Mystieke yoga

18 mei 1958

“Wanneer hij al ontkent en al tot niet geworden is, zo is er Atman, die in hem leeft en in het leven in Atman is het kennen van alle dingen geborgen.”

Het is natuurlijk maar een spreuk en – zoals de meeste van deze mystieke spreuken – enigszins raadselachtig. Maar laat ons proberen er achter te komen wat men daarmede heeft bedoeld, proberen om door deze dringen in hetgeen er ligt achter zo’n sluier van woorden. Dan valt ons in de eerste plaats op, dat het ontkennen van het “ik” hier weer als een noodzakelijkheid wordt gesteld. Eerst wanneer je jezelf niet meer kent, kun je tot Atman komen, tot de wereldadem. Maar in de wereldadem ken je alle dingen. Een buitengewoon mooie stelling, alleen moeilijk in de praktijk te brengen. De wereldadem echter is in ons en nu is de vraag of het noodzakelijk is, zoals deze mystici stellen, om jezelf geheel te vergeten in die wereldadem. Ik meen, dat, wanneer wij zoeken naar de inhoud van het leven, wij ook zonder dit geheel zelfvergeten zijn, toch iets van die oneindigheid kunnen begrijpen en zelfs op een vlak dat de rede nog toelaat deel te hebben aan het geheel.

Want stel nu eens, dat wij een ogenblik afstand kunnen doen alleen maar van ons persoonlijk oordeel. Een persoonlijk oordeel is altijd een moeilijke kwestie, omdat wijzelf dan gaan bepalen hoe het Al is van uit ons standpunt. En ja, U moet het mij niet kwalijk nemen, maar wanneer je in een park bent en je staat in een laan tussen hoge bomen, dan kun je niet het verloop van alle paden overzien. Dan kun je je wel gaan oriënteren, maar die oriëntatie is toch heel wat anders dan een overzicht, dat je bv. van af een uitzichtstoren verwerft. Zo gaat het ons ook, wanneer wijzelf oordelen. Willen wij een overzicht hebben over het geheel, deel hebben aan het geheel, dan mogen wij zeker niet proberen van uit een eigen stoffelijk standpunt een redelijke vaststelling te doen. Dat gaat niet. Maar wat kunnen wij wel doen?

Wij kunnen ons bv. voorstellen alle leed en alle vreugde in de wereld. Wanneer je je voorstelt hoeveel vreugde er in de wereld is, dan verbaast je dat eigenlijk, omdat je niet in staat bent te overzien waar die vreugde gelegen is. En toch, ik zou haast geneigd zijn hier een chinees filosoof te citeren. Dan kan men zeggen; “Hoeveel moeders kennen niet de verrukking van het kind, dat pas hun eigen geworden is.” Hoeveel mensen hebben elkaar gevonden en hoevelen zien de schoonheid der blauwe luchten, zoeken de vormen, geborgen in wolken, of kennen de volheid van een oogst, die tot rijpheid komt. De hele wereld is vol met vreugde, maar daar tegenover staat ook weer de smart. Want hoevelen nemen geen afscheid van het leven, aarzelend, omdat zij menen nog een taak te vervullen te hebben. Hoevelen treuren er niet, omdat zij verloren hebben wat hun een steun was in het leven. Hoevelen gaan niet gebogen onder smart, omdat hun lichaam gekwetst is en verwrongen in de ban van de demonen der ziekte. Hoevelen wenen niet, omdat hun verwachtingen teleurgesteld zijn. Wanneer je die punten tegenover elkaar zet, dan blijkt plotseling, dat er een eigenaardig evenwicht ontstaat. Hier de geboorte met de vreugden daaruit voortkomende, daar de dood met de smart erop volgende. Hier de volheid van beleven, ginds de ziekte. Hier de mismoedigheid van ondergang, van verlies, elders de vreugde van net elkaar vinden.

Deze dingen zijn in balans. Er is absoluut een grote eenheid tussen lijden en vreugde in de wereld. En wanneer wij dat in het geheel overzien, dan zal uit die evenwichtigheid iets anders ontstaan. Een zekere verwondering. Verwondering, dat het leven, dat voor ons zo’n bepaalde vorm heeft, in feite zo vaag is, zo onbegrensd en toch zo evenwichtig. Het is dit punt, dat voor ons het belangrijkste is vanmorgen; de blijde verwondering. Want wij kunnen niet bevatten het waarom en het hoe, maar wel kunnen wij zien, wat bestaat. Zoals een westers filosoof neerschreef; “Zij, die spreken over de raadselen der wereld, denken niet. En zij, die spreken over de eenvoud van het leven, zien niet.” Altijd weer wanneer je geconfronteerd wordt met het leven en de waarden daarin geborgen, voel je je verwonderd, alsof er een groot raadsel ligt, dat je niet geheel kunt onthullen, alsof je staat voor een nieuw landschap; alsof al wat bestaat plotseling een nieuwe gestalte, een nieuw aangezicht krijgt.

In deze verwondering ligt voor ons een benadering van het kosmische. Want op het ogenblik, dat wij menen te weten dat wij redelijk te werk gaan, moeten wij alle dingen beperken tot onszelf. Alleen wijzelf hebben immers het middel en de maatstaf, waarmee de rede meten kan. En wijzelf zijn klein, zo zal al hetgeen wij kunnen omvamen klein zijn, Maar op het ogenblik dat de verwondering komt, die het redelijk denken achterwege laat, maar constateert en vaststelt, is de wereld onmetelijk groot, is ze vol van grote geheimen en van stille vreugden. Toch hebben wij aan al deze dingen deel. Want zelfs wanneer de rede plaats moet maken voor het verwonderd aanvaarden, zo zijn wij deel van de kosmos. En wij kunnen er niet aan ontkomen dat al wat in die kosmos is, ook voor ons betekenis gewint.

Wanneer ergens ver, heel ver hier vandaan een mens sterft, kan dit invloed hebben op U, misschien een kleine. Het betekent misschien een kop koffie, die U minder krijgt of een plotselinge vreugde of zelfs alleen een kritische flits van denken, wanneer U het in de krant leest. Maar die invloed is er. En die invloed bestaat niet alleen tussen de groten der wereld, die U kent en Uzelf, maar zelfs tussen al die ongekenden, die onnoembaren, die toch ergens ver weg in de wildernis wonen en die nog nooit de beschaafde wereld hebben gezien. Allen hebben zij invloed op U en gij hebt invloed op allen, Er is een band tussen U en alle mensen. En Uw leven wordt bepaald door alle mensen en niet slechts door Uzelf, ook al denkt U dat.

Omgekeerd kunnen wij ook zeggen, dat Uw eigen geestelijk bestaan met al zijn streven, zijn worstelingen, zijn ogenblikken van opflakkeren en zoeken naar waarheid, zijn ogenblikken van terugval, waarbij geprobeerd wordt de eigen wereld weer te omschrijven, een invloed moet hebben op het totale bestel van alle geestelijke wereld. Dat we een geest hebben, kunnen wij moeilijk bewijzen. Ook dat is een van die punten van verwondering. Van de stille verwondering dat jij – klein en beperkt als je bent, onbelangrijk als eigenlijk je leven is – toch een rol speelt in een oneindigheid, in iets zonder grenzen. Dat je belangrijk bent, niet alleen als een klein verschijnsel in een grootse schepping, maar dat je deel bent van de Schepper. Maar goed, dat moet je dan accepteren. Vraag je dan eens af; Wat gebeurt er, wanneer mijn geest bewust wordt? Op het ogenblik dat Uw geest één flits van lichtend begrijpen heeft ontvangen, is ze veranderd, geeft ze niet alleen aan de stoffelijke wereld, maar vooral juist aan de geestelijke werelden een nieuwe impuls. Deze impuls verandert anderen; een nieuw bewustzijn ontwaakt, een nieuw verwerpen misschien in anderen. De verhoudingen worden gewijzigd en het lot van vele geesten is een andere geworden. Een mens, die in een ogenblik van diep geloof kan bidden zonder aarzeling, zonder vragen, bevrijdt misschien duizend geesten uit de duisternis, waarin ze verkeerden, omdat deze ene invloed voldoende is om hun een ogenblik een andere visie op het bestaan te geven en daarmee een mogelijkheid tot bevrijding. Een mens, die in zelfzucht probeert iets voor zichzelf te behouden, zal een impuls geven, die de nadruk legt op bezit en op beperking. En misschien zal een geest, die bijna het licht was binnengetreden door deze gedachte belaagd zich daaraan overgeven en terugvallen in het duister.

Er is geen scheiding. En omdat er geen scheiding bestaat tussen de wereld en ons eigen “ik”, mogen wij ook wel stellen, dat de verantwoording, die wij dragen tegenover de wereld een veel grotere is dan wij meestal beseffen. Een Perzisch filosoof schreef ongeveer 2000 jaar v. Chr.; “De mens bindt zich aan zijn wetten en met zijn wetten bindt hij de goden. “Als de goden gebonden zijn, worden de demonen losgelaten op de wereld.” Je moet de zin hiervan kunnen begrijpen. Het gaat hier om het feit, dat de mens eenvoudig door voor zichzelf regels te stellen, die niet beantwoorden aan het principe der oneindigheid, of zo U wilt aan de kosmische liefde, alleen reeds door het stellen van deze wetten de krachten des goeds, die voor hem kenbaar zouden kunnen worden, eenvoudig belet op te treden.

Maar de krachten des kwaads kun je niet binden. Zoals de Chinezen zeggen? “Er bestaat een wet, die gegeven is door de Oneindige. Deze wet is gegeven in de mensen. De wetten, die buiten de mensen zijn gegeven, zijn het werk der duivelen.” En daar zit iets in. Want er is een wet, waaraan wij innerlijk moeten gehoorzamen, die deel is van ons wezen. Door tegen die wet te handelen, veroorzaken wij voor onszelf strijd en ongeluk, waar ze niet noodzakelijk zijn. Maar indien wij de wetten buiten ons stellen boven deze innerlijke wet, dan krijg je het demonische, het gebonden zijn van het “ik”, dan wordt er in dat “ik” iets misvormd en deze misvorming wordt uitgedrukt in het hele bestaan, stoffelijk en geestelijk. Begint U te begrijpen, waarom het zo belangrijk is, zo heel erg belangrijk, dat wij ons boven de rede kunnen verheffen? Want de rede zal U zeggen; Het is noodzakelijk, dat er een gemeenschappelijke wet buiten ons is. Zelfs wanneer die niet helemaal strookt met mijn eigen inzichten, is het toch beter, dat er een regel voor de gemeenschap bestaat, dan dat er geen regel is. Maar hoeveel mensen worden er juist door die regels misvormd? Kijkt U eens naar Uw maatschappij. Ziet U eens hoe de wetten, die dan toch voor de orde en de staat verantwoordelijk zijn, in de meeste gevallen ook leiden tot het ontstaan van misdaad, het ontstaan van immoraliteit, enz. enz. Dat is een feit; daaraan kunnen wij niet ontkomen. Het is a.h.w. het bewijs voor hetgeen ik U zeg. Want de mens, die vertrouwt op wetten, die buiten hem bestaan, zal zijn innerlijke wet niet gehoorzamen. En de wet, die in hem is, is machtiger dan alle andere dingen. Machtiger dan alles buiten de Eeuwige Zelf.

En elke mens heeft in zich iets goeds, zoals dat heet. Er is niemand, die absoluut kwaad is, slecht is. Zelfs in de meest verdorvene blijft er een hoekje van weemoed over. Een hoekje, waar nog een vage herinnering ligt aan die wet van goddelijke liefde, van eenheid met al het zijnde.

Nu kunnen wij natuurlijk wel zeggen, dat al deze dingen eigenlijk voor latere tijd bestemd zijn. Maar daarmee komen wij er niet. Want elke keer, dat wij de wet, die in ons leeft, verloochenen ommentwille van uiterlijke condities en omstandigheden, elk ogenblik wanneer wij een andere wet stellen boven dit innerlijk gevoelde, ……… verderven wij niet alleen een stuk van onszelf, maar vergroten wij de onevenwichtigheid door een impuls van kwaad, van gebondenheid uit te sturen, die de geestelijke zowel als de stoffelijke werelden bereikt; die gaat van het diepste duister tot het hoogste licht. En wee degene, die – niet bevestigd in de eeuwige wet – een ogenblik Uw gedachten als bepalender ziet dan de eeuwige waarheid.

Wat is dan die eeuwige wet, waarover zoveel wordt gesproken en die zo schuil schijnt te gaan achter allerhande begrippen en woorden van weinig belang? Natuurlijk, wij spreken over de wet van kosmische liefde, enz. Maar zij moet een inhoud hebben. Die inhoud geheel te geven is moeilijk. Want boven alle redelijke omschrijving staat een aanvoelen, een innerlijk ervaren, dat belangrijker is dan vele dingen. Ik zal proberen een deel van die wet althans voor U te formuleren.

Er is een eenheid tussen U en alle anderen. Het is niet; Heb Uw naasten lief gelijk Uzelf, maar; “Handhaaf Uzelf in alle dingen. Wees jezelf in elke verbinding met de Oneindigheid, zowel als met de tijd.” Dat is de eerste wet. Slechts degene, die zichzelf niet onderwerpt aan angstdromen of waanvoorstellingen, die zichzelf niet laat kwellen door regels en wetten tegen zijn wezen en natuur in, die kan zichzelf zijn. En slechts zoals je bent, zoals je jezelf bent, ben je deel van de schepping. Al het andere is Maya, is begoocheling.

Dan in de tweede plaats; Het “ik” is verbonden met alle dingen. De binding met alle dingen te ervaren en uit te drukken is een van de belangrijkste taken van elk levend wezen. Dit moet U ook weer goed begrijpen. Die binding bestaat in feite in een begrijpen. Wanneer er iemand komt – hier op dit ogenblik – en hij zou U willen doden, dan heeft U recht Uzelf te handhaven, want ge moet Uzelf zijn. Maar tevens zult ge moeten begrijpen of trachten te begrijpen waarom. Ge zult moeten doordringen in de beweegredenen, opdat ge begrijpt wat er in U bestaat om deze uiterlijke aanval mogelijk te maken. Begrip is een noodzaak.

En dan is er een derde punt; De levende God is de enige wet. Daar heb ik al meer op gehamerd vandaag en misschien dat sommigen zich afvragen; Waarom. De levende God, mijne vrienden, is uitgedrukt in alle leven. Er zijn regels voor elke wereld; er zijn wetten voor elk wezen, maar ze zijn niet voor allen gelijk. Men kan niet een moment uit de tijd vastleggen in een wet, in een regel en deze handhaven tot het einde der tijden toe zonder gelijktijdig de verstarring te veroorzaken, waarin het bewustzijn van wereld en zijn sterft. De levende God is de wet. Levend. Dat wil zeggen in elke fase “Zichzelf,” ongeacht de verhoudingen, maar tevens één met die verhoudingen en aangepast aan die toestanden en condities. Wanneer een mens voor zichzelf gewoonten gaat vormen, wanneer hij gaat zeggen, dat het zo is en niet anders en hij weigert om nog wat anders te bezien, dan heeft hij zich afgescheiden van de levende God, van de levende wet. Die levende wet bestaat uit de voortdurende repetitie van omstandigheden, het voortdurend creëren van nieuwe ervaringen en het voortdurend je aanpassen volgens dat grote begrip van de levende God. En de levende God is de kracht, die in alles ademt, in alles bestaat. Het is de kracht, die alles in stand tracht te houden en alles in harmonie tracht te brengen. Wat zeg ik; tracht? Voor deze God is het waar, voor ons nog niet.

Harmonie met alle dingen, dat is het belangrijkste. Hoe wij deze harmonie gewinnen doet er minder toe. Het gaat er niet om, dat wij nu plotseling worden tot engelen, die met stralende gezichten over de wereld gaan of door de sferen fladderen, wit gevlerkt, als een droombeeld van een of andere dichter. Het gaat erom, dat wij in de wereld, waarin wij bestaan, ware, intense wezens zijn. Dat wij onszelf kunnen zijn…. Onszelf, zoals God ons heeft geschapen. Niet zoals de wereld ons verlangt, niet zoals wijzelf zouden willen zijn, maar zoals God ons heeft geschapen. Dat betekent, dat het kleine beetje goed, dat in elk onzer zit, dan een overweldigend belang krijgt. Want dat is onze reactie op Gods het aanvoelen van God. Dat is het onredelijke, teruggebracht tot een redelijk hanteerbaar instrument: de drang in het “ik”.

Begrijpt ge nu, waarom het moeilijk is dit alles met redelijke argumenten af te doen? En toch is er in Uzelf iets, wat U doet dromen, wat U doet verlangen, Ergens in U schuilt iets van dit goddelijk weten, omkleed misschien als een gevoelen of een wensdroom. Maar ge weet; daar ligt iets goeds. Dan is het Uw taak om dit te verwerkelijken, want dat is Uw wet. Ge weet soms, dat er in U een behoefte is om de gehele wereld te bereiken, die wereld te helpen en te steunen, die wereld vrede te geven en rust. Wanneer dat in U leeft, is dat deel van Uw wet. En ge zult het uitvoeren zoals ge het kunt. Niet trachten een hele wereld te omgaan, een hele wereld misschien te verwerpen ommentwille van die vrede, die nog elders zou moeten zijn. Ge moet trachten om die vrede te bewerkstelligen,om die rust te geven, die kracht of die genegenheid. En die kunt ge geven door eenvoudig te beginnen daar, waar U de gelegenheid gegeven is in Uw eigen bestaan. Een daad gesteld in dit leven, mijne vrienden, weergalmt tot de einden der oneindigheid. Dat wil zeggen tot die punten, waar menselijk begrip ophoudt en slechts nog de goddelijke Kracht voortbestaat. Elke daad, die U stelt, beïnvloedt niet slechts een enkeling, maar weerkaatst door een hele wereld, door hele reeksen van sferen zelfs. In U woont de levende God en Zijn uiting is Uw zoeken naar een harmonie en naar een evenwicht. Het bewerkstelligen daarvan, hoe schijnbaar onbelangrijk ook, betekent: deze kracht uitdrukken in het totaal van alle wereld; voor Uzelf een bewustwording, maar voor velen in de wereld de hulp om ook hun God en hun wet te benaderen en zo het geheel te brengen tot hoger bewustzijn en hoger licht.

o-o-o-o-o

Wanneer ik commentaar zou moeten geven op al hetgeen er zo even gesproken is, zou ik lang moeten praten; veel langer dan het mij mogelijk is. Sta mij daarom toe, dat ik op mijn wijze iets belicht van de wetten en de waarheden, die er in het leven bestaan. Heeft U wel eens een spinnenweb gezien in de morgen, wanneer het gemaakt is tot een reeks van parelsnoeren door de dauw; het zien blinken tegen het licht? Zo doet ons vaak het web aan van begeerte. Want ook wij spannen draden in onze wereld als ijverige spinnen en trachten steeds de tegenstellingen te overbruggen, zo voor onszelf makend een groot terrein, waarop wij meester zullen zijn, waaruit elke prooi ons toevalt. Maar wanneer wij dit zien, dan zien wij dit zilverige, dit sieraadachtige van ons web eerder dan de werkelijke betekenis.

Er was eens een man, o, het is al lang geleden die een greep deed naar de macht. En nadat hij lange tijd had gevochten in de bergen en vele krijgers had doen sneuvelen, werd hij ten slotte vorst van een klein rijk. Maar dat was hem niet genoeg, “Want,” zo zegde hij, “de wereld ligt voor mij open.” En zo nam hij zijn leger en marcheerde naar naburige staten. Zijn rijk werd groter en nog was hij niet tevreden. Zo nam hij de legers van deze andere rijken en trok voort tot een groot gedeelte van de wereld hem behoorde en een ieder terecht zegde, dat in zijn rijk de zon nooit onderging. En toen hij eindelijk alles volbracht had, zag hij neer op de lijnen van kracht, die hij had gespannen over de wereld. Met trots beschouwde hij zijn koeriers, die gingen door de woeste steppen en over de onbegaanbare bergen tot aan de einden der wereld, alleen op zijn woord. En toen besloot hij neer te zitten en van zijn macht en grootheid te genieten, Maar o, ontsteltenis, daar kwamen de koeriers en ze dwongen hem op te staan en besluiten te nemen, wanneer hij wilde sluimeren. O, verschrikking, wanneer hij meende zichzelf te kunnen zijn, kwamen zijn dienaren, zij kleedden hem in kostbare gewaden en zetten een zware kroon op zijn hoofd, want het volk wilde zijn meester spreken. En toen hij meende te mogen huwen, waren er vele stemmen, die zeiden; “Dit past niet voor U en dat is minderwaardig.” En zo huwde hij tot zijn ongeluk met een, die hij niet begeerde en die een last was voor al zijn dagen. En toen pas besefte hij in zijn volle grootheid, hoeveel geluk hij had verworpen door macht te begeren.

In dit sprookje, dit verhaaltje, ligt iets van de werkelijkheid, die voor ons allemaal bestaat. Natuurlijk, wij eisen een steeds groter deel op van de verantwoordelijkheid en van de macht. Wij willen het gezag dragen en wij willen invloed hebben. Maar realiseren wij ons wel, dat bij al, wat wij hiervan verwezenlijken, ook een nieuwe last op ons gaat drukken? Begrijpen wij wel, hoezeer niet alleen onze daden, maar ook onze gedachten zelfs geregeerd worden door hetgeen wij bereikt hebben in de wereld? Och, het is zo prettig te leven en te bereiken. Natuurlijk. Maar heel vaak is dat, wat wij niet bereiken, een veel groter zegen dan datgene, wat het leven ons met volle hand schijnt te geven. Want weet U, wij zijn allemaal mensen, en wij zoeken natuurlijk allemaal onze eigen weg. Maar de lasten, die wij op ons nemen zijn zwaar. Heel vaak te zwaar. En dan betalen wij een kostbare tol. Niet alleen stoffelijk, of schoon je zeker kunt zijn, dat wanneer je een te zware last draagt – zelfs al is die maar geestelijk – langzaam je gezondheid achteruit zal gaan,, dat je zorgen zult krijgen en dat je niet meer in staat zult zijn om zo vriendelijk te zijn tegenover je omgeving, als noodzakelijk is,

Maar ook geestelijk. Want door de last, die je draagt, word je belet omhoog te zien. Omhoog naar de sferen en naar de hemelen. De hemelen en de sferen, die toch zo belangrijk zijn, omdat zij ons feitelijke thuis, ons eigen vaderland zijn. Want God is onze Vader en juist in de sferen openbaart Hij Zich ten volle. We worden gewoon bannelingen door hetgeen we voor onszelf begeren. Hoe schoon zou het niet zijn om al datgene, wat we te veel op ons hebben genomen, een ogenblik naast ons neer te leggen en op te zien naar hoger wereld. Te dromen van de parelmoeren schelp van de hemel, waarin een parel van wijsheid ligt geborgen. Te dromen van edelsteen glanzen, waarin alle vorm verloren gaat, tot het licht vonkend terugspringt in duizend kleuren en je wezen beroert en verandert. Hoe goed zou het niet zijn om een ogenblik zelfs de kleur te verliezen en je te baden in een wit licht, tot er geen twijfel meer in je bestaat en geen besef van onvolkomenheid of schuld. En dat alles is mogelijk. Het is mogelijk, wanneer wij niet zoeken te heersen en wanneer wij trachten te dienen, ernstig en oprecht. Want weet ge, er bestaat een legende, die al begint ver, heel ver voor Adam en Eva van de Bijbel.

Toen God de wereld had geschapen en zag, dat het goed was, maakte Hij de mens. En ziet, Hij vormde Zich een mens naar Zijn beeld en gelijkenis, blies hem Zijne adem in en zegde tot hem:. “Wees gelukkig, want alle rijkdommen der scheppingen heb ik U bestemd.” En wanneer het dag was, doolde de mens vreugdig door het paradijs zonder plichten en taken, absorberende al wat leven heette. Wanneer de nacht kwam en de zwoele wind hem dekte als een warme deken tegen de kou van de nacht, dan ging zijn geest uit tussen de sterren en wandelde in de tovertuinen, waarvan mensen niet kunnen dromen. En ziet, de Heer, alle dingen kennende, gaf hem een gezellin, en zegde; “Ziet Uw speelgenoot. Verheugt U tezamen in het leven.” Maar dat was de mens niet genoeg. Want als hij sluimerde en zijn gezellin sluimerde naast hem, ach, dan verlangde hij met haar door de tuinen te gaan, niet begrijpende, dat alle dingen geschapen zijn op hunne plaats met hun eigen wezen. En zo wekte hij in Lilith het besef van de tovertuinen en daarmede de begeerte naar macht, de begeerte naar bereiking. Het was de eerste mens zelve, die dit deed. Doch toen zij tot hem klaagde en zegde; “Ik wil meester zijn, zoals gij en van paradijzen dromen,” toen verwierp hij haar. En de Schepper – horende zijn geroep – schiep uit zijnen rib Eva. Maar de weduwe ging heen en in haar nageslacht leefde de wraak, zodat de mens nooit meer kon bereiken de tuinen, die eens zijn eigendom waren, de wondertuinen der sterren. Zodat de mens, gekweld door de onvolkomenheid, die hijzelf geschapen had, werd uitgedreven uit het paradijs en moest gaan over de barre aarde om zijn brood te verdienen in het zweet zijns aanschijns.

Het is natuurlijk een legende en ongetwijfeld stemt ze niet overeen met al wat wij weten van Darwin of zelfs uit de aarde zelve, die in haar lagen de gestalten en skeletten van een verleden bergt. En toch is deze legende waar. Want, mijne vrienden, ook ons – zelfs wanneer wij op aarde leven – worden de tovertuinen der sterren gegeven. Onze geest kan opgaan en dwalen in rijken vol van licht en glans, kan zich verkwikken en versterken aan een bron van eeuwig leven. Onze geest kan dwalen over alle wereld heen en juichend voor zichzelf steeds weer zijn Schepper vinden in alle leven. Maar….zijn wij tevreden met wat ons gegeven is? Wij willen de tuinen der sterren doen herleven op de wereld. Wij willen spreken met anderen over het heiligdom, dat in ons leeft. En zo verliezen wij het.

Want Lilith was geschapen als dochter der aarde, niet als kind der sterren. En zo was de aarde haar rijk en was het stoffelijk weten en kennen, de stoffelijke prestatie, het kenmerk van haar eigen leven. Voor Lilith kunnen wij misschien zeggen; menselijk lichaam, bron van stoffelijk weten en begeren, aardgebonden, deel van de wereld. En laat ons dan Adam zeggen tegen deze goddelijke levensadem, die in ons leeft; tegen dit lichtende, dat uit de oneindigheid is gekomen om ook een stoffelijk lichaam te bezielen, een geest te doen leven in de beperkingen van een stoffelijke wereld.

Tracht niet Uw lichaam te dwingen om te wandelen in de tuinen der sterren, die de geest kent. Maar tracht omgekeerd niet als geest slechts te zien de gebondenheid der aarde. Eerst wanneer het licht der sterren is samengesmolten met het weten van de wereld, wanneer Adam en Lilith, vereend, samen zijn de weerspiegeling van de Schepper in stof en geest, dan kan de banvloek vallen, dan herleeft het paradijs, Ja, wat meer is, dan sluiert de aarde zich niet meer met haar beperkingen, maar is zijzelf geworden de tuin der sterren, waarin het wonder der schepping is geopenbaard.

Wanneer ge soms de strijd ziet tussen geest en lichaam, vrienden, zoals die in de mens leeft, dan doet het mij denken aan hetzelfde, dat er in deze legende gebeurde. Ik zie een mens worstelen om iets te verheffen tot een peil, waarop het niet leven kan; en dan de stof van zich afwijzen als een beperking en een beënging van het bestaan zonder te begrijpen, dat ze ook voor hem een noodzaak is. Dan gaat de stof als een wenende weduwe over de aarde en zij wreekt zich op al wat geest en licht is. Kunnen wij dat verantwoorden? Neen.

Ik geloof, dat wij het anders moeten stellen. Onze taak, vrienden, is om de schijnbare tegenstrijdigheden van de materie en van de geest te verenen. Om in perfecte eenheid de stof en het licht, waaruit de stof eens is voortgekomen, te huwen. Dan zal in de volmaaktheid van stoffelijk kennen en weten, van wijsheid en impuls der geest, geboren worden het volmaakte van een werelds De schepping, die jubelend leeft en is de waardige tempel, waarin de Schepper Zichzelf ziet en openbaart, wetende, dat Zijn schepping voltooid is tot in het bewustzijn van Zijn schepselen.

En nu heb ik het U misschien wel erg lastig gemaakt. Ik heb gesproken over dingen, die ge misschien niet altijd weer helemaal zo accepteren kunt. En ik heb ze bovendien nog verteld in een sprookjesvorm, een legendarische vorm, die het verhaaltje vaak belangrijker schijnt te doen zijn dan de inhoud. Maar wat ik heb gezegd, vrienden, betreft U allen. Hoe vaak is er in U geen strijd tussen geest en stof? Hoe vaak, zeg me dat eerlijk, zijt ge niet teleurgesteld, omdat Uw geestelijk streven in de stof niet beloond wordt? Hoe vaak meent ge niet, dat Uw stoffelijk werken U recht geeft op meer geestelijk beleven? Indien dit zo is, doet ge hetzelfde, wat in de legende de eerste mens deed. Dan doet ge iets, wat niet past, omdat ge tracht twee werelden samen te voegen, waarbij elk de waarde van de ander moet kennen. En dat is onmogelijk. Streef in de stof voor de stof, in de geest voor de geest. Maar laat, wanneer geest en stof tezamen zich bewust zijn, hen elkaar dienen. Opdat het weten en de beheersing van de stof de rust van de geest dient. Opdat het bewustzijn van de geest met de wijsheid, verworven in het lichtende dat de stof niet verwerken kan toch een intensiteit van levenskracht worden voor de stof. Dan zullen die tegenstrijdigheden bij U wel wegvallen en dan zult ge misschien iets leren omtrent de eeuwigheid, die ook vandaag in U bestaat.

0-0-0-0-0-0-0-0

VERANTWOORDING

Ik ben verantwoording schuldig aan mijzelf voor het bestaan. Want indien ik doe, wat strijdt met het “ik”, kan ‘k niet door ’t leven gaan en streven. Gedompeld in berouw sterft in mij het leven en het bewustzijn af.

Ben ik verantwoordelijk voor mijn medemens en al wat hij bereikt? Of…ben ik slechts mijzelf en niet meer? Blijkt misschien, dat ik door juist mijzelf te zijn een ander dien en help bereiken?

Een met het Al zijn wij geboren. Geen grens was er tussen God en mens, noch tussen mens en mens of mens en dier. Eén was het Al. Een met het Al zijn wij in ’t leven. Wij kunnen niet eigen wegen gaan zonder gelijktijdig te doen vallen ’t leven, dat elders moest voortbestaan, indien wij één waren geweest daarmee,

Onze verantwoording is, dat wij in het leven zoeken te vinden de kracht, waarmee in het leven – volgens goddelijk weten – het best van het streven steeds wordt volbracht en gemaakt tot een werkelijkheid. De verantwoording, die wij dragen, is niet voor de ander, die verantwoording ontwaart of eigen leven gaat zonder te vragen; hoe of waarom. Maar verantwoording zijn wij schuldig aan hen, die zoeken naar licht, naar beter bestaan.

Verantwoordelijk zijn wij tegenover de Eenheid, waaruit wij zijn ontstaan en voortgegaan in het leven. Die Eenheid in onszelf te kennen zien wij als eerste streven. Want deze verantwoordelijkheid dragen wij ten opzichte van God en onszelf.

In alle leven te geven aan anderen; inhoud aan ’t bestaan en te leren vrede te kennen, geluk en vreugde; aan een waan te ontkomen van nutteloze strijd, dat is tegenover mensen onze verantwoordelijkheid,

Het licht in onszelf te doen vallen in duister, opdat wat verborgen was, in luister herleeft, opdat de geest in waan begraven, bewust van ’t licht verder weer streeft in alle sferen, dat is tegenover de geest onze verantwoordelijkheid. Niet te falen, wanneer wij kunnen slagen. Niet te kiezen een doel, dat zin heeft slechts voor ’t “ik”. Steeds voor onszelf te kunnen zeggen; “Het beste, dat ik kon, heb ik gedaan. Ik heb mijn levenskracht gegeven en al mijn weten aan ’t bestaan van ’t “ik”, dat is tegenover het “ik” wel de verantwoordelijkheid.

Verantwoording, die eens wordt afgelegd, wanneer de sluier valt en ’t “ik” zichzelf ziet, zoals het heeft geleefd, is ‘t antwoord op de vraag, of men en waarom men verantwoording heeft voor anderen. Vele levens samengevlochten maakten met anderen U, tot wat ge thans zijt. Met alle anderen tezamen slechts “Zijt ge de volmaaktheid, die in de eeuwigheid bestaat. Niet alleen.

Erken dit deelzijn van het andere. Streef voor anderen als voor Uzelf. Dan voldoet ge aan de verantwoording, die bestaat in de tijd en die pas verdwijnt, wanneer het goddelijk Wezen tot het eigen Ik in het onbegrensde bestaan Uw ziel en Uw wezen geleidt.

DEPRESSIE

Het diep, dat komt en stormen brengt, de regen, die zijn tranen plengt en heel de wereld overspoelt. De wanhoop, die je hart doorwoelt, de wereld, die je ledig schijnt, depressie waarin redelijkheid en eigen kracht verdwijnt en overblijft het wenen zonder zin.

Depressie is geen werkelijkheid, ’t is een verschijnsel, dat verdwijnt en door omstandigheden weer verschijnt om heen te gaan.

Wat zoudt ge in die somberheid U baden, U laven aan de ellende, die nu plotseling schijnt Uw deel? Geloof me, morgen schijnt de zon. Geloof, de depressie zal wel gaan. Want een gebied van hoge druk, dat spoelt al vol van krachten aan en brengt weer zon en licht,

Waarom, zou ik vragen, altijd maar op de depressie slechts gericht en niet op vreugde van het bestaan? Wanneer de mensheid enkel droomt van regen, wordt de bodem zomp en zuur, dan wordt glimlach onbetaalbaar duur en ’t leven somberheid van lijden, niet waard om te doorstaan.

Maar durf je zoeken naar het licht, te zoeken naar de werkelijkheid en te vergeten voor een wijl, dat een depressie begeleidt ’t verschijnsel van de tijd, dan vind je ander licht, dan vind je werkelijkheid, die boven alle rede ligt.

Want….Gods liefde regeert het hele bestaan. Gods liefde drukt zich uit in alle tijd. Gods liefde, die staat U altijd bij in lijden en in strijd, zowel als in de vreugde en de lach. Gods liefde is het licht van geestelijke dag. En wie zich verbergt in somberheid en ontvlucht het goddelijk licht, onttrekt zich aan de werkelijkheid, verzaakt aan levensplicht, en gaat ten onder in een nutteloze strijd.

Zoek licht als in de duisternis en laat jezelf niet gaan tot wenen en tot somberheid, tot klagen. Probeer niet van het leven steeds maar hulpe weer te vragen en vreugdigheid, maar zoek voor jezelf het levensdoel, Laat niet meer regeren een somber gevoel, maar grijp de werkelijkheid van ’t leven, dat steeds met je gaat. Aanvaard, dat achter de depressie dezelfde God ook naast je staat. Die met je was in vreugdiger tijd. Dan heb je een begrip van het leven en ontga je aan de sombere ban, die tot de wanhoop vaak geleidt.

DE REGENBOOG.

Het licht en kleuren opgebouwd, reikende tot de einder, is hij mij een brug, die reikt tot de oneindigheid.

Het is God Zelve, Die deez’ brug ons heeft gegeven. Hij is het, Die ons hiermee roept om tot Hem voort te gaan.

Al blust weer dra de kleur, vervagend,als een spel, dat speelden zon en regen, wij weten, dat wij over die brug kunnen gaan. God gaf haar ons als belofte en zegel,

Hij heeft ons gezegd; “Wanneer je niet strijdt tegen Mij, Mijn wetten en macht, dan geef Ik niet alleen in teken van licht bewijs van Mijn liefde en macht, Ik geef je, mijn kind, meer dan dat.

Ik heb je gesponnen uit ’t licht der eeuwigheid een brug voor jou om opwaarts te gaan. Ik heb kleuren genomen, de schoonste, die er zijn, als troost en lust voor het oog.

Ik heb je gebouwd een werkelijkheid, waarin je kunt voortgaan door alle tijd.

Ik geef je Mijn gave; een hemelrijk, gesponnen uit ’t goud van Mijn wil. Kom tot Mij, Mijn kind, aanvaard Mijn bestaan; aanvaard Mijne liefde en wees daarin stil.”

Want dat is eigenlijk de regenboog; een teken van het verbond, dat er kan bestaan tussen ons en God. Dat is niet alleen maar een regenboog, het verschijnsel, dat de natuur ons geeft, maar ook het plotselinge weten om de wondere en schone kleuren van licht, die rond ons leven. Het licht van de sferen, het licht van de wereld heeft voor ons een brug gebouwd, een brug naar de oneindigheid.

Een brug, die gaat door alle poorten; een brug, die gaat door alle tijden, een brug, die alle ruimte samenvat. Een brug, waarop je voort kunt gaan, nooit moe en der dagen zat; vreugdig levende, omdat het bestaan zelve je is gegeven uit kracht en licht. Voor je het weet, ben je in die gouden brug dan mede verweven en ken je het Wezen, dat je geeft Zijn licht, Zijn kleur, Zijn kracht, ja, schenk ’t je alles, wat er ooit en ergens ook maar leefde.