Mystieke beleving van het Goddelijke

uit de cursus ‘Mystieke ontwikkeling’ – (Hoofdstuk 8)   mei 1958

Wanneer de mysticus langzaam maar zeker de weg heeft gevonden langs de innerlijke waarden, komt er een ogenblik, dat de verrukking hem ommantelt. Het is een langzaam opstijgende warmte, die hem weldoend omgeeft en hem afzondert van zijn omgeving. Zijn geest vlucht weg en zoekt zich nieuwe wegen in een onbekend gebied. Het hart aarzelt en de ademhaling wordt tot een zachte zucht. Op zo’n ogenblik kan men komen tot een beleving van het Goddelijke in zichzelf.
Het is een wonderlijk vreemd beleven, dat men doormaakt: Eerst nog is er de wereld, is er de intense wil en rond je klimmende spanning. De concentratie wordt dieper en dieper, tot de lucht rond je schijnt te sidderen van ingehouden energie. Geluiden sterven weg en in de stilte van je eigen denken is het, of vreemde stemmen mee gaan fluisteren. Dan omhult je de vlam van vreemde kracht, die ‑ je weet niet vanwaar geboren ‑ nu tot je komt. Ze vlijt zich om je wezen heen als een beschermende mantel en voert je weg, totdat je meent te staan in een grote duisternis. Een duister vol van al, wat is vergaan en al, wat nog geboren moet worden. Vele gezichten schijnen zich te bergen juist achter de nevel, juist achter de donkerheid, die je moet doorschrijden. En wanneer je een wijle terugziet, lijkt het of de vurige aarde daar nog ligt, doorploegd van het geweld der vulkanen. Of de stille, onbevangen stompe wezens van de zee, die eens het eerste leven waren, je nazien met een zekere verwondering om dat wat je bent.
Zo begint het pad altijd: vol van indrukken, waarin het verre verleden verweven schijnt met je huidig bestaan. En dan zoekt zich in stijgende kracht het licht op je af te drukken. Eerst verweer je je haast; want het is een angstig beleven. Angstig, wanneer stuk na stuk deze wereld, die – al is ze duister, dan toch vertrouwd lijkt – van je wordt weggenomen. Een ogenblik is er een gouden glans en het lijkt of de geluiden, die je hoort, plotseling stemmen zijn geworden van hen, die je dierbaar waren en die je sedert lang niet meer gekend hebt op aarde. Maar ook zij verbleken. En dan komt dat ontzagwekkend ogenblik, dat alles verzinkt.
Er is geen klank en geen geluid meer over. Er is eigenlijk niets. Jezelf voel je aan als een niets; als iets dat niet bestaat; een droombeeld, dat een ogenblik door een onbekende ruimte waast, gedreven door men weet niet welke kracht. En dan, wanneer deze ‘nietheid’ van het ‘ik’ zo sterk wordt, bevat en begrepen, dan schijnt van binnenuit een baaierd van kleurige vlammen op te stijgen. Kleur na kleur speelt rond je, wordt gerealiseerd, wordt ingedronken, als ware je dorstig naar meer vuur, naar meer kracht. Tot alle kleur weer is vergaan en je daar staat: nu zelf een mengeling van kleurige glans, omvangen door de ontstellende witheid van een licht zonder einder. En in dat licht word je je bewust. Minuten en uren schakelen zich aaneen. Het is geen reidans meer, het is een stil bestaan als van concentrische schijven, die liggen op het spiegelend vlak van een grote gedachte. Er is geen begrip meer van leven en dood, want alle schaduwen schijnen verteerd te worden in het vuur, dat in dit witte licht geborgen blijft. En dan, vreemd, voel je jezelf zwellen. Het is alsof je een zaad bent van een plant, dat plotseling begint op te streven, enorm snel. Het is een wonderplant, die in korte ogenblikken de afstanden van aarde tot maan overbrugt en verder grijpt in de oneindigheid. En dit alles ben je zelf.
Rankend vertak je je en je grijpt met al deze duizenden voelers, die je plotseling gegeven zijn, de sterren en de planeten. Je ademt het lege ruim in en je kent de krachten en de gedachte, die erin speelt. Wonder lichtend gebeuren, waarin je een ogenblik boven jezelf verheven bent. Als een reus schijn je uit te torenen boven alle kleine gedachten en alle kleine schepping. En plotseling weet je: Je kent het Woord, dat God betekent; je kent het geheim van de Oneindigheid en van het leven ‑ al deze dingen.
Verstillend in aandachtige beleving bemerk je, dat je terugvalt. Gedoofd is het licht, de stemmen fluisteren nog een korte wijl, wat duistere gestalten flitsen voorbij en je bemerkt het haast niet. En dan ben je terug in een lichaam, terug in een voertuig en in een wereld, die zo beperkt is en klein. En wanhopig pijnig je jezelf om dat Woord terug te vinden, dat geheim, die ene gedachte, die alles verklaart. Maar je kunt haar niet meer bevatten, je kunt haar niet meer bereiken. En je blijft achter als verzadigd door een innerlijke vrede en toch met een zekere droefheid om het geheim, dat verloren ging.
Zo beleeft de mysticus zijn Godheid, zo dringt hij door tot de kosmische Kracht, waaruit al geboren wordt. En in dit beleven heeft hij voor zichzelf eens te meer de weg gebakend, die hij zal moeten gaan.
Denk niet, mijn vrienden, dat het gemakkelijk is afstand te doen van al die schoonheid, van deze volmaaktheid, plotseling gerealiseerd. Het is haast zwaar en moeizaam geworden om nu weer een alledaags leven te aanvaarden; weer rond je te zien die bestemde vormen van je wereld, die ‑ naar je ergens van binnen voelt ‑ alleen maar een vreemde verhulling zijn van die lichtende Kracht. En dan zoek je naar een verklaring, naar een woord.
Dan grijpen ze naar de pen en schrijven boeken vol. Ze schrijven gesprekken met hun God neer, ze schrijven verhandelingen over de Oneindigheid. Ze trachten uit te drukken wat in hen leeft. Maar het gaat niet. Zelfs wanneer de mensheid, stom geslagen, de wijsheid doorgrondt, verborgen in schijnbaar simpele woorden, dan nog……… is de schil ledig en ontbreekt de kern. Want in de mystiek, zoals in alle streven, is het persoonlijk beleven een noodzaak. Zonder je persoonlijk instellen, concentreren en oprijzen tot het Allerhoogste, is het onmogelijk deel te hebben aan Oneindigheid, aan lichtende kracht Gods. Het is daarom dat wij allen moeten zoeken naar deze bekroning van alle mystieke gedachten, alle mystieke bestaan: De verrukkingstoestand, die ons opheft boven alle wereld en voor een korte wijl bewust maakt van de geheimen, die de kern van alle leven vormen.
Het is moeilijk om met even zovele woorden het beleven duidelijk te maken. Zelfs indien we een web van sfeer weten te weven, dat u allen tezamen bouwt tot één weten en één bewustzijn, dan nog blijft het Goddelijke ver. Daarom wil ik trachten enkele raadgevingen te bieden, enkele woorden te spreken, die u misschien een leidraad kunnen zijn bij de mystieke beleving van de allerhoogste waarden.
Vraag u nooit af, wanneer u begint met een bespiegeling, wat u bent. Dit is een weten, dat u is ingegrift, ook wanneer het bewustzijn deze waarde nog niet kan openbaren. Vraag u niet af wat de waarheid is. Want de werkelijkheid en de waarheid onttrekken zich aan uw begripsvermogen; en alle waarheid, die u kent, is slechts schijn. Denk na, bouw ‑ zo u wilt ‑ een droomwereld op, indien in die droomwereld maar één kracht steeds terugkeert: een God, waarin u intens gelooft, waarnaar u verlangt. Realiseer u, dat die God bij u is en rond u is. Laat deze geheimzinnige aanwezigheid doordringen in uw wezen, tot het trilt als een snaar, die wordt aangeslagen door de hand van de meester. Klink mee met de Oneindigheid. Laat de gedachten u voeren en vraag u niet af, waarheen ze gaan. Maar zie ze slechts als delen van een goddelijke openbaring.
Wanneer zo het spel der gedachten is begonnen, grijp dan naar uw diepst verlangen uit; het verlangen, dat in u leeft, dat u voortstuwt, dat u bindt a.h.w. aan dit geheimzinnige, waarin u zoekt uzelf te vinden. Neem dat verlangen, neem deze gedachte als het punt van uw concentratie. Stel u voor, hoe u verbonden bent met geheel de wereld. Stel u voor hoe buiten alle schijnbare wreedheid de liefdekracht u omgeeft. Stel u voor dat u antwoorden kunt daarop. Stel u voor dat de lucht, die u ademt, vervuld is van een vreemde, tintelende kracht, die als wijn doordringt in uw wezen en aderen. Luister niet naar wat de wereld u zegt; luister niet meer naar de geluiden, die doordringen; en tracht te vergeten, wat en hoe uw lichaam is. U kunt knielen, indien u wilt of u kunt een andere houding, een andere stand aannemen. Het maakt geen verschil, wanneer die houding slechts een uitdrukking is van dit streven van deze gedachte.
Indien u zich er één mee voelt en uzelf kunt vergeten, dan zult u bemerken, hoe in deze stilte langzaam maar zeker de warmte begint te rijzen. Eerst streelt ze aarzelend de schouderbladen. Denk dan niet na. Zeg niet tegen uzelf: “Ik heb bereikt.” Onderga en vraag niet. Denk verder. En wanneer er een ogenblik komt, dat het denken traag wordt en de laatste ideeën als een vreemde siroop neerdruppelen, traag en lang getrokken, dwing uzelf dan niet tot verder denken. De mystieke beleving van het Goddelijke is een ondergaan van een werkelijkheid, niet het bereiken ervan.
Zoek in de stilte, die dan heerst, niet naar een bekende stem. Luister niet naar een verstaanbaar woord. Tracht rustig en stil te zijn. Misschien dat u voor een korte wijle meent de voorhistorische monsters der wereld dreigend op U toe te zien stormen. Verroer u niet. Het is waan en begoocheling, deel van uw eigen geschiedenis misschien, voor een korte wijl in u herleefd. Blijf stil en schouw niet; accepteer zonder meer.
Wanneer ge verder stijgt en er klinkt een geliefde stem, geef geen antwoord. Want ook dit is begoocheling. Het leven uit u misschien, dat een ogenblik weerklank heeft gevonden ergens in een sfeer of een wereld. Niet iets, dat een antwoord verdient. Iets, dat men ondergaat zonder zich te verroeren, zonder te denken. En wanneer de kleuren rond u spelen, vraag u niet af: Wat is dat vuur? De betovering zou verbroken zijn, de rede zou teruggrijpen en u dwingen weer te keren in die beperkte wereld, die u zo-even pas ontvlucht bent.
Vraag niet naar tijd en stel u voor de beleving vooral geen tijdslimiet. Want soms worden seconden tot eeuwen; maar soms ook kunnen de minuten tot uren vervloeien, zonder dat u weet, dat de tijd is voorbijgegaan. Indien u wilt beleven, mystiek en verzonken, tel geen tijd.
Wanneer het vuur dan eindelijk in zijn kleuren tot 7 terugkeert, bewonder niet uzelf.  Zeg niet: “Ziet, hervormd ben ik tot een spectrum van goddelijke Kracht”, maar wees stil en aanvaard. Het is de stilte en de aanvaarding, waarin het goddelijk Wezen Zich in u openbaart. Het is eerst in de absolute onderwerping, dat een beleving van het Goddelijke mogelijk is. En wanneer u soms vreest, wanneer in het begin de vreemde krachten rond U samentrekken, wanneer het lijkt of de lucht zo zwaar wordt en de warmte u een ogenblik omhult als een koorts, vrees niets en vraag u niet af, of het gevaarlijk is. Tot God gaan kan niet gevaar­lijk zijn. Wees vredig. Zo zult u mystiek uw God kunnen beleven.
Wanneer wij zo deze raadgevingen vaststellen, wanneer wij dit beleven een ogenblik getekend hebben, dan zullen velen zich afvragen: “In hoeverre is dit een spel van schone woorden? In hoeverre is het waar?” Ik kan mij zelfs voorstellen dat menigeen zal zeggen. “Ik kan dit toch nooit bereiken.” Sta mij daarom toe ook enkele redelijke argu­menten voor dit beleven naar voren te brengen.
Wanneer men gelooft in een God, leeft deze God in uzelf. Leeft Hij in u, dan moet Hij leven in al wat voor u kenbaar is. Er kan immers niets bestaan buiten God? Het is dus niet zo dwaas om dit als eerste punt in het leven te accepteren; en om dit voor uzelf in over­peinzing zo nu en dan tot werkelijkheid te maken. Wanneer de wereld zo­veel tijd kan vinden om na te denken over wereldpolitiek, over finan­ciële tendensen, over sociale problemen, zou ze dan geen tijd kunnen vinden om voor een kort ogenblik na te denken over God? God, Die dan toch ook door het merendeel van deze wereld als een grote werkelijkheid wordt aanvaard?
Het is niet dwaas dit te doen noch overdreven. Want zoals ge nadenkt over al, wat in Uw leven belangrijk is, zo is ook het Goddelijke in uw leven één van de belangrijkste factoren. Vrees dus niet belachelijk te zijn. Meen niet dat een dergelijke beleving iets is om u op te kunnen verheffen. Wat u beleeft, is in uzelf geschied. Het is geen opstijgen naar verre andere werelden, maar het is een langzaam in uzelf groeien naar een werkelijkheid, waarvan u voortdurend deel bent. Is het dwaas om een werkelijkheid te zoeken? Dwazer lijkt het mij, je voortdurend aan begoocheling, aan waan over te geven. Er is dus wel degelijk een argument voor te vinden om deze overpeinzing te doen plaatsvinden.
Er is ook een argument hierin besloten: Wees stil over deze dingen. Breng niet het heiligdom, dat u in uzelf gevonden hebt, naar buiten toe. Want zodra u het buiten u hebt geworpen met enkele misschien zorgeloze woorden, verbleekt het en is het verloren. Het is een kleinood, dat bewaard moet worden. Wanneer men kostbare juwelen bezit en men gaat naar een feest, dan zal menigeen een imitatie dragen van het werkelijke juweel, dat geborgen blijft ergens in de diepte, omgeven door het staal van een kluis. In de kluis van ons innerlijk weten moeten we al deze belevingen bewaren.
Maar het is een lange tocht om tot dit beleven, tot deze realisatie te komen. Wanneer u, vrienden, u voorneemt een voettocht te ma­ken, waarbij u 30 tot 60 km per dag wilt afleggen, dan begint u eerst voorzichtig met elke dag enkele kilometers te gaan. Langzaam maar ze­ker voert u uw snelheid op, voert u de afstand, die u aflegt, op en zo bereidt u zich voor op de werkelijke tocht. De mysticus moet precies zo te werk gaan. Het is niet nuchter, niet logisch of redelijk aan te nemen, dat men zonder meer opgeheven zal worden door kosmische krach­ten; dat men eenvoudig uit de wereld zal worden weggesleurd ondanks eigen onbekwaamheid. Het eigen wezen heeft voortdurend deel hierin. Het is eigen beheersing en eigen actie, die het mogelijk maken tot het hoogste door te dringen. Oefen u dan regelmatig in de overpeinzing, in het doen verbleken van de wereld, opdat u de werkelijkheid, die in en rond u bestaat, scherper zult kunnen kennen.
Een sfeer oproepen mag in de ogen van sommigen theatraal lijken, een soort spanning wekken zonder reden. Maar de beleving is voor ons in dit geval het doel. Het is dwaas om alle hulpmiddelen, die ons daarbij van dienst kunnen zijn, terzijde te zetten. Er zijn hier geen vaste regels te geven. Voor sommigen is het de zoetige geur van wierook, voor anderen misschien de kilte van een frisse avondwind. De één voelt zich gelukkig, wanneer er ergens in de kaalheid van het vertrek, waarin hij mediteert, een tak met bloesem staat of een bloem. Een ander zoekt het in een beeld of misschien in een herinnering, die dierbaar is. Er bestaat hiertegen geen bezwaar. Ook deze dingen maken deel uit van het Goddelijke. Ook deze dingen werken op ons in. Wij moeten een sfeer scheppen om het onszelf mogelijk te maken los te komen van de wereld. Ze heeft niets te maken met godsdienst. Maar toch kunnen wij soms dichter bij God zijn in een kathedraal dan elders, omdat ons wezen de daar heersende sfeer accepteert, omdat in die omgeving God nader lijkt dan elders. Laat ons dan niet aarzelen van deze middelen gebruik te maken. Het vernedert niemand hulpmiddelen te gebruiken. Wij zijn te klein en te onmachtig om ons tegenover God op ons bestaan te beroemen. Laat ons dan ook deze schijn niet aanvaarden tegenover de wereld en gebruiken wat ons als middel wordt gegeven om tot concentratie te komen.
En dan …. is het ook begrijpelijk, dat bepaalde gedachten, die in je spelen, belemmerend kunnen zijn. Vraagt u maar eens aan iemand, die ingespannen moet werken, hoe soms een melodietje, dat door zijn hoofd dreint, hem in zijn tempo kan tegenhouden, ja, fouten kan veroorzaken en ongedurigheid. Indien er in ons een gedachte is, die ons voortdurend blijft plagen, een impuls, die niet te overwinnen schijnt, dan zullen wij eerst moeten proberen daarmee af te rekenen. Men spreekt niet over het beklimmen van een berg, wanneer men nog geen beek kan overschrijden. Men spreekt niet over een mystieke beleving van het Goddelijke, zolang men niet in staat is in zichzelf althans een redelijke rust tot stand te brengen. Alle middelen, die dit kunnen bevorderen, zijn voor ons geoorloofd, zolang ze geen aantasting betekenen van de wereld buiten ons, indien ze voor ons geen verwerpen van het Goddelijke inhouden.
In deze enkele meer nuchtere argumenten ‑ althans ik hoop dat u ze als zodanig wilt beschouwen ‑ heb ik getracht een nader licht te werpen op de procedure. Mag ik nu, voor ik beëindig, nog trachten enkele beelden te scheppen voor u, die u misschien duidelijker maken dan lang en geleerd betogen, wat ik bedoel?
Een mens schouwt naar de wolken. Ze trekken voorbij. Eerst wit en luchtig, dan somber en dreigend. De zon sterft weg, in de verte dreigt het onweer en de mens ziet het niet. Hij ziet alleen de wolken. Dan klinkt er een donderslag. De betovering is verbroken en de mens vlucht terug. Mystiek gezien overkomt ons vaak datzelfde. Je zoekt naar macht en kracht, je beschouwt de oneindigheid en je tracht de beelden daaruit rond jezelf te verweven tot een werkelijkheid. En je bemerkt niet dat je andere werelden en sferen beroert en benadert. Tot een verschijnsel van die wereld je wekt tot dit bewustzijn en dan vlucht je terug.
Een mens besluit om de wereld rond te trokken. Met een kleine boot begint hij een tocht over de oceaan. Eindeloos is de horizon, alleen gevuld met golvend water. De laatste meeuw heeft zijn groet geroepen. Zelfs de luchten zijn stil en ledig. Dan wordt die mens beangst. “Hoe lang nog?” vraagt hij zichzelf af. En hij vreest de dorst, die misschien zal komen; hij vreest het slinken van de voorraden en hij wil terugkeren. Maar keert hij terug, dan kan hij niet bereiken. De eenzaamheid en de angst moeten overwonnen worden. Men moet verdergaan, desnoods ten koste van alles, wil men werkelijk eindelijk aan de horizon een nieuw land zien opdoemen. Voor de mens, die naar een mystieke Godsbeleving zoekt, geldt hetzelfde. Het begin van onze overpeinzing brengt ons nog de afwisseling van de wereld, die wij hebben gekend. Nog zijn de beelden redelijk, doch langzaam maar zeker worden ze eentonig en traag, golvend als de golven van een zee. En dan weten wij niet meer of dit nu nog werkelijkheid is of dat het waanzin wordt. We vragen ons af of we nu op dit ogenblik eigenlijk niet dwaas zijn geworden en of we onze laatste grein van rede niet verspelen, wanneer wij zo verdergaan. Toch zul je moeten doorgaan, wil je je doel bereiken. Een doel, dat niet de rede doet verbleken, maar integendeel deze vult met nieuwe en vreemde, met ongekende schatten. Een mens droomt en zijn droom wordt eerst een statige tocht langs huizen als paleizen, door tuinen vol van bloesem, waarin vreemde vogels zingen, langs juichende menigten, die hem huldigen als een vorst. En dan ineens het ontstellende: Hij is niet goed gekleed. Hij is angstig, beschaamd. Zich schamende vlucht hij en weet niet waarom. Het is een angst, die beknelt. Hij vlucht een huis binnen. De trappen bezwijken; de deuren openen zich niet; vuur laait; en waar hij ook gaat, steeds weer staat hij op een plein vol met mensen, omdat de dwaas de vrees heeft gekend. Zonder de angst was de schoonheid van het paleis blijven bestaan, had de geur der bloemen een kracht betekend in de slaap. Maar de angst, de verwerping a.h.w. van deze vreugde en deze beleving, die ergens uit een verborgen hoek van het ‘ik’ komt, heeft het omgetoverd tot een nachtmerrie vol verschrikkelijke effecten. Wanneer de mysticus uitgaat, mag hij zich nooit afvragen: Hoe ben ik hier, wat beteken ik hier? De realisatie van het ‘ik’ t.o.v. de beleving betekent een je schamen, een je bewust worden van je onvolkomenheid; je bewust worden van je geestelijke armoede misschien ook én een vlucht. Een vlucht, die dan vaak een nachtmerrie wordt, omdat je dan eerst werkelijk gaat beleven al die sferen, die je zwijgend doorstegen hebt.
Ken geen vrees, mysticus. God is rond je aan alle kanten, God is werkelijkheid. Er is geen enkele wereld, die je in de weg staat, geen enkele kracht, die je kan verdrijven. Er is alleen maar dat ‘ik’ van jou en die goddelijke Werkelijkheid, meer niet. Vlucht niet. God vervolmaakt je, naarmate je dichter bij Hem komt, ook wanneer je deze volmaaktheid tijdelijk weer zult moeten verliezen. Er is geen reden om je te schamen, er is geen reden om bang te zijn, dat jij niet goed genoeg bent. Wanneer je die angst kunt overwinnen, dan ligt het pad naar het licht open voor je. Zo niet….dan vrees ik, dat je teleurgesteld zult zijn, vele malen weer.
Mysticus, mystica, het Godsbeleven is vlakbij, wanneer je moed hebt. Wanneer je de moed hebt om al deze schijnbare belachelijkheid terzijde te stellen; om je niet meer te gaan afvragen hoe of waarom; om te gaan zonder meer. Mystiek is het aanvaarden van het ongekende. Vergeet dat niet. En God is de openbaring van het ongekende en daarom ons doel. Alleen hierin zullen wij de vrede kunnen vinden en de kracht om voort te gaan. Alleen hieruit zullen we de krachten kunnen putten, die ons ver verheffen boven onszelf en die ons misschien een lichte weedom laten voor een paradijs, een ogenblik beleefd en weer verloren. Maar die ons ook weer het beeld geven van ons streven naar leven; een beeld ‑ belangrijker nog ‑ van ons einddoel.
Het beleven van het Goddelijke in de mystiek is het wonderlijkste wat men kan ervaren. Het is ook het grootste geluk, omdat het je één maakt met het Ongeziene, omdat het een band vlecht, die altijd zal blijven bestaan en die nooit meer ten onder gaat. Ik hoop dat het u ook eens zal gelukken dit wonder te beleven, dat ikzelf ken. En hiermee beëindig ik deze lezing.