Mystieke beleving

uit de cursus ‘Mystieke ontwikkeling’ – (Hoofdstuk 3)

Alle mystiek is een beleven van duistere, dus niet bekende, waarden. Als zodanig is het niet mogelijk mysticus te zijn zonder een mystiek beleven te kennen, te zoeken en voor zich voortdurend weer te verwerkelijken. Op grond hiervan moet allereerst worden gesteld, dat de mystieke beleving een erkennen is van de verborgenheden van eigen wezen. Deze stelling lijkt u ongetwijfeld betrekkelijk vergaand. Ik zal trachten haar te verklaren.
In de eerste plaats is de mens een uit het Goddelijke geboren volmaaktheid, die deelbaar is in een gerealiseerd en een niet‑gerea­liseerd gedeelte, gezien vanuit menselijk standpunt. Elke bewustwor­ding is een uitbreiding van dat gedeelte, waarin de rede ofwel het licht van kennis heerst. Het daarbuiten liggende deel is voor ons het duistere of werkzame doch niet‑gekende deel der persoonlijkheid.
Op het ogenblik dat wij trachten te komen tot een kennen van God, zoeken wij in feite naar een kennen van onszelf, omdat wijzelf de enig mogelijke weg zijn tot benadering van het Goddelijke. Het resul­taat is dat ons zoeken naar het mystieke, het occulte, in de eerste plaats een zelfopenbaring moet zijn, waarbij het ‘ik’ zichzelf zodanig leert kennen, dat op de duur de factor ‘duister’ in het begrip mystiek moet wegvallen.
Ten tweede: Wanneer het zoeken in het duister leidt tot een licht, dan moet dit licht in onmiddellijke verbinding gebracht kunnen worden met het redelijke gedeelte van het bestaan. Een mysticus zal een beleven doormaken, dat niet redelijk verklaarbaar, noch zelfs redelijk aanvaardbaar is in vele gevallen. Maar ditzelfde beleven zal te allen tijde zijn volle werking hebben op het redelijke deel van zijn bestaan en als zodanig zijn kennen maar ook zijn handelen blijvend beïnvloeden. Wanneer wij deze punten hebben gesteld ‑ daarmee hoop ik mijn eerste uitspraak iets verhelderd te hebben – mogen wij verdergaan en ons af­vragen, welke mystieke belevingsmogelijkheden er voor de mens zijn.
De mens kent vanuit eigen standpunt ‑ dus volgens zijn redelijk bewustzijn – negatieve (duistere of sombere) en positieve (lichtende of goede) krachten. Een erkennen van eigen persoonlijkheid, voor zover dit het duistere deel daarvan betreft, zal echter voortdurend zowel het negatieve als het positieve inhouden. De beleving zal dus altijd tweeledig moeten zijn. Gaan wij over tot een mystieke beleving in de duistere helft van het wezen, dan komen wij tot de ik‑ realisatie. Deze ik‑realisatie vertekent zich in de daad tot egoïsme, egocentrisch denken en een voortdurend afgesloten zijn van de werkelijke wereld. Gaan wij echter de positieve zijde na, dan wordt gerealiseerd dat al hetgeen buiten het ‘ik’ bestaat, volgens ons eigen kennen in het ‘ik’ zijn evenbeeld heeft. Hierdoor wordt een vereenzelviging met de buitenwereld mogelijk.
Beide methoden van beleven zijn een vergroting van bewustzijn, een dieper doordringen in het eigen wezen en als resultaat een grotere benadering van het volmaakte ‘ik’, waarin geen geheimen meer bestaan.
‘Een keuze moet echter worden gedaan aan de hand van bestaande, redelijke omstandigheden en condities. Mystiek beleven dient dus te allen tijde gebaseerd te worden op hetgeen voor het ‘ik’ in zijn redelijke vorm van het ogenblik aanvaardbaar is.
Zou men de negatieve weg kiezen, dan zou hierdoor een voortdurende zelfvernietiging plaatsvinden, waartegen bewuste weerstanden blijven bestaan. Het is dan onmogelijk om de ware consequenties van het erkende in het duister voor zich tot daad te maken, ja, zelfs in denkbeelden uit te drukken. De mysticus kiest dus te allen tijde de voor hem positieve weg.
In deze positieve weg zal hij overgaan tot een beschouwing van zichzelf als een geheimenis. De projectie in God is slechts een omschrijving hiervan. Dit is uiterlijk en heeft geen werkelijke inhoud en betekenis. (In verband dan altijd met dit beleven natuurlijk.) Zoekend in mijzelf zal ik stellen dat in mij verschillende werelden bestaan. Een algemeen bekende omschrijving daarvan is de bol in de bol etc. Sommigen zetten deze vergelijking ad infinitum door, anderen bepalen dit tot een aantal sferen. Onverschillig welke stelling men aanhangt, is hierbij een zuiver kenbaar doel voor de mysticus geschapen. Niet het doordringen tot de kern van het ‘ik’ zonder meer, doch het bewust bereiken van de eerstvolgende verborgen wereld, die zich achter de huidige uiterlijkheid verbergt. Het gevolg is een beter kennen van het ‘ik’, maar ook gelijktijdig een bereiken van een groter deel der mogelijkheden van het ‘ik’ op bewuste wijze.
Indien wereld na wereld bereikt wordt, blijft altijd nog het mysterie van het leven. Daarom stelt men heel vaak dat de kern van het ‘ik’ een tempel is waarin een altaar, op welk altaar een vlam brandt. Hiermee wordt aangeduid dat de kern van het eigen bewustzijn (dus het ik‑bewustzijn) slechts het behoeden is van de eenheidskracht der schepping, op welke (of in welke, zo U wilt) zich de vlam van het goddelijk onmiddellijk en daadwerkelijk openbaart.
Dat men deze ‘scheiding maakt, is duidelijk. Wij kunnen niet komen tot een algehele zelfverloochening, zonder gelijktijdig daarmee ons bewustzijn te verliezen. De mysticus echter zoekt naar een bewuste eenwording en een bewuste beleving. Hij kan dus nooit en te nimmer afstand doen van een persoonlijk kennen. Dit resulteert in het afpalen van delen van het wezen, waarbij men de daarin besloten geheimen, althans voorlopig, als een soort godsdienstig geheim blijft beschouwen. Men zoekt niet tot een onthulling hiervan te komen, doch aanvaardt het tot het ogenblik, dat alle andere wereld gekend is en dus het bewustzijn in deze laatste geheimen zijn werkelijke eenwording met de Schepper ‑ verzinking van de ziel in zijn Bron ‑ kan bereiken.
Wanneer ik op grond van het voorgaande tracht een voorbeeld te geven van een mystieke beleving, dan moet men zich wel realiseren dat ik deze noodzakelijkerwijze kies uit mijn eigen sfeer zowel als uit mijn eigen wezen. Het is nl. moeilijk hier een algemeen beeld te geven. De verschillende door mij genoemde factoren zult u ongetwijfeld hierin zien opdoemen.
Wanneer ik verzink in mijzelf, verbleekt de wereld, waarin ik mij beweeg en waarin ik besta. Voor mijn eigen wereld treedt als zodanig een verstarring van mijn wezen op, waarbij geen contact met mijn persoonlijkheid meer mogelijk is. Toch erken ik gelijktijdig die wereld wel en zal ondanks mijn gebondenheid in normale vorm een buitengewoon helder bewustzijn omtrent de waarden van die wereld hebben. Dit kennen der wereld leidt tot een lichte dronkenschap. Een roes, waarin men plotseling het in die wereld onmogelijk geachte nu als mogelijk ziet. Dan vertekent die wereld zich, omdat met ons aanvaarden van mogelijkheden deze ook gerealiseerd worden.
Het beeld verscherpt zich steeds meer en breidt zich uit. Er komt een ogenblik, dat rond mij zoveel aanwezig is, dat mijn bewustzijn niet in staat is meer op te nemen. Er treedt dan een tweede verstarring op, die wij verrukkingstoestand kunnen noemen, In deze verrukkingstoestand onderga ik een bestaan, dat in feite net iets te hoog ligt voor mijn bewustzijn en begripsvermogen. Hierin word ik mij van vele krachten bewust, maar ben niet in staat, deze nader te definiëren.
Wanneer ik terugkeer tot mijn oorspronkelijke status, zal ik in mij enige der waarden kunnen uitdrukken. Buiten mij zal ik slechts in een gelijkenis een benadering kunnen geven van misschien één enkel punt der duizenden, die ik heb doorgemaakt. Men kan o.a. dit stellen (en nu neem ik dus een beeld, dat u niet moet beschouwen als een voorbeeld voor eigen onderzoek of meditatie, maar zuiver als een gelijkenis, waaruit de samenhang kenbaar wordt. )
Ik zet mij neer te midden van een wereld van vorm. Deze wereld van vorm bestaat uit wouden, bergen op de achtergrond, een meer op de voorgrond, een weide. Op het ogenblik dat ik mij verzink in mijzelf, verbleekt deze werkelijkheid voor mij en is het of er een duistere sluier over mijn ogen wordt getrokken. Die sluier trekt op en nu zie ik zonder mij te bewegen de gehele omgeving. Een gezichtshoek dus van 360 graden in elke richting. Hierbij blijkt mij verder, dat de geaardheid van het oorspronkelijk aanwezige veranderd is. Het water leeft en wordt omkleed door een fijn waas als een sluier, die ver boven het watervlak uitreikt. Gelijktijdig zie ik ditzelfde licht schemeren in de omgeving van de oever. Het gras zie ik als een reeks van kleine levende lichten, die gras zijn en blijven, maar toch een nieuwe kleur aannemen en ook een bewegen en een leven tonen, dat men er normalerwijze niet in kent. Ook de bomen vertekenen zich en worden tot zuilen die in zichzelf meestal statig en enigszins donker, voortdurend worden afgetekend door glijdende lichten, die nu op‑ dan neerwaarts gaan. De hemel boven mij is gelijktijdig zo dichtbij, dat ik haar grijpen kan, en ver weg als een oneindigheid. Deze tegenspraak komt voort uit een gelijktijdig ervaren van die hemel als innerlijke werkelijkheid en een ervaren van het onbereikbare vanuit het standpunt van mijn omgeving. Hieruit vloeit voort dat mijn wereldbeeld een geheel ander is en als zodanig mijn realisatie van mijn eigen persoonlijkheid niet meer is die van een bewegend wezen tussen statische waarden, maar van een licht tussen lichten.
De totaal gewijzigde verhouding die tussen ‘ik en omgeving’ voor mij bestaat, brengt mij tot een realiseren van een samenhang, waar ik deze eerst niet heb kunnen zien. Ze doet mij anderzijds ook weer inzien, hoe bepaalde dingen in mijn normale bestaan van intrinsieke waarde, van buitengewoon grote betekenis zijn voor een werkelijk contact met die wereld. Ik realiseer mij nu, dat ik in feite de levende krachten, die ik in de wereld rond mij heb leren kennen, herschapen heb in mijzelf en deze in mijzelf beleef.
Het zoeken naar eenheid leidt over het algemeen tot bepaalde harmonische effecten, waarbij men een gedeelte van de wereld weer buitensluit. Dus een verdere verenging van redelijk bewustzijn. Hierin vindt dan een hernieuwde vertekening plaats, waarbij het licht nu een andere intensiteit verwerft. Dit is zeer moeilijk te omschrijven, Het best kan worden gezegd, dat het licht nu plotseling alle vezels van mijn wezen gaat doordringen en niet alleen gezien maar geproefd, gevoeld, kortom alles wat zintuiglijk voor U voorstelbaar is, gelijktijdig in mijn wezen doet ontstaan als gewaarwording. Hierin vind ik dan mijzelf wederom terug, zij het nu beperkter. En in deze beperking vind ik nu leven als een intensiteit, die ten grondslag ligt aan mijn ervaren. Dit leven, deze gewaarwording is niet omschrijfbaar. Het is geen roes, maar het is een verzinken in iets, dat gelijktijdig een intenser leven betekent. Dan is meestal het hoogste punt bereikt.
Een betrekkelijk hoog bewustzijn is hiervoor toch reeds noodzakelijk. Het ondergaan van de levende kracht, deze vervulling van eigen wezen, blijft langere tijd bestaan, waarna langzaam dit licht wegtrekt, in de voorgaand omschreven vormen achtereenvolgens overgaat, om mij tenslotte te doen ontwaken te midden van mijn eigen wereld. In deze beleving heb ik dan de zin en inhoud van mijn bestaan a.h.w. getoetst aan de in mij aanwezige waarden.
Een gedeelte van hetgeen ik waarnam onttrekt zich volledig aan mijn redelijk en normaal bewustzijn. Het is a.h.w. een declaratie van een verbond, tussen mij en andere dingen, persoonlijkheden, wezens, dat niet gerealiseerd was. In deze verklaring komt voor mij de intensiteit van beleving overal terug, waar ik buiten mij deze beelden hernieuwd zie. Daarom zal ik zeer vaak voor een reeks van dergelijke meditaties of verrukkingstoestanden, hoe u het noemen wilt, een vaste plaats kiezen. Ik zou deze plaats kiezen zoveel mogelijk vrij van veranderende waarden. Hier kan ik immers op de eenvoudigste wijze die roes terugvinden, deze verzonkenheid, die dan leidt tot een ervaren van levende krachten.
U zult begrijpen dat dit een zeer onvolledig beeld is. Ik kan hierop niet voldoende de nadruk leggen. Maar het is een beeld, dat voor uzelf bereikbaar is. De ware mysticus leert zozeer één zijn met zijn buitenwereld, dat hij ook in handelingen en daden de gelijke toestand terugvindt. Het waar mystiek beleven houdt op de duur in een gelijktijdig de eigen wereld volledig reëel ervaren en toch een weten én kennen van alle tussentoestanden, terwijl even reëel als de eigen wereld de Levende Kracht in de hoogst bereikbare intensiteit door het ‘ik’ wordt ervaren.
Het ‘ik’ speelt een overweldigende rol in alles, wat met mystiek in verband staat. Slechts vanuit het ‘ik’ is deze bereiking mogelijk. Slechts door het ‘ik’ op de juiste wijze te plaatsen te midden van de wereld, kan het ‘ik’ als eenheid met deze wereld een steeds groter begrip voor het beleefde mogelijk maken. Want de mysticus verlangt niet alleen te beleven. Zijn beleven moet hem voeren tot een praktisch werken. Eerst wanneer hij de kracht in hem a.h.w. door zijn leven kan uiten en dus daadwerkelijk en bewust deel kan nemen aan de goddelijke harmonie, zal het ‘ik’ ‑ en daarmee de mysticus ‑ zijn doel bereiken.
De consequentie hiervan is, dat te allen tijde de mysticus gelijktijdig daadwerkelijk én in zichzelf verzonken leeft. Deze combinatie van twee werkelijke levenswaarden bevat verder een reeks van werelden, die in feite omschreven mogen worden als de verschillende, binnen het ‘ik’ sluimerende bewustzijnsmogelijkheden. Waar men echter leeft in een realiteit, zal men als mysticus voortdurend trachten zich aan deze realiteit te blijven aanpassen. In deze realiteit projecteert men en gebruikt men echter de waarden, die men als werkelijk binnen zichzelf leerde kennen.
Hetgeen ik u heb verteld omtrent de mystieke beleving, zal ongetwijfeld duidelijk hebben gemaakt, dat deze mystieke beleving kan bestaan in de meest verschillende vormen, dat zij in de meest verschillende leerstellingen bereikt kan worden en dat zij a.h.w. universeel is, mits de instelling van de mens de juiste blijft. Het zij verre van mij de mystieke beleving in alle toestanden weer te geven. Toch zou ik u gaarne een algemene benadering van de mystieke belevingen willen geven, voor zover deze aardse toestanden en groeperingen betreffen.
Het mystiek beleven binnen het kerkelijke betekent heel vaak een sublimatie van bepaalde seksuele drijfveren, waarbij dus het dierlijke dienstig wordt gemaakt aan een streven tot geestelijk verder komen. Hier vinden wij o.a. de uitdrukkingen: onze moeder de heilige kerk, de kloosterlingen van de vrouwelijke sekse, die zich bruiden van Christus noemen, etc.
Wij kennen echter ook oudere gebruiken, waarbij de grote wereldgodin aanbeden wordt en waarbij de mystieke beleving zich uit in een praktisch deelhebben aan de vruchtbaarheid der aarde. Hieruit komen erediensten voort, die choquerend zijn voor het modern westers bewustzijn en die toch in hun uiting en beleving een volledige mystieke verrukking mogelijk maken,
Een mystieke verrukking is verder mogelijk ‑ en daarmee een mystieke beleving ‑ in alle daadwerkelijk streven tot geestelijke bereiking binnen groeperingen. Hierbij definiëren wij dus uitdrukkelijk niet‑kerkelijke, maar a.h.w. algemeen geestelijke richtingen. Op het ogenblik dat ‑ hetzij door middel van samenwerking ofwel een gemeenschappelijk ondergane scholing – men komt tot een geheel, is het mogelijk in deze gemeenschap een ogenblik het eigen ‘ik’ te verliezen en uit te schakelen. Dit uitschakelen van het ‘ik’ betekent gelijktijdig een zuiverder en waardiger realisatie van de wereld en haar problemen.
Wel begaat men heel vaak de fout, dat men hierbij te zeer haakt naar hoog‑mystieke belevingen en zo zich denkbeelden stelt, die boven de werkelijke vermogens van de groep uitgaan. Dan blijft er vaak een zekere kilte of leegte achter, waar de beleving niet in het bewustzijn kon worden overgebracht. Blijft men echter bij een redelijk doel, dan kan het ‘ik’ soms een gevoel van verzadiging kennen, een verzadiging, die zover gaat, dat men a.h.w. geluk met een dergelijke beleving identiek mag achten.
De wijzen, waarop men mystiek beleeft, mogen verschillen, de beleving zelf kentekent zich voor de doorsnee‑mens door de volgende tekenen:

In de eerste plaats, een zodanige geboeidheid tijdens de beschouwing, plechtigheid, meditatie e.d., dat het ‘ik’ met zijn dagelijkse zorgen en omstandigheden tijdelijk vergeten wordt.

In de tweede plaats een sterk begeren naar een onbereikbaar of onbegrijpelijk iets, dat zozeer in kracht wint, dat ook het normaal begeren uitgeschakeld wordt.

Deze uitschakelingen betekenen een normalisering van alle leden binnen een groep of groepering. Hierdoor vullen zij elkaar aan en ontstaat buiten een mondeling of ritueel contact bovendien een telepathisch en zelfs geestelijk contact, dat tijdelijk eenheid schept. Deze eenheid kent in zich veel meer bewustzijnswaarden dan elk der delen voor zichzelf. Door het in zich opnemen ‑ en nu moet u goed luisteren en goed nadenken – door het in zich opnemen van de groep als volkomen gelijkwaardig aan het ‘ik’ worden de functies binnen het ‘ik’, die corresponderen met hetgeen men ziet in de delen der groep, volledig bewust. In deze bewustwording is een deel van het duister tijdelijk verdreven en wordt tot licht. Het licht, van waaruit nu naar het geheim kan worden gestreefd, is zoveel groter, dat de bereiking van de doorsnee‑mens binnen een dergelijke groepsbeleving aanmerkelijk hoger ligt dan bij een alleen oefenen mogelijk is. Het is belangrijk dat hierop de nadruk wordt gelegd.
Men kan een mystieke ontwikkeling natuurlijk zelf beginnen. Men kan daarbij ongetwijfeld komen tot mystieke belevingen. Maar heel vaak zal het groepsbeleven in de eerste periode van ontwikkeling een bereiking geven, die alleen zeer veel moeite kost. Hierdoor wordt een sterker en sneller inzicht in de waarden van het ‘ik’ verworven, kent men hieruit zuiverder de wereld, omschrijft men beter en duidelijker eigen problemen en komt zo tot een doelbewuster zoeken, dat betekent een bewuster een‑zijn met de lichtende krachten, dat wij ons als doel stellen.

NOOT betreffende: groepsbelevingen.
Bij de groepsbeleving moet uitdrukkelijk worden gesteld dat, ofschoon vele individuen gezamenlijk beleven, de beleving binnen elk van hen plaatsvindt en wel geheel afzonderlijk. In elk afzonderlijk worden echter de erkende elementen der andere persoonlijkheden ‑ ook de telepathisch of gevoelsmatig gekende elementen ‑ mee verwerkt, zodat een tijdelijke maar vaak grote verrijking van het ‘ik’ plaatsvindt, waarbij de suggestieve kracht van gezamenlijk streven en het samenwerken de elementen der anderen binnen de eigen persoonlijkheid nog eens extra sterk activeert. Het is hierdoor, dat de toestand van boven het normale uitreikende bewustzijn en dus ook groter licht wordt bereikt.

 

T E M P E L D I E N S T

Reien, die zingen en woorden, die klinken
een sfeer van gewilde onwerkelijkheid,
waarin voor een wijle ’t lichamelijk denken
van zichzelve wordt bevrijd.

Een woord gesproken, een kracht geboren,
een leven uit ’t diepste van het bestaan,
waardoor je bewust wordt van je streven,
waardoor je leert om meer te geven
en minder in jezelve op te gaan.

Tempeldienst, symbool van leven,
symbool van God en werkelijkheid,
gij zijt een pauze, zijt een rusten
in de vaak barre levensstrijd.