Narrenspiegel

image_pdf

18 mei 1962

Wij zijn niet alwetend of onfeilbaar, denk dus zelfstandig na en tracht voor uzelf na te gaan, wat voor u juist en aanvaardbaar is. Het onderwerp, wat ik voor vandaag heb uitgekozen, is zeer moeilijk te omschrijven. Uiteindelijk gaf ik het de naam: Narrenspiegel.

Een narrenspiegel is een boekje, waarin men de mens een soort spiegel voorhoudt om hem zo eigen dwaasheden te laten zien. Wanneer wij uitgaan van het uiterlijke beeld van de wereld, zoals zich dit op het ogenblik aan ons allen toont, zijn haast alle mensen waardig, oprecht, eerlijk, zedelijk en moreel geheel verantwoord levende en staat een groot deel van de wereld op een hoog cultureel peil. Wanneer wij uitgaan van de feiten, blijft er van dit uiterlijke beeld maar heel weinig over. Gezien de ontwikkelingen van de laatste tijd rijst er nu bij mij een vraag, of een mens, die in een uitslaande brand zijn leven waagt om zijn statiejas te redden, nog wel verstandig genoemd mag worden. Want er zijn op het ogenblik maar al teveel mensen, die – alleen om de schone schijn te redden – eigen welvaart en leven, ja, zelfs leven en welvaart van vele anderen, zonder enige aarzeling in de waagschaal brengen. Volgens mij is dit dwaas. Soms weigert men de medemens op zich nuttige, of zelfs noodzakelijke, mogelijkheden alleen om hetzelfde aanzien te behouden. Nu denk ik aan nuttige ontdekkingen van de laatste tijd als het gebruik van elektriciteit en hoogfrequente stromen in de geneeskunde. De mens, die daaraan onderworpen wordt zal in staat zijn, zijn zenuwstelsel op te laden en daardoor zelfs enigszins eigen weefsels te regenereren.

Ofschoon voornoemde waarden wel beperkt worden geaccepteerd, meent de officiële wetenschap, dat het door mij nu gestelde niet juist is, verboden dient te worden en charlatanerie dient te worden genoemd, ondanks de resultaten, die deze therapie behaalt en behaald heeft.

Bepaalde vormen van geneeskunde, als bv. osteopathie, worden door vele deskundigen geminacht, afgeraden en verworpen, alleen omdat er nu eenmaal niets is in de officiële geneeskunde, wat zegt, dat deze wijze van manipulatie werkelijk belangrijk kan zijn. Resultaten blijken vaak minder te tellen dan stellingen. Wij hebben niet veel aan theorieën, alleen de praktijk is belangrijk. Een theoretisch juiste operatie kan nog altijd de dood van een patiënt veroorzaken. Men zou niet op het theoretisch juist zijn van de behandeling, maar op de mogelijkheid de patiënt – zelfs met niet-conventionele middelen – te redden, de nadruk dienen te leggen.

Ook op andere gebieden van wetenschap en in de samenleving zien wij gelijksoortige dwaasheden. Zolang de mensen zich bij voorkeur baseren op hun theorieën en te weinig aandacht besteden aan de praktijk, zullen er steeds weer tragische en dwaze situaties blijven ontstaan.

Uiterlijke vormen, die belangrijker worden geacht dan bekwaamheid, brengen eveneens eigenaardige gevolgen met zich. Een Royal Consort – niet in Nederland overigens – wordt wegens zijn al te rondborstige taal door een hofkliek gemeden en, in zijn streven iets goeds te doen voor volk en land, aan banden gelegd en gehinderd, waar dit maar mogelijk is. De hofhouding staat overigens niet alleen in haar pogen de vorstelijke gezel te breken, want hij pleegt de waarheid te zeggen; iets, wat van een vorstelijk persoon niet verwacht mag worden, nietwaar?

Stelt u zich voor: Men had een nieuw systeem van verkeersregeling en geleiding ontworpen en legde dit aan bedoelde persoon voor; en wat hij er wel van dacht. Hij zei het hardop en zonder aarzeling: “Bloody, silly and damned annoying”. In vrije vertaling “Stom en verrekt hinderlijk”.

Dat had hij natuurlijk nooit mogen zeggen, want vorstelijke personen dienen in het openbaar alles te bewonderen, wat men hen toont. De vorm gaat overigens ook op ander terrein boven de praktische resultaten. Kort geleden werd een dominee onder vuur genomen door gelovigen en zelfs de pers, omdat hij enkele hinderlijke jongelui, die de aandacht van de gelovigen stoorden, met harde hand vastgreep onder het mompelen van enkele niet direct liefderijke aanroepingen van God en hen daarna – toen zij meenden, dat dit geen naastenliefde was, zoals hij die verkondigde – met de koppen hard tegen elkaar slaande onder de uitroep: “Ik zal jullie verd…e leren, wat naastenliefde is”.

Vele gelovigen eisen, dat men deze dominee het recht tot prediken in het openbaar zal ontnemen. Genoemde dominee blijkt een van de weinige predikers te zijn in de staat, waar hij werkt, die altijd weer vele jongeren onder zijn gehoor mag tellen. De ouderen mijden hem, omdat hij zich niet aan de voorgeschreven vormen houdt, de jongeren vereren hem, omdat hij voor niets uit de weg gaat. Wie is hier de dwaas?

Een ander voorbeeld? Een priester, bekend als een zeer goed en populair predikant, kondigde aan, dat hij van de kansel op zondag zou prediken over de moderne mens en de seksualiteit. Een onderwerp, dat m.i. interessant en nuttig is. De boven hem staanden deden hem een verbod van dit onderwerp toekomen. “Daarover spreekt men niet tijdens de preek, de eredienst”, zo meenden zij en gaven hem de raad liever over de navolging van Christus te spreken. Bedoelde toespraak mocht hij wel houden buiten de kerk.

Hier ontgaat mij het verband enigszins. Is het dagelijkse leven geen deel van de eredienst? Het komt er in ieder geval op neer, dat men bestaande toestanden klaarblijkelijk niet wil erkennen, of een secundaire plaats wil toewijzen. De schijn, de waardigheid, gaat klaarblijkelijk voor alles. Is dit geen zelfmisleiding? Ook de innerlijke mens blijkt op dezelfde wijze aan zelfmisleiding een grote waarde te hechten. Feiten tellen ook hier niet, alleen theorieën zijn belangrijk. Er zijn mensen, die zich een beeld van God samen geknutseld hebben, een beeld misschien ook van de sferen, van geestelijke leiders, van esoterische waarden en mogelijkheden. Nu blijkt het steeds weer, dat haast alles, wat er op aarde gebeurt, in directe strijd is met hun geloof. Denkt u, dat deze mensen nu zullen zeggen, dat hun geloof niet geheel juist moet zijn? U vergist zich. Dan deugt de wereld niet, dan is het de zondigheid, de dwaasheid enz. van de wereld, waaruit alle gevolgen voortkomen. Wanneer hen iets overkomt, dat onrecht is, zo zullen zij liever zeggen, dat zij klaarblijkelijk – al weten zij niet hoe en wanneer – gezondigd hebben en dat God hen daarvoor straft, dan ook maar één enkel woord in hun Godsbeeld en geloof te wijzigen. Vergelijk nu: Wanneer een leverancier u steeds weer harde erwten geeft, wanneer u om druiven vraagt, zo zult u alle maatregelen nemen om het misverstand op te heffen. Zou dat niet gelukken, dan zouden warenwet en boze klanten ongetwijfeld gewelddadig de noodzakelijke correcties aanbrengen.

Wanneer men u esoterisch, op geestelijk gebied, in een geloof e.d., steeds weer stenen voor brood geeft, zo meent u waarschijnlijk, dat dit alleen aan u ligt en zult u rustig en zonder verzet verder gaan in dezelfde leer. Het gevolg is, dat vele dwaze stellingen worden verkondigd, waarbij stoffelijke ontwikkelingen en gebeurtenissen worden gesteld als werkelijk, terwijl men nooit daarvan een bewijs te zien krijgt. Zou u een bewijs vragen, dat het gestelde werkelijk zo is, dan ziet men u verontwaardigd aan en noemt u een ketter, een onverantwoordelijk individu enz. U meent misschien, dat dit dan een dwaasheid is van de volgelingen alleen? Neen. Dit is een dwaasheid, die uit de wereld van heden voortkomt. Men weet zoveel, men denkt zo verstandig, zo intellectueel te zijn, maar men heeft zich in feite aangewend alleen op de verklaringen en stellingen van anderen af te gaan zonder te controleren, of deze ook kloppen in de praktijk.

Wanneer iemand iets met voldoende nadruk en gewichtigheid weet te zeggen, zullen de meeste mensen zonder meer ook aannemen, dat het waar is. Hoe langer men een stelling blijft herhalen, hoe meer waar zij is in de ogen van de wereld, tot op den duur geen enkel bewijs meer noodzakelijk is voor de juistheid van de stellingen. Mislukkingen als gevolg hiervan worden aan alles geweten buiten de fout, die in de theorie schuil gaat. Wanneer iets door de geest gezegd wordt, wanneer iets gezegd wordt door de paus, wanneer iets in de krant staat, dan is het waar. Nu denkt u, dat het gevaarlijk is, dit alles hier te zeggen. Dat ben ik niet met u eens. Wanneer u immers geen resultaten heeft, is er niemand, die u dwingt onze stellingen toch te blijven aanvaarden. U kunt rustig weggaan, zonder met hellevuur of sociale ondergang bedreigd te worden. Wij zijn ervan overtuigd, dat het vele, dat door ons besproken wordt en door ons gezegd, werkelijk waar en in de praktijk bruikbaar is.

Wanneer u ernstig zelf streeft volgens de leringen, die wij u geven, zo vindt u in uzelf krachten, vermogens, een innerlijke blijheid, waardoor u ook praktisch vele dingen tot stand zult kunnen brengen, die officieel voor u eigenlijk niet mogelijk zouden zijn. Wie op de juiste wijze leert denken en leven, vindt innerlijke vrede en ziet wonderlijke dingen gebeuren. Vraag niet waarom of hoe. In dit verband is het voldoende de feiten te constateren.

Terugkerende tot de vreemde denk- en handelwijzen van de mensen, vraag ik mij af, waarom zo velen strijdig handelen met hun eigen geloof en denken. Ik weet, dat een zeer puriteinse bankdirecteur, die roken, drinken en vrouwen zondig acht, gebruik maakte van afbeeldingen van dames, die zoveel mogelijk bloot lieten zien, binnen het kader van het wettelijk nog toegestane. Hij trachtte op die wijze de aandacht op zijn bank te vestigen en de geldomzet van deze instelling te verhogen. Let wel: Deze man beweert te geloven, dat alle lichtzinnigheid de mens ter helle doet gaan, terwijl vooral seksualiteit, met ander doel van de productie van kinderen, een vloek is, die alleen uit de erfzonde van Adam kan zijn voortgekomen en sindsdien het machtigste wapen van de duivel vormt. Volgens hem dient de mens zich alleen bezig te houden met zijn taak in het leven en de bijbel. Vermaak is uit den boze. “De mens leeft alleen om hard te werken om God te verheerlijken”, zo stelt hij. Zo gezien stelt hij zijn persoonlijke en door hem zeer gevreesde duivel aan de deur van zijn instelling om klanten te lokken. Wat mij voor eventuele nieuwe cliënten van zijn bankinstelling, nu niet direct veelbelovend lijkt.

Deze mens meet met twee maten. Een voor zijn zaken, waarin klaarblijkelijk alles is toegestaan en een voor zijn verdere leven, waarin klaarblijkelijk bijna alles duivels en verboden is. M.i. meer dan dwaas. De dwaasheid van dit alles komt ook tot uiting bij mensen, die bepaalde idealen nastreven. Alles kan in de praktijk anders gaan dan het ideaal stelt, men kan zelf in strijd met het ideaal handelen, door noodzaak gedreven. Maar het ideaal is en blijft juist en goed, de stellingen daarvan zijn de enige waarheid.

Voorbeeld: Wat Marx heeft gesteld, is de waarheid, vooral indien wij daarbij de interpretatie van Lenin gebruiken. Weliswaar zijn de stellingen van Marx in wezen alleen een theorie omtrent de ontwikkelingen in een industriestaat, terwijl men in deze stellingen vele fouten kan aanwijzen, maar daarover spreekt men niet. Degenen, die deze stellingen aanvaarden, gaan daarvan uit als van een enige waarheid, ook wanneer zij landbouwers zijn en wonen in een staat met weinig of geen industrie. Door zich te houden aan die stellingen komt een land in nood. Dan ontstaan er toenemende verwarringen op allerlei terrein. Er ontstaat hongersnood.

Maar dat kan nooit aan de stellingen liggen, want Marx heeft het gezegd, Lenin heeft het bevestigd, dus: Het is goed. De schuld moet bij saboteurs liggen enz.. Wanneer de mensen zich niet blijken te houden aan de waarden van hun geloof, wanneer deze afwijking door de bittere noodzaak tot stand komt, zo zijn de fouten niet te wijten aan een verkeerd geloof, maar aan de zondige mensheid.

Tegen deze dwaasheid protesteer ik! Of u spreekt over politieke idealen, over een geloof, over cultuur, over moraal, de stellingen, waarvan u uitgaat, zullen alleen goed zijn, wanneer zij kenbare en goede resultaten voortbrengen in het heden. Wat in het verleden geschiedde, kan nimmer de maatstaf zijn voor de waarde, die deze dingen in het heden hebben. Wanneer een geloof enz. werkelijk u iets geeft, wanneer u werkelijk daarin resultaten boekt, is het voor u de moeite waard. Ga er dan mee door en houdt u er aan. Maar wanneer er geen voor u bruikbare resultaten ontstaan, wanneer u niets vindt van innerlijke zekerheid en vrede, doet u beter dit alles links te laten liggen en uw eigen weg te gaan. Er is niets, wat in de plaats kan treden voor uw eigen en persoonlijk beleven op aarde. Onthoud dit. U moet zelf leven en ervaren. Er is geen andere weg. U wenst allen de vernieuwing? Uitstekend, maar wat doet u zelf om deze vernieuwing te bereiken? Wat doet u er zelf aan? U wilt een geestelijke bewustwording? U wilt opgenomen worden in het Licht? Uitstekend, maar wat doet u dan zelf om dit te bereiken? De meesten blijken rustig en daadloos te wachten, tot er een engel komt om het begeerde aan hen te schenken, of hen tot de hoogste sferen op te vijzelen; waardoor er niets gebeurt. God is geen liftbediende, die de mensen op wens komt halen. Jezus is – volgens Zijn eigen woorden – een weg. Een weg betekent een pad, dat men zelf moet gaan, niet een automatische transportband, waar je alleen maar op hoeft te stappen om zonder meer het begeerde doel te bereiken. Dat vergeet men steeds weer.

Daarom herhaal ik nogmaals, dat stellingen en geloof van anderen voor u weinig kunnen betekenen. Wat geeft u innerlijke kracht? Wat brengt u resultaten? Wat blijkt voor u steeds weer belangrijk te zijn in het leven? Dat is de vraag. Op deze dingen komt het werkelijk aan.

Een mens, die alleen maar uitgaat van hetgeen theoretisch juist is, zonder door proeven voor zich de juistheid te bevestigen, wanneer de theorie door hem als alleen belangrijk voor eigen leven wordt gezien, is een dwaas. Indien een geloof – of theorie – in strijd blijkt te zijn met de werkelijkheid, waarin u leeft en niet – bij gebruik van de daarin theoretisch aangegeven middelen en wegen, tot een werkelijk resultaat voert – zult u moeten experimenteren met andere waarden en krachten, zult u moeten trachten een andere weg te vinden. Wanneer er geen resultaten zijn, dient men te beseffen, dat – zo eigen pogingen inderdaad aan alle eisen hebben beantwoord – men meent, dat men aan de gestelde eisen ook inderdaad kan beantwoorden, hetgeen nut heeft dezelfde stellingen en leringen aan te blijven hangen.

Het heeft geen zin voort te draven in steeds dezelfde gang, wanneer men daarmee niets bereikt. Menigeen doet niet anders dan in een kringetje lopen zonder ooit verder te komen. Zij besteden zeer veel tijd met zoeken, tot zij uiteindelijk een theorie vinden, die hen – geestelijk of materieel – een goed voertuig lijkt voor hun ambitie. Zij weigeren de proef op de som te nemen en blijven zo zonder werkelijke successen voort gaan. Het is mooi theorieën te hebben, maar wat hebt u aan theorieën, die niet in de praktijk kunnen worden omgezet? Zoals het mooi is een weg te vinden. Maar wat heb je aan een weg, wanneer je zelf niet in staat bent deze weg te gaan? Feiten zijn in deze dagen belangrijker, dan iets anders. Nu kunnen wij ons natuurlijk allen gaan beroepen op de vernieuwingen en veranderingen, die zullen komen. Wij kunnen zelfs – wanneer wij goed ingelicht zijn – stellen, dat in januari 1925 de mens werd geboren, die – zodra de tijd rijp is daarvoor – ook openlijk bekend zal worden in een groot deel van de wereld als de nieuwe meester, de voorloper van de vernieuwing, de brenger van de nieuwe leer. Maar heeft u nu iets aan die verwachtingen voor de toekomst? Wij kunnen wel uitroepen, dat God in de wolken neer zal dalen tot de wereld en zo Zijn Godsrijk op aarde zal vestigen. Maar heeft u daaraan iets, wanneer uw huidige problemen niet opgelost worden? Degenen, die alleen maar over de toekomst spreken, zijn degenen, die menen, dat tien vogels in de lucht belangrijker zijn, dan de mogelijkheid om één vogel in de hand te hebben. Daarom is het goed het heden na te gaan en de praktische mogelijkheden, waarden en betekenis daarvan allereerst te beseffen. Vraag uzelf af, hoe het staat met uw geloof. Is daarin voor u werkelijk een bron van kracht gelegen? Brengt het u werkelijk tot een wijze van leven en denken, die u vrediger en gelukkiger maakt? Maakt uw geloof voor u zowel een aanpassing aan de behoeften en noodzaken van de wereld mogelijk, als een erkennen en benutten van krachten, die in uw wereld nog niet algemeen en redelijk erkend kunnen worden? Wie hierop “ja” kan antwoorden is een gelukkig mens. Hij behoort tot de weinigen, die een geloof hebben, dat voor hen werkelijk inhoud heeft, inplaats van een reeks van holle frasen zonder nut oneindig te herhalen.

Vraag u eens af: Hebben alle leerstellingen, die ik aanvaard, alle esoterische en godsdienstige praktijken, die ik volg, werkelijke resultaten voor mij, ook wanneer ik deze resultaten niet geheel kan overzien? Wat heb ik, dankzij deze invloeden, voor anderen kunnen doen? Wat heb ik – krachtens deze invloeden – voor mijzelf als bewustzijn bereikt? Wat heb ik in het leven daardoor tot stand gebracht? Wanneer u kunt antwoorden, dat u hierdoor in staat bent geweest veel voor anderen, zowel als voor uzelf, te doen, bent u gelukkig, zelfs indien het soms zwaar is gevallen de leringen en stellingen te blijven volgen en aanvaarden. Maar dan bent u ook een van de weinigen. Vraag u verder eens af, hoeveel tijd u besteedt met een u opwinden over zaken, waarvan u weinig of niets afweet en waarop u weinig of geen invloed uit kunt oefenen.

Voorbeeld: Plan Bunker, Nieuw Guinea, de houding van Kennedy, Chroesjtsjov enz.. Hoeveel tijd en energie kost u dit, die u evengoed – of beter – aan misschien minder belangrijke, maar voor u wel kenbare en beheersbare zaken kunt besteden, zodat u wel iets kunt doen? In het laatste geval immers zult u kunnen zeggen, dat uw ergernis, uw nadenken, voert tot handelingen en daarmee tot resultaten.

Verspil uw krachten niet aan het onbereikbare. Om dit alles eenvoudig samen te vatten: Vraag u steeds weer af, wat vandaag mogelijk is, wat er vandaag volbracht kan worden, vraag u steeds weer af, wat vandaag uw kracht is, waaruit u vandaag leeft. Spaar overbodige moeite en erger. Wat heeft u er aan te commanderen, wanneer toch niemand u gehoorzaamt? Wat is het nut, wanneer men leraart, maar niemand wil luisteren? Wat heeft men er aan geheel de wereld in eigendom te gewinnen, wanneer men toch niet weet, wat men daarmee zou moeten doen? Wat heeft u aan cultuur, die u innerlijk niet beleeft en waardeert? Wat heeft u er aan van Bach te genieten, terwijl u in uw hart meer naar “van-je-hela-hola” hunkert? Wat is het nut van een bewonderend staan voor een niet begrepen abstract schilderij, alleen maar omdat een cultuurridder heeft gezegd, dat deze schepping, waarin een polychrome melancholie werd uitgedrukt door vaag aangeduide triangels, zodat de grijze zwarten, goed gecompenseerd door de kleuren lading van een rijk palet, een waar  kunstwerk is?

Lieg niet tegen uzelf en dwing uzelf niet deze dingen mooi te vinden, wanneer u eigenlijk veel liever kijkt naar een suikerzoet meisjesportret op een bonbondoos. Schaam u niet voor uzelf; leef, zoals u bent, maar breng iets tot stand. Maak u zelfs uit mijn voorbeelden en vragen eens een narrenspiegel en vraag u af, in hoeveel opzichten u misschien dwaas bent, in plaats van – zoals u meende – verheven door de geleende, maar nooit begrepen, wijsheden en stellingen van anderen. Bedenk, dat de mens, die zich bezig houdt met waarden, die hij hanteren kan en zich beperkt tot belangstelling voor punten, die hij werkelijk kan begrijpen en overzien, nimmer een dwaas is. Dwaas zijn alleen zij, die uit behoefte aan zelfverheffing, zichzelf bedriegen, waarden te hanteren, waarvan zij noch de kracht, de inhoud, noch de feitelijke waarde kennen.

Hoort u bij de narren? Of heeft u misschien iets aan de theorie, omdat u eerst altijd nagaat, of deze voor u belangrijk en waardevol kan zijn? In het laatste geval hebt u misschien iets aan het volgende: Wat ik geloof, moet voor mij in geheel mijn leven een werkelijkheid zijn. Niet alleen zal ik zelf alle regels en waarden van mijn geloof in praktijk om moeten zetten, maar ook oorzaak en gevolg, de verschijnselen, buiten mij en in mij, dienen in overeenstemming te zijn met dit geloof. Is een van deze punten niet in orde, dan wordt het tijd om eigen houding eens na te gaan en deze te herzien, wanneer dit mogelijk en noodzakelijk blijkt. Is mijn houding geheel in orde, dan deugt mijn geloof niet. Stelt een geloof mij onmogelijke eisen, waaraan ik niet tegemoet kan komen, ondanks al mijn pogen, dan wordt het tijd na te gaan, wat ik dan wel kan doen en verwerkelijken en mij een geloof te zoeken, dat beter past bij mijn mogelijkheden. U gelooft in de Goddelijke liefde, in het Goddelijke Licht? Goed, maar gelooft u daarin voldoende om deze krachten, dit licht, deze liefde in u te laten werken? Weet u voldoende, wat Goddelijk licht, Goddelijke kracht, Goddelijke liefde eigenlijk betekenen? Heeft u daarvan wel een beeld? Weet u, dat voor mij deze waarden geheel de wereld omvatten en een aanvaarden daarvan geen enkele uitsluiting door mijzelf gedoogt? Weet u, dat deze waarden praktisch moeten worden nagestreefd, maar dat zij dan ook in u tot uiting komen en zelfs geheel uw innerlijk wezen kunnen veranderen? Beseft u, dat een aanvaarden van Goddelijk licht en Goddelijke liefde inhouden, dat u al het Zijnde zonder enig voorbehoud dient te aanvaarden?

Wanneer u dit niet begrijpen kunt, wanneer u niet zonder voorbehoud alles aanvaarden kunt, wat er in de Schepping bestaat, spreek dan liever niet over het Goddelijke licht en de Goddelijke liefde, maar zoek een andere, eenvoudiger waarde, waaraan u wel kunt beantwoorden, waarmee u wel harmonisch kunt zijn. U gelooft ongetwijfeld ook aan de geest, de samenwerking tussen de werelden van de geest en van de materie. Het is duidelijk, dat deze samenwerking niet voortdurend en altijd in uw eigen leven tot uiting kan komen. Maar toch kunt u rond u bepaalde werkingen zien, verschijnselen waarnemen. U kunt toch in ieder geval vaststellen, dat er bepaalde werkingen, buiten de stoffelijke wereld om, aan het werk zijn? U kunt vaststellen, dat er wel degelijk boodschappen uit de geest worden gegeven, die zin hebben en niet alleen maar op onderbewustzijn en het reeds bekende berusten kunnen? Dan is het voor u redelijk in die wereld van de geest te geloven, maar geloof er slechts zover in, als de werking van de geest kenbaar is, zodat uw geloof door de feiten kan blijken juist te zijn.

Geloven mag u aan alle dingen, zover uw innerlijk daaraan beantwoorden kan en uw eigen wereld het geloof bevestigt, althans niet door feiten tegenspreekt. Bedenk verder, dat, juist wanneer de geest tot u spreekt, wanneer u te maken hebt met wezens uit een andere wereld, een door u niet bekende groep, hun verklaringen voor henzelf geheel juist kunnen zijn, terwijl zij voor u kennelijk niet juist zijn. Wanneer ik stel, dat allen hier aanwezig, zo dadelijk naar huis kunnen vliegen, zo is dit voor mij waar en juist, want de geest kan immers de zwaartekracht overwinnen, maar vanuit uw standpunt is dit niet waar. Tenzij ik in staat ben de techniek van het vliegen u te leren, doe ik er dan ook goed aan over deze hypothesen niet al teveel te praten. Theorieën zijn noodzakelijk, maar dienen altijd door de praktijk gevolgd te worden. Wanneer dit laatste niet mogelijk blijkt, kunt u zelfs de meest ware theorieën beter naast u neer leggen en stellen: Voorlopig gaat mij dit niet aan.

Wanneer ik stel, dat u buitengewoon braaf moet zijn op aarde, opdat God u daarvoor later zal belonen, klinkt dat alles mooi. Maar voor u moet ook de vraag gelden: Heb ik daar op het ogenblik iets aan? Heb ik tenminste in mijzelf een zekere vreugde, een vrede, een ervaring, die mij zegt: Dit is goed, dit is heilig, dit is juist? Wanneer u innerlijk geen antwoord vindt op de voorschriften, die men u geeft, maak u er dan niet druk om. Men kan u zoveel beloven.

Houd u er dan niet mee bezig en zorg liever, dat u op aarde vrede kent. U leeft, u werkt, u bent het, die hier op aarde – alleen of met anderen – moet ervaren en tot stand brengen. U heeft een zekere vrijheid van wil. God kan u niet leven, de geest kan uw leven voor u niet voeren. U dient zelf te leven, zolang u mens bent, met eigen ik, met eigen bewustzijn – hoe beperkt misschien ook – zult u leven, aanvaarden en verwerkelijken. Daarom zult u er goed aan doen alleen datgene in het leven te aanvaarden, wat zin voor u heeft, wat u kracht geeft, waarin u weten en vrede vindt. Dit alles is natuurlijk in tegenspraak met veel, wat omtrent geloof e.d. al te vaak op zoetsappige toon wordt gedeclameerd, maar dit is alles is waar.

Daaraan kunt u niet ontkomen. Feiten zijn in dit verband de waarden, die zich in en buiten u duidelijk kenbaar manifesteren. Bedenk wel, dat men steeds en allereerst uzelf aan de voorwaarden zal moeten beantwoorden. Wanneer u niet in God gelooft, is het niet meer dan logisch, dat Zijn kracht in en buiten u voor u niet kenbaar is en niet gemakkelijk zal kunnen worden beleefd. Wanneer u zich alleen tot God wendt als iemand, die in hoogste nood midden op de Stille Oceaan een voorbijganger aan wil roepen – die er niet is – zal uw aanroep en gebed ook niet veel uithalen. Wanneer men werkelijk in God gelooft en zich geheel op die God richt, ontstaat harmonie. Dan moet die God antwoorden. Indien er geen antwoord komt, gelooft men op de verkeerde manier. U behoeft het natuurlijk niet bij een enkele proef te laten, herhaal uw proef desnoods 100 keren. Maar wanneer er dan geen antwoord volgt, dient u ook te stellen: Nu blijkt het oude niet juist, niet dienstig. Ik zal een nieuw geloof moeten zoeken, een nieuwe weg moeten gaan. Stel u vooral in een dergelijk geval niet tevreden met de verklaring, dat dit alles later in de sferen wel zal komen. Zelfs indien het waar is en u in de sferen kunt bereiken, zal nog het leven van heden, het leven, dat u nu voert, alles wat nu bereikt wordt, voor u het meest belangrijke blijven. Uit alles, wat vandaag wordt beleefd en bereikt, zult u later in die sferen moeten leven. Iets, wat op stoffelijk terrein heel wel wordt beseft. Wanneer men daar stelt, dat de ouden van dagen over 200 jaren allen in rijkdom zullen leven, in het bezit van eigen auto en huis, zal de mens van heden toch eerst vragen, of het niet mogelijk is dat hij nu iets meer krijgt. “Al is het maar één dubbeltje per dag”.

Dan zegt men: Wat heb ik aan beloften. Geef mij liever vandaag iets concreter. De gelovige zal stellen, dat het stoffelijke leven aan tijd is gebonden, het eeuwige niet. Maar zelfs dan geldt nog, dat het stoffelijke leven de basis is voor die eeuwigheid van morgen. De mensen blijken bijgelovig te worden, zodra de zaak – waarom het gaat – meer abstract wordt. Maar heeft een dergelijk bijgeloof nu werkelijk wel waarde? Is het wel juist zomaar te stellen: Het staat in dit of dat boek. Deze of gene heeft het gezegd, dus is het zonder enige twijfel waar.

Onredelijk wordt een dergelijke vorm van geloof vooral, wanneer men afgaat op algemene regels en stellingen, u als dogma gesteld door mensen, die van uw innerlijk, uw leven en uw mogelijkheden niets maar dan ook niets afweten. Wanneer ik innerlijk een band met God ervaar, zo is er immers niemand, die mij kan vertellen, hoe ik die band zal ondergaan, uitdrukken, hoe zij voor mij werkelijk zal zijn? Dat is mijn kracht, mijn beleven. Niemand kan stellen, dat deze beleving alleen waarde heeft, wanneer zij aan algemeen gestelde belevingen beantwoordt. Wanneer zij mij werkelijk is en werkelijke resultaten op kenbaar vlak brengt, is dat genoeg. Wanneer ik een mens kan genezen, is het dan belangrijk op welke wijze ik die mens genees? Wanneer hij maar geneest, nietwaar? De wijze waarop, de kracht, waarmee dit geschiedt, is de mijne, daarmee heeft niemand verder iets te maken. Wanneer iemand uit de dood wordt opgewekt, is het toch niet noodzakelijk om voor het verrichten van het wonder eerst volgens algemeen geldende begrippen te verklaren, waarom die dode nu wel op staat? Volgens, mij is het voldoende, wanneer die dode weer leeft.

Alles, wat mij betreft, moet ik voor mijzelf kunnen aanvoelen, beleven en verklaren, anders is het zinloos. Wanneer ik mij voortdurend zwak en krachteloos gevoel, wanneer niets mij gelukt, moet daarvoor een andere oorzaak zijn. Wanneer die oorzaak gevonden wordt, dien ik mij af te vragen, wat daaraan te doen is. Indien men mij zegt, dat ik die kwaal langs de geestelijke weg kan verdrijven, wanneer ik daaraan geestelijk dus iets zou kunnen doen, is de stelling alleen juist, wanneer er ook resultaten zijn. Is dit laatste niet het geval, dan is de stelling een illusie. Verkrijg ik het gestelde resultaat, dan zal de achtergrond, waarop de genezing gebaseerd is, eveneens waar zijn. Slechts dwazen weigeren dan een dergelijke waarheid te aanvaarden en worden beloond met een terugkeer van de oude kwaal.

Ook het verleden geldt niet. Wij mogen ons nooit baseren, op wat wij eens geweest zijn, maar dienen steeds weer uit te gaan van alles, wat wij vandaag kunnen presteren. De maatstaven van vroeger zijn vandaag niet belangrijk meer. Wat vandaag geldt, wat vandaag praktische werkingen en gevolgen toont, is waardevol. Al het andere heeft zijn zin verloren. In uw tijd zie ik, hoe men – met veel moeite en kosten – tracht wormstekige begrippen en waarden uit het verleden te behouden, ofschoon zij duidelijk in deze dagen geen werkelijke betekenis meer hebben. Degenen, die zich hiermee bezig houden, zijn in mijn ogen dwazen, want in hun zoeken naar het verleden, verloochenen zij het heden en de waarden, die daarin schuil gaan. Men dient zich bij de feiten neer te leggen. Steeds en niet alleen maar, wanneer het toevallig past.

Voorbeeld: Aantal echtscheidingen in vergelijk tot het aantal gesloten huwelijken, alles in westerse staten, waarin echtscheiding is toegestaan: 25% of 1 op 4. Opgegeven redenen: overspel 16%, geestelijke wreedheid enz. 2%, verlating 7%. Alles bij benadering. Wanneer men dan stelt, dat wij zedelijk moeten leven volgens de geldende opvattingen en deze beschouwen als de wetten van God, is dit niet aanvaardbaar. Wanneer uit de bestaande opvattingen zoveel onheil voortkomt, deugen zij niet. De praktijk blijkt te sterk te verschillen van de openlijk aangehangen regels, om deze nog geheel aanvaardbaar te achten. M.i. dien ik mij niet af te vragen, wat de openbare opvatting van moraal en zedelijkheid is, maar dien ik mij voor mijzelf af te vragen, in hoeverre ik deze innerlijk als aanvaardbaar en juist gevoel, want naar mijn innerlijk bewustzijn, niet naar de uiterlijke schijn, zal ik in de praktijk kunnen leven. Wanneer voor mij bepaalde dingen werkelijk en onvermijdelijk een noodzaak vormen, dan kan men mij wel zeggen, dat er ergens een God is, die mij dit verbiedt. Maar ik zal goed doen, te zoeken naar een God, die het mij mogelijk maakt te leven naar mijn mogelijkheden.

Een ander voorbeeld: Wanneer wij het totaal aantal verkeersongevallen stellen op 100, zal daarvan door onachtzaamheid, zich bewust niet houden aan verkeersregels, drankmisbruik, ruim 78% ontstaan. Verder blijkt, dat deze 78% gelijk komen met 90% van de ongevallen in het verkeer, die een dodelijke afloop hebben. Hieruit blijkt, dat de onverantwoordelijkheid van de weggebruikers aansprakelijk is voor het merendeel van de ongevallen en bijna alle werkelijk ernstige ongevallen. Maar men gaat rustig door met een zich baseren op de verkeersregels, neemt deel aan het verkeer op basis van de rechten, die men hierin toegekend vindt en weigert ook maar na te denken over een regel, waarin strengere straffen opgenomen zouden kunnen worden, terwijl anderzijds de vrijheid van het verkeer minder belemmerd wordt.

Nog een voorbeeld: Uitgaande van de 3 grootste godsdiensten op de wereld, kan worden gesteld, dat nog geen 3% van het opgegeven aantal uit werkelijk gelovigen bestaat, 30% van de gelovigen doet zo nu en dan iets aan het geloof, maar kiest de gemakkelijkste weg, zodra eigen belangen in het geding komen, 15% gaat ter kerke om zuivere materiële redenen als aanzien, positie, relaties. De rest doet er werkelijk helemaal niet aan en grijpt alleen uit traditie terug op de kerk bij buitengewoon belangrijke gelegenheden als huwelijk en dood.

Op grond van het voorgaande kan worden gesteld, dat de pretentie een wereldomvattend waar geloof te zijn, op geen van de drie kerken redelijk betrekking kan hebben. Stel: Ik leef, ik ben. Dat, wat ik nu ben, is mijn wezen. Dit te erkennen en van daaruit te streven, is mijn kracht en mijn bewustwording. Alleen wat ik nu van hogere krachten in mijzelf kan ervaren en beleven, is mijn contact met de eeuwigheid. Dat, wat ik nu tot stand breng, is deel van de Schepping en in het Goddelijke onvergankelijk. Wat ik morgen tot stand wil gaan brengen, is meestal gebaseerd op mijn in gebreke blijven, mijn mislukkingen van heden. Wanneer ik weiger de werkelijke toestand in het heden te aanvaarden, faal ik. Dit falen zal in elk volgend moment van mijn bestaan weerspiegeld worden. Ik zal de gevolgen van dit niet aanvaarden nimmer kunnen ontwijken en zal altijd de invloeden daaraan ten volle moeten ondergaan. Daarnaast staat, is dat – wanneer ik waarlijk kan geloven en in mijzelf werkelijk de kracht kan vinden om te aanvaarden, wat het heden is – ik alles zal kunnen bereiken en volbrengen. Daarbij mag ik natuurlijk niet alleen op mijn manier de verwezenlijking, van hetgeen in mij leeft, eisen, want God is meer, dan ik ben. Maar in ieder geval zal ik – feitelijk en in mijn eigen wereld kenbaar – de Goddelijke kracht uit kunnen dragen.

Wanneer u dit beseft, wordt het tijd verder te spreken over de vernieuwing, die wij allen verwachten. Vraag u af, of de vernieuwing tot stand zal kunnen komen op een voor ons aanvaardbare en beleefbare wijze, wanneer wij steeds maar weer spreken over morgen en wachten tot anderen de vernieuwing voor ons tot stand hebben gebracht. Vraag u eens af, of u met woorden alleen, met uw redevoeringen en overpeinzingen alleen, ooit dichter bij de werkelijkheid van vandaag bent gekomen, of u daardoor ooit werkelijk iets tot stand hebt kunnen brengen. Ga daarbij steeds uit van werkelijke mogelijkheden en werkelijke bereikingen. Wie op deze vragen eerlijk “ja” kan zeggen, dit voor zich en zo nodig zelfs anderen met bewijzen stavende, kan zeggen: Ik heb de weg van de vernieuwing reeds gevonden. Voor mij is de vernieuwing niet meer iets, wat eens in een verre toekomst zal bestaan, maar eerder een proces van persoonlijke bewustwording, dat ik reeds heden beleef, waarin ik reeds nu rijker, krachtiger en sterker word.

Op het ogenblik, dat u, vrienden, alleen maar stelt: Ik weet, dat de vernieuwing aan de gang is, maar weet nog niet, wat ik er mee moet doen…. zo stelt u in feite: Deze vernieuwing is er voor mij niet. Ik heb er geen deel aan…. Tenslotte wil ik hieraan enkele woorden vanuit het geestelijk standpunt toevoegen. Wanneer ik de krachten van de harmonie, die de belangrijkste zijn op het ogenblik, die wij ons op aarde of in de sferen kunnen denken, in mijzelf kan activeren, zal er vanuit mij een zekere kracht vloeien. Elke ware harmonie, die ik op mijn eigen vlak bereik, betekent tevens een harmonie op hoger niveau met alle krachten boven mij.

Alle krachten boven mij wel te verstaan, die binnen mijn eigen reeks en weg van ontwikkeling liggen. Wanneer meerderen, die een dergelijke harmonie bezitten, samen zijn, ontstaat een zeer sterk krachtveld. De kracht zelf is voor ons in de sferen zo reëel als voor u een stuk steen. Het is een waarde, die je kunt opstapelen, bewaren, of laten werken. Vergelijkend is deze harmonische kracht voor de geest van evenveel belang, als op aarde atoomenergie. Waar op aarde harmonie gevonden wordt en beleefd, wordt dan ook door mensen zelf reeds een kracht geschapen, die in staat is alles te beheersen buiten de eigen ontwikkeling van de mensen. Hierin wordt tevens een mogelijkheid geschapen voor directe manifestaties van hogere krachten, terwijl ook directe bereikingen in de stof hieruit voort kunnen komen.

Harmonie is ook de basis van alle magie, die een harmonie zoekt te vinden met krachten, waardoor een schijnbaar onmogelijke prestatie mogelijk wordt, al dan niet door zuiver stoffelijke invloeden. Elke mens, die de harmonie in zichzelf vindt, heeft reeds iets van deze kracht. Waar mensen samen komen, die met elkaar harmonisch en in overeenstemming zijn – ook wanneer zij alleen maar gezamenlijk een kopje thee drinken en een grap vertellen – is deze zelfde kracht in versterkte mate aanwezig. Daarom zal het voor u op uw wereld goed zijn boven alles harmonie te zoeken, ook wanneer u zich alleen aan de feiten houdt en elke theorie op de proef stelt. Beperk u daarbij tot alles, wat voor u te overzien is, waar dit mogelijk is.

Bedenk verder, dat “vandaag” belangrijk is. “Morgen” brengt eigen mogelijkheden en zorgen, waarover u nu nog niet werkelijk oordelen kunt. Het enige deel van de toekomst, dat vandaag van belang voor u kan zijn, is het deel, waarvoor u vandaag daadwerkelijk voorzorgen nemen kunt en maatregelen treffen volgens de behoeften, de harmonische mogelijkheden en feitelijke noodzaken van het heden.

Vanuit de geest gezien is er in uw wereld niets belangrijker dan het scheppen van harmonische verhoudingen tussen de mensen, het ontstaan van werkelijk harmonische groepen en een op innerlijke vrede en harmonie gebaseerde wereldaanvaarding. Daarom raad ik u – ongeacht hetgeen u voor morgen verlangt te bereiken – u steeds weer te baseren op de harmonische mogelijkheden van vandaag. Wanneer u harmonie kunt vinden in deze dagen, zult u vele schadelijke invloeden in en rond u kunnen elimineren. In en rond u zult u dan steeds weer vast kunnen stellen dat het onmogelijke mogelijk wordt.

Vanuit mijn standpunt en wereld weet ik zeker: Er is een lichtende kracht. God. Er is een gloed en glans, die in mij leeft. Het is niet een kracht, die mij tevreden en gelukkig maakt; maar zij geeft mij vrede en maakt het mij mogelijk mij steeds beter te uiten, steeds vollediger en juister te leven. Ik weet, dat vele dingen, die mij eens onmogelijk waren, nu door deze kracht in mij tot mogelijkheid worden. Ik weet, dat het mij, vanuit die kracht, mogelijk zal zijn om de Goddelijke wil te volbrengen met waar bewustzijn en groter inzicht in de betekenis van mijn eigen wezen en de Schepping. In de sferen is mij dit gegeven, maar ook voor u zal het bereikbaar worden, zelfs in de stof, indien u God eerlijk, oprecht en zonder voorbehoud, weet te aanvaarden, daarbij steeds weer strevende naar de juiste harmonie met de mensen rond u.

Overigens: alleen wanneer de mensen in hun stoffelijke leven leren dit voorop te stellen, zich daarbij houdende aan de ook in de stof steeds weer kenbare werkingen en feiten, zijn zij m.i. geen narren en is mijn narrenspiegel overbodig.

0-0-0-0-0-0-0-0-0

Praktische uitleg van esoterische waarden

Dit tweede gedeelte van onze bijeenkomst dient – volgens gewoonte – aan esoterie gewijd te worden. Gezien het voorgaande onderwerp, waarin immers zo sterk de nadruk is gelegd op het feit, dat men de boom dient te kennen aan zijn vruchten, voel ik mij gedwongen te zoeken naar een meer praktische uitleg van esoterische waarden en een aanduiden van de meer praktische mogelijkheden van het innerlijke pad.

Wij kunnen natuurlijk stellingen opbouwen, die tot in de hemel reiken. Wij kunnen voor onszelf wegen ontwerpen, die voeren tot in de oneindigheid. Ik ben het met mijn voorganger in zoverre eens, dat, naar mijn mening, deze dingen slechts profijt met zich brengen, wanneer wij de ontworpen wegen ook metterdaad kunnen gaan, wanneer wij de toren van de ideeën ook in de praktijk kunnen beklimmen. Hiermee rijst voor mij de vraag, welke dan de meest praktische stellingen binnen de esoterie zijn en welke de duidelijkst kenbare gevolgen zijn, die uit het esoterische streven voort kunnen komen. Allereerst stuit ik dan op een moeilijkheid: Waar de esoterie gebaseerd is op het innerlijk en de geestelijke waarden, zal zij zich slechts zeer zelden kunnen openbaren in de tekenen van stoffelijke welvaart en succes, die men op aarde zo zeer bewijs krachtig acht en zo zeer op prijs pleegt te stellen. Toch wil ik trachten nu enkele eenvoudige punten en regels voor u te geven, die niet geheel zonder kenbare gevolgen in de stof zijn en – naar ik meen – voor een ieder, die op aarde streeft, ook inderdaad bruikbaar zullen zijn.

Allereerst wil ik stellen: Elke erkenning van het eigen ik, hoe onvolledig ook, dient gepaard te gaan met herstellen van alle fouten, die in het ik erkend werden. Tevens dient men alle goede zijden en mogelijkheden binnen dit ik te bevorderen en in de praktijk om te zetten, zo er innerlijk of uiterlijk ook maar sprake zal zijn van enig resultaat van het streven. Een eerlijk streven naar zelferkenning – zelfs op het laagste niveau – zal altijd resulteren in een juistere aanpassing aan de wereld. Het gevolg hiervan zal o.m. een beter rusten, een rustiger leven en zekerder bereiken zijn. Bovenal zal men het vermogen verwerven, zijn doel in de wereld steeds meer in overeenstemming met eigen wezen te kiezen, zo dit met steeds groter zekerheid verwezenlijkende.

In deze punten ligt een zeer eenvoudig en praktisch begin, dat nuttig kan zijn voor een ieder, die zich met esoterie bezig houdt of wil gaan houden. Indien ik met het beschouwen van de mens en zijn mogelijkheden verder ga, ontdek ik in dit wezen, waarin onder de naam geest – of ziel – zovele verschillende voertuigen samenkomen, een reeks mogelijkheden, die door de doorsnee mens niet eens vermoed worden. Wanneer ik mij bewust word van een deel van mijn wezen, dat niet geheel materieel bestaat, zal dit resulteren in een kennis, die boven het redelijke ligt, maar toch op materieel vlak bruikbaar blijkt te zijn.

“Alles, wat waardevol is in een esoterische bewustwording, moet ook in de stof praktisch bruikbaar zijn”, zou mijn voorganger stellen. Aan de hand van het voorgaande is deze eis niet zo onmogelijk, als men wel zou menen. Want indien een innerlijke bereiking in een van de sferen ook op aarde bruikbare kennis of krachten oplevert, zal zij op aarde als gevolg van haar bestaan een invloed uitoefenen. Dit des te meer, omdat de innerlijke bereiking immers grote en in de stof tot op heden niet erkende krachten tot uiting pleegt te brengen.

Deze eenvoudige stellingen beantwoorden aan de eisen van mijn voorganger, zonder dat verdere uitleg of verklaring noodzakelijk is. Waar ik nog wat verder wil doordringen in de meer geestelijke waarden van de esoterie, zal ik de op zich meer abstracte waarden doen volgen door zoveel mogelijk aanwijzingen omtrent de stoffelijke gevolgen van deze stellingen en bereikingen, zo toch weer enige mogelijkheid tot controle in de stof scheppende.

Er bestaat in de esoterie een groot aantal verschillende wegen, die men allen zou kunnen volgen. Al deze wegen voeren ons uiteindelijk op één punt samen. Laat ons allereerst stellen, dat ook in de esoterie de weg, die wij gaan, een voor ons persoonlijk geheel aanvaardbare weg dient te zijn. Op het ogenblik, dat wij een weg trachten te gaan, die ons persoonlijk niet geheel past, zullen wij deze weg niet geheel ten einde kunnen gaan. In vele gevallen zullen wij eerst met veel moeite tot ons punt van uitgang terug moeten keren. Indien ik een pad werkelijk ten volle en uit geheel mijn overtuiging kan volgen, zal – naarmate ik hoger stijg – alles, wat beneden mij ligt, eenvoudiger door mij overzien kunnen worden. Zoals een mens, die op een toren staat, een groter deel van de stad zal kunnen overzien dan iemand, die gelijkvloers staat. Wanneer ik een overzicht over het leven en de ontwikkelingen daarin zal verkrijgen, is het mij daardoor ook mogelijk juister te kiezen uit verschillende mogelijkheden.

Wat het geestelijke deel van de mens betreft: hier zal het ego – krachtens zijn bijzondere eigenschappen – onmiddellijk kunnen reageren op elke, met het ik verbonden, ontwikkeling, die in het door het ik overziene gebied op zal treden. Wanneer men innerlijk een hoger bewustzijn bereikt, dient te blijken, dat men a.h.w. intuïtief samenhangen doorziet en daarop kan reageren voor deze stoffelijk redelijk kenbaar zijn. U voorziet a.h.w. en reageert op waarden, die volgens de maatstaven van uw wereld voor u nog niet bestaan. Het gevolg hiervan is wederom een juister aanpassen aan eigen wereld, gepaard gaande met een verbluffende zekerheid van denken en handelen, voerende tot het door het ik gestelde doel met een minimum aan strijd en krachtsinspanning. In feite treedt een soort beheersing van waarden in eigen stoffelijke wereld op, die even ver reikt als de waarden van die wereld in overeenstemming zijn met het streven en bewustzijn van het ik. De macht, die men zo verwerft, is wel in de eerste plaats gebaseerd op het feit, dat de geest zich steeds op elk lager niveau kan projecteren zonder enige vertraging, mits zij zich op dit niveau nog bewust kan zijn.

Er is nog een factor van belang: Wanneer ik van een toren spring – als een tweede Jan van Schaffelaar – zo zal mijn eigen gewicht een grotere invloed op alles verkrijgen, waarmee het in botsing komt, dankzij de versnelling van het ik tijdens de val. De versnelling zal worden bepaald door massa, draaiing en beweging van de aarde, zolang men dit beeld stoffelijk beschouwt. Geestelijk wordt het voornamelijk bepaald door het verschil in basiskracht tussen de geestelijke wereld, vanwaar ik mij projecteer en de wereld, die mijn doel is. Dit betekent dus, dat een soortgelijke werking ook optreedt, wanneer de geest zich op aarde projecteert. Want wij bewegen ons allen op een gezamenlijke basis en hebben zo in alle werelden voldoende gemeen, om een uiting van de geest op elk vlak, waarop menselijke factoren nog optreden, mogelijk te maken. Er zijn in de mensheid verschillen op te merken, o.m. in bewustzijn en stoffelijke mogelijkheden. De scherpste grenzen tussen de delen van de mensheid worden gevormd door de z.g. sleutelrassen. Er blijft één gemeenschappelijke basis. Elk hoger geestelijk bereiken zal dan ook op elk niveau van menselijk bewustzijn een vergroting van doorslagkracht, van in het Ik aanwezige energie betekenen. Dit zal zeker het geval zijn, indien men vanuit een geestelijk hoger bewustzijn uit het stoffelijke noodzakelijk tot stand brengt.

Het proces van geestelijke bewustwording of stijging kan vergeleken worden met een werveling. Een mens zal n.l. praktisch nooit rechtlijnig omhoog gaan, rechtlijnig zijn bewustzijn uitbreiden, maar een weg volgen, die nieuwe factoren op doet treden en niet slechts reeds aanwezige factoren op een meer kosmisch peil kenbaar maakt. Ook zij, die het innerlijke pad volgen, zullen ontdekken, dat zij in feite een spiraalvormig pad hebben betreden, een soort wenteltrap, die naar hogere geestelijke regionen voert. Deze beweging kunnen wij vergelijken met een geestelijke cycloon. De invloed en kracht van het Ik zal dan worden bepaald door het tempo van stijging, plus het op het ogenblik van inwerking hoogste niveau.

Tot zo ver zullen degenen onder u, die de esoterie wel eens bestudeerd hebben, dit alles waarschijnlijk bekend vinden. Er is wel één punt, waaraan men geen aandacht pleegt te wijden, ofschoon het in verhouding tot de persoonlijke ontwikkeling en bereiking toch zeer belangrijk is en de verklaring vormt voor vele anders moeilijk te begrijpen verschijnselen.

In het midden van de cycloon treffen wij een soort luchtledig aan, in het midden van de wenteltrap is er een as, die niets bevat. Vergelijkenderwijze kunnen wij nu opmerken, dat het eigen directe bestaan, juist bij het verwerven van een esoterische bewustwording, zich in een soortgelijk luchtledig of Niets bevindt. Wanneer wij een hoog bewustzijn bereiken en zo over vele en grote krachten de beschikking hebben, blijken wij voor anderen zeer veel, voor onszelf zeer weinig te kunnen doen. Ons besef omtrent het eigen ik groeit eveneens zeer traag in verhouding tot het tempo, waarin wij leren de waarheid in de sferen en de wereld buiten ons waar te nemen.

De verklaring is eenvoudig en volgt uit de wijze, waarop het ego is samen- gesteld. Het ego zelf wordt begrensd door de uiterlijke verschijnselen; deze verschijnselen worden juist in hun begrenzing door het ik maar al te vaak met het ik verward, of tenminste identiek daarmee geacht. Zelfs indien een mens in de stof de volle waarheid omtrent zijn eigen wezen zou beseffen, zo zou hij nog het begrip ik blijven associëren met zijn stoffelijk uiterlijk, zijn stoffelijke omgeving, met al haar voor- en nadelen. Deze kan men dan ook alleen wijzigen vanuit een stoffelijk standpunt. Men is hier gebonden aan een voorstelling, een standpunt, dat de basis uitmaakt van eigen wereldbesef.

Men kan niet verwachten, dat men de eigen persoonlijkheid, bv. het eigen stoffelijke wezen, zelf, door een esoterisch bereiken, zal kunnen veranderen. Wel zal men de verhoudingen tussen dit ik en de wereld aanmerkelijk kunnen wijzigen. Hier komen wij voor het eigenaardige geval te staan van de genezer, die zichzelf niet kan genezen. Dit klinkt misschien als een hoon.

Het is volkomen begrijpelijk, wanneer wij ons realiseren, dat de genezer in vele gevallen alleen geneest, wat hij in het eigen wezen heeft bereikt, de contacten van eigen persoonlijkheid, zoals hij die kent met het hogere enz.. Alleen door de erkende persoonlijkheid kan hij de erkende krachten tot uiting brengen. Wanneer hij nu tracht eigen wezen te wijzigen, valt het bestaande ik begrip uiteen en treedt daarvoor een soort droomfiguur in de plaats, waarmee hij zijn motivering en de noodzakelijke harmonie, die – dankzij eigen bewustwording – werd verworden, niet meer op het werkelijke ik kan overdragen. Men kan dan ook alleen vanuit het ego naar buiten toe werken, of van de wereld buiten het ik krachten in zich opnemen; maar men kan niet zonder meer door eigen krachten het eigen ik veranderen. Ik ontdek, dat dit meer een lesje wordt, dan een esoterische verhandeling, maar het kan toch wel nuttig zijn al deze punten eens na te gaan.

Bij elke esoterische bewustwording blijkt ook geloof van buitengewoon belang te zijn. Een innerlijke bewustwording zonder enig geloof blijkt ondenkbaar te zijn. Op het ogenblik, dat er in het ik geen Godsbegrip, geen Godsaanvaarding aanwezig is, blijkt het niet meer mogelijk eigen innerlijke waarden en krachten vrijelijk naar buiten toe te uiten. Dan wordt men door de wereld buiten het ik gedreven en wordt a.h.w. voortdurend een slachtoffer van omstandigheden. Men verkeert in een voortdurende staat van verzet tegen de wereld, die – naar men meent – eigen leven geheel beheerst. Hoe inniger de Godsaanvaarding en beleving binnen het ik wordt, hoe harmonischer men innerlijk wordt, hoe harmonischer men ook staat t.a.v. de buitenwereld.

Nu ontstaat er een vreemde situatie: Zolang men zich op het erkende beroept, kan men – zoals wij vaststelden – zichzelf niet beïnvloeden en bv. genezen. Zolang ik mij alleen beroep op een associatie van het ik met de Godheid, zal dit evenmin mogelijk zijn, omdat een verwerkelijking gebonden blijft aan de nu eenmaal bestaande ik voorstelling. Op het ogenblik, dat men God kan aanvaarden en beleven, zonder zichzelf in het geding te brengen hierbij, zal men ook zichzelf kunnen genezen. Een eigenaardig resultaat, omdat hieruit wel blijkt, dat – ongeacht het bereikte peil van bewustzijn – de Godsaanvaarding een alomvattende en alles beheersende macht uitoefent binnen het ego. Men kan dit alleen verklaren, wanneer men beseft, dat het ik in zijn kern, in zijn basis, zelf Goddelijk is. Het is immers een directe vonk van het Goddelijke?

Indien men voorbij gaat aan dit, op zich overal weer duidelijk blijkende, punt, dan staat men met ledige handen, de verschijnselen zijn nog mogelijk, maar een verklaring daarvoor is niet meer te vinden. De esotericus zal gemakkelijker zijn God kunnen aanvaarden, zonder aan zichzelf te denken, naarmate hij meer van de waarheid omtrent zijn eigen wezen bewust wordt.

Wij horen steeds weer, op aarde – evenals elders en op aarde door vele getuigen geboekstaafd – dat mensen, die zichzelf vergeten in het Goddelijke, wonderen verrichten en – naarmate zij zich meer van God bewust zijn en van hun taak, waarbij het eigen ik meer op de achtergrond geraakt – zij ook grotere en meer blijvende resultaten voort kunnen brengen. Mensen, in verrukking, zweven boven de aarde. Deze vorm van levitatie komt zelden voor, maar is toch zelfs in de moderne tijd meerdere malen gedemonstreerd, zowel door godsdienstige personen, als op meer occult gebied. Voorwaarde blijkt te zijn een soort trance, een zelfvergetelheid. Overal horen wij van wonderbaarlijke genezingen. Niet alleen door bemiddeling van genezers, maar eveneens door mensen, die gegrepen worden door het wonder van een bedevaartsoord.

In godsdienstige overleveringen vinden wij steeds weer een gebed, waarin men zichzelf geheel vergeet, waardoor een onmiddellijke vervulling van het gebed ontstaat. Opvallend is hierbij, dat de minder bewusten het wonder als een soort toeval tot stand brengen, terwijl de meer bewusten dit volgens wil en regel schijnen te kunnen doen. Volgens mij is de zelfvergetelheid voor het volbrengen van het wonder dus noodzakelijk, terwijl degene, die zich meer van eigen wezen en de wereld bewust is, in verhouding meer, meer bewust en naar eigen wil en inzichten, tot stand blijkt te kunnen brengen.

Onder het hoofd “Wonderen” treffen wij overigens nog een belangwekkend verschijnsel aan: Onder zware innerlijke spanningen blijken sommige mensen hun God te kunnen ontmoeten op een zo volledige wijze, dat zij – ook al is er geen esoterische bewustwording in de gebruikelijke vorm aan vooraf gegaan – opeens een bewustzijn van de hoogste graad blijken te verwerven, waarbij zij tevens in staat blijken desnoods honderden mensen tegelijk, zo nodig zichzelf inbegrepen, te genezen. Hoe zelden dit ook voorkomt, toch hebben wij ook in deze eeuw nog enkele van deze fenomenen gezien op aarde. Sommigen van hen werden door het gebrek aan aanvaarding en harmonie met de wereld zó onzeker, dat zij hun verworven gave na enige tijd verloren.

Ook uit dit alles zijn bepaalde conclusies te trekken:

  1. De graad van bereikt bewustzijn bepaalt de hoedanigheid van de Goddelijke kracht, die Zich door het ik op de wereld kan uiten.
  2. Naarmate ik meer in mijzelf van het Licht bewust ben, zal het duister buiten mij voor mij minder dreigend zijn en minder werkelijk lijken. Dit is logisch: hoe meer ik God in alle dingen leer erkennen en aanvoelen, hoe minder waarden voor mij nog onaanvaardbaar, of strijdig met het Goddelijke en/of het eigen wezen kunnen zijn.
  1. Hoe groter mijn eigen vertrouwen in de weg, die ik volg, de weg, die ik ken en de juistheid van mijn streven, hoe sneller voor mij zich gebeurtenissen – vergeleken bij een gemeenschappelijke tijd – af zullen spelen. In een periode van niet volledig aanvaarden, niet geheel op God vertrouwen, zal het aantal voor het ik belangrijke gebeurtenissen per algemeen geldende tijdseenheid aanmerkelijk minder zijn, dan in een periode van verrukking of contact met het hogere.
  1. Alles, wat ik vanuit mijzelf – mijzelf daarvoor aansprakelijk achtende en dit toetsende aan mijn innerlijk begrip omtrent het Goddelijke – volbreng, is een bevordering van het lichtende op de wereld en een vergroting van contact met het lichtende in mij. Naarmate er meer licht is in de wereld, zal ik mij, door het beschouwen en erkennen van die wereld, ook duidelijker kunnen leren kennen en omschrijven.
  1. Hoe meer ik het duister vrees, hoe minder Licht ik in mijzelf zal kunnen ontvangen.
  2. Wanneer ik in God geloof, zal ik aan die God een bepaalde eigenschap als hoofdeigenschap toe moeten kennen, om deze God als werkelijk bestaand te kunnen aanvaarden en ondergaan. Duidelijk indien men zich realiseert, dat een beperkt ego niet de mogelijkheid heeft om de oneindigheid van eigenschappen en mogelijkheden, die in God zijn, te beseffen of te overzien.

Een enkele eigenschap van het Goddelijke kan door het ik wel voldoende worden omschreven en begrepen en zal eveneens door het ik geheel kunnen worden ondergaan. Voor de mens lijkt het mij het beste om de Goddelijke liefde voorop te stellen, waar deze binnen zich vrede, levensaanvaarding en wereldaanvaarding met zich brengt, terwijl hij – ongeacht zelfs de verschijnselen en ervaringen van het persoonlijke bestaan – buiten zich steeds weer manifestaties van de Goddelijke liefdekracht zal zien.

Met deze punten heb ik getracht de praktische kant van de esoterie voor u eens van een minder gebruikelijk standpunt uit te belichten. Nu geef ik u nog enige punten uit de magische esoterie, waarbij ik de praktische waarde niet meer op de voorgrond blijf stellen.

Wanneer ik in mijzelf leef, de krachten erkennende, die in mijzelf, zowel als de band, die bestaat tussen mij en het Goddelijke, zo wordt in mij een waarde van macht en gezag geboren.

Alles, wat in zich God niet zo zuiver, zo volledig erkent, als ik zelf dit doe, zal aan mijn wezen dienstbaar zijn. Niet aan het wezen in zijn persoonlijke beperkingen, maar eerder aan het Goddelijke, dat zich binnen mijn ik openbaart. Een contact of binding met krachten, die boven mij dan wel beneden mij staan, zonder dat hierbij het Goddelijke betrokken is, zal slechts een wisselwerking ten gevolge hebben, waarbij ik evenzeer slachtoffer als begunstigde kan zijn.

Dit betekent, dat – zo ik geesten uitzend om anderen te schaden – deze met hun schadelijke invloeden tot mij terug zullen keren. Ook ten goede geldt hetzelfde. Alles, wat ik op deze wijze, uitgaande van de banden tussen mij en bepaalde geesten of krachten, vanuit mijzelf schep, zal tot mij terugkeren en een waarde in mijn eigen bestaan vormen.

Wanneer ik van de Goddelijke kracht in mijzelf uitga, deze kracht levende en voor al mijn handelingen bepalend stellende, daarbij alle handelingen van het Ik en alle gezag over geest en stof beneden mij baserende, zo zal het ik in de daardoor tot stand komende werkingen niet gemoeid zijn. Rond mij zal ik de uitwerking zien als een openbaring van Goddelijke krachten.

Ik leer daaruit mijn eigen beperkingen kennen en zal in staat zijn daardoor mijn eigen relatie tot het Goddelijke beter te beseffen, maar in het eigen leven, binnen het ik, is de vanuit het Goddelijke komende invloed geen noodzakelijk deel van eigen bestaan meer.

Er zijn twee wegen van machtsuitoefening, zoals er eveneens 2 wegen van zelferkenning bestaan. Op het ogenblik, dat ik naar God streef – met uitsluiting van al het andere – zo kies ik de weg, de richting van het Lichtende. Op het ogenblik, dat ik zie naar al, wat beneden mij ligt en dit evenals mijzelf, geheel tracht te kennen en te beheersen, streef ik naar het duister. Dit blijft altijd waar, ongeacht het al dan niet erkennen van dit feit door mij.

In de tweede plaats geldt: Wanneer ik mijzelf vergelijk met de Goddelijke openbaring, zoals deze rond mij kenbaar wordt, zal ik mijzelf kunnen erkennen in verhouding tot de Goddelijke waarheid, waaruit ik geboren ben. Ik zal mijn wezen volledig en in alle details kunnen leren kennen, waardoor het mogelijk is betrekkelijk snel een zeer groot bewustzijn te verwerven.

Laat ik het Goddelijke buiten beschouwing en zoek ik alleen de verschijnselen van mijn wereld te zien, zonder daarbij de samenhang met het Goddelijke te willen of kunnen beseffen, zo zal ik vanuit deze verschijnselen eveneens mijzelf kunnen erkennen. Zolang ik geen werkelijke Godserkenning en beleving in mij draag, is deze tweede weg nog geheel aanvaardbaar. Zij laat mij in het bewustzijn gapingen ontdekken, hiaten, die niet aan te vullen zijn. Want waar ik geheel van mijn eigen wezen uitga, zal ik een beperkte, daardoor dus onvolledige en vaak onjuiste, interpretatie geven van alles wat rond mij bestaat en geschiedt. Wanneer ik macht uitoefen vanuit het licht en geheel bewust leef in het licht, ben ik een directe vertegenwoordiger van de kosmische harmonie.

Mijn wezen is, zij het in de tijd en dus als een vluchtig fragment van het geheel, een deel van de kosmische waarheid en wordt als zodanig door mij beseft. Hoe ook omstandigheden, vormen en persoonlijke waarden veranderen, deze waarheid zal altijd onveranderd blijven. Op het ogenblik, dat ik streef naar een persoonlijke machtsuitoefening, daarbij een zelferkenning zoekende in de wereld rond mij alleen, blijk ik aan die wereld gebonden te blijven; daarbij is het door mij erkende geen eeuwige waarheid, maar een deel van de tijdswaan. Mijn bewustwording zal dan gebaseerd zijn op de zelfs in tijd en waan voorkomende analogieën met de kosmische werkelijkheid, waarin geen samenhang kenbaar is. Gezien de grote invloed, die de waan in dit geval heeft, kan worden gesteld, dat de bewustwording langs deze weg veel meer tijd zal vergen, veel meer lijden en strijd, zal betekenen.

Wanneer ik tot u zeg, dat u macht uit kunt oefenen, zo betekent dit nog niet, dat u die macht ook werkelijk uit zult kunnen oefenen. De mogelijkheid zal inderdaad bestaan. De verwerkelijking is geheel afhankelijk van het peil van bewustzijn, dat door u bereikt is, de innerlijke gesteldheid, die uw streven en handelen bepaalt, de kennis, die u zich eigen heeft gemaakt. Dat die macht uitgeoefend kan worden, is wel zeker, zelfs indien men dit in uw dagen pleegt te ontkennen. Ook in uw dagen vinden wij magiërs en z.g. geniale mensen, die zich aan alle redelijke beperkingen weten te onttrekken en toch zeer grote, ook in uw eigen wereld, direct kenbare resultaten voortbrengen. Wanneer u beseft, dat de mogelijkheid tot het uitoefenen van bepaalde macht en invloed ook voor u bestaat, is het mogelijk voor uzelf te stellen:

Naarmate ik mijzelf beter leer begrijpen en daardoor beter zal weten aan te passen aan mijn beleven van God en het ondergaan in mij van de eigenschappen, die ik in God als de voor mij voornaamste heb gesteld, zal de uiting van mijn wezen en de kracht van dit wezen duidelijker in de wereld rond mij blijken.

Naar ik meen zult u dit laatste kunnen constateren. Waar in de mens een enkele vonk van kosmische liefde, kosmische aanvaarding, kosmische rechtvaardigheid bestaat, impliceert dit ook een aanvaarding van deze eigenschappen in uw wezen door alle beneden u staande wezens in de Schepping. Uw innerlijke toestand van vrede, innerlijke beleving, liefde enz., kunt u daarom in deze zin toetsen aan het antwoord, dat het leven, de omstandigheden, u daarop geven.

Indien de dieren u kunnen aanvaarden als een vriend, meester, of God, wanneer zelfs de angstige slang niet aanvalt of wegvlucht, doch zich slechts terug trekt om u een vrije doorgang te laten, het verscheurende dier u beschouwt als een speelgenoot, maar niet als wettige prooi, zo kunt u wel met zekerheid in uzelf een uiting van bewustzijn en Goddelijke kracht stellen, als direct deel van eigen wezen. Het lagere leven erkent dit eerder in u, dan u dit zelf zou kunnen doen. Wanneer u in uzelf iets draagt van Goddelijke levenskracht, zal de plant in uw omgeving beter groeien en bloeien enz.. Dit houdt nog niet in, dat u nu ook wijs zult zijn vanuit een zuiver menselijk standpunt. U behoeft geen kennis te bezitten om deze dingen rond u werkelijk te zien worden. Wel dient u in u, een band met de Goddelijke levenskracht te dragen. Er zijn altijd wel in de wereld rond u waarden en feiten te vinden, waaraan u beantwoordt, hetgeen u omtrent eigen innerlijk meent te kunnen stellen, getoetst kan worden. Het is onze taak om in elke wereld en sfeer, waar wij vertoeven, alles omtrent onszelf te ontdekken, wat mogelijk is en deze ontdekkingen te toetsen aan de krachten en waarden, die rond ons bestaan. Zo zal de Schepping ons door verwerping en aanvaarding duidelijk maken, wat wij zijn, terwijl het hogere door de harmonie, die wij daarmee bereiken, ons steeds meer zal helpen onszelf in waarheid te kennen.

image_pdf