Mystieke werkelijkheid

uit de cursus ‘Mystieke ontwikkeling’ – (Hoofdstuk 4)

Wanneer wij mystiek willen doordringen in de wereld, dan blijkt ons al ras dat het redelijke niet voldoende is om in deze werkelijkheid onder te gaan. Integendeel, een groot gedeelte van ons mystiek beleven zal te allen tijde gelegen zijn ver boven en buiten het gebied, dat een mens redelijk en mentaal kan omgrenzen. Van werkelijke logica kan dus helaas in dit betoog slechts zeer ten dele sprake zijn. Toch wil ik trach­ten zo systematisch mogelijk u de werkingen van de mystiek uit te leggen en u zo aan te tonen wat de werkelijke ervaringen zijn, die men tijdens belevingen van deze geaardheid opdoet, welke hun bron zijn en natuurlijk ook, hoe men deze bron kan aanboren en van de beleving zelf voor zich nut trekken t.o.v. geestelijke ontwikkeling e.d. Allereerst dan het we­reldbeeld, gezien in mystiek verband.
Indien wij spreken over de kosmos, beroeren wij hiermee een gebied, dat voor ons onvoorstelbaar en slechts zeer ten dele realiseerbaar is. Want wij allen, geest en stof, behoren tot dat specifieke onderdeel der kosmos, schepping genaamd, en wel menselijke schepping. Er is een uitgesproken verschil tussen de goddelijke schepping, die volledig is, en de menselijke schepping, die mystiek gezien culmineert in de totaal bewuste, mystieke mens.
Dit laatste is slechts een uitdrukking, een ‘symbool’. In feite mag worden gesteld dat het totaal der mensheid door alle tijden en van alle plaatsen ‑ onverschillig waar deze gelegen zijn in het Al, onverschillig of deze tijdstippen liggen binnen het besef der aarde of behoren tot de sferen, waarin de menselijke ontwikkeling zich voortzet ‑ dat dit aldus is gerealiseerd in één persoonlijkheid, omvat in één gebied, dat als volko­men belichaming wordt gezien.
Dit wezen is gebaseerd in de materie. Het materiële is de basis, waarop de mystieke mens rust, echter niet zijn feitelijk wezen. Zijn lede­maten zijn opgebouwd uit bewustzijnsvormen, die gedurende de menselijke ontwikkeling kunnen ontstaan. Elke mens is a.h.w. één cel, in dit grote en al‑omvattende lichaam mensheid. Evenals het denkvermogen in de mens het totaal van zijn lichaam kan leren beheersen en regeren, zo is het begrijpelijk dat ook de mystieke mens een gelijke mogelijkheid voor zich heeft gevonden. Dus is het mystieke wereldbeeld als volgt:
Deel zijnde van het geheel ‘mens’ kennen wij iets dat verdergaat dan een volks‑ of rassengeest volgens menselijke opvatting. Er is een totaal bewustzijn, dat voortdurend deel uitmaakt van ons wezen, waarbinnen wij bevat zijn en dat ons voortdurend bepalingen oplegt, wegen duidt, ja zelfs t.o.v. onze wisselingen in bewustzijn, opgang en ondergang, zeker mee invloed heeft.
Wanneer wij echter binnen dit grote wezen voor een korte wijle ons verliezen als afzonderlijk denkend en bewust deel van dit geheel, dan kunnen wij doordringen in dit totale bewustzijn. Het doordringen in het totale bewustzijn, betekent de grote mystieke beleving, waarbij het ‘ik’ doordringt in alle weten, in alle ervaren en daardoor komt tot een volledige en harmonische aanpassing aan het grote lichaam, waarin het behoort.
Kan men deze eerste stelling, dit mystieke wereldbeeld volgen, dan is ook de mystieke relatie begrijpelijk van de mens tot de mensheid.
Men kan nooit als niet‑mens in de oneindigheid enigerlei contact leggen of vinden. De mysticus tracht dan ook nooit door veruiterlijking van zichzelf te komen tot een. bewustzijnsuitbreiding, waarbij hijzelf het menselijke aspect verliest. Integendeel. Te allen tijde zal worden getracht om door te dringen in de kern van eigen wezen; en een begrip van saamhorigheid, dat ver buiten het menselijke uitgaat, te gebruiken om de vermenselijkte factoren van het buitenleven mee te bevatten binnen eigen bewustzijn.
Dit laatste impliceert het toekennen van menselijke waarden en het stellen van een menselijk oordeel ook omtrent persoonlijkheden, toestanden, materie en krachten, die niet behoren tot de menselijke bewustwordingsgang, noch ooit daartoe zullen kunnen behoren. De mysticus kent dan ook een absoluut oordeel, dat een verwerpen van een deel der schepping inhoudt. Het verworpene is datgene, wat niet behoort bij het menselijke en als zodanig de contactmogelijkheid met de grote Adam, met de mystieke mens, belemmert.
Heeft men ook dit punt kunnen volgen, dan kan ik verder stellen, dat de praktische mystiek altijd gericht zal zijn op de humanitas, de humaniteit. Dus het menselijke in de mens te beleven en te verwerkelijken. Hierbij kan elke menselijke daad betekenen een verliezen van het ‘ik’ in het totaal menselijke.
De uitbreiding, die hiervan het gevolg is, betekent een grote, een zeer grote uitbreiding van eigen vermogens en een steeds helderder besef van eigen toestand en plaats binnen het geheel. Desondanks is de mysticus er zich van bewust, dat hij in zijn beleving nooit komt tot een gelijkheid met het geheel, doch slechts tot een bewust deel zijn van het geheel. Want eenieder heeft zijn eigen functie. Ik mag hier misschien ter vereenvoudiging een kleine vergelijking inlassen:
In het menselijk lichaam bevinden zich vele spieren plus reeksen van organen. Elke spier en elk orgaan is opgebouwd uit cellen van een bepaalde kwaliteit, met een bepaalde actie‑capaciteit, een bepaalde be­staansduur. Daarna treedt vernieuwing op. In de grote mens is het pro­ces bijna gelijk. Wanneer men op aarde vertoeft, dan mag vergelijkend wor­den gezegd, dat men behoort tot de voeten of misschien de benen van de mystieke mens. Men maakt de voortbeweging ‑ de bewustwording dus – van de totale mens en het herwinnen van zijn uit God geboren krachten moge­lijk door zijn activiteit in stoffelijke zin. Hierbij is echter het coördi­neren van de onderlinge pogingen bepalend voor de bewustwording, die voor het geheel hieruit voortvloeit.
Anderen echter kunnen functies hebben, die verschillen van die der werkelijke spierweefsels. Zo kennen wij b.v. in het lichaam het bloed als een factor die – stijgend tot hogere gebieden, tot de kern van het wezen a.h.w. en daar levenskrachten en zuurstof verzamelende ‑ afdaalt tot in de uiterste lagen der ledematen. Degelijke wezens bestaan er evenzeer.
In de menselijke ontwikkeling kennen wij de z.g. ingewijden, de bewusten en de meesters. Deze drie zijn te vergelijken met het bloed, dat a.h.w. een voeding betekent en een instandhouding. In plaats van zuurstof brengen zij nieuwe gedachten en bewustwordingen; i.p.v. levenskracht, nieuwe mogelijkheid tot begrip voor het totaal der mensheid, een nieuwe benadering van het totaal Goddelijke. Om van elk der categorieën een voorbeeld te geven:
Jezus de leraar, de ingewijde, is brenger niet in de eerste plaats van een begrip maar van een weg tot harmonie. Als zodanig is hij levenskracht voor al, wat in de stof en zelfs in lagere sferen bestaat. In zijn functie is hij verder niet beperkt, evenmin als het bloed, tot een bepaald gebied of tot bepaalde werkingen. Evenals het bloed kan hij het totaal van het lichaam ‑ dus het totaal van de mystieke mens ‑ doorkruisen en alle sferen, die verbonden zijn met het menselijke, door zijn eigen kracht activeren. Hij keert dan terug tot de hoofdfunctie van de mystieke mens, die wij ‑ in afwijking met de long, die de mens daarvoor heeft ~ zouden kunnen noemen: het onmiddellijk contact met het Goddelijke. Vanuit het onmiddellijk contact met het Goddelijke keert hij terug tot wat bij de mens het hart is ‑ bij de mystieke mens de bewuste drang ‑ en van daaruit kan hij dus steeds weerkeren in alle sferen.
Een bewuste is b.v. Galilei. Een van degenen dus, die verder dan anderen doordringen in het wezen der natuur, maar daardoor ook de relatie van mens tot natuur, mens tot kosmos nader definiëren. De bewuste werkt functiebepalend, schept weten en zal vaak een aanvullende factor zijn voor de ingewijde, die op aarde komt. Bovendien is het zijn taak om daar, waar de werking van de ingewijde bedreigd wordt of zelfs deze zelf bedreigd zou worden, door zijn eigen capaciteit en vermogen de kwaadwillende krachten onder de bewijskracht van zijn argumenten te verpletteren. De activiteit is hier dus een andere en er mag worden gezegd dat in het totaal van het mystiek bestaan de wetenschap in de eerste plaats een preventieve taak is toegewezen. Zij behoort niet tot de bewustwordingsmogelijkheden per se, maar is eerder een bescherming voor de belevingsmogelijkheid, die de kern van de mystiek uitmaakt.
Dan kennen wij verder de meester. En nu moet ik dat begrip ‘meester’ ook nog een ogenblik verduidelijken door het te beperken. Ik versta hier uitdrukkelijk niet onder de kleinere krachten, die voor sommigen als geleiders optreden en door hen meester of meesters worden genoemd. Ik doel evenmin op de leraren, die in een mystieke school b.v. hun leerlingen verder voeren, ofschoon ook dezen de titel meester vaak krijgen of verwerven. Onder meesters versta ik in dit geval: grote krachten, die op aarde komen en in de eerste plaats magische werkingen op aarde tot stand brengen. Het is niet hun taak allereerst te leraren, maar om in de eerste plaats bepaalde centra op aarde te stichten, in stand te houden of te versterken, waarin de mystieke krachten ‑ dus het contact met het totaal van het zijnde ‑ sterker tot uiting komt. Onder hen behoort o.a. de ontwerper en bouwmeester van de piramide van Cheops, maar ook een Apollonius, de profeet van Tyana. Deze laatste heeft in zijn leven ongetwijfeld soms geprofeteerd of geleraard, doch het was een secundaire taak. Hij heeft echter zowel in de Griekse als Italiaanse gebieden vele punten, hoofdzakelijk aan de kusten gelegen, zodanig geactiveerd, dat zij voor speciale mystieke belevingen gunstig zijn en een contact met het totaal der mensheid en het bereiken van het totale weten der mensheid mogelijk maakt voor degenen, die daar zijn.
Na deze drie verschillende factoren als bloedbaan te hebben gezien, vragen wij ons misschien ook af, of er voor het zenuwstelsel een vergelijking bestaat. Inderdaad. Het zenuwstelsel is opgebouwd uit cellen, die in de eerste plaats een doorgeven van impulsen door tijdelijk afstaan van eigen krachten teweeg brengen. Als zodanig is het zenuwstelsel der mensheid hoofdzakelijk opgebouwd uit sensitieven en profeten door alle tijden. Wij mogen hier verder onder rangschikken priesters, die een zekere geestelijke vaardigheid hebben, profeten e.d. Zij werken vaak volledig onbewust van de taak, die zij vervullen, door een voortdurend doorgeven aan anderen van de invloeden, die hen bereiken. In vele gevallen geschiedt dit in de eerste plaats aan anderen, die evenzeer sensitief zijn. Zij zijn zich niet bewust van de werking, die deze stimuli binnen de mensheid, in de mystieke mens kunnen hebben. Ze zijn er zich zeker niet van bewust, dat ‑ ofschoon soms vernietiging schijnt te dreigen aan de hand van dergelijke impulsen ‑ zij in feite een beweging bevorderen, die een verder schrijden in de oneindigheid mogelijk maakt voor het totaal der mensheid. In het zenuwstelsel is dus een onbewustzijn.
Dan krijgen wij te maken met het denkvermogen van die mystieke mens. Want ook dat is aanwezig. Stellen wij voor het denkvermogen het volgende: Wanneer een menselijke geest harmonie met het geheel heeft bereikt, is hij ook in staat om bepaalde feiten, toestanden en realisaties binnen zichzelf volledig vast te houden. Heeft hij bovendien een harmonie met anderen, dan zal hij verkeren in een toestand, die een schijnbare niet-werkzaamheid betekent. Vergelijkend eventueel een nirwana‑toestand. Hierbij zal hij reageren door zijn eigen kennis voortdurend ter beschikking te stellen van anderen, onbewust meestal, en uit de samenwerking stromen geboren doen worden, die op aarde worden geopenbaard. De groten, die dáár leven, zijn dus in feite de veroorzakers van alle stimuli, die u, hetzij langs directe, hetzij langs veel verschakelde weg, bereiken d.m.v. profeten, mediums, maar ook artiesten, etc.
Ik kan deze vergelijking natuurlijk nog veel verder doorvoeren. Mij dunkt echte, dat ik u omtrent het wezen van de mystieke mens hier enig inzicht heb gegeven. Ik zal dan ook nu overgaan tot een omschrijven van de belevingsmogelijkheden der mystiek, zoals deze werkelijk bereikbaar en voor ieder a.h.w. naastliggend zijn.
Wanneer men zichzelf vergeet, b.v. in concentratie op één voor­werp dan wel verzonken in meditatie, dan zal het ‘ik’ zijn eigen begren­zingen vergeten. Een ontrukt zijn aan de Werkelijkheid treedt op. De geest zelf verlaat het lichaam, dat gedurende deze periode vaak niet geheel onderworpen is aan natuurlijke wetten, zoals men die op aarde kent. De geest, opwaarts gaande, bereikt een contact, waarbij een veelheid van weten in dit ‘ik’ wordt geopenbaard. Gelijktijdig hoeft deze kern der per­soonlijkheid ook deel aan een volledigheid van kracht, die evenmin bewust gerealiseerd kan worden. In een dergelijke toestand wordt een weten verworven, dat niet stoffelijk reproduceerbaar is, tenzij zeer incidenteel en zeer onvolledig. Dit weten blijft echter binnen het wezen wel bestaan.
Ik zei u reeds in het begin van mijn betoog dat mystiek niet redelijk is. In de mens, in het deel van de mystieke mens dus, blijft het totale weten, zoals dit door harmonie werd ervaren, voortdurend bestaan. Het gaat niet onder. Het is altijd weer voor een herleving vatbaar. Het zal te allen tijde ‑ ook wanneer dit niet door het denken en weten van een stoffelijke mens of een beperkte geest gerealiseerd wordt – zijn invloed blijven uitoefenen op het totaal der handelingen, het totaal der beschouwingen, gesproken en gedachte oordelen en wat dies meer zij. Zo zal dit weten in feite een versterking zijn van de onmiddellijke wils­uitvoering van de mystieke mens binnen het Menselijke. Zij betekent vooral voor de mens ‑ en soms ook voor de geest ‑ verder een vereenvou­diging van aanpassing, een vergroting van harmonie met de wereld, een grotere beheersing t.o.v. begeren en een bevrijding van angst door weten.
De kracht, door mij zo-even ook reeds aangestipt, blijft evenzeer binnen de persoonlijkheid besloten. Zij is daar een bron, die te allen tijde aangeboord kan worden, doch slechts indien het bewustzijn in staat is, althans een klein deel van de kracht ‑ meestal d.m.v. het onbewust weten – voor zich te activeren. De kracht, in één mystieke beleving geboren, is zo onuitputtelijk, dat zij in feite meer dan een mensenleven lang wonderen van kracht mogelijk maakt voor één persoon. Slechts de beperking van weten en zo het onvermogen deze krachten uit het ‘ik’ te doen vloeien tot een kenbaar presteren en werken in de wereld, belet velen van deze krachten gebruik te maken.
Heeft men geleerd deze kracht aan te boren, dan wordt hier in feite mogelijk gemaakt elke willekeurige handeling te doen plaats vinden, elke willekeurige prestatie tot stand te brengen. Daaronder valt het letterlijke en ook figuurlijke maken van goud uit minderwaardige producten. Ook dit behoort bij de mystiek.
Dan heb ik nog een paar punten, die misschien wat dichter bij uw eigen leven staan. Het feit dat u kunt opgaan in waarden, die niet te allen tijde redelijk zijn, dat u zich kunt verliezen in beschouwingen, die buiten de kenbare en gangbare praktijken van het bestaan liggen, betekent dat u de mogelijkheid hebt om tot een mystiek beleven te komen. De belemmering daarvoor is over het algemeen een te scherp gevormd ik‑besef, waarbij het ego prevaleert boven alle omstandigheden, die tot uiting kunnen komen. De vergetelheid van het ‘ik’ vloeit voort uit een beheersing van het ‘ik’.
Het zal u misschien opgevallen zijn dat praktisch alle grote mystici op enigerlei wijze zowel lichamelijk als geestelijk volkomen zelfbeheersing in de hand trachten te werken. Dat is noodzakelijk. Want om het ‘ik’ te kunnen prijsgeven, moet men meester zijn over de onbeheerste impulsen van het ‘ik’, die trachten dit te beletten. U kunt dit als ‘totaal zich verliezen’ waarschijnlijk moeilijk tot stand brengen. Maar naar ik meen, kunt u soms in kleine dingen uzelf althans ten dele vergeten. Dan zal een dergelijke deelsgewijze harmonie met de mystieke mens, met de mystieke werkelijkheid, voor u een realisatie betekenen op één gebied en één punt.
Hiervan kan o.a. gebruik worden gemaakt voor het ontvangen van leiding. Indien ik met een bepaald probleem voor mijzelf gebonden ben en ik begeer een oplossing daarvan, die kosmisch en niet slechts persoonlijk juist is, dan zal ik dus het probleem scherp stellen en vervolgens trachten dit deel van mijn wezen geheel uit te schakelen. Allereerst treden dan de werkingen van het onderbewustzijn op. Na een korte rustpauze kan ik dan een gedeeltelijke oplossing geven, die voortvloeit uit mijn eigen onderbewust weten. Ik kan echter ook verdergaan. Ik kan het probleem a.h.w. volledig van mij werpen. Het resultaat is dat bij een volledige concentratie op een ander punt in mij een oplossing ‑ een vaak volledig weten ‑ wordt geboren omtrent dit probleem. Het bestaat voor mij niet meer, omdat deze waarde juist door mijn vergetelheid werd overgebracht in het kosmisch wezen en van daaruit mij de impulsen bereikten, die althans voor mij op mijn plaats, in mijn tijd en toestand de oplossing volledig inhield.
Hetgeen gezegd werd omtrent de praktische verwerkelijkingsmogelijkheden, die de mens in de mystiek vindt, betekent niet dat dit het totaal der mogelijkheden is. Integendeel. Sommige der aangestipte mogelijkheden zijn ook anderszins bruikbaar; maar ze werden hier slechts behandeld alleen en geheel in overeenstemming met mystieke, minder redelijke maar daarom verder in het totaal der mensheid doordringende mogelijkheden.
Een poging om ook de mystiek, die zich in de wereld rond ons openbaart, te begrijpen, vraagt een ogenblik een teruggaan naar het beeld van de grote Adam, de mystieke mens. Want deze is en blijft voor alle leden van het menselijk ras en de menselijke ontwikkelingsgang het criterium, het brandpunt der Mystieke mogelijkheden. Wanneer voor een deel van het wezen een erkenning, een absorptie van feiten, een vereenzelviging met andere wezens of persoonlijkheden mogelijk wordt, impliceert dit dat dit voor het totaal van het wezen evenzeer een mogelijkheid is. Met andere woorden, men kan in mystiek slechts datgene realiseren, wat in de mystieke mens althans als mogelijkheid bestaat.
Het zij echter verre van mij u voor te houden dat onze mystieke werkelijkheid een volmaakte werkelijkheid is. Het is onvolledig. Want ons streven naar bewustwording houdt in een noodzaak tot streven naar bewustwording voor het geheel. En dit streven houdt in een onvolmaaktheid, waar nog geen kennen van het volmaakte aanwezig kan zijn. Als gevolg mag worden aangenomen dat vele stoffelijke en niet‑menselijke of schijnbaar niet‑menselijke waarden behoren binnen het mystieke geheel, dat voor ons beleefbaar is.
Ook mag worden gezegd dat onstoffelijke krachten, die niet materieel tot uiting komen in een menselijke vorm, toch deel kunnen uitmaken van deze mystieke mens. Want het zou dwaas zijn aan te nemen dat dit grote, alle mensheid omvattende wezen in zijn onvolmaaktheid afgesloten is van alle andere wezens en krachten, tenzij dan door zijn eigen levensfuncties.
Wij weten dat verscheidene chakra’s zich bevinden in het menselijk lichaam, elk met bijzondere mogelijkheden, elk met bijzondere krachten. Enkele zijn in de eerste plaats bestemd voor krachtabsorptie, andere daarentegen praktisch alleen voor krachtuitstraling. Sommige zijn in de eerste plaats bewustzijn-dragend en -bepalend, andere zijn eerder een kennen van toestanden, dat niet onmiddellijk op bewustzijn berust. Het eigenaardige is dat bij de mens elk chakrum kan worden toegeschreven aan bepaalde organische functies van het lichaam en gelijktijdig aan bepaalde geestelijke functies, die vanuit de geestelijke helft van het zijn voortkomen; terwijl bovendien elk chakrum kan worden toegeschreven aan een functie of mogelijkheid, overeenstemmend met een sfeer, volkomen identiek aan de geestelijke sferen, die door een stofmens na de dood b.v. beleefd worden of voor de geest de tijdelijke of blijvende werkelijkheid en wereld kunnen betekenen.
Wanneer elk chakrum een mogelijkheid tot uitstraling en krachtgebruik geeft, dan moet ook de mystieke Adam tot een gebruik van deze krachten komen. De mensheid als zodanig met al zijn tijden en zijn ruimte­lijke plaatsingen zal dus op bepaalde tijdstippen in bepaalde punten der ruimte a.h.w. een stimulans tot uitstraling en uitwisseling met niet­ menselijke waarden ondergaan. De uiting hiervan komt zuiver stoffelijk naar voren in verschijnselen van crisis, verschijnselen van plotselinge ontdekkingen, van zeer grote ellende of van al even onvoorstelbaar gro­te welvaart. Want hier worden krachten en waarden opgestapeld, die dan plotseling tot ontlading komen. Deze waarden dringen verder door dan in de mens en maken als zodanig een beleving mogelijk van waarden, die ook buiten de mystieke mens bestaan. Deze ervaring vindt plaats in dat deel van het mystieke lichaam, dat rijp is voor deze ervaring, dat deze kracht kan uitstralen en ontvangen.
Het resultaat is dat kleine delen van de mensheid soms bepalend zijn voor de bewustwording van de mystieke mens en zo voor een uitbreiding van een mystieke werkelijkheid voor anderen. De consequentie is dat, wanneer dit noodzakelijk is, soms gezondere en hogere krachten zullen worden geconcentreerd op die punten, waar een totale uitstraling of uitwisseling van krachten mogelijk wordt, zodat een verrijking van het geheel kan optreden,
Hierin ligt voor de mens een tweede mogelijkheid, een mogelijkheid, die slechts dan bestaat, wanneer er voldoende begrip aanwezig is. Er kunnen volkomen buitenmenselijke krachten actief optreden binnen het menselijk zijn. Ook u, als ieder ander mens of geest, kunt op een gegeven ogenblik gevangen worden in een dergelijke uitwisseling van kracht. U staat dan voor eigenaardige belevingen, die schijnbaar zin noch reden hebben en die, neemt u het mij niet kwalijk, haast een schizofreen verschijnsel lijken op het gebied van geestelijk weten en denken.
Deze splitsing kan leiden tot een ondergang van de cel, die haar ondergaat, mens of geest dus. Indien ze echter geaccepteerd wordt, be­tekent zij een cel‑mutatie, waardoor de genoemde cel een grotere beteke­nis krijgt voor het geheel en in vele gevallen een actieve bewustzijns­factor wordt, niet slechts voor een klein deel vergelijkend een enkele spier, maar voor het totale lichaam.
De mutatie van de cellen bestaat in een afbraak van hun huidige vorm en een herschepping elders in het lichaam, in een vorm aangepast aan de essence van hun wezen. Zo kan dus, wat eerst een gewoon mens is, materie‑gebonden, later als menselijk strevende en dus waarschijnlijk reïncarnerende geest ook in hogere sferen voortbestaan.
Maar het is ook mogelijk dat de geaardheid verandert. Een spiercel kan tot een bloedcel worden of misschien een zenuwcel. Deze verandering van functie betekent dan een totale uitwissing van het vorig bewustzijn met uitzondering van de zuiver persoonlijke factoren, die behouden blijven.
Hier ligt voor ons ook praktisch wederom een mogelijkheid. Wij worden beroerd door invloeden ‑ of we nu mens of geest zijn ‑ die voor ons moei­lijk, om niet te zeggen onbegrijpelijk, zijn. Ze liggen zo totaal buiten al hetgeen wij als menselijk beschouwen of kennen, dat wij ons genoopt voelen de mensheid daarom te verlaten. Dit nu betekent eigen ondergang bewerk­stelligen en eigen terugkeer in gelijke situatie bevorderen. Het is een afsluiten van contact met het geheel en daardoor een onmogelijkheid om geestelijk en mystiek verder te komen. De aanvaarding is de eerste nood­zaak. Want slechts in de aanvaarding blijft de mogelijkheid gegeven zichzelf volledig aan te passen aan de eigen plaatsing in het mystiek lichaam en een volledige vervulling van de eigen taak binnen dit geheel.
Voor eenieder die in de stof leeft, zou dus de logische conclusie zijn: Ik begin met een totale aanvaarding van al hetgeen ik niet begrijp en niet beheers. In deze aanvaarding tracht ik de door mij ontvangen kracht in overeenstemming te brengen met mijn weten, in overeenstemming te brengen met datgene, wat voor mij ‘goed’ heet. In vele gevallen betekent dit in feite binnen het kwade goed doen, dan wel het kwade ombuigen tot het goede. Brengt men dit tot stand, dan is hierdoor een zodanig rapport met hogere waarden binnen het mystieke wezen mens geschapen, dat wederom dezelfde beleving optreedt, die ik in het begin aanstipte. Een ontrukt zijn aan eigen persoonlijkheid, een vergroting, nu in de eerste plaats van kracht en in de tweede plaats, van weten. Het resultaat: perfecte harmonie.
De kern van alle mystiek, de grondslag van alle mystieke werkelijkheid is harmonie. Slechts indien wij ons weten in te passen in onze wereld, indien wij ‑ zowel wat gedachten en streven betreft als daadwerkelijk optreden in desnoods stoffelijke vorm ‑ geheel beantwoorden aan de eisen van het geheel, kunnen wij de schoonheid, de werkelijke schoonheid bereiken. Misschien dat juist hierom schoonheid van zo groot belang kan zijn voor het bereiken van mystieke beleving.
Die schoonheid zal niet voor eenieder gelijk zijn, want zo is een persoonlijkheidsuitdrukking: dus de uitdrukking van dat deel van het geheel, dat juist in u bestaat. Het is niet een harmonie met het totaal, maar een harmonie met dat deel, dat past voor u. Deze uit schoonheid gewonnen harmonie brengt een herschepping van het ‘ik’ teweeg. Een vaak moeizame vervorming, waardoor ook het ‘ik’ schoonheidswaarden uitdrukt en een volledig harmonisch aspect geeft.
Een visser b.v., die lang geleefd heeft te midden van het geweld der natuur en de wildheid der zeeën. krijgt in gelaat, in houding en ge­baar ‑ indien hij althans goed is als mens en als visser ‑ iets van de verweerde schoonheid van bergen. Iets van de ruimheid van wezen. De openheid en klaarheid van blik, van de wijde horizon, van de oceaan. Het is alsof het wezen zich heeft aangepast aan de bestaansnorm en een schoonheid heeft gewonnen, die elders misschien afzichtelijk zou zijn maar hier, door zijn volledige overeenstemming met het wezen, een openbaring betekent. Vele dergelijke voorbeelden kunt u hier zelf bijstellen.
Deze schoonheid, die bereikt wordt geestelijk en stoffelijk, is gelijktijdig ook een versterking van het vermogen om kracht te ontvangen. Verder a.h.w. een zuivering van het wezen, waardoor wijsheid en begrip in veel sterkere en grotere mate kunnen optreden binnen het ego.
Wijsheid en schoonheid zijn in mystieke zin onverbrekelijk met elkaar verknoopt. Ja, wat meer is, het gelijktijdig optreden van deze beide brengt te allen tijde de kracht van het totaal der mensheid daar tot uiting, waar de harmonie van weten en vorm bestaat. Zoals de chemicaliën b.v. een oervorm vaak vinden in een kristal met vaste lijn, vaste opbouw, zo zijn ook alle delen van de mystieke werkelijkheid wezens, die, onwillekeurig reverteren zullen tot een grondvorm, een oervorm. Deze oervorm is perfect symmetrisch, draagt in zich de juiste spanningsmogelijkheid en verhouding, en is de volledige weergave van het geheel in de volledige vorm.
Als zodanig kan er geen verschil bestaan tussen mens en mens, tussen mens en geest, tussen mens en datgene, wat nog mens moet worden. Er is een volkomen gelijkheid van grondvorm. In de praktische mystiek dient men zich dit steeds te realiseren. Men mag niet verschillen maken, waar deze in het oertype, in de grondvorm niet bestaan.
De consequentie is duidelijk: Een mysticus vindt zijn eenheid niet met een bepaald deel der mensheid maar met alle mensen, en zal dus deze eenheid uitdrukken volgens zijn plaats en vermogen t.o.v. anderen. Hoe groter de bereiking, hoe groter het vermogen eenheid te bereiken met het Al.
Het begin echter van een mystieke ontwikkeling moet gebaseerd zijn op een gedachte van eenwording, van broederschap, van saamhorigheid. Het is onmogelijk zonder dit verder te gaan en verder te komen. Juist omdat het zo moeilijk is tot een mystieke uiting binnen het ‘ik’ en een wetende en begrepen mystieke uiting te komen, is het noodzakelijk dat – indien men de mystiek wil beschouwen als een deel van eigen weg en leven ‑ men begint met de praktijk. Een praktische uitdrukking van eenheid, die op sommige punten een verliezen van het ‘Ik’ in het geheel teweegbrengende, zo de verlichting en beleving tot stand brengt.
Hiermee wordt het tijd dat ik mijn lezing van deze avond besluit. Ik kan dit echter niet doen zonder reeds voor een kort ogenblik het onderwerp van de volgende bijeenkomst van uw groep aan te stippen. Er zal dan n.l. worden gesproken ‑ niet door mij ‑ over de tegenstelling tussen mysticus en geheimschool. De argumenten, die dan worden gebracht, behoef ik thans niet aan te stippen. Wel echter het kritieke punt.
Mysticus kan men slechts zijn, als men een volledige vrijheid behoudt. Want slechts in deze volledige vrijheid kan juist door uw persoonlijkheid haar deel binnen de grootste persoonlijkheid, het oertype, de grote Adam, gerealiseerd worden. Zolang men in groeperingen blijft gaan, zolang men zich bindt aan een te sterk door anderen op algemene wetten ‑ door mensen of geesten gesteld ‑ geleide ontwikkeling, zal men niet kunnen komen tot de perfecte vorming van het ‘ik’.
De praktische mystiek eist een persoonlijke ontwikkeling, met gebruikmaking van alle kennis, alle weten, alle leringen omtrent lichamelijke en geestelijke beheersing, voor zover zij als werktuig bruikbaar zijn om in het ‘ik’ zelf een perfecte harmonie te wekken met het totaal van het menselijk zijn.

NOOT
De uitdrukking ‘de mystieke mens’ moet als volgt worden verstaan: De mensheid is één bepaalde gedachte in het totaal der schepping. Alle mensen, alle menselijk bestaan, alle menselijke mogelijkheid en alle menselijk weten kunnen dus binnen deze ene gedachte a.h.w. bevat worden. Sprekend over de mystieke mens wordt dan daarmee aangeduid: het totaal van al de menselijke daden van het begin tot het einde der tijden, het totaal van alle menselijke gedachten en bewustwordingen, het totaal van alle menselijk bestaan en alle menselijke mogelijkheid ‑ echter ongeacht het thans bestaande oordeel omtrent goed of kwaad ‑ samengebracht in een harmonisch deel, dat beantwoordt aan het woord in het begin van Genesis: En ziet, God maakte de mens naar Zijn beeld en gelijkenis.