens “isme” achter, katholicisme, dan krijgen we weer een strijdvaardige groepering met dogma’s, met reglementen, met politieke macht. En dat hoort niet bij God. Neem mij, dus niet kwalijk, dat ik dan de ismen de ismen laat en de apenstreken van hen, die menen het te weten, nu ja, voor deze keer terzijde stel.

Weet u, vrienden, wij samen zo, u en ik, wij staan eigenlijk in een wereld, waar wij heel weinig van afweten. We denken wel, dat wij veel weten, maar wat is zeker? Niets is werkelijk zeker. Zeker niet wanneer je rekening houdt met de eeuwigheid. En dan blijft er ons eigenlijk alleen maar een soort aanvaarden over. In het Wilhelmus vind je zo’n regeltje en dat zou eigenlijk een klein beetje op ons moeten passen: “Mijn schild en mijn betrouwen zijt Gij, O God, mijn Heer. Op U slechts wil ik bouwen.” Dat “verlaat mij nimmer meer” is voor het rijm erbij gezet. Dat past eigenlijk niet meer bij die gedachte. God verlaat ons niet, kan ons niet verlaten. God hoort bij ons. Maar in die onzekerheid, waarin wij leven, waarin je zelfs niet zeker bent, of je nu goed of verkeerd doet, och vrienden, daar hebben wij eigenlijk maar één ding; God. Niet de toornige God of de almachtige God of zelfs maar de liefdevolle God. Wij hebben werkelijk God, zoals wij lucht hebben om te ademen. Zonder God kun je niet leven. En in ons, door die onzekerheid, moet dan naar mijn idee komen een je overgeven. Niet aan Gods raadsbesluiten of aan de wil Gods, dat is fout, maar aan God in je streven.

Nu zeg ik wel; We hebben met de liefdevolle God niets te maken, omdat wat wij liefde noemen, niet te vergelijken is bij God, bij onze Vader of de Schepper, of hoe ge het noemt. Maar wij zijn allemaal deeltjes van God en wij kunnen niet de verantwoordelijkheid dragen voor goed en fout binnen een eeuwig concept. God zorgt wel dat wij geen fout maken. God is er niet om ons met de neus op het slijpwiel van de bewustwording te houden. God is geen sadist en Hij is ook geen dictator. God zal uitmaken wat goed is en wat kwaad is. En ik denk, dat alles wat wij doen eigenlijk goed is. Maar wij voor onszelf moeten naar het goede streven. Ons streven naar het goede is onze methode om God te erkennen. Laten wij dus elke keer doen wat we achten, dat goed is op dat ogenblik.

Het is moeilijker dan u denkt. U denkt misschien zo (ik weet dat, ik heb dat meegemaakt): “Ja, dat is gemakkelijk. Als ik nu maar zeg dat is goed, dan is het goed.” Neen! Wanneer je voelt, dat het goed is op dat ogenblik. Dat wil zeggen, dat je je niet meer afvraagt of het kwaad is.

Er kwam eens een jonge monnik, pas in de Orde gekomen, bij de H. Augustinus en hij ze; “Vader, hoe kan ik nu weten, wanneer ik zondig?” Toen begon Augustinus te lachen en zei; “Broeder, op het ogenblik dat je niet zeker bent, dat wat je doet goed is, zondig je.” Dat is nu tamelijk ver doorgevoerd. Je doet zoveel, waarvan je niet weet of het goed is. Maar je kunt in ieder geval je best doen. En wanneer ik iets heb gedaan en het blijkt dat het niet zo is, als ik het had verwacht…..en ik heb het toch gekozen in mijn idee van “dit is goed”, dan heb ik er toch niet over te klagen. Dan is het God, Die corrigeert, niet ik.

Als je dat nu eens kunt begrijpen: God, de God Die rond ons is, Die in ons is, Die corrigeert. Wij maken de voornemens, wij kiezen de handelingen, maar God zorgt, dat ze volmaakt blijven, ook in hun gevolgen. Voor wie zo denkt wordt het simpeler om te begrijpen dat liefde en genegenheid in deze wereld eigenlijk een van de meest belangrijke dingen is. Nu bedoel ik niet de liefde, waar de jongens over spreken als ze met de meisjes in de buurt van de dijk komen. Ik bedoel daarmee die echte genegenheid. De genegenheid, die je bv. wel eens ziet tussen een paar ouden van dagen, die elke dag ruzie maken, maar die zonder elkaar niet kunnen leven en die hun laatste adem en hun laatste druppel bier en hun laatste cent, hun laatste penning zouden geven om die ander zijn vrede te geven en gelukkig te maken. Dat bedoel ik er mee en die genegenheid is eigenlijk over al. Als wij weten, dat alles wat we doen ongeacht zijn gevolgen goed is, wanneer wij dat doen met de overtuiging “dit is Gods wil”, kunnen wij al onze medemensen lief hebben. Want alles, wat zij ons aandoen, is niet hun werk, maar het is het werk van God. En alles, wat wij voor hen betekenen, is niet ons werk, maar het is Gods werk. En God dat weten wij houdt ons in stand, is onze ademtocht en Al.

Dan behoeven wij de wereld of anderen eigenlijk niet dankbaar te zijn. Alleen maar God, God zorgt voor alle dingen. Wanneer je in nood bent en ik kom – oude herdersgewoonte – met een poging om wat recht te zetten, wat in orde te maken, dan moet u mij niet dankbaar zijn. Het is God. Ik doe alleen maar, wat naar mijn idee goed is, omdat ik geloof zo één te kunnen zijn met die lichte Kracht. En daarom mogen wij ook nooit om een ander lachen. Ik weet, wanneer ik – zoals ik vroeger meer deed dan heden – niet kon nalaten om even het zegenend kruisje te slaan, er mensen waren, die lachten en zeiden: “Ach, het pastoortje is een goeie kerel, maar hij zit nog zo vast aan die dingen.” Ik weet het. Misschien hebben ze wel gelijk. Maar gaat het nu om dat gebaar? Het gebaar zegt veel intenser wat ik zou willen zeggen dan wanneer ik van mijn preekstoel af zou komen en iedereen in het publiek een hartelijke kus zou geven. Het is maar goed, dat die gewoonte niet bestaat, vindt u wel? Stel je dat voor als pastoor in een volle kerk. Het is toch al zo zwaar voor een pastoor om te blijven, wat hij moet zijn. Ik bedoel maar, ik kan niets geven wat meer is, dan dat “kruisje” voor mij is. En dan gaat het niet om dat kruisje, het gaat om God. Het gaat om Onze Lieve Heer, zoals ze dat zeggen, of als u dat misschien beter begrijpt om de goddelijke Kracht, Die ons allen doordesemt. En mijn kruisje wil niets anders zeggen dan: Wij zijn allemaal één in God en mét God,

Dan is het toch eigenlijk, lieve vrienden, heel eenvoudig. Ik vraag mij wel eens af, waarom sommige mensen, zich daar zoveel problemen over maken. Doe zo goed als je kunt, wat je voelt dat je moet doen. Probeer niets te doen, zonder je eerst te realiseren; God is alwetend, God leeft “in mij en rond mij en God ziet het. Durf ik dit tegenover God te verantwoorden? En als je nu zegt; “Ja, dit is goed,” dan geeft het toch verder niet, wat je denkt of wat je gelooft. Dan geeft het helemaal niet wie je bent en wat je bent. Dan vind je een eenheid met je God, die groter is dan liefde, die wij ons kunnen voorstellen of gebruiken, want het is niet alleen maar een wederzijds erkennen tussen God en ons, maar een versmelting, een onverbrekelijk verbonden zijn met de levende Kracht van alle leven. Het is niet iets wat je pas over 20 generaties kunt krijgen of over 100 incarnaties. Het is iets, wat je vandaag aan de dag kunt, vinden, nu, als je leert om alleen te handelen met God zonder na te denken over de gevolgen of iets anders. Voel ik dit als Gods wil? Ja? Dan doe ik dit. Klaar. En als je het zo hebt gedaan, dan mag je misschien nog heel lang leven. Ik weet, je gaat niet graag dood op aarde, dus ik wens jullie allemaal nog een heel lang leven maar dan toch met die band, die één maakt met het Koninkrijk der Hemelen, het Koninkrijk Gods, Met Gods kracht en Gods weten en Gods liefde, ongeacht de vormen waar je nog doorheen gaat, de bestaansvormen, die je nog zult kennen.

Het is eigenlijk zo (ik geloof, dat ik dat wel zo mag zeggen): Het is niet; wij, die naar God toe streven, het is God, Die wacht op ons, tot wij Hem begrijpen. En God begrijpen is geen theorie. God begrijpen is het innerlijk antwoord op Zijn oneindigheid, bij voortduring gegeven en zo de bewuste eenwording met Zijn kracht en wezen.

Nu zal ik maar weer weggaan, want anders zeggen ze: “Nou, nou, nou, je kunt wel zien, wat hij geweest is. Kletsen kan hij nog goed.” Maar het kwam uit mijn hart:. En geloof mij, ik ervaar soms al die eenheid met God. En het is zo mooi, Daarom gun ik het jullie allemaal zo. Daarom hoop ik, dat je mijn woorden toch een heel klein. tikje ernstig wilt nemen.

En nu zonder kruisje maar met dezelfde intentie: Dat Gods liefde en kracht in en met jullie mogen zijn in alle dagen, vooral dan, wanneer je eigenlijk God wel eens vergeet.

o-o-o-o-o

Kijk eens, wij hebben eigenlijk nu twee tegenstellingen gehoord. In de eerste plaats onze inleider met een ondanks alles gedegen vergelijking tussen monotheïsme en pantheïsme, een poging om God te vinden op een bepaalde manier. Aan de andere kant krijgen we de mens, die van binnenuit gaat. Die van uit een zeer nauw geloof ik zou haast willen zeggen; een te eng geloof is gekomen, maar die daarin zozeer de goddelijke waarde heeft gevonden, dat hij een eenheid vindt, die u vandaag aan de dag onbewust aanvoelt. Het is niet zo – dat mag ik toch wel opmerken nietwaar – dat wanneer het pastoortje spreekt, u in de woorden iets hoort, maar u hoort iets erachter. U weet niet wat. En naarmate u zelf bent ingesteld, zal het u sterker beroeren. Het is niet de goedheid van het mannetje, zoals ze wel eens zeggen en het is ook niet de liefde, waarmee hij de mensen benadert, maar het is iets van het Goddelijke, waarop u antwoord geeft, een soort echo….. Dus aan de ene kant krijgen we een poging om een redelijk beeld te krijgen, een theorie op te bouwen en uit die theorie tot een beleven te komen. Aan de andere kant hebben we een beleven, dat eigenlijk alle theorieën zo langzamerhand gaat verlaten, maar dat in zich zozeer een eenheid vindt met God en met Zijn kracht, dat het tracht dit in een stelling om te zetten om zo een ander een gelijke beleving mogelijk te maken. Het zijn twee mensen, die elkaar tegemoet gaan en het vreemde is; ze ontmoeten elkaar op één punt.

Zo zal het met ons allemaal wel gaan, want ieder van ons heeft zijn eigen leven. U hebt in de stof uw opvattingen van wat u wel en wat u niet moet doen; van goed en van kwaad en van licht en van duister; en wij lopen allemaal onze eigen weg en onze eigen richting. En onder ons gezegd en gezwegen, eigenwijs zijn we meestal meer dan genoeg. Maar als wij eerlijk zijn, moeten wij ook op hetzelfde punt terecht komen. We zeggen wel eens? Alle wegen leiden naar Rome. Dat is natuurlijk een overdrijving, want ik kan je een weggetje vertellen, dat brengt je wel in de Apendans maar niet in Rome. Zo is het toch. Maar wanneer op een gegeven ogenblik alle dimensies en alle waarden worden uitgeschakeld, wanneer alles wordt uitgeschakeld, zelfs de uiterlijke vorm of de wijze van denken en van leven en van streven en daarvoor in de plaats alleen komt het aanvoelen en het zoeken, dan geloof ik dat we allemaal hetzelfde idee hebben, dezelfde gedachten, dezelfde honger en dat wij elkaar op een plaats ontmoeten met een zeer verschillende rationalisatie. En dat de een zal spreken over zijn godsdienst als de enig ware; de ander zal spreken over een God, Die niet bestaat maar de natuur, die hem zoveel brengt; en een volgende heeft het misschien over de geest of over de Meesters of over de inwijding. Wat geeft dat? Wat geeft het nu precies van welke kant we komen? Het is een uiterlijke vorm, waardoor wij voor onszelf willen verklaren wat wij innerlijk beleven. En alleen, wanneer het van binnenuit komt, kan een godsdienst of een geheimleer of wat dan ook betekenis hebben. Anders blijft het een lege komedie, nietwaar?

Dan geloof ik, dat ik mijn conclusie hieraan kan toevoegen: Waarde vrienden, het geeft niet, wie of wat je bent, wat je gelooft, wat je denkt of wat je doet. Doe één ding, waar het op aan komt; dat is, dat je eerlijk bent. Als je eerlijk bent in je streven naar goed en naar licht, dan kom je op een ogenblik zo ver, dat je wat achter al die stellingen en al die thesen en al die theorieën en die geloofswaarden en die dogma’s verborgen is, vindt. En dan zul je ontdekken, dat je op precies hetzelfde punt staat als alle anderen. De een probeert de hemel te vinden in een fles Bols. Als hij een beetje rijker is, neemt hij er Henkes voor, denk ik. Een ander probeert het te vinden in de kerk en in het gebed. Weer een ander misschien in wat men wel eens noemt promiscuïteit, dus een afwijking, of laten we zeggen uitspattingen eigenlijk een klein beetje op een ander terrein. leder zoekt het op zijn manier. De één zoekt het in de filosofie van grote meesters, grote denkers, een ander misschien in een product van Hollywood. Maar geeft het nu eigenlijk veel waar wij zoeken, als het overal te vinden is?

Laat ons daarom maar zo zeggen en mag ik daarmede mijn conclusie dus toevoegen aan de rest van vandaag; wanneer wij eerlijk zijn in hetgeen wij doen, denken en zoeken, komen wij vast en zeker op de juiste plek, op de juiste plaats. Dan komt er een ogenblik, dat wij onder de vormen, waarin wij zoeken, de werkelijkheid gevoelen. En ja, die werkelijkheid, als je daar soms een schim van krijgt, dan is dat wel buitengewoon aangenaam. Dan zou ik ook kunnen zeggen: “Nou, allemaal de beste wensen” dat je het bereikt.” Maar het helpt zo weinig. Ik kan ook zeggen: “Veel kracht op je pad,” Maar je hebt het eigenlijk niet eens nodig, als je maar op God vertrouwt. Misschien dat ik u nog het beste kan toewensen: Geduld om te beseffen, dat God in uzelf spreekt, in uzelf leeft, zodat u in staat bent om even tijd te vinden voor God en voor dat beleven.