Mystieke ontwikkeling in de geest

uit de cursus ‘Mystieke ontwikkeling’ – (Hoofdstuk 7)

Wanneer wij zien, hoe de mysticus zijn beleven opbouwt, zullen wij al heel snel ontdekken, dat naast de zuiver stoffelijke voorstellingen, die voor de mysticus van zo groot belang zijn bij het gevoelsleven en het benaderen van zijn innerlijke waarden, ongetwijfeld ook andere factoren een rol spelen. De mens kan verdeeld worden in verschillende trappen van bewustzijn, die gelijktijdig bestaan. Daarbij zien we dan naast de stofmens astrale gebieden bestaan en ook mentale en hoger gelegene. Elk van die werelden moet worden gezien als een vlak van bewustzijn, dat vanuit het ‘ik’ benaderbaar is.
Helaas zijn de indrukken, die in die gebieden kunnen worden opgedaan, echter niet volledig uit te drukken in stoffelijke zin. Zo zal men in de mystiek komen tot een gevoelsbeleven, dat niet meer in redelijke zin kan worden omschreven. Toch komt er voor eenieder een ogenblik, dat de mystieke belevingen, die in de zuivere stofwereld mogelijk zijn en in het stoffelijke gevoel dus voornamelijk spreken, uitgeput zijn. Er komt een ogenblik dat men stijgt boven de eenvoudige denkwijzen, die de stof nog mogelijk maakte. En dan zal zeker voor iedere mysticus ‑ ongeacht de weg, die hij volgt of de richting, die hij inslaat ‑ het ogenblik komen, dat hij ook deze wijze van bewustwording voor zichzelf zoekt en doormaakt.
De geest kent niet een gevoelswereld zoals de mens. Hij kan niet ‑ zoals de mens ‑ worden afgeleid van waarheid en zelf‑realisatie, tenminste zolang hij in het licht bestaat. Mystiek echter is een ervaren, dat inherent is aan het streven naar het licht. Een duistere mystiek is geen feitelijke mystiek maar eerder een mystificatie, dat tracht voor zichzelf eigen ondergang te verdoezelen. Dit wil ik natuurlijk buiten beschouwing laten. Ik moet dan allereerst het redelijk element beschrijven, dat in de geest tot een mystieke gewaarwording kan leiden.
Wij kennen onze wereld en onze omgeving. Die wereld en die omgeving hebben vormen, kleuren, lichtende krachten. Er kan heel vaak een reeks van bewustwordingen ontstaan, waarbij sommige van die krachten worden samengevoegd. Op het ogenblik echter, dat die krachten tot één geheel worden, bevatten zij iets, dat niet meer met het begrip is weer te geven. Het ‘ik’ ontvliedt aan de werkelijkheid en bestaat een wijle zonder ervaring maar met een zeer intens gevoel. Dit gevoel kan ik ten naaste bij omschrijven, wanneer ik zeg dat je op zo’n ogenblik de gehele wereld liefhebt, begrijpt en ook jezelf begrijpt als een deel van die wereld. Die vreemde toestand houdt betrekkelijk snel op te bestaan en dan neemt de rede datgene over, wat in de geest toch wel een grote rol kan spelen. En steeds weer formuleert ze voor dat ‘ik’ in de eerste plaats het eigen bewustzijn.
Eigen grenzen en begrenzingen zijn buitengewoon belangrijk. Voor ons zijn ze de uitdrukking van leven, van wezen, van sfeer. Hoe kunnen wij dan daarvan ook maar een ogenblik afstand doen? Hoe kunnen wij een ogenblik dit ontkennen? Een vraag, waarop wijzelf geen antwoord weten. Toch blijkt ons steeds weer dat het wel mogelijk is daaraan te ontkomen, dat het mogelijk is, die begrenzing te doorbreken en in het geheel op te gaan. De rede zoekt dan voor zichzelf de omstandigheden vast te stellen. Nu zijn deze voor eenieder enigs­zins verschillend, maar ik wil trachten u hier een soort grootste ge­mene deler van voorwaarden te beschrijven.
Op het ogenblik dat ik zoveel van hetgeen in mijzelf leeft, hetgeen in mij redelijk bekend is, terugvind in andere waarden, vergeet ik dat ik alleen sta, dat ik beperkt ben binnen het ego. In dit vergeten neem ik ook mij niet gekende waarden onwillekeurig over van al hetgeen ik buiten mij erkend heb. Zo wordt mijn wezen dus vervuld van krachten, die mij normaler wijze niet kunnen beroeren. Die krachten tezamen worden langzaam maar zeker tot een intens licht, waarin het eerst erkende detail dooft. Er zijn voor ons geen details meer op zo’n ogenblik.
Een mens kan misschien een enkel ogenblik een dergelijke toestand beleven, wanneer zijn bewustzijn langzaam maar zeker wegzinkt (b.v. in de slaap of in een narcose) en hij toch gelijktijdig de beelden voor zich kan halen van al, wat hem dierbaar is. Dit, maar dan duizendvoudig, is wat die geest doormaakt. Hij wéét dit. En zo gaat hij zoeken naar datgene, wat met zijn wezen, zijn strijden, zijn leven parallel loopt. De ervaring die hij opdoet, is er een, die steeds blijft liggen boven de norm van zijn eigen begrip.
Nu ik dit eerste punt heb duidelijk gemaakt, zal ik onmiddellijk moeten terugkeren tot de mens zelf. Want ook in deze mens leeft de geest. De geest in de mens kan ditzelfde ervaren doormaken, vaak onafhankelijk van de stof. Dit impliceert dat geestelijk mystieke ervaring en bewustwording niet altijd kan en hoeft worden gezien als iets, dat ook stoffelijk kan worden beleefd. Integendeel, er kan worden gezegd dat in ogenblikken van z.g. afwezigheid de geest soms tot ervaringen en bewustwordingen komt, die voor het lichaam slechts in een stemming of een gevoel van levenslust en energie resulteren.
Wat is de achtergrond van ons zoeken in de geest? Wij weten dat er geheimen zijn; geheimen als het eigen ontstaan, als de kracht der oneindigheid, die ons regeert. Wij weten ook dat die krachten te groot zijn voor ons om te beseffen en toch willen wij ze beleven. Wij voelen wel degelijk aan dat wij op de een of andere manier passen in een groots organisme, een wezen zo enorm, dat het al onze werelden omvat. Maar we kunnen het niet begrijpen. Onze mystiek is wel in de eerste plaats een zoeken om dit voor onszelf aanvaardbaar te maken. Wij moeten dus niet altijd denken dat mystiek in de geest en van de geest alleen maar een hoger stijgen is. Het is in vele gevallen eerder een poging zichzelf te adapteren aan een erkende werkelijkheid zonder daarbij zijn eigen wezen geheel te verliezen.
De beelden, die daarvoor geschapen kunnen worden, zijn vele. Sommigen trachten geestelijk deze mystiek te vinden door een uitreikend gebruik van geestelijke symboliek. En wij vinden daarvoor b.v. de beschouwing van een lichtende bol. Een lichtende bol, waarin wij denken alle energie te zien in een volledig evenwichtige vorm, volledig uitgebalanceerd, bewegende en toch zichzelf gelijk blijvende. Daarin kunnen wij dan voor onszelf het heelal vinden; en vanuit dit heelal zoeken wij onwillekeurig naar de persoonlijkheid, die in die bol is gelegen. Wij trachten daarmee één te worden en vergeten zo een kort ogenblik wat wij afzonderlijk als persoonlijkheid betekenen. In andere gevallen zoekt men het als banen van licht, die opgaan in de ruimte en van daaruit weerkerend tot het punt van uitgang, plotseling alle sferen tezamen sluiten in één wezen. Voor de geest is er dus zeer veel omtrent mystiek te zeggen. Voor de geest in de stof echter blijven bepaalde beperkingen bestaan.
U moet mij niet kwalijk nemen, dat ik juist op deze beperkingen en al, wat daarmee samenhangt, vandaag wil neerkomen. Want u leeft in de stof en uw belangstelling voor de mystiek moet ongetwijfeld gepaard gaan met een verlangen om zelf het mystiek beleven steeds intenser door te maken. Wij houden ons dan aan een paar zeer algemene regels, die ieder naar het eigen denken en ervaren zal moeten variëren.
In de eerste plaats: Er hoeft geen enkele samenhang te zijn tussen geestelijk streven en stoffelijk handelen. Wel zal elk geestelijk erkennen tenslotte stoffelijk worden uitgedrukt, maar er behoeft in ons bewustzijn niet van het begin af aan een samenhang te bestaan. Een gebaar, dat betrekkelijk zinloos is in de stof, kan voor ons drager worden van een denken, dat gelijktijdig de geest vrijmaakt om voor zichzelf door te dringen in de grote geheimen van de kosmos. Zo’n gebaar kan naar gelang geloof, overtuiging, eigen wijze van handelen en denken sterk verschillen. Het is niet op zichzelf belangrijk. Wel is belangrijk dat daarmee een verzinken van het ‘ik’ gepaard gaat.
Verzinken waarin? zult u vragen. Verzinken in eigen geloof. Een verzinken, waardoor de wereld wordt buitengesloten, onverschillig op welke wijze of met welke inhoud. De geest moet vrij zijn, wil zij haar eigen beleven kunnen doormaken.
Heel vaak beschrijft men dit weer als een soort gang, waardoor men moet gaan. Dat is natuurlijk heel aardig gezegd. Maar wanneer ik het vanuit een geestelijk standpunt moet bezien, doet het mij eerder denken aan een explosie. Er is een kerngedachte, vastgelegd in een symbool. Deze gedachte nu beheerst het geheel en breidt zich buiten het ‘ik’ uit. Door deze uitbreiding komen krachten in de omgeving vrij en zo ontstaat a.h.w. een kernreactie, die als een ketting wereld na wereld betrekt in deze ene kracht. De geest, die op deze wijze tijdelijk één is met het Al, zal uit deze eenwording zichzelf hernieuwd moeten vormen. En de mysticus in de geest stelt dan over het algemeen daarvoor ‑ wederom zeer algemeen ‑ deze regel: Degenen, die verlangen zichzelf te zijn, zoals zij waren vóór de beleving, zullen nooit en te nimmer tot zichzelf kunnen terugkeren. Dus is het noodzakelijk niet te begeren steeds jezelf te zijn, zoals je jezelf kent, maar jezelf te zijn, zoals je behoort te bestaan in de kosmos.
Het aanvaarden van grotere kracht als leiding bij de hernieuwde vorming van eigen persoonlijkheid, maakt in de eerste plaats de meest intense beleving mogelijk. In de tweede plaats geeft het ons bovendien een vorm, die deze beleving binnen ons wezen continueert en zo tot een voortdurende krachtbron maakt. De stofmens zal bij dat geestelijk beleven ook heel vaak boven zichzelf moeten uitgrijpen.
Wanneer je nu meent te moeten terugkeren tot een bepaalde taak, een bepaalde visie, zul je ontdekken, dat die beleving nooit ver genoeg kan gaan. Dan blijft de mystiek beperkt tot wat dromerijen, wat beelden en misschien zelfs ‑ stoffelijk gezien ‑ wat ritueel gedoe. Dat hebben wij natuurlijk niet nodig. Wij kunnen deze dingen ‑ onverschillig hoe ze zijn of in welke geest ze bestaan ‑ steeds gebruiken als uitgangspunt, maar we moeten niet verwachten, dat wij daarin kunnen terugkeren. Een werkelijke beleving is tevens een bewustwording. Een geestelijke bewustwording kan alle waarden, die men stoffelijk ervaart, veranderen.
Ik zou u graag daarvan een voorbeeld geven. De mysticus willen wij hier stellen als iemand met een kerkelijke achtergrond. Hij komt tot een zich vereenzelvigen met Jezus en het lijden van Jezus. Volkomen aanvaardbaar. Hierdoor is de wil de mensheid te helpen zeer sterk, het geloof in een eeuwige kracht die dit mogelijk maakt, evenzeer. Het lichaam komt zo in een toestand van ongevoeligheid en de geest kan verder uitgaan. Nu zal die geest echter, wil hij werkelijk het allerhoogste bereiken, elke religieuze beperking moeten achterlaten. Wanneer zo iemand is uitgegaan en de volheid van kracht heeft gevoeld en gekend, komt hij terug binnen zijn lichaam en van af dat ogenblik zijn vele gebaren en handelingen, gebeden en regels, zoals die bestaan binnen zijn religieus milieu, volledig anders van betekenis. Eens was misschien een preek, een avondmaal, een misoffer het meest belangrijke. Dat is nu voorbijgegaan. Het is alleen nog maar een teken. Er achter wordt een nieuwe waarde gezien. Een waarde, die in de eerste plaats een uitdrukking van eenheid en van broederschap moet betekenen. En pas wanneer deze gerealiseerd is, spreekt men nl. over een werkelijk sacrament. Dit houdt in, dat veel van hetgeen normalerwijze waardevol was, thans zijn waarde verloren heeft. Daartegenover staat dat, wat overblijft, kostbaarder en grootser van waarde is. En dat men juist daarom zeer vele bijkomstigheden zal willen accepteren.
Een tweede voorbeeld wil ik geven i.v.m. iemand, die absoluut niet kerkelijk is. Deze mens kan behoren tot een groepering. Maar hij kan net zo goed alleen staan. Want, zoals wij reeds hebben gezien, behoeft een mysticus niet gebonden te zijn aan een groep en zo hij aan een groep gebonden is, zal hij toch steeds zijn eigen beleven en ervaren stellen als primair. Hij kan niet de groep met zijn regels aanvaarden als een volledige leiding van zijn eigen wezen. Het is een persoonlijke ontwikkelingsgang.
Deze mens zal op een gegeven ogenblik, b.v. door een omgeving – of dit nu de natuur is of buitengewoon mooie muziek, of het een rituele bijeenkomst is van een of ander genootschap of wat anders ‑ ook zijn begrip van werkelijkheid verliezen. Opvallend is dat wij hier niet die geloofsovergave zien, die wij in het eerste geval hadden. Hier is het een steeds klimmende spanning, die de adem haast doet inhouden en ja, vaak een ogenblik een bloedaandrang naar het hoofd schijnt te veroorzaken. Dus zuiver lichamelijke symptomen hier. Maar dan komt er een ogenblik, dat dit vergeten wordt. Men is zo ademloos stil, zo gebonden met het gebeuren – onverschillig of het de opgaande zon is of een muziekstuk of wat anders ‑ dat men zichzelf vergeet. En op dit ogenblik wordt men zich plotseling bewust van krachten rond zich. Er is een honger naar deze krachten. En onwillekeurig maakt men een gebaar ‑ al is het maar een kleine lichaamsbeweging of al is het maar een ogenblik een zucht ‑ dat symbolisch is voor dit verlangen. Op dit moment ontstaat er een soort versuffing. Stoffelijk gezien is zo iemand een klein beetje van de kaart, een klein beetje buiten westen. De geest echter kan dank zij het symbolisch gebaar, dat in andere omstandigheden deze betekenis misschien in het geheel niet heeft, een ogenblik die kracht in zichzelf ervaren en daarin opgaan. Van daaruit kan wederom precies hetzelfde proces zich afspelen. De terugkeer betekent dat de appreciatie, die voor de omgeving word gevoeld, een andere inhoud heeft. Dat de benadering van al, wat in die omgeving is, op een andere basis gebeurt. Er is hier dus ook wel degelijk van een verandering, van een groei sprake. Toch zijn deze dingen nooit stoffelijk redelijk te beredeneren. Zij behoren niet in het gebied, waar men met de rede kan spreken. Want de geest onttrekt zich in zeer vele gevallen aan de beperkingen, die de stoffelijke rede haar nu eenmaal zou opleggen. Logischerwijze zal elke mystieke bewustwording, die tenslotte het denkvermogen van de geest te boven gaat, ook tevens betekenen een ver te boven gaan van al datgene, wat de stof zich kan voorstellen. Zo spreekt men stoffelijk dan van een gevoelswereld, ofschoon dit niet helemaal juist is.
Alle mystieke beleven moet weer verbonden worden met het symbool, dat voor de mens en voor de geest de kracht is, waarmee wordt uitge­drukt, wat het verstand niet kan bevatten. Het symbool dat, zoals reeds gezegd, geen bepaalde vorm behoeft te hebben. Het kan een enkel persoon­lijk gebaar zijn. Soms doet het denken aan een bijgelovigheid. Dit is de sleutel tot de weg die je moet gaan. Een ogenblik moet alles stoffelijk worden achtergelaten. Even moet die hele wereld met al haar wetten en haar gedachten worden uitgeblust. Zelfs wanneer je geest bent, moet een ogenblik al die vorm, al dit weten, dit redelijk bestaan, deze sfeer, deze wereld worden uitgeblust om hogere waarden te accepteren. En toch willen wij daaraan vasthouden. Dan kennen wij de symbolen, die daarvoor geschikt zijn. En die symbolen bevatten o.m. het volgende:
Ik neem voor mijzelf een simpele cirkel. Ik stel het mij voor als een lichtend punt, dat rond en rond raast om eindelijk zo snel te gaan, dat voor mijn wezen een volledige cirkel ontstaat. Ik weet dat er enor­me krachten spelen. Ik weet dat dit, wat ik mij heb voorgesteld, niet alleen maar een chimaera is, een droombeeld of een schriksymptoom. Integendeel, hier heb ik mij voor een ogenblik iets gerealiseerd, wat werkelijk is en wat bestaat. En nu ga ik op deze lichtende cirkel af.
Een mens zou zeggen: Het is als een poort, die je wilt doorgaan. Maar hij gaat geen poort door. Dat behoort bij de stoffelijke weg. Voor de geest is dat anders. Hij treedt in deze kracht, die hij zichzelf heeft voorgesteld en vanaf dat ogenblik raast hijzelf onvoorstelbaar snel door zijn wereld heen. Wat eerst afzonderlijk scheen te bestaan, vloeit samen. Alles wordt tot een warreling van kleuren, van krachten, van vorm. Er is geen mogelijkheid meer om te onderscheiden, er is geen zin meer in al dit, indien het afzonderlijk moet worden bezien. De herinnering weigert om hierin nog iets te herkennen, wat behoort bij eigen bestaan en eigen leven. Maar wel ziet het, dat deze warreling, waarin het zich bevindt, een vast patroon hoeft. Dat het – zelfs wanneer de kleuren wisselen en de krachten veranderen ‑ toch altijd weer zichzelf gelijk blijft. De cirkel van de levende kracht is het symbool geworden voor onze gehele wereld, waarin ons eigen wezen rondraast, van tijd tot tijd, van sfeer tot sfeer, van wereld tot wereld. En alle belevingen vloeien voor ons samen in dit ene grote beeld.
Dit beeld is als een ademhaling, noodzakelijk, krampachtig haast. Je kunt het nu niet zonder doen. Je neemt het meer en meer in je op, en op een gegeven ogenblik ontdek je, dat jouw razende cirkel niets anders is dan één enkele schijf in een veelheid van wervelende schijven. En je vraagt je af waarheen te gaan. Je voelt dat je verder moet gaan, maar je aarzelt om ook nog deze zelfgeschapen begrenzing te doorbreken. En dan los je eindelijk het probleem op door te grijpen naar een tweede cirkel. Maar waar twee cirkels samenkomen kunnen ze niet meer bestaan. Beide breken. Voor jouw bewustzijn is er een eenheid geschapen.
Zo gaat het verder. De beweging wordt minder. Het moment, dat je zelf hebt geschapen door je denken en je voorstellingsvermogen verflauwt. Het wordt rustig en stil. Je bent in alle dingen tegelijk, toch kun je denken, alsof je een persoonlijkheid ware.
Dan bouw je een tweede symbool. Je bouwt jezelf een onmetelijke bol, waarin je een bewustzijn wilt zien. En al, wat zo-even nog warreling van kleur was, is nu een gestadige stroming geworden, die jezelf niet beroert, ja, die niet eens als beweging werkelijk kenbaar wordt, maar die je toch aanvoelt. Zodat je zegt: “Kijk, dit is een wetend wezen, dit is God.” Maar ook die God is niet voldoende.
Wanneer een geest verder kan doordringen, wanneer hij zijn werkelijke bewustwording doormaakt, dan ziet hij statige bollen, die rond een Niet draaien. Heel vaak wordt hier gesproken over feitelijke getallen, zodat aan te nemen is dat ook de geest hierin niet geheel aan een bestaande werkelijkheid onttrokken is, maar integendeel deze op zijn eigen wijze interpreteert: 63 bollen in een statige reidans rond een leegte.
Het is vreemd, maar die bollen verliezen hoe langer hoe meer hun aantrekkingskracht. Zij zeggen ons niets meer. De leegte groeit. Zoals wij zo-even hongerden om uit te breken uit onze eigen beperking en begrenzing, zoals wij wilden uitbreken zelfs uit dit grote wezen, dit heelal, zo willen wij nu breken uit het gevormde zijn, uit al wat nog kracht is, wat nog uiting is. En wij storten ons in het Niet. En vreemd, het Niet omvat alles, wat wij voordien hebben ervaren.
Het is juist dit moment in het ledige, in het Niet, dat voor ons een zeer belangrijke rol blijft spelen, wanneer wij terugkeren. Voor de geest blijft het altijd een soort leegte, die hij met zich draagt. Een leegte, die geen onheil betekent of ongeluk, maar die toch wel voortdurend a.h.w. roept en wenkt. Voor de mens is het een uitdoven van veel, wat eens belangrijk scheen. Je zou kunnen zeggen: De mens, wiens geest een dergelijke mystieke bewustwording heeft doorgemaakt, is niet meer vatbaar voor de kleinzieligheden van de wereld. Het is alsof hij eraan voorbijgaat. Ze bestaan wel en ongetwijfeld voert hij zijn bewegingen uit, zoals elke mens dat nu eenmaal moet doen, maar er is toch een beperking, een begrenzing. Hij heeft er geen deel meer aan. Wat anderen nog een groots ideaal lijkt, belangrijk genoeg om er je leven aan op te offeren, staat zo ver weg. Het is kinderspel. Wat voor sommigen een voortdurend streven en werken lijkt, is teruggevallen tot een spel van het noodlot, waarin oorzaak en gevolg zo duidelijk mogelijk kenbaar zijn. Je staat dan ver van de wereld af.
En zelfs dat is niet genoeg. Want de geest heeft meer geleerd in dit ledig, dan alleen maar de afzondering en de beschouwing op afstand. Hij heeft ervaren hoe juist in het ledige, in het haast negatieve t.o.v. het gekende zijn, een volledige waarde ligt, die al dit zijn omvat. En zo probeert hij ook tevens steeds weer te omvatten al wat hij rond zich ziet. Het denken van de stofmens wordt in een dergelijk geval een synthetisch denken, een voortdurend samenvoegen van alle feiten en het inpassen daarvan in één bewustwording. Het element tijd vliedt weg. Mystieke ervaring betekent een wegvallen van alle tijd. Van alle bewustzijn zelfs van tijd. Deze ervaring voegt alles wat was, wat komen zal, wat is, samen tot één hechte eenheid.
In zoverre bestaat er grote overeenkomst met meer stoffelijke mystieke bewustwording. Het resultaat is dan ook, dat wij juist door dit tijdloos ervaren, het tijdselement niet meer gaan tellen. Een waar mysticus is zelfs op aarde iemand, die nooit haast beeft. Iemand, die geestelijk de vrije bewustwording van het mystiek beleven heeft doorgemaakt, kènt de tijd niet meer. Hij voegt zich naar de noodzaken van een uiterlijke omgeving, maar meer niet. Voor zichzelf is hij volledig vrij. Een zoeken in de toekomst bestaat niet meer. Die toekomst bestaat nu. Een denken aan het verleden valt weg. Het verleden bestaat nu. Er is niets anders meer.
Een tweede zeer eigenaardig bijproduct voor de stoffelijke mens is ook heel vaak het zoeken om in het heden het verleden te corrigeren. Nu niet meer met schuldbewustzijn, maar eerder met een zoeken naar een voortdurend evenwicht. Men redeneert niet meer: Ik heb een schuldbewustzijn, dus heb ik schuld. Men zegt: Ik heb een schuldbewustzijn en dus moet ik daar iets tegenoverstellen, wat mij in staat stelt dit te negeren. Want het is een belemmering voor mijn ervaren. De mens, onbewust van hetgeen de geest heeft doorgemaakt, zoekt naar een voortdurend evenwicht. De geest evenzeer. Die kan niet anders streven dan naar een evenwichtig bestaan.
Het zou mij te ver voeren in te gaan op alle mogelijkheden van mystiek geestelijk beleven, alle mogelijkheden, die gebonden zijn aan het ervaren daarvan in de stof of in de geest. Ik zou echter toch wel gaarne ook hierover een ogenblik wat meer stoffelijk praten. Want de mens is, krachtens datgene wat hij is, beperkt. Deze beperking is niet alleen gelegen in, wat wij noemen, ‘de persoonlijkheid’ maar tevens in de eigenschappen van het ras. En die eigenschappen van het ras zijn zodanig, dat hierdoor het stoffelijk mens‑zijn kan worden opgevoerd tot een steeds sterker, beter en intelligenter bestaan. Waar dit een aanpassing betekent aan de stof, zal een verzet bestaan in de gehele mensheid tegen al datgene, wat dit mens‑zijn zou bedreigen.
Nu is een mystieke ervaring feitelijk een bedreiging voor het mens-zijn. Want de mens wordt hier zodanig verheven boven zijn normaal milieu, zodanig geconfronteerd met krachten, die anders zijn dan wat de mens kan doorstaan of doormaken, dat het hem moeilijk is om deze te accepteren. Zolang het nog gaat om een binnen het voorstellingsvermogen verwerkbaar mystiek ervaren, zal de mens zo snel geen vrees hebben. Omringd door wierookgeuren, begeleid door gedragen muziek, verzinkend in gedachten, zal hij gaarne komen tot een ogenblik van ontrukt zijn. Maar hij wil daarbij niet zo ver gaan, dat hij zijn wereld en al wat ermee samenhangt, zonder meer achterlaat. Er bestaat dan ook een oud gezegde: dat op de grens van de werkelijkheid de wachter staat, wiens naam Vrees is. Deze wachter is feitelijk voor de stofmens datgene, wat hem tot mens maakt. Al hetgeen uw leven uitmaakt, staat tussen u en een volledig geestelijk mystiek ervaren.
Toch kunnen we die wachter soms verschalken. We kunnen die vrees een ogenblik zijn werkelijke wapen, de afschuw, de paniek, ontnemen. Daarvoor moeten wij ons onder meer bezighouden met de volgende mogelijkheden:

  1. Ik moet voor mijzelf een volledige overtuiging gewinnen, dat er geen grenzen van dood of tijd bestaan. Dit zijn verschijnselen, waar­aan ik even gemakkelijk kan ontkomen als aan een stoffige straat, wanneer ik door een parkhek een brokje gereguleerde natuur binnenga. Heb ik deze overtuiging, dan zal niet meer de angst om te sterven, dus om te vergaan, mij kunnen remmen. Ik zal bereid zijn om althans een groot gedeelte van de stoffelijke autonomie prijs te geven met alle daaraan verbonden risico’s, mits ik geestelijk kan verdergaan. Maar ook het ‘ik’ in de geest kent bepaalde krachten, die belemmerend zijn. Ook hier kan de vrees optreden, zodat niet eenmaal, maar meermalen diezelfde wach­ter moet worden gepasseerd. Ik wil u daarvan voorbeelden geven:

Schuldbewustzijn. Weten omtrent een schuld, doet de mens een wraak verwachten. Deze wraak lijkt hem een vernietiging van al hetgeen hij tracht te bereiken, van al het licht, waarheen hij wil streven. Hij vreest het beeld van zijn eigen fouten tegemoet te treden. Op het ogenblik dat mens of geest hier terugvalt, wordt hij voortdurend geobsedeerd door deze krachten en zal hij niet in staat zijn tot een werkelijk geestelijk mystiek beleven te komen. Wat dan daarvoor in de plaats komt, noemen wij wel eens pseudo‑mystiek, omdat het een vergetelheid zoeken is, dat echter niet een kennen van de werkelijkheid in zich draagt.
Geen schuldbewustzijn. Dat betekent niet een overtuigd zijn van je eigen volmaaktheid. Dit laatste is onmogelijk. Maar het betekent een mens te zijn, die weet dat elke fout in het verleden gecorrigeerd wordt in het heden of in de toekomst. Een wezen te zijn, dat oorzaak en gevolg accepteert als een normale correctie op het eigen bestaan, zodat het wordt aangepast aan de eeuwigheid. Wanneer wij met het resultaat van zo’n aanpassing worden geconfronteerd, zullen wij niet terugdeinzen. Want wij weten dat dit slechts een uitdrukking is van hetgeen wij in feite reeds zijn.

Buiten moed is er echter nog iets anders nodig. Want om te komen tot een dergelijk gaan vér buiten je gewone wereld, moet je een heel krachtige drijfveer hebben. Die drijfveer kun je nooit zoeken in het stoffelijke alleen. Stoffelijke onvrede, onbevredigdheid enz., zijn nooit de ware stimulansen voor een mystiek ervaren, dat verder grijpt dan alleen maar wat stoffelijk beleven en denken. Noodzakelijk is integendeel een intens geloof, een intens innerlijk weten. Eerst wanneer wij dit bezitten, zijn wij n.l. bereid om elk voor ons persoonlijk optredend verschijnsel terzijde te stellen. Wij mogen niet verlangen dat zich iets aan ons openbaart. We moeten slechts verlangen, dat de openbaringen werkelijkheid worden, onverschillig of wij er deel aan hebben of niet.
Hoe vrijer wij staan tegenover hetgeen wij verlangen en hoe minder wij dit zien in relatie tot onze eigen persoonlijkheid, hoe gemakkelijker het ons wordt daaraan deel te hebben.
Voor velen zal dit vreemd klinken. En toch…. zien wij niet, dat haast elke mysticus steeds weer begint met een dedicatie van zijn ‘ik’, een toewijden van zijn ‘ik’ aan een grotere kracht? Zien wij niet, dat steeds weer in de mystiek voorkomt het ontkennen van eigen belangrijkheid, tenzij dan als deel van een geheel? Het accepteren daarvan is noodzakelijk. Het is de juiste weg. En wat er schuilen moge achter alle stoffelijke ceremoniën, wat er schuilen moge achter alle geestelijke concentratievormen, of dit nu bollen zijn en cirkels, meetkundige problemen en formules, dan wel variërende lichten of zelfs de groeiende duisternis, die in het licht behouden blijft, is onverschillig. Uitdrukkingsvorm en symbool zijn hulpmiddelen voor de mysticus, nooit meer.
Maar kán de mysticus eenmaal zover komen dat hij zich ontworstelt aan zijn eigen bestaan, dat hij in feite zijn deelgenootschap met het grotere accepteert, dan kan hij al het voornoemde als angst, schuldbewustzijn, e.d. evenzeer overwinnen. Want dit is niet alleen zijn zaak. Het is een zaak van het geheel. En zoals dit in het geheel bestaat, kan hij dit dan accepteren. Daarom zou ik voor de mens, die ook deze geestelijk mystieke bewustwording zou willen doormaken, het volgende willen zeggen:
Wees je ervan bewust dat ‑ al leef je ook als een persoonlijkheid, al denk je en streef je als een eenling te midden van velen ‑ je in feite boven alles bent juist deel van die veelheid, te midden waarvan je jezelf misschien eenzaam denkt. Begrijp, dat je als mens tussen de mensen ongetwijfeld een individu bent, maar vóór alles deel van de mensheid. Begrijp, dat je als kracht ongetwijfeld op het ogenblik een menselijke kracht bent, hetzij in stoffelijke of geestelijke vorm, maar dat je daarnaast deel bent van de Oerkracht en in feite daarmee onscheidbaar verbonden. Begrijp, dat er geen grenzen bestaan, geen werkelijke grenzen, tussen jou en het Oneindige. Spreek niet alleen maar over God als iets, dat buiten je ligt of iets, dat je verwacht. Maar denk aan God als iets, wat je bent. Niet ‘de’ God ben ik, maar ik ben deel van God. Altijd weer: Besef de grote eenheid, die met het Al bestaat, dan ben je ook in staat tot een beleven daarvan te komen. En elk beleven daarvan, dat ons voert tot buiten het heelal, buiten elke redelijke wereld zelfs, tot dit vreemde, dat niets schijnt te zijn en toch alles is, is voor ons een onthulling van de werkelijkheid, waaraan wij ook persoonlijk deel hebben.
Wat wij daarvan kunnen uitdrukken in dit schijnbaar persoonlijke bestaan, ach, daarvoor mogen wij dankbaar zijn. Het is goed, dat dat kan. Maar zelfs dit is niet het einddoel. Het einddoel is één te zijn met alle dingen, harmonisch één te zijn ermee. Niet in de eerste plaats te beseffen wat het al is, maar in jezelf de vrede te kennen van een goed deel te zijn van het geheel.
Aan deze grondstellingen zal men zich steeds moeten vastklampen. Buiten deze eenheid is er geen mystieke bewustwording, onverschillig waar. Maar kan men dit voor zichzelf aanvaarden en steeds sterker realiseren, kan men als mens dit voor zichzelf opbouwen in meditatie en contemplatie, tot het deel is geworden van de persoonlijkheid, dan zijn er geen grenzen meer voor de geest om uit te gaan buiten elke beperking van sfeer, buiten elke beperking van kracht. Dan zult u vinden de grote eenheid. De eenheid, die wij ‑ terugkerend in onze vorm ‑ toch bij ons dragen, altijd weer, ook al kennen wij er geen beeld voor en blijft de mystieke beleving in de geest een stil denken, een stil geloof, dat geen rede kent en soms niet eens uit te drukken is in gedachten of woorden.