Moraal

image_pdf

5 juni 1964

Aan het begin van deze avond wijs ik u erop, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Ons onderwerp van heden is een discussie over: Moraal.

U zult het mij niet kwalijk nemen, dat ik allereerst de achtergrond, de werkelijke oorzaak van reden voor moraliteit tracht te vinden. Over het algemeen zoekt men de basis hiervan in wat men noemt ‘heilige schriften’ of ‘openbaringsschrifturen’. Maar ook daar, waar men dergelijke schrifturen niet kent, treffen wij een zedenleer, een reeks van wetten aan, waarvan de mensen maar moeizaam af willen wijken.

Allereerst ga ik nu de historische basis na. Allereerst bestond er trouw aan de stam en gehoorzaamheid aan de leiders daarvan. Gezien het schuldbegrip en ostracisme, die verbonden zijn aan een overtreden van deze regels, mag hier volgens mij wel degelijk gesproken worden van een geldende moraal, ook al houden deze gedragsregels geen verband met een leven in een hiernamaals, maar blijken zij in wezen voort te vloeien uit de behoefte van de mens, om zich en zijn geslacht in stand te houden.

Pas later wordt deze eenvoudige codex, deze reeks van gebruiken, wetjes en regels, meer uitgebreid. Wij zien dan, dat de moraal langzaam maar zeker bezitsrecht en verhoudingsrechten in het brandpunt van de belangstelling plaatst. Op den duur kan zelfs van verschillende zedelijke normen gesproken worden, waarbij de reeks, die voor een persoon geldt in sterke mate afhankelijk is van zijn sociale status, terwijl het geheel van wetten, opvattingen van fatsoen enz. in zeer sterke mate afhankelijk blijken te zijn van de cultuurgroep, waartoe men behoort.

Er is nimmer een absolute norm van zedelijkheid, van moraal gesteld. Dingen, die vandaag als amoreel worden beschouwd, waren eens normale blijken van persoonlijk initiatief. Dingen die op het ogenblik gezien worden als de meest gruwelijke voorbeelden van zedenbederf en onzedelijkheid, behoorden in het verleden tot de tempelgebruiken en behoorden als zodanig tot de heilige instellingen van vele volkeren.

Het is kennelijk moeilijk om het begrip moraal, om de zedenleer van de mensheid, vast te leggen in vaste en altijd geldende regels. Eerder kunnen wij het begrip ‘moraal’ zien als een product van de menselijke samenleving, dat zich veranderen zal, naargelang de eisen die de ontwikkeling van die samenleving de mens stelt.

De volgende punten vallen hierbij mij – persoonlijk dus – wel het meeste op: Op de eerste plaats is de moraliteit van de mens in elke maatschappij een belangrijke factor, een eis die gesteld wordt, zodra de maatschappelijke verhoudingen een redelijk gevestigde – en dus wat langer in stand blijvende – vorm heeft. Deze moraliteit omvat dan een reeks van gebruiken en voorschriften, die gericht zijn op het handhaven van de heersende toestanden en condities.

Verder blijken de morele normen over het algemeen gericht te zijn op een vergroting van macht en bezit van de gemeenschap als geheel. Alles, wat met deze belangen strijdig wordt geacht, zal men verwerpen. Eerst in een veel latere fase van de mensheid, stel rond 2000 v. Chr., zien wij dat de moraal ook meer abstracte begrippen gaat omvatten. Wij krijgen dan te maken met priesters, filosofen en denkers, die zich de ideale wereld voor trachten te stellen en op het ontstane beeld hun gedragsregels baseren.

Deze hebben vaak een aanmerkelijke invloed op het volk, terwijl wij daarnaast in dezelfde tijd ontdekken, dat de godsdiensten langzaamaan worden overgebracht uit de richting van het zuiver occulte naar een sociaal, ook zonder occulte gaven of manifestaties, belangrijke organisatie.

Hier valt wederom op, dat eerst, nadat de godsdienst als sociale groep binnen een grotere gemeenschap vaste voet heeft gekregen, haar opvattingen eerlijk worden gepredikt en hierdoor een soort “geweten”, waarmede de moraliteit onmiddellijk in verband blijkt te staan, wordt voortgebracht.

Het Westen van heden toont ons twee basiswaarden, waaruit begrippen als zedelijkheid, juist leven enz. stammen. De eerste belangrijke factor is het christendom en de waarde, die men daarin hecht aan het Oude Testament. De mozaïsche wetgeving en vele Talmoedische wijsheden vormen de achtergrond van de christelijke samenleving, waarbij de nadruk blijkt te vallen op de rechten en verplichtingen van de mens op het gebied van bezit, seksualiteit en godsdienst.

Typisch is hierbij, dat deze normen van het Oude Testament ook voordelen beloven, die echter alleen gelden binnen de gemeenschap en niet naar buiten toe optreden. Zij gelden nog steeds in de ogen van velen alleen voor eigen uitverkoren, de eigen groep. Deze mentaliteit kunnen wij ook nu nog haast overal terugvinden.

Een tweede belangrijke invloed is het christendom zelf, waarin eveneens een levensleer is vastgelegd, ofschoon deze zijn basis niet meer vindt in materieel welzijn, of beschermd worden door een god, maar geheel gericht is op het verkrijgen van een geestelijk welzijn. Deze leer op zich heeft in het begin zover het moraal betreft op de gelovigen weinig invloed: zij volgen nog steeds de oude gebruiken, stellen nog de oude daden, maar doen dit alleen vanuit een ander geloof, een ander gezichtspunt. Eerst wanneer de christenen een belangrijke sociale positie weten te veroveren – dit gebeurt allereerst in Byzantium – waardoor zij tot een mederegerende groep kunnen worden, blijkt dat men afstapt van de tot nu toe aanvaarde normen en maatstaven en ook eigen gebruiken – meestal typisch joods met sterke Griekse invloeden – af te wijken. Vanaf dit ogenblik kan voor de westerse wereld worden gesteld, dat de ongunstigste elementen van het jodendom en de ongunstigste elementen van het hiërarchisch regerend en macht zoekend christendom – 300 tot 400 n. Chr.- binnen de christelijke moraal de hoofdtoon aangeven.

Waarom? Ik meen, dat wij ook hier weer de mens moeten zien in ruimer kader dan zijn geloof alleen, zelfs wanneer het hier gaat om de christelijke moraal. De mens wil zijn zending en gebruiken zo graag herleiden tot een goddelijke wet. Vele christenen, maar ook andere volkeren en groepen, verwijten andere groepen en richtingen, dat zij niet handelen volgens de eeuwige goddelijke wetten, die binnen hun geloof tot uitdrukking komen. Bij nader beschouwing blijkt dan vaak dat deze z.g. eeuwige regels en wetten door de “God” pas op het laatste moment gegeven werden en bovendien voortdurend gewijzigd worden, om de belangen van de gelovigen vooral niet te zeer daardoor te schaden.

Zo staat er als laatste gebod geschreven: “Gij zult niets begeren van hetgeen uw naaste toebehoort, noch zijn goed, noch zijn aanzien, noch zijn huisvrouw.” Wanneer wij echter zien hoe het christendom – op winst uit zijnde – zijn veldtochten pleegt te houden – of dit nu kruistochten zijn of bv. de strijd om de reformatie met enerzijds, Tilly, Pappenheim en aan de andere kant Gustaaf Adolf, of nog andere christelijke oorlogen bezien – wij vinden altijd begeerte en gewinzucht als motieven terug. Alle strijd en verdeeldheid binnen het christendom zelf blijkt voor 9/10 veroorzaakt te worden door begeerte naar het aanzien, bezit, kracht enz. van anderen. Het lijkt dus wel wat sterk, wanneer men zich in deze dagen steeds weer meent te mogen beroepen op de goddelijke wetten of zelfs een Godsrijk, wanneer eigen praktijken en moraal moeten worden gerechtvaardigd.

Nu wij dit hebben gesteld, lijkt het mij tijd, om vooral de zeden van deze tijd eens na te gaan.

Daarbij begin ik dan maar met te stellen: Het huwelijk en het gezin zijn nog steeds heilig en wordt nog steeds omgeven door taboes, behalve wanneer men om utiliteitsgronden andere wegen kiest.

Het scheidingsrecht wordt, evenals de samenwoning, nog wel niet openlijk aanvaard en goedgekeurd, maar beiden zijn in de praktijk algemeen aanvaard. Hier is kennelijk geen sprake meer van een goddelijke wetgeving, een zedenleer, die voortkomt uit hogere waarden alleen, maar van een praktische aanpassing van de menselijke verhoudingen aan de samenleving.

Zowel hier als op andere punten blijkt, dat er een praktische moraal bestaat, die van de officiële moraliteit wel enigszins verschilt. Wie zich aan deze praktische wetten houdt, is voor de gemeenschap aanvaardbaar en belangrijk; wie ervan afwijkt, wordt gezien als een vijand van de maatschappij. Vaak worden bepaalde instellingen alleen bestreden, omdat men daarvan een bedreiging vreest voor eigen waarden en mogelijkheden.

Dit is ongetwijfeld de basis van de zedelijke verontwaardiging, waarmee velen de dames van lichtere aard beschouwen, die een horizontaal beroep plegen uit te oefenen. Ik meen hier op te mogen merken, dat er altijd een zekere verhouding zal moeten bestaan tussen vraag en aanbod, zodat hier kennelijk toch wel sprake is van een behoefte element. Maatschappelijk blijkt, dat hier t.a.v. degenen, die de vraag scheppen, wel sprake is van hoofdschuddende verwijten, maar dat voor hen, die aan deze vraag trachten te voldoen, een werkelijk verwerpen alom bestaat.

Nu is het in uw dagen niet zo erg meer als in mijn tijd, toen men uitermate vroom en gestreng leefde in eigen stad en dorp, om met zijn zonden zich te begeven naar Parijs, Brussel of zelfs den Haag – dat in het verborgene ook een zeer zondige stad was – om zich daar zelf uit te leven, zonder het recht te verliezen, op alle kleine fouten van anderen te wijzen. Zover gaat men in uw tijd, naar ik meen, niet meer. Toch is in uw dagen de seksualiteit iets wat steeds weer gebruikt wordt om – in tegenstelling met elke erkende christelijke moraal – begeerten te doen ontstaan, gebruik makend van de begeerte naar de vrouw en hierdoor u gemakkelijker een auto, een filmrolletje, of een pakje kauwgom te verkopen, wat namelijk, gezien de als christelijk aanvaarde wetten en normen, als zeer onzedelijk te zien is.

Het geven van beloften, die men weet niet na te kunnen komen, het verklaren van dingen, die onwaar zijn, komen eveneens veel voor en worden op bepaalde gebieden van het bestaan zelfs als normaal aanvaard. Onvolledige voorlichting, valse voorlichting, het doen van beloften, die niet te verwezenlijken zijn, komen steeds weer voor, zelf bij hen, die zeggen op deze wijze de christelijke belangen enz. te dienen. Toch staat er geschreven: “Gij zult geen valse getuigenis geven.”

Voorbeeld: Verkiezingsbeloften, waarbij men u zegt ervoor te zullen zorgen dat de prijzen niet verder op lopen, dat de gulden waardevast wordt, dat er voldoende huizen zullen komen, dat een feitelijk belastingverlaging voor allen zal worden bereikt en mogelijk is enz. Op elk terrein treffen wij soortgelijke, en algemeen aanvaarde procedures aan. Het is daardoor bv. mogelijk, u een product aan te bevelen als iets, wat u werkelijk blijvend en in korte tijd slank zal maken, terwijl het enige dat daarvan werkelijk en blijvend slank wordt, uw beurs is. In wezen is dit een vorm van bedrog. Wanneer wij trachten het heden en zijn zeden te ontleden, blijkt ons zelfs, dat de mens van heden zijn maatschappij en zekerheid voor een groot deel op misleiding en bedrog opbouwt.

In tegenstelling met hetgeen u nu denkt, is dit alles op zich niet verwerpelijk: wanneer de maatschappij als norm voor haar bestaan gebruikt pleegt te maken van deze middelen en handelwijzen, zijn zij in wezen opgenomen binnen de geldende code en maken zij in wezen dus deel uit van de geldende moraliteit. Wanneer men zegt, dat een diplomaat in dienst van zijn land anderen wel moet misleiden – in wezen dus liegen – en een soldaat in dienst van zijn land mag doden – moorden is zo een lelijk woord – wijkt men wel sterk af, van alles wat men als goddelijke wet erkent. Toch geldt zoiets algemeen als goed: de diplomaat, die met misleiding en “handigheidjes” zijn land voordeel verschaft, wordt bevorderd en geëerd. De zakenman, die met oneerlijke praktijken economische rijken binnen de maatschappij weet op te bouwen, wordt niet als oplichter beschouwd, maar als een groot man. Ook wanneer hij zich zakelijk steeds weer daarbij in strijd met alle officieel geldende regels van fatsoen pleegt te gedragen. Een soldaat, die voldoende tegenstanders doodt, wordt beloond met een lintje en vele fraaie uitspraken, die overigens later vaak lege beloften blijken te bevatten.

Ik meen dan ook, de naar buiten toe verkondigde zedelijke normen terzijde te mogen stellen en mijzelf af te mogen vragen, wat de werkelijke moraal van deze dagen is. Wat is hier de waarheid?

Het is belangrijk, dat wij dit leren beseffen en overzien.

U allen hebt uw eigen gebruiken en methoden, die u verantwoord acht. Ik daag u echter uit hier openlijk te verklaren, dat u voor uzelf nimmer iets aanvaardbaar en toelaatbaar hebt geacht, wat gij bij anderen onfatsoenlijk, verderfelijk of amoreel noemt. Ik wil hier niet zoeken naar uiterlijke vormen en verschijnselen, maar naar de werkelijke zedelijkheid van deze tijd. Daarbij moeten wij – hoezeer het mij spijt – God en de zedenwet, die God geeft, buiten beschouwing laten. Deze waarden zijn in het heden alleen nog maar een wapen, waarmee men zijn tegenstanders zoekt te slaan, maar geen algemeen geldende wijze van leven neer. Men mag deze goddelijke zedenwetten luidkeels verkondigen en velen mogen zich daaraan zelfs uit angst voor de hel of begeerte naar de hemel tegen eigen werkelijke behoeften en inzichten nog houden, toch zijn deze dingen niet meer in wezen bepalend voor de gebruiken van de maatschappij of de huidige toestand van de mensen in deze wereld.

Ik som op: In de moraal van deze tijd blijkt het als juist beschouwd, dat men neemt, wat men krijgen kan, zonder daarvoor ook te geven, wat men geven kan. Anders gezegd: Bepaalde praktijken, die neer komen op een uitbuiten van medemensen worden ook nu nog als normaal en aanvaardbaar beschouwd, ook al noemt men het niet meer zo, maar spreekt men geleerd over sociale noodzaken, verschaffing van werkgelegenheid enz.

Vooral bij de jongere generaties zal, ongeacht de fatsoensopvattingen en elementen der ouderen de seksualiteit een grotere en vooral vrijere rol spelen dan voorheen. Met euvele gevolgen, dat geef ik gaarne toe. Van een verheerlijking van de maagdelijkheid zoals in andere tijden is in wezen echter geen sprake meer. Een bepaalde vorm van kuisheid wordt vreemd genoeg wel nog op prijs gesteld. Deze echter heeft niets meer met lichamelijkheid te maken, maar alleen met mentaliteit. De waarden zijn wederom veranderd: geslachtelijk verkeer wordt meer een kwestie van menselijk contact, minder van het scheppen van een uitverkoren en voor anderen geheel gesloten gemeenschap. Naar ik meen, vraagt men in deze dagen van elkander voornamelijk de moed om ervaring op te doen. Deze neiging tot experiment, dit voornamelijk zoeken naar de moed om te beleven, zonder daaraan onmiddellijk consequenties te willen verbinden, lijkt mij bepalend voor de moraal van heden.

Wat eerlijkheid en oprechtheid betreft, zien wij reeds in het verleden, dat hierbij de eigen prestatie van de mens van groot belang wordt geacht, terwijl men trouw aan aangegane verplichtingen voorop stelt en iemand alleen het recht toekent van de gemeenschap iets te eisen, wanneer hij eerst aan die gemeenschap iets gegeven heeft. Op het ogenblik echter schijnt men de richting uit te gaan van eisen aan de gemeenschap, waar geen tegenwaarde voor noodzakelijk is. De gemeenschap wordt een soort sinterklaas, die voor wat goede woorden en mogelijk niet gemeende beloften voortdurend verplicht kan worden de fraaiste geschenken uit te delen. Mij dunkt, dat ook dit niet direct prettig is. Maar daarop is veel in de wereld nu eenmaal op het ogenblik gebaseerd. Dit, met mooie en loze theorieën, is bepalend voor het werkelijk zedelijk peil van de samenleving en bepaalt de geldende moraal.

Naast dit alles zijn er natuurlijk ook goede punten. In de Oudheid was wantrouwen tegen al het vreemde essentieel en maakte dan ook deel uit van de geldende zedenleer bij vele volkeren. In deze dagen zullen wij zien, dat vertrouwen in anderen, ook al kent men dezen niet, een zeer grote rol speelt in samenleving en moraal. Een vertrouwen dat, vreemd genoeg, ook dan nog blijkt te bestaan, wanneer men zelf in wezen dit vertrouwen niet waardig is. In de internationale politiek, handel en wetgeving, maar ook in eenvoudiger verhoudingen als die tussen werkgever en werknemer treedt dit alles steeds duidelijker naar voren. Wij mogen dus zeggen, dat het vertrouwen maatschappelijk noodzakelijk is geworden, zozeer zelfs, dat degenen die niets en niemand wil vertrouwen, daarmede zondigt tegen de zeden van deze tijd.

Bovendien zien wij dat, al is het langzaam, ook een zekere tolerantie baanbreekt. Deze wordt overigens nog door velen ten sterkste veroordeeld en betreurt.

De strijd om tolerantie, om verdraagzaamheid gaat vanaf het aanvaarden van het gebruik van schuttingwoorden via homofilie tot ras- en kleurgeschillen. Ik vraag mij af, of een groot verschil tussen het verleden en heden niet ligt in het feit, dat men in het verleden de mens in zijn materiële bereikingen vrij liet en in zijn persoonlijk leven wilde binden aan zeer nauwkeurige regels, terwijl men in uw tijd de mens in zijn bereikingen steeds sterker bindt, terwijl men hem in zijn persoonlijk leven – ook innerlijk – een steeds grotere vrijheid als een soort compensatie voor de toenemende maatschappelijke onvrijheid tracht toe te staan.

Er zijn natuurlijk nog vele punten, waardoor ik mijn stelling, dat de geordende moraal niet een beleving van goddelijke waarden, maar in wezen een soort zelfhandhaving beoogt, aanvaardbaar te maken. Voor een inleiding vind ik dit echter voor zover meer dan voldoende.

Ik ga dus over tot de volgende vraag:

Bestaat er een verband tussen waarheid en moraal?

Een van de kortste formuleringen in dit opzicht heb ik van een vriend van mij gehoord, die stelde: De moraal is over het algemeen een masker dat men opzet om eigen a-moraliteit voor anderen te verbergen. Dat is scherp en hatelijk gezegd. Maar keer na keer blijkt steeds weer, dat datgene, wat men bij anderen luidkeels pleegt te veroordelen, in eigen daad en/of gedachteleven een grote rol speelt. In deze dagen wordt ook de gedachte, de mentaliteit van de mens steeds meer betrokken bij de bestaande behoefte tot regulering en normalisatie van het maatschappelijk leven. Iemand die communistisch denkt, wordt misschien nog getolereerd. Indien hij zijn gedachten uitspreekt, is hij echter in de ogen van velen een slecht of onbetrouwbaar mens. Denkt men echter te democratisch – in een democratisch land geldt dit ook – dan zal men u een doordrijver noemen, zodra u uw gedachten uitspreekt, en u verwijten dat u de grenzen niet kent.

De waarheid is m.i., dat de leuzen van deze dagen en daarmede ook vele zedelijke normen die men hanteert, eenvoudig bedrog zijn. De waarheid is, dat men alles wat men pleegt te veroordelen bij anderen, zelf doet zodra men er maar de kans voor krijgt.

Prettiger is, dat wij overal de naastenliefde of iets, wat daar wel wat op lijkt, overal zien opleven.

De zorg voor onderontwikkelde volkeren is op zijn minst genomen roerend. Wat blijkt echter? Deze naastenliefde wordt niet bedreven op de meest juiste en doelmatige wijze, door bv. een exploitatie van de vele armen door enkele rijkeren onmogelijk te maken, maar op de meest wetgevende wijze door kapitalen te verschaffen voor goederen, die door de eigen industrieën van de gever gemaakt worden, zodat men zelf verdienen en doordraaien kan, dankzij deze hulp. Ook blijk dat men door deze steun voor vele overschot producten een goede afzet heeft weten te vinden.

Naastenliefde en eigenbelang blijken in deze tijd dan ook zozeer met elkander verweven te zijn, dat het zeer moeilijk is om uit te zoeken, wat nu eigenlijk op de voorgrond staat. Ook uit de benadering van de enkeling blijkt dit: er zijn zeer vele loterijen voor een goed doel georganiseerd. Maar wanneer u zo een lot koopt, koopt u het dan werkelijk voor winst of werkelijk, om het goede doel te steunen, zonder verder enige verwachting te koesteren? Vaak blijkt, dat men eigen belangen naar niet verdiende winsten gemakkelijker weet te verbergen door zich te werpen op loten, waarvan de aanschaf gelijktijdig een steunen van een goed doel betekent.

De mens is aan de ene kant in deze dagen sterk egoïstisch en egocentrisch, terwijl hij aan de andere kant tracht zich aan zichzelf en anderen voor te doen als een altruïstisch, ruimdenkend wezen. Dit veroorzaakt de strijd tussen de openlijk geldende moraal en de morele waarheid.

Zij, die beweren, dat de vroomste gezichten het hardst kunnen zijn tegen hun medemensen en degenen die zichzelf rechtvaardig achten, tegenover hun medemensen het onrechtvaardigst worden, wanneer zij eenmaal de macht hebben, zijn dan ook niet zo ver van de waarheid verwijderd.

De vraag, waarmede wij ons in de komende tijd bezig zullen moeten houden, luidt m.i.: Wat is de zedenleer, die de mens van heden, gezien de kosmische krachten, de goddelijke wetten en de instelling die nu bestaat, nog aanvaardbaar zal zijn?

Het blijkt, dat een algemeen geldende zedenleer in vaste regels en wetten haast niet te geven is. Je kunt de zaken wel concreet stellen, maar de persoonlijke interpretatie zal daarbij altijd een zeer belangrijke rol blijven spelen. Regels als: schaadt niemand, acht alle leven heilig, enz.

Maar dan blijkt onmiddellijk, dat de mens van heden, alleen al om te kunnen blijven leven in vele gevallen reeds anderen zal moeten schaden. En wanneer men niet bereid is om het uiterste te geven – en wie dat doet laat zich uitbuiten en is een dwaas, nietwaar – zult u een zekere mate van bedrog niet kunnen vermijden.

Wie alle leven heilig acht, zal moeilijkheden hebben met voeding enz. Daarom zal de regel, die belangrijk is, nimmer absoluut kunnen stellen, dat men niemand ooit mag schaden, maar zal in de eerste tijd zeker nog moeten luiden, dat men niemand mag schaden zonder een zo ernstige noodzaak, dat men zich daardoor in eigen bewustzijn verantwoord gevoelt. Met andere woorden, steeds meer komen relatieve waarden en begrippen in het geding. Wat voor de een goed en aanvaardbaar kan zijn, zal voor de ander slecht en kwaad zijn. Maar dat houdt nog niet in, dat de maatstaven, waartoe de gemeenschap op grond hiervan zal komen, zelfs in hun dulden van de andere, absoluut genoemd kunnen worden. Zelfs nu blijft de moraal nog een persoonlijke en kan niet worden gesproken van een algemeen geldende openbare moraal, die tevens geheel waar en oprecht is.

Indien één iets zeker is, zo is het wel, dat juist de komende tijd de mensen steeds meer zal confronteren met het relatieve element in de vele morele wetten, stellingen, en opvattingen. Wat inhoudt, dat de mens in de komende tijd ook geconfronteerd zal worden met de ineenstorting van veel, wat onder het mom van moraliteit en algemeen geldende zedelijke normen werd opgebouwd.

Voorbeeld: Het kind werd eens als een gave Gods gezien. Misschien is het dat nu nog wel. Maar er was een tijd, waarin het kind, het nageslacht, noodzakelijk was, om een voortbestaan van de gemeenschap mogelijk te maken. In die tijd leefde de helft van het aantal geborenen niet eens tot het twintigste jaar. Slechts 3 à 4 % van de gemeenschap leefde in die dagen langer dan het 45ste levensjaar. In die dagen was een talrijk nageslacht inderdaad ook vanuit een standpunt van zelfbehoud noodzakelijk en moesten de kinderen vroeg wijs zijn, vroeg geconfronteerd worden met arbeid, met de menselijke wereld en de taak van de enkeling daarin.

Zo is het echter niet meer. Moeten wij nu blijven zeggen: God geeft ons deze kinderen, wij moeten hen als een kostbare gave blijven aanvaarden en mogen niets doen om hun aantal te regelen? Vanuit het christelijk standpunt zegt men nog steeds, zij het niet zo luid en beslist als eens: “ja”. Ook vanuit een politiek standpunt verdedigt men deze stelling nog graag, want hoe meer kinderen binnen de invloed vallen van godsdienst of partij, hoe belangrijker en invloedrijker op sociaal terrein dit lichaam zal zijn.

Wanneer je menselijk ziet naar de mogelijkheden, de normen, die aanvaardbaar zijn, zul je toch moeten toegeven dat er grenzen zijn. Ik meen, dat deze grens gesteld zal worden. Wanneer de mens zelf zich deze grens niet wil stellen, zo zal zij van buitenaf gesteld worden. Dit is een van de vele problemen, waarmee men op het ogenblik te maken heeft. Is het niet beter, zo zal men ook stellen, dat men zonder strijd ten ondergaat, dan door strijd en geweld te winnen, maar gelijktijdig nieuwe strijd op te roepen en onvermijdelijk te maken? Vanuit een eerlijk christelijk standpunt zal men hier volmondig ja moeten antwoorden. Vanuit het menselijke standpunt kan hier geen ja op gezegd worden, want strijdloos ten onder gaan betekent te veel prijs geven.

Gezien het kader van deze tijd kan daarbij nog gezegd worden, dat een zekere mate van strijd noodzakelijk en onvermijdelijk is, zelfs indien daarbij misschien enig geweld ontstaat. Dit is alleen reeds noodzakelijk, om de waarheid onder de mensen levend te houden. Want de waarheid wordt tegenwoordig gewoon vermoord. Wanneer niemand meer zou strijden om die waarheid in leven te houden, gaat alles ten onder.

Wanneer u, vrienden, geconfronteerd wordt in eigen tijd en leven met deze strijdigheden, met de eigenaardigheden van de mensen, zult u zich allereerst af moeten vragen: “Waar is de regel, die wij hier kunnen hanteren?” Algemene moraal, zedenleer etc. vormen hier geen oplossing.

Wanneer de jongelui elkander met fietspompen, kettingen en dergelijke leuke dingen strijdvaardig een souvenir van een gezellig samenzijn willen verschaffen, kan men natuurlijk, stellen dat dit verkeerd is. Men kan ook stellen, dat deze energie anders gericht moet worden.

De vraag is echter: hoe moet men deze energie anders richten? Door de jeugd normen op te leggen die in anderen wel, maar in haar niet leven? Of zal men haar de mogelijkheid moeten geven om volgens haar eigen normen te leven? Dit laatste is op het ogenblik nog onaanvaardbaar. Teveel in het denken en leven van de jeugd is immers strijdig met de publieke moraal. Toch zal juist dit laatste zich, zoals steeds weer, door moeten zetten.

Slechts de mens, die door zijn a-moraliteit niet meer zondigt tegen regeltjes, maar tegen de belangen, het bestaan van de mensheid zelf, zal ten onder gaan en geïsoleerd raken. Wie zich afzondert van de nog geldende regels, zal eveneens veel strijd kennen en een isolement moeten aanvaarden, waarin hij misschien ten onder gaat. Wanneer hij echter zichzelf kan handhaven, dan maakt hij het mogelijk de aarde en de mensheid een nieuw aangezicht te geven.

Dan nog iets in dit verband over de kosmische krachten:

Een kosmische kracht of uitstorting van kosmische kracht wordt door de mensen meestal nogal gemakkelijk bekeken. Zij stellen dat dit een ingrijpen van God is of een inwerken van God op de wereld, waarbij deze God de wereld verandert. Wat men niet begrijpt, is dat kosmische krachten niet zozeer een direct ingrijpen, een onmiddellijke en feitelijke verandering betekenen, als wel een verschuiven van verhoudingen. Hierdoor komen wij, ook wanneer het kosmische waarden en krachten betreft, uiteindelijk weer terecht bij de vragen en problemen van de moraal. Wanneer men zich wil blijven houden aan de oude regels, aan oude gebruiken en denkwijzen, kortom, wil men de oude moraal blijven handhaven, kan men de nieuwe tijd niet waarlijk ingaan.

Ik zal u een voorbeeld geven van aanpassingen, zoals deze noodzakelijk kunnen zijn:

De Russische revolutie – die overigens niet zo zinloos en ten onrechte plaats vond, als sommigen nu nog schijnen te denken, doch waarvan de gevolgen in menig opzicht te betreuren zijn – wilde de bourgeoisie en daarmede ook alle moraliteit, wat op deze bourgeoisie gefundeerd was, ter zijde stellen. Men kwam o.m. tot de conclusie, dat vrije liefde het meest begeerlijk was, terwijl kinderen onmiddellijk aan de staat moesten worden overgedragen en door de staat zouden worden opgevoed. Op deze wijze meende men nieuwe en betere resultaten te bereiken. In de eerste jaren na de revolutie was dit een zeker niet onjuiste procedure, omdat hierdoor veel anders voorkomend leed van kinderen  vermeden werd en de nieuwe relaties tussen de mensen op vrijere leest tot stand konden komen, dan zonder dit mogelijk was geweest. In 1930 echter moest men van deze beginselen reeds weer afstand doen. Naarmate men dichter kwam te staan bij de bereikingen van de westerse wereld en kwam tot voldoende industrialisatie en uitbreiding van productieprocessen, bleek het noodzakelijk het gezin weer in ere te herstellen, om de mens weer meer te binden aan een bepaalde omgeving.

Hieruit kunt u zien, hoe de aanvaarde moraal zich in betrekkelijk korte tijd kan wijzigen. Onder druk van omstandigheden – en niet alleen maar door de behoudzucht van de menigte – moest men opvattingen, waarbij geslachtelijk verkeer voor beide seksen geheel vrij was en zelfs vaak een vorm van beleefdheid werd, wijzigen en overgaan tot een rigide monogamie om de maatschappij te kunnen stabiliseren met gebruik van de noodzakelijke gezinsbanden etc.

Wanneer dergelijke omwentelingen op gebied van moreel besef binnen zo korte tijd plaats kunnen vinden, wanneer daarvoor uiteindelijk slechts menselijk politieke en economische drijfveren bestaan, zo zal een verschuiving van kosmisch evenwicht zeer zeker moeten voeren tot een algehele aanpassing van de reeks van begrippen en gebondenheden, die men moraal pleegt te noemen.

Een kosmische kracht zal de feiten, zoals de mens deze ziet, in zeer korte tijd aanmerkelijk kunnen wijzigen. De verhoudingen veranderen en daarmede komen de spanningen en mogelijkheden van de mens in de wereld ook anders te liggen.

Wanneer de wereld erop blijft staan, desondanks, uiterlijk haar oude leuzen en normen te handhaven, zal zij daardoor een zodanige onwaarachtigheid aankweken, dat er in wezen geheel geen moraal meer bestaat. De samenhang van godsdienstige, maatschappelijke en andere groepen, optreden van instanties en groeperingen zal dan berusten op een leugen, die meer en meer gekend zal worden door eenieder, die met deze groepen, instanties enz. in aanraking komt.

Het resultaat zal een uitholling zijn van alle uiterlijke vormen. Elke politieke groepering of stelsel, welke berust op leugens, zal worden uitgehold en tot een sleur worden die op elk willekeurig moment aan de hand van elke willekeurige oorzaak, ook de kleinste, verbroken zal worden.

Een kerk blijft een sleur, waarbij geloof steeds minder een werkelijke rol speelt, terwijl gelovigen verflauwen in aandacht of zich zonder kenbare redenen opeens geheel van hun kerk en geloof verwijderen. Omdat men de redenen niet kent, zal het zeer moeilijk zijn hieraan iets te doen. De gedragsregels van burgerlijk fatsoen worden meer en meer hol en leeg, omdat men ze uiterlijk nog wel handhaaft, maar in wezen zich daaraan steeds minder houdt. Ook hier hanteert men reeds nu 4, 5 of 6 verschillende maatstaven.

Er komt een ogenblik, dat de meest fatsoenlijke burger zich afvraagt, waarom hij nog fatsoenlijk zou moeten blijven en anderen de voordelen zou moeten gunnen. Uit een dergelijke uitholling moet wel een ineenstorten van het bestaande systeem volgen: Wanneer iedereen leeft volgens regels, die uiterlijk geen erkenning mogen vinden, zal niemand immers de maatregelen kunnen treffen die voor het in stand houden van de maatschappij en haar instellingen noodzakelijk zijn.

Zolang men niet bereid is toe te geven, dat bij de jongere generaties bv. vaak op jeugdiger leeftijd de bijslaap buitenechtelijk wordt voltrokken en op grond van dit verschijnsel overgaat tot een uitvoeriger en eerlijker voorlichting van de jongeren, zelfs reeds voor zij geslachtsrijp zijn, zal men toch niet kunnen voorkomen, dat geslachtsziekten en afwijkingen deze generaties en hun nageslacht voor een groot deel schaden. Dit laatste is een voorbeeld, dat men in eigen maatschappij en land wel degelijk kan nagaan, wanneer men niet zich blind houdt voor de werkelijkheid. Als belangrijkste punt voor het hervinden van een zekere moraliteit en een zich aanpassen aan de krachten der vernieuwing, stel ik, als belangrijkste punt: Men moet leren, niet met uiterlijke regels te werken, maar te werken met de feiten van eigen leven. Werkelijke moraal is niet het uiterlijk erkennen van iets als juist, maar het leven volgens al datgene, wat je in jezelf als juist erkent. Een werkelijke moraal kan nimmer gebaseerd zijn op een godsdienst of een staatkundig systeem alleen, terwijl werkelijk moreel besef ook niet zonder meer op de gemeenschap en de daarin geldende normen alleen gebaseerd zal kunnen zijn. De enige juiste basis in deze dagen is eigen innerlijke overtuiging, eigen innerlijk aanvaarden van regels en begrippen plus het erkennen van de werkelijke feiten van de tijd en maatschappij, waarin men leeft.

Dan is de waarheid van deze dagen: dat veel van hetgeen nu geldt als juiste moraal in wezen immoreel is, dat veel van het z.g. fatsoen in wezen niet meer is dan enig groen, dat men op de mestvaalt heeft geplant. Zo dit juist is – zoals ik meen – en kosmische krachten brengen alles in beroering, zal meer en meer het vuil aan de oppervlakte komen. Dan zal door de wijziging van de verhoudingen niets meer werkelijk verborgen kunnen blijven. Wie de moed dan niet heeft om werkelijk eerlijk te zijn, wie dan nog voortdurend naar uiterlijke normen en maatstaven zoekt, die men vooral t.a.v. anderen kan hanteren of zelfs maar – misschien uit voorzorglijkheid – anderen niet wil kwetsen of onder spanning zetten, door de werkelijkheid te openbaren e.d., zal dan moeten mislukken.

Indien men zich op deze wijze blijft gedragen – want dat doet men wel degelijk op de wereld – zo garandeer ik u dat de mensen de wereld binnen enkele jaren ten onder brengen uit louter goedwillendheid.

De gehele maatschappij wordt dan niet veel meer dan een hol, waarin roofdieren zich voor elkander trachten te verschuilen. Ik meen niet, dat dit, zelfs voor de ijverigste verdedigers van de huidige moraal, werkelijk aanvaardbaar is.

Mijn eindconclusie is dan ook wel:

Het is noodzakelijk de negatieve aspecten van de z.g. fatsoensnormen en “moraal” eerlijk te bezien en te erkennen, opdat men in staat zal zijn, op grond van de feiten en werkelijke waarden, in staat zal zijn een moraal op te bouwen, die waarlijk voor de mensheid gelden kan en blijft. Noem dit laatste m.i. een morele herbewapening, maar dan niet met leuzen, slogans, toneelspel en advertenties, maar vanuit de werkelijkheid van het leven.

De beste basis voor een moraal, die passen zal in de nieuwe tijd lijkt mij een alles overtreffend respect voor de persoonlijke vrijheid van handelen, streven en denken bij elke medemens.

Daarnaast en even belangrijk acht ik een alomvattend bewustzijn, dat men alleen en zonder zijn medemensen in deze dagen niets bereiken kan, ja, zelfs niet meer op aarde kan leven.

Dan wordt het mogelijk, om alle geloof en Gods-erkennen reëel in te passen in de maatschappij en vanuit de maatschappij te komen tot iets, dat meer is dan een maatschappelijk verband, namelijk een waarlijk menselijke mensheid.

Vragen

  • De kerk heeft veel van de inhoud van Jezus leringen aan de schare onthouden. Kon zij anders doen, overwegende dat de innerlijke leer niet kan worden georganiseerd?

Ik meen, dat zij zich dan niet had mogen organiseren. Ik ben er persoonlijk van overtuigd – ook bij ons bestaan hierover dus wel andere inzichten – dat het de grote fout van de kerken is geweest, dat zij niet wilden volstaan met christengemeenschappen, die met elkaar verwant of bevriend waren, maar ook gezag in de wereld begerende steeds weer probeerde alle groepen onder te brengen in een streng hiërarchisch georganiseerd en alléén zaligmakend geheel. Een fout, die niet alleen verweten mag worden aan de oorspronkelijke kerken te Rome en Byzantium, maar eveneens voorkomt bij vele reformatorische richtingen, die immers alleen stelden: Wij alleen weten het. Dit was reeds de eerste fout, omdat innerlijk erkennen nimmer in uiterlijke leringen definitief en voor allen gelijkwaardig kan worden vastgelegd.

Wij alleen weten het, dus moeten enkel wij het ook voor het zeggen hebben was de tweede fout die werd gemaakt. De derde fout was de stelling: Wij zijn de middelaars, gesteld tussen u en God.

Ofschoon niet zo algemeen als de vorige fout, is ook deze toch wel zeer ernstig, omdat zij niet op waarheid berust.

Ik geloof niet, dat er één mens is, die voor andere mensen als middelaar bij God op kan treden.

Dit is een overblijfsel van de oude magische leer, waarin de hoge priester de enige was, die in het heilige der heiligen binnen mocht treden, omdat hij de enige was, die de leegte daar kon aanschouwen zonder daarin zijn geloof aan de werkelijkheid van God te verliezen. Dergelijke dingen vinden wij terug in Ninive, Babylon en al die andere oude steden.

M.i. is de fout dat men getracht heeft een christendom dat nieuw wilde zijn, te kleden in de gewaden van het oude.

In de Marialogie komen wij tegenwoordig elementen tegen, die sterk herinneren aan de verering van Diana, Venus en Kybyle. In het christendom vinden wij rituelen terug, die bv. voor de kerk van Rome vaak herleid kunnen worden tot oude Egyptische riten en wel speciaal uit de Isis- en Osirisdienst. In de kleinere christengemeenschappen – en dit ging later over naar vele reformatorische richtingen – komen wij gebruiken tegen, die reeds bij de verering van Tammuz voor kwamen.

Laat ons dus wel begrijpen dat, zo er een fout is gemaakt, het wel de poging was om de leer in stoffelijke zin te organiseren, waarbij men welhaast moest aanleunen bij reeds bestaande rituelen en gebruiken. Een fout, omdat men juist daardoor zichzelf vervreemde van de essentie van de leer, zo het onmogelijk makende deze ware inhoud van de oorspronkelijke leer aan alle leerlingen door te geven, omdat daarin immers eenieder gelijkelijk gerechtigd is tot het stellen van vragen over de leer. Juist dit laatste kan men binnen een organisatie niet meer toelaten. Men eist dan ook gemeenlijk dat het antwoord van de priester, de theoloog, door ieder zonder twijfel of overweging als juist en beslissend aanvaard zal worden. Organisatorisch is dit noodzakelijk, omdat alleen zo een zekere eenheid binnen het christendom gehandhaafd kan worden. Vanuit een standpunt van werkelijk kennen en beleven der leer kan dit echter niet aanvaard worden.

  • Was er dan een andere weg mogelijk? Zij wilden toch uitgaan om de essentiële inhoud van Jezus leer te verspreiden en dat kon toch niet anders geschieden dan het gebeurd is?

Volgens mij wel degelijk. Organisatie betekent nog niet, dat werkelijk de essentiële leer kan worden uitgedragen. Een voorbeeld uit deze tijd: Bij zendings- en missiewerk brengt misschien 1 op 100 zendelingen een werkelijk en menselijk contact met degenen, die hij wil bekeren, tot stand. D.w.z. dat veel werk verzet wordt, dat sociaal nuttig kan zijn, maar godsdienstig, geestelijk, geen betekenis of zelfs een kwade betekenis heeft.

De leerlingen van Jezus daarentegen moesten uitgaan zonder bezit, predikende waar men hun woord wilde horen, zonder de steun van een organisatie of gemeenschap op de achtergrond. Zij moesten vanuit zich door woord en tekenen de leer van de Meester bekend maken, niet met steun van een soort geestelijke naamloze vennootschap, die het hemelrijk aan de mens wil verkopen. Hierin wordt de fout reeds zichtbaar: Je kunt door je leven een leer waar maken. Maar op het ogenblik, dat je de leer stelt als iets, wat niet vanuit het innerlijk wordt overgedragen, maar vanuit handboekjes, catechismus en standaardpredicaties, is er geen sprake meer van het onmiddellijke innerlijk contact met God, de erkenning van het Koninkrijk, zoals bijvoorbeeld Paulus deze beleefde.

Wat overigens niet wil zeggen, dat ik het met Paulus in alles eens ben. Uit zendbrieven en catechismus ontstaat een uiterlijke leer, een systeem dat verre van God blijft, omdat de innerlijke beleving, die de kern is van het christendom, hierbij vervangen wordt door uiterlijkheden. Dit is ook de reden, dat ik – en met mij velen – protesteren, wanneer het gaat over Paulus. Hij maakt van de kerk een organisatie, terwijl wij elke organisatorische vorm hiervoor juist schadelijk en uit den boze achten.

Wat een vrijwilligheid moest zijn, is langzaam maar zeker tot een soort gewetensafpersing geworden onder bedreiging met de hel. Misschien is dit hard gezegd, maar het is helaas maar al te waar. Men gebruikt hel en hemel niet slechts als delen van een leer, een beleving, maar als middelen om eigen invloed te vergroten. Dit alles met het gevolg, dat men nu zit met een organisatorische vorm die men niet meer prijs kan en wil geven, omdat men zich alleen daarin zeker voelt. Men meent dan, dat men dichter bij God staat, als men binnen een kerk samenkomt volgens de regels van de organisatie.

Ik zeg u echter, dat het beter is in een huiskamer of in de vrije natuur samen te komen en je dicht bij God te voelen, dan in de grootste kathedraal een dienst bij te wonen, die uiteindelijk – neem mij niet kwalijk, maar ook dit is waar – grotendeels slechts een weergave van voorchristelijk tempeltheater is.

  • Wat weet een geslachtsrijp kind, voorgelicht op de door u gestelde wijze, van de geestelijke waarden, waar hij of zij tegenover staat? Zou dit niet voeren tot spelletjes, die uiteindelijk het blasé worden van het kind veroorzaken?

Ergens ben ik het wel met u eens: het kind, dat goed voorgelicht is op seksueel terrein, zal van de geestelijke waarden en mogelijkheden waarschijnlijk niet meer begrijpen, dan het niet voorgelichte kind, dat onbegrepen dromen droomt over hetzelfde en de leringen van godsdienst etc., met de seksualiteit eveneens slechts ten dele of verkeerd in verband brengt. En dat deze kinderen zullen komen tot seksuele spelletjes, dat is wel zeker. Maar komen die elders niet voor? Is dit nu werkelijk zo ongezond?

Om U een klein voorbeeld te geven: Onder de Kanakas vinden wij vele groepen, die voor het huwelijk een absolute seksuele vrijheid kennen. Vreemd is daarbij voor u misschien, dat zij na het huwelijk een trouw kennen, die hier in het westen alleen bij de beste huwelijken heerst. Wanneer deze mensen trouwen, gaat het hen niet alleen meer om de animale attractie. Bevrediging van dit element kan men ook zonder huwelijksbanden verkrijgen. Voor hen gaat het hoofdzakelijk om de saamhorigheid, de vorming van een gezin. Disharmonische huwelijken komen daar maar in verhouding zeer zeldzaam voor. De houding van de gehele gemeenschap plus eigen geheel kennen van alle seksualiteit en mogelijkheden draagt hiertoe zeker zeer veel bij. Vergelijk dit nu met een “kuise” wereld, waarin seksuele spelletjes, of zelfs de aandacht van het kind voor eigen geslachtsorgaan “vies” heet, en zie eens, hoeveel ellende er daar ontstaat door gebrek aan voorlichting, mogelijkheden, inzicht dank zij een pruderie, die niet meer redelijk is, maar een van de normale delen van het menselijke leven wanhopig probeert te verbergen achter de beddengordijnen. Zie naar alle overbodige ellende van geslachtsziekten, scheidingen, kinderen die mislukken in het leven, omdat hun ouders voor het fatsoen bij elkaar bleven, maar erger, leefden dan kat en hond – want dieren wennen uiteindelijk tenminste nog aan elkaar en gunnen dan de ander zowel als zichzelf vrede.

En voor de rest, kijk eens hoe vaak in deze maatschappij de seksualiteit, zowel in als buiten het huwelijk, eenvoudigweg wordt uitgebuit om er winst mee te maken, hoe vaak een huwelijk in wezen een broodkaart wordt. Dit alles overtuigt mij er van, dat de benadering van deze christelijke maatschappij t.a.v. de seksualiteit en haar moraal in dit opzicht op zijn minst vraagwaardig is.

Dit wil nog niet zeggen, dat degenen, die nu zo zouden worden opgevoed, opeens geheel gelukkig enz. zouden zijn. Want zij zullen met hun inzichten moeten leven in een wereld, die onkunde en vooroordelen nog steeds blijft handhaven. Indien u vraagt waarom, vraag u dan eens af, wat het lot is van iemand, die barrevoets gaat te midden van een menigte, die schoenen draagt. In het begin zullen de enkelingen, die reeds iets verder gevorderd zijn, als pioniers beschouwd moeten worden. Pioniers hebben het zelden gemakkelijk. Maar hun leven en werken zal noodzakelijk zijn om een vernieuwing mogelijk te maken, die nog heel wat verder gaat dan alleen maar een opgevoed worden zonder taboes en vooroordelen. Naar ik meen zal echter iemand, die op dit terrein adequate voorlichting en opvoeding ontvangen heeft, er op den duur beter voor staan dan zij, die zonder feitelijk weten worden opgevoed in de dorre fatsoenssfeer en het huwelijk op andere wijze zullen gaan beleven.

Dit is een periode van overgang en verandering, waardoor de oude normen van het huwelijk steeds minder hanteerbaar worden. De contractwaarde van het huwelijk, zoals deze voortkomt uit de oude tijd, wordt ook niet meer waarlijk gerespecteerd, terwijl men veel te weinig inzicht heeft in de voorwaarden, waaraan men moet voldoen, om een werkelijk en blijvend contact met elkander te kunnen vinden. Het seksuele is niet de verrukking, die voeren moet tot de wens te huwen, maar zal eerder beschouwd moeten worden als de premie die komt bij een innerlijke gebondenheid, die men ook zonder dit zou erkennen en behoeven.

Om het heel eenvoudig te zeggen: Men moet begrijpen, dat de hartstocht in het huwelijk in wezen geen plaats heeft. De plaats daaraan, nu nog vaak toegekend binnen het huwelijksleven, zou vervangen moeten worden door vriendschap.

M.i. is het ook nu noodzakelijk tot deze vriendschap te komen en de hartstocht als secundair te leren zien, voor men kan komen tot een goed en gelukkig huwelijksleven.

Velen zullen hier misschien met mij van mening verschillen. Toch meen ik, dat u er goed aan zult doen hierover eens na te denken.

  • Men zegt, dat in de bijbel staat, dat huwelijken in de hemel gesloten worden. Hoeveel procent werkelijk?

Er staat ook geschreven: “In het rijk der hemelen wordt niet ten huwelijk gegeven, noch ten huwelijk genomen.” Het zou een rare streek zijn, wanneer zij het huwelijk alleen als exportproduct zouden handhaven. Waarmee ik maar wil zeggen, dat wij in de bijbel zoveel tegenspraken kunnen vinden, als wij maar willen. Christenen zouden zich daarbij aan de laatste uitspraken, namelijk die Jezus gedaan heeft, moeten houden. Denkt men werkelijk dat huwelijken in de hemel gesloten worden?

  • Dat verwante zielen elkander vinden….

Waarvoor geen huwelijk noodzakelijk is. Een geestelijke band kan immers zelfs bestaan, zonder dat er ooit van enig lichamelijk contact sprake is? Zo men dus wil aannemen, dat er een huwelijk in de hemel gesloten wordt, zo zal dit m.i. dus altijd een geestelijke eenheid zijn, die niets met het stoffelijk huwelijk of de procreatie van de mens te maken heeft.

  • Wanneer men geheel eerlijk is, is dit dan de juiste moraal die u bedoelt?

Ja. Dat zou de juiste moraal zijn: iemand die in alle dingen tegenover zichzelf en anderen voortdurend oprecht en eerlijk is, zal nooit zichzelf vermommen voor anderen en leeft in waarheid. Het zal in deze tijd echter nog zeer moeilijk zijn, zo te leven. Absolute eerlijkheid tegenover God, ik en mens is de juiste moraliteit.

In het heden betekent het, dat je daarin misschien je God ontmoet, maar onder mensen niet zult kunnen leven. Er moet gezocht worden naar een vorm van eerlijkheid, waardoor men toch nog mens onder de mensen kan blijven. Nu houd ik niet van een compromis. Maar als er al een begin gemaakt moet worden, zo wil ik u aanraden: Begin met volledig – rücksichtslos – eerlijk te zijn tegenover jezelf. Agressief eerlijk tegenover jezelf zijn brengt met zich, zoals men zal ontdekken, dat het steeds moeilijker wordt om oneerlijk te zijn tegenover anderen, zonder dat je daarom nu ook alle conventies onmiddellijk over boord hoeft te zetten.

Iemand, die echter zonder enig voorbehoud steeds eerlijk zou zijn en daarvan steeds blijk zou geven, zou in deze wereld, naar ik vrees, eindigen in een gekkenhuis of in een gevangenis. Een geheel concreet antwoord is dus niet te geven op een wijze die ook praktisch verwerkelijkbaar is. Ik meen, dat dit te wijten is aan de overgangstijd, waarin de aarde zich nu bevindt.

  • De mens dient zich te realiseren dat egoïsme de grootste immoraliteit van deze dagen is. Vergroten van de persoonlijke verantwoordelijkheid als opvoedingsmaatregel is hierop het antwoord. Is dit juist?

Ja. In de opvoeding zullen de ouders enerzijds moeten leren het kind de consequenties van eigen daden te laten dragen vanaf het ogenblik, dat het in staat is deze consequenties te dragen, en dus niet pas vanaf het ogenblik, waarop het kind in staat is deze consequenties zelf te beseffen. Daarnaast zullen de ouders zich moeten realiseren, dat de rechten, die zij op het kind plegen uit te oefenen, maar al te vaak ook een vorm van egoïsme is.

Door het kind steeds een eigen positie, een eigen taak en een zekere zelfstandigheid te geven binnen de gemeenschap van het gezin bereikt men, dat het opgroeit tot een evenwichtig en redelijk onzelfzuchtig mens. Door het kind geen taken op te dragen, of steeds voor de gevolgen van eigen daden te beschermen, bereikt men alleen maar een voortzetting van het kinderlijke egoïsme.

Het feit, dat men reeds langere tijd dit laatste heeft willen doen – het kind moet het beter hebben dan wij – is er de oorzaak van, dat er tegenwoordig zoveel pubers van 40 à 45 jaar oud rond lopen.

  • In tegenstelling tot vroeger is de mens meer vrij in zijn persoonlijk leven, maar minder vrij in zijn bereikingen. Kunt u dit met een voorbeeld toelichten?

Tegenwoordig kan het niemand schelen, hoe u uw huis inricht, welke kleren u draagt, welke kleuren zij hebben; zelfs maakt men zich er niet zo erg druk over, wat voor geloof u wel of niet aanhangt. Maar u mag niet te snel rijk worden, want daarop drukken steeds sterkere lasten, daarmede zijn steeds grotere moeilijkheden verbonden binnen de gemeenschap.

  • Het staat je toch vrij om miljonair te worden als je wilt?

Dat is niet helemaal waar. Op het ogenblik dat u vermogen begint te vergaren en dit zelfstandig doet, wordt u in Nederland, maar ook elders als bv. de USA. zo zwaar belast, dat iemand, die bv. 200.000 dollar per jaar verdient en eerlijk aan al zijn verplichtingen zou willen voldoen, daarvan over zou houden iets minder dan 45.000 dollar.

Ga de progressie van belastingen en de beperkende maatregelen bij bedrijfsuitoefening in eigen land maar eens na, indien u de juistheid van het gestelde betwijfelt. Ik geef toe, dat men, om daaraan te ontkomen, een nv kan stichten, die dan voorzien wordt van een aantal dochtermaatschappijen, die onderling verliezen kunnen uitwisselen om zo de winst te drukken. Hierdoor kan men zelfs komen tot een voortdurende bezitsvergroting, terwijl men schijnbaar met een voortdurend deficit werkt.

Zo kun je dus wel miljonair worden, met dien verstande, dat je bezit niet vrijelijk gebruikt kan worden, maar moet worden vastgelegd in een aantal ondernemingen. Zou men alles te gelde maken, dan zouden daardoor zovele lasten van inkomen, vermeerdering van vermogen enz. voldaan moeten worden, dat men weinig of niets meer over houdt.

  • En met geestelijke bereikingen?

Zolang men die voor zich houdt, zal de maatschappij zich daarvan niets aantrekken.

Maar als u vroeger aan yoga gedaan zou hebben of een ander geloof, ja, zelfs een andere stelling of filosofie zou verkondigen dan de officiële, dan zou u voor een kerkelijk gerecht gedaagd zijn.

Dit was de enige wijze, waarop men in de middeleeuwen aan een auto kon komen, want voor zoiets werd je zelfs tot lijdende hoofdpersoon van een auto-da-fé.

Ook nu bestaat zoiets nog weleens, maar toch niet meer in die mate. Denk aan de heksenjacht op communisten. Maar zelfs hier kan men vrij zijn, zolang men aan de mensen zijn inzichten maar niet voorlegt of opdringt, blijft men geheel vrij. Hoe groot echter zelfs naar buiten toe deze persoonlijke vrijheden ook mogen zijn, in zijn verhoudingen tot de gemeenschap en t.a.v. de mogelijkheden die men daarin heeft, wordt men steeds meer gereglementeerd en gelimiteerd.

Esoterie

Men heeft mij weer eens dit tweede “esoterische” deel van de bijeenkomst in de schoenen geschoven.

Ik moet uit de aard der zaak uitgaan van mijn eigen denken en reageren. Ik begin dan ook maar eenvoudig.

De meeste mensen beschouwen verstand als iets, waarvan je niet al te vaak gebruik moet maken, maar waarop je je wel voortdurend dient te beroemen. Hoe meer men zich op zijn verstand beroemt, hoe minder men geneigd schijnt het ook te gebruiken. Angst voor slijtage misschien.

Wie geestelijke waarden wil leren kennen en geestelijke werelden wil benaderen, zal moeten beseffen, dat het verstand het werktuig is, waardoor men de gevoelens op de juiste wijze moet richten en waardoor men later de innerlijke belevingen voor zichzelf zal moeten vertalen en waarmaken.

Degene, die het verstand wil gebruiken als criterium voor zijn geestelijk beleven, zal steeds weer tekortschieten om de doodeenvoudige reden, dat de mens niet voldoende verstand heeft om de werkelijkheid van het leven en de geest te begrijpen.

Wanneer wij innerlijk tot een begrip van God trachten te komen, zullen wij moeten beginnen met de constatering, dat al onze voorstellingen van God voor ons reeds dood waren, voor wij in staat waren ze te omschrijven. Want alles wat wij omschrijven, ontbeert het mystieke en geheimzinnige, waardoor de emotionele binding en het innerlijk gevoel van vereenzelviging teloor gaat. Wie God verstandelijk wil benaderen, zal ontdekken, dat hem niets meer blijft. Zij, die een concreet beeld van God prediken, zijn voortdurend bezig elk waar begrip van God in zich en anderen te doden.

Indien men echter naast begrip voor al het andere, het onbeschrijfbare geheim, dat men God noemt, kan blijven aanvaarden en juist op dit niet definieerbare met zijn gevoelswaarden zich kan blijven oriënteren, zal zich steeds weer in het leven gevoelen als een avonturier, die bezig is een witte plek op de kaart te onderzoeken. Hij weet niet precies, wat hij zal ontmoeten. In menig geval zal het meer gevaar en zorg dan plezier zijn. Maar men zal er wijzer door worden en zichzelf steeds beter leren kennen, eigen Ik steeds juister leren kennen en uitdrukken.

De innerlijke tocht naar God is niet in de eerste plaats een roes, waarbij men God in kaart brengt, maar een reis, waarop men zichzelf leert kennen door de wijze, waarop men de proeven, die men op zijn weg ontmoet, doorstaat.

Het is natuurlijk leuk van jezelf een beeld te vormen, dat goed is. Vandaar dat de meeste mensen zich fantastische voorstellingen van hun eigen wezen en waarde maken, waarmede de rest van de wereld het echter maar uiterst zelden voor een ogenblik eens zal zijn.

Indien ik een juist beeld van eigen wezen, het kunnen geroepen zijn e.d., bezit, zal ik dit beeld op de proef moeten stellen. Men zal moeten nagaan, of men nu werkelijk zo goed of moedig is, als men denkt, of men zo handig is als men meent en zich zo goed kan aanpassen, als men veronderstelt. Je zult steeds weer moeten nagaan, of je werkelijk in staat bent de Hogere Waarden in jezelf tot werkelijkheid te maken, zoals je zo graag droomt.

Men moet zichzelf leren kennen. De gehele esoterie is in feite een scholing tot concrete zelfkennis.

Het zoeken naar God is niet in de eerste plaats het zoeken naar het onbekende, maar het erkennen van eigen wezen, doordat men zich in het onbekende durft wagen. Het onberekenbare is daarbij van het grootste belang.

Een mens die leeft in een wereld vol van verzekeringen, zelfs indien een groot deel daarvan niet zo waar en betrouwbaar is als hij meent, voelt zich zo geborgen in een vast geheel, zodat hij zijn denken en leven geheel baseert op dit geheel en eigen wezen geheel vormt naar dit geheel.

M.a.w., de doorsnee mens is een lachspiegelweergave van de wereld, waarin hij denkt te leven.

Wie wil ontkomen aan een geheel en tegen eigen aard in gevormd worden door het milieu, door het andere, moet in de eerste plaats bereid zijn het onbekende steeds weer te aanvaarden en het bekende op zij te zetten of achter te laten. Hij moet in de eerste plaats bereid zijn zichzelf op de proef te stellen.

Mensen, die zeggen, dat zij veel willen bereiken, beginnen meestal alle moeilijkheden zoveel mogelijk te ontlopen. Daardoor komen zij in een vreemde situatie te verkeren. Denk maar eens aan vele zogenaamde heiligen die, om de hel in het hiernamaals te ontlopen, voor zich en soms ook voor anderen een hel op aarde geschapen hebben.

Het is een vreemde menselijke methode: Het gevreesde waar maken om eraan te ontkomen.  Toch zijn er vele mensen, die dit doen, zelfs in de esoterie. Ik geloof niet, dat het onze plicht of taak is om uzelf het recht te ontzeggen te zijn, wat wij zijn. Ik meen daarentegen dat het onze taak en plicht is onszelf te erkennen, zoals wij zijn en al datgene, wat wij in onszelf waardevol achten op de proef te stellen, tot wij zeker weten, dat het waarlijk een deel van onszelf is en niet alleen het gebruikelijke sprookje, dat men met vele goede manieren meestal aan de buitenwereld als het werkelijke beeld van het eigen ik voorgoochelt.

Het zal u duidelijk zijn, dat zelfkennis, zoals altijd, ook nu weer de kern van mijn betoog vormt.

De meeste mensen weigeren met zichzelf kennis te maken. Zij gaan liever met beter gezelschap om. Ik geef toe, dat je vaak voor jezelf geen aangenaam gezelschap bent. Iemand die zich verdiept in alle fouten die hij heeft, krijgt immers al snel de gedachte, dat, wat hem in het leven ook overkomt, het voor hem nog veel te goed is. En dit zou een negatieve levenshouding kunnen veroorzaken.

Er zijn mensen, die zozeer van hun eigen zondigheid overtuigd zijn, dat zij alvast maar gelaten de ramp afwachten, die zij menen te verdienen. Die zijn, volgens mij, de grootste stommelingen.

De wijze erkent, waar zijn eigen tekorten liggen en zal trachten ondanks deze tekorten datgene te bereiken, wat voor hem innerlijk bevredigend is. Zolang de uiterlijke wereld de weergave wordt van datgene, wat in mij geheel bevredigend en aanvaardbaar is, kan ik met die wereld leven en er mee doen, wat ik wil. Wat meer is: Alles, wat ik dan in die wereld tot stand breng en ervaar, is dan een verrijken van mijn innerlijk bestaan, mijn werkelijke leven.

Helaas zijn er vele mensen, die menen, dat men een bevredigend innerlijk leven het best bereikt door een ander getrouwelijk te volgen in al zijn stellingen en praktijken – althans de stellingen en praktijken, die de ander u predikt. Pas veel later ontdekt men dan, hoe dwaas men in feite is geweest, door eigen waarden teloor te laten gaan en eigen beleven te beperken tot een je beperken op de waarden van een ander. Elke mens heeft een eigen aard, een eigen natuur.

Begin dus niet te stellen, dat je bepaalde dingen niet hebt, dat je tekortschiet, maar erken welke waarden er in je schuilen. En vraag je af, op welke wijze je daarvan zo gebruik kunt maken, dat zij je innerlijk iets zeggen, dat je innerlijk vrede vindt en de betekenis en waarde van je leven steeds ziet groeien in eigen besef.

Helaas beschouwen vele mensen esoterie als een soort sausje, dat men gebruiken kan om het aangebrand zijn van de werkelijkheid te verbergen. Maar de smaak van het bestaan verandert daardoor niet. Vele mensen gebruiken geestelijke en hogere waarden als een soort valscherm in de hoop, dat zij daardoor niet te hard op de bodem der werkelijkheid zullen neervallen. Zij zijn degenen, die hun morele stuit vaak heel wat ernstiger bezeren dan degenen, die de werkelijkheid zonder meer aanvaarden.

Realiteit en realisme zou eigenlijk een belangrijk deel moeten uitmaken van alle esoterie. Zodra je het geestelijk leven buiten of boven de werkelijkheid stelt, wordt het geheel tot een illusie, die je er steeds weer toe brengt onnodig je neus te stoten.

Sommige mensen zijn geestelijke hoogvliegers. Niet alleen laten zij vaak iets vallen, wat voor mensen op lager niveau hinderlijk is, maar bovendien worden zij regelmatig vleugellam. Waar zij dan terecht komen, wordt niet door hun geestelijke wijsheid, maar door het toeval en de menselijke natuur bepaald. Het is vaak niet eens meer een lit-jumeaux. Daarom omschrijf ik enkele punten, die, volgens mij, esoterisch van belang zijn.

Zelfkennis: De realisatie, dat je vele fouten hebt met de uiteindelijke conclusie, dat je nog zovele andere mogelijkheden hebt, dat je nooit geheel onaanvaardbaar zult zijn.

Zelfvertrouwen: Het begrip, dat je leven moet of je wilt of niet en het vertrouwen, dat dit leven dan ook zin zal hebben, ook al begrijp je deze nog niet. Want eerst dan zal men zichzelf zover durven vertrouwen, dat men het avontuur van het leven aandurft en daarin overwinningen kan behalen.

God: Wanneer wij van God een uitvlucht maken, is Hij alles, wat wij niet kunnen zijn, kunnen doen, durven zijn of doen en de aanvulling van onze tekorten, de schuld van alles ook, wanneer het ons niet zo goed gaat. Een dergelijk beeld van God kan men beter terzijde stellen. Ziet men God echter als een krachtbron, waarop men zich kan beroepen, wanneer men meent niet verder meer te kunnen, zo zal men ontdekken, dat deze God een kracht is, die de mens in staat stelt steeds een paar stappen verder te komen dan hijzelf ooit mogelijk had geacht. In deze zin is God de grote stimulans van onze bewustwording, de kracht, waaruit wij waarlijk leven en de bron van onze uiteindelijke bereikingen.

De innerlijke weg: Dit is de erkenning van de relatie, die tussen het ik en het andere – de buitenwereld – bestaat. Zodra de innerlijke weg alleen maar een zelfbeschouwing wordt, is zij slechts een vertroetelen van eigen onvermogen. Zodra zij een erkennen wordt van de relatie tussen ik en Al, en tot uiting komt in een zoveel mogelijk volgens waarheid erkennen en aanvoelen van het andere, volgt daaruit, dat zij de weg is, waardoor de waarheid ook bewust bereikt kan worden.

Nutteloos is al datgene, wat wel begrepen wordt, maar toch geen resultaten oplevert.

Hulpeloos is eenieder, die zijn beste denkbeelden niet zo kan uitdrukken, dat een ander althans aan kan voelen, wat hij wil zeggen. Radeloos wordt elke mens, die in de wereld die hij uiterlijk kent, naar een reden van bestaan zoekt. Wie zoekt naar een innerlijke aanvaarding van het bestaan, zal daarin ook een reden van bestaan vinden en zijn radeloosheid verliezen.

Wie spreekt over liefde, spreekt over het algemeen over zichzelf. Wie waarlijk liefheeft, vergeet zichzelf. Daarom is liefde een vorm van zelfvergetelheid, waarin men een waarheid kan vinden, die groter is dan het eigen ik. Het ik zoekt dan daarin een mogelijkheid om zich in het grotere uit te drukken en leert zo daarin bewust te leven. Liefde is niet beperkt tot enigerlei terrein, zij kan overal bestaan en zich overal uitdrukken in elke vorm.

Het laatste, wat ik hier nog esoterisch op wil merken: De meeste mensen beschouwen alles, wat niet strookt met hun eigen gevoelens, opvatting en geweten, als gezeur of onzin. Daardoor is het aantal onzinnigheden op deze wereld aanmerkelijk groter, dan noodzakelijk zou zijn. Wanneer men beseft, dat eenieder, voor hetgeen hij zegt, denkt en doet, een reden moet hebben en probeert die reden te begrijpen, zo zal men wel niet de ander kunnen begrijpen, maar zich toch een juister beeld kunnen vormen van de eigen wereld. En daardoor zal men in die wereld juister kunnen reageren.

Zo, dat is alles. Misschien wilt u nog een paar definities?

Loonronde: Een loonronde is een getalsmatige toename van het salaris, die een werkelijke vermindering van waarde inhoudt, die ongeveer de drievoudige inhoud van hetgeen men aan getalwaarde denkt te winnen.

Economie: Economie is het systeem, waardoor men verklaart, waarom het gaat zoals het gaat, zonder daarom in staat te zijn te bepalen, dat het zal gaan zoals men wil, dat het gaan zal.

Anarchie: Het systeem, waarin men elke wet overboord gooit in de hoop, dat iedereen voldoende bewustzijn heeft om naar eigen wet te leven. Wanneer men tot het bewustzijn komt, dat niemand voldoende bewustzijn bezit, om zich eigen wetten te stellen, tracht men anderen de wet te stellen, waardoor de anarchie een dictatuur wordt, die uit terreur geboren wordt.

Atheïsme: De ontkenning van God als de ene persoon, het mannetje. Dit is gebaseerd op het aanvoelen der goddelijkheid in alle dingen, die men echter niet tot uitdrukking kan brengen.

Ik: De uitdrukking, die men geeft aan de grootste reeks van samen geraapte tweedehands idealen, die een mens samen kan brengen en over het algemeen beschouwt als een moeder haar kind: een schoonheid. Men doet dit, omdat men deze illusie niet wil laten vergaan. Het werkelijke ik is het geheel van eigen impulsen en mogelijkheden, uitgedrukt in eigen betekenis in de totaliteit t.a.v. het andere.

Inwijding: De erkenning van een hogere waarde op grond van belevingen, vaak aangevuld met richtlijnen, die men van anderen ontvangt. Elke inwijding wordt echter door de ingewijde aan zichzelf gegeven door de wijze, waarop hij innerlijk verwerkt, wat hij buiten het tot nu toe voor hem als normaal geldende erkend heeft.

 

 

 

image_pdf