Mystiek

SVGZ – 30 september 1965

Achter de werkelijkheid, die de mens ziet, liggen vele werkelijkheden. Achter de voorstellingen, die hij in woorden kan omschrijven of in beelden kan denken, ligt een veelheid van mogelijkheden, waarvoor hij geen mogelijkheid tot uitdrukken of omschrijven bezit. Wanneer de mens komt tot een beleven van die andere werkelijkheden, die deels in hemzelf opgesloten liggen, spreekt men van een mystieke beleving. Over het algemeen wordt dit begrip geassocieerd met God of met hogere waarden. Geheel juist is dit echter niet. Je zou kunnen zeggen, dat de mysticus in zijn belevingen een werkelijkheid betreedt, die normaal niet voor hem bestaat. Maar daarmede is dan ook alles gezegd. Het kan hier dus evengoed gaan om een meer materiële wereld, een soort droomwereld, als om een wereld, die reëel is en werkelijk zo in God bestaat. Een oordeel vellen omtrent de waarde en betekenis van een mystieke beleving is voor anderen dan ook alleen mogelijk aan de hand van de in de mensenwereld kenbare resultaten, die zij met zich brengt.

Waarmede wij midden in de problemen zitten. Want onder het woord mystiek kan men zovele verschillende dingen samenvatten en begrijpen. Wanneer een pastoor of dominee zegt, dat de mens zondig is en alleen tot God kan komen door de genade, zo is dit ergens een vorm van mystiek. Men zet de mens op een bepaalde manier in de wereld – aan de feiten kunnen wij niet weten, of die plaatsing juist is of niet – en stelt verder, dat er een soort deus ex machina is, die die toestand veranderen kan en zal. Ook dat laatste kan niet z.g. objectief in de wereld van de mensen worden aangetoond, zodat men ook dit niet zeker kan weten. Wanneer de mens door het beleven van die stellingen komt tot een prestatie, die boven het normale uitgaat en bv. zieken geneest, duivelen uitdrijft, visioenen krijgt, die op de werkelijkheid van de mensen betrekking blijken te hebben en uitkomen, dan kunnen wij nog ten hoogste zeggen, dat voor deze mens deze mystieke beleving een realiteit is. Wij kunnen nooit zeggen, dat daarom ook de waarden, waarop deze beleving is opgebouwd, daarmee tot de algemeen geldende werkelijkheid behoren.

Ieder, die ooit met mystiek te maken heeft gehad – en ook onder u zijn er wel, die daarvan iets hebben beleefd, of iets van weten – is geneigd te stellen: het mystieke systeem, dat wij er op na houden, is goed, en daaruit komt met zekerheid op de duur een mystieke beleving voort. Dat is kolder: mystiek is juist mystiek, omdat zij zich aan elk menselijk systeem onttrekt. Men kan hooguit stellen, dat men volgens een systeem de voorwaarden kan scheppen, waaronder sommigen – en zeker niet alle mensen – een mystieke beleving gemakkelijker zullen vinden.

Dit kan dan zelfs op de grond van de ervaring wel worden aangetoond: systeem a geeft 5 van de 20, systeem b 10 van de 20 mensen en c zelfs 19 van de 20 een mystieke beleving. Men meent nu daarmede de superioriteit van systeem c te hebben aangetoond. In wezen zegt men alleen maar, dat kennelijk systeem c het beste was voor de mensen, die er deel aan hadden. Zodra er sprake is van een ander type mensen, zullen ook de voorwaarden, die voor de beleving noodzakelijk zijn, andere worden. Indien ik een paar negers uit het oerwoud neerzet in een grote kathedraal vol wijding, met gekleurd licht door de glas-in-lood ramen, de geur van smeltende was en wierook, het gezang van priester en koor, zullen zij daarin waarschijnlijk alleen iets onbegrijpelijks zien, dat geen werkelijke invloed op hen uitoefent. Zet je een vroom begijntje, zo vanuit haar hofje, bij voodoo drums in Haïti, dan zal zij gechoqueerd zijn door alles, wat zij ziet en misschien menen alle verschrikkingen van de hel door te maken, maar voor haar vloeit daaruit geen mystieke, geen innerlijke beleving voort, zoals voor de werkelijke voodoo-cultisten. Zij kan er eenvoudig niet bij.

Mystiek is en blijft steeds een persoonlijke waarde. Wanneer je deze mystiek tracht te ontrafelen langs de wegen van filosofie, esoterie e.d. loop je altijd weer vast. Je kunt veel stellen, maar nimmer verantwoord stellen, dat dit of dat algemeen geldend en juist is op het gebied der mystiek. De waarden en mogelijkheden daarin variëren nu eenmaal van mens tot mens. Aan de andere kant weten wij echter, dat tijdens mystieke belevingen wel verschijnselen optreden, die voor iedereen waarneembaar zijn: waarden, die dus in de gedeelde werkelijkheid van alle mensen optreden. Ik kan daar dan weer de bekende voorbeelden aan gaan halen.

Een bepaalde priester, later heilig verklaard, bidt voor het altaar in de Notre Dame. Hij blijft vijf uren in gebed verzonken, de laatste drie uren daarvan zweeft hij, voor allen zichtbaar, boven de vloer. Hij stijgt daarbij tot de hoogte van de opzet van het altaar. Dit kunnen wij nog enigszins verklaren: deze mens is geconcentreerd op wat hij ziet als God, het Allerheiligste, de Hostie, die op het altaar ten toon is gesteld. In de beschouwing voelt hij zich opgeheven tot God en maakt dit waar, door zich boven de vloer te verheffen tot op gelijke hoogte met hetgeen voor hem die God verzinnebeeldt. Wat ongeacht alle verklaringen blijft, is wel het feit dat deze mens dit kan doen tegen alle gekende regels van de zwaartekracht en de natuur in. Elders horen wij, dat iemand een toestand van verrukking bereikt, waarop van hem een sterk licht begint uit te stralen. Er is geen redelijk kenbare bron voor het licht. Men kan de oorzaak van het verschijnsel niet verklaren, maar iedereen die aanwezig is, kan het waarnemen. Hier is sprake van fenomena, die dus in de wereld kenbaar en voor allen duidelijk hun oorsprong hebben in het onredelijke, voortkomen uit het onbegrijpelijke. Van deze mogelijkheid wil ik uitgaan. Vergeef mij, wanneer ik daarbij niet al te esoterisch word en tracht zoveel mogelijk nuchter in denken en spreken te blijven.

Wanneer er een mens is, die zich kan onttrekken aan de zwaartekracht of een andere natuurwet door de concentratie van zijn gedachten, kan dit voor mij geen bovennatuurlijk verschijnsel zijn, hoezeer de mens in deze gevallen ook geneigd is om “mirakel”, “wonder” te roepen. Volgens mij kan niets gebeuren tegen de goddelijke wetten in. Dientengevolge moeten er dus wetten bestaan, waardoor het verschijnsel mogelijk wordt en bv. de levitatie optreedt. Zo dit het geval is, zo mogen wij toch wel stellen, dat deze wetten tot een ander soort wereld dan de normaal menselijke behoren. Misschien stammen deze wetten uit een wereld, waarin ook mensen leven als u, maar het is niet dezelfde wereld, die u als de uwe erkent. Wat mij tot de conclusie voert, dat men zich door een innerlijke werking of concentratie brengt in een toestand, waarin andere wetten dan die van eigen wereld op het Ik inwerken. Dan moet er dus een soort andere wereld bestaan. Deze kun je misschien via uittredingen wel eens betreden, maar haar, met haar wetten naar eigen wereld overbrengen is toch wel iets, wat maar zelden voorkomt.

Toch bestaat het schijnbaar. Dan moeten wij onze mystiek niet alleen zien als een zuiver innerlijk proces, maar haar bovendien nog enigszins anders gaan bekijken. De mystiek is een middel, waardoor een innerlijke toestand wordt bereikt. Die innerlijke toestand, mits zij een “vergeten” van de waarden en wetten van eigen normale wereld met zich brengt, oriënteert het Ik op een andere wereld en wel een van de werelden, die op dat ogenblik met het Ik en de toestand daarin harmonisch zijn. Men mag volgens mij dan ook wel zeggen, dat elke mens op aarde onder bepaalde omstandigheden kan gehoorzamen aan wetten, die geheel verschillend zijn van de voor hem normale, dat hij daarbij geheel andere krachten dan de normale op zich kan voelen inwerken en dat hij, vanuit de nieuwe toestand of wereld, die op het ogenblik van optreden echter voor hem een volkomen normale is,- zolang de werkingen, wetten en krachten optreden -, hij niet zal kunnen beseffen, dat er verschillen met zijn normale wereld bestaan.

Dit lijkt mij een belangrijk punt; de mysticus verplaatst zich a.h.w. naar een andere wereld met geheel andere mogelijkheden, maar weet zelf niet, dat hij dit doet. Later zal hij het gebeurde zien als een ingrijpen van krachten buiten hem als bv. God, magische krachten enz., maar niet erkennen, dat het alles uit hem zelf voortkwam. Daarmede ontstaan tegenstrijdigheden: mystiek kan nimmer berusten op uiterlijke waarden, dat alle uiterlijke stellingen en waarden betrokken op de mystiek of beleving daarvoor niet van werkelijke betekenis kunnen zijn. Van werkelijke betekenis is alleen de innerlijke toestand en de wijziging van bewustzijn, die door dit “in zich verzinken” bereikt worden.

Dan is dus in wezen alle pseudo-mystiek en alle mystiek systeem in feite uit den boze. Tenminste, op grond van het voorgaande lijkt dit het enige antwoord. Maar iemand, die gaat springen, gebruikt daarbij, om betere resultaten te kunnen behalen, wel eens een springplank. Wanneer je je wilt concentreren, kun je daartoe bepaalde middelen gebruiken. Zelfs in het dagelijkse leven ziet men voorbeelden te over hiervan. Waarom ziet men bv. een film graag in een donkere zaal, terwijl men met de moderne mogelijkheden van projectie dit toch heus wel in een verlichte zaal zou kunnen geschieden, en kiest het duister, omdat dan alles behalve het beeld wegvalt en dus een geconcentreerd zijn op dit beeld ontstaat. Draag ik dit op een kerk over, dan kan ik dus zeggen: ik prefereer het God te ontmoeten in een sfeer van gewijde gezangen, gewijde woorden – die ik misschien, niet eens werkelijk hoor – omdat hierdoor voor mij het geconcentreerd zijn op God eenvoudiger wordt. Wanneer men dus bepaalde riten en methoden gebruikt, zoals bv. de jezuïeten doen, evenals vele kerkelijke en buitenkerkelijke groepen, doet men dus in wezen, niets van werkelijke betekenis. Het enige, wat men hiermede doet is een zekere suggestie op zichzelf uitoefenen: zijn gedachten richten en zo een mogelijkheid tot betere concentratie scheppen.

Concentratie is wel het voornaamste punt. Wat gebeurt er nu, wanneer ik mij volkomen heb geconcentreerd? Bij de concentratie verlaat men eigen wereld of een deel daarvan. De beoordeling van het Ik en een deel van de omgeving, zelfs van de indrukken, en mogelijkheid die indrukken bewust te ondergaan, valt weg. Er is voor het Ik nog maar één punt van denken, waarheid, veronderstelling over, waarin het gehele wezen zich uit. Ik ben dan dus nog wel voor anderen op aarde kenbaar, maar mijn ego heeft daarvan op het ogenblik geen werkelijk begrip meer. Het Ik leeft in een andere wereld. Ik stel nu: alles wat voor een mens denkbaar, stelbaar of beleefbaar is, moet bestaan in de Goddelijke schepping. Dan kan dus elke reeks van wetten en mogelijk- heden, voorstelbaar of ervaarbaar voor de mens, maar in zijn eigen wereld voor hem niet bestaande, dus elders in werkelijkheid bestaan. Op het ogenblik, dat de mens zich volledig concentreert, is het alsof hij wordt aangetrokken tot de wereld, de reeks van wetten en mogelijkheden, die passen bij zijn innerlijke gesteldheid.

Nu even terug naar het dagelijkse leven. Hoe komt het, dat sommige mensen, wanneer zij een kleine fout maken, door het leven daarvoor onmiddellijk worden gestraft, maar andere mensen die in de ogen van anderen misschien zelfs genieën van de misdaad zijn, iedereen misbruiken of laten bloeden, voor hun misdaden door het leven alleen maar beloond schijnen te worden? Hoe kan dit? Het antwoord zou wel eens in het voorgaande kunnen liggen. Ook in het dagelijkse leven gelden dezelfde wetten, die wij bespraken als deel van iets bijzonders, van de mystiek. Op het ogenblik, dat u gelooft in eigen laakbaar zijn of zondig zijn, zal voor u een reeks van wetten in actie komen, waardoor het laakbare of zondige in u gecompenseerd wordt – in casu, de straf. Indien er in u echter géén besef bestaat van laakbaar zijn of zondig zijn, zult u een reeks van wetten aantrekken en ondergaan, waarin hetgeen u bent en doet, normaal is. De gevolgen komen dan volgens de normen van de menselijke wereld niet tot uiting. De consequenties, die aan uw wijze van leven en denken op uw eigen geestelijk niveau verbonden zijn, zijn echter ten volle van kracht en blijken in uw leven een grote rol te spelen, ook al zal de doorsnee mens deze uitwerking niet als een compensatie zien, omdat zij niet strookt met zijn denkbeelden van recht en straf.

Een aardig voorbeeld kan men zien in de vele levens van mensen, die rijk werden over de ruggen en zelfs lijken van anderen. Zo iemand slaagt in het leven en wordt door een ieder bewonderd. Het eigenaardige is echter, dat de wetten, die hij als normaal op anderen toepast, ook voor hemzelf gelden. Hij zal dan vaak rijk zijn, maar geen enkel werkelijk nut of plezier voor zich daaruit trekken. De teleurstellingen liggen misschien niet op het vlak van bezit, maar dan zal het geld op zich ook geen waarde meer voor zo iemand hebben. Zelfs het leven zelf verliest dan zijn werkelijke betekenis en waarde. Wat overblijft, is de angst voor verlies, vooral voor het verlies van een bepaalde waarde in het bestaan die hij leven noemt, dus de dood of het niet – menselijk – meer leven. Er is ook dan dus wel degelijk een “straf” aanwezig. Maar dit zou meer een psychische bestraffing genoemd kunnen worden, die zich via het innerlijk, het onderbewustzijn voltrekt. Dit in tegenstelling van de bij de mens gangbare versie van oorzaak en gevolg, die ongeveer luidt: als ik een klap geef, krijg ik er net zo een terug. Maar een onderworpen zijn aan deze algemeen gestelde wetten, volgens de menselijke versie daarvan, is niet noodzakelijk. Ik bepaal, door mijn vorm van concentratie en instelling, welke van de vele mogelijke variaties van de goddelijke wetten voor mij van kracht zijn en in mijn leven en volgens mijn bewustzijn van kracht zullen zijn.

Men kan nu opmerken, dat dit wel een handige, maar zeer gevaarlijke stelling is, omdat men hiermede alles kan wegdringen of wegverklaren, waarvoor de gehele menselijke wereld toch vecht en waarmede men pleegt te werken, zoals denkbeelden omtrent een voor de mens begrijpelijke Goddelijke Rechtvaardigheid, de gebondenheid aan het “door God bepaalde lot”, de noodzaak godsdienstige of menselijke wetten na te leven enz. Men heeft daar inderdaad gelijk in, dit kan men. Maar je kunt voor jezelf daarin alleen verandering brengen, wanneer je je niet realiseert, dat je het doet. Ofschoon het dus wel zeer eenvoudig schijnt, schuilt er toch een addertje onder het gras. Zoals een mysticus, die zijn concentratie bedrijft om een verandering van wereld en besef te ondergaan en daarop dus steeds weer wacht, werkelijk niets bereikt, zo zal de mens, die de wetten van bv. oorzaak en gevolg, zoals zij op zijn wereld gelden, wil veranderen voor zich door concentratie – en dus wacht tot het gaat gebeuren – eveneens geen resultaten zal kunnen boeken. In beide gevallen is men zich nog te zeer van het “menselijke” ik en de menselijke wereld met al haar normen en beperkingen bewust. Het bewustzijn is dus wel een vreemde zaak: met dit bewustzijn wordt het geheel van wetten en mogelijkheden, waarin wij leven, bepaald. Dan moet dus ook gelden: wijzig uw bewustzijn en gij wijzigt het totaal van uw leven.

De mysticus zal over het algemeen de toestand van andere werkelijkheid slechts voor een kort ogenblik kennen. Je kunt in verrukking in het goddelijk licht ondergedompeld zijn, vrede kennen boven alle mate, muziek en stilte, geladenheid en rust als gelijktijdige en harmonische waarden ondergaan, en toch is het al weer weg, voor je je het alles werkelijk gerealiseerd hebt. Men zegt dan, het is zo jammer, want het duurt maar zo kort en keert nooit meer zo terug. De mysticus heeft gelijk: op het ogenblik, dat hij zich in die nieuwe toestand realiseert, dat deze voor hem niet normaal is, zal hij terugkeren tot de wereld, die hij als normaal beseft. Nu leeft hij weer in eigen wereld, maar kan het ogenblik, dat hij beleefde, niet vergeten. Hij wil en zal dit nu weer bereiken en denkt aan het Licht, concentreert zich op het Licht, om zo aan de eigen wereld weer te ontvluchten. Maar de wens om aan eigen wereld te ontvluchten, is gelijktijdig een erkennen van de werkelijkheid van die wereld. Daarom bereikt hij niets. Hoeveel mensen zijn er niet, die een dergelijke ervaring één of enkele malen in het leven hebben gehad, in zich bepaalde krachten erkenden, maar deze, wanneer zij menen, ze werkelijk van node te hebben, niet kunnen bereiken of gebruiken? Ontelbaar velen. Voor hen allen is er sprake van een soort heimwee naar dit gebeuren. Maar zij zien het als iets buitengewoons, iets wat buiten de voor hen geldende normen ligt. En juist hierdoor blijven zij nadrukkelijk onderworpen aan toestanden en wetten, die zij voor zich wel als normaal beschouwen.

Ik weet niet, of u mij nog volgen kunt, maar ik trachtte in ieder geval u duidelijk te maken, waarom het bij mystiek in wezen gaat. Laat ons proberen, dit in enkele regels nogmaals te formuleren, dat is voor u wel het eenvoudigste.

  1. Datgene, wat ik volledig en volgens eigen bewustzijn ben, bepaalt voor mij de wijze, waarop de goddelijke wetten voor mij optreden en daarmede tevens de werkelijkheid, die ik beleef.

 

  1. Op het ogenblik, dat ik mij van een andere werkelijkheid of reeks wetten als de voor mij geldende bewust word, zal elke andere – dan de mystiek (of anders) bereikte – werkelijkheid voor het Ik ophouden te bestaan.

 

  1. De wetten, waaronder ik pleeg te leven, zijn niet op zich onveranderlijke wetten. Zij zijn voor het Ik alleen onveranderlijk, omdat men ze als zodanig ervaart. Kan men voor zich deze wetten geheel ontkennen, dan zullen zij voor het Ik niet meer gelden. Er zullen voor het Ik dan andere wetmatigheden in werking treden, die, beter passende bij de eigen persoonlijkheid, de realiteit voor het Ik op meer harmonische wijze kunnen omschrijven.

 

  1. Daar de mystiek een zuiver persoonlijke beleving is, zal alle mysticisme moeten worden opgebouwd op de waarden van het eigen ego. Er is geen andere weg of mogelijkheid.

Met deze regeltjes heb ik misschien wel enigszins eigen glazen ingegooid. Ik kan mij voorstellen dat er mensen zijn, die zeggen: maar je kunt God en de werkelijkheid van God toch beleven in …. en dan noemen zij een sacrament, een training of geloof. Zij zullen stellen: wat u zegt, is demonisch of dwaas; het kan eenvoudig niet waar zijn, want wat wij hebben, is toch de waarheid.

Mijn enig antwoord hierop is dan: hoeveel mensen gaan geregeld ter kerke en leven vroom, en hoevelen van hen hebben ooit werkelijk God ontmoet? Hoeveel mensen houden zich bezig met yogatraining en hoeveel werkelijk ingewijde yogi zijn daaruit voortgekomen? Hoeveel vrijmetselaars, theosofen, rozenkruisers enz. studeren, oefenen en werken vaak een heel leven lang, om de volgens hen noodzakelijke kennis te bereiken en komen toch nooit verder dan theorieën, die zij voor zichzelf niet waar kunnen maken? Hoevelen onder hen zijn in staat werkelijk iets van het Hogere te beleven, werkelijk met Hogere Krachten iets te presteren. Het zijn er maar weinige. Anders gezegd: al die systemen zijn voor het merendeel der mensen een misleiding geworden op het ogenblik, dat zij worden verkondigd, of gezien als alleenzaligmakend of zelfs maar als door hun structuur en leer alleen beslissend voor de mystieke mogelijkheden van de mensen.

Maar ook degenen, die zich niet persoonlijk in geloof of systeem getroffen voelen, zullen mijn verklaring niet aangenaam vinden: de doorsneemens houdt nu eenmaal van een gebruiksaanwijzing. Ik kan mij voorstellen, dat het ideaal van menig streven op geestelijk of occult terrein een soort geestelijk kookboek zou zijn met recepten als:

Neem 3 minuten gebed, 7 minuten concentratie en 5 minuten lichaamsoefening. Laat deze een kwartier sudderen in het onderbewustzijn en concentreer u op de kleur blauw. U zult dan zien, wat er in de toekomst gebeurt…

Ik kan u zeker vele dergelijke recepten geven en in de loop der tijden heeft men op aarde vele dergelijke recepten bekend gemaakt. Alleen… zij werken voor de meeste mensen niet. Zoals je, wanneer je werkelijk handig bent, zelfs een biefstuk kunt bakken met een paar lucifers, zo kun je, wanneer je heel handig bent en de geest van de reepten begrijpt, ook door middel daarvan misschien wel een mystieke werkelijkheid benaderen. Maar degenen, die dit kunnen, zullen ook zonder het recept wel tot resultaten komen. Reken dus a.u.b. niet te veel op “hét recept”. Houd zelfs geen rekening meer met de stelling, lezing, lering, die bepaalde waarden fixeert. Deze waarden zijn niet de weg, maar alleen een punt van uitgang. Meer niet. Maar hieraan wil ik onmiddellijk toevoegen, dat, zo deze waarden slechts als punt van uitgang worden gebruikt, bij een ernstig streven – waarbij niet een doel, maar het geheel van eigen leven en wezen wordt ingezet – eenieder vanuit deze stellingen en leringen volgens eigen wezen en vanuit eigen wezen en normen de grote, kosmische werkelijkheid kunnen beleven en misschien zelfs begrijpen.

Met deze woorden heb ik eigenlijk iets gedaan, dat in dit kader niet zou mogen. Gelukkig is het vaag, algemeen. Ik sprak van de grote kosmische werkelijkheid. Maar weet ik of die werkelijkheid afmetingen heeft, weet ik, of zij groot is? Ik weet voor mij, dat zij voor mij bestaat. Maar spreken over afmetingen is een suggereren van verhoudingen. En misschien is het geheel van de kosmische werkelijkheid wel samen te brengen in de ruimte van een enkel waterstofatoom. Maar het is ook mogelijk, dat zij groter is dan alle melkwegstelsels bij elkaar. Ik weet dit niet. Wanneer ik zeg “kosmisch”, wordt ook dit misleidend, wanneer men daarbij zou gaan denken aan de kosmos, zoals bv. de kosmonauten deze zien: als een stoffelijk en ruimtelijk bestel. Zelfs wanneer zij dit zou zijn, kan zij nog vele andere, stoffelijk niet kenbare werelden omvat- ten. Wanneer je tracht duidelijk en waar te zijn, zou je dus op een dergelijke wijze niet mogen formuleren.  Maar ik doe dit haast automatisch, en het is ook niet zo erg, wanneer ik dit doe. Zolang de waarden, die ik omschrijf of benoem, voor u maar een geheel eigen en bij u passende betekenis hebben.

Dit brengt ons vanzelf tot een volgend punt. Alleen daar, waar de mens in staat is, aan leven en beleving een geheel eigen karakter te geven, zal hij, zelfs in de eenvoudige werkingen van de materie en de eenvoudigste overpeinzingen en toestanden van geestelijke concentratie werkelijkheden beseffen, die zo groot zijn, dat de zo in het Ik ervaren wetten een macht worden t.a.v. hen, die nog aan de in de mensenwereld algemeen als juist aanvaarde wetten en toestanden gebonden zijn.

Daar valt weer zo een woord: macht! Ik geloof niet, dat er veel mystici zijn, die hun mystiek bedrijven, om voor zich daarmede een zekere macht te gewinnen. Er zijn mensen, die hun mystiek gebruiken om zichzelf aan zichzelf te verklaren, een soort rationalisatie van wat zij zijn en doen bv. Maar werkelijke macht langs deze weg na streven, komt zelden of nooit voor. Waarom niet? Omdat het wezen van de mystiek immers reeds een bereiken van macht uitsluit, wanneer het je daarbij om die macht gaat. De macht is het verschil tussen een voor jou normale wereld en de wetten en mogelijkheden, die daarin voor jou bestaan en de wetten en beperkingen, die voor anderen als norm gelden in een meer algemeen menselijk en materieel georiënteerde wereld. Je zult in de meeste gevallen dan ook die macht bezitten, zonder werkelijk te weten en te beseffen, dat je ze hebt. Ik meen, dat wij juist hiermede de kern van de zaak zeer dicht benaderd hebben. Wat ik nu verder ga zeggen, is een zekere vorm van mystiek. U moet dit dus zelf interpreteren, u moet zelf proberen, daarvan iets te maken, dat voor u leeft.

Alle inzicht in het leven is een vaststellen van de verhouding tussen het Ik en het andere. Naarmate het Ik scherper wordt gedefinieerd, zal het ik ook meer reageren volgens de normen die het voor zich heeft gesteld, en uit het andere slechts dat zal ontvangen, wat het eerst als te ontvangen voor zichzelf heeft bepaald. Het Ik zelf zal dus bij voortduring bepalend kunnen zijn voor alles, wat de wereld voor dit Ik zal betekenen. Voelt u iets? De wereld is een voortdurend variabele waarde, waarin zelfs elk optreden van de oude elementen, waarin elk menselijk reageren, elk optreden van natuurlijke of “bovennatuurlijke” krachten alleen kan bestaan krachtens de erkenningen, die in het Ik leven. Ik schep de wereld, waarin ik leef. Ik zal altijd moeten leven en er zal altijd iets bestaan, dat voor mij “mijn wereld” is. Maar hoe die wereld er is – men zegt daar “voorstellingswereld” en dat is niet geheel onjuist- dat bepaal ik voor mijzelf alleen persoonlijk. Ik ben de schepper van mijn persoonlijke relatie met de kosmos en dit betekent voor mij de wereld, waarin ik leef.

God schept mij en houdt mij in stand. Dat is mogelijk. Maar ik ben het, die bepaal, wat die God voor mij betekent. Ik ben het die bepaal, wat de rest van de goddelijke schepping voor mij aan waarden inhoudt. Wanneer ik dus vrede zie en welbehagen ken in alle dingen, zal zelfs de meest agressieve krokodil, de meest giftige slang en de meest moordlustige tijger voor mij een aangenaam gezel, een vriend zijn. Deze dieren zullen – minder bewust dan ikzelf – mij gehoorzamen en met mij samengaan. Ik leef dan in een wereld, die voor de mensen alleen de legende van het paradijs schijnt, een wereld, waarin de leeuw naast het lam ligt, Voor mij echter is dit waar. Daarom is in mijn wereld dit voor mij eveneens kenbaar waar. Door mijn aanwezigheid maak ik het a.h.w. waar. Deze stelling kunnen wij ook omdraaien. Wanneer er in mij de angst bestaat en de wereld voor mij een voortdurende uitbarsting van geweld is, een samenstel van verscheurende krachten, demonische werkingen, dieren en mensen, die mij steeds weer bedreigen, maak ik voor mij zelf van alle leven en alle werelderkenning een voortdurend bedreigd zijn.

Wanneer ik dat eerste geval nogmaals bezie en verder ontwikkel, kan er voor mij een ogenblik komen, waarin ik God zie als de enige werkelijkheid. Dan wordt dus de gehele wereld voor mij God. Dan is er in mij en mijn Wereld eeuwigheid en volmaaktheid. Ik zal dan niet meer gebonden zijn aan wetten van tijd of ruimte, zoals die voor anderen nog als voorwaarde voor het bestaan aanwezig zijn. Daarbij kan ik toch normaal in mijn “eigen” wereld kenbaar blijven voor anderen, want ik ben voor deze anderen nog steeds een deel van hun wereld; maar voor mij bestaan de beperkingen van die wereld eenvoudig niet meer.  Wanneer ik dus in die kenbare wereld en vorm handel of reageer, zal dit niet meer geschieden aan de hand van de normen en wetten, die de anderen voor zich aanvaarden en gesteld hebben, maar volgens mijn eigen waarderingen.

Eeuwigheid is een kwestie van besef, meer niet. De eeuwigheid bestaat hier en nu, in elke vorm, zelfs in uw huidige. Maar dan moet u die eeuwigheid zien als een feitelijke toestand, als de wet, die voortdurend in en rond u werkzaam is. Wij kunnen zeggen: zwaartekracht is een wet, die niet voor de mens hoeft te bestaan, tenzij u haar als voor u geldend erkent. Erkent u het bestaan van die kracht – of wet – niet, dat zal uw eigen wezen automatisch alle mogelijke werkingen van die zwaartekracht voor eigen wezen kunnen compenseren en zo het u doen schijnen, dat zij niet bestaat. U rijst dan de lucht in door dit eenvoudig te willen. Maar dan moet u dit zeker niet proberen te doen zoals bepaalde Tibetaanse monniken deden, door te springen op een leren kussen. Want daarmee kun je niet verder komen. Je moet eenvoudig kunnen stellen: ik verplaats mij of verhef mij, zonder je daarbij zelfs maar af te vragen hoe. Wanneer het bewustzijn alle andere mogelijkheden eenvoudig terzijde stelt, verwerpt, rijs je dan volgens eigen wil eenvoudig omhoog, of stap je met een enkele stap een geheel ander deel van de wereld binnen.

New-York en Amsterdam liggen, wanneer je dit zo beseft, voor jou op een enkele plaats. Dan kun je van de Heguliersbreestraat zo Broadway opstappen, kun je het pontje over het IJ nemen en terecht komen op Hoboken of het Vrijheidseiland. Het klinkt natuurlijk krankzinnig. Maar waarom zou dit niet kunnen?

De grote belemmering voor alle innerlijke waardering van het eeuwige en het beleven van een werkelijkheid, die ergens alomvattend bestaan is – en vergeet niet, dat dit mijn eigen stellingen, mijn persoonlijke benadering is, die u geheel anders moogt zien of stellen – is het onvermogen zich dezen als werkelijk voor te stellen en te benaderen. Werkelijkheid is volgens mij alleen maar een kwestie van denken. Er is geen wetenschap, die absoluut kan zijn, omdat alle wetenschap berust op een interpretatie van iets, wat men werkelijkheid noemt en zo binnen het kader van deze zelfgeschapen werkelijkheid door fenomenen de stellingen eenvoudig waar maakt. Men is lange tijd uitgegaan van het denkbeeld, dat fenomena – dus verschijnselen – de gedachten wekken en bepalen. Maar als wij de zaak omdraaien, wordt al het tot nu toe onverklaarbare in de verschijnselen voor ons opeens verklaarbaar. Dan wordt de vreemde wereld van de mystiek opeens een deel van de normale wereld. Onze gedachten, ons geloof aan de wereld, zullen daarom, volgens mij, alle fenomena bepalen die in die wereld op zullen en kunnen treden.

Ik besef zeer wel, dat ik daarmede de gevestigde waarden en graden van belangrijkheid, waarop uw wereld en beschaving gebouwd zijn, overhoop gooi. Wanneer een dokter zegt, dat je niersteen of galsteen hebt en deze alleen langs operatieve weg kunt laten verwijderen, omdat vergruizing niet mogelijk blijkt – vooral bij niersteen is dit laatste mogelijk – dan heeft deze man volkomen gelijk. Het is deel van zijn wereld, zijn waarheid. En als de patiënt hem gelooft, is dit ook de waarheid van de patiënt. En als de arts gelooft, dat onder bepaalde omstandigheden de patiënt aan de operatie moet succomberen – een geleerd woord voor “het hoekje omgaan” – dan zal de patiënt, die de arts in zijn wereld als bepalend ziet, het gevaar lopen gehoorzaam te sterven, omdat de ander dit verwacht of vreest. Als je bang bent voor de dood, is zij reëel voor je en staat zij vlak naast je. Maar als je niet gelooft in de dood, werkelijk niet gelooft daarin en alle verschijnselen, die op de wereld tot de kentekenen van de dood behoren, uit jezelf zou kunnen wegbannen, dan is er voor jou geen werkelijke dood meer. Het is misschien denkbaar, dat voor het bestaan van anderen je dood noodzakelijk is, zodat zij je dooddenken en je lichaam zien sterven. Maar voor jezelf is er een continuïteit van bestaan zonder dat enige onderbreking of hiaat daarin voor jou kenbaar wordt.

Wanneer ik geloof aan grote engelen en machten, die mij kunnen helpen, dan geloof ik misschien aan iets, wat niet precies zo bestaat zoals ik dit voor mij geloof en denk. Maar dan fixeer ik bepaalde punten uit de kosmos en de schepping voor mijzelf en maak voor mijzelf zo volgens eigen normen de wisselwerking van die engelen tot mijn wezen waar.  Of het geheel van de formuleringen, die ik als basis van mijn wereld en mogelijkheden geef, wel juist zullen zijn, is te betwijfelen. In 9 van de 10 gevallen zal dit onvolledig en daarom verkeerd geschieden. Dat kan ik u zo wel zeggen. Maar de verschijnselen, die ik verwacht van die engelen, worden voor mij – en via mij misschien ook voor anderen – in mijn wereld kenbaar.

Als ik bid, is ook dit een vorm van mystiek: het is een beroep op het grote, het onzichtbare. Bid ik echter in de hoop, dat er iets zal gebeuren, dan zal alleen datgene werkelijk worden, waarvan ik innerlijk geheel overtuigd en zeker ben. Vreemd. Bidden is dus eigenlijk, in al zijn mogelijkheden en menselijke zowel als mystieke waarden, die het volgens de mensen zou bezitten, in wezen niet veel meer dan een vorm van zelfbedrog. Hoe wanhopiger ik ergens om smeek, hoe kleiner de kans is, dat ik krijg wat ik zoek of nodig heb. En, hoe groter de zekerheid is, waarmee ik mijn nood constateer, daarbij een verandering als vanzelfsprekend aannemende, hoe groter de mogelijkheid, dat de zekerheid – waarom ik dus in wezen niet bid, maar ik dit vaststel – ook in mijn ogenblikkelijke wereld zich volledig waar toont.

Voor sommigen is ook dit misschien een ‘Umwertung aller Werte’. Want dit klinkt nu eenmaal mooier dan: een omwenteling van alle waarden. Maar misschien is ook dat maar een vorm van bijgeloof. Bijgelovigheden zijn een mystieke werking en gelijktijdig een rem op de mystieke beleving. Bijgeloof is niet zozeer het geloof in het bestaan van bepaalde waarden of relaties, maar eerder een aanvaarden van beperkingen van eigen wezen en vermogen. Het wantrouwen van eigen vermogens, of zelfs van de krachten, waarop men zich pleegt te beroepen of zelfs maar de goedwillendheid van de krachten, waarop men zich pleegt te beroepen, zijn het nadeel, dat in bijgelovigheden gelegen kan zijn.

Laat ons echter nog even teruggaan naar de mystiek in de meer algemeen aanvaarde waarde van het woord. Een mysticus, die zich verliest in zichzelf, vindt daarin niet een geheel ander leven, maar in feite alleen een ander, tot nu toe niet gekend deel van zijn eigen Ik. Hij wordt dus niet tot een ander, of erkent niet noodzakelijk het andere, maar wordt zich van zichzelf bewust; het is de wijze, waarop men zich bewust is van zichzelf, die bepalend is voor al datgene, wat wij onder mystiek verstaan, zelfs van het wonder en het visioen af tot het wonder van het innerlijk Licht en de directe verbondenheid met God toe. Niets kan ons beletten om te bereiken buiten ons eigen wezen. Niets kan ons beletten om te zijn buiten ons eigen denken omtrent eigen zijn. En als wij daarvan uitgaan, is mijn laatste conclusie in dit onderwerpje voor u vanzelf duidelijk:

Wie zich bezig wil houden met mystiek, ga daarbij uit van datgene, waarin hij zekerlijk vertrouwt en gelooft en schakelt alle andere waarden uit van zijn bewustzijn, zo waar makende, wat hij gelooft, steeds weer, tot het de waarheid is, die voor hem zijn wereld bepaalt. Op deze wijze kan hij niet anderen mede betrekken in zijn begrip. Maar hij kan anderen betrekken in de werkingen, die voor hem in zijn eigen wezen bestaan. Dat is, geloof ik wel, het maximum, dat voor een mysticus bereikbaar is.

Indien u commentaar, vragen e.d. hebt …. ga uw gang.

* U sprak van de “wet en van het eigen ego”. Kunt u dit nog nader verduidelijken?

Dat is zeer eenvoudig: de wet van het eigen ego is de verhouding die het in de kosmos voor zich aanvaardt als de juiste.

* Dus de verhouding tot God?

Neen. Niet de verhouding tot God. Het is de verhouding van waarden, die het ego voor zichzelf stelt. Laat mij een eenvoudige vergelijking maken. Wanneer u zichzelf voorhoudt, dat slakken een lekkernij zijn, dan eet u slakken. Of misschien kikkerbilletjes, gedroogde sprinkhanen en dergelijke lekkernijen, en dezen bekomen u goed. Indien u echter, als zovele Hollanders, het bijgeloof deelt, dat alleen biefstuk gezond eten is, zal het nuttigen van zelfs een klein deel van een slak u tot een uitstulping van de maaginhoud en al de ellende die daarmede gepaard gaat, brengen. Hier is het niet de maag, die in de eerste plaats bepalend is, maar het mentale beeld, de mentale reactie. Het is dus de waardering. De waardering, die je voor jezelf stelt, maakt hetgeen, wat voor de een goed, ja verrukkelijk is, voor de ander werkelijk walgelijk en slecht. Waarom zou dit alleen gelden voor spijzen?  Dit geldt evenzeer voor geloof, moraal, voor materiële en geestelijke verhoudingen in elk opzicht. De manier, waarop ik mijzelf georiënteerd heb t.a.v. de dingen, vormt voor mij een wet, waaraan ik gehoorzaam.

* Als de muur van deze zaal voor mij niet bestaat, zal deze zaal mij dan ook door deze muren heen kunnen zien lopen?

Dat is op het ogenblik misschien wat sterk gezegd. Maar stel het zo: Wanneer ik in dit lichaam kan komen tot een overtuiging – voor dit lichaam, dat de muur niet als hindernis bestaat – dan zal ik er doorheen kunnen lopen. Indien ik werkelijk en geheel overtuigd ben, dat de zwaartekracht niet bestaat, wanneer ik het mogelijke bestaan daarvan niet meer besef, zal ik kunnen zweven. Maar daarvoor zou het gehele onderbewustzijn gedomineerd moeten worden en, zo de toestand blijvend moet zijn, ook een blijvende verandering moeten ondergaan.

* Dit is een ingrijpen geworden. Maar is het daarmede dan niet eerder occultisme geworden dan mystiek? 

Neen. In zijn beleving en werking voor degene, die het verschijnsel voortbrengt, is het een deel van een mystiek beleven en/of bestaan. Misschien kan ik het zo stellen: wanneer Jezus een patiënt geneest, kunnen wij dit, gezien van de kant van de patiënt, beschouwen als een uiting van occultisme. Haar voor Jezus is het een werken uit zijn persoonlijke – mystieke – werkelijkheid. En waarom zou dit voor Jezus alleen zo zijn? Onder gelijksoortige omstandig- heden zal dit voor elke mens zo zijn. Wanneer hij eerst de mystieke werkelijkheid vindt, ontstaat uit deze voor hem normale wereld in de ogen van anderen een duistere, een onbegrijpelijke macht, een gebeuren, dat buiten alle normen valt die algemeen gehanteerd worden. Dat noemt men dan het duistere, het verborgene.

* U zei, dat het hoogste wat de mysticus kon bereiken, het ook betrekken van een ander daarin was. Maar wanneer die ander nu een andere instelling heeft, verschillend van de mysticus dus, wat gebeurt er dan?

De mysticus zal dan dus niet bereiken, dat de ander in bewustzijn en vermogen aan hem gelijk wordt. Maar dat is ook niet noodzakelijk. Hij kan echter wel bereiken, dat de wetten en de werkelijkheid die voor hem, de mysticus bestaan, voor de ander gedemonstreerd worden. Daardoor kan hij weer bereiken, dat de ander het schijnbaar onmogelijke of onredelijke als normaal gaat aanvaarden. Dat deed Jezus met zijn leerlingen ook. Of dacht u misschien, dat Petrus reeds van het begin af aan meende, dat het normaal was met een gebaar vissen te roepen, de wind te zeggen rustig te zijn, zieken te genezen en desnoods iemand uit de dood op te laten staan? Petrus geloofde zeker niet in de mogelijkheid van dit alles. Maar doordat Jezus dergelijke dingen voortdurend waar maakte, kon deze Petrus, die in zich niet eens dezelfde mystieke waarden en belevingen kon bevatten, die in Jezus bestonden, wel vanuit zijn persoonlijke beleving van God – die een andere was en volgens de traditie door de meesten van ons als een lagere wordt beschouwd – ook mensen genezen, wonderen doen.

Er bestaan over deze werken van Petrus vele legenden. Ik bedoelde dan ook te zeggen, dat je als mysticus niet je eigen beleven over kunt dragen aan een ander, maar je kunt de waarden van dit eigen beleven wel voor een ander misschien zo werkelijk maken, dat hij voor zich zoekt naar een werkelijkheid, waarin deze nieuwe mogelijkheden voor hem mede bevat zijn en waardoor hij dus in een andere relatie komt te staan tot zichzelf en de wereld. Nu kunnen wij wel stellen, dat achter dit alles God schuilt, maar ook dan blijft het altijd nog de gedachte, de innerlijke wereld en de daarin bestaande beperking, die de mogelijkheden en uitingen van het Ik blijven bepalen. Dat zijn dus de wetten, die het Ik regeren.

*De mysticus kan dus de wetten wijzigen tot zij bij zijn wezen passen. Dat wil ik aannemen. Maar wat is dan de betekenis van de natuurwetten, zoals die voor gewone mensen gelden? Of zijn dezen ook maar een mystificatie die uit het Ik ontstaat?

De natuurwetten gelden voor de mens als objectieve feiten. Maar het is zijn subjectieve beleving van het bestaan, welke hem heeft gebracht tot datgene, wat hij nu “objectieve feiten” pleegt te noemen. Er is een tijd geweest, dat deze “objectieve feiten” voor de mens nog niet bestonden, dat alles een werking was van goden en natuurgeesten. Nu zeggen wij tegenwoordig, dat alles wat daarover wordt verteld maar bijgeloof is, legenden. Want wat deze mensen stelden en dachten is onmogelijk.

Zij stelden hun verhalen alleen maar, om hun beperktheid van leven en geloof voor zichzelf te rationaliseren. Maar wie zegt u dat deze verklaring wel objectief is? Voor deze mensen waren de wetten anders. Wanneer wij horen, dat de Rode Zee splijt, kunnen wij trachten daarvoor een verklaring te zoeken en spreken over een bijzonder laag eb getijde dat optrad. Wij kunnen het verschijnsel wel wegverklaren als wonder, door te zeggen, dat bepaalde natuurkrachten normaal werkzaam geweest zullen zijn. Maar wij kunnen niet verklaren, hoe het komt, dat die natuurkrachten juist op die tijd en juist zo en niet anders gewerkt hebben. Men noemt dit dan maar “een toeval”. Maar voor degene, die voor die zee stond, was het splijten van die zee een noodzakelijk en onvermijdelijk voortvloeisel uit de roeping, die hij van Jahweh gekregen had. Daarom kon het voor hem niet anders. Volgens de mystiek geldt nu: voor hem kon het eenvoudig niet anders gaan, daarom gebeurde het zo.

De mens heeft in het begin met vele goden gewerkt en kon zo voor zich de tegenstrijdigheden verklaren, die hij in het leven zag, en zelfs vaak een oplossing vinden daarvoor. Hij kon a.h.w. vuur met vuur bestrijden. Maar dan komt het één godendom, met als enige tegenwaarde de duivel, met wie je weer geen overeenkomsten kunt gaan sluiten, zonder God kwijt te raken. Dus moest de mens zich wel gaan ontworstelen aan een voortdurend uitspelen van de voorstellingswereld en geestelijke krachten, om iets te bereiken. Toch houdt hij dit nog lange tijd vol. Indien wij ons realiseren, hoe filosofen en magiërs van bv. Rome, maar ook nog van de vroege middeleeuwen, werken met wat wij ofwel bedrog of bovennatuurlijke krachten noemen in deze dagen, kunnen wij niet geheel begrijpen, wat er in wezen kon bereikt worden. Wij stellen dan maar, dat de mensen nog dom en goedgelovig waren, dat de bereikingen van deze tovenaars geen objectieve werkelijkheid waren.

Maar de gewone mens kwam door het één godendom, zoals u, in een wereld te leven waarin tegenstrijdigheden waren, waarmede hij geen raad meer wist. Er was geen wereld van strijdige invloeden waarin hij zijn belevingen als normaal in kon passen. Hij ontwierp dus stellingen en fixeerde deze – ook wanneer de resultaten een andere kant uit wezen – in zijn bewustzijn als feiten, de stellingen en mogelijkheden als feiten, en deze dus als herhalingswerkelijkheid te hebben vastgelegd, kwam hij nog tot vele misinterpretaties, omdat zijn systeem nog steeds de strijdigheden bevatte, die eens in de godenwereld tot uiting waren gekomen. Men leerde niet alleen de stelling te zien – de “waarheid”, waarbij wij kunnen denken aan de waarde, die men vroeger aan de aderlatingen toekende – maar bezag ook de resultaten. Hierdoor kwam hij, zowel in geneeswijze, onderzoek in wetenschappelijke zin tot een reeks van conclusies, die objectief genoemd mogen worden. Objectief, omdat zij een juiste verklaring van alle feiten geven, zoals dezen bestaan voor de gemiddelde mens, en hem toch aan de andere kant zijn gevoel van contact met God of zijn vrees voor de duivel niet hoeven te ontnemen.

Zo ontstaat de menselijke objectiviteit. Men beroept zich voor de blijvende juistheid van zijn stellingen op het wetenschappelijk bewijs. Wetenschappelijk bewijs is echter het bewijzen van stellingen door middel van feiten, waarbij het bewijs steeds op dezelfde of gelijksoortige wijze geleverd wordt. De stellingen bepalen de proefnemingen. Het omgekeerde komt slechts zelden voor en wordt over het algemeen door de wetenschap niet direct vriendelijk bezien. Misschien is er wel een gebrek aan niet orthodoxe of op orthodoxe stellingen gebaseerde proefnemingen. U lacht, wanneer de mensen vertellen, dat in verleden een ieder overtuigd was, dat de wereld plat was of dat de aarde stilstond en het middelpunt van het al was. Nu zegt een ieder, dat de aarde maar een stofje in de ruimte is, rondwentelende rond de zon. Maar wie zegt u, dat dit een enige waarheid, het enige objectieve feit is? Wanneer je iets onderzoekt en daarbij alles slechts beschouwt vanuit één enkel standpunt, kun je dit standpunt haast altijd wel, zelfs weten- schappelijk en objectief bewijzen, wanneer je maar tijd genoeg hebt. Wanneer je de feiten kunt vinden, die je stelling feitelijk onderstrepen of dit schijnen te doen, kan men spreken van een objectieve waarheid. Maar daarmede is het nog niet een werkelijk objectief constateren. Er is slechts sprake van een rationalisatie, waarbij men door beperking van het aantal aanvaarde, en onderzochte feiten, is gekomen tot een voor het ik hanteerbare procedure plus een stelling, die de juistheid van de procedure vastlegt.

*Maar de wetten dan, die men ontdekt heeft?

Men noemt dit wetten, omdat zij een schijnbaar onaantastbare verklaring vormen van de fenomenen. Maar naarmate de wetenschap verder gaat, komt zij tot de conclusie, dat bepaalde wetten niet algemeen gelden, maar slechts bij hanteren t.a.v. een beperkte reeks van feiten of mogelijkheden hun karakter van onaantastbare vaststelling blijven behouden. De aantasting van de z.g. algemeenheid of kosmische geldigheid van zogenaamde natuurwetten wordt erkend. Maar dit houdt op zich reeds in, dat naast of boven de algemeen erkende en daarom objectief waar genoemde wetten andere wetten en mogelijkheden bestaan. Dit impliceert weer, dat, zo er al een algemeen geldende wet is, de aanvaarde wetten, die de mensen nu nog als vaststaand beschouwen, onjuist moeten zijn.

*Maar zelfs als de mens deze wetten zelf voortbrengt, zal er dan toch een herhaling van de feiten zijn, zolang er een mens op aarde rondloopt? Of zijn er uitzonderingen?

Er zijn uitzonderingstoestanden, maar wanneer de mens bv. voor mystieke beleving of persoonlijke erkenningen een andere wet voor zich schept, zal de gehele wereld samen- werken om te voorkomen, dat deze haar vaste waarden en kennis – zoals zij het noemt – zal aantasten en daarmede weer dezelfde strijdigheden en onzekerheden zal doen ontstaan, ter bestrijding waarvan men de “wetenschappelijke en objectieve werkelijkheden” juist heeft geschapen: het openlijk moeten erkennen van strijdigheden, die men niet aan zichzelf wil wijten maar die dan als bestaand moeten worden aanvaard. Men wil niet terugkeren in een wereld van het onbegrepene, nu door de “wetten” en “ontdekkingen” het geheel van de schepping zo heerlijk verklaard en gereguleerd schijnt te kunnen worden.

 * Is mystiek noodzakelijk religieus? Wanneer ik u hoor, geloof ik dit niet meer.

Neen. Mystiek is niet noodzakelijkerwijze religieus van aard. Maar omdat de religie zich reeds in hoofdzaak baseert op z.g. objectief gezien niet reële waarden, zal het binnen de religie vaak gemakkelijker zijn, om tot een mystieke aanvaarding te komen en zo dus ook een mystieke beleving te ondergaan. Het is echter niet zo, dat de religie noodzakelijk is om tot mystieke ervaringen te komen. Het gaat er alleen om, dat men in de religie reeds werkt met stellingen, feiten, mogelijkheden en werkelijkheden, die materieel gezien onlogisch, onmogelijk enz. zijn, zodat hierdoor het aanvaarden van en het beleven van andere werkelijkheden die niet stroken met het op aarde gangbare, gemakkelijker wordt en het Ik een eigen werkelijkheid niet alleen gemakkelijker zal ervaren en vinden, maar ook gemakkelijker zal aanvaarden als waar.

Dat was het dan. Ik hoop, vrienden, dat ik u met dit alles wat stof tot overdenkingen heb gegeven en u misschien ook een aanleiding heb gegeven, om uw houding tegenover uzelf en de wereld eens aan een nader onderzoek te onderwerpen. Misschien zou het eenvoudiger zijn, wanneer je een heel klein beetje mystiek in je nuchtere en logische beschouwingen van de wereld zou kunnen mengen. Je zou daardoor voor jezelf die wereld aanmerkelijk kunnen veranderen.

VOLKSWIJSHEID

Na een eerste onderwerp, dat ongetwijfeld enige inspanning van u heeft gevergd, wil ik trachten dit tweede deel van de avond wat eenvoudiger en lichter van vorm te maken. Daarom wil ik graag met u spreken over volkswijsheid.

Er zijn zeer vele spreuken, voortgekomen uit het volk, die in hun schijnbare rechtlijnigheid een zekere dwaasheid inhouden. Er zijn echter ook vele gezegden, die uit het volk zijn gegroeid en waarin wij een schaduw van het eeuwige terug kunnen vinden.

Wanneer ik enkele gezegden van deze laatste soort citeer, zo doe ik dit, om ze nader met u te mogen beschouwen.

“Hij, die een berg beklimt, zal moeten afdalen.”

Wanneer wij trachten ons te verheffen boven onze wereld, zullen wij, indien wij als mens willen blijven leven, altijd weer terug moeten keren tot die wereld. Eenzaam zijn is niet werkelijk leven. De eenzaamheid, geestelijk zowel als materieel, zal op den duur ondragelijk worden. Daarom zal eenieder, die te hoog stijgt, af moeten dalen. Hij moet terugkeren tot de mensen. Maar gelukkig hebben de wijsgeren, die een dergelijke wijsheid eens poneerden, ook een andere spreuk gegeven:

“Wie zichzelf vreugdig gespiegeld ziet in de ogen van een ander, leeft vele malen.”

De wijsheid van ons bestaan is gelegen in het contact met de naaste. Wanneer wij in de naaste een reactie wekken op ons eigen wezen, wanneer wij voor de andere a.h.w. werkelijk bestaan, leven wij dubbel. Dit is begrijpelijk. Hier wordt de primitieve regel gegeven, waarop naastenliefde en zelfs gemeenschapszin gebaseerd zijn. Toch zal men ook daarin zichzelf moeten blijven en mag men nooit tot de slaaf worden van een ander. Zegt men niet eenvoudig:

“Hij, die een ander dient en zich geheel aan hem onderwerpt, is een slaaf voor hij het beseft.”

Ook hier een duidelijke en eenvoudig geformuleerde wijsheid. Zolang ik een ander een dienst bewijs vanuit mijzelf, mijn eigen weten, wereld en denken, doe ik iets goeds: ik ben en blijf mij zelf en help een ander, om eveneens zichzelf te zijn. Maar zodra ik mijzelf geheel onderdanig maak aan een ander en mij geheel aan deze ga onderwerpen, is het gezag van de ander voor mijn leven en denken beslissend. Hierdoor word ik langzaamaan niets meer of minder dan het verlengstuk van die ander. Ik heb dus geen eigen bestaan meer, geen besef van eigen verantwoordelijkheid en leven meer, ken geen persoonlijk eigendom meer en bezit ook geestelijk geen eigen waarden meer. Ik ben dan alleen nog het verlengstuk van een ander, gebonden aan alles, wat deze ander is, aan alle besluiten, die deze ander zal nemen. En dit is dwaasheid.

Een ander, schijnbaar wat lichtzinnig gezegde uit het begin van het christendom stelt:

“Wie God zoekt als zijn Vader, moet ook beseffen, dat de meeste kinderen hun vader in wezen haten en vrezen.”

Dat klinkt brutaal. Maar als wij God Vader noemen, zo stelt men hier, zijn wij gelijktijdig bang voor zijn toorn en haten hem in het diepst van ons wezen, omdat Hij ons onze zin niet altijd geeft.

Wij proberen natuurlijk dit voor onszelf te verbergen, vaak zelfs achter een bijzondere vroomheid, zoals een kind vaak door bijzondere attenties en een aandacht vragen van zijn vader zal trachten te verbergen, hoezeer het voor zichzelf eigenlijk die vader vreest en haat. Wanneer wij God echter zien als en kracht, die in en rond ons is, dus niet als een soort vaderfiguur buiten ons, maar als een deel van ons eigen wezen en al het zijnde, zullen wij die God liefhebben, omdat wij krachtens ons wezen onszelf lief plegen te hebben. Wij zullen Hem niet haten of vrezen en ook niet proberen om Hem tevreden te stellen, maar ons één weten met Hem. Dat is toch eigenlijk veel juister en eenvoudiger.

Er bestaan natuurlijk ook gezegden en wijsheden, die vooral in een wat meer beperkter kring bekend werden. Als ik teruggrijp naar gezegden, van oude volksfilosofen als bv. de hadji Ahmed, die in de buurt van het bekende Isfahan leefde, vinden wij ook daarin zeer vaak een denkbeeld, dat eigenlijk meer waarde heeft dan menige grote en algemeen als belangrijk beschouwde filosofieën. Deze man zegt bv.

“Wanneer ik tot Allah wil gaan, ontken ik, dat hij overal is. Wanneer ik Hem echter eer, door een bepaalde weg te gaan, zo heeft dit waarde, omdat Hij met mij gaat, zolang ik ga om Zijnentwil.”

Misschien is dit wel iets, wat men meer zou moeten onthouden. Je gaat iets doen omentwille van God, van de naastenliefde, van de menselijkheid enz.

Maar in het doen alleen ligt de werkelijke waarde daarvan niet. Wanneer je iets werkelijk doet, om zo die God of die menselijkheid of naastenliefde te bevorderen, ontken je, dat ze reeds in je bestaat.

Maar wanneer alles wat je doet, voortkomt uit het besef, dat je, door het te doen, iets wat in je is, eerst werkelijk gaat beleven, maak je voor jezelf de innerlijke waarheid steeds groter en meer kenbaar. Daaruit volgt dan weer direct een ander gezegde van een wijsgeer, die sprak:

 “De dwaas telt de resultaten, de wijze ziet de bedoelingen.”

Wanneer wij de resultaten van het menselijke leven moeten beschouwen, kan men dit met een Nederlands woord schoon uitdrukken in de benaming van een hoofddeksel: pet. Maar wanneer wij eerder zien naar de vele goede bedoelingen, hoezeer dezen ook gefrustreerd worden of verkeerd uitlopen, maar toch in elk menselijk leven bestaan, dan beseffen wij opeens, hoeveel werkelijke waarde zelfs het schijnbaar nutteloze leven van menige mens bezit, hoe groot zijn innerlijke erkenningen en strijd wel geweest moeten zijn.

Als je een mens naar zijn innerlijke bedoelingen beoordeelt, zoals ongetwijfeld ook de machtigste rechter van allen, de Schepper van alle dingen, doet, zie je, dat de wereld goed is.

Kijk je alleen naar de resultaten, dan zal zelfs de vorst van het grootste duister niet in staat zijn, u een pessimistischer beeld van wereld en mensheid te geven.

Zo ziet men ook vaak waarden als kracht, strijd en schoonheid als belangrijke factoren in het bestaan. Deze Ahmed, waarvan ik u reeds sprak, maakte eens tegenover een machtig krijgsheer de volgende opmerking:

“Heer, hij die het zwaard trekt tegen anderen, doet dit, omdat hij niet in staat is zichzelf te overmeesteren.”

Veel commentaar hierop is eigenlijk wel overbodig: alles wat wij naar buiten toe zoeken, zoeken wij voornamelijk, omdat wij het in onszelf niet waar weten te maken.

Een andere spreuk van deze hadji Ahmed klinkt wel zeer modern, ofschoon hij reeds 1000 jaren geleden leefde:

“Wanneer God de mens met blindheid slaat, zo schept deze ambtenaren.”

(uit de zaal: “dat neem ik niet!”)

Ongeacht uw protest moet ik erop wijzen dat de doorsneemens van het verleden zowel als in deze dager, de “echte” ambtenaar ziet als een mens, die een soort rekenmachine is, iemand die niet werkelijk leeft, maar slechts ambtelijke besluiten – dit is de dode letters – tot uitvoer brengt. Wanneer God een mens blind wil maken voor de menselijke waarden, die in hem leven, zoekt hij mensen die dode voorschriften tot leven brengen en zo alle menselijke waarden doden. Dat klinkt misschien wreed in de oren. Maar is het daarom ook niet waar? Zo wordt ook gezegd, dat juist zij, die zich beroepen en beroemen op de aalmoes, die zij geven, anderen vaak datgene onthouden, wat hen toekomt… Ook dit is natuurlijk: een mens, die aan eenieder geeft, wat hij beschouwt als het menselijk mogelijke en menselijke plicht, zal zich daarop niet beroemen of beroepen. Het is voor deze een normaal deel van zijn bestaan. Maar als zoiets een uitzondering is voor je, wanneer het voor jou een uitzondering is, wanneer je een kleine munt aan een arme schenkt, beschouw je dit als iets buitengewoons en zal je, gedreven door je bezitslust, trachten deze kleine gave vele malen te verhalen op anderen, die misschien een vordering op je hebben of aan wie je verplichtingen hebt.

Er zijn vele van die zegswijzen. Maar wij kunnen ook meer recente zegswijzen vinden, die zeker niet zonder inhoud zijn. Duid mij niet euvel, wanneer ik hier overga naar enkele van de gezegden, die sommigen bij ons in de geest op een volgens mij treffende en bondige wijze weten te formuleren.

“Wanneer een mens spreekt over eeuwige vrede, is de oorlog nabij.”

Begrijpelijk: een mens spreekt nu eenmaal het meeste over de dingen, die er niet zijn. Als een mens spreekt over oorlog, beseft hij het gevaar daarvan en zo is de kans, dat het vrede blijft, betrekkelijk groot. Of anders is het toch zijn streven, dat er vrede zal komen. Maar spreekt de mens over de vrede, zo wil hij uit zijn bewustzijn het dreigende geweld verbannen, hij houdt geen rekening met bestaande gevaren en voor hij het weet, is het oorlog.

Zo is volgende stelling interessant:

“Politiek bestaat dankzij de mogelijkheid, mensen te doen lijden om problemen op te lossen, die zonder de politiek niet zouden bestaan.”

Misschien kent u het citaat. Maar wanneer wij een ander woord voor politiek zetten, kan de spreuk vaak ongewijzigd blijven: “de mensen leiden de mensen over het algemeen om hen te vrijwaren voor gevaren, die zonder deze leiding voor hen niet aanwezig zouden zijn.”

Wanneer iemand u leidt om u te behoeden voor zonden, zal hij u eerst moeten leren, wat zonde is. Wanneer iemand u wil behoeden voor ondeugd, heeft hij u eerst moeten verklaren, wat ondeugd wel is en u zo op gedachten moeten brengen. Want hoe zou u anders weten, wat hij bedoelt?

Het beeld, dat uit deze en dergelijke spreuken ontstaat, is zeer interessant: het doet ons beseffen, dat hetgeen naar buiten toe door de mensen geuit wordt, maar al te vaak geheel in strijd is met alles, wat er in hen bestaat. Het maakt ons duidelijk, dat de z.g. algemeen heersende denkbeelden alles behalve dat zijn, maar dat de mens een soort mimicri gebruikt om niet op te vallen, zo steeds weer trachtende iets te schijnen, wat hij in wezen niet is. Hij verbergt zich vaak zelfs voor zichzelf en voor anderen en doet dit gemeenlijk, omdat hij bang is voor eigen kwetsbaarheid. Maar kan een mens waarlijk kwetsbaar zijn, wanneer hij beseft, dat zijn wezen eeuwig is?

Iedereen op aarde die een geloof heeft, spreekt van hemel, voortbestaan, nirwana, hergeboorte e.d. Hij ziet in zijn geloof een voortbestaan in vele mogelijke vormen als onvermijdelijk. Maar daarom gelooft hij er nog niet werkelijk in: hij spreekt over dergelijke dingen vaak haast luidruchtig, om zo voor zichzelf te verbergen, hoe bang hij in wezen is voor de dood. Hij, die de dood niet vreest, verkondigt geen geloof van het hiernamaals, maar ten hoogste een levensleer voor het hier, het heden. Iemand leeft eenvoudig, zonder het limiet van de tijd te erkennen, dat anderen beheerst. Zo wordt de mens eigenlijk juist door deze strijdigheden in gedrag en wezen eerst waarlijk mens.

Mens-zijn wil veelal zeggen: tegen jezelf verdeeld zijn, strijden met jezelf en gelijktijdig zelfs aan jezelf en anderen luidkeels en als een feit datgene verkondigen, waarvan je hoopt, dat het eens misschien waar zal blijken te zijn – en zo je angsten voor jezelf en anderen verbergende.

Het is uit de volheid van dit menselijke bestaan, dat de behoefte tot vooruitgang ontstond. Niet zolang geleden formuleerde op aarde een filosofisch aangelegd staatsman het mens-zijn als volg:

“Een wezen, dat tegen alle hoop in door blijft strijden en door zijn strijd zich mogelijk maakt, wat het voor zich en anderen, een onmogelijkheid had geacht.”

Dit is een waarheid, die het wezen van menselijkheid en menselijke groei verklaart:

De mens grijpt steeds weer naar het onmogelijke, omdat hij zich hierin een doel meent te stellen, waardoor hij zichzelf kan overwinnen. Maar daarbij maakt hij het schijnbaar onmogelijke steeds weer waar; soms denk ik dat de mens bepaalde dingen juist bereikt, omdat het lange tijd onmogelijk werd genoemd, zo iets te bereiken.

Dit is immers de uitdaging, die de mens steeds weer aanvaardt, wanneer hij in een overwinnen van zijn wereld probeert, voor zich de zekerheid te vinden, die past hij de eeuwigheid van zijn wezen.

Voor mij is dit een van de grootste wonderen van het menselijke ras: dat mensen juist door hun streven naar het volgens hen haast onmogelijke steeds weer zoveel bereiken. Wij zien daarnaast dat, waar de mens berusten blijft in de onmogelijkheid en zich houdt bij alles, wat hij mogelijk noemt, misschien wel vrediger leeft, maar gelijktijdig afsterft als mens.

Het erfdeel van de mens is de eeuwigheid. Eerst wanneer wij het tijdloze, onbegrensde en toch in zich begrensde zijn voor onszelf hebben waar gemaakt, zullen wij beseffen en erkennen wie en wat wij zijn. Wanneer wij trachten elke grens, zelfs die van de rede te overwinnen, doen wij dit slechts om de verdeeldheid in ons te overwinnen en onszelf te worden.

Want het gevoel dat in de mens prevaleert is niet het gevoel van onvolmaaktheid, maar het gevoel van onvolledigheid.