Mystiek

 12 mei 1963

Wanneer wij leven, is de veelzijdigheid van het leven zelf voor ons gelijktijdig de onmogelijkheid om een innerlijke eenheid te beseffen. Anders gezegd: De mens is steeds tegen zichzelf verdeeld en hij kan geen enkel deel van het leven, ook niet de schepping zelve, werkelijk als eenheid bezien. Wij zijn altijd geneigd alles in delen te splitsen. De mens doet dit nog veel meer dan andere bewustzijnsvormen, omdat hij meent dat hij door de rangschikking van delen en van de onvolmaaktheden de volmaaktheid kan bereiken. Maar dat is precies hetzelfde als te zeggen, dat als ik alle onderdelen van een uurwerk heb ik precies kan weten hoe laat het is. Als ik al die delen heb, dan kan ik ze op vele wijzen rangschikken, maar er is slechts een manier, waarop zij een eenheid vormen, en pas als ik het concept van die eenheid heb erkend, weet ik dus hoe dit uurwerk de tijd aangeeft. En als ik die eenheid bezit, kan ik door de ervaring toetsen in hoeverre er afwijkingen zijn tussen mijn concept van tijd en het concept van het uurwerk.

Nu moet u zich proberen voor te stellen dat er ergens inderdaad een eenheid bestaat (het is voor u een hypothese), die dus alle dingen samenvat; niet door ze van geaardheid te doen veranderen of door ze te wijzigen, maar eenvoudig door ze samen te brengen in de enig juiste samenhang, waardoor zij gezamenlijk de schepping of het goddelijk beeld vormen. Wij staan dan als mens natuurlijk onmiddellijk tegenover het verschijnsel “tijd”, waarmee we niet uit de voeten kunnen.

We staan verder als mens tegenover het feit, dat wij onszelf altijd willen zien als gescheiden van de wereld, als iets afzonderlijk, en dat we niet kunnen begrijpen dat er meer overeenkomst en meer verbindingen zijn dan verschillen. Maar als we die bezwaren eens voor een ogenblik vergeten, dan ontstaat er voor ons wat men zou kunnen noemen; het mystieke beeld van het leven. Er is geen tijd.

Er is een realisatie, die niet kan worden bepaald, omdat zij voortdurend dezelfde zijnde ons niet toestaat enige tijdserkenning of enige waardering van bestaansduur te hebben. Als deel van dat geheel beleven wij het verre verleden en de verre toekomst; beleven wij het heden en al wat erbij is naar willekeur maar niet volledig vrij. Want wanneer men een deel is van een geheel, dan is men gebonden aan het totaal van revoluties en evoluties, die binnen dit geheel plaatsvinden. En aangezien een uiting altijd een beweging moet zijn en dus ook de goddelijke uiting een manifestatie is (een blijvende verwisseling of verandering, een vast patroon desnoods, maar blijvend), kunnen wij beseffen dat wij als klein deel, slechts aangepast aan de rest, werkelijk bestaan en werkelijk leven, en dat al onze waarnemingen ook weer afhankelijk zijn van de beweging van anderen.

En dan keer ik terug tot mijn uurwerk. We hebben een uurwerk volledig geconstrueerd. God is de motorische kracht. De veer, wat mij betreft; of misschien is Hij wel Degene, Die de veer opwindt. Het gaat ons niet aan, want wij zijn de kleine radertjes. Nu staat er geschreven, dat ons radertje een overbrengingsverhouding moet hebben tussen twee andere raderen. De veer bepaalt dat er een zekere stuwkracht is. En de onrust, die elders in het uurwerk zit, bepaalt in welke mate die spanning zich kan ontladen, En zo bewegen wij. Nu kijken we van links naar rechts en zo dadelijk van rechts naar links. Wij veranderen niet, alleen ons gezichtspunt verandert. Wij zijn ook niet vrij om onze functie volledig te kiezen. Wij kunnen ons alleen realiseren welke onze functie is en daardoor het gehele verloop van het uurwerk in onszelf erkennen aan de hand van onze eigen bewegingen. Dit in misschien wat ingewikkeld, maar het is nodig om een concept te krijgen van het heelal, zoals het werkelijk is. Onverschillig hoe God Zijn kracht dus die het uurwerk van de kosmos overbrengt, zeker is dat de beweging slechts uit de door Hem gegeven kracht voortspruit. Verder is zeker dat de beweging zal geschieden volgens de door Hem vastgestelde richtlijnen, aangezien Hij niet slechts het uurwerk kracht geeft, maar het ook heeft gebouwd.

We hebben dan aan een kant de deterministische opvatting; wat wij feitelijk zijn in de kosmos, wat onze werkelijke mogelijkheden zijn, is gepredestineerd. Wij zijn voorbestemd om een bepaald iets te zijn in alle tijden, en hoe we ook leven en waar we ook leven, in een hemel, in een hel of op aarde; in sferen of door reïncarnaties in vele verschillende tijden, wij zullen altijd moeten beantwoorden aan de norm, die ons is ingebouwd. Wij hebben dus een geheel eigen kwaliteit, die ik zo even de overbrengingsverhouding in het uurwerk noemde. Of we groot zijn of klein, jong of oud, maakt geen verschil uit, wat wij eens waren, zullen wij altijd blijven. Ons gezichtspunt wijzigt zich voortdurend. Onze erkenning van het functioneren van het geheel, waarvan we deel uitmaken, zal zich ook voortdurend veranderen, maar wat we niet kunnen veranderen, is ons wezen en de wijze, waarop dit wezen in het Al is geplaatst. Bestemd is voor ons alles wat wij kunnen doormaken.

Aan de andere kant zijn we in deze mystiek vrij, want er staat nergens geschreven dat het rad zich elke greep van een tand in andere raderen moet realiseren. Er staat ook niet geschreven dat het zich moet baseren op een absoluut star vooruit kijken, waardoor links en rechts voortdurend wisselen met de wenteling van het rad. Het bewustzijn kan zich naar alle kanten wenden. Dan volgt hieruit: De vrijheid van onze wil is het vermogen om onze eigen realisatie van waarden en tevens onze realisatie van zijn, onze functie in het geheel naar eigen believen te erkennen, zolang wij niet overgaan tot een erkennen van de functie van het geheel. Dit is ook tamelijk ingewikkeld en misschien vindt u het op een zondagmorgen wel wat heel ver gaan om zo diepzinnig te filosoferen. Wanneer wij dit mystieke beeld (want dit is mystiek, het is niet bewijsbaar, het is beleefbaar. Je kunt soms voelen dat je deel bent van een eeuwigheid, maar je kunt het nog niet bewijzen; je kunt de eeuwigheid in jezelf erkennen, maar je kunt haar nooit tot uiting brengen) nu op onszelf gaan toepassen, dan komen we vanzelf in de richting van de praktijk; en die zal voor menig mens moeilijker zijn dan het aanvaarden van het algemene concept dat ik hier heb ontworpen.

Want wat zegt nu deze praktijk? Ik kan mij niet onttrekken aan datgene, wat tot mijn wezen behoort. Ik ben voortdurend gebonden aan mijn eigen geaardheid, en zonder deze geaardheid heb ik geen functie in het Al en ben ik uitgeblust. Deze geaardheid is niet tijdelijk, zij is eeuwig; en zij brengt ons eeuwig met vaste regelmaat in contact met andere waarden, die even eeuwig zijn en waardoor de beweging van het kosmisch continuüm, waarin de wil en de werken Gods, voor ons geopenbaard worden. Wij zijn lotsverbonden. Aan de hand van wat er rond ons ligt, kunnen wij erkennen hoe op dit ogenblik ongeveer onze verhouding zal zijn t.o.v. de omliggende raderen, de omliggende wereld. Hier komt ons de horoscopie maar ook de filosofie te hulp. Ja, zelfs de kabbala met haar verschillende mogelijkheden helpt de mens te definiëren hoe hij op het ogenblik staat tegenover het Al. Maar dat is slechts voor een leven en wat is een mensenleven? Het is op de werkelijkheid van je wezen niet meer dan één tandje in een rad met misschien 144 tanden. Wanneer wij nu weten hoe wij tegenover het leven staan, dan kunnen we daarmee misschien een aanpassing vinden aan die omgeving.

Uitgaande van datgene, wat ik nu ken en weet, dat dit dus mijn geaardheid van het ogenblik is, kan ik de wereld gemakkelijker aanvaarden en haar gemakkelijker verwerken, maar ik kan haar nooit veranderen en ik kan nooit aan die wereld ontkomen. De wereld is de eeuwigheid, ook wanneer ze zich aan mij manifesteert in tijd. De kosmos als zodanig leeft voortdurend geheel in mij. Ik word door haar aangedreven; haar werken bepaalt mijn vorm, haar kracht bepaalt op welke wijze ik mijn mogelijkheden zou kunnen realiseren en welke dingen voor mij onmogelijk zijn. Wanneer ik nu dus ga bepalen wat ik op dit ogenblik ben, dan heb ik mijn standpunt gedefinieerd meer niet. Ik heb gezegd, dat dit goed, is en dat dat kwaad is, dat daarnaar moet worden gestreefd en dat ik dat zover mogelijk achter mij moet laten. Maar de wentelende beweging van het rad is niet mijn eigene. Ik ga niet volgens mijn wil van het kwade naar het goede. Mijn bewustzijn heeft de twee richtingen benoemd; de richting waaruit ik kom en de richting waarin ik ga. Maar de beweging is mijn lot, een deel van mijn kosmisch bestaan van mijn relatie. Kan ik dit beseffen, dan zal ik mij tegen hetgeen mij in het leven of in de sferen of waar dan ook overkomt, nooit verzetten, maar ik zal steeds trachten het in de juiste verhouding te zien.

En dat brengt ons tot de eerste stelling van vandaag, waarbij ik dus toegeef dat dit een vorm van mystiek is: Het is in het leven niet belangrijk wat ik ben of niet ben, doe of niet doe, want de werkelijk belangrijke dingen kan ik niet ontlopen, en er zijn gebeurtenissen in mijn leven (zoals in het leven van elk wezen dat bewustzijn heeft), die ik niet kan vermijden. Het is voor mij belangrijk om mij wat mijn persoonlijkheid betreft (dus in mijn waardering) te oriënteren op deze feiten, deze noodzaken van mijn bestaan. Een verzet tegen de feiten helpt niet, maar een verandering van mijn waardering betekent voor mij dat de feiten een andere inhoud krijgen, Wanneer ik wat achter mij ligt als goed zie en ik word door het noodlot gedwongen om mij daarvan voortdurend verder te verwijderen naar datgene toe, wat ik in de toekomst (in het nieuwe) zie als onaanvaardbaar, als een hel of als een demonische wereld, dan word ik tegen wil en dank door de loop der gebeurtenissen naar de demonie toe gesleurd.

Noem ik datgene, wat achter mij ligt het duistere (de hel) en wat voor mij ligt de onbekende toekomst, het licht (de hemel) de bereiking, dan is er diezelfde kracht (niet de mijne maar de kracht van de kosmos zelf) die mij naar dat licht toestuwt. De waarde van de menselijke vrijheid is dus een interpretatieve waarheid, niet een lotsvrijheid. Dan heb ik naast dit alles te maken met grote krachten. Die krachten zijn ten dele bv. de mij inwijdende krachten, de facetten van het Goddelijke, die voor mij misschien onmiddellijk kenbaar worden. Daarnaast ken ik de krachten, die somwijlen a.h.w. op mij inwerken, zoals ongetwijfeld het slaan van het uur in het uurwerk een vibratie veroorzaakt, die alle raderen een ogenblik doet sidderen. Het lijkt, of die vibratie een verandering brengt. Maar is dat een feitelijke verandering? Wanneer die verandering moet worden omschreven, dan kunnen we haar omschrijven als iets, dat in de eerste plaats in ons geschiedt. Maar het uurwerk gaat verder; ons leven, ons lot gaat verder.

Wij hebben te maken met de eindeloze kringloop van het rad waarvan ons bewustzijn zich kan bevrijden, maar zonder de welke ons wezen niet bestaat. Hier krijg ik dus te maken met de kracht van deze tijd. Je kunt zeggen: De klok begint het uur te slaan. Eerst is er een licht tikken, dat alles wakker maakt, dan nog een tik en nog een, want het veerwerk (de tweede kracht) moet worden vrijgemaakt en daar klinken de gongslagen, die alles in oproer brengen. Wij zeggen dan; God heeft onze wereld beroerd, wij zijn veranderd. Maar zijn we wel veranderd? Wanneer er een slag klinkt in het uurwerk van de eeuwigheid; zo verandert dit niet ons wezen, maar ons bewustzijn wordt erdoor verstoord en daardoor kunnen een totaal nieuwe oriëntatie vinden. Indien die oriëntatie een harmonische is, dan krijgt al datgene, wat eens onmogelijk of verwerpelijk scheen, misschien nu de glans der aanvaardbaarheid, en dat wil voor ons zeggen, dat we gelukkig leven, dat wij een eenheid kunnen ervaren mee het totale uurwerk, met dat totale leven, die we voordien niet hebben gekend.

Maar de beweging zelf onthoudt u dat goed, verandert niet. Verder heb ik natuurlijk ook te maken met de geestelijke kwesties, want als een mens nu zichzelf beschouwt als alleen maar een menselijk lichaam, dan zou men kunnen zeggen: Nu ja, goed, dat is het rad. Maar een mens bestaat uit de geest, uit de ziel (de kern, de as, waarom hij draait) en daaromheen zijn er dus vele tandingen. We behoeven niet te zeggen, dat elke tanding van het raadje een leven is. Het kan zijn dat een leven een bewustzijnsperiode is, die verscheidene tandingen omvat. En nu moeten we goed onthouden: Wij kunnen de loop van het uurwerk niet tegenhouden, maar wij kunnen voor een zeer beperkt deel onze vorming wijzigen. Wanneer er nu een tandje in een tandrad onjuist is geslepen, dan zal het bij elke beroering met een ander tandrad een kwelling voelen; het wordt geforceerd. Wanneer wij in de kleine mate, waarin wij onszelf kunnen veranderen niet de juiste vorm aannemen hetzij geestelijk, hetzij lichamelijk of mentaal dan zullen wij als gevolg daarvan een levelling ondervinden.

En naar gelang van de wijze, waarop ze in ons wordt veroorzaakt, zal die kwelling zich dus kunnen uiten op mentaal gebied, op geestelijk terrein of zelfs op zuiver materieel vlak. Wij verlangen echter niet naar kwelling, wij verlangen naar het geruisloos verdergaan, waarbij wij onze plaats in de kosmos innemen, wetend of niet wetend, met innerlijke vrede, met bewustzijn. Of we nu weten wat onze eeuwige bestemming is en het doel van hetgeen we volbrengen, is eigenlijk minder belangrijk.

Het is belangrijk voor ons dat wij datgene wat wij zijn, kunnen aanvaarden. De aanvaarding van je eigen leven en al wat daarin bestaat, al wat erin leeft, dat is a.h.w. de olie die de lagers smeert, het contactpunt met het onveranderlijke, het onwrikbaar eeuwige, waarbinnen wij nu eenmaal onze manipulaties, onze beweging moeten volbrengen. Daar, waar ik in mijzelf vrede vind, zal ik a.h.w. geruisloos en vlot mijn taak volbrengen zonder kwelling, maar wel met een voortdurende wijziging van inzicht en van bestemming, volgens mijn eigen idee. Het resultaat is, dat ik in de geruisloosheid (die men geluk of vrede pleegt te noemen) mijn kosmische taak net zo goed of misschien beter volbreng dan in lijden, strijd en nood.

Slechts daar, waar andere raderen en nu moet u goed luisteren, verkeerde vormen zouden hebben, kan er een moment komen dat wij uit onze beweging, uit ons leven de ander moeten forceren; en dat kan voor ons ook wel eens pijnlijk zijn. Maar indien wij van uit het geluk, van uit de vrede levens dan is die pijn van snel voorbijgaande aard, want in ons is er een stuwkracht, die dat ellendige moment a.h.w. geruisloos voorbij doet gaan. Maar op het ogenblik, dat wij zelf ongelukkig en disharmonisch zijn, dan is er in ons reeds een remming. En wat gebeurt er? Er ontstaat een tijdelijke stilstand; en wij ervaren dus niet alleen de pijn van de oneffenheid (omdat we niet precies kunnen volbrengen wat we zouden willen op een geruisloze manier), maar we krijgen aan de andere kant de stuwing, die zich in ons ophoopt. We krijgen dan voor onszelf het gevoel van een schokkend verdergaan. O, uw secondewijzer merkt er niets van als hij over de plaat heengaat vooral niet als het een centrale wijzer is als er eens een haartje ergens tussen dat tandrad zit, maar het tandrad zelf werkt het wel. En naarmate het uurwerk minder goed is onderhouden, meer verstoft is zal dat voor de raderen een grotere belasting en een grotere slijtage betekenen en dan kan een eenvoudig stofje op den duur a.h.w. het uurwerk stil zetten.

Nu kan dat in de eeuwigheid niet, omdat daar de krachtbron altijd zo groot is, dat deze kleine weerstanden worden overwonnen. En wat meer is: diezelfde oneffenheid zal steeds terugkeren en zal steeds weer worden overwonnen tot het ogenblik, dat de verschillende raderen zich aan elkaar hebben aangepast en dus ondanks de oorspronkelijke afwijking goed in elkaar passende een geruisloos geheel geven. Nu zit er aan dit concept natuurlijk nog heel wat anders vast. Ik spreek nu alleen over de kwestie van bv. eeuwigheid. Maar je leeft in de tijd. En in de tijd overzie je dus maar een heel klein gedeelte van je werkelijke beweging en zeker in een stoffelijk denken kom je niet tot een realisatie van het Grote. Die realisatie is zelfs onmogelijk, omdat hetgeen wij overzien eenzijdig is en wij menen dat we een vaststaand oordeel kunnen hebben. Nu zou ik voor u de stellingen willen ontwikkelen, die uit deze beelden voortvloeien.

1: Elk leven, uit het vorige voortvloeiend, voert weer tot zichzelf, zodat al wat was voor mij altijd weer zal zijn, deel uitmakend van mijn wezen en door mij steeds weer kan worden herbeleefd.

2: Waar de eeuwigheid voor mijn gevoel althans een bepaald tempo heeft, zal dit tempo zich op mijn beweging, op mijn leven overdragen.

Dit levenstempo kan ik niet veranderen, maar ik kan het wel door mijn persoonlijk bewustzijn daarop te richten in mijzelf beleven als een geleidelijk en niet als een schokkend proces. Ik kan in de plaats van de sprongmutatie (waarbij dus elke tik van de onrust voor mij a.h.w. een nieuw schok betekent) komen tot het erkennen van de regelmaat van het werkelijke leven en zo tot de gelijkmatige aanvaarding van het geheel, waardoor ik mijn aandacht op al het andere kan richten. Op het ogenblik, dat ik mij bezighoud met de hoofdfactoren van wijziging, die ik meen te zien in het leven, moet ik wel beseffen dat dit niet voortvloeit uit de werkelijkheid. Elk proces is voor mij geleidelijk en slechts mijn bewustzijn kan daaraan een plotseling optreden verbinden. Ik kan oorzaken niet erkennen en gevolgen plotseling erkennen. Wanneer echter mijn bewustzijn gelijkmatig is, komt niets onverwacht, maar kan ik alles aanvaarden, wetend dat het zich voorbereidt. Wanneer ik ontevreden ben met mijn leven, dan moet ik mij realiseren dat ik er eigenlijk maar heel weinig aan kan veranderen. Het enige, dat ik kan doen, is mijn eigen instelling tegenover het leven veranderen.

De schijn van het bestaan zal anders zijn, de werkelijkheid blijft gelijk. Wanneer ik mijzelf, of mijn denken wijzig, dan zal het antwoord dat ik van de wereld ontvang zich voor mijn bewustzijn wijzigen in overeenstemming met mijn wezen. Wanneer ik tot de mensen spreek, gedragen door liefde, door genegenheid, dan zal die mensheid op den duur niet anders kunnen doen dan mij met liefde en genegenheid antwoorden, ook wanneer dit antwoord naar mijn bewustzijn niet onmiddellijk is. Daar, waar ik de wereld met zekere eisen tegemoet treed, kan ik er zeker van zijn dat die wereld tegeneisen stelt, onverschillig of dit onmiddellijk of eerst na langere tijd gebeurt.

3: Ik kan niets van het leven nemen en ik kan niets van het leven ontvangen, zonder daarvoor te moeten geven. De tijdstippen waarop en de wijze waarop worden bepaald door mijn bewustzijn. Aan het feit zelf kan ik niets veranderen. Het is dus zaak, dat ik leer mijn bewustzijn op de juiste wijze te richten, opdat ik aan de eeuwige beweging, die in mij leeft en bestaat, een harmonische uitdrukking geef.

4: Ik ben nimmer de spil van net heelal; ik kan dat ook niet zijn. Maar ik ben de spil van mijn eigen bestaan; en alle levens, die ik ooit zal kennen, alle vormen, alle sferen, alle werelden, worden in mij steeds herleid tot een en hetzelfde punt: de as, de ziel. Dan heeft het voor mij ook geen zin om een onderscheid te maken tussen de verschillende levens, de verschillende werelden en sferen. Wanneer ik in de beleving van een enkele wereld of een enkele sfeer of toestand steeds probeer te handelen, alsof ik handel de voor alle werelden en sferen, dan zal ik in mijn bewustzijn dichter bij het centrale punt zijn. Maar laten wij niet vergeten, dat zoals de as van het uurwerk in het geraamte is gezet tussen de verschillende montageplaten de mens zo met zijn wezen is verankerd in de eeuwigheid.

Wij kunnen dus de eeuwigheid op elk moment voor ons werkelijk maken. Indien wij niet denken aan dit moment, dit leven alleen, maar indien wij alle werelden, alle sferen en alle in ons zoveel mogelijk doen samenvloeien tot een harmonische eenheid, waarin wij aan de afzonderlijke verschijnselen van het heden wel erkennen,maar ze alleen zien in samenhang met het geheel. En nu moet ik dit basisbetoog eigenlijk gaan afbreken, omdat ik hiermee het beginsel heb gestipuleerd en een verdergaan op een en hetzelfde voorbeeld voor u vervelend zou worden en bovendien tot onnodige herhaling zou voeren?

Ik zou daarom voorbeelden willen geven, die direct voortkomen uit deze werkelijkheid, die ik heb omschreven, uit de mystieke eenheid van alle dingen. Wanneer u droomt, dan kan uw droom uit vele verschillende oorzaken zijn ontstaan. Zij kan zuiver geestelijk zijn of een beleving in de sfeer; zij kan terugkeren tot de herinneringen van het verloden of misschien putten uit de gedachten van anderen, die u hebt opgevangen. De droom is echter altijd een uitdrukking van een deel van uw werkelijkheid. Wat in uw droom bestaat, is ook deel van uw dagelijks leven, of u het wilt of niet. Indien u in staat bent om de droom en het leven tot een harmonie te maken, dan leeft u niet minder werkelijk maar meer werkelijk, want u erkent de realiteit, maar u erkent ook door middel van de droom de werkingen van andere sferen en werelden, die deel uitmaken van uw bestaan en die achter de uiterlijkheid verborgen voortdurend op u inwerken. Wanneer u droomt (misschien in een symbool), dan is het heel moeilijk om dat symbool te duiden. Wanneer u dat probeert te doen, gaat u als het ware een andere wereld onderwerpen aan de normen van uw ogenblikkelijk bewust bestaan. Het resultaat is, dat in de interpretatie de betekenis altijd grotendeels teloor gaat.

Maar wanneer ik erken, dat er een zekere sfeer, een zekere beweging, een zekere werking zit in de droom en ik kan die gedrevenheid, die zich in mijn droom openbaart, beseffen als ook een werking in mijn dagelijks leven, dan zal de harmonie in mijn wezen groter worden. Ik kan niet ontkennen aan de ene kant en bevestigen aan de andere kant. Op het ogenblik dat ik dat ben ik tegen mijzelf verdeeld. Ik erken niet de werkelijkheid van mijn kosmisch bestaan en ik zal als zodanig dus voor mijzelf alle spanningen, wrijvingen en ervaringen veroorzaken, die ten slotte de terugkeer tot die werkelijkheid tot stand zullen moeten brengen.

Wanneer u denkt en u filosofeert, dan komt u natuurlijk tot het redelijk betoog. Aan de hand van erkende en bestaande wetten en werkelijkheden bouwt u thesen op, die tot ver in het onbekende torenen. Maar op het ogenblik dat mijn betoog, mijn beredenering of mijn filosofie zich bezighoudt met niet stoffelijke waarden, kan zij niet meer redelijk worden geconcipieerd. Het concept op zichzelf is onvoldoende. Slechts de emotionele inhoud (d.w.z. de gevoelswaarde, die erin ligt) kan in overeenstemming worden gebracht met het stoffelijk denkbeeld. Leer daarom uw innerlijke waarden en gevoelens, ook de emoties die u heeft bij het overwegen van een bepaald probleem, in overeenstemming te brengen met het dagelijks bestaan, met uw direct denken. Laat niet uw gevoelens uw denken bepalen, maar tracht ook niet door uw denken uw gevoelens te bepalen.

Besef, dat deze beide in overeenstemming moeten zijn en probeer dit te doen door de gedachten aan de gevoelens aan te passen en nimmer het gevoel alleen aan de gedachten te onderwerpen. Probeer in uzelf een eenheid te zijn, wat gevoel en wat leven betreft. Dan heeft u verder te ‘maken met de stoffelijke moeilijkheden, die er altijd zijn. We hebben het idee van wat wel hoort en wat niet hoort, van wat wel mag en wat niet mag, maar daarnaast hebben we ook onze persoonlijke ervaring, en die kan heel erg moeilijk zijn. Want aan de ene kant zullen we iets met alle geweld willen doen of willen bereiken en aan de andere kant voelen we er ons ergens door bezoedeld, we voelen er ons niet prettig door. Dan moeten we tot een nieuwe zelfrealisatie komen, want die tegenstrijdigheid kan alleen mentaal bestaan; die vloeit voort uit ons denken, nooit uit het leven. Alles wat we zijn is deel van het leven. Dus moeten we beseffen, dat wij ons oordeel moeten veranderen, en dat is heel moeilijk. Ik kan niet iets bij een ander verwerpen, dat ik bij mijzelf goedkeur. Toch doet men dat meestal. Ik kan niet iets gelijktijdig begeerlijk en verachtelijk vinden. Of het is verachtelijk of het is begeerlijk.

Wanneer deze beide dus met elkaar in strijd schijnen te zijn, dan heb ik ofwel mijzelf in het leven niet juist gewaardeerd, dan wel ik heb mijn ervaringen overschat. Ik moet dan komen tot een nieuw beeld, een nieuwe aanvaarding. Wanneer ik te maken heb met een gevoel van machteloosheid, terwijl ik aan de andere kant geloof of weet, dat ik de kracht heb om een ander te helpen, dan moet ik niet zeggen dat ik dat niet kan of dat ik het wel kan. Ik moet zeggen: Het is deel van mijn wezen en mijn leven. Ik kan niets tot stand brengen, dat niet daaruit voortspruit. Er is geen reden voor onzekerheid.

Er is geen reden om mijzelf te overtuigen. Indien ik beantwoord aan de kern van mijn bestaan, dan zal ik al datgene kunnen volbrengen, wat noodzakelijk is. En wanneer mijn wezen mij dwingt om tot de zon te zeggen: “Sta stil” of tot de maan: “Verander uw loop” en dit niet alleen maar een fantasie of een poging is om mijzelf te verheffen, maar het vloeit voort uit de noodzaak van mijn leven, dan kan ik dat. Er zijn in het leven geen onmogelijkheden. Er zijn slechts noodzaken die ik erken en noodzaken die ik ontken. Een noodzaak, die ik erken, zal gaande van het begin (dus de ziel) en via alle redelijke sferen komen tot een uiting in de materie. En die uiting in de materie zal op haar beurt de bevestiging zijn van de betekenis van dit alles in de eenheid van de kosmos. Op het ogenblik dat ik verwerp, zal ik mijzelf ontkennende tegen mijn eigen weten in handelen en ervaren, en ik zal datgene, wat ik nu niet bevestig of ontvang, ten slotte toch eens moeten bevestigen, ontvangen of geven.

Je kunt niet ontkomen aan de werkelijke bestemming van je wezen, maar je kunt deze voor je eigen bewustzijn vertragen of versnellen. Wanneer je je bezighoudt met de wereld, dan heb je het gevoel dat je en zeker als mens machteloos staat tegenover de wereld, die nu eenmaal jouw lot, zonder je medeweten eigenlijk, maar bepaalt en over je beschikt, zonder dat je het aanvaardbaar vindt. En aan de andere kant heb je het idee, dat je voor anderen misschien wel meer zou kunnen zijn of doen, maar dat het beter is om dat niet te doen, want men zou daaruit misschien rechten distilleren, of men zou dat verkeerd begrijpen, of men zou ……en zo kun je doorgaan. Kijk eens, wanneer dit het geval is, dan is er ergens met mij iets niet in orde. Want wanneer het noodzakelijk is, dat ik iets voor een ander ben of beteken, dat ik een ander iets geef of een ander iets ontneem, dat ik een rol speel in het leven, in de wereld, dan kan ik mij daaraan niet onttrekken. Het is niet de wereld, die mij beheerst en ik ben het niet, die de wereld beheerst, maar als deel van die wereld ben ik deel van de grote beweging, die binnen haar plaatsvindt en dus moet ik op mijn manier handelen;en ik moet dat harmonisch doen.

Dan krijg ik een maximum aan resultaat, een maximum aan vrijheid en een maximum aan bereiken. Dat betekent, dat een mens zich nooit tegen de wereld behoeft te verzetten, maar dat hij wel moet proberen zichzelf te blijven en toch in die wereld te passen. Dat hij dus zijn denkbeelden moet wijzigen, totdat hij in de werkelijkheid van de wereld zijn plaats heeft en daarin op een reële wijze verder kan gaan. Het door gegeven beeld betekent verder, dat al blijft alles in wezen gelijk er voor ons idee een voortdurende verandering is. Dat betekent, dat we niets kunnen behouden, zoals het nu is, dat we van niets kunnen zeggen dat het morgen nog zo zal zijn.

Alles is in beweging, alles is in ontwikkeling, alles is in verandering. Daarom moet het beleven van de mens nooit zijn gebaseerd op iets, dat morgen zal zijn of dat gisteren was. Het moet zijn gebaseerd op wat je vandaag hebt, maar dan zo harmonisch mogelijk. Dat geldt voor het weer en voor het leven en voor je contact met de mensen, voor wat je eet, wat je denkt, wat je doet, wat je bidt, wat God vandaag is en wat de geest vandaag betekent. Want wat vandaag werkelijkheid voor je is, dat geldt; en dat is de uitdrukking van je taak, van de motiverende kracht van heden.

Als je je bezighoudt met wat morgen is; morgen is het anders. Morgen is de wereld om je heen veranderd, ook al blijf jij dezelfde. De verhoudingen zijn veranderd; en al blijft je oordeel gelijk, je zult voor jezelf het idee hebben dat er iets verkeerd gaat. En dan zul je alles doen om tegen te houden wat niet kan worden tegengehouden. U kunt de wereld niet werkelijk veranderen. U kunt alleen u zelf veranderen en daardoor de aanpassing van die wereld aan het totaal zijnde mogelijk maken. U kunt in de plaats van de disharmonie en het lijden de harmonie en het geluk stellen, maar de ontwikkeling is onveranderd. Als u daarvan uitgaat, dan tracht u niet meer anders, beter of slechter te zijn dan anderen. Dan tracht u ook niet meer te stijgen tot God, u vrij te maken van de mensheid bv., dan probeert u alleen maar om dat wat u bent harmonisch, goed en volledig te zijn. En dan zult u niet meer hechten aan vaste betekenissen of vaste waarden, maar u zult alleen hechten aan de voortdurende erkenning, dat wat kosmisch juist en onvermijdelijk is; en dat de wijze, waarop je het zelf beleeft, het voor jezelf a.h.w. realiseert, het enig bepalende is.

Ik weet, dat dit betoog in strijd is althans schijnbaar in strijd met heel veel andere lessen, die u hebt gekregen. Maar die tegenstrijdigheid is schijnbaar. Want wij kunnen ons heel vaak niet voorstellen dat iets nu werkelijk eeuwig is en daarom doen we afstand van een verwerkelijking op dit ogenblik; of omgekeerd kunnen we niet beseffen, dat de betekenis van dit ogenblik kosmisch is en daarom doen we afstand van elke continuering ervan. Anders gezegd: Dit is de innerlijke, de werkelijke achtergrond van het leven. Maar wij moeten ons dit realiseren. En alleen in jezelf kun je dat mystieke beeld aanvaarden en zelfs dan vergeet je het nog steeds weer. Dus moeten wij een motivering vinden, die ons met een steeds soepeler oordeel, soepeler van instelling en van mentaliteit voortdurend; richt op het goede.

Wanneer de kosmische kracht vandaag de wereld doortrilt, dan betekent dat voor ons, dat we moeten meewerken. Ondergaan doen we die trilling, of we willen of niet. Aan ons werkelijk wezen en aan de werkelijke situatie zal dat in feite niets veranderen; het is een functie van het heelal. Maar wanneer ik mij daartegen verzet en probeer de wereld tegen te houden in het ondergaan ervan, dan zal ik daardoor spanningen doen ontstaan; en dan worden dat wel geen materiaalfouten, maar het betekent pijn. Wanneer ik echter in de aanvaarding, in de soepelheid a.h.w. de slag mede erken als deel van mijn functie, van mijn bestel, wanneer mijn denken zich richt op een toekomst en ik besef dat die toekomst identiek is met het heden, dan ontstaat er harmonie. De lering die de mens van uit de geest wordt gegeven door de grote Meesters, is eigenlijk niet veel meer dan een poging om voor u een aanpassing aan de kracht mogelijk te maken. En als wij met zeer grote krachten uit de geest vechten tegen het duister, dan vechten we niet tegen duistere krachten in die directe zin, waarin u dat ziet.

Het is niet zo, dat we met engelenvleugels en een lichtstraal gewapend duiveltje, met vorken en prikstaarten ergens naar de diepste duisternis terugdrijven, maar wij proberen het wezen harmonisch te maken. En wanneer iets, dat kwaad heet, is opgenomen in een harmonisch systeem, dan wordt het goed. Wanneer curare, het pijlgift, u in de wildernis bereikt, dan is het een smartelijke dood. Maar wanneer datzelfde curare deel is van een geneesmiddel, dan betekent het voor menigeen het leven. En zo is het met alle dingen. Zo is het met wat u kwaad noemt en wat u goed noemt; ze moeten harmonisch met elkaar zijn. En ons streven is om die harmonie tot stand te brengen en daarvoor moeten soms gedachtebeelden (vormen, die in een astrale wereld bestaan) worden gewijzigd, omdat zij gedachten zijn en niet de werkelijkheid.

De strijd van de geest, de strijd voor God, het is niet anders dan een pogen om het bewustzijn aan te passen aan de feiten. Misschien dat ik daarmee eigenlijk het hoofdpunt heb duidelijk gemaakt. Ik zou nog verder kunnen gaan. Niets is onwaar; zodra het in het juiste verband met het andere wordt gezien, is alles waar. En niets is waar, tenzij het in juist verband met al het andere wordt gezien. Niets is waar in zichzelf, maar alleen door de verbindingen die het heeft met de rest, met het leven. Indien u zich dit dus voor ogen houdt, dan denk ik dat het u gemakkelijker zal vallen u aan die heersende krachten van deze tijd aan te passen. Dat het u ook prettiger zal zijn te leven, om uzelf aan te passen aan de behoeften en de mogelijkheden van het ogenblik. Dan zult u niet het onvermijdelijke trachten te ontgaan en u zult niet trachten het onmogelijke mogelijk te maken.

De praktijk van dit alles komt neer op de eenvoudige stelregels: Leef vandaag. Erken wat er in jezelf als noodzaak bestaat. Erken wat er in de wereld als antwoord daarop wordt gegeven en tracht die beide harmonisch te doen zijn. Tracht nooit uw innerlijk of de wereld te veranderen, maar erkennend de feiten tracht in te zien hoe zij elkaar toch aanvullen. Vraag niet teveel naar wat was of wat zal zijn. Oordeel niet teveel over anderen of zelfs over uzelf (u kunt immers niets veranderen met uw oordeel), maar tracht dat wat is inhoud te geven.

En waar een ander het heden niet kan aanvaarden en vecht om het verleden terug te vinden of een toekomst te bereiken, die nog niet bereikbaar is, probeer die mens zonder daarom zijn denkbeelden onmiddellijk aan te vallen terug te brengen tot vandaag, tot heden. Alle werelden, alle sferen, de gehele eeuwigheid is bevat in het ogenblik nu. Dat is dan mijn betoog. Ik weet niet, of u daarop nog iets te zeggen of te vragen hebt, dan moogt u dat nu doen.

Waarom ben ik wat ik nu ben? U bent wat u nu bent, omdat u niet beseft wat de volledigheid van uw wezen is. Want u bent niet alleen wat u nu bent, maar u bent ook wat u eens bent geweest en ooit zult zijn, alles tezamen in één geheel. Er is dus uw werkelijke persoonlijkheid en die is dus onveranderlijk. Maar zolang u zich blijft baseren op de ene beweging die nu uw werkelijkheid uitmaakt (dat heb ik ook geprobeerd te zeggen), dan gaat u een oordeel vormen. De werkelijke geaardheid van uw wezen komt ook vandaag tot uiting zo goed als gisteren, maar door uw oordeel is uw beantwoorden aan de kosmisch onveranderlijke noodzaken rond u een andere dan gisteren. Dat is niet metterdaad, maar dat is alleen door uw beoordeling van de daad. En als u dat nu beseft, zult u feitelijk weten dat u niet verandert. En waarom u als geheel zo bent? Ja, dan zoudt u ook de Schepper kunnen vragen waarom Hij geschapen heeft.  Zou het niet zo zijn dat Hij Zichzelf in de Schepping heeft willen uitbeelden, omdat Hij zo is en wij dus ook in de uiterlijkheden van alle tijden en alle sferen en in alle werkelijkheden ergens een deel van Zijn oneindigheid moeten weergeven. Ik geloof, dat het een beetje te ver gaat, als we denken dat God ons heeft gemaakt, zoals we zijn om onzentwille. Hij heeft het gedaan om Zijnentwille.

Of beter gezegd; Omdat dit Hem een behoefte was. Dat vermoeden we. Wanneer echter een mens gaat praten over de raadsbesluiten van God, zonder zichzelf te begrijpen, dan is hij als een kind dat wil spreken over de wenselijkheid van het hanteren van atoombommen, terwijl het nog niet eens zo goed weet wat een pak slaag betekent. Dan is het toch eigenlijk zo dat je eerst je pak slaag krijgt en dat je dan meestal van inzicht verandert. Neen, ik zou zeggen; vraagt u daar niet teveel naar. Aanvaardt u het geit dat u als geheel bent geschapen en laat de rest rusten. Wanneer U het mij niet euvel duidt, wil ik nu gaan sluiten. Ik zou dat deze keer willen doen met een kleine improvisatie.

In een razende vaart tikt het uurwerk van de eeuwigheid. En ik, gedreven door de tijd, besef niet anders dan dat ik voort moet gaan. Een werveling van schijn en wezen wordt tot waan. En al mijn vrezen, nimmer werkelijkheid geworden, keren terug tot het begin. Ik zie niet de zin van het leven bewegen. Ik kan niet geloven in de oneindigheid.

Ik voel mij alleen maar een slaaf, geketend aan het wervelende rad van een wrede tijd. Maar zodra ik mij keer tot mijzelf en het leven en niet slechts zie naar wat langs mij jaagt, dan erken ik in het “ik” een taak en een vrede. Dan is er niets dat een antwoord vraagt; dan is er alleen maar het zijn en het heden.

En dan wervel ik als deel van de eeuwigheid. Maar voor mij is gestorven het wervelende leven. Voor mij is er niet meer de jachtende tijd, maar het “ik”, tot eenheid geworden met ’t Al en daardoor met het Al tot een functie verheven.

Ik vraag niet naar ’t heden, zoals ik het erken; want al wat ik zie als het menselijk bestaan is gehuld in de sluiers, de nevelen van waan, in begoocheling, nimmer tot waarheid ontplooit. Daarin ligt mijn lijden, mijn strijd, mijn verlangen, mijn nood.

Maar de werkelijkheid is het eeuwige leven. Zo leef ik uit het diepst van mijn wezen steeds voort en zie er de tijd als een spel, dat vergaat, iets, dat mij geen tekenen achterlaat en lees in mijzelf mijn waarheid van zijn, daar door God mij geschreven.

Daarmee heb ik geprobeerd mijn betoog van vandaag nog even samen te vatten. Ik ben dankbaar voor uw aandacht en ik hoop, dat ik het u niet te lastig en te zwaar heb gemaakt. Een volgende keer is er misschien weer een gastspreker en dan kom ik niet aan het woord. Ik ben blij, dat ik toch ook nog een keer wat mag zeggen, hoe bewonderend ik overigens ook onmiddellijk terzijde ga staan, wanneer een hogere kracht zich wil openbaren.  Ik hoop dat ik u deze morgen toch ook iets nader heb mogen brengen tot het begrip van de mystieke eenheid met het Al, waaruit de werkelijke levensaanvaarding en het werkelijke geluk, de werkelijke vrede van het leven voortkomen. Ik weet, dat dat theorie is. Maar wanneer je erg in nood bent, dan kun je dat soms in jezelf proberen te verwerkelijken en dan blijkt dat het een praktische betekenis heeft.