Nabeschouwing Wessac 1975

image_pdf

9 juni 1975

Inleiding over iemand, die de Wessac-bijeenkomst meemaakte.

Ook vanavond weer een gastspreker. De vorige keer hebben wij iemand gehad die wat buiten de norm viel. Deze keer is het wat serieuzer, waarmee ik niet wil zeggen, dat de spreekster vorige maal niet ernstig was. We hebben namelijk getracht een van degenen, die bij de Wessac-bijeenkomst ingeschakeld is, te krijgen. Dit lijkt mij erg interessant. Het is één van degenen die bij het altaar heeft gestaan en dat wil nogal wat zeggen.

Ik neem niet aan, dat u in de eerste plaats een verhaal krijgt over de Wessac en alles wat erbij te pas komt. U weet waarschijnlijk wel hoe het gelopen is. Het viel toevallig op een zondag. Omstreeks 8 uur was de eerste uitstorting voor de aanwezigen, daarna hebben wij een plechtigheid gehad die zijn hoogtepunt vond op het ochtendpunt daar en dat was om ongeveer 12 uur hier. In die periode was het hoogtepunt afgelopen. Van wat wij daar allemaal gezien hebben, hebben wij getracht een beschrijving te geven op die ochtend, een soort commentaar.

Er was nogal wat aanwezig en het was tamelijk moeilijk om die tweeledigheid: spreken aan de ene kant en gelijktijdig toch aanwezig zijn aan de andere kant vol te houden. Maar wanneer je zo’n Wessac-bijeenk0mst meemaakt, brengt dat bepaalde vragen en problemen met zich. Per slot van rekening kennen degenen, die wel eens uitgetreden zijn in een wat hogere wereld, de aanwezigheid van licht, de intensiteiten die daar allemaal kunnen optreden. Het enige wat wij alleen op een Wessac kunnen vinden, is de wonderlijke combinatie wanneer al die krachten in één brandpunt tezamen k0men. De situatie waarin je verkeert als je, zoals de gast van vanavond, aan de voet van het altaar staat, of opzij van het altaar, is een gebaad worden in die energieën en dat betekent, dat je een heel groot absorptievermogen moet hebben en dat je daarnaast een grote diversiteit van eigen mogelijkheden moet hebben, want alleen dan kan je al die krachten een beetje verwerken en er je conclusies aan verbinden.

Nu is het belangrijke dat je een contact hebt, dat met alle factoren van de kosmos gelijktijdig kan bestaan. Dat gaat tot het verblindende licht, waarvan wij zeggen: dat is God. Aan de andere kant zijn er invloeden van planeten bij, van sterren, noemt u maar op. Er zijn zuiver materieel kosmische invloeden uit het centrum van het melkwegstelsel. Er zijn geestelijke invloeden uit praktisch elke sfeer aanwezig. En toen wij de kans kregen om een dergelijke gast – hoe moet je dat zeggen – te lokken, ging het ons niet zozeer 0m de vraag wat de Wessac betekent. In de loop der tijden komen die gegevens wel vrij en dan merkt u dat vanzelf. Het ging om de vraag: welke contacten hebt u ervaren?

Hoe die contacten worden ervaren en wat ze betekenen, kan je alleen weten wanneer je de persoon in kwestie een beetje kent. Ik zal dus eerst iets over hem vertellen, terwijl hij overigens – zoals  alle anderen – anoniem blijft. De spreker zelf heeft een aantal wonderlijke incarnaties doorgemaakt. Hij heeft o.a. geleefd in resp. Italië en Azië. In Italië in de tijd van de Borgia’s en is sindsdien niet meer geïncarneerd.

Hij heeft daarnaast ervaringen gehad in de vroege Afrikaanse en de vroege Amerikaanse beschavingen. Ik meen zelfs – wanneer ik hem goed begrepen heb – dat één van zijn voor hem belangrijkste incarnaties het leerlingschap is geweest bij een priesterorde in Atlantis. Het is dus iemand die de hele wereld een beetje kent, die veel verschillende vormen van beschaving en culturen heeft meegemaakt en die in elk van die incarnaties toch weer geconfronteerd is op een wonderlijke manier met goddelijke krachten, noodlotskrachten etc. Dat is voor de vorming van een persoonlijkheid van groot belang.

Hoe meer verschillende belevingen je doormaakt, inclusief de tegenslagen, de teleurstellingen, de gelukjes, de successen, hoe meer je gaat begrijpen. En dat is niet alleen menselijk, maar dat is ook kosmisch het geval. Je kunt harmonisch zijn met elke factor waarin iets soortgelijks aanwezig is.

De spreker in kwestie resoneert met zeer hoge krachten. Hij is zelf erg vaak in het bijzonder actief op het terrein van de overgang van mensen en de inwijding van entiteiten in de geest, vooral Hoog-Zomerland en de daarboven liggende trillingssfeer. Als je met hem tracht te spreken, dan denk je op het eerste gezicht: dat is een echte relativist. Het is altijd: “dit, maar…. dat.” Maar wanneer je daar eenmaal doorheen dringt, dan kom je tot de conclusie, dat deze persoonlijkheid voor zich een weg uitgestippeld heeft. Ik zal een paar van zijn uitspraken citeren.

Ik begon: “Hoe voelt u zich wanneer u daar aan dat altaar mag staan?”
Hij antwoordde: “Het is een kosmische belevenis. Het is iets grandioos je verbonden te weten met het totaal van het bestaan, maar anderzijds is het natuurlijk een enorme kracht die je ondergaat en dat betekent, dat je ook wel eens denkt: ik zou liever in het driehoekje of in het vierkantje staan.”

Hij wilde dus zeggen: het is niet alleen een genoegen.

Vraag je hem: “Waarom werkt u zoveel in lagere sferen, terwijl uw eigen bewustzijn zo hoog is?” Dan antwoordt hij:
“Als je een hoog bewustzijn hebt, dat komt er een ogenblik, dat je je juist bewust moet worden van het lagere. Want wie het lagere niet kent, zal in het hogere nooit werkelijk een bewuste harmonie bereiken. Maar het is natuurlijk ook al heel goed, wanneer je de hogere kracht alleen kent.”

Ik vroeg: “Wat denkt u dan van de groep Orde der Verdraagzamen waar wij mee bezig zijn?” Ik zal u het antwoord niet onthouden, ofschoon ik het er eerlijk gezegd niet helemaal mee eens kan zijn, wat mogelijkerwijze – om in zijn stijl te spreken – berust op een gebrek aan bewustzijn.
Hij antwoordde: “Het is aardig dat jullie zoveel voor de mensen proberen te doen, maar jullie denken vaak dat jullie meer doen dan jullie in feite tot stand kunnen brengen, want het is de mens in zichzelf die het moet doen. Dus zou ik zeggen: jullie doen veel goed werk …. maar verdraagzaamheid, zoals jullie die prediken, is maar heel beperkt haalbaar.”

En dat is een punt, waarop ik door ben gegaan en toen kwam hij met een eigenaardige filosofie. Hij zei nl.:
“Verdraagzaamheid betekent het vermogen om het anders-zijn van een ander te tolereren. Maar het betekent ook de slagkracht hebben om die ander te beletten jou tot iets anders te maken dan je zelf wilt zijn.”

Dat vond ik ergens grandioos, maar aan de andere kant klonk het zo gewelddadig. Ik heb hem dus gevraagd: “Met welke middelen?” Onze vriend zei:
“Het is natuurlijk verkeerd om geweld te gebruiken, maar onder omstandigheden kun je geweld alleen bestrijden met geweld. En wanneer je geweld moet bestrijden met geweld, moet je zorgen dat je gewelddadig genoeg bent om alle geweld de kop in te drukken.”

Ik ben het er niet helemaal mee eens en vooral van zo’n hoge entiteit had ik meer tolerantie in onze zin verwacht. Hij bekijkt dat kennelijk op zijn manier. Ik heb hem toen gevraagd:

“Gelooft u dat er een evenwicht mogelijk is? Een evenwicht in mensheid, in de geest?” Toen zei hij:
“Jongen, wie evenwicht zoekt, zoekt stilstand. Alleen door de verstoring van het evenwicht ontstaat de verandering. Alleen door de verandering ontstaat het bewustzijn en alleen door het vergrote bewustzijn is het mogelijk het besef te krijgen van een uiteindelijk evenwicht, dat je voorlopig nog niet bereikt.”

Ik dacht, waar blijft de maar. Dus vroeg ik: “En hebt u daar geen ‘maar’ bij?” Hij antwoordde: ” Ik wilde het niet te ingewikkeld maken. Maar ik zou het misschien zo kunnen zeggen: Wanneer je spreekt over evenwicht, kun je alleen spreken over een totaliteit. Maar de mens is niet in staat zichzelf te zien als totaliteit. Hij zet zich altijd af tegen de delen van het geheel waar hij uiteindelijk bij behoort en zolang dat het geval is, kan het geheel misschien evenwichtig zijn, maar de mens niet. En dat is hetgeen wij in vele incarnaties moeten leren. Want eerst hij, die beseft dat mens-zijn onevenwichtigheid impliceert, zal geestelijk in staat zijn om te zoeken naar een zodanige ontwikkeling, dat zijn evenwicht steeds minder verstoort, omdat hij steeds meer de grote waarden boven de kleine zet.”

Door deze paar uitspraken komt het type er al wat beter uit. Filosofisch, een beetje feller en daadkrachtiger misschien dan het merendeel van onze Orde is. Iemand, die wel degelijk gelooft in een totaliteit, maar die aan de andere kant probeert om in die totaliteit in de eerste plaats zichzelf binnen dat geheel te beleven. Het is kennelijk een persoonlijkheid met grote energieën, anders zou hij niet aan het altaar kunnen staan. Het is iemand met een groot inzicht. Het is iemand, die een zeer definitieve beschouwing heeft, niet alleen van de wereld en de leringen van de wereld, maar eigenlijk van het hele gebeuren in de kosmos. Het is daarnaast iemand, die een ongelooflijke veelzijdigheid vertoont. Daarvan heb ik u weinig kunnen demonstreren, want dan zou ik een paar uren moeten blijven citeren. Het is namelijk vrij moeilijk om in weinig woorden iets om te zetten, wat kort en duidelijk in gedachten wordt uitgedrukt.

Muziek der sferen, een onderwerp dat even ter sprake kwam, daarvan zei hij:
“Een schilder maakt muziek met zijn palet. Een musicus schildert met klanken en een schrijver tekent met woorden en geeft er de melodie van zijn ritme aan.”
Dus hij ziet het allemaal als één geheel. Hij zegt:
“Er is geen afzonderlijke kunst, het is alleen maar uiting.”

Ik heb hem ook gevraagd wat hij van de wetenschap dacht en ook dat was heel interessant. “De wetenschap is eigenlijk de onwetendheid van de mens, die daardoor niet bereid is om de vernieuwingen van zijn eigen weten te aanvaarden, op een ogenblik dat hij daardoor gelijktijdig zijn eigen onvolkomenheid moet toegeven.”

Het was erg beleefd, maar iets scherper was het onze vriend Henri waardig geweest.

Het is dus iemand, die denkt in betrekkelijk scherpe termen; die niet veroordeelt, maar uit zichzelf oordeelt en dat heel vaak doet. De achtergronden probeer je van zo’n entiteit na te gaan en dat is erg moeilijk. Als hij in een villa woont, dan ben ik van een zodanige rang dat ik net tot in de keuken kan komen. Dus eigenlijk zijn er dingen, waarin ik niet voldoende kan doordringen. Maar wat ik over zijn incarnaties heb mogen aflezen, geeft een klein idee.

De man is overigens een natuurlijke dood gestorven in de tijd van de Borgia’s en dat is een prestatie op zichzelf. Zeker voor iemand, die wat hoger geplaatst was, zoals hij. Maar hij is bv. wel vergiftigd als Egyptenaar. Ik denk dat hij één keer genoeg vond.

Hij heeft enorme avonturen doorgemaakt in Azië. Hij is daar begonnen als een krijger, heeft daar van Perzië uit naar het noorden doorgevochten, kwam terecht bij nomadenstammen, is bij die nomadenstammen in contact gekomen met sjamanen, is van daaruit weer bezig geweest met magie en hij beëindigde zijn leven als een filosofisch monnik.

Ik geloof, dat je hem het best kunt karakteriseren wanneer je zegt: het is een zeerover, bekeerd tot goede werken. Het is een zwerver, die tot rust is gekomen en het is een daadmens, die tot besef is gekomen van betekenis. Dan heb je, voor zover ik het kan zien, in een nutshell deze persoonlijkheid.

Nu ben ik zelf ook aanwezig geweest bij de situatie in de Wessac. De energieën, die werden uitgestort, waren ontstellend groot. Maar het meest imponeerde mij het kleurenspel, dat zich op een eigenaardige Noorderlichtachtige manier voltrok en waarin dan allerlei banden en krachten samenvloeien. Wanneer ik nu naar zoiets kijk, dan zie ik allerlei verschillende invloeden. Wanneer ik met onze gastspreker van vanavond daarover spreek, heeft hij het over één invloed. En toch kent hij al die verschillende invloeden en krachten net zo goed als ik. Wanneer ik met hem spreek over de aldaar aanwezigen – en dat waren er heel wat – dan moet ik ook weer zeggen: hij ziet dit als een rotswand die een echo terugwerpt. De gast zegt: “Wij doen niets anders dan de kracht herhalen en reflecteren.” Dus niet: wij worden geladen en van een taak voorzien. Neen. Het is ons wezen dat de kracht terugzendt en daarmede gelijktijdig zelf een verandering 0ndergaat.

De wijze waarop de hele zaak werd gecelebreerd, is tamelijk bekend. Het is voor hem het sterkst kenbaar op het punt dat degenen, die stoffelijk aanwezig zijn, het z.g. eerste offer brengen. Ik zou zeggen: dat is het begin van alles, wanneer zij daar vruchten, bloemen, een handvol aarde en een schaaltje met water neerleggen. Dat is voor ons in de geest en voor degenen op aarde, die dat nodig hebben. Maar niet voor de hoge pieten.

Maar hij zegt: “Neen. Dat is het belangrijkste.” En ik heb gevraagd: “Waarom?” Ik dacht in het beging dit is een poging om duidelijk te maken dat alles belangrijk is. Maar neen, hij zei: “Dit is het belangrijkste.” Hij zei: “Je kunt natuurlijk zeggen: een kip die goed legt, is erg belangrijk. Maar …. een ei is belangrijker, want daar moet die kip uitkomen.” Alweer ‘pot voor mijnheer.’

Voor hem is het zo, dat de wil waarmee wij samenkomen en de wijze waarop dat wordt gesymboliseerd, belangrijker is dan het hele gebeuren zelf. Wij maken de uiting van de kosmos, niet de kosmos bepaalt ons of geeft ons krachten. Hij zegt: dat is er wel, maar het is niet zo belangrijk. Het feit dat wij er zijn en dat wij die kosmos willen aanvaarden, dat wij a.h.w. die kosmos proberen te beleven – oproepen is misschien niet het woord – maar dan toch aanroepen. Ik heb mij afgevraagd of dit juist is. Voor mij is dit altijd een enorm beleven en een ieder, die dat wel eens heeft meegemaakt, weet dat het ontstellend indrukwekkend is. Er zijn enorme energieën waarmee gewerkt wordt. De rijkdom aan kleur en aan beleving is grandioos en de sfeer die er is, vind je alleen maar daar.

Maar eigenlijk heeft onze gastpreker een beetje gelijk. Wij zijn het, die die kracht de kans geven zich zo te manifesteren. Wij allemaal vanuit de geest en vanuit de stof. En dat is precies eender. Er zijn hoge en lichtende krachten genoeg. Natuurlijk ook slechte. Maar wat zich gaat manifesteren en of het zich gaat manifesteren en hoe het zich zal manifesteren, maakt u uit, door uw wil, door uw zoeken, door uw poging om het waar te maken. En dan ligt dat niet in een stoffelijk gebeuren en niet aan een toverspreuk of een bepaald geestelijk moment. Neen, het ligt in de wil die in je bestaat om dit te erkennen en te aanvaarden. Daardoor komt de relatie tot stand. Hij heeft dus wel gelijk.

En toch weet ik ook dat gezien de Witte Broederschap en haar reactie op die Wessac, die Wessac meehelpt om het lot van een hele wereld te bepalen. Dan vraag je jezelf toch wel af: maar wanneer wij die kracht wekken, dan proberen wij eigenlijk het lot van de wereld te bepalen. Niet dat wij precies kunnen zeggen hoe het gebeurt. Dat bepaalt die kracht zelf, maar wij zeggen dan toch maar: die die kracht oproepen en die uit die kracht proberen ons eigen streven te bepalen, ons eigen vermogen te vergroten en alles wat erbij komt.

Als u nu gaat redeneren zoals deze vriend mij geleerd heeft, zou ik dus eigenlijk zeggen: maar wij kunnen dat alleen doen omdat de wereld ons zo heeft voortgebracht. Het is een keten. Het is ergens de slang, die zichzelf in de staart bijt. Het is de cirkel, waarbij je nooit kunt zeggen waar het beginpunt is. Al die gebeurtenissen vormen samen een onverbrekelijk geheel en je kunt niet zeggen wie er begonnen is. Je kunt alleen maar zeggen dat het er is.

En als er iets is, waarover ik hoop onze vriend nog eens een keer te spreken, dan is het over deze vraag. Het loopt wel allemaal zo en wij menen dat wij het kunnen bepalen, maar ergens kunnen wij er toch maar weinig aan doen. En toch …. hebben wij ergens een vrije wil. Nemen wij vrijwillig taken op ons, toch proberen wij dingen tot stand te brengen. Volledig vrijwillig. En gelijktijdig zitten wij ergens in een sleur vast. In een cirkelgang, die onontkoombaar is. Het is het lot van de mens misschien en het lot van de geest opgenomen te zijn in een kringloop, die je niet zonder meer kunt verbreken. Een kringloop, die juist daardoor zo bindend is, omdat het niet alleen jou, maar ook alle anderen omvat.

Er zijn ogenblikken dat een mens tegen zijn wil in, bij wijze van spreken, een bepaalde richting moet volgen. Er zijn ogenblikken dat een mens een bepaalde taak moet volbrengen, of je wilt of niet. Dat hij eigenlijk anders zou willen, maar dat hij niet ziet hoe hij dat zou moeten doen. Er zijn ogenblikken, dat een geest met genoegen zal zeggen: “Ach, laat die hele wereld met al die mensen en al die trammelant maar eens rusten.” Wanneer je dan kijkt dan zeg je: ik kan niet anders. Het is een deel van mijn wezen om voor de mensheid op die wereld te werken, om voor hen te streven, te lijden, te ondersteunen en toch droom ik ook wel eens van het verblindende licht. Het is een wonderlijk probleem en dat probleem wordt voor mij groter naarmate de krachten, waarover wij kunnen beschikken, groter worden.

Wanneer je een klein, onbelangrijk radertje bent in een machinerie van de kosmos, dan draai je mee en het is de enige manier waarop je dan kunt bestaan. Maar hoe groter je innerlijk wordt, hoe bewuster je gaat leven met al die werelden en sferen om je heen, totdat je a.h.w. duister en licht met elkaar kunt verknopen en de wereld zelf kunt zien als een soort clearinghouse voor alle bewustwording en alle beleving.

Wanneer je de krachten van zo’n kosmische uitstorting kunt dragen, zoals de gast van vanavond, dan zit je nog steeds vast. Dan is er nog steeds, ongeacht je vrije wil en je vrije mogelijkheden, ergens iets dat je zegt: “Zo ben je en niet anders. Dit is je lot en dat is onvermijdelijk.”

U ziet waartoe het voert als je met zo iemand gaat praten. Dan komen er allerlei vragen in je op en dan probeer je een antwoord te vinden. Ik meen dat het antwoord in deze richting gezocht moet worden. Als deel van de kosmos moeten wij in die kosmos functi0neren. Wij kunnen namelijk alleen binnen die kosmos functioneren, omdat we daarbuiten en zonder die kosmos niet kunnen bestaan. En daardoor zijn wij ergens gebonden aan die kosmos, zeker zolang ons besef het ik beperkt tot één functie. Wanneer wij zeggen: dit is mijn taak of dit is mijn mogelijkheid, zolang wij nog bezig zijn met reeksen van incarnaties, van werken in sfeer na sfeer, in plaats van samenvattend te begrijpen en a.h.w. op te lossen in die totaliteit, dan zijn wij gebonden. En ik meen, dat die binding voor een groot gedeelte in onszelf is gelegen. Dat ons besef, ons diepste innerlijk de kracht is, waardoor wij eigenlijk in die keten verzeild raken en er niet los van komen.

Wanneer je zo bezig bent, dan ga je je onwillekeurig afvragen: wat moet ik dan doen? Wanneer ik leef dan kan ik mijzelf niet veranderen, omdat ik te veel vastzit aan mijn beeld van mijzelf. Maar ik kan wel degelijk proberen om in die uitingen, die dan voor mij onontkoombaar zijn, tenminste nog op die manier te reageren en te uiten dat het het beste is wat ik kan doen.

Het is niet een kwestie van goed en kwaad, dacht ik. Goed en kwaad zijn beoordelingen, die wij uitspreken zonder precies te weten wat ze betekenen. Het is eerder een vraag van beantwoorden aan de essentie van je wezen en dan, wanneer je dat doet, er zo aan beantwoorden dat je die essentie van je wezen kunt blijven aanvaarden.

Een groot gedeelte van ons leven wordt geloof ik besteed – in de geest en ik dacht ook in de stof – aan het handhaven van een voorstelling, die wij van onszelf hebben. En al onze contacten zijn ook gebaseerd op die voorstelling die wij van onszelf hebben. Wij kunnen niet wegvluchten uit die beelden. Wij kunnen opstijgen tot in de hoogste lichtende werveling, waarin wij helemaal verblind worden a.h.w. door de benadering van een absolute waarheid en drijven in het vloeibare goud, de levende kracht zelf en dan nog blijven zoeken naar “ik, ik, ik, ik.”

Het ego van de mens is de slavenketen, waarmee je aan het rad van het noodlot zit vast gesmeed. En dat betekent niet, dat ik het leven een treurige zaak vind, want er is ook vreugde en de ontstellende schoonheid van een Wessac, en er zijn ook andere gebeurtenissen in het leven van een mens, die overgaat en bewust wordt en ineens a.h.w. begint te lichten, steeds sterker alsof hij een geestelijk opgaande zon is. Dat is iets krankzinnig moois. Daarmee kun je gelukkig zijn. God, ik weet niet of je bestaat en wie of wat je bent, maar wat heb je dat verrekt mooi in elkaar gezet. Wat is dit grandioos. Dat is vreugde.

Het leven is heus de moeite waard, maar achter dat leven zit die kringloop. Je incarneert. Vandaag loop je barrevoets als leerling hier of daar over stoffige wegen en in een droog seizoen en het volgende ogenblik hots, knots je als handelaar met een stel ezels ergens door een gebergte heen. Of doceer je, eigenwijs, allerlei wijze lessen aan de jonge dames of jonge heren, die aan je voeten zitten. En een ogenblik later probeer je de steen der wijzen te vinden.

Het is een krankzinnige wisseling van beleven en elk van die levens op zich kan goed en mooi zijn. Elk van die levens zelf kan worden opgebouwd uit bereiking en teleurstelling. Elk leven is in ons eigen idee een soort louteringsproces, waardoor wij delen van onszelf leren kennen, waar wij anders nooit in doorgedrongen zouden zijn. Dat geeft ons innerlijke vreugde en ervaring die wij op geen andere manier kunnen krijgen. Je kunt het alleen niet veranderen. Je kunt het gewoon niet veranderen.

Er staat geschreven dat iemand vroeg: “Wie bent u?” Hij sprak tegen God. Toen zei God: “Ik ben die Ik ben.” Een krankzinnig mooi antwoord. Wanneer ik naar mijzelf kijk met mijn caleidoscopische achtergrond van belevenissen, met alles wat ik probeer te doen en het falen, dat ongetwijfeld ook in onze wereld voortdurend voorkomt en niet alleen in de uwe, met al de belevingen, leringen en de hogere krachten die je ondergaat en ze vragen je: “Wat ben je, wie spreekt hier?” kan ik eigenlijk alleen maar zeggen: “Ik ben die ik ben.” Ik. “Ik” is de voorstelling, de deelvoorstelling van de totaliteit. Als God een zon is, dan is “ik” één partikeltje licht, dat tracht zichzelf voortdurend op dezelfde plaats in stand te houden, zonder te begrijpen dat het eigenlijk alleen vanuit die zon functioneert en dat één zijn met de zon betekent: onbeperkt functioneren.

Zulke grandioze gedachten kun je ook wel eens krijgen. Ik heb dit alles gekregen uit het contact met één spreker. Een hoge gast misschien, maar iemand die toch ook nog bij u kan spreken en die dus – al zal het door zijn werk misschien gemakkelijker zijn dan normaal – tot de hoge pieten behoort.

En als ik nu vraag waar het verschil ligt tussen hem en mij, kan ik het ook niet eens definiëren. Ik weet dat er een verschil is, maar ik kan het niet omschrijven. Zo hulpeloos word je op een gegeven ogenblik wanneer je met het allerhoogste, met het grootste wordt geconfronteerd.

U zit hier bij elkaar. U bent allemaal – als u eerlijk bent – datgene wat u bent. Dat bent u vroeger al op een andere manier geweest. Misschien in een andere uiting, maar het heeft er altijd in gezeten. Ik kan niet zeggen: ik ben veranderd of ik ben beter geworden. Ik kan alleen maar zeggen: ik heb het anders leren beseffen. Ik heb bepaalde dingen leren sublimeren misschien. Ik heb op sommige punten een vrijheid gevonden, doordat ik het belangrijke van het onbelangrijke heb leren scheiden. Maar ik kan niet zeggen dat ik anders geworden ben.

Wij allemaal bij elkaar vertegenwoordigen een kracht. Op het ogenblik – dacht ik – dat we die kracht niet zo sterk aan onszelf zouden proberen te meten, dan zou onze plaats ook naast dat altaar kunnen zijn. Wij hebben gewoon nog niet voldoende verloren van onze neiging om exclusief “ik” te zijn. Exclusief is een nare term. Je zou moeten zeggen: je eigen ik krijg je pas wanneer je jezelf wordt inclusief God. Want God is en blijft een mirakelwoord. Een soort toverformule voor mij.

Maar daarachter schuilt iets enorms, iets onmetelijks. Een heel grote kracht. En wanneer je kunt leven in de eerste plaats als die kracht, dat die kracht alleen maar vorm krijgt in dat wat je als “ik”  beschouwt, dan is er gewoon geen energie die je niet kunt verdragen, geen wereld die je niet kunt bereiken, dan valt het werken een beetje weg.

Dan is mijn eindconclusie: jezelf zijn is goed, want het is onvermijdelijk. Maar jezelf zien als het belangrijke is de fout. Wij zijn niet belangrijk. Datgene wat wij zijn is belangrijk, maar niet het “ik” is belangrijk. Neen, het is de kracht die in dat “ik” door kan spreken. Die vanuit dat “ik” kan uitgaan en of de hele wereld er om lacht, of de hele wereld erover huilt of de hele wereld er bewust van wordt, doet niet terzake.

Ik moet leven met de kracht die in mij is. Ik moet die totaliteit a.h.w. in de vorm en gestalte die ik “ik” noem, aanvaarden, toelaten. Neen, méér…. . Ik moet mijn werkelijk bestaan zien als die kracht en de vorm als een onbelangrijk begeleidingsverschijnsel ervan.

Ik dacht dat dat voor ons allemaal geldt, maar als wij van daar uitgaan, dan komen wij misschien toch gemakkelijker tot het besef van de onbelangrijkheid van de vorm per se, de onontkoombaarheid van bepaalde ontwikkelingen. Dan voel je je ook geen slaaf meer. Dan zeg je: In die grote kracht kan ik precies het juiste zijn. En als ik het langs mijn eigen zin en weg doe, dan ben ik het wel, maar ik kom niet tot het begrip ervan. Mijn betekenis in het geheel, onbewust, blijft bestaan en door dit gebrek aan bewustzijn kan ik het bewustzijn niet met anderen delen.

Zo heb ik meteen een opsomming gegeven van mijn eigen fouten. Ik heb een bewustzijn, natuurlijk. Maar het is net niet groot genoeg om in staat te zijn om het totaal van dat bewustzijn aan u over te dragen. Niet alleen meer als mooie woorden of een beetje emotie, maar als een innerlijk weten, een innerlijk begrip, dat onontkoombaar is. En dat zal waarschijnlijk de reden zijn dat ik uw inleider ben en naar ik hoop voorlopig nog zal blijven.

Rest mij alleen u te danken voor het gehoor en geduld en de hoop uit te spreken, dat u mijn benadering van onze gast in problemen een klein beetje kunt begrijpen. U zult hem zo dadelijk ontmoeten en waarschijnlijk heel anders reageren dan ik heb gedaan. Maar probeer te zien achter de uiterlijkheid.

Omdat u hem op een zondagmorgen de Wessac-bijeenkomst hebt horen verslaan, heb ik hem gevraagd of hij er iets over wilde vertellen. Maar of hij dat zal doen, weet ik niet. Want wat dat betreft is hij even eigenzinnig als ik altijd geweest ben en ik moet zeggen, dat dit iets in hem is wat mij ondanks alles sympathiek lijkt. Maar dat is waarschijnlijk meer gelijkheid. U weet het: gelijkheid en broederschap kunnen misschien tezamen de vrijheid bevorderen.

Vrienden, probeer uw eigen indruk maar te vormen en als u maar een tiende van de impressies ondergaat die ik heb ondergaan, zult u waarschijnlijk ook met problemen wakker worden. Trek u van de problemen niet zo veel aan, ze zijn meer een omschrijving van uw toestand, dan van dingen waarop een antwoord nodig is. Als je begrijpt waar je beperkingen liggen, dacht ik, kom je vanzelf verder en dan kun je die beperkingen langzaam maar zeker verliezen.

Gastspreker: Ervaringen bij de Wessac

Voor mij een wat ongebruikelijke situatie en ik hoop, dat u mij vergeeft dat ik deze opmerking vooraf doe gaan aan de rest. Komt zo’n jong, Verdraagzaam heethoofd bij mij aanstormen en verlangt van mij, dat ik u het een en ander vertel over mijn ervaringen van de Wessac en wat daarbij hoort! Waar ik principieel niets op tegen heb. Maar …. aan de andere kant: het is altijd zeer moeilijk om innerlijke ervaringen juist over te brengen. Dat ik mij toch – en zelfs enigszins gaarne – ter beschikking heb gesteld, is vermoedelijk te danken aan een, ook in mij nog niet geheel uitgestorven, ijdelheid.

Ik hoor inderdaad bij degenen, die naast de stoffelijke celebranten bij het altaar aanwezig zijn op de Wessac-bijeenkomst. Dat betekent doodgewoon, dat je geestelijke constitutie iets beter is dan van de meeste anderen. Wanneer je daar deelneemt aan het geheel, dan kun je altijd zeggen: de zaak valt in fasen uit elkaar. Voor mij persoonlijk zou je het zo kunnen zeggen:

Het begin is chaos. Alles zoekt zijn plaats en alles zit met grote geestelijke gespannenheid klaar voor de vertoning. En bij die vertoning hoor je zelf dan ook. En dan komt het belangrijkste ogenblik, volgens mij, van het geheel: het ogenblik, dat wij onze geestelijke vermogens in elkaar laten overvloeien, terwijl de aanduiding op het altaar door de materiële aanwezigen wordt gemaakt, trachten wij die kring uit te breiden totdat wij zoveel mogelijk aanwezigen in die kring hebben betrokken en daarnaast zoveel mogelijk harmonie hebben gekregen met de totaliteit, waaruit wij op zo’n ogenblik toch werkzaam zijn.

Nu klinkt dat allemaal heel gewichtig, maar eigenlijk is het heel gewoon. Wanneer mensen samen gaan wandelen, is het heel gewoon dat ze in dezelfde richting gaan lopen en het is zelfs heel normaal

dat ze in de pas gaan lopen. Waarom zou het zo buitengewoon zijn wanneer wij geestelijk een soortgelijk verschijnsel tot stand zouden brengen? Dan krijg je het meest interessante – dat behoort nog tot deze fase – wanneer je contact voelt met die oneindigheid. Dan zal een ieder toch zichzelf zijn. Het voelt een beetje aan alsof wij allemaal druiven zijn aan een enorme tros, terwijl door de steel de sappen van de plant ons a.h.w. groter, sterker en zoeter maken.

Ik weet niet 0f druiven nog zoet zijn, maar in mijn tijd waren ze zelden zuur, wanneer ze maar rijp waren. En mijn ervaring zegt ook dat dit voor mensen geldt. Een rijp mens is vol van zoetheid, bezit grootheid. Maar een mens, die tot ouderdom komt zonder rijpheid, is zuur. Dus…. daar krijg je eigenlijk allemaal datgene wat je zelf nodig hebt. Het is een rijkdom, waarin je je sterker en gelukkiger gaat voelen en dan krijgen we een rustpauze, want als je zo’n flinke dosis van eenheid gekregen hebt, heb je als mens en geest een ogenblikje nodig om weer terug te keren tot je eigen persoonlijkheid.

Daarna gaan wij proberen de kosmos te aanvaarden en te begrijpen. Dat aanvaarden is niet zo moeilijk als het begrijpen. U zal wel zeggen: als je aanvaardt, begrijp je, maar wij aanvaarden onszelf zo vaak, maar begrijpen wij onszelf dan ook? Hoe kunnen wij de kosmos dan aanvaarden en die beter begrijpen dan wij onszelf begrijpen? Dat is onmogelijk.

Dat spel van krachten lijkt een klein beetje op een paraplu van noorderlicht met een steeltje, dat voorlopig nog erg zwak is en iets van de levende tinteling, van de werkelijkheid door laat dringen in de tijd. Dan sta je erbij en je voelt die intensiteiten groeien. Dan wordt langzaam in dat steeltje de zaak wit. En dat is het schokkende, weet u. Wit is alomvattende werkelijkheid.

Als ik misschien wat snoeverig heb gesproken over mijn wat robuuste, geestelijke constitutie, dan is die op dat moment nodig. Want de waarheid van de kosmos laat geen plaats voor illusies. En zo kom je dan als vanzelf, langzaam maar zeker, in een toestand, waarin je niet helemaal jezelf bent en in staat bent al die krachten en kleuren, die langzaam maar zeker zich ook naar de aarde gaan manifesteren, in jezelf op te nemen en te zeggen: zo is het.

Nu denkt u waarschijnlijk dat ik wijs ben als ik zeg: zo is het, maar dat is geen wijsheid, maar alleen maar een ogenblik vergeten, dat je zelf een oordeel bent en spreekt over alle dingen. Dan kun je wel een soort synthese bouwen.

Onze jonge – en ik moet zeggen – wat stormachtige, verdraagzame vriend heeft een wat curieuze opvatting van het Al. Zo iets van: vrede op aarde en de rest komt later. Maar het is zo: eerst de rest en vrede komt later. Want wanneer je daar bent aan de voet van het altaar, dan zijn die kleuren in wezen conflict. Je voegt ze samen, maar dat komt omdat je hun conflictwaarde aanvaardt. Niet omdat je ze zoetsappig tot een soort eenheidsbrij tracht te verwerken.

Het witte licht is de werkelijkheid en rond dat licht mogen die kleuren zich in de meest felle tegenstelling groeperen. Ze zijn toch deel van dit Licht en dit belevende weet je wat ze betekenen. Maar dat weten is niet te beredeneren. Je kan een Wessac-bijeenk0mst niet beredeneren. Je kan ze alleen maar ondergaan en ondergaande een conclusie in jezelf zien ontstaan, die je niet bewust gevormd hebt.

En nu geloof ik, dat ik aan het verzoek van mijn jonge vriend voldoende gevolg heb gegeven om mijn eigen inzichten ook enigszins een rol te laten spelen.

Ik hoop niet, dat u zich nu bedrogen gaat voelen, want ik wil juist niet dat u zichzelf bedriegt door te denken, dat dat Licht nu de grote werkelijkheid is. Dan kun je ook wel zeggen: het is de schaduw van de vogel die zingt. Maar als je de schaduw ziet en je hoort de vogel zingen, dan kun je misschien enigszins begrijpen wat de vogel moet zijn, ook al zie je alleen de schaduw.

Wanneer u in mijn plaats zou zijn, dan zou u waarschijnlijk zeggen: het is een kwestie van reikwijdte. Hoge krachten doorleven en begrijpen is gelijktijdig ook begrijpen hoe zich dat weer uitsplitst in betekenis voor verschillende werelden.

Neem een voorbeeld. In deze Wessac waren o.m. een paar kleuren rood en een kleur groen – nogal strijdig overigens – aanwezig. Het was of geloof door emotie werd overspoeld, maar de emotie de onredelijkheid van het geloof als basis wilde nemen. Dan kun je natuurlijk zeggen: voor lagere sferen betekent dit, dat de innerlijke kracht plus onrust van degenen die in nevel en schaduw ronddolen hen kan brengen tot een verwachting, die op grond van al wat zij kennen en weten, onredelijk is dat er Licht bestaat. En als er bij hen dit besef is: dat er Licht bestaat, dan gaan wij naar beneden en laten we zien, dat er Licht is. En meestal willen ze dan wel een eindje meegaan.

Maar voor uw wereld is het weer iets geheel anders. Wanneer je bezig bent met de levenskracht, hartstocht is misschien niet het juiste woord, maar dan toch al die vitale uitingen die lichamelijk temperament ook met zich meebrengen en je stelt daar tegenover de innerlijke onwezenlijkheid van geloof, dan moet je komen tot een eigenaardige verschuiving van betekenis. Dan is de rechtvaardiging niet meer de redelijke consequentie van de daad. Die staat daar los van. Dan wordt de actie en de zelfopoffering in feite een martelaarschap voor een idee en is ze niet meer een doelbewust nastreven van iets wat bereikbaar lijkt.

Op die manier sta je te kijken naar de kosmos en naar de wereld. Ik kijk altijd graag naar de wereld. Dan denk ik: tsjonge, daar heb ik ook nog eens rondgelopen, zelfs soms zeer elegant. Ik ben hoveling geweest in een tijd dat een zakdoek niet alleen rijkd0m, maar ook goede manieren betekende. Het was in al zijn belachelijkheid uitermate charmant. Vaak zie ik in wereld in uw tijd en uw normen precies hetzelfde. En dan zeg ik: Ja, ergens vind ik die wereld leuk en mooi en zelfs aanvaardbaar. Dat is wel niet redelijk, maar ze is zo elegant en charmant soms. En dan zeg ik tot mijzelf: Maar…. wanneer dit alles niet gebaseerd is op een innerlijke erkenning, zal het voor degenen die zo charmant en elegant zijn geen betekenis hebben.

Er is zelfs een mijnheer, heb ik mij laten vertellen, was dat niet D. Carnegie, die uit de charme een wapen heeft gemaakt, dat de mens tegenover de mens kan gebruiken. Daarmede heeft hij de instinctieve strijd der seksen overgebracht op zakelijk terrein. Nu lijkt dit allemaal een beetje bespottelijk, maar wanneer wij bewust zijn, bewust handelen, bewust doen, dan is onze charme of onze elegantie niet alleen een vertoon. Het is een uitdrukking van een bestaande harmonie. En voor mij en misschien ook door het werk dat ik heb – maar dat kan ik niet beoordelen – is juist die harmonie het belangrijke. Wanneer je daar staat onder die kokende douche van eeuwigheid op een stukje tijd op aarde, dan is het allemaal overstelpend, overweldigend en mooi, maar …. de betekenis krijgt het pas wanneer wat ik daar ben een uitdrukking wordt van dat Grote, dat ik ervaar.

Dat zou eigenlijk overal het geval moeten zijn. Men heeft mij vaak willen vangen. Zelfs uw toesnellende, razende reporter. Hij zei namelijk, dat verdraagzaamheid de oplossing betekent van het conflict. Maar dat is niet waar. Ik heb gezegd: “Verdraagzaamheid kan een uiterlijke vermijding van conflict ten gevolge hebben, maar het betekent niet dat de waarden, waaruit het conflict is ontstaan, daarmee teniet zijn gedaan. En dat houdt in, dat de conflictstof zich opstapelt door de beperking van de verdraagzaamheid.” Dat vond hij niet leuk, neen. Op dat ogenblik vond hij mij wel hoog, maar niet leuk. Ik heb hem gezegd; “Luister. Als iemand je een klap in het gezicht geeft, dan kun je proberen te begrijpen waarom hij het doet. Maar als hij op het punt staat jou de schedel in te slaan, is het verstandiger om daar later over na te denken, wanneer hij bewusteloos ligt.” Dat is een visie die ik in dit gezelschap maar onder voorbehoud zal mogen verkondigen, want u behoort tot de Orde Der Verdraagzamen. Maar die verdraagzaamheid valt ook wel mee, dacht ik.

Wanneer ik met de kosmos te maken heb, geldt voor mij precies hetzelfde. Wanneer er een enorme kracht op mij aankomt en ik beleef die, best. Maar als die kracht op een gegeven ogenblik mijn wezen zo overspoelt dat ik niet meer in staat ben te beoordelen wie of wat ik ben, dan moet ik of mijzelf veranderen of zorgen dat die kracht anders wordt. Je kunt niet aanvaarden dat het ik teloor gaat voor je weet, wat dit ik in wezen is en betekent. Je kunt wel toegeven dat eenheid met God begerenswaardig is, maar je zult ook moeten toegeven, dat deze alleen van betekenis kan zijn wanneer ze bewust geschiedt.

Dat brengt je tot een meer analytische benadering van de hoge kracht. Wanneer ik daar bij de Wessac sta of wanneer ik probeer – dat gebeurt ook wel eens – een kracht uit de hogere sferen door te sturen naar uw wereld (wat u beschouwt als lager), je zou misschien beter kunnen zeggen: meer geestelijk bewust mislukt, dan kan ik alleen maar zeggen, dat mijn recht tot het brengen van die kracht, het doorgeven van die kracht moet liggen in het besef van de betekenis en mogelijkheid van die kracht. Wanneer ik een Wessac-uitstorting doormaak, dan gaat het niet alleen om het feit dat die Wessac-uitstorting er is. Het gaat er ook om, dat er daardoor in mij iets ontstaat, waardoor ik wat meer weet, wat meer begrijp en wat meer kan doen.

Toen ik in gesprek was met die jongeman van u, toen was een collega van mij erbij. Ik heb ook collega’s. U ziet dat ik dus niet op eenzame hoogte sta, maar dat had u waarschijnlijk al begrepen. En die zei tegen me: “Waarom zeg je nu niet: aanvaard nu maar de krachten en alles komt in orde.” Toen zei ik: “Dat is wel mooi gezegd, maar het is niet juist. Je moet zeggen: aanvaard de kracht en verwerk ze zelf. Want je zegt toch ook niet tegen iemand: hou je mond maar open, dan zal ik je voeden, zonder erbij te zeggen dat je zelf moet kauwen en slikken. Wij moeten verwerken” En dat verwerken is één van de belangrijkste dingen.

Je kunt zeggen: wat ik beleef is groots. Maar als het niet verwerkbaar is, wat is het dan nog? Als je op aarde bent, kun je lucht happen. Je kunt lucht slikken en dat betekent, dat je iets zatter wordt. Dat je iets meer energie krijgt. Wanneer je de handigheidjes niet kent die erbij horen ….  Ik heb ze een keer gekend, ja, dat was in de tijd dat ik met die magiërs bezig was, lang geleden. Als je de kunstjes niet kent, haalt het niets uit.

Dus zeg ik: lucht happen heeft pas zin, wanneer je weet op welke manier van die lucht leven en energie te maken. Licht ontvangen heeft pas zin wanneer je weet hoe je dat licht in jezelf kunt maken tot iets waarmee jij, zoals je nu bestaat, dat licht kunt uitdragen. En dan kun je idealistisch praten en zeggen: Ja, als ik één ben met God, ben ik het voertuig van de Goddelijke kracht en God weet wel wat er moet gebeuren. Maar ik moet het ook weten, want ik kan mijzelf in het besef dat ik thans bezit – en ik spreek nu voor mijzelf – niet tot voertuig maken van een kracht, die ik niet besef en niet begrijp en die dingen tot stand brengt, die niet zelf als harmonisch met mijn wezen wordt ervaren.

Dat zijn punten waarover u misschien na zult kunnen denken, want menig mens op aarde krijgt de mogelijkheid om uit te treden naar die mystieke werelden van Licht en betoverde harmonieën te beleven zonder dat hij zich afvraagt, wat ze eigenlijk zijn.

Luister: om een weg te kunnen beschrijven, moet je haar tenminste gezien hebben. Maar wil je haar goed beschrijven, dan moet je haar gegaan zijn. Wanneer je uitgaat naar dat grotere Licht, naar die wereld van verrukking, van werkingen van alle kant en waarin je voor een ogenblik opgaat, dan is dat goed wanneer je beseft wat er gebeurt, ook wanneer je dat later voor jezelf moet uitvinden. Je kunt volstaan met een beschrijving, maar dan faal je omdat je een ander niet de weg vertelt.

En dat is het werkelijke van dit hele gebeuren van de Wessac, van alle grote belevingen tot van het verblindende licht met zijn gouden wolken en krachten toe. Wij mogen de weg erheen vinden, wij mogen het beleven, we mogen het ondergaan, maar behorende tot een wereld van beperkt besef, van nog begrensd denken aan ik en de rest, moeten wij ook beseffen wat die weg betekent. Voor ons. Wat die weg was voor ons. Welke vorm ze had. Welke kracht ze had en dan  kunnen we zeggen: Voor mij – niet voor iedereen – voor mij gaat die weg op deze wijze. Ik beleef er dat uit en in mijzelf kristalliseert dat op dit begrip of die kracht of die daad.

Dan heb je veel gedaan, maar je hebt alleen maar een richtingaanwijzer gezet op het pad dat een ander moet gaan. Ik vind het altijd – ik hoop dat ik u niet verveel. Want misschien dat mijn ijdelheid groter wordt dan uw geduld is. Het is denkbaar. Maar ik neem aan, dat ik gevoelig genoeg ben om een compromis van beiden in een geest van schijnbare verdraagzaamheid te bereiken.

De krachten waarmee wij werken, kan ik zo wel gaan uitstralen. Maar wat hebt u aan die kracht wanneer ze niets betekent? Wat heb je aan iets, waarmee je geen weg weet? Stap in een auto die rijdt en geen stuur heeft. En waar kom je terecht? Fifty-fifty in een ziekenhuis of bij ons. Stap in een kracht die je niet beseft en waardoor je niet weet hoe deze te richten en waar kom je terecht? In een wereld van zelfbespiegeling om jezelf terug te vinden of in een wereld van waan, waaruit je maar langzaam kunt ontsnappen.

Het is niet zo moeilijk om met krachten te spelen. Het is moeilijk ze zo te beleven en zo verder te laten gaan, dat ze bestuurbaar blijft. Want wij zijn aansprakelijk voor onszelf. We zijn aansprakelijk voor onszelf, want ons leven is ons leven. Maar ons leven is deel van een geheel en daardoor in zijn totaliteit niet regeerbaar voor ons. Dat moeten wij beseffen.

Maar in dat leven dat ik ben, in de kracht die ik heb, in het wezen dat ik beleef, uitbeeld, doormaak, moet ik mijzelf blijven met mijn eigen kracht, met mijn eigen wezen, met mijn eigen totaliteit van mogelijkheden, beseft en waargemaakt en mijn invloed waarmee ik de kosmos zelf a.h.w. uitdruk. Ik druk de kosmos uit, maar niet: de kosmos drukt zich door mij uit. Want dan faal ik.

Misschien is dat een van de taken, die wij aan dat altaar hebben, nu ik er aan denk. Die kracht is er. Die kracht spoelt uit, helemaal over het carré heen, zo naar de halve maan toe die er staat en verder zelfs. Maar als die kracht gewoon zo maar verder zou gaan, is ze levensgevaarlijk. Dan zouden die mensen, die geesten verdoofd zijn en de werkelijkheid kwijt raken. En ze moeten nu juist die werkelijkheid vinden. Misschien dat we daarom wel aanwezig moeten zijn, 0m te zorgen dat de kracht die bestaat zich aanpast aan het ik van de mens, van de geest die het beleeft en die hem niet verdooft totdat hij zichzelf niet meer is.

De taak die ik zo omschrijf, lijkt natuurlijk krankzinnig moeilijk en zwaar. U denkt waarschijnlijk, nou, nou, wie dat kan die is iemand. Maar ik ben eigenlijk alleen maar mijzelf. Zolang ik mij van mijzelf bewust blijf te midden van de kracht, die ik in een synthese in mij samentrek en tot begrip maak, verdeel ik automatisch. Niet mijn verdiensten. Mijn verdienste is hoogstens mijn aanwezigheid en ik ben vooruitgegaan, want in mijn laatste aardse incarnatie was voor sommige mensen mijn afwezigheid vaak mijn hoogste verdienste.

We leven, maar beleven we? Leven is bewustzijn, dus werken met de kracht waarvan je je bewust bent. Dat is uitdrukken wat in je leeft. Maar dan zo, dat het in de wereld iedereen in staat stelt om meer bewust zichzelf te zijn en te beleven. Dat is nu het belangrijke van je bestaan en zelfs van de Wessac-bijeenk0mst. Maar natuurlijk, je moet het eerst zien.

En nu ga ik mij zo langzamerhand aan een andere taak wijden, want ik voel, dat er elders een mogelijke behoefte aan mijn ingrijpen kan ontstaan. Ik wilde alleen nog even dit naar voren brengen vrienden:

Wanneer wij allemaal de krachten, die in ons bestaan, met ons eigen bewustzijn richten, dan kunnen wij veel doen. Wanneer wij allemaal begrijpen hoe betrekkelijk alles is, ook onze eigen belangrijkheid en de belangrijkheid van hetgeen wij ons voornemen, maar toch ook weten: ik moet voor mijzelf iets waarmaken en dat moet ik doen met de kracht die in mij is, want dat is de enige juiste weg, dan komen wij verder. Misschien komt er een punt, dat wij niet meer verdergaan omdat we er zijn. Maar wie weet waar dat punt gelegen is?

Nu is de Grote Raad van de Broederschap bijeen. Ze discussieert over wat men op deze wereld wil doen met de krachten die er zijn. Maar wat kan ze tenslotte meer doen, dan besluiten zichzelf waar te maken met de kracht die ze ontvangen heeft? Maar dat geldt voor mij en voor u net zo goed.

De hoge, lichtende krachten, ze mogen ons helpen en vergezellen op hun manier. Wanneer wij in onszelf de kracht gevoelen, beleven en erkennen, dan, waarde vrienden, zijn wij aan bod. Dan moeten wij er persoonlijk mee doen wat wij voelen dat juist is.

En ongeacht alle verdraagzaamheid: val daarbij niemand aan. Erger je niet als ze om je lachen en laat je niet misleiden als ze je schijnen te verheerlijken. Maar als ze je in puin willen slaan, toon dan je eigen demolitievermogen en je incasseringsvermogen. Want alleen hij, die bereid is voor de waarheid die in hem leeft te strijden en deze te beschermen met alle middelen, zal daaruit eens het begrip voor het werkelijke Licht winnen, dat toch behoort tot de volgens mij grote taak van ons bestaan: het bewust worden van de werkelijkheid, waarvan wij een deel zijn.

En nu heb ik het een en ander te doen in grensgebieden. U wilt mij wel verontschuldigen. Ik heb namelijk nog een boodschap in een lagere sfeer en enkele beschermelingen van mij menen dat wij daar een kritiek punt benaderen.

Ik wens u alleen maar toe: veel licht en kracht in uzelf en besef ervoor en een bewust gebruik ervan.

image_pdf