Mystieke volmaaktheid

uit de cursus ‘Mystieke ontwikkeling’ – (Hoofdstuk 10)    juli 1958

In de mystiek is ons streven een beleven van de kosmos, een één­ wording met het scheppende Principe. Dit te bereiken is vaak zeer moei­lijk, ofschoon er voor ons soms ogenblikken zijn, waarop wij deze mystieke verwerkelijking toch praktisch reeds kunnen beleven, zelfs in een lagere sfeer, zelfs in een stoffelijke wereld.
De volmaakte mystieke beleving, het volmaakte mystieke zijn is in de eerste plaats wel een totale vervreemding van het eigen ‘ik’.
Wij hebben onze persoonlijkheid met al zijn kwaliteiten en eigenschappen. Zolang deze eigenschappen bepalend blijven voor de wijze waarop wij de wereld bezien en beleven, is het praktisch onmogelijk te komen tot een reëel, een praktisch Mystiek beleven, dat het ‘ik’ verheft boven alle beperkingen. En juist dit gaat boven de beperkingen. Het doen wegvallen van de grenzen, zal ons doel moeten zijn. In de eerste plaats zullen wij dus het ‘ik’ met zijn begeerten en zijn angsten moeten achterlaten. Wanneer je langzaam maar zeker kunt wegdromen in een steeds intenser gevoelsbeleven, waarbij het Goddelijke steeds duidelijker zichtbaar en kenbaar wordt, benader je een toestand van vrijheid. De volmaakte mystieke beleving, het volmaakte mystieke wezen is deze vrijheid, die over alle tijd en alle ruimte regeert. De volgende fasen kunnen ertoe leiden.
Ten eerste. Terwijl men normaal ‑ dus redelijke denkend voor de wereld, redelijk ervarend voor de sferen ‑ zijn eigen bestaan voert, ga je dit bestaan met alle banden, die daarmee verbonden zijn, in jezelf vergeten. Je blijft wat je bent. Het volmaakt mystieke beleven is niet een veranderen van toestand uiterlijk, maar een veranderen van aanvaarding innerlijk. Op het ogenblik dat wij ons verbonden voelen met grotere krachten, worden wij langzaam maar zeker ontrukt aan al datgene, wat wij normaal kennen. Het ‘ik’ vraagt niet meer, het eist niet meer, het vreest niet meer. Het ondergaat en constateert met een grote verwondering. Het is deze grote verwondering, die ik in de eerste fase zou willen noemen op de weg naar volmaakt mystiek beleven. Want juist door deze verwondering geven wij ook onze eigen mening prijs. het eigen oordeel, zo nuttig als dat is in onze eigen werelden, zo noodzakelijk als het is voor onze bewustwording, is voortdurend een beperking, wanneer wij het Goddelijke zelf trachten te aanschouwen en Daarin trachten te leven. De volgende fase brengt met zich een langzaam maar zeker zich één voelen, maar op een vreemde ongekende manier. Het is alsof je plotseling zozeer vertakt, dat al het leven rond je door jou beroerd wordt. Alles schijn je gelijktijdig te aanvaarden en te beleven. De verveelvoudiging van ik‑beleving, uitbreiding dus over vaak een hele wereld of vele werelden, brengt ons tot een steeds sterker besef van de kern van de levenskracht, die in dit alles schuilt. Hebben wij ook dat bereikt, dan zal de derde fase met zich brengen, dat het leven als verschijnsel door ons terzijde wordt gezet. Het interesseert ons niet meer, waarmee wij verbonden zijn. Het interesseert ons zelfs niet meer, dat wij bestaan. We ondergaan alleen de grote intense vloed van leven. En deze vloed van leven gaat eigenaardig genoeg ge­paard met één weten, waar wij niet om vragen, een weten waar wij ook niet naar teruggrijpen. Het is voldoende te erkennen, dat het weten er is. Wij hebben het gevoel of wij niet meer zijn en toch elk feit ‑ ook ons eigen leven en alle levens, die daarmee verbonden zijn ‑ onmiddellijk kunnen vinden en voor onszelf volledig doorleven, zonder enige hinderpaal, zonder enige pauze, zonder enige verandering.
Hebben we dit gevoel ook gevonden, dan komt het laatste: Het erkennen van de band, die tussen de feiten, die in dit weten voor ons beschikbaar liggen, bestaan. Het is wel degelijk een erkenning. Er zijn dus nog wel redelijke processen mee verknoopt, althans vanuit een stoffelijk standpunt geredeneerd. Maar toch gaat het geheel ver boven al hetgeen redelijk genoemd kan worden, omdat geen enkele eigen ervaring meer telt, geen enkel weten meer telt en de gehele schepping wordt ervaren als een eenvoudig zijn, het ‘ik’. De volmaakt mystieke beleving kan dus worden gezegd te zijn een verwerkelijking van het ‘ik’, en wel op zodanige wijze dat het volledig congruent is met de scheppende Kracht, dus zich volledig dekt daarmee en op alle punten volledig daarmede verbonden is.
Die toestand is niet zo gemakkelijk te bereiken. Wij zijn nu eenmaal niet geschapen als geheel. Wij maken een deel uit van de schepping en hebben daarin een bepaalde plaats. Maar het begrip van het geheel kan ons ver boven ons eigen wezen verheffen. En daardoor ontstaat dan dit intens weten omtrent het geheel, het totale.
Nu zult u begrijpen dat wijzelf nooit het volmaakte mystieke wezen kunnen zijn. Het feit alleen dat wij ‑ geschapen zijnde, opgaande tot God misschien ‑ nooit identiek kunnen zijn met God, betekent dat het mystieke wezen van de mens en ook van de geest, nooit de volledige volmaaktheid kan benaderen. Er blijft altijd een grens. Deze grens echter bestaat niet in het beleven. Voor het beleven kan deze grens wèl wegvallen.
Het volmaakte mystieke wezen moet worden omschreven als een adem, die in alle dingen doordringt. Onkenbaar misschien in zichzelf manifesteert het zich in alle dingen. Het wordt tot een werkelijkheid, ook in het onvoorstelbare. Al wat onmiddellijk met deze kracht, met dit wezen in aanraking komt, wordt er deel van, onverbrekelijk en voor altijd. Het is onmogelijk te zeggen dat de vormen veranderen, want dit geschiedt niet, tenzij in enkele sferen, waarin licht en kleur regeren. Voor u kan een voorwerp volledig gelijk blijven en toch kan de volledige intensiteit van het grote mysterie, van de goddelijke Kracht, daarin geuit zijn. Wij noemen deze goddelijke Kracht ‘het volmaakte mystieke wezen’, omdat zij – verborgen zijnde ‑ te allen tijde zich volledig op elk punt van haar zijn aan ons kan openbaren.
En nu komen wij misschien tot een punt dat velen van u te religieus zal lijken. Toch moet ik het hierbij insluiten. Het is mogelijk voor beperkte wezens, zoals wij, om tijdelijk deel te hebben aan dit mystieke volmaakte wezen. Wij kunnen dus één worden met b.v. deze adem Gods, deze doordringende kracht, die overal bestaat. Voor elk van ons zal dit door een ander gebeuren kunnen worden gerealiseerd. In sommige kerken probeert men een dergelijk gebeuren te bereiken b.v. door een avondmaal. In andere groeperingen zoekt men het in de absolute afzondering. De wijze waarop is van geen belang.
Het mystieke wezen, de inhoud van alle geheimen, kan in ons wezen zich onmiddellijk openbaren. Het leeft in ons maar kan door ons, zoals het in ons bestaat, niet gerealiseerd worden. Eerst door een contact met buiten ons bestaande krachten en waarden, waarin dit mystieke wezen zich openbaart, wordt het ons mogelijk gemaakt onszelf te kennen. En dan kan er worden gezegd dat het mystieke wezen in de mens zich openbaart in zeven trappen.
De eerste trap is een betrekkelijk simpele. Het is een erkennen van een eenheid met het zijnde. De tweede is het in de praktijk brengen van de eenheid en zo een zich volledig aanpassen aan het zijnde. De derde fase doet ons het ‘ik’ meer verliezen. Wij zijn één geworden met het doel van het zijnde en zijn in al ons streven en denken een ver­wezenlijking van de scheppende gedachte. De vierde trap brengt ons dan tot het beleven van de scheppende gedachte. Wij trachten niet meer haar uit te drukken; wij weten nu dat streven geen zin heeft. Ons streven was alleen noodzakelijk om ons zover te brengen, dat wij één konden zijn met deze gedachte.
Nu deze gedachte bekend is, vindt in de volgende fase, die ik niet afzonderlijk wil noemen, een vreemde aanpassing van het eigen bestaan plaats. Het is of zelfs de vorm van een lichaam, de wijze, waarop een geest bestaat, zich wijzigt. Alles wordt teruggedrongen tot de oervorm. Maar deze oervorm kent in zich alle potenties, die erin gelegen zijn. Geen vaste vorm, geen vaste kenbare waarde, maar de mogelijkheid om al deze waarden te realiseren.
De laatste stap brengt ons tot het erkennen van een wil, die boven de onze staat. Een wil, die wij volledig aanvaarden en waarin wij opgaan. Hierbij is de potentie, die in ons wezen is gelegen door alle tijden heen, een onmiddellijk instrument geworden in de handen van de Schepper. Een werktuig, waardoor Hij Zijn schepping a.h.w. gestalte geeft. Waardoor Hij, wanneer ook de tijd en de ruimte voor ons verbleken. Zijn volmaaktheid openbaart in Zijn eigen wezen, waarvan wij deel uitmaken.
Misschien is het moeilijk u dit alles voor te stellen. Maar als we dan een ogenblik teruggrijpen naar b.v. stoffelijke condities, dan zou ik u willen vragen of u misschien niet een enkele maal het gevoel hebt gehad van volledig vrij zijn. Zo vrij, dat er geen grenzen bestaan. Zo krachtig, dat gij werelden zoudt kunnen hanteren. Zo vreugdig vooral, dat het lijkt, of er geen verdere bron van vreugde ooit meer in het leven kan ontstaan. In het leven van de meeste mensen, in het bestaan van elke geest komen deze momenten voor. Wanneer zo’n moment komt, hebben wij daarmee dus voor onszelf een fase gerealiseerd, hebben wij als het ware één schrede vorder gedaan op het pad der mystieke bewustwording.
De raadselen, die het volmaakte mystieke wezen omvat, zijn voor ons onoplosbaar. We moeten dit goed begrijpen. Onoplosbaar, omdat wij ‑ als deel ‑ niet in staat zijn het geheel redelijk te kennen, slechts om het te ondergaan en het te doorleven. De vragen dan, die in het perfect mystieke wezen behandeld zijn, bevat en uitgedrukt: “Wat is bestaan? Wat is God? Wat is de kern van het zijn?” deze drie vragen, schijnbaar gelijk, geven de drie grote gebieden aan waarin ons leven uiteen valt.
Want “Wat is zijn?” betekent het raadsel van de levende krachten. En zelfs indien wij dan teruggrijpen naar de oude wijsgeren, die zeggen: “Alle leven is een goddelijke gedachte”, hebben wij nog niet voldoende gedefinieerd. Want een gedachte, zoals die der mensen, kan God niet hebben. Wij hebben slechts benaderd en geprobeerd vast te stellen dat het leven zelf geen vaste waarde is. Hét is een uiting.
“Wat is God?” Wie van ons kan zeggen wat God is? Wij kunnen ons God alleen voorstellen als een wezen. Maar een wezen betekent een begrenzing. En alle kracht zelf, voor zover door ons is na te gaan, is onbegrensd. Wij weten dat er tussentrappen bestaan, dat veel van hetgeen wij God noemen, slechts een klein deel is van een groter bestaan, een grotere schepping. We weten zelfs dat dit heelal niet het enige is. Maar het wezen Gods doorgronden, kunnen wij niet. Dit zou betekenen dat wij een uitdrukking zouden moeten vinden voor iets, dat ruimteloos, tijdloos en gelijktijdig alomvattend is. Dat is onmogelijk.
En dan: “Wat is de kern van het bestaan?” Wij zeggen op aarde meestal: de wil Gods. En in andere gevallen zeggen wij: de noodzaak van God om zichzelf te uiten, ofschoon we niet eens weten of er voor God wel een noodzaak kan bestaan. Zeker is het dat wij dit kernpunt nooit zullen kunnen beroeren, tenzij het is: het bestaan, de potentie, die te enigerlei tijd tot een uiting dringt en dwingt. Het mystieke wezen, dat volmaakt is, is het antwoord zelf op deze vragen. Het is alle leven. Het is God. En het is de kern van het bestaan, omdat al het bestaande uit dit wezen voortvloeit.
Wanneer je dit alles beschouwt, word je je bewust van een zekere machteloosheid. Machteloosheid, omdat je eigen middelen niet toereikend zijn om zelfs maar de inhoud van de vragen geheel te beseffen, laat staan een aanvaardbaar antwoord te geven, dat werkelijk inhoud heeft. Voor ons is daarom de benadering van het mystieke wezen, dat zijn volmaaktheid heeft benaderd of bereikt, alleen mogelijk langs de weg van gevoel, ondergaan.
Het ondergaan van de grote kracht betekent, een wegvallen – ik kan het niet genoeg herhalen ‑ van alle rede. Het verstand is een zo onvolledig middel, dat wij daarmee niet ver kunnen komen. Zelfs het kennen van de sferen, kan ons daarbij absoluut niet helpen. Maar wij kunnen dingen voelen, doorvoelen en beleven, ook wanneer ze voor ons zelfs geen voorstelbare werkelijkheid zijn. Wij kunnen de kracht ondergaan. Dit ondergaan van de kracht met uitschakeling van alle punten, die nog persoonlijk genoemd kunnen worden, is onze enige weg om het volmaakt mystieke wezen te benaderen in het volmaakt mystieke beleven.
Alle begrip der mystiek is een begrip voor een gevoelsbeleven, dat het redelijke te boven gaat. Alle mystiek zelf is een doordringen in geheimen. Maar een doordringen in geheimen, niet langs de weg van het kennen, maar van het beleven. Om ons dit steeds weer voor ogen te stellen, zou ik eenieder, die de mystiek tot deel van zijn eigen geestelijk streven maakt, willen aanraden zich één spreuk regelmatig te binnen te brengen. Dat is n.l. dit: “Elk geheim voor mij is een onbegrip. Maar begrip is niet noodzakelijk om te beleven, begrip is niet noodzakelijk om één te zijn met God.” De rede en alle middelen, die we bezitten om te denken en te handelen in onze werelden, zijn eigenlijk voor ons van minder betekenis dan we denken. Wij menen zelfstandig te handelen, wij menen zelfstandig te volbrengen en beleven dan ook inderdaad vrijelijk en persoonlijk. Maar, let wel ‑ beléven, niet handelen.
Onze handelingen, en wel de betekenis van onze handelingen in het totaal der schepping, is wel degelijk reeds vastgelegd vanaf den beginne. Dat, wat wij zullen zijn in de wereld voor anderen staat vast. Dat, wat wij zijn vanuit een goddelijk standpunt, is vanaf het begin af aan vastgelegd en hetzelfde. Slechts onze realisatie daarvan kan veranderen. Wij hebben dus niet de taak om ons zelf te vervormen of te veranderen.
De mysticus begrijpt dit. Hij tracht juist vóór alles zichzelf te zijn. Maar in dit ‘zichzelf zijn’ doet hij geen beroep meer op de tijdelijke en uiterlijke waarden. Hij gebruikt deze slechts om de noodzaak van leven in beperking, die nu eenmaal bestaat, zo goed mogelijk te volbrengen. In zich zoekt hij naar zijn ware vorm, zijn ware gestalte. Deze ware vorm of gestalte is een deel van het geschapene. Hoe, dat kunnen wij nooit zeggen. Iemand, die onbelangrijk is, kan een belangrijke pijler zijn waarop een groot deel van de goddelijke uiting berust. Mensen, die belangrijk schijnen te zijn in een wereldgeschiedenis, die belangrijk zijn misschien zelfs later in de geest en desnoods regeren over een sterrennevel, kunnen onbelangrijk zijn vergeleken misschien bij een enkel stofdeeltje dat de bepaling is van de werkelijke verhouding volgens het Goddelijke.
Het heeft geen zin het redelijke terzijde te stellen; wel echter moeten wij het redelijke steeds terugdringen tot zijn ware plaats. Deze wa­re plaats is: Het ons mogelijk maken in onze eigen wereld te leven en toch te komen tot een aanvoelen van ‑ en zo mogelijk zelfs een doorleven van ‑ het Goddelijke. Al hetgeen wij rond ons zien, heeft vele betekenissen, niet slechts één. Elk gebeuren heeft tien‑, twintigvoudige inhoud, ofschoon wij er één, ten hoogste twee zien. Wij kunnen nooit bepalen met de rede, wat dit nu werkelijk is. Indien wij echter doorvoelen, zullen wij de essence van alle mogelijkheden en alle betekenissen ineen samengevoegd vinden. Het is onze taak dit mystieke beleven steeds weer te ondergaan: De samenvoeging van het onbekende in één waarde, die voor ons goddelijk is en God openbaart.
Dan kunnen we weer terugkomen op het volmaakt mystieke wezen. En zeggen dat voor ons het volmaakt mystieke wezen bereikt is op het ogenblik dat wij het totaal van de betekenissen, die in de schepping bestaan, aanvoelende ‑ en in ons doorvoelende en dus ook belevende – een zijn met het geheel. Op dit punt, waar niet meer sprake kan zijn van beperking, maar alles zich in een één‑zijn met God concentreert binnen dat deel van de schepping, dat wij zijn volgens Zijn wil, hebben wij bereikt.
Dan zijn wij ook het volmaakte mystieke wezen. Wij zijn het niet, omdat wij de schepping zijn of de Schepper. Wij zijn het wel, omdat in ons, zoals in alle punten van de schepping, volledig en geheel de geheimzinnige kracht is uitgedrukt, die alle leven heeft doen ontstaan en in stand houdt. Al, wat wij vanuit deze kracht zullen volbrengen, is een volledige openbaring en uiting van de schepping, niet meer zijnde een ik-beleven of een streven door het ‘ik’, maar een ‘ik’, dragende de goddelijke wil, vervullende de mogelijkheden en omstandigheden, die buiten eigen bereik schenen te liggen op een wijze, die het stempel der volmaaktheid zet in andere delen der schepping. Veel van de grote meesters en gezondenen waren één met het volmaakte mystieke wezen. En eerst in deze eenheid konden zij worden tot kosmische krachten, die ‑ beperkt in hun werking ‑ bewust waren van het geheel.
Indien gij in de mystiek uw heil zoekt, doe dit dan vooral niet op een persoonlijke wijze. Het zal u weinig baten. Het zal u hoogstens stellen voor steeds nieuwe problemen en moeilijkheden. Maar indien gij in de mystiek wilt zoeken naar het beleven, het innerlijk beleven, dat u vrij maakt, indien gij wilt zoeken naar deze eigenaardige vitaliteit, deze eigenaardige kracht, die u de wereld doet liefhebben en meer doet beseffen dan zij u toont, dan hebt gij de goede weg.
Dan kunt gij in alle dingen en te allen tijde voortdurend verbonden zijn met de Oneindigheid. Dan zult ge in de beelden en flarden, die uit die Oneindigheid zich zelfs in uw beperkte wereld openbaren, steeds meer de kracht vinden om meer en meer daarin op te gaan. Ge zult dan uit het volmaakt mystieke beleven de perfecte eenheid realiseren en in deze realisatie òndergaan als een ‘ik’, dat lééft én streeft. Maar gij zult, triomferend over alle tijd, alle ruimte, ja over al het zijnde zelfs, tot een eenheid komen, die niet beperkt kan worden, zelfs niet door een uitblussen van het Al. Slechts indien God zou kunnen sterven, ondergaan en verdwijnen in het Niet, is het mogelijk, dat ook gij, tot mystieke eenheid met God gekomen, zoudt ondergaan. Maar dit is voor ons onvoorstelbaar. Dit is irreëel. God is immers eeuwig.
Dan kunnen wij door ons mystiek beleven te allen tijde een steeds meer bewust deel van de eeuwigheid uitmaken, langzaam maar zeker wetend, waar wij behoren, wetend ook hoe te handelen zonder daarbij nog zelf te streven of te denken. In de openbaring van het volmaakte Wezen, de Schepper Zelf, de Algeest in ons, is onze taak ten einde, is onze weg volbracht. Dan zullen wij ‑ onverschillig waar wij bestaan ‑ in onszelf slechts kennen, wat wij nu nog noemen ‘geluk’ of ‘vrede’, maar dat misschien beter kan worden uitgedrukt door: eenheid.

Noot
Met de uitdrukking ‘de mysticus is een dromer’ wordt hier gedoeld op het standpunt, dat een stofmens hiertegenover zou innemen. Ik stel er echter prijs op te constateren dat het ervarene werkelijk is en dat de uiting, die men daaraan voor zichzelf geeft en steeds zal geven, niets anders is dan een vergroting van eigen werkelijkheid en eigen wereld. Dit past echter niet bij de wetten of regels, binnen eigen wereld bekend. Vandaar dat veel van hetgeen voor de mysticus volkomen regel is, slechts een schim of een droombeeld is voor de anderen, die in zijn wereld vertoeven.

En dan moeten we hiermee deze cursus eindelijk sluiten. Vrienden, het is ons allen een genoegen geweest voor u en met u te mogen werken. We weten dat sommigen van u hiervan veel hebben kunnen opsteken, anderen minder hebben meegemaakt. We hebben gegeven wat we dachten te kunnen geven. We zijn dankbaar voor al, wat we in u hebben mogen bereiken, ook al was het misschien niet altijd voor u iets, wat vol van betekenis leek.
We hopen dat hetgeen u in dit afgelopen jaar hier hebt mogen ontvangen, voor u niet alleen maar een reeks van wijsheden betekent, of misschien een reeks van interessante avonden, maar een innerlijke mogelijkheid om dichter te komen bij de vrede, om dichter te komen bij de innerlijke rust, waaruit wij uiteindelijk tot het Goddelijke kunnen komen. Want hoe wij ook gaan en wat wij ook doen, hoe vreemd soms onze wegen mogen lijken, hoe zonderling soms datgene, wat het lot ons schijnt te schenken, er is één doel en één weg ‑ naar God. En deze kunnen we bewust gaan, wanneer we in onszelf steeds weer vrede weten te vinden en een begrip voor al het kosmische, dat ons omringt. En dat heeft u niet alleen van mij maar van al degenen, die aan deze cursus hebben meegewerkt als sprekers en als helpers.
Wanneer het nodig is, en ons is de mogelijkheid gegeven, zullen wij allen proberen om u te helpen, maar daarvoor moet u zelf ‑ ook al iets van het licht‑dragende ‑ uit uzelf positief streven, willen wij iets voor u kunnen doen. Wij hopen dat u dat mogelijk zal zijn en het ons gegeven zal zijn u misschien nog verder te geleiden en u misschien nog meer inzicht, meer vrede en meer kosmisch geluk te geven.