Mysticus contra geheimschool

uit de cursus ‘Mystieke ontwikkeling’ – (Hoofdstuk 5)

In de stelling van deze titel hebben wij een tegenstelling gelegd, die in feite niet aanwezig is. U zult begrijpen dat deze tegenstelling dus absoluut kan wegvallen, indien onze eigen instelling een zuivere en goede is t.o.v. het probleem. Want een geheimschool is uiteraard een lichaam met zekere magische en esoterische kennis, dat tracht deze kennis ‑ deze bijzondere kwaliteiten ook, die men erin be­zit ‑ mee te delen aan de leerlingen door hen te beperken zowel in hun mogelijkheden van denken als ook vaak van leven. Deze beperkingen houden o.a. vaak in een totale indeling van de mens in verscheidene klassen (dus langs de weg der geleidelijkheid), waarbij zijn eigen visie op het leven aanmerkelijk wordt gewijzigd. Dan een gebod, bij de meeste scholen zeer gebruikelijk, waarin wordt vastgelegd dat men gedurende de tijd der scholing alleen de stellingen van de leraren daar, de daar verkondigde leer, zal aanvaarden en bestuderen en andere leerstellingen buiten beschouwing moet laten. Lichamelijke beperkingen, o.a. betreffende de voeding, daarnaast ook heel vaak gebruik van genotsmiddelen, sociaal verkeer en wat dies meer zij.
De mysticus behoeft deze beperkingen zeker niet te aanvaarden en in vele gevallen voelt hij zich afgestoten door een geheimschool, of zelfs een kerkelijke instantie, omdat het gevreesde dogma, de vaststaande leerstelling, voor hem betekent een prijsgeven van zijn eigen leven en denken. De mysticus tracht door te dringen in de mysteriën, die verborgen zijn in al het levende. Om dit op de juiste wijze te doen, probeert hij zich daarin te verzinken en te komen tot beleving van een totale waarde. Eventueel omvattende het totale bestaan, de totaliteit, ofwel de totale lijn vanaf het Goddelijke tot de geschapen uiting. Hij meent dat hij in deze keuze volledig vrij moet zijn en zal in vele gevallen zelfs trachten stelling te nemen tegen elke instantie, die deze gewaardeerde vrijheid tracht te beperken.
Het standpunt van de mysticus is echter slechts zeer ten dele juist. Want eenieder, die in de mysteriën is doorgedrongen en dus kennis heeft genomen van de innerlijke betekenis van leven, van kracht en bestaan, weet dat alle wegen bruikbaar zijn om hetzelfde doel te bereiken. Er is immers géén sprake van een verstandelijk vastgelegde leerstelling of een mentaal begrijpelijk beeld. Er is een harmonie van gevoelswaarden met hogere waarden noodzakelijk en dit kan binnen elke geheimschool volledig worden verworven. De mysticus kan dus in vele gevallen de geheimschool gebruiken om zijn eigen basis voor verdere ontwikkeling te vergroten. Ik stel mij daarbij ongeveer het volgende voor:
Iemand komt door overweging, contemplatieve beschouwing, tot een inzicht, dat contact geeft met andere werelden, een contact geeft vooral ook met de grote werkelijk levende krachten, die achter het uiterlijk van de schepping verborgen zijn. Hij tracht nu om te komen tot een concretisering van dit ervaren in zijn eigen bestaan. Kan hij dit niet doen, dan zal hij in vele gevallen zich van de maatschappij, van de mensheid trachten af te zonderen en juist in die eenzaamheid veel van zijn leven verliezen; veel van de ervaring, die voor hem noodzakelijk is, veel van de bewustwording, die toch ook zozeer belangrijk is bij zijn opgang tot hoger licht. Hij moet dus wel trachten een basis te vinden.
Deze basis kan hij misschien eerst vinden in een kerk of kerkgenootschap. Hier vindt hij een vastgestelde leer, een reeks van vaste stellingen, waardoor een wereldbeeld wordt gevormd, dat hij dan enigszins kan trachten aan te passen aan zijn eigen ervaren. Er blijft dan echter altijd een discrepantie bestaan tussen de innerlijke ervaring en de uiterlijke kerkelijke leer. Dit betekent dat op de duur die kerk verlaten wordt voor een ander, misschien ietwat vrijer of dieper in de materie doordringend lichaam als b.v. een meer ethisch of esoterisch genootschap. Daar wordt dan gezocht naar een verdere verklaring voor al hetgeen het ‘ik’ doormaakt. Het feit dat een zekere vaste omlijning kan worden gegeven aan dit eigen bestaan, maakt het mogelijk om voortdurend in contact te blijven treden met de wereld en geeft ook tevens inzicht in hetgeen in die wereld gebeurt. De bewustwording wordt dus wel zeer bevorderd.
Daarna echter is ook dit niet voldoende. Want de mysticus beleeft vaak bijna goddelijke waarden in zichzelf; en de lering, die moge nog zo schoon en esoterisch klinken, is niet meer voldoende zonder een ook hier bestaande mogelijkheid tot verwerkelijking van het beleefde. Hij komt dan over het algemeen terecht bij een kring, die de magie op enigerlei wijze beoefent. Deze magische beoefening geeft hem de mogelijkheid in de praktijk te brengen wat z.i. juist is. Toch blijft hij gebonden aan rituele voorschriften en zal hij ook in zijn experimenten wel degelijk aan zekere beperkingen onderworpen blijven. Eerst van hieruit gaat hij over tot de hoog‑esoterische geheimscholen.
Een hoog‑esoterische geheimschool is in feite een lichaam, dat tracht de grenzen, die bestaan tussen mens én geest, tussen mens en God, teniet te doen. Ook hier weer ernstige beperkingen, vaststaande leerstellingen, kortom een poging om door reglementering de mensen te brengen tot ervaren. De mysticus, die dit kan aanvaarden, zal desondanks zijn eigen innerlijk leven blijven behouden. Slechts zal hij trachten de rationalisatie van dit innerlijk leven aan te passen aan de verstandelijk geleerde toestanden en leringen. Hierin bereikt hij dan een punt, waarbij de verstandelijke, dus b.v. stoffelijke ontwikkeling plus zijn mentale ontwikkeling geheel zijn aangepast aan zijn innerlijk mystiek beleven.
U zult uit dit beeld begrijpen, dat dus m.i. een mysticus kan behoren tot elke kerk, tot elke groepering van esoterische school, geheimschool, ja, zelfs lichamelijke scholing. In al deze gevallen is echter de scholing op zichzelf het middel voor de mysticus tot grotere zelfkennis en intenser zelfbegrip. Het zoeken naar de inhoud van het leven is in feite de werkelijke drang van de mysticus.
In de voorgaande lessen hebben wij u duidelijk gemaakt welke problemen daarbij kunnen rijzen en welke inhoud daarin gelegen kan zijn. Waar ik nu echter de tegenstellingen moet beschrijven en tevens aantonen, hoe deze slechts schijnbaar en niet werkelijk zijn, voel ik mij genoopt om toch nogmaals kort weer te geven:
a. de geestelijke inhoud en wording van een geheimschool;
b. de werkelijke betekenis en inhoud van het mystiek beleven.
Ik hoop dat u dit hierbij zult willen billijken en dus zult willen aanvaarden, wat ik u hier nogmaals voorleg.

Geheimschool.
In het Al kan vanuit menselijk standpunt het zijnde worden gesplitst in twee delen: Het kenbare en het niet direct kenbare. Juist deze laatste definitie, het niet direct kenbare duidt aan dat dus alles eenmaal kenbaar kan worden. Nu hebben vele leraren en denkers getracht door te dringen in de geheimen van de natuur, ja, in de geheime werkingen van de Schepper. Zij hebben voortdurend gemediteerd, geëxperimenteerd; zij hebben misschien openbaringen ontvangen of bijzondere geestelijke belevingen doorgemaakt. De resultaten daarvan zijn vastgelegd en op de duur ‑ meestal door de stichter van een geheimschool – gebundeld tot één betrekkelijk samenhangend geheel. Van een volledige samenhang behoeft geen sprake te zijn; deze zal dan vaak wel door een soort continuïteit in de lessen worden aangeduid, maar ze is toch niet geheel aantoonbaar.
Al die belevingen op zichzelf worden geboren uit het mystiek beleven. Het is dus het doordringen in het ‘ik’; door het ‘ik’ ervaren van harmonie met andere sferen of toestanden en zo te komen tot een realisatie van hetgeen zich daarin afspeelt of van de banden, die bestaan t.o.v. de wereld en de eigen persoonlijkheid. De geheimschool houdt zich nu niet slechts alleen aan deze ervaringen en ontdekkingen maar tracht, door een zo groot mogelijke benadering van de oorspronkelijke toestand der leraren en ontdekkers, de ontdekking ook voor elke persoon afzonderlijk tot een werkelijke beleving te maken. Hierbij is het noodzakelijk dat een zekere vaste volgorde van beleving en belevingsnoodzaak bestaat; in de tweede plaats dat een zeker sjabloon wordt gegeven Voor het Al, waarin men dus een soort schetsmatige landkaart van het totaal der mogelijke belevingen zou kunnen zien. Over het algemeen omvat deze landkaart dan de volgende punten:

  1. Er is een duistere wereld, er is een lichte wereld.
  2. Elke geest of ziel komt uit de lichte wereld, daalt tot de duistere wereld en keert vanuit de duistere wereld tot de lichte terug.
  3. Een dergelijke kringloop behoeft niet noodzakelijkerwijze met vol­ledig bewustzijn te worden afgelegd, zodat een deel van deze fasen door de normale mens niet wordt gerealiseerd.
  4. Door tijdens de huidige fase van bestaan onze kennis uit te breiden omtrent de krachten, die later zich voor ons zullen kunnen openba­ren plus een gebruik maken van alle wetten, die wij uit deze hogere krachten hebben geleerd, dan wel behouden hebben uit de lagere wereld, kunnen wij komen tot een levenspatroon, dat ettelijke fasen van deze kringloop voor ons gelijktijdig reëel maakt. In deze veelvuldige realiteit kunnen wij komen tot een grote persoonlijkheidsontplooiing, die ons eindelijk bevrijdt van de kringloop en ons een vast standpunt doet innemen t.o.v. al het geschapene.
    Daarnaast zal praktisch elke geheimschool trachten om zekere z.g. occulte bereikingen mogelijk te maken voor de leerling. Een der moest bekende geheimscholen b.v. legt zich speciaal toe op astrologie. Een daarnaast bestaande geheimschool heeft zich toegelegd op het z.g. automatisch schrift, een grote mate van beheerst mediumschap. Daarnaast vinden wij groeperingen, die in de eerste plaats stellen b.v. genezing vanuit de geest dan wel contact in ruimte en tijd, helderziendheid en wat dies meer zij. Er bestaan zelfs scholen, die als praktijk zuiver magie leren, dus een compleet complex van allerlei rituele bezweringen, formules, die contact zullen brengen met geestelijke krachten van een te voren bepaalde grootorde. De geheimschool heeft daarmee bereikt dat de ingewijde, degene, die de totale leer heeft doorgemaakt en met goed gevolg alle proeven doorstaan die de school oplegt, komt tot een uitgebreid begrip van de kosmos. Hij ziet rond zich in de wereld meer dan een normaal mens ooit zal kunnen ontdekken. Hij begrijpt daardoor meer van de samenhangen dan voor een eenvoudig mens mogelijk is. In zijn begrip zal zijn eigen houding te midden van de schepping juister zijn, terwijl ook zijn mogelijkheden tot ingrijpen aanmerkelijk ruimer kunnen worden getekend dan voor een mens, die deze gave niet bezit.

Er kan dus worden gezegd dat de geheimschool in de eerste plaats beoogt: een uitbreiding naar buiten toe. De ontwikkeling is er een, die niet de kosmos in het ‘ik’ tracht te betrekken en harmonisch te voelen als een eenheid met het ‘ik’, maar eerder een trachten het totaal der optredende factoren in de schepping te erkennen en het ‘ik’ daarin als harmonische factor in te voegen. Dit verschil met de mystiek wordt ons duidelijk, wanneer wij de mystieke leer nader bezien.
In de mystiek geldt niet de werkelijkheid. Hoe vreemd dit ook moge klinken, werkelijkheid en werkelijkheidszin is in de mystiek niet aanvaardbaar. Wel is aanvaardbaar een van uit de werkelijkheid komen tot belevingen, die niet realiseerbaar zijn voor anderen. Het gehele zoeken is gericht in het ‘ik’. Het brengt ons niet in de eerste plaats tot een uitbreiding van het eigen wezen over de schepping, maar tot een begrijpen van die schepping in onszelf. Een begrijpen, dat ontstaat door een gevoelseenheid, waarbij het ‘ik’ ver wordt opgeheven boven zijn eigen gevoelsmogelijkheid en zo een openbaring kan ondergaan van zelfs de allerhoogste kracht.
Voor de mysticus bestaat er geen vast plan in de schepping. Er bestaat slechts een vaste belevingsmogelijkheid, afhankelijk van zijn eigen instelling. Hij kan niet bepalen welke gevoelsfactoren zullen optreden bij een bepaalde instelling. Zijn zoeken naar mystiek beleven kan evenzeer beloond worden met de diepe verlatenheid van het duister als met de vreugdig‑lichtende ervaring van de hoogste werelden. Het is voor hem echter niet van belang dat hij alleen die hoogste, lichte werelden aanvaardt. Hij wil immers één zijn met het geschapene. Zo tracht hij in zich licht en duister samen te voegen, tot zij in een perfecte harmonie in hem de vrede scheppen. De vrede, die niet door een kennen te zeer begrensd wordt, maar die anderzijds toch wel een volledig één-zijn met al het zijnde voor het ‘ik’ tot werkelijkheid maakt.
U ziet het, bij de geheimschool ‑ ook al wordt op de innerlijke mens sterk de nadruk gelegd ‑ is sprake van een streven naar buiten toe. Hierbij wordt ‑ zelfs indien men het ‘ik’ perfectioneert om zo in te passen in een volmaakte wereld ‑ tenslotte toch steeds weer getracht om eerst met de buitenwereld iets te presteren. De mysticus wil geen buitenwereld. Hij wil in het ‘ik’ een volledige realisatie. Zo zal de geheimleer b.v. vertellen, in een bepaald punt althans: “Gij zijt een der vele bouwstenen. Maak uzelf volmaakt van vorm, opdat gij kun helpen de volmaakte tempel der schepping te bouwen.” Dat is een heel mooie stelling, maar zij is gebaseerd op het uiterlijk, ondanks alles. De mystieke tempel is een samenvoeging van waarden, die niet slechts geschieden moet vanuit het ‘ik’ en niet slechts in het ‘ik’ realiseerbaar is, maar die uit het samengaan van al het geschapene voortvloeit.
Bij weer een andere leer brengt men naar voren: “U moet in de kringloop van het leven een bewustzijn ervaren, dat u zowel het hoogste licht als het diepste duister bewust doet doorschrijden.” Ook dit is onjuist. Want hier gaan we dan reeksen van werelden en persoonlijke belevingen aaneenvoegen en trachten daaruit te komen tot een conclusie omtrent de Schepper. Echter, dan wordt het licht genomen als Schepper en is dus het duister de absolute tegenstelling. Er komt een dualiteit in, die het ‘ik’ in vele gevallen blijft delen in tegenstrijdige helften. Dit is niet aanvaardbaar voor de mysticus. De mysticus vraagt de eenheid. De eenheid, die niet geconcretiseerd wordt. De eenheid, die ervaren wordt en als ervaring op zichzelf voldoende is, de vervulling van alle leven en bestaan.
In ons onderwerpje wordt nu dus duidelijk dat tegenstellingen oppervlakkig zeker bestaan en zullen blijven bestaan, zolang mysticus en geheimschool voor elkaars wezen geen volledig gevoel kunnen ontwikkelen, geen begrip kunnen opbrengen. Wanneer wij echter zien hoe de mystiek voor ons op een gegeven ogenblik een stilstand bewerkstelligt zonder volledige vrede, omdat wij eenvoudig niet voldoende weten van het geschapene en daardoor niet in staat zijn harmonie daarmee te verwerven, wordt ons duidelijk dat ‑ al moet de mystieke bereiking het middelpunt van heb streven blijven ‑ daarnaast de scholing, die ook wereld en sferen tracht te erkennen, vaak noodzakelijk is. Beide krachten vullen elkaar aan. De schijnbare tegenstelling is in feite: twee waarden, die elkaar kunnen aanvullen tot een volmaakt geheel, maar die zonder elkaar vaak slechts zeer moeizaam en nooit volmaakt tot ontwikkeling komen. De geheimschool heeft geput uit de mystieke ervaring van een leraar. De mysticus put uit de leringen van de geheimschool, uit haar concrete kennis, haar magisch weten, ja, zelfs haar theorieën en veronderstellingen, om zo voor zichzelf een grotere harmonie te kunnen verwerven en dus volmaakter de innerlijke vrede te ervaren.
Het zal u duidelijk zijn dat, gezien het voorgaande, wij absoluut moeten stellen: De mysticus zal nooit en te nimmer zijn weg kiezen zonder de uiterlijke wereld daarbij in te schakelen. Want het bewustzijn is nodig voor een bewuste ervaring en zelfs een bewuste gevoelseenheid met de grootste kracht. De uiterlijke wereld zal moeten dienen als leidraad voor de innerlijke ontwikkeling. De innerlijke ontwikkeling zal de eenheid brengen, die het volledig mystiek beleven, de transformatie van het bestaande ego in het deel van het Groot‑Kosmisch Ego, dat wij God noemen, mogelijk maakt.
Op het ogenblik dat wij mystieke beleving en geheimschool tot overeenstemming trachten te brengen, zullen wij ongetwijfeld een reeks stellingen moeten gaan aanvaarden, die in feite een zeker dogmatisme in zich draagt. Ik moet daarom uitdrukkelijk verklaren dat hetgeen hier volgt, nooit bindend kan zijn voor praktijk, noch voor denkwijze, doch slechts aanduiding is van een mogelijkheid. Ik hoop dat u hiervan goede nota zult willen nemen.
Mystiek beleven: afstelling op oneindigheid, een je eigen wezen zozeer vervlechten met een grotere werkelijkheid, dat die werkelijkheid in jezelf realiseerbaar wordt, zij het dan als een gevoel en niet als een uitgedrukte gedachte. Dat is hetgeen de mystieke school over het algemeen beoogt. Echter blijkt het ons steeds weer, dat wij moeten zoeken naar eenheid met onze wereld en de toestanden, waarin we blijven bestaan. Dit geldt niet alleen voor degenen, die in de stof leven maar evenzeer voor degene, die in de geest bestaat. Vandaar dat wij onwillekeurig in onze mystieke beschouwing toch iets van geheimschool moeten invlechten. En daarom wil ik trachten voor u een aantal punten vast te stellen, die u eventueel als handleiding kunt gebruiken bij pogingen om de verdere lessen later te realiseren.
Al wat is, is onwerkelijk, maar voor ons is het een werkelijkheid. Wij kunnen nooit doordringen in het werkelijk wezen van het zijnde, zeker niet met verstandelijke middelen of langs de weg van de redelijke benadering. Wij moeten ons altijd blijven bepalen tot een zeer beperkte wereld. Maar die wereld, al is zij dan niet precies zoals wij menen dat ze bestaat, al beantwoordt ze niet aan de wetten, die wij menen te hebben vastgesteld, zij is toch deel van een grote werkelijkheid. Wij kunnen daarom niet onze kleine werkelijkheid zonder meer terzijde schuiven. Wij moeten vanuit onze eigen wereld en ons eigen bestaan komen tot het opbouwen van een innerlijke harmonie met die wereld.
In de eerste plaats zal daarvoor nodig zijn zoveel mogelijk alle directe strijd uit onze wereld te verdrijven. Dit betekent dat wijzelf een rustpunt moeten worden in een wereld, die door voortdurende tegenstelling haar werkelijke uiting bereikt. Het is vaak zeer moeilijk jezelf te beperken en niet met uitgesproken meningen of oordelen op de voorgrond te komen. Moeilijker is het nog om in alle dingen, goed en kwaad, steeds weer het Goddelijke te erkennen en daaruit dus gelijkelijk ervaring en kracht te blijven putten. Toch is een dergelijk leven, een dergelijke benadering van het bestaan noodzakelijk.
Wij weten verder dat al wat er bestaat aan regel en wet ‑ onverschillig of dit nu staatkundig, natuurkundig of anderszins is, reli­gieus b.v. ‑ steeds wordt ingegeven en vastgelegd door en gebaseerd op het menselijke. Als zodanig kunnen dergelijke regelen en wetten nooit een volledige uitdrukking zijn van het kosmisch bereiken, noch van de werkelijke innerlijke beleving. Daarom zullen wij deze regelen slechts oppervlakkig aanvaarden. Onder oppervlakkig hier te verstaan: in zoverre te aanvaarden, als zij niet in onmiddellijke strijd komen met eigen leven en levensdrang, terwijl zij gelijktijdig niet in strijd komen natuurlijk met het eigen geweten.
Het eigen geweten of de eigen ervaring is een bewustzijn via een stoffelijk medium, gebaseerd op omgeving plus innerlijk geestelijk bestaan. Dit geweten is een regulerende factor, die het ons mogelijk maakt om in de wetten der mensen en de door mensen geconstateerde grotere wetten onze eigen weg te zoeken, zonder belemmerd te worden door de beperking van anderen. Willen wij werkelijk tot een mystieke ontwikkeling komen, ja, tot een groot‑geestelijke inwijding misschien, dan zullen wij altijd deze wetten oppervlakkig moeten beschouwen. We zullen ze moeten handhaven, zover dit nodig is voor ons contact met de wereld, maar nooit mogen of kunnen handhaven, wanneer zij onmiddellijk schadelijk zijn voor ons eigen beleven.
Daarnaast: Wij zullen in ons zoeken naar innerlijke werkelijkheid steeds weer stuiten op het probleem. Want wat in ons leeft, is meestal stoffelijk niet te begrijpen of te verwerkelijken. Ja, dit geldt zelfs voor de lagere sferen, waar veel van hetgeen in hogere sferen normaal is, in deze sferen zich als onmogelijk en onredelijk toont. Wij moeten dus beginnen met het woord ‘onmogelijk’ eenvoudig uit ons woordenboek te schrappen. Alle dingen zijn mogelijk, alle dingen bestaan, maar slechts datgene, wat voor ons bestaat, mag verwerkt worden in onze daden. Daarnaast kunnen wij de ervaring van het onwerkelijke wel degelijk tot onszelf laten doorwerken en daardoor juist in deze schijnbare onwerkelijkheid tot een diepere eenheid met het Al komen.
De werkelijke wereld voor eenieder, die streeft naar bewustwording, is gelegen in het ‘ik’. Het ‘ik’ is buitengewoon belangrijk. Niet omdat het de beslissende factor is van uw wereld, maar omdat het het enige aanknopingspunt is zowel met geestelijke als met kosmische krachten, terwijl het bovendien een eigen houding en reactie t.o.v. de wereld bepaalt. De hieruit voortvloeiende consequenties zijn ongetwijfeld duidelijk. Ik zal ze desalniettemin in enkele regelen nog vastleggen.
Wij zullen te allen tijde bij al ons zoeken en denken moeten uitgaan van het ‘ik’ en de daarin behouden waarden. Wij zullen alle krachten, die zich rond ons openbaren en al wat rond ons leeft, in de eerste plaats moeten betrekken op het ‘ik’. We zullen moeten trachten de krachten, die in het ‘ik’ leven, t.o.v. alles buiten ons te openbaren en te uiten, voor zover ons dit mogelijk is; gelijktijdig echter al hetgeen in dit ‘ik’ niet bewust bestaat, toch te beleven, wanneer deze mogelijkheid voor ons zich voordoet.
Deze mogelijkheden zijn in de eerste plaats geestelijk, waarbij het ‘ik’ ‑ onttrokken b.v. aan de stoffelijke beperking tijdens de slaap ‑ kan doordringen in andere werelden en daaruit gevoelens kan meebrengen, die niet redelijk omschrijfbaar zijn. Het ‘ik’ wordt door de mysticus be­schouwd als de onmiddellijke uiting van God. Hij gelooft in een volledige overbrenging van het totaal van de goddelijke Kracht in zijn wezen en weet voor zich, dat deze volmaaktheid uit zijn beperking niet realiseerbaar is. Wanneer wij leven in een wereld van de fantasie, dan kunnen wij onze wereld aanmerkelijk uitbreiden boven het algemeen gekende. Toch is zelfs dit niet voldoende, want al hetgeen voor ons denkbaar is, is nog onderworpen aan dezelfde beperkingen, die ons ego belemmeren op te gaan in het Groot­ Goddelijke. Wij zullen dus moeten trachten zelfs achter de grenzen der fan­tasie te ervaren, waarbij de ervaring niet meer door oorzaken wordt geleid maar eenvoudig door de innerlijke kracht wordt gestimuleerd.
Dit kan gebeuren door b.v. na te denken over abstracte onderwerpen; deze abstracte onderwerpen in zichzelf te doen opkomen als een werkelijkheid, deze werkelijkheid te absorberen en het dan bestaande niet in zichzelf te ondergaan. Dit laatste is een zeer moeilijke oefening, die ik de meeste van u nog niet zou aanraden. Maar het behoort wel degelijk bij de weg van de mysticus, die tracht om vanuit het ego en door middel van het ego te komen tot erkenning van Kosmisch Ego, wat wij God noemen.
Een volgende regel zou onze houding t.o.v. het aardse en het stoffelijke nader kunnen bepalen. Ook hier is zeker geen enkel voorschrift, dus u behoeft zich hier niet aan te houden. Het is een richtlijn, waarlangs uw eigen denken een persoonlijk aantal stelregels zal kunnen ontwikkelen. In de eerste plaats: Al hetgeen op de wereld bestaat, is ons gegeven ter ervaring. Dit geldt voor alle werelden, waarin wij ons bevinden of ons ooit zullen kunnen bevinden. Er is voor ons geen enkele reden te verwerpen, wat die werelden bieden, tenzij het feit dat ons eigen ‘ik’ zich toch niet als harmonisch met deze mogelijkheden kan beschouwen. Er bestaat voor ons geen enkele reden om bezit te verwerpen, maar ook niet om het te begeren. Tegen dit laatste rijst zo hier en daar wel eens enig protest. Ik zal trachten het u duidelijk te maken.
Het is niet noodzakelijk om bezit te verwerpen, want bezit kan een normale functie zijn van de wereld, waarin wij leven. Zolang het bezit geen meester over ons is, is het een extensie van het ego, waarbij deze extensie eventueel eenvoudig kan worden afgeworpen, zodra ze belemmerend wordt voor het geheel. Het is echter ook niet begeerlijk, want een ver­groting van bezit buiten de vermogens, die wij nu eenmaal hebben om be­zit te hanteren en te beschouwen als deel van onszelf en ons milieu, betekent een grote belemmering in bewustwording en in vooruitgang en gelijktijdig een vergroting van eenzijdigheid van leven. Iets dergelijks be­geren, betekent: begeren dat je doof of blind zult worden. En dat is na­tuurlijk dwaasheid. Na deze korte aanvulling gaan wij weer met de vorige zinsnede verder.
Daarnaast is het voor ons niet noodzakelijk iets te begeren waar al hetgeen wij begeren in onszelf vervuld kan worden, zonder dat het buiten ons een vervulling behoeft. Deze stelling is ongetwijfeld van een meer mysterieuze dan mystieke aard voor de oppervlakkige beschouwer. Toch heeft zij zin en reden, zodra wij begrijpen dat niet de uiterlijke verwerkelijking belangrijk is, maar de innerlijke toestand. Het is de innerlijke toestand, die de werkelijke harmonie bepaalt. Het is de innerlijke gesteldheid, die eigenlijk de grens stelt voor onze benadering van het Goddelijke. Wanneer die gesteldheid bereikt wordt, is de uiterlijke verwerkelijking niets meer of minder dan een onbetekenende bevestiging.
In verband hiermee mag ik aanstippen dat dus elke misdaad of elke afkeurenswaardige daad, die men in gedachten stelt en beleeft, zijn feitelijke waarde op het wezen, het ‘ik’, heeft gestempeld. De vervul­ling ervan maakt dan weinig verschil meer uit. Ze kan hoogstens de eigen verhouding tot de wereld wijzigen en zo de ervaringsmogelijkheden in die wereld. Maar in ons eigen wezen is dit reeds vastgelegd. Wij zullen, wanneer wij mystiek streven, trachten om elke negatieve invloed, die dus be­tekent een vermindering van waarden van anderen en daardoor een onrecht­matige en onverwerkbare vergroting van ons eigen wezen, tegen te gaan. De mysticus zal niet trachten waan van werkelijkheid te onderscheiden, zolang zijn innerlijke ervaring voor hem een bevredigende waarde blijft.
Onderscheid vinden tussen waan en werkelijkheid is in sommige opzichten noodzakelijk. Ons inziens is het verder noodzakelijk dat iedereen een inzicht bezit in de mogelijkheden van waan en werkelijkheid, zodat men zich althans een beeld kan maken van hetgeen in eigen bestaan reëel is en hetgeen slechts in zeer relatieve verhouding kan worden uitgevoerd. Maar wanneer je leeft, is dit leven één geheel. Je zult dit als geheel moeten ondergaan, met alle negatieve en positieve krachten, onverschillig of ze echt of niet echt zijn. Op het ogenblik dat wij trachten hier een scheiding te maken, gaan we vaak een deel van ons eigen beleven verwerpen. We worden dan z.g. nuchter en verstandig. Maar in dit nuchter en verstandig zijn, ontgaat ons de eenheid van het eigen wezen. De verdeeldheid tegen jezelf ontneemt je de mogelijkheid op te gaan in een hogere kracht.
Dan een laatste punt. De mysticus moet zich te allen tijde bewustzijn dat elke kracht in zijn totaal binnen elk deel van de schepping geuit kan worden. Dit impliceert in de eerste plaats dat b.v. de Schepper a.h.w. tot u kan komen in de vorm van een speldenknop. Dat betekent dat uzelf als een wereld in de ruimte kunt zweven, zonder dat het ‘ik’ daardoor een feitelijke verandering ondergaat. Afmetingen hebben geen werkelijke waarde, alleen de intensiteit van eigen trilling en de mogelijkheid om op te gaan in grotere waarden, dan wel kleinere waarden in eigen wezen te laten delen.
Begrijpt men dit, dan zal duidelijk worden dat b.v. een transsubstantiatie, zoals gebruikelijk in de R.K. Kerk tijdens het misoffer, voor de mysticus geen enkel bezwaar oplevert. Want voor de mysticus is ‑ krachtens zijn beleven ‑ dit een werkelijkheid. Al het andere deert hem niet. Zo kan de mysticus in elke willekeurige toestand, op elk willekeurig ogenblik komen tot een beleven van elke waarde, waarvan hij althans enig beeld in zichzelf draagt. Het stellen van een relatie tussen b.v. het beschouwde of beleefde en een in het ‘ik’ althans enigszins gekende kracht betekent een intensifiëren van die kracht, een grote harmonie met die kracht en door het willekeurig gekozen beleven of onderwerp dus een groter begrip verwerven omtrent die kracht. Dit begrip maakt een gevoelseenheid mogelijk, die ver uitgaat boven de begripsmogelijkheid.
De stelregels, die ik u heb gegeven, lijken u misschien wat verward en onsamenhangend. In samenhang echter met de voorgaande lessen vormen zij een ondergrond voor al hetgeen nog verder volgen kan. Belangrijk is dat u uit dit onderwerp de volgende conclusies zult durven en willen trekken. In de eerste plaats: Elke levenshouding maakt een mystieke ontwikkeling mogelijk. Het is eerder de instelling, die belangrijk is, dan de uiterlijke praktijk of de vorm, die men geeft aan zijn geloof. In de tweede plaats hoop ik dat u het met mij eens zult zijn, dat het onmogelijk is ‑ zelfs indien men tot zeer hoge sensitiviteit is gekomen ‑ op enigerlei wijze een oordeel te vellen omtrent de werkelijke toestand van een ander mens. Kunt u beide conclusies onderschrijven, dan blijft mij alleen nog een kort resumeren van tegenstellingen en overeenkomst over.
De tegenstellingen, die ik zo-even reeds uitvoerig heb behandeld, zijn dus in feite: het vormgevend en gebonden zijn van de geheimschool staande tegenover de haast ontembare lust tot volledig vrij ervaren van de mysticus. De overeenkomst tussen beide is echter, dat ook de mysticus ‑ juist wanneer hij wil komen tot een werkelijke bereiking ‑ beperkingen zowel als stelregels en begrippen zal moeten aanvaarden, ja, in vele gevallen een zekere eenzijdigheid tijdelijk zal moeten nastreven om zo te komen tot een groter begrip van het geheel.
In deze punten heeft u kunnen leren dat, onverschillig welke weg u verkiest te volgen ‑ hetzij de weg der Orde, hetzij die van één der geheime broederschappen of genootschappen, hetzij die van een der kerken ‑ u te allen tijde de mystieke weg kunt en mag volgen en dat u te allen tijde tot de grootste bereiking kunt komen. Want God is ons zozeer nabij, dat elke poging om met Hem harmonisch te zijn, reeds in een grotere harmonie resulteert. Naarmate wij intenser streven naar het kennen van deze God in onszelf, zullen wij ook intenser kennis maken met de regerende Kracht van heel het Al. Hoe sterker wij doordringen in de Bron van alle dingen, hoe onbelangrijker alle bijkomstige omstandigheden worden, zelfs de groot‑geestelijke krachten, die er bestaan, zelfs de grootste en hoogste sferen.
In onszelf schuilt iets, wat meer is dan het hemelrijk, iets wat groter is dan al het bestaande buiten de Schepper Zelf. Realisatie van deze Kracht dient het doel te zijn van de mens, die meer wil zijn dan een korte vlam in de oneindigheid, nu eens dovend, dan weer opspringend in een nieuwe wereld. De gang van wereld tot wereld brengt soms vele vreugdige ervaringen met zich. Maar groter dan dit alles is de verzinking van het ‘ik’ in het Al, waarbij de werelden verdwijnen en de eenheid met alle dingen in het ‘ik’ de enige realiteit wordt.

De Chakra van de mystieke mens overeenkomend met de verschillende sferen.

In de mystieke mens bestaan ‑ zoals in de normale lichamelijke mens ‑ zekere punten, waardoor deze mens (de mystieke mens dus) krachten kan uiten of ontvangen uit werelden, die qua kracht en bewustzijn anders en hoger zijn dan hijzelf. In het allereerste begin was er slechts een kwestie van het opnemen van krachten, zoals ook de mens een chakrum heeft, dat speciaal bestemd is voor het absorberen van kracht. Dit zou kunnen worden vergeleken met de eerste fase na chaos, dus de splitsing tussen licht en duister. Als zodanig komt deze factor voor in alle sferen en kan de werking van dit chakrum niet tot een bepaalde sfeer worden beperkt.
Daarna hebben wij een chakrum, dat de eerste bewustzijns‑activiteiten mogelijk maakt. Hierbij is sprake van binding met het stoffelijke, een uiting binnen het stoffelijke en over het algemeen genomen een vorm‑bewustzijn, waarbij weliswaar vorm geabsorbeerd kan worden of uitgestraald, maar deze van de omgeving afhankelijk blijft. Eigen voorstellings‑ en gedachteleven blijven in dit chakrum regerend. Als zodanig kan het worden geacht overeen te stemmen met de bekende lagere sferen tot en met het z.g. Nevelland, dat de geest kan betreden na haar overgang.
Het daaropvolgend chakrum is er één van vergrote sensitiviteit. Hierbij treedt op een erkennen van tijdswaarden in hun werkelijke verhouding. Voor de mens kan daaruit voortkomen sensitiviteit in de zin van helderziendheid o.m. in ruimte en tijd. Ditzelfde geldt ook voor de mystieke mens. Als zodanig is dit een sfeer, waarin vorm bestaat, maar vorm niet meer bepalend is en tijd een relatieve factor wordt; in casu de z.g. Zomerlandsferen met een benadering van de daarboven gelegen sferen van klank en kleur.
Daarboven gelegen is een chakrum, dat niet meer in de eerste plaats de vorm en vorm‑wereld waarneemt, maar a.h.w. de essentie van het zijn kan absorberen in de zin van volkomen wezensgeaardheid, toebehorendheid e.d. Dit chakrum ‑ in tegenstelling met de vorige, die hoofdzakelijk op het innemen, het verwerven, gericht waren ‑ heeft ook een stralende kracht. Dit komt overeen met de sferen van klank en kleur, waarin beperkte vormgeving en vergaande differentiatie een bewustzijn mogelijk maken, dat niet aan ruimte of tijd gebonden is en kan doordringen in de essence van alle leven en zijn, ongeacht oorsprong of huidige toestand. Hierbij is het ingrijpen in andere werelden ook mogelijk. Als zodanig kan de mystieke mens dus hier zijn eerste contacten leggen met de buiten hem bestaande werelden en wel door een zelfstandige uiting.
Het daarboven gelegen chakrum is in de eerste plaats bestemd voor mededeling. Het is de absorptie van kennis en de weergave van kennis. Het komt overeen met de sferen van licht en kleur. Licht en kleur betekenen harmonische waarden van verschillende krachten, opgevangen binnen het ‘ik’, terwijl door middel van innerlijke harmonie elk der waarden reproduceerbaar is en wel in een zodanige verhouding, dat het eigen ‘ik’ mee daarin geïmpliceerd wordt. Als zodanig zou dit kunnen worden vergeleken voor de mystieke mens, met zijn vermogen om te spreken tot God en God te horen.
Het daarboven gelegen chakrum betekent het zien, dus het erken­nen en onderscheiden. Het erkennen en onderscheiden in de mens, bete­kent de mogelijkheid krachten te doen uittreden en krachten te absor­beren. Deze krachten echter zijn van hoogste orde, dus een zeer groot trillingsgetal, onmiddellijk kosmisch. Voor de mystieke mens komt dit overeen met de sfeer van wit licht, waarin het kennen gelijkstaat aan energie en energie de drager is van kennis en onderling contact. In deze sfeer treedt de mens tegenover zijn Schepper en kan hij – mits hij verder wil gaan ‑ treden in de sfeer van rust, waaruit de Schepper erkend wordt. Voor de mystieke mens is dit de onmiddellijke levenskracht, waardoor de mens t.o.v. andere schepselen zichzelf handhaaft. Ik spreek hier over de mystieke mens, terwijl gelijktijdig de kracht van de omgeving, voor deze mystieke mens geabsorbeerd, een vorming betekent van het totale mens-zijn.
Een daarboven gelegen chakrum komt overeen met wat wij wel eens noemen: de sfeer van nacht. Hierin is het licht zelf niet meer kenbaar. Het duister is niet een bestaand duister maar eenvoudig een afwezigheid van kenbare uiting voor ons, lageren. Voor de hogeren blijkt dit echter te zijn: een denken met God. Als zodanig kan worden gezegd dat hier de volledige band wordt gelegd tussen de mystieke mens en zijn Schepper, terwijl gelijktijdig de splitsing van de Schepper in tegendelen op dit gebied het scherpst tot uiting komt. Het zoeken naar eigen evenwicht van de mystieke mens speelt zich vooral via dit chakrum af en in deze sfeer wordt dus steeds weer de beslissing genomen, niet slechts omtrent het lot van enkele of van een groep der mensen, maar a.h.w. van de totale mensheid.
Het daarboven gelegen chakrum omvat de mogelijkheid tot uittreding van de ziel en ontvangen van de zielekracht. Het staat gelijk aan, wat wij noemen: opgaan in God; en het betekent voor de mystieke mens de weg tot bevrijding, die echter nog niet bereikt is, waar dit chakrum bij de mys­tieke mens nog niet geopend is.