Mystieke beschouwingen

21 mei 1973

Onze gast voor vanavond is iemand, die in zijn tijd (500 jaar geleden) een groot denker en magiër was. Hij is Magister (professor) geweest in Heidelberg, maar daar hadden ze kennelijk met de magie niet zo heel veel op.

Zijn denken gaat vooral uit van de vervlechting van waarden. Misschien is dat een uitbreiding geweest van zijn magisch denken, want in de magie zegt men dat het symbool en de werkelijkheid hetzelfde zijn. Hij heeft dat nog verder ont­wikkeld en zegt: Er komt een ogenblik dat het symbool een contact is en dat de verbinding met het symbool dus een beleving van een grotere werkelijkheid impliceert.

Zijn opvattingen zijn waarschijnlijk veel eenvoudiger dan ik ze kan weer­geven. Het blijkt elke keer weer: als wij met iemand te maken hebben die wat verder is, dan weet deze met eenvoudige woorden meer te zeggen dan ik met alle ingewikkelde betogen. Dat is jammer voor u natuurlijk. Ik zou het ook graag beter doen, maar u zult het ermee moeten stellen.

De essentie van zijn vroegere filosofie en het mystiek denken is deze: Er is een verwantschap tussen alle krachten der natuur, omdat alle leven onderling verbonden is. Leven zal altijd worden aangetrokken tot leven waar het noodzakelijk is. Dat gaat uit van het standpunt “als je ziek bent, dan groeit het geneesmiddel voor de deur” tot het denkbeeld “een mens, die demonisch van instelling is, trekt demonen aan en is door demonen omgeven.” Een variant die hij in zijn laatste dagen eigenlijk alleen in een kleine kring heeft gedoceerd stelt: “De kracht die ik aanvaard, bepaalt de wereld die ik betreed.

Ik probeer het nu maar eenvoudig te zeggen: Indien u zich in uw denken één kunt voelen met onverschillig welk deeltje van het levende, dan zult u daardoor deelhebben aan de wereld waarin dat deel vertoeft. Of dat nu een hemelwereld, een hellewereld is of wat anders – in die tijd dacht men zo – u zult daar binnentreden. Wanneer ik binnentreed in een andere wereld, dan absorbeer ik haar wetten en waarden en ik zal mij daarvan nooit meer kunnen ontdoen. Dit is een belangrijk punt. En als ik dit met mijn onbehol­pen woorden mag zeggen:

Op het ogenblik dat ik werkelijk deelheb aan een paranormale wereld (een andere dimensie, een geestelijke wereld of sfeer), ben ik gedurende mijn verblijf daarin onderworpen aan de wetten van die wereld. Maar dat wil ook zeggen dat deze wetten in mijn wezen zijn vastgelegd. Als ik naar mijn eigen wereld terugkeer, dan gelden die wetten misschien niet meer naar bui­ten toe, maar in mij blijven zij van kracht. Ik kan mij niet onttrekken aan de wetmatigheden die in mij bestaan.

Dit is een heel interessant punt, omdat het misschien verklaart waar­om zoveel mensen eigenlijk op verscheidene niveaus handelen. Er zijn niveaus van eerlijkheid, van betrouwbaarheid enz. Op zich lijkt dat vaak een goed­koop compromis, totdat je gaat ontdekken dat op elk van die niveaus vol­komen consequent wordt gehandeld. Dan kun je dan natuurlijk psychologisch verklaren. Maar hoe komen deze wetmatigheden in de mens terecht, want de mens reageert op een vaste structuur van wetten. Ik meen, dat onze gast­spreker hiervoor een basis, een begrip, heeft gegeven:

Als je in een andere wereld bent geweest – hoe dan ook – dan zul je aan de wetten daarvan moeten gehoorzamen. En dan is je eigen wereld en al­les wat daarin bestaat misschien strijdig met die wetten, maar je kunt je er niet van ontdoen.

Ik heb dat punt nog even nagegaan en ik ben tot de conclusie gekomen dat er een groot aantal mensen is, die het zichzelf onmogelijk maken om lo­gisch te reageren volgens de normen van hun eigen wereld en besef. En dit terwijl zij het wel willen, maar zij kunnen het niet. En dat niet-kunnen blijkt dan door het onderbewustzijn te worden veroorzaakt. Het onderbewust­zijn frustreert gewoon alles wat niet in overeenstemming is met een tweede reeks wetten of regels, welke in die persoonlijkheid bestaan. Ik meen dat wij hier een verschijnsel hebben dat in de psychologie en psychiatrie bekend is en dat gelijktijdig toch ook in deze meer mystieke beschouwingen past.

Een opvallend punt vind ik verder in deze beschouwingen dat God daar­in heel weinig op de voorgrond komt. Als wij te maken hebben met mystici -vooral vanuit uw standpunt met laatmiddeleeuwse mystici – dan speelt over het algemeen God een heel grote rol. Het is a.h.w. de Deus ex Machina, degene die alles bepaalt en verandert, zonder dat er redelijkheid bij is. Bij onze gast van vanavond was juist deze “God van de machine” niet tegen­woordig. Er is geen noodlot. Ja zelfs een karma dat fixeert, verwerpt hij. Hij gaat uit van een volledige vrijheid. Maar dan een vrijheid waarin je zelf de wetten stelt en waarbij elke wereld die je aanvaardt je een aantal wetten meegeeft.

De denkbeelden voor de innerlijke mens zijn wat moeilijker weer te geven. Misschien ook wel omdat onze gast deze alleen maar in een kleine kring placht uit te werken; en dat betekent dat zij moeilijker zijn terug te vinden. Voor hem is de innerlijke mens een eenheid. Hij zegt: Het is een eenheid als een draaikolk. De persoonlijkheid van de innerlijke mens (de geest of de ziel of hoe je het noemen wilt) is eigenlijk als een leegte te midden van een enor­me beweging van materie en misschien ook nog van bepaalde geestelijke sferen. Deze leegte echter bepaalt de eigenschappen van het geheel. Zij is er het ge­volg van, maar zij bepaalt gelijktijdig de eigenschappen. Zij wordt in zich misschien voor een deel bepaald door stromingen die buiten het geheel van de beheersing liggen. Maar zelfs dan is en blijft deze leegte eigenlijk het­geen eigenschapsbepalend is. Daarom zegt de gastspreker:

Ik moet niet in mijzelf doordringen om mij te ontleden. Ik moet eerst eens weten waar dat lege punt is; waar die leegte begint, waar de materie ophoudt. Als ik de vorm daarvan ken, dan weet ik wat mijn eigenschappen geestelijk zijn. Als ik nu mijn bewustzijn in die leegte verplaats, dan begin ik aan de top in een oneindigheid, maar het wordt naar beneden gezogen en ik kom in de materie terecht. In de materie behoud ik de herinnering (dus weer dat behoudend principe, dat wij bij hem heel vaak tegenkomen) aan de leegte en zodra ik beneden ben – niet voordien – begin ik die leegte te vullen met mijn denkbeelden, omdat ik niet in staat ben leegte als zodanig te aanvaarden, ook niet in mijzelf.

Deze filosofie van het “ik” als een leegte, als het onbekende, heeft bepaalde voordelen en nadelen. Het nadeel is volgens mij, dat elke innerlijke beleving hier wordt voorgesteld als een denken over iets wat je niet kunt aanvaarden. De gastspreker zegt echter op een gegeven ogenblik:

“Als ik denk aan de oosterling (daarmee bedoelt hij waarschijnlijk de boeddhist), dan aanvaardt deze in zijn hoogste bereiking de leegte.

Deze leegte is niet gevuld met vormen, maar ze is gewoon de essentie, de vorm van het totaal-levende. Deze eenheid met het totaal-levende is dan ook de hoogste ervaring die mogelijk is binnen een ego.”

Dit zijn redeneringen, ik geef dit graag toe. Een leraar, een magister, die in staat is zo te denken, die aan magie doet, die weet over het alge­meen ook wat werken met invloeden is. Een van zijn uitspraken wil ik hier ook nog citeren:

“Als ik een beeld in mij draag en ik kan dit in die leegte projecteren, dan veranderen tijdelijk al mijn eigenschappen, want waar ik aan de leegte in­houd geef, daar houd ik op te bestaan in mijn oorspronkelijke vorm.”

Ik heb geprobeerd te begrijpen wat nu eigenlijk daarmee wordt bedoeld. Mijn conclusies moet u maar voor een deel op mijn rekening schrijven. Ze zijn ongeveer de volgende: Als ik in mij een bepaald iets heb dat ik tot in de hoogste delen van mijn wezen projecteer, dan ben ik daarmede bepaald. Mijn vrijheid is weggevallen. Dat wil zeggen dat de normale eigenschappen van mijn persoonlijkheid tijdelijk ophouden te bestaan, voor zover het mijzelf betreft en mijn reactie op de wereld. Ik geloof dat hij bedoelt dat er een monomanie ontstaat: een dermate grote eenzijdigheid, bepaald door het beeld, dat normale reactie en normale bewustwording niet verder kunnen bestaan. Hij gebruikt overigens dit argument om de waarde van bepaalde heiligen te betwijfelen. Nu kon dat in Heidelberg wel. Maar het belangrijke was eigenlijk dat hij zei: Kijk, wat jullie aan mensen toeschrijven, kan niet echt zijn. Als een heilige op een gegeven ogenblik zich werkelijk zo één voelt met b.v. Jezus of met iemand anders, hij daardoor a.h.w. wordt gebiologeerd, dan kan hij niet meer zelf ageren. Iemand, die goed doet omdat in hem een beeld van het goede bestaat dat hem domineert, heeft daarvan geen verdienste. Het be­paalt niet zijn relatie met de werkelijkheid. Integendeel, het is een ontken­ning van zijn relatie met de werkelijkheid.

Mijn persoonlijke verklaring is: Iemand die slechts één beeld, maar een omschreven beeld, weet te koesteren in zichzelf en dit tot de hoogste delen van het “ik” weet op te stuwen, wordt een komediant, een marionet, die geregeerd wordt door een beeld dat hij zelf heeft geschapen. Hij zal zich eerst weer vrij kunnen bewegen, indien hij dit hem dominerende beeld heeft vernietigd. Dit ligt ook dicht bij de metafysica, meen ik. De krachten van het “ik” zijn dus ook voor onze leermeester wel belang­rijk geweest.

Hij onderscheidt de krachten of vermogens van het “ik” in vier afzonderlijke richtingen. Ik heb hiervoor mijn eigen vermoeden. Ik meen, dat hij hier een analogie heeft opgebouwd met de oude elementen. Maar hoe het ook zij, op zichzelf is deze indeling weer erg interessant.

  1. Eerste vermogen: De mens heeft in zich het vermogen om levenskracht te zijn en levenskracht te geven
  2. Tweede vermogen: De mens heeft in zich het vermogen te denken en door concentratie gedachten te fixeren. Zo schept hij buiten zich delen van zichzelf.
  3. Derde vermogen: De mens draagt in zich een erkenning van het hogere. Hij geeft dit hogere een vorm en beperkt daardoor de werking, die het hoge­re voor hem kan hebben. Hierdoor beschikt hij over een deel van de kosmi­sche kracht, maar die door hemzelf wordt bepaald.
  4. Vierde vermogen: De mens kan in zichzelf een zodanige verwantschap gevoelen met alle leven, dat hij – zonder daarom zichzelf te vergeten of te beperken – zal handelen in overeenstemming met het geheel en niet al­leen met zichzelf. Hierdoor ontsluit hij voor zichzelf de kennis en de kracht van het geheel. Zo kan elke mens een groot gedeelte van de mens­heid voor een kort ogenblik representeren en daaruit een supranormaal of bovenmenselijk denken en een bovenmenselijk presteren putten.

Wij hebben de hoop dat de gast zelf zal proberen om met die vermogens of krachten iets meer practisch te doen. Garanderen kan ik het niet; wij zullen maar afwachten. De praktijk van een dergelijke indeling is wel dat hoe willekeurig zij schijnbaar ook is, ze toch een: viertal delen van ons denken en ons wezen omschrijft en elk van die delen een afzonderlijke kracht noemt. Nu kom ik even tot dingen die helemaal van mij uit komen. Dit is geen commentaar op een stelling van een ander, het is gewoon mijn eigen mening:

Wij hebben enorm veel vermogens, enorm veel krachten. Maar die krach­ten worden bepaald door het beeld dat wij van onszelf en van de wereld hebben. Het is niet voldoende dat wij iets in onszelf zoeken. Het is ook niet voldoende dat wij iets in de wereld zoeken. Pas als wij ergens een synthese vinden tussen ons en de wereld, zullen wij werkelijk over krachten kunnen beschikken. Wij zijn misschien deel van het geheel, maar wij blijven een per­soonlijkheid. Wij kunnen niet zeggen dat wij alles bezitten wat in het ge­heel bestaat, maar wij kunnen wel tijdelijk functioneren als brandpunt voor werkingen in het geheel. Dit impliceert dus dat wij nooit vrede kunnen stichten als de hele wereld oorlog wil, maar dat wij wel de wil tot strijd kunnen richten op een bepaald punt. Indien de hele wereld vrede wil, dan kunnen wij geen oorlog tot stand brengen. Wij kunnen alleen ervoor zorgen dat de vredeswil op een bepaalde manier wordt gemanifesteerd. Het gaat hier dus om het manipulatievermogen van de mens. Het is geen kwestie van, wij zullen nu eens even de zaak anders behandelen. Het is een kwestie van, wat is er in mij dat ook in de wereld bestaat en dat ik zo kan aanvaarden, dat ik er een gerichtheid aan geef.

Stel, er is een toestand die ik wil veranderen bij een bepaalde mens, een bepaald gezin, een bepaalde psychische instelling van een persoon mis­schien. Nu moet ik uitgaan van wat de ander is. Ik kan nooit mijn oplossing geven voor het probleem van die ander, want dan bereik ik hem niet, dan heb ik de energie niet om iets te doen. Ik moet het probleem aanvaarden zoals de ander het ziet, zelfs als ik weet dat de probleemstelling op zich volkomen onzuiver en onjuist is. In die aanvaarding van het probleem ontstaat dan een zekere resonantie, een zekere harmonie met die persoon, maar ook met vele anderen voor wie iets dergelijks, dat misschien in het verle­den of nog in de toekomst ligt, in hun wezen is verankerd. Hun energie wordt op zo’n ogenblik harmonisch één met de mijne. En nu kan ik dus een oplossing vinden, zelfs voor een in wezen niet bestaand probleem, die aanvaardbaar wordt. Een oplossing die niet valt buiten het kader van wat de ander kan verwerken, maar binnen diens kader. Indien ik daarin slaag, dan geef ik niet alleen de oplossing, maar ik geef de persoon ook de kracht om die op­lossing voor zichzelf te effectueren.

Hier heb je dus een curieuze situatie. Wij kunnen bij wijze van spreken een leugen zien. Wij moeten haar, omdat de persoon zelf deze leugen als waarheid beschouwt, als waarheid aanvaarden, al is het tijdelijk. Op grond van de inhoud van de leugen kunnen wij een harmonie tot stand brengen- en door die harmonie kunnen wij de leugen tenietdoen. Dit is een van de dingen, waartoe ik ben gekomen door het contact dat ik met de gast van vanavond heb gehad.

Een andere manier om dezelfde krachten te gebruiken en waarmee hij het zelf wel] niet eens zal zijn, is wat ik zou willen noemen “de onbewuste scha­keling.”

Als ik een probleem zie en ik ga erover nadenken, dan heb ik daar een eigen oordeel over. Als ik met een kwaal te maken heb en ik stel een diagno­se, dan heb ik een eigen oordeel. Dit kan sterk verschillen van wat de pa­tiënt vreest of hoopt, maar dat oordeel is van mij, dus moet ik alleen van mij uit handelen. Maar stel nu eens dat ik daar helemaal niet over nadenk dat ik gewoon de persoon zoals ze is, zoals ze denkt, accepteer en alleen zeg: Wij gaan dat probleem oplossen. Dan behoef ik mij niet eens bewust te zijn van het totale probleem van de ander. Ik heb de ander als geheel aan­vaard en daardoor zullen belangrijke punten van het probleem bij mij als van­zelf in de gedachten komen of in verschijning treden. Door deze eenheid is wederom de overdracht van energie mogelijk.

Dan is er de wil. Wie weet, wat hij werkelijk wil? Een heel mooie zin. Dan kun je daarachter zeggen: Wie weet wat hij werkelijk wil, weet wat hij niet wil. Ik geloof dat dat juist het belangrijkst is. Ons willen is in feite geen proces van definitie per punt, ook al denken wij dat. Ons willen is een eliminatieproces waardoor de niet-aanvaardbare punten terzijde worden geschoven. U zult het misschien niet daarmee eens zijn en zeggen:

Ik weet toch verduveld goed wat ik wil. Maar waarom wilt u het? Als u zich dat gaat afvragen, dan blijkt dat u het wilt omdat er zoveel dingen zijn die u niet aanvaardbaar vindt. Wij willen niet het maximum aanvaardbare, wij willen het minimum niet-aanvaardbare. Ik sta zelf voor die stelling in. U kunt haar tegenspreken.

Denkt u daar eens over na. Want als onze wil een eliminatieproces be­tekent, dan betekent willen in feite niets anders dan een bepalen van een harmonie hoe beperkt die ook moge zijn. Waar de wil is gericht, daar is door het richten van de wil feitelijk een harmonie geconstateerd. Als die harmo­nie er niet zou zijn, zou je niet willen. Dan is het logisch dat willen op zichzelf dus een enorme bron van kracht is. Maar dan gaat het om datgene wat ik werkelijk wil, dus niet wat ik begeerlijk vind, maar waarop mijn wezen zich volledig kan richten. En dan bereik ik niet wat ik uiterlijk daarmee heb verbonden, maar ik bereik wat ik essentieel wilde.

Laten wij het zo stellen: U heeft honger. Nu droomt u van een bepaald gerecht en u zegt: Daar heb ik trek in. Hebben wij daar nu werkelijk trek in? Dat is een zeer vage weergave van willen. Heel vaak blijkt dat wij in wezen honger hebben en dat de trek in een bepaald gerecht helemaal niet bestaat. Op het ogenblik dat wij ons verzadigen met iets wat ook wel aanvaardbaar is, blijkt dat verzadigingsproces de wil om bepaalde gerechten te nuttigen teniet te doen. Hiermee wil ik duidelijk maken:

Wij hebben voorstellingen, wij willen iets en bouwen dat voor onszelf heel mooi op. Het bekende liedje van “Als ik groot ben, lieve moeder.” Maar wat is die wil? Als wij het liedje ontleden, dan is “als ik groot ben, lieve moeder” niet alleen maar, zoals men denkt, de liefde voor de moeder waardoor je voor alles wilt zorgen, het is ook de behoefte om de situatie te veranderen; om van de voortdurende ontvanger de gever te worden, van de onderdaan iemand, die eigenlijk een beetje domineert. Dan is het logisch, dat als iemand zich daarop concentreert, hij niet noodzakelijkerwijs de lieve moeder een mooi huisje geeft enz., maar hij zal wel zijn verhouding tot de moeder snel wijzigen en wel op een zodanige manier dat zijn gevoel van af­hankelijkheid plaatsmaakt voor een gevoel van: zij is van mij afhankelijk. Er is dus een soort psychologisch proces gaande in het willen.

Wat wij willen is een behoefte-element. Het kan een droomelement zijn. Het is niet reëel, omdat wij de zaak te mooi aankleden. Nu stel ik dit: Als ik wil, dan schep ik door dit willen een harmonie. Maar die harmonie vervult niet het beeld dat ik heb van wat ik wil. Zij vervult de essentie: datgene waarom ik het eigenlijk wil, dus de oorzaak van het willen. Dat zou weleens de verklaring kunnen zijn waarom zoveel uiterst goed bedoelde ernstige pogingen vol wilskracht anders uitlopen dan je denkt. Daar kun je zelf niets aan doen, daar kan een ander niets aan doen, het loopt gewoon anders uit. Dat komt omdat je niet hebt begrepen wat je zocht, omdat wat je zei te willen alleen de omschrijving was van iets wat je niet besefte, maar wat in jou dominerend aanwezig was. Dat zal niet alleen een rol spelen, als het gaat om zuiver materiële zaken. Ik denk dat het juist een belangrijke rol gaat spelen, als het gaat om geestelijke aspecten.

Ik wil inwijding. Wil ik nu werkelijk een inwijding of wil ik een be­vestiging van superioriteit hebben? Als het laatste het geval is, dan krijg je wel de mogelijkheid om je meerwaardigheid uit te drukken, hoe dan ook, maar wat je niet krijgt dat is de inwijding zoals je je die hebt voorgesteld.

Het kan zijn dat iemand zegt: “Heer, ik ben niet waardig. “Maar de meeste mensen die het zeggen geloven het zelf niet. Zij vinden het alleen mooi klinken. Maar als je dat werkelijk oprecht zegt: “ik ben niet waardig”, dan zeg je dus: ik heb een schuldgevoel. Als ik desondanks contact met God of met wie dan ook wil opnemen, dan betekent dat dus alleen maar dat ik dat schuldgevoel eigenlijk wil wegwerken. Ik wil de ontkenning hebben van mijn minderwaardigheid. En als dat het geval is, laten wij het dan toegeven. Laten wij begrijpen dat onze wil wel een enorme kracht is, maar dat wij die kracht nooit kunnen richten volgens de voorstelling.

Willen is de behoefte om iets tot stand te brengen of iets te doen veranderen. Daarbij is het beeld van wat je tot stand wilt brengen of ver­anderen niet bepalend, wel de essentie waardoor je wilde dat iets tot stand zou komen of zou veranderen. Dit is een heel belangrijk punt!

Dan kom ik aan het einde van mijn inleiding. U krijgt dadelijk de gast­spreker zonder inleiding. Het is prettiger voor u, alleen voor hem misschien moeilijker. U weet, een groot artiest heeft meestal iemand die voor de “warming up” zorgt, de juiste stemming. Ik geloof dat hij het zelf ge­makkelijk genoeg kan doen. Als hij direct het medium in beslag neemt, dan geloof ik dat wij veel gemakkelijker resultaten krijgen op ander terrein. Ik geloof het, hij zegt dat hij het weet. Dat is weer het verschil tussen ons. Wij hebben het gehad over het willen, over al die eigenaardige mystie­ke factoren. Laten wij nu nog één ding beschouwen.

Soms beleef je innerlijk dingen waarvan je niet weet wat ze werkelijk betekenen. Een mens kan in zich een droom hebben, een ogenblik van ervaring, een flitsje van licht, een moment van een soort black-out voor de wereld en hij weet eigenlijk niet wat het betekent. Het verandert hem echter wel. Nu geloof ik persoonlijk, dat elke mens voortdurend dergelijke flitsen heeft, maar ze wisselen normalerwijs af met wat je bent. Ik zou het zo willen voorstellen: het is een soort sandwich: stoffelijk beleven — geestelijk beleven, daarop weer stoffelijk beleven enz. enz. Een kosmische Club-sandwich. Nu is dit geestelijk beleven iets wat normaal buiten het stoffelijk bewustzijn en zelfs buiten een deel van het geestelijk bewustzijn valt. Het is iets wat behoort tot de ziel en de hoogste bewustzijnswaarde van de geest. Als er nu een verschuiving komt, dan kan op een gegeven ogenblik een plakje van dat geestelijk bewustzijn a.h.w. samen stoten. Iets doordringen in een plak­je stoffelijk bewustzijn. Dat is dan de mystieke ervaring. U moet dus niet denken: mystiek is iets wat maar een enkeling heeft. Of zoals er mensen zijn die zeggen: Nu ja, een mysticus, een mystica, wat moet je ermee be­ginnen? Die onlogische mensen. Iedereen heeft het. Maar iemand, die zich daar meer bewust van wordt, heeft in feite steeds te maken met botsinkjes, verschuivinkjes waardoor delen van zijn hoogste geestelijke bestaan worden geprojecteerd in het besef van het stoffelijk bestaan.

Wanneer dit gebeurt, dan moet je het ook weer vertalen. Soms blijft er alleen de emotie over. Soms ga je er hele verhalen omheen vertellen, zoals mensen gelijkenissen en sprookjes vertellen om iets wat zij niet kun­nen zeggen toch duidelijk te maken. Maar als bij ons een vermenging plaats­vindt van stoffelijk of vormbeperkt geestelijk leven en de hoogste geestelijke mogelijkheid die je bezit, dan betekent dit dat wij op die ogenblikken ook onze hoogste geestelijke mogelijkheid voor een gedeelte hebben overgebracht in de materie.

Nu zult u zeggen: Hoe kom je daar nu ineens bij? Wel, ik heb u zonet iets verteld over onze gastspreker. Hij zegt: “De wetten van een wereld die je eenmaal hebt betreden, blijven je altijd beheersen, ook als je haar verlaat.” Dat geldt ook hier. Iemand, die tot dit hoogste bewustzijn – hoe dan ook – een keer is doorgedrongen, draagt iets van die kosmische wetma­tigheden in zich. Hij zal misschien de beleving vergeten, maar zijn leven wordt er wel degelijk mede door bepaald. Het mystieke is alleen de beleving zelf, maar het resultaat van de mystiek is een wet in de persoonlijkheid. En die wet in de persoonlijkheid maakt het mogelijk om tot een aanvaarden of tot een ontkennen van harmonie te komen op welk terrein dan ook. Waar de ontkenning plaatsvindt, daar hebben wij te maken met wat men weleens het buitenste duister noemt of de hel of de onderwereld. Waar de aanvaarding plaatsvindt hebben wij de hemel, het hoogste Licht enz.

Nu stel ik, dat niemand alles aanvaardt en niemand alles verwerpt. Als dergelijke belevingen plaatsvinden, dan zullen we altijd een deel ervan aanvaarden. Wij leven dus nooit helemaal in de hel en nooit helemaal in de hemel. Pas als wij begrijpen waarom wij bepaalde dingen hebben verworpen en andere hebben aanvaard, kunnen wij harmonisch zijn met het geheel. Dan is er geen verschil meer. Waar harmonie is, is alles wat wij kennen licht; er is geen disharmonie meer. Dit is volgens mij onze natuurlijke toestand. De oer­toestand van het ego is er een van perfecte harmonie. De mystiek brengt ons terug naar belevingen daarvan. Maar daardoor komen wij ook in onze eigen wereld tot een confrontatie met de onveranderlijke wetten van de kosmische harmonie. Wij kunnen er tegenin gaan en wij kunnen ze aanvaarden, maar wij kunnen er niet aan ontkomen, wij kunnen ze niet ongedaan maken.

Elke kosmische beleving betekent een hoeveelheid kracht en harmonisch vermogen. Wanneer dit in de stoffelijke mens door de botsing – waar ik het over had – is binnengedrongen, dan betekent dat, dat zowel die kracht als het conflict in de stoffelijke mens verder aanwezig zullen zijn. Een mens, die mystieke belevingen kent, zal er dus voor moeten zorgen dat hij dishar­monie (ook angst is een disharmonie) voortdurend overwint en vervangt door harmonie. Want alleen in een zo harmonisch mogelijk bestaan kun je komen tot een ontkennen van de dreiging in het duister waar de meeste mensen zich van af willen wenden en gelijktijdig zich toch ertoe voelen aangetrokken. De disharmonie, die schijnbaar betekent, het begrenzen en duidelijk maken van de eigen persoonlijkheid, maar die in wezen is, een verloochenen van de kos­mische band tussen persoonlijkheid en de totaliteit.

Ik meen, dat als u daar eens over wilt nadenken, u er zelf nog een paar conclusies aan kunt toevoegen. Ik heb u even geconfronteerd met onze gastspreker en ik heb u tevens een paar eigen ideeën voorgelegd. Al die ideeën tezamen vormen m.i. voor u een mogelijkheid om inzicht te krijgen in uzelf en in uw wereld.

Wat ik heb gezegd over het ego en de mystiek, moet toch ook gelden voor de Witte Broederschap. Dat is kosmisch. Dat is ook geldig voor de uitstortingen van licht. Het moet van toepassing zijn op elke regel, die welke spreker dan ook ooit naar voren brengt. En als dat niet het geval is, dan is er sprake van een disharmonie, van duister en moeten wij zorgen dat die vertroebeling niet meer bestaat. Waar wij menen een tegenstrijdigheid te ontdekken, moeten wij die opheffen. Dat is de enige manier om met het Al harmonisch te blijven en zo de totaliteit van ons wezen en ons vermogen tot beleven als het even kan ook een beetje tot uiting te brengen in de materie of in de sfeer waar wij op het ogenblik denken te leven.

Materia mystica

 

Als je probeert met de mystiek te werken, dan is het eerste dat je ontdekt, dat je nergens houvast hebt. Als er iemand komt en u vertelt dat hij het perfecte systeem heeft gevonden om mystieke beleving mogelijk te maken, dan moet u maar denken dat er tandartsen waren die pijnloos trokken in mijn tijd. Het was pijnloos tot de tand werd getrokken, daarna was het vijf dagen gezwollen zijn.

Dat komt, omdat je dan wordt geconfronteerd met allerhande waandenkbeelden. Uit die waandenkbeelden bouw je je een wereldje op. In dat wereldje beleef je dan wel iets, maar je weet niet meer wat het is. Filosofisch gezien is het heel erg moeilijk iets te definiëren. Want elke definitie is gelijktijdig het uitschakelen van een aantal mogelijk­heden. Dit geldt voor de mystiek nog veel meer. Ik heb geen bezwaar tegen degenen die met een kaars voor een spiegel of in het donker naast een dood­kist zitten te mediteren over de vergankelijkheid van het leven en de werke­lijkheid. Maar wat zij vinden is niets anders dan de inhoud die zij reeds be­zaten. Mystiek is altijd net een stap verder gaan dan je zelf bent.

Als ik u een verhaal ga vertellen over mystiek, zoals dat onder ons weleens gebeurt, dan is dat altijd het vertellen van een verhaal dat met mystiek ook werkelijk helemaal niets te maken heeft. Wat doen wij dan eigen­lijk daarmee? Wel, wij proberen een sfeer te pakken. Wij proberen iets te la­ten aanvoelen. Als je grijpt naar het onzichtbare, het onkenbare, dan heb je behoefte aan een richting. Mystiek begint heel vaak met een gebed of met een aanval van wanhoop of alleen maar met een zekere ontspanning. Laten we eerlijk zijn, de groot­ste mystici zijn mensen geweest die eigenlijk een klein beetje getikt waren. Deze mensen vonden nl. een richting die absoluut niet meer logisch was, die emotioneel niet meer verantwoord was, redelijk niet omschrijfbaar. Zij vonden een richting die buiten de werkelijkheid stond. Nu kun je uit de werkelijkheid vluchten in elke richting, maar je zult altijd weer een nieuwe werkelijkheid ontmoeten.

Ik heb van schrijvers gehoord (dat was overigens na mijn dagen), die begonnen met karakters te scheppen en dan tot hun verbazing ontdekten dat hun mooi verzonnen verhaal eenvoudig niet meer werkte, want de karakters handelden heel anders. Er ontstond een nieuw verhaal, omdat de figuren zich niet gedroegen als ze hoorden te doen en dat men dus altijd weer te­recht komt – daar ging het mij om – in een bestaan dat zijn eigen wetten heeft. Die figuren waren geschapen in de gedachten van de schrijvers, maar ergens pasten zij bij een andere werkelijkheid en daardoor konden zij zich niet bewegen zoals de schrijvers dat voor hen hadden uitgedacht.

Iemand, die bewust de mystiek nastreeft, doet mij denken aan zo’n schrijver. Je vertelt een verhaal aan jezelf. Een verhaal over innerlijke wegen, over tempels van licht, over de bouw waarvan jij een steen bent, over de zuilen waartussen de waarheid staat … en op een gegeven ogen­blik begint het verhaal er met jou van door te gaan. Dat is nu een mystie­ke beleving. Mystiek is ook het aanvoelen van dingen, die er wel zijn, maar waar wij nooit op hebben gelet.

Maar om op het verhaal terug te komen, ik weet het, ik was een verha­lenverteller ook voor de studenten. Laat mij het zo zeggen: Faust werd voor hen interessant omdat hij Gretchen had. Het verhaal waarmee ik wat duidelijk wilde maken ging over een hogere waarheid. Ik had het dus over de mens die in slaap valt en dan ineens de sterrenhemel boven zich ziet. Hij weet dat hij in bed ligt en toch ziet hij de sterren. Als hij wandelt en naar die sterren kijkt, dan denkt hij dat hij in de richting van die sterren gaat. Hij wordt blij en zegt tegen zichzelf: “Ik ga bij die sterren kijken.” Maar als hij daar komt, zijn ze er niet. Hij is alleen ergens anders. Hij ziet een mooi meisje en zegt: “Daar moet ik achteraangaan.” Hij gaat naar het meisje toe, maar net als hij het heeft, verdwijnt het weer. Mystiek, dat is het voortdu­rend streven naar een doel dat verdwijnt, omdat elk doel dat je kunt zien net niet helemaal echt is.

Mystiek, dat zijn beelden, voorstellingen. Er komt een ogenblik dat die voorstellingen verdwijnen, omdat wij dichter bij de waarheid komen. Tussen ons bestaan en de werkelijkheid hebben wij vele gordijnen opgehangen. Het ene heet de werkelijkheid, het tweede openbaring en het derde misschien kosmisch licht. Die dingen zijn er niet. Het enige dat er is, is een wonder­lijk gevoel dat er iets is, zoals je dat soms hebt als je in het donker loopt. U heeft tegenwoordig wel betere straatverlichting. Vroeger was het donker. Er waren in die stad terrassen langs de rivier. Op de avonden, dat wij ons probeerden te ontspannen en dus Bacchus eerden, zaten wij daar. Dan moesten wij terug naar de gebouwen waarin wij woonden. Het was dan erg donker. En dan gebeurde het weleens dat je liep door de nacht. Alles was donker en het was een wappering van zwart in zwart. Je liep dan over een plein en ineens voelde je: daar is iemand. Je liep naar de fontein toe en daar lag dan in­derdaad iemand. Die had Bacchus zozeer geëerd dat hij zijn beheersing ver­loren had. Maar dat voelde je, dat zag je niet. Er was geen kans om het te zien. Misschien heeft u het wel sterker meegemaakt. Je komt een leeg vertrek binnen en net als je binnenkomt, heb je het idee: daar gaat iemand weg. Je kunt het nagaan, er is niemand geweest. Maar dat idee, dat vluchtige gevoel van iets, dat is nu het begin van een mystieke beleving. Dat vluch­tige dat je net niet kunt vangen, wat je vanbinnen doet kloppen en denken en je aanzet om te handelen of om te zingen of een verhaal te vertellen en dat net altijd om de hoek ligt. Dan komt er een ogenblik dat je vergeet te reageren. Het hangt over je heen als een nevel. Zoals je weleens hebt als je een bergpad opgaat en in een wolk komt. Er is plotseling niets meer. En het gekke is, dan pas leef je.

Dit is natuurlijk een ellendige beschrijving van mystiek. Zo bekeken zouden de Engelsen naar ik heb vernomen een volk van mystici moeten zijn, vooral in Londen. Maar in mijn tijd en ook later was het meer een plaats voor mystificatie dan voor mystiek. Wat ik wil duidelijk maken is:

Mystiek kun je niet bestellen. Mystiek groeit. De werkelijke mystiek begint, wanneer je een aanwezigheid erkent, die er toch net niet is. Op het ogenblik dat het erkennen optreedt, voel je je bijna machteloos. Een mystieke beleving is nooit iets waarmee je zelf wat te maken hebt, het is er gewoon. Dan verdwijnt het om de hoek, het is er geweest, maar je kunt niet bewijzen dat het er was. Het pakt in als in zo’n nevel. Je bent alle richting kwijt. Je zou willen roepen maar het geluid is dof, het draagt niet meer. En dan beleef je oneindigheden. Je denkt, dat je werelden ziet ontstaan en vergaan, achteraf. Net op zo’n ogenblik dat je denkt: ik heb het te pakken, wordt er geklopt: “Herr Pfeifer, ein Ihrer Studiosen is da.” Dan zeg je iets wat niet erg mystiek is en tenslotte grom je: Laat de clown maar binnen.

Deze student denkt: De magister is verstoord. Maar dat is niet waar. Het is mij overkomen dat ik die omstandigheden doormaakte en dat ik eigen­lijk helemaal niet het gevoel had dat ik er zelf was. Ik dacht ach, vodden-pop professor, spreek jij maar met die voddenpop student. Doe het nu maar. Later hoorde ik dat deze student had gezegd: “De ouwe had een helderheid en een doorzicht, zijn ogen leken wel edelstenen met een oneindige diepte.” Misschien, omdat ik toen ergens de oneindigheid te pakken had.

Zolang u denkt, dat u het allemaal zelf bent en zelf doet, dat het zo belangrijk is, dan zit u gevangen in de poppenkast-pop die “ik” heet. Dan danst Kasper en buigt tegen iedereen en hij beseft niet eens dat hij het niet zelf doet. Maar je kunt soms zeggen: Eigenlijk ben ik het niet. Ik wil dat niet controleren en beheersen, ik wil het bestuderen. Het wonderlijke is dat je die afstand van jezelf vindt. En dan ontstaat er een vreemd gevoel van samenzijn, van naar boven gaan.

Ik stel mij altijd voor dat een vogel zich zo moet voelen, die ergens in de lucht drijft en zonder een wiekslag naar boven zweeft. Dan zie je al­les en blijf dan rustig kijken, want als je omkijkt is er niets. Maar zolang je kijkt en losstaat van jezelf, is er achter je wel iets. Je kunt het niet beschrijven en je zou het nooit kunnen zien, maar het is er wel. En dat is vreemd, want dat geeft die kracht, dat verandert je. Zelfs de pop die je bent, verandert. Die heeft een ander lichtje in zich, een nieuwe vitaliteit. Dat is nu mystieke beleving.

Zoals ik uw geachte Ordebroeders ken, hebben zij natuurlijk weer opgeschept dat ik wat kwam zeggen. U heeft waarschijnlijk gedacht: nu komt er iets groots. Wat kan groots zijn? U zit nu allemaal stil en u moet wel een beetje onder de indruk zijn. Maar wat kan er nu groots zijn? De hemel en de sterren en de zon? Groot genoeg. Maar er is nog geen mens geweest die een ster heeft geplukt of kaatsbal heeft gespeeld met een zon. Als je het zou kunnen doen, wat zou je er nog aan hebben?

Al die grootse dingen zijn de illusies. Wij denken dat wij de eeuwigheid bouwen, omdat wij in een hoestbui van Vader Tijd als zo’n vochtig spettertje een ogenblik de ruit van de werkelijkheid raken. Er zijn voor ons geen grootse dingen. Voor ons is het kleine dat wij zijn. De wereld kan groot en mooi zijn, maar als je net door een straat loopt waar iemand een pot omkeert, dan stink je toch. Al die grote dingen van de wereld, daar kunnen wij niet aan komen. Al die grote idealen van duizend jaren verder, dat is gewoon een praatje voor de vaak. Maar dat kleine beetje “ik”, dat fladderende eendagsvliegje dat tegen een zonnestraal even opklimt, dit is echt. Zo zijn wij.

Wij klimmen naar een zon, die – als wij haar zouden kennen – ons zou verschrikken, afschuw inboezemen, die ons zou doen denken aan dood en ver­nietiging, aan marteling. Maar gelooft u mij: de werkelijkheid van de kosmos is niet zo aardig. Daar is geen Weingarten en geen Konditorei. Wij zijn geen mooie vormpjes. Er is slechts de voortdurende trillende uitbarsting van vuur, vuur, vuur.

Wij, als eendagsvliegjes, klimmen naar boven en denken dat wij worden gekoesterd door de zon: nu hebben wij het! Wat is de werkelijkheid? Juist omdat wij klein zijn en omdat wij kunnen dromen is dat beetje warmte genoeg om ons te doen veranderen. Het eendagsvliegje wordt een libel die boven een vijver speelt met haar schaduw; haar weerkaatsing een ogenblik bemint om dan weer verder te snorren. Ook die wil naar de zon klimmen. En misschien, misschien wordt ze dan wel een leeuwerik die zo hoog gaat dat hij zijn laatste lied eigenlijk niet eens meer kan voltooien, omdat hij zo warm is en zo dicht bij de zon die onmetelijk ver weg zijnde zon. Hij laat zich dan als een steen naar de aarde vallen en zegt: ik heb het gezien. Misschien verpopt hij zich en wordt weer een mens. Een mens, die de bergen opklautert of tegenwoordig zelfs in de ruimte durft wandelen. Misschien loopt hij op de maan en zegt: Nu heb ik het bereikt. Dan komt hij terug en blijft klein. Hij wordt dan misschien zo’n bol engeltje met een bazuintje dat zegt: Ik ga de hele wereld wakker roepen: tuut, tuut, tuut. En het enige dat opzij gaat is een schapenwolkje. Maar hij komt er al dichterbij en omdat hij wat lichter en wat ijler is, durft hij te grijpen naar vlammen, die wij op het ogenblik niet kunnen hebben. Maar zonder dat eerste lichtstraal­tje, dat eendagsvliegje zou er niets zijn. Dat heet nu met deftige woorden “evolutie van de ziel of van de geest.” Mystiek beleven is het ogenblik waarop wij zelf iets opnemen van een warmte, waardoor wij worden gedragen en als we terugkeren meer kunnen zijn.

Ik heb weleens gedacht: de goede God is een goede tuinman. Elke keer als Hij ons water geeft, trillen wij als grashalmen en zeggen we: Ik heb een beleving gehad. Maar er komt een ogenblik dat wij met de tuinman meegaan, omdat wij het water zijn dat hij uitgiet. Wij veranderen; en in die verandering ligt de zin van de mystiek. De mystiek zelf is alleen maar de reis van een dromer in het Niets die uit het Niets de kracht vindt om wat meer te worden dan hij was.

Dit zou het moment zijn – meen ik – om een gedecanteerde fles gezamen­lijk te ledigen. Maar wat moet je zeggen als je zo ver bent? Dan kun je al­leen nog maar een dronk uitbrengen op de kosmos.

Als je met de moderne mens te maken hebt en zeker zonder de zalving van de door de zongerijpte druif die overigens – en dat vergeet men weleens – haar essentiële achtergrond krijgt in het duister, dan zegt deze: “Ach, wat heb ik eraan.” Wat je eraan hebt? Heb je wat aan mystiek? Heeft mystiek wat aan jou? Wie zal het zeggen. Als je practisch wilt zijn, maar de mystieke beleving niet kent, ben je machteloos. Als je dat kleine straal­tje licht niet hebt gevoeld, dan ben je zo koud. Als je niet de verwachting van een eeuwige jeugd hebt, dan is het zo moeilijk om verder te leven.

Mystiek is een leegte betreden. Een leegte, omdat er niets is wat je kent. Niets dan de vaagheid van een nevel, hoe lichtend en mooi ook. Laten wij onze dromen dan niet verheerlijken. Het is gemakkelijk genoeg om van jezelf een held te maken. Iemand, die de Schläger (rapier) goed han­teert, is in de ogen van velen een held, maar eigenlijk is hij alleen maar een dwaas. Wij moeten niet vragen, of wij er beter van worden. Wij moeten be­grijpen dat wij het nodig hebben.

De gehele filosofie is een opbouw die voor 99 % nutteloos is. Filosofie is een spel met denkbeelden. Het is een evenwichtsgoochelaar die twintig ballen in de lucht weten te houden en zegt: Kijk, hoe de waarheid zou kunnen zijn. Er is geen zwaartekracht. Dan kijk je naar hem, je stapt verkeerd en de zwaartekracht drukt je met de neus op de aarde.

Filosofie is een hulpmiddel, een methode die we gebruiken om dingen te zien die zouden kunnen zijn, omdat wij zouden begrijpen wat wij mogelijk zelf kunnen doen. En als wij een filosofie opbouwen over de mystiek en de belevingen ervan, dan hebben wij alleen gezegd: Zo zou het misschien kunnen zijn. Maar als wij het beleven, dan gaan wij net één stap verder en heb­ben wij de kracht om meer te worden, zonder dat wij weten wat of hoe of waarom. Dan worden wij aangetrokken door iets wat voor ons niets is en dat toch op een vreemde wijze ons aantrekt tot de werkelijkheid.

Wat heb je eraan? Je bent er misschien gelukkiger door. Je gaat meer dromen. Dromen zijn bedrog en dan voel je je toch weer bedrogen en onge­lukkig. Je vindt er kracht in. Je vindt er iets terug van een schoonheid die stamt van vóór de mens misschien. Maar je kunt haar niet omzetten in iets wat je kunt gebruiken: een masker of een juweel. Het Is er alleen maar. Het geheim van mystiek en mystieke beleving ligt juist hierin, dat het er alleen maar is. Er is iets; er is een beleving. En alles wat wij meer zeggen, dat is zelfbedrog.

U zult wel langzamerhand genoeg hebben van die oude brombeer. Men zei over mij altijd: Als hij zoveel praat, geef hem dan een volle Stein (ste­nen bierpul) met bier – 3 keer, 4 keer – en als hij dan begint te zingen, gaat het beter. Want altijd weer zoeken wij in de roes de werkelijkheid te vergeten. Altijd weer bouwen wij ons een denkbeeld op van wat wij moeten doen, omdat wij willen vergeten wat wij zijn. Altijd weer denken wij aan onze betekenis voor de wereld om te vergeten dat wij niets zijn dan een stofje dat danst in een licht dat wij niet eens kunnen zien.

Lieve mensen, we zijn bang voor de werkelijkheid. Misschien is het dat waardoor het ons zo moeilijk is met mystiek en mystieke beleving wat te bereiken. Misschien dat wij daarom, als wij iets van die vreemde leegte, die onkenbare werkelijkheid bereiken, daar gauw een droom overheen gooien; een verhaaltje over voertuigen en velden en mensen en geesten en kosmische beweging. En toch moeten wij alleen maar leven.

Wat ik u heb gezegd over mystiek is waar, helemaal waar. En omdat het waar is, moet je daar niet bang voor zijn en niet zeggen: Ik wil het anders. U heeft de kracht. U heeft in uzelf de werkelijkheid. U heeft in uzelf dat beroeringspunt met dat onkenbare. Probeer er dan maar niet iets van te maken. Laat het zijn zoals het is. Als je sterk wilt zijn op deze wereld, dan moet je de kracht aanvaarden die je krijgt. Maar niet proberen te zeg­gen wat zij is, want dan verlies je haar.

Als je leven wilt, leef dan, mens. Leef rustig. Er is geen enkel on­derdeel van de mens dat niet behoort bij het mens-zijn. Maar zeg dan niet: Dat moet edel en mooi zijn. Laat de kracht in je leven en als het nodig is, dan spat ze er wel uit.

Zeg niet tegen jezelf: Ik moet God ontmoeten. God is er wel. Val hem maar niet lastig. Laat Hem met rust, naar leef uit Zijn kracht. Indien je een ander kunt helpen, doe het dan maar. Als je kunt lachen, lach dan. Werkelijke mystiek brengt de innerlijke vrolijkheid, waardoor je het leven kunt zien voor wat het is: de charade, waarin de denkbeelden vruchteloos proberen de levende werkelijkheid uit te beelden, maar waarin gelijktijdig de lach schuilt van het bezig zijn, van de verbondenheid, van de werkelijk­heid die je vanbinnen voelt en die door het spel alleen maar worden ge­accentueerd.

Das Leben ist levenswert. Houd je daar nu maar aan vast, dan zul je ontdekken, dat het ook nog de moeite waard is te sterven. Dan zul je ontdekken dat het ook de moeite waard is om uit leven en dood het gevoel van vreugde te puren, dat de enige werkelijkheid is die in een mystieke ervaring kan bestaan. Het is de enige essentiële kracht, die wij nodig hebben om de vreugde van het zijn en voor mijn part het licht van onze God, als je erin gelooft, te vinden in alle tijden en alle dingen.

Dat was het. Het einde van de geschiedenis. Het einde van een toch wat drukkend vertoeven in uw sferen. Hopelijk heb ik u iets gezegd waar u wat aan heeft. En als dat niet zo is, lach maar een keer en ga uw weg.