Natuurgeesten

2 maart 1962

Aan het begin van deze avond wijs ik u erop, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Mijn onderwerp van heden valt in verschillende punten uiteen. Belangrijke delen hiervan zijn te vinden in de menselijke overleveringen. Ik zal dan ook eerst deze overleveringen en de meer logische punten nagaan, voor ik in een tweede deel de meer geestelijke zijde van de kwestie ga bezien. Wij spreken dus over: natuurgeesten

Wanneer wij de folklore, de sprookjes en de mythologie van de mensen nagaan, vinden wij reeds in het verste verleden daarin beschrijvingen van machten, die niets anders kunnen zijn dan natuurgeesten. De beschrijvingen zijn weliswaar vaak verschillend, maar belangrijke punten van overeenkomst vallen toch eveneens op. In het noorden vinden wij de trollen, de berggeesten, de dwergen en watergeesten. In het zuiden vinden wij – naast nixen en dwergen – vooral ook de boomgeesten. Nu is het moeilijk de beschrijving van vele van deze geesten te horen, zonder zich daarbij bepaalde voorstellingen te maken. De verering van Pan doet denken aan de verering van de bok, die wij later in de zwarte magie tegenkomen. Ook de afbeeldingen van Pan doen ons sterk aan een bok of geit denken. Menige christen meenden dan ook, dat de eredienst van Pan in feite niets anders dan duivelsaanbidding zou zijn. Wanneer wij de historie nagaan, blijkt, dat deze voorstelling eerst demonisch wordt, wanneer het christendom en de Mithrasdienst beginnen te overheersen.    Ook elders vinden wij voorstellingen van natuurgeesten. Zo zijn de Walkuren van het noorden, de strijdbare maagden, die helden naar het Walhalla brengen, kennelijk niets anders dan lucht- of windgeesten. Ook bepaalde Goden vertegenwoordigen kennelijk natuurkrachten. Jupiter, Donar e.d. blijken vooral dondergoden te zijn. De bliksem is hun wapen. Ook in India vinden wij – met een enigszins andere omschrijving – hetzelfde aspect. Uit deze mythen en overleveringen – waarover overigens nog zeer veel gezegd zou kunnen worden – trek ik dan de conclusie, dat de primitieve mens zijn wereld voor zich aanvaardbaarder maakte door aan elk door hem niet te verklaren verschijnsel, eenvoudig een persoonlijkheid toe te kennen.

Juist dit toekennen van persoonlijkheid aan elk onverklaarbaar, of moeilijk te begrijpen fenomeen heeft geleid tot reeksen van natuurgeesten. Zij maken deel uit van het primitief menselijk denken, ongeacht de vraag, of zij nu wel dan niet werkelijk ook buiten de menselijke gedachtewereld bestaan. Wanneer de mens een zekere cultuur bereikt, begint hij onderscheid te maken: hij aanbidt niet meer elke boom, maar neemt aan, dat in bepaalde bomen heilige geesten wonen. Vaak stelt men, dat deze boomgeesten de dienaren zijn van de hoofdgoden, die men vereert. Voorbeelden daarvan zien wij in de heilige wouden van de Germanen, de waringings van Indië. Waar ter wereld wij ook komen: op de ijle hoogten van de Andes en de Himalaya’s, of in de wildernis van de Amazone, in Afrika of Azië, steeds vinden wij een dergelijke verering terug.

Nu zou deze verering voor de moderne mens misschien nog aanvaardbaar zijn, wanneer zij gebaseerd was op de soort, op een soort rassengeest dus. De primitieve mens kent aan de boomgeesten vele eigenaardige kwaliteiten toe, die de mens van heden dwaas en vreemd voorkomen. Wij zien bv., hoe een gespleten, maar heilige boom, waarin een bijzonder machtige geest zou leven, gebruikt wordt om zieken te genezen op eigenaardige wijze: Men trekt de zieken door de spleet heen. De boomgeest zou er voor zorgen, dat de ziekte zijn gebied niet betreden kan, zijn boom niet kan doortrekken, zodat de ziekte dan eenzaam voor de spleet terug blijft.  Elders wordt de bast van een heilige boom als geneesmiddel gebruikt. Deze gewoonte is niet altijd dwaas, want de schors van vele bomen heeft inderdaad vele bepaalde genezende eigenschappen.

Wanneer de mens nog verder beschaafd wordt, ontwikkelt zich pantheïsme, waarbij de filosoof God in alle dingen ziet, de eenvoudige mensen echter alle dingen bezien als afzonderlijk bezielde wezens met eigen persoonlijkheid en eigenschappen. Zo ontstaan mythen en sagen, die vaak zeer mooi zijn en in latere jaren een vertolking krijgen, die de mystieke eenheid in de natuur en de wetten van de natuur toch wel bijzonder scherp en fraai belichten. De kunst maakt zich van het volksgeloof meester en smeedt het om tot een bron van mystiek beleven en esoterisch denken. Tot in uw dagen blijven deze waarden behouden. Hierbij denk ik aan bepaalde delen uit de “Ring der Nibelungen”. Deze legenden werden door Wagner toon gezet. Op verschillende wijzen krijgen wij te maken met de bezielde natuur en de natuurgeesten.   Denk aan de smedende dwerg, die Siegfrieds zwaard smeedt. Hij is een Germaanse Vulkanus, een God van de Vuren en Smeden. Siegfried bevecht een draak, die in de oorspronkelijke versie veel gemeen heeft met de Hydra van het zuiden, terwijl andere eigenschappen doen denken aan de Midgaard- of wereldslang, die ook weer in vele versies voorkomt. De mens heeft gestalte gegeven aan al, hetgeen hij in de natuur ontdekte. Dat hij daarbij in vele gevallen tot overdrijvingen komt en dwaasheden beweert, is niet te verwonderen. Hoe moet een eenvoudige mens bv. een stenenregen verklaren, of een plotselinge verschijning in een bos? Ook in het christendom duiken dergelijke oude legenden weer op. Denk aan de jacht van Sint Hubertus, de last van Christophorus enz.. Vele heiligenverhalen en -legenden zijn kennelijk een voortzetting van de natuurmythen, waarbij de natuurgeest heeft plaats gemaakt voor de waarden van de christelijke leer.

Zelfs de heksenjacht, die Amerika en Europa een tijdlang overspoelde, blijkt hoofdzakelijk te herleiden te zijn tot een aanbidden van natuurgeesten. De plaatsen, waarop de heksen bijeen komen, blijken dezelfde eigenschappen te hebben, als de plaatsen, waarop vroeger een thing, een rechterlijke bijeenkomst, plaatsvond. In de oude tijd koos men bij voorkeur een kuil aan de voet van een eik. De boomgeest – of God – was dan de vertegenwoordiger van de hogere Goden en zou de rechter beschermen en inspireren. De elfen- en heksenring, die wij in de herfst zo vaak getekend vinden door paddenstoelen, ontlenen hun betekenis en legenden aan de heilige cirkel. Deze cirkel – in de magie van buitengewoon belang geacht – speelt ook in de natuur een zeer grote rol. Zij is symbool van de kringloop van de jaren, zowel als van de zon.

In vele streken bestaat nog in deze dagen het gebruik rond de jaarwisseling ringvormige vuren aan te leggen. Ouderen zijn er nog heden van overtuigd, dat dit vuur bijzondere eigenschappen heeft, zodat wij veilig aan mogen nemen, dat in vroegere dagen men overtuigd was van het in deze vuren aanwezig zijn van vuurgeesten enz. Van vele gelijksoortige folkloristische gebruiken is de achtergrond teloor gegaan. Toch blijken vuur en zon een belangrijk deel van het volksgeloof uitgemaakt te hebben. Vandaar waarschijnlijk ook, dat men in bergachtige streken vaak rond Nieuwjaar naar de hoogten trekt om daar grote wielen van takken en stro aan te steken en deze als kleine zonnen hun weg naar het dal te doen zoeken. Ook het uitbannen van kwade – lees: natuur – geesten, speelt steeds weer een grote rol. Op grond van de vele onwaarschijnlijkheden, die wij in de overleveringen tegenkomen, mogen wij rustig stellen, dat de voorstellingen, die men zich van natuurgeesten maakt, niet juist zijn. Zij behoren thuis in het rijk van de sprookjes.

Verder blijkt overduidelijk, dat de geaardheid van het volk, de gebruiken, die ter plaatse bestaan, steeds weer bepalend zijn voor de vorm, die men aan zekere natuurgeesten toekent. Aan de andere kant zijn er overeenkomsten aan te tonen in de toegekende eigenschappen die ons zeer veel te denken geven, wanneer zij voorkomen in gebieden, die niet een direct onderling contact hadden. Wij mogen niet vergeten, dat door wederkerige beïnvloedingen, vaak Goden en geesten een meer gelijkvormige gestalte hebben gekregen. Zo kennen wij in Noorwegen, een deel van Zweden en Denemarken – vooral in Jutland – de huiskabouters. Vreemd genoeg is de daar gegeven voorstelling bijna geheel gelijk aan de voorstelling van dergelijke geestjes in Schotland en de voorstelling, die men heeft van het kleine volkje in Ierland. Dit wordt verklaarbaar, wanneer wij ons realiseren, dat zeer lange tijd betrekkelijk intense contacten tussen deze delen van de wereld hebben bestaan. Vooral de Noormannen en de Vikingen, die wel degelijk aan huisgeesten of kabouters geloofden, hebben waarschijnlijk hun voorstellingen ook naar de zuidelijker delen van Engeland overgebracht.

Het is aan te nemen, dat de banden, die tussen deze volkeren bestonden, ook voerden tot een uitwisselen van legenden en mythen, zodat een zekere gelijkheid op den duur wel moest ontstaan. Zelfs de offers aan de huisgoden blijken overeen te komen: een schotel melk aan de deur in Ierland. Melk op de deel, vaak met brood en gebak in Schotland. Melkpap in Denemarken en geitemelk met brood in Noorwegen. De geitenmelk vooral in de buurt van Trondheim.

Deze gelijkheid doet ons beseffen, dat dergelijke gelijkheid van opvatting wel degelijk door uitwisseling van legenden en geloof tot stand zal zijn gekomen. Maar wanneer wij nu horen over soortgelijke kleine huisgeesten in Noord Amerika en in delen van Afrika, waarbij de gestalte ongeveer gelijk beschreven wordt, vragen wij ons toch af, of – waar hier geen direct contact en wederkerige beïnvloeding verondersteld kan worden – er misschien toch iets beschreven wordt, wat door alle mensen ongeveer gelijk ervaren werd. Iets dus, wat werkelijk bestaat. Een ander voorbeeld van gelijke beschrijvingen vinden wij bij ’t nagaan van de legen- den, die djinns beschrijven. Want deze geesten of demonen, die u waarschijnlijk hoofdzakelijk kent uit de verhalen van 1001 Nacht, blijken niet alleen in Arabië en Perzië voor te komen, maar ongeveer gelijk beschreven te worden in bepaalde Chinese legenden, maken ook deel uit van het volksgeloof in de Maleise Archipel, in het gebied van de Fiji-eilanden, in Chili, in bepaalde delen van Abessinië, in Zuid- Egypte, Roemenië en andere Europese landen.

Een zo algemeen verbreid zijn van een beschrijving doet ons de vraag stellen: Kan dit alles nu werkelijk wel geheel verklaard worden door te spreken over de psyche van de primitieve mens, wederkerige beïnvloedingen? Zou er niet eerder moeten worden gesteld, dat er iets werkelijk bestaat, dat ongeveer aan deze beschrijvingen beantwoordt en misschien ook enige – ofschoon niet alle – van de toegekende mogelijkheden en eigenschappen bezit? Dit laatste is zeker een even aanvaardbare en eenvoudiger verklaring van het fenomeen, dan alle thesen over een gezamenlijk onderbewuste tendens in alle mensen enz..

Om de natuurgeesten beter te kunnen begrijpen, moeten wij ons verder realiseren, dat hun indeling wel degelijk plaats vindt aan de hand van bepaalde eigenschappen, maar dat zij worden geïdentificeerd met de oude elementen aarde, water, vuur, lucht en ether. Denkbeelden omtrent natuurgeesten stammen uit dagen, dat de mens nog dichter bij de natuur stond en zich niet zozeer, als in deze dagen, van eigen wijsheid bewust was. Naarmate het leven meer eisen ging stellen en de maatschappelijke verhoudingen ingewikkelder werden, had de mens minder tijd zich dergelijke wezens voor te stellen. Bovenal moeten wij ons realiseren, dat de moderne mens zoveel kennis heeft verworven, dat hij de eenvoudige begrippen en vereenvoudigende omschrijvingen van de oude tijd niet meer kan aanvaarden en niet meer achten wil. Steeds dogmatischer is het denken van de mens geworden, terwijl de eenvoud van denken steeds meer teloor ging. Daarom moeten wij ons, wanneer wij over natuurgeesten spreken, terugkeren tot deze eenvoud en ons, evenals de klassieken deden, baseren op de elementen van de oudheid. Elk van deze elementen zou immers beschikken over eigen geestelijke machten? Deze eigen geestelijke machten kunnen wij vaak terugvinden in sprookjes en overleveringen. Vreemder doet het de moderne mens aan, dat zij eveneens opduiken in filosofische en esoterische systemen. Wanneer wij ons met de alchemisten bezig houden, blijkt ons al snel, dat hier wel degelijk aarde-, vuur-, water- en luchtgeesten worden genoemd en gebruikt, vaak zelfs door aanroeping met zeer bijzondere namen. In de kabbala vinden wij na het verschijnen van de Zohar eveneens bij meerdere groepen een aanduiding van geloof in het bezield worden van de elementen door natuurgeesten en dergelijke krachten. Klaarblijkelijk kan de mens niet leven in een wereld, waarin alle elementen dood zijn. Hij heeft er behoefte aan overal rond zich leven te erkennen. In zijn zoeken naar dit leven zal hij dit m.i. ook vaak feitelijk vinden.

U zult mij ten goede houden, dat ik hier nu niet ga spreken over elfjes, kabouters enz. Hoe liefelijk deze sprookjesfiguren ons ook aan kunnen doen, hoe zeer zij ook nog op kunnen treden in modernere leerstellingen als bv. de theosofie, toch is het verkeerd, natuurgeesten te binden aan een menselijk beeld, hen een menselijke voorstelling toe te voegen. Wij komen dan immers te zeer in de verleiding om de natuurgeest als een menselijk wezen te gaan beschouwen. In vergelijk met het menselijke wezen stelt men dan de eigenschappen van elementairen vast. Dit is volkomen ongerijmd. Er kan geen enkel vergelijk worden gemaakt tussen het leven van een mens en dat van een natuurgeest. Met dit alles heb ik getracht een overzicht te geven van enkele argumenten voor het bestaan van natuurgeesten, evenals een korte verklaring van de redenen tot en oorzaken van het menselijke bijgeloof.

Laat mij nu overgaan tot delen van de esoterie, geestelijke en spiritistische kennis, waarin wij eveneens een verklaring en aanduiding kunnen vinden voor het optreden van natuurgeesten, dus als persoon te beschouwen krachten binnen de oude elementen. In de eerste plaats leren wij, dat er rond de wereld een astrale sfeer bestaat. Wanneer wij de geaardheid van deze sfeer nagaan, blijkt zij te bestaan uit een soort fijne materie. Dit laatste, ontleen ik aan het feit, dat in deze sfeer vormen kunnen ontstaan, die zich eerst langzaam weer zullen ontbinden. Dit is een eigenschap van traagheid en vormbehoud, die wij ook in de grovere materie aan zullen treffen, terwijl op zuiver geestelijke gebieden de vorm steeds door de gedachte alleen wordt bepaald en bij een wisselen van gedachten geen traagheid bij verval van de verworpen vormen en voorspellingen op zal treden.

Nu wordt steeds weer gesteld – en door ons ervaren – dat door het menselijke denken in de astrale sfeer vormen kunnen ontstaan, die niet bezield zijn. Men noemt deze beelden wel schillen. Een dergelijke schil zal zich bewegen en zelfs invloed uitoefenen aan de hand van de gedachten en gedachtekrachten, die daarin zijn vastgelegd, waaruit zij ontstaan is. Ook in de magie vinden wij dergelijke voorstellingen van de astrale wereld terug. Persoonlijk meen ik, dat het geloof aan een bezieling van een bepaalde boom, bron, rivier e.d., wel degelijk aan- leiding kan zijn tot het scheppen van een dergelijk astraal wezen. Het is dan voortgekomen uit het menselijke denken en mag niet worden beschouwd als een werkelijke natuurgeest. Een deel van de argumenten, die worden aangevoerd als bewijs voor het bestaan van natuurgeesten zal dan ook moeten worden verwezen naar het scheppen van astrale wezens door het menselijke denken.

Nogmaals zij met nadruk gesteld, dat dergelijke wezens elke werkelijke persoonlijkheid, elke werkelijk niet menselijke reeks van eigenschappen, zullen ontberen. Nu wil ik u zeker niet door dit argument brengen tot het verwerpen van het bestaan van alle natuurgeesten. Ik wijs u er alleen op, dat men maar al te vaak – misschien ook bewogen door romantische gevoelens, of zoekende naar een verklaring van bepaalde verschijnselen – het bestaan van natuurgeesten aanneemt op plaatsen, waar zij zeker niet aanwezig zijn. Verder dient men toch te beseffen, dat ook de mens zelf, door zijn denken alleen reeds, een kracht kan scheppen, die zich t.z.t. als een natuurgeest zal kunnen voordoen en openbaren. Na dit alles wordt het tijd bepaalde feiten te bezien.

In de loop van de tijden zijn – uit vele verschillende gebieden – verklaringen binnen gekomen van mensen, die betrouwbare waarnemers moeten worden genoemd. Denk eens aan de meldingen van stenenregens, die o.m. kort geleden nog werden geconstateerd in een natuurreservaat in Zuid-Afrika, in Kenia, Perzië en India. De plaatselijke verklaring van het fenomeen is overigens steeds dezelfde: de bergen zijn bezield. De natuurgeesten, die in de berg wonen, weigeren de mens bepaalde plaatsen, die zij zelf innemen, of die deel zijn van hun lichaam, te laten betreden. Deze plaatsen worden door de inheemse bevolking vaak als “taboe” of heilig beschouwd. In Venezuela, Bolivia en Mexico o.m. worden de mensen geconfronteerd met het verschijnsel van de “wandelende stenen”. Elders vinden wij klagende of zingende stenen. Men verklaart dit verschijnsel meestal met verhitting of wind. Maar er zijn bepaald stenen, die profetisch werken: zij zingen en kreunen alleen, wanneer een bepaalde gebeurtenis, bv. een ramp, verwacht kan worden. Deze gebeurtenissen zijn overigens niet altijd door weer en wind te verklaren.

Deze verschijnselen zijn door moderne mensen geconstateerd. Tijdens opnamen voor de film “The Living Desert”, door een groot aantal filmteams vervaardigd voor de Walt Disney Inc., heeft men getracht wandelende stenen te fotograferen en heeft men zelfs opnamen gemaakt, waarop een steen zich inderdaad verplaatst. Het verschijnsel is niet verklaard. Teams van dezelfde firma onderzochten tijdens expedities meerdere klagende, of zingende stenen, o.m. in Mexico. In enkele gevallen konden zij niet constateren, waardoor deze stenen geluid maakten. Verklaringen van afkoeling en verhitting bleken niet altijd juist, omdat sommige stenen zowel zongen, wanneer de zon het hoogste was, als op de tijden, dat de koude nacht daar heerste. Een verklaring van het verschijnsel door wind was eveneens niet mogelijk, waar sommige stenen een volkomen gelijke toon voortbrachten, van gelijke sterkte, ondanks ’t zich wijzigen van windrichting en sterkte.

In de kluis van de Disney Inc. rusten nog heden verschillende filmstroken, waarop men rond deze stenen een eigenaardig waas waarnemen kan. Men kan deze filmstroken niet goed aan het publiek voorleggen. Hieruit blijkt wel, dat ook in uw dagen, zelfs indien men over de modernste middelen beschikt, sommige verschijnsels zeer moeilijk te ontleden, of te verklaren zijn. Ik noem nog enkele eigenaardige verschijnselen, die ook in uw dagen geconstateerd zijn: het zonder kenbare oorzaak optreden van stenen lawines in verschillende hooggebergten. Het onderbreken van regelmatige uitbarstingen van geisers, die – als bv. Old Faithfull – bekend staan om hun regelmaat, steeds weer voorkomende, wanneer bepaalde personen zich in de nabijheid bevonden. Wij kunnen al deze verschijnselen natuurlijk wel weg verklaren.

Een mens, die redelijk nadenkt, zal van mening zijn, dat het stellen van vele, steeds weer samenvallende toevalligheden niet direct de meest aanvaardbare verklaring zal zijn voor ongewone verschijnselen, vooral wanneer ook al die toevalligheden in feite een relatie aantonen tussen de mens en de natuur. Dit wegverklaren door een opeen stapelen van mogelijke toevalligheden doet mij dan ook kinderlijk aan en schept in mij de overtuiging, dat men eenvoudig niet wil zien, wat er werkelijk gaande is. Wij mogen dus, wanneer ik tenminste ook voor u begrijpelijk en duidelijk ben geweest, op grond van het voorgaande aannemen, dat er onbekende en tot op heden niet verklaarbare krachten bestaan in de natuur, die op hun beurt verschijnselen veroorzaken waarvoor de mens geen werkelijke verklaring heeft kunnen vinden.

Deze verschijnselen zijn ten dele paranormaal, in andere gevallen zijn zij eerder een ongebruikelijke afwijking van de normale toestanden te noemen en zou een natuurlijke verklaring wel te geven zijn, indien niet een zeer eigenaardige samenloop van omstandigheden – herhaald voorkomende – ook hier de vraag doet rijzen, of niet andere dan toevallige invloeden aan het werk zijn. Wanneer de mogelijkheid tot afwijken van een bepaalde geysir bv. geschat kan worden te zijn 1 : 100.000, terwijl 5 maal op de 10.000 een afwijking voorkomt, gedurende het optreden van zeer bijzondere omstandigheden, die met de geysir zelf niets te maken hebben, dan is hier niet meer van toeval te spreken en zal een redelijke verklaring voor het geheel gevonden moeten worden. Dit is mijn opvatting. Ik meen met het voorgaande voor u duidelijk te hebben gesteld, dat het niet dwaas is en bijgelovig, wanneer men aanneemt, dat er natuurgeesten bestaan.

Nu het tweede deel van mijn betoog:  Wanneer de natuur bezield zou zijn, zou dit een verklaring kunnen vormen voor vele eigenaardige verschijnselen en eigenschappen, die verbonden blijken te zijn aan bepaalde waterlopen, aan het optreden van bepaalde winden, kortom: het zou mogelijk zijn om ook buiten een zuiver natuurkundig verklaren van de verschijnselen, om een goed en zuiver inzicht in de toestanden en mogelijkheden op deze wereld te krijgen. Over geheel de wereld kennen wij bv. bepaalde winden, die de mensen onrust brengen. Niet alleen in het zuiden van Europa treft men bepaalde winden, die een cafard veroorzaken. Over geheel de wereld komen soortgelijke winden voor, terwijl de omstandigheden, waaronder zij optreden, evenals hun eigen natuurlijke inwerking vaak verschillend zijn. Indien wij aannemen, dat in dergelijke winden een bepaalde bezielende kracht aanwezig is, zodat de geaardheid daarvan en niet de eigenschap van een bepaalde wind, voor de onrust van de mensen aansprakelijk zou zijn, is de samenhang eenvoudig verklaarbaar. Dan moeten wij ook aannemen, dat er een soort luchtgeesten bestaat, dat onder omstandigheden stormen zal kunnen oproepen, of bv. veranderingen van luchtelektriciteit veroorzaken, waaronder mens en dier ten zeerste lijden.

Meerdere malen heeft men geconstateerd, dat een verandering van wind inderdaad een verandering van luchtelektrisch vermogen betekende en daardoor voor de mens een verandering van potentiaal t.o.v. de aarde, iets, wat sterke invloed heeft op zijn zenuwstelsel en welzijn. Indien wij spreken over een geest, die handelen kan, dient deze ook over zekere energie te beschikken. Dan zouden wij ook aan kunnen nemen, dat er in de atmosfeer van de aarde geesten voorkomen, die de energie van de mensen roven kunnen.

Stellen wij ons dezen als een djinn voor, dan verbinden wij daaraan zeker een te vaste en beperkte gestalte. Toch mogen wij aannemen, dat de inwerking van deze geesten waarschijnlijk, naar eigen wil en vermogen groot, dan wel klein kan zijn. Verder kan men aan gaan nemen, dat een dergelijke geest in staat zal zijn zeer grote gebieden als jacht- en voedingsterrein te gebruiken. De stelling, dat er ook kwade luchtgeesten bestaan, wordt bevestigd door vele oudere overleveringen en mythen, die spreken van door de lucht vliegende, of op de wind gedragen, geesten en demonen. Overigens: men maakt tussen deze luchtgeesten een onderscheid. Sommigen van hen noemt men zwart, anderen wit. Vanuit de geest gezien wordt dit alles wel bevestigd. Wij zien ook luchtgeesten, die hoofdzakelijk het welbehagen van de mensen plegen te vergroten. Zij zuiveren vaak de atmosfeer, ook geestelijk, en laten een zuiverder wereld achter zich, wanneer zij voorbij trekken.

Wanneer u dergelijke winden ontmoet, zal het moeilijk zijn te zeggen, waarom zij zuiverend werkt. Deze werking kan n.l. evenzeer uitgaan van een zachte koelte als van een orkaan. De windsnelheid doet klaarblijkelijk niet ter zake. Mensen, die deze invloeden ondergaan, voelen zich veerkrachtiger en opgewekter. Het is, of vele problemen verdwijnen. Natuurlijk kan men dit alles weer verklaren door de stelling, dat een hoger luchtpotentiaal voor de mens bevorderlijk is, zijn welbehagen vergroot enz. Onder een andere conditie blijkt een dergelijke verhoging van luchtelektriciteit zelfs schadelijk te zijn. Kort voor een onweer zal eenzelfde verhoging van lucht- aardepotentiaal een onrust veroorzaken en overmatig energieverbruik bij de mens bevorderen. Het resultaat is bij menige mens lusteloosheid en angst.

Daarom stel ik: Vanuit menselijk standpunt dient men het mogelijk te achten, terwijl vanuit geestelijk standpunt bewezen kan worden beschouwd, dat er lucht-elementalen van verschillende kwaliteiten en geaardheden bestaan. Zij zijn klaarblijkelijk zeer sterk gebonden aan de aardatmosfeer zelf en leven alleen daarin. Slechts in zeer zeldzame gevallen blijken zij in directe verbinding te treden met het water of het vuur. Vooral met dit laatste zijn zij nog verwant. Met de aarde nemen zij slechts zeer zelden bewustere contacten op.

Dan de kwestie van de watergeesten: Het is bekend, dat bepaalde bronnen en stromen zeer eigenaardige eigenschappen bezitten. Men verklaart deze vaak door bv. te stellen, dat deze bronnen lichtelijk radioactief zijn en stromen bepaalde chemicaliën met zich voeren. Er zijn bronnen, waarbij de radioactiviteit boven de normale achtergrond stijgt met 3-6 duizendste röntgen. Een zeer behoorlijke straling dus, indien wij dit vergelijken met normale bronnen, waar de in het water voorkomende straling vaak zelfs minder is dan de atmosferische. Toch kan men aan de hand van het voorgaande en bepaalde chemicaliën in het water niet verklaren, hoe het komt, dat deze bronnen een vaak geheel verschillende genezende werking vertonen. Bovendien blijkt, dat niet alle bronnen voor alle mensen gelijkelijk werkzaam zijn. Het is dus niet zo, dat een bepaalde bron nu ook voor alle soorten van bv. reumatiek genezend werkt. Verder zal niet een ieder door deze bron genezen kunnen worden. In de praktijk blijkt voor ons in de geest, dat voornamelijk de mens, die met de kracht in de bron harmonisch is, daarin zijn genezing zal kunnen vinden. Men verklaart ook dit alles weg door te stellen, dat de bronnen niet feitelijk geneeskrachtig zijn, zodat van suggestie gesproken zou moeten worden, anderen stellen, dat niet voor een ieder dezelfde stof ook organisch dezelfde resultaten zal brengen.

Dit laatste berust op de stelling, dat een ieder, die een kuuroord bezoekt, ook van het bronwater rijkelijk zal drinken, zal baden enz. Nu blijkt, dat ook mensen genezen, die niet van het bronwater drinken en daarin niet – of bijna niet – baden, alleen door de omgeving klaarblijkelijk, ook genezen. Dan is het niet juist alleen over chemische reacties en straling te spreken. Men moet een volgende factor, de sfeer, mede in aanmerking nemen. Het feit, dat de sfeer van een kuuroord vaak bepalend is voor de resultaten, die er worden geboekt, alleen reeds aanleiding zou moeten zijn om na te gaan, of er niet iets anders is, mogelijkerwijze een entiteit, die voor de resultaten van een dergelijke bron aansprakelijk kan worden geacht.

Ook andere eigenaardige verschijnselen blijken met wateren in verband te staan. In Brazilië vinden wij enkele eigenaardige meren. Eén daarvan is bekend om een daar regelmatig optredende dichte nevels. Uit deze nevels plegen zich n.l. bepaalde figuren op te bouwen, welke – naar men zegt – voorspellend zijn. Deze nevelbeelden zijn meerdere malen gefotografeerd. De parapsychologen weigerden zich met dit verschijnsel bezig te houden, omdat – naar zij meenden – met een zeer lichte en praktisch niet merkbare retouche reeds in deze nevelopnamen een tevoorschijn treden van gebalde vuisten, dreigend opgeheven zwaarden, kruisen e.d., tot stand gebracht zou kunnen worden. Toch is het verschijnsel aanwezig en houdt de bevolking met deze nevelvoorspelling steeds rekening.

Meren, die bevorderlijk zijn voor meditatie, wateren, waarbij men bijzondere ervaringen op kan doen, zijn in Zuid-Amerika, maar ook in India bekend. In China vindt men ook dergelijke meertjes en vijvers. Deze worden door natuurlijke bronnen van water voorzien, meestal grondwellen. Is het nu werkelijk zo vreemd en onaanvaardbaar, wanneer wij stellen, dat er bepaalde wezens kunnen bestaan, die niet zelf water zijn, maar in het element water leven, zonder dat de mens deze wezens kan zien? Is het zo vreemd aan te nemen, dat bepaalde bewustzijnsvormen – of bewustzijnskrachten – met wateren of bronnen gebonden kunnen bestaan? Nu behoeven wij nog geen geloof te gaan hechten aan waternimfen, verleidelijke vrouwen met vissenstaarten en gouden haren, ofschoon deze figuren voorkomen in verhalen uit Griekenland, Nederland, de Rijnstreek enz..

Wij behoeven alleen maar aan te nemen, dat er wezens bestaan, die geest zijn en toch in het water, of gebonden aan het water, leven. Wezens met een eigen denkvermogen, hoe beperkt dit misschien ook zal zijn. Indien wij dit aannemen, dan is het eenvoudig te stellen, dat dergelijke wezens – alleen reeds door hun aanwezigheid – in mensen en andere wezens bepaalde reacties wakker kunnen roepen. Voor een persoonlijk bestaan van watergeesten pleit verder het feit, dat hun geaardheid soms plotseling schijnt te veranderen, vaak door bepaalde gebeurtenissen buiten hen. Een voorbeeld hiervan vinden wij bij de zoutmoerassen in de Sahara. Sommige meertjes, die daar nog bestaan, werden lange tijd door de dieren van de karavanen en wilde dieren graag bezocht, terwijl andere – in kwaliteit gelijke – meertjes zonder kenbare redenen werden gemeden. Wanneer bij een van deze meertjes een strijd was geweest, bleken de dieren dit meertje nog zeer lange tijd te blijven vermijden, ofschoon daarvoor geen enkele reden zichtbaar was.

Zo vindt men rond de Dode zee op het ogenblik – ondanks alle potasfabrieken en toeristen – nog enkele plaatsen, waar dieren weigeren over te gaan; plaatsen, waar men bv. paarden, ezels, of kamelen slechts met de grootste moeite langs kan leiden. M.i. zijn al deze dingen te verklaren, wanneer men aanneemt, dat de entiteiten, die in het water leven, soms voor mens en dier gunstig gestemd, maar in andere gevallen alle andere leven vijandig gestemd zijn. Ik meen, dat ook dit niet zo onredelijk is. Het vuur op zich is een verschijnsel, dat ontstaat door de verbinding van zuurstof met door verhitting gasvormig geworden delen van andere materialen of elementen. Daarom is het m.i. dwaas aan te nemen, dat elke vlam bezield is, dat elk gewoon vuur nu ook leeft. Aan de andere kant weten wij, dat er natuurlijke vuurbronnen bestaan, die langere tijd bestaan en wel degelijk een woning voor ’n bepaalde vuurgeest zouden kunnen bieden. Ik denk hierbij aan de gasfonteinen en spuiters, die in Arabië en Perzië langere tijd door het volk aanbeden werden. Ook in vulkanen is vuur. Vulkanische bronnen, kraters en verschijnselen gedragen zich soms ook al zeer eigenaardig. Zo schijnen zij te reageren op de omstandigheden in de buurt. Het blijkt vaak mogelijk op een niet geheel verklaarbare wijze, door bv. kloppen op de grond, vaak op zekere afstand van de bron, het aansteken van een stuk papier enz., reacties te verkrijgen. Denk hierbij eens aan de Solfatara van de Vesuvius.

In het noorden van Zuid-Amerika is een vulkaan, waarvan men beweert, dat zij reageert op bepaalde offers. Hetzelfde wordt verteld over de Poulaou, een vulkaan in de Stille Oceaan en verschillende andere vulkanen op eilanden. Gaarne geef ik toe, dat vele van dergelijke verschijnselen verklaard kunnen worden door chemische reacties e.d. Ook op dit terrein blijft er een aantal feiten, die men niet zonder meer verklaren kan, tenzij men ze eenvoudig tracht weg te verklaren. M.i. is het aannemelijk, dat, wanneer mensen op de aarde, maar in de lucht kunnen leven, vissen in het water, ook in lava en vuur, vooral dáár, waar hogere drukken en temperaturen voor kunnen komen, bepaalde wezens kunnen bestaan en leven. Daar echter nooit een stoffelijk overschot van een dergelijk wezen door een vulkaan uitgespuwd is, of op andere wijze aan de oppervlakte van de aarde is gekomen, pleit dit m.i. tegen een op de gebruikelijke wijze belichaamd zijn van dergelijke wezens. Dit neemt niet weg, dat het mij redelijk lijkt om aan te nemen, dat er ergens bewustzijnsvormen bestaan, die zich met het vuur kunnen verbinden.

Ook wat de aarde betreft, kan hetzelfde worden gezegd: Ook op aarde vinden wij bepaalde grondstukken, die bepaald kwaadaardig zijn. Andere stukken grond zijn weer buitengewoon gunstig of goed. Sommige grondstukken bevorderen bepaalde ziekten, anderen maken het voorkomen van ziekten haast onmogelijk. Een redelijke verklaring voor deze verschijnselen, waarvan pas in de laatste tijd overigens enige notitie genomen werd, is niet te geven. Wel spreekt men steeds weer over de sfeer van dergelijke plaatsen. Ook bepaalde gewassen op aarde blijken qua uitstraling en invloed op de omgeving aanmerkelijk te verschillen van uiterlijk en biochemisch gelijksoortige gewassen. Op grond hiervan stel ik, dat ook in de aarde zelf bepaalde bezielende krachten voor kunnen komen. Hiermee hoop ik de mogelijkheid, dat natuurgeesten bestaan, verder aannemelijk te hebben gemaakt.

Nu zal ik dit onderwerp nog even belichten vanuit het geestelijk standpunt, mij daarbij baserende op al, wat wij geestelijk daaromtrent waar kunnen nemen. De grootste wisselwerking tussen mens en natuurgeest berust op de gedachten, die de mens uitstraalt. De gedachten vormen n.l. een veld rond de mens, dat ongeveer gelijk is aan de uitstraling, die natuurgeesten zelf voortbrengen. De gedachte van de mens zal soms een invloed hebben, die voor een dergelijke entiteit aanvaardbaar is. Dan zal de mens door zijn persoonlijke uitstraling dus natuurgeesten aantrekken. Gedachten, die niet harmonisch zijn, zullen voor deze entiteiten onaangenaam zijn en hen soms verdrijven. Indien zij echter menen een zeker recht te hebben op een bepaalde plaats, zullen zij daardoor tot verzet tegen de mens geprikkeld worden.

Denk nu niet, dat deze natuurgeesten bewust denkende en hoogstaande krachten zijn. Het is moeilijk een watergeest te vinden, die meer dan 4 à 5 bevelen gelijktijdig zal kunnen onthouden, 4 à 5 lessen tegelijkertijd in zich zal kunnen bewaren. Dit wil zeggen, dat – vanuit een menselijk standpunt – het bewustzijn van een dergelijke geest beneden dat van een gemiddelde hond ligt. Een gemiddelde luchtgeest zal slechts kunnen worden gebruikt voor gemiddeld één tot twee door de mens uitgedachte taken. Het is niet redelijk om aan te nemen, dat een mens – zelfs indien hij een haast onweerstaanbare aantrekkingskracht voor natuurgeesten zou bezitten – deze geesten zou kunnen exploiteren binnen zijn menselijke wereld.

Deze wezens zijn op andere gebieden minder beperkt dan een mens. Aardgeesten zullen bv. wel degelijk kunnen weten – zoals ook de legende steeds weer stelt – waar schatten en goud in de aarde begraven liggen. De aarde is immers het levensterrein van een dergelijke natuurgeest, zodat hij ongetwijfeld de daarin optredende verschillen zal kunnen constateren en – waar zij voor zijn eigen wijze van leven belangrijk zijn – deze ook kunnen aanduiden. Een luchtgeest zal bv. waar kunnen nemen over een grote afstand en daarom alle verschijnselen, die voor die luchtgeest belangrijk of interessant genoeg zijn, over kunnen brengen aan mensen, die voor het ontvangen van deze mededelingen geschikt zouden zijn.

Ja, de genoemde wezens bestaan wel degelijk. Dat zien wij vanuit de geest wel. Zij hebben zelden of nooit een bepaalde vorm. Zo zij zich al in een bepaalde vorm vertonen, is dit een vorm, die door het menselijke denken wordt gesuggereerd, ofwel uit het menselijk denken op astraal gebied is ontstaan. Een astrale schil dus. Het is voor ons niet mogelijk vanuit de sferen vast te stellen, in hoeverre hier ook sprake is – of kan zijn – van een bezield zijn in de door mensen en geest gebruikte zin van het woord. Het is n.l. een bewustzijn, dat voor ons waarneembaar is. Maar soms verdwijnt het opeens geheel, terwijl het ons niet mogelijk is na te gaan, waar het blijft, of waar het dan terecht komt. Daardoor is onder ons de volgende theorie ontstaan: De aarde moet worden beschouwd als een levende entiteit. In deze aarde treden een groot aantal verschijnselen op. De natuurgeest zou nu kunnen worden vergeleken met een zenuwreactie of spierreactie van een mens. De natuurgeest is, volgens ons, klaarblijkelijk niet een bezield wezen, doch een impuls van de entiteit aarde zelf uitgaande. Binnen bepaalde, door de geaardheid van de aarde zelf bepaalde, wetten kan dit wezen tijdelijk onafhankelijk bestaan en optreden.

Het is wel duidelijk, dat alle natuurgeesten, zoals deze op aarde worden beschreven, alleen op de aarde zelf aangetroffen worden en dan alleen binnen het eigen veld van deze aarde. Nergens hebben wij soortgelijke entiteiten aan kunnen treffen. Wij nemen dus aan, dat alle natuurgeesten, die tijdens hun bestaan geen grotere zelfstandigheid verwerven, als delen van de aarde moeten worden beschouwd en in de eigen energie van de aarde t.z.t. weer opgenomen zullen worden. Verder geloven wij, dat de doorsnee mens niet noodzakelijkerwijze ook rekening hoeft te houden met deze trollen, dwergen, luchtgeesten e.a.. De mens, die door hen niet beïnvloed wenst te worden, is n.l. als wezen krachtig en zelfstandig genoeg om zich voor hun inwerkingen af te sluiten. In dat geval kan de mens niet innerlijk benadeeld of bevoordeeld worden. Slechts wanneer een bijzonder sterke concentratie van natuurkrachten plaats vindt, kan de mens bedreigd worden door de uiterlijke verschijnselen. Zelfs dan zal hij hiervoor angst dienen te koesteren, vóór zij hem werkelijk aan kunnen tasten.

Waarnemingen gedurende zeer lange tijd hebben geleerd, dat een mens, die deze krachten niet vreest, door hen ook niet werkelijk benadeeld kan worden in eigen wezen. Wel kan een aantasting van bezit plaats vinden. Een mens, die onbewust openstaat voor de inwerking van dergelijke natuurgeesten, zal door hen in de sterkste mate kunnen worden beïnvloed. Ons blijkt, dat, naarmate de mens zelf een groter tekort heeft aan zenuwkracht en positieve lading t.o.v. de aarde – tekort aan gelijkspanningspotentiaal t.o.v. aarde – hij ook sneller onder de invloed van natuurgeesten zal komen en sneller hun slachtoffer zal worden. Klaarblijkelijk is het voor de mens belangrijk steeds zoveel mogelijk positieve kracht te bezitten. Is men bijzonder sterk positief, dan kan men door eigen wil en instelling nog steeds in harmonie zijn met de wereld – niet de persoonlijkheid – van bepaalde natuurgeesten. Voor hen wordt hij daardoor tot deel van hun wereld en zal hij door zijn vermogens hun gedrag mede kunnen bepalen. Dit dan is, gezien vanuit het standpunt van de geest, de verhouding tussen de mens en de natuurgeesten.

Een laatste opmerking: Wij in de sferen weten wel degelijk dat er bepaalde rassen- en ander soort geesten bestaan, die werkelijke entiteiten zijn in kosmische zin. Nu blijkt, dat dergelijke entiteiten ook wel optreden als leiders van natuurgeesten. Bij luchtgeesten hebben wij dit meerdere malen kunnen constateren. Luchtgeesten blijken in het bijzonder geschikt tot reageren op onjuiste gedachte-uitstralingen. Zij blijken dan ook vaak in staat te zijn de onjuistheden te absorberen, weg te vagen en zelfs wel in hun tegendeel om te doen slaan. De negatieve krachten in de lucht worden door aardgebonden geesten wel gebruikt. Deze aardgebonden geesten zullen dan magische kennis en een redelijk bewustzijn van hun eigen positie en macht, zowel als het wezen van de natuurgeesten moeten bezitten. Aardgeesten zijn – zover ons bekend – niet aan een bepaalde mens te binden. Wel zullen zij zich, waar een voor hen voldoende harmonie met hun wereld optreedt, soms manifesteren of zichzelf tonen. Dan kunnen zij beschouwd worden als kleine wouddieren, die tijdelijk tam zijn geworden. Binnen hun beperkingen zullen zij bepaalde diensten aan de mensen kunnen en willen bewijzen, maar blijven altijd speels en onbetrouwbaar. Begrip voor menselijk denken enz., enige moraal e.d., kunnen van hen niet verwacht worden. Watergeesten zijn vooral in staat organische en innerlijke werkingen van de mens te beïnvloeden, terwijl zij, in samenwerking met lucht- geesten, in vele gevallen ook reinigende acties uit kunnen voeren, mits de instigatie hiertoe uitgaat van een bewustzijn van hogere orde. De vuurgeest kan door een hogere bewust- zijnsvorm – eveneens hoofdzakelijk in samenwerking met luchtgeesten – worden gebruikt als louterend element. Dit geldt ook, wanneer het optreden van deze vuurgeesten vanuit menselijk standpunt eerder onaanvaardbaar of zelfs demonisch lijken zal.

Hiermee heb ik getracht het bestaan van natuurgeesten aannemelijk te maken en hun karakter enigszins voor u te definiëren. Ik moet u uitdrukkelijk waarschuwen: Er zijn vele mensen, die vol tederheid het sprookje van de bloemenfee en de welwillende kabouter benaderen en geheel geloven. Zij beseffen niet, dat zij hierdoor voor zichzelf schijnfiguren op astraal gebied zullen scheppen, die – door een te groot verschil van de werkelijkheid – zowel voor henzelf als hun omgeving wel eens een onaangename uitwerking zouden kunnen hebben. Het is beter u niet teveel met deze dingen bezig te houden. Aan de andere zijde waarschuw ik u voor de al te grote menselijke nuchterheid, die dergelijke dingen eenvoudig verwerpt, omdat zij nu eenmaal niet schijnen te passen in deze tijd en bovendien niet wetenschappelijk bewezen kunnen worden. Weten, dat men zich met deze dingen niet teveel bezig dient te houden, impliceert nog niet, dat men ze daarom nu ook geheel dient te verwerpen.

Een besef van het bestaan van bepaalde natuurkrachten zal n.l. vaak bij kunnen dragen tot het verwerven van een betere harmonie met eigen wereld en omgeving. Een versterken van eigen innerlijk wezen, bv. door rust te vinden in de natuur, wordt zo bevorderd. Verwerp dus niet zonder meer, doch besef, dat deze dingen nimmer een deel van uw dagelijkse leven uit kunnen maken. Iemand, die een machine zou willen laten aandrijven door enkele natuur- geesten – op zich niet onmogelijk – zal hierdoor zeer dicht komen te staan bij de zwarte magie, dan wel bij het minder scherp te omschrijven grensgebied van de waanzin.

Ik recapituleer: Er zijn natuurgeesten. Zover wij na kunnen gaan, zijn zij niet bezield. Men doet het verstandigst deze krachten te beschouwen als een uiting van de aarde zelf. Zij spelen in het menselijke leven soms een rol, maar zullen dit veelal alleen kunnen doen door een beïnvloeding, die de mens dient te aanvaarden. Hun sterkste werkingen treden op door gedachtebeïnvloedingen, het doen ontstaan van bepaalde werkingen in de materie. Zij kunnen optreden als helper of voertuig van een hoger en onafhankelijk geestelijk bewustzijn, dat op bovenmenselijk peil staat en daarom wel engel of ingewijde genoemd mag worden

  • Hier te lande maakte ik een steentjesregen mee in een gesloten kamer.  Er waren 5 getuigen. Twee steentjes heb ik opgeraapt, de anderen verdwenen.
Er zijn verschillende mogelijkheden. Dit kan inderdaad door een natuurgeest, bv. boomgeest, veroorzaakt worden. In dit geval zou een dergelijk vertrek op het platte land moeten zijn, een rustige omgeving in de buurt van oudere bomen. Een verzet tegen aantasting van de woning, of de rechten van de boomgeest, kan dan wel een dergelijk resultaat hebben.

Meer voorkomend is het volgende: Wanneer wij met jongere vrouwen te maken hebben – periode van eerste rijpheid – kan een extensie van eigen persoonlijkheid optreden, die men wel “Poltergeist” noemt. De inwerking van deze Poltergeist is het gevolg van een verzet tegen de omgeving, dan wel de behoefte aandacht af te dwingen. Verschijnselen: gooien met deuren, verplaatsen en kapot maken van voorwerpen, soms ook steentjesregen. De inwerking van een dergelijke Poltergeist is haast altijd destructief. In het gestelde geval is het belangrijk, of een jongere vrouw aanwezig was, mogelijk een licht gespannen of weerbarstige indruk makende, van wie een dergelijke inwerking verwacht zou kunnen worden. Deze verklaring is wel de meest waarschijnlijke. Indien geen van de gegeven verklaringen toe zou treffen, is er nog de volgende mogelijkheid: Misschien kan er een mens aanwezig geweest zijn, die zeer veel aan spiritisme of bepaalde vormen van magie heeft gedaan, zodat deze steentjesregen door een vijandige geest – aardgebonden of duister – geproduceerd zou kunnen worden.

  • Hoe ontstaat een Poltergeist? Is dit een astrale projectie, een schil?

Neen, in de mens bevindt zich een bepaalde stof of kracht, die men ook wel fluïde of ectoplasma noemt. Deze stof is niets anders dan een vorm van gebonden energie. De oorzaak van ontstaan ligt in het lichaam zelf en schijnt het gevolg te zijn van chemische werkingen. Althans blijkt de beschikbare hoeveelheid ectoplasma toe te nemen, wanneer delen cesium in het lichaam terecht komen. Dit ectoplasma kan als een pode, een soort uitstulpsel, betrekkelijk ver buiten het eigen lichaam uitgestoken worden. Men is zich daarvan meestal niet bewust. Het resultaat is gelijk aan telekinese. De onbeheerstheid daarvan en/of het geleid worden door onderbewuste impulsen maakt het geheel dan tot Poltergeist. Deze Poltergeist kan dus niet optreden, wanneer de veroorzaakster daarvan niet in de buurt is. Wel is het mogelijk, dat deze manifestaties door meerdere muren heen plaats vinden, mits de afstand niet te groot wordt.

  • Als men in harmonie is met een edelsteen e.d., zal die steen dan invloed hebben op degene die deze draagt ?

In zekere zin wel. Er zijn bepaalde kristalstructuren, die berusten op een zeer vast en zeer nauwkeurig gesteld moleculair evenwicht. Er ontstaat zo een moleculair raster, waarbinnen bepaalde energieën kunnen worden opgenomen en verwerkt. Wanneer een mens een edelsteen heeft en daarmee in harmonie is, zodat eigen denken of uitstralingen van eigen persoon in staat zijn, binnen het kader van de gerangschikte moleculen door te dringen, zal in de steen een vaste invloed ontstaan. De steen heeft dan, wat men wel persoonlijkheid of eigenschap noemt. Wanneer een volgende drager niet meer met de steen in harmonie zou zijn, zal de daarin gelegen kracht werkzaam blijven en op harmonische werkingen in de omgeving blijven reageren. De drager wordt daardoor in sterkere velden gebracht dan zonder de steen het geval zou zijn. Dit gaf o.m. aanleiding tot legenden over “vervloekte” edelstenen.

De edelsteen als zodanig heeft betrekkelijk weinig invloed op u. Wel moet men met het volgende nog rekening houden: Elke kristallijne structuur heeft een eigen en zeer bepaald raster. D.w.z., dat de moleculen en de daarin optredende spanningen, evenals de mogelijkheid tot opnemen en doorlaten van bepaalde invloeden, een vast karakter zullen verkrijgen door deze kristallijne structuur. Sommige kristallen zijn dan ook in staat een deel van de hen beroerende spanningen te transformeren, te selecteren, of zelfs te versterken. In dat geval geeft het kristal van zich een bepaalde impuls aan de daardoor vloeiende of het kristal beroerende spanningen en invloeden.

In de techniek wordt – zij het voor lagere trillingen en spanningen – daarvan reeds gebruik gemaakt. Denk aan de afstemkristallen in radiozenders en transistors. Wanneer men een edelsteen draagt en onder de invloed daarvan komt, kan deze overal, waar harmonie met het eigen raster van de steen aanwezig is, impulsen of gedachten – ook uw eigen – versterken, selecteren en omvormen. Geschiedt dit op een wijze, die met uw wezen en leven niet in overeenstemming is, dan brengt de steen u ongeluk; is deze invloed met u in harmonie, dan ontstaat daardoor vaak de mogelijkheid tot sneller reageren en denken met scherper selectieve vermogens. Dan brengt de steen dus geluk. De steen zelf is niet bezield, maar kan vergeleken worden met een zelf geschapen schil. Het enige verschil is de zuiver stoffelijke structuur van de edelsteen, terwijl de schil steeds een astrale structuur bezit en daardoor ook sneller zal kunnen vervallen en zijn invloed verliezen.

  • Staat iemand, die aan maanziekte lijdt, onder invloed van een natuurgeest?

 In geen geval. Maanziekte kan verschillende oorzaken hebben. De meest voorkomende is de volgende: Er bestaat een storing in het mentaal evenwicht. Nu is het licht van de maan sterk gepolariseerd. Dit eenzijdige licht brengt bepaalde psychische reacties teweeg. Daardoor kunnen in de mens aanwezige eigenschappen tot ontplooiing komen en gaat beheer- sing teloor. Bepaalde levensprocessen ondergaan de invloed van de maan, o.m. door veranderingen van zwaartekracht, gepaard gaande met het sterke gepolariseerde licht. O.m. op lijders aan le grand mal, epilepsie in ernstige vorm, is deze inwerking vaak buitengewoon sterk. De mens bemerkt weinig van de directe invloed van de maan, omdat hij hieraan door zijn leven gewend is. Toch zal de maan eens per dag zelfs een wijziging van atmosferische condities tot stand kunnen brengen. In haar fase “nieuw”, of “vol”, komt deze eigenschap sterker naar voren en kan het weertype beïnvloed worden. Wat de mens betreft, kan worden gezegd, dat het merendeel van de invloeden van de maan als gevolg van mentale reacties optreden. Daarom beschouw ik alle soorten van maanziekte als een verstoring van evenwicht binnen de mens, al dan niet gepaard gaande met storingen in stofwisseling, zenuwstelsel enz.

  • Zijn kinderen gevoeliger voor natuurgeesten dan volwassenen? Gevoeligheid voor storm bv.?

Dit behoeft niets met natuurgeesten te maken hebben. Wezens, die dichter bij de natuur staan en vele kleine tekenen plegen op te merken, zijn in staat, voor het voor volwassenen kenbaar worden van weersveranderingen enz. reeds te reageren door onrust, angst enz.. Kinderen en dieren plegen deze eigenschap te bezitten. Volwassenen verliezen deze eigenschap door een te eenzijdig gerichte belangstelling en grote ongevoeligheid voor kleinere veranderingen en tekenen. Een kind heeft meer mogelijkheden om met natuurgeesten in contact te komen dan een volwassene: het kind aanvaardt een fantasiewereld gemakkelijker als werkelijk en zal daarom vreemde dingen, die het opmerkt, vaak zonder vragen of kritiek aanvaarden. Het kind is over het algemeen, evenals de meeste natuurgeesten, wat egocentrisch ingesteld en zal over de consequenties van eigen doen en laten evenmin nadenken als de natuurgeest. Ook zal het geen oordeel hebben over de natuurgeest buiten een zuiver persoonlijke reactie.

Gebrek aan inhoud, dogma’s, wetten enz. vergroot de mogelijkheid tot contact met natuur- geesten aanmerkelijk. Bovendien zal het kind de natuur aanvaarden, zoals zij is en niet bewust kwaadaardig, of met lust tot hervormen daartegen optreden. Gelijktijdig zal het scherp waar- nemen en een zekere nieuwsgierigheid koesteren, waardoor het kleine dingen eenvoudiger ziet en waarneemt dan voor een volwassene mogelijk is, terwijl het om verstandelijke redenen daaraan niet zo snel voorbij zal gaan. Het kind zal daarom in staat zijn contact op te nemen met natuurgeesten. De beschrijvingen daarvan zal het echter ontlenen aan de verhaaltjes, die men het voor het naar bed gaan heeft verteld. Soms komen kinderen – onder drang van een schuldbewustzijn, of een zich niet aanvaard weten – er toe zich bepaalde spoken te scheppen, waarvoor zij bang zijn. Dit komt uit het voorstellingsvermogen  voort en heeft met natuur- geesten niets te maken. Het zal dan ook moeilijk zijn uit te maken, of een kind werkelijk contact heeft met een natuurgeest, of beelden van eigen fantasie waarneemt. Een kind is immers nog niet in staat een scheiding te maken tussen eigen werkelijkheid en de wereld van de fantasie, zodat deze beiden in elkaar overvloeien.

Voor een volwassene is het daarom wel heel erg moeilijk zich te realiseren, wat er gebeurt, tenzij er direct, en stoffelijk, kenbare tekenen aanwezig zijn. Nu hebben sommige ouders en vriendjes de gewoonte de kinderen bang te maken met verhalen over monsters enz. Dan kan een kind zelfs bepaalde waarnemingen van natuurgeesten of zelfs aardgebonden geesten met dergelijke dreigingen associëren, waardoor natuurlijk een beeld ontstaat, dat geheel niet meer te ontwarren is. Het kind komt onder deze invloed tot de meest onredelijke reacties, zenuw- uitbarstingen enz.. Indien men daarvoor begrip heeft, dan zal men het kind niet zeggen, dat hetgeen het beschrijft, niet bestaat. Men kan immers uit de fantasiewereld van het kind niet zonder meer een voorstelling doen verdwijnen door te stellen, dat dit niet waar is. Wel kan men het kind vertellen, dat het, door op een bepaalde manier te kijken, te fluiten, een spreuk- je te zeggen, het gevreesde kan verdrijven. Indien het om een zuivere fantasie gaat, zal dit – mits het kind vertrouwen heeft in de volwassene – inderdaad helpen.

Is er sprake van een waan van het kind, waarmee een entiteit werd omkleed, dan is de mogelijkheid groot, dat de waanelementen zullen verdwijnen of zwakker worden, maar zullen enkele symptomen blijven. Bovenal: wanneer een kind een dergelijk angstbeeld heeft, dient men zich er voor alles van te onthouden, deze figuur aan te laten rukken, wanneer het kind ondeugend is, hoe goed dit misschien ook werken zal, want dan schept men zelf mede de waan, waaraan het kind psychisch onder zal gaan misschien.

  • Is de wonderdadige werking van het water in Lourdes ook toe te schrijven aan de inwerking van watergeesten?

Neen, een groot aantal van de wonderen in Lourdes is in feite te danken aan de massahysterie en voortdurende massasuggestie, die het grootste deel van het jaar als een zware nevel deze plaats omringt. Wanneer mensen gezamenlijk denken, één hoop en één verwachting hebben, zal er veel gedachtekracht vrij komen. Iemand, die daarmee voldoende harmonisch is, kan als ontladingspunt daarvoor dienen. Zo kunnen er werkelijke wonderen geschieden. Daarnaast vinden zeer vele pseudo-wonderen plaats, waarbij geen sprake is van een werkelijke genezing, maar alleen van een hervinden van zelfvertrouwen, veerkracht, of geloof, dat een kwaal, die niet bestond, ook niet meer wordt gesimuleerd, terwijl andere kwalen tijdelijk worden onderdrukt. De bronnen in Lourdes zijn – gezien hun wonderdadig ontstaan – een van de punten, waarom deze massahysterie draait.

Ik hoop, dat niemand het mij euvel duidt, wanneer ik stel, dat men door de wijze, waarop bedevaarten worden georganiseerd, de grote plechtigheden op het plein voor de kathedraal, de ondergrondse kathedraal, die men heeft geschapen en de ook daar voortdurend plaats vindende plechtigheden, tezamen een sfeer van onwerkelijkheid scheppen, waardoor de menselijke gedachtekracht zich, gaande langs de weg van de minste weerstand, op bepaalde personen kan ontladen. Enerzijds spijt het mij, dat ik misschien uw geloof in de wonderen van Lourdes enigszins schaad. Anderzijds verheugt het mij te kunnen verklaren, dat deze wonderen – toegeschreven aan de Heilige Maagd – tenminste niet door enkele heidense waternixen tot stand worden gebracht.

T.a.v. het wonderdadige bronwater, dat nooit bacteriën zou bevatten, kan ik alleen mededelen, dat men enkele malen dit water onderzocht heeft met minder positieve resultaten. Eenmaal werd zelfs door enkele artsen – niet katholieke – verklaard, dat zij cocci in het water hadden aangetroffen. Hier staan dus verklaringen t.o. elkaar, zoals eveneens in meerdere andere gevallen. Vandaar, dat de kerk zeer voorzichtig is met haar verklaringen omtrent gebeurtenissen en wonderen in deze plaats. Maar de mensen hebben behoefte aan het wonder en worden daarbij ondersteund door een soort geestelijke VVV, die ter plaatse ook de meest smakeloze souvenirs weet te verkopen. Vandaar, dat verschillende handelsbelangen, nog ijveriger dan de geestelijkheid zelf, de roep van de wonderen in Lourdes helpen verbreiden. Van de 100 genezingen, die glorieus door deze groep worden verkondigd, wordt er gemiddeld slechts één door de kerk zelf als wonderdadig erkend. En de kerk van Rome, voor wie de Mariaverering en Marialogie zo belangrijk zijn, zal toch zeker ook hier enigszins bevooroordeeld mogen heten.

  • Wanneer men door omstandigheden op een “kwade” plek komt te wonen, moet men dan weg gaan, of staan de natuurgeesten open voor goede gedachten, zodat de sfeer kan worden omgevormd tot een goede invloed?

Ik meen, dat dit niet zo eenvoudig is, als men zich voorstelt. Uw goede gedachten en goede bedoelingen zijn voor niet harmonische geesten in het benoemde geval vaak een soort lokaas, een kracht, die zij om niet kunnen krijgen. Het verstandigste is dus een dergelijke plaats zo snel mogelijk te verlaten. Overigens komen dergelijke werkelijk kwaadaardige plaatsen in Nederland niet zo vaak voor. In de omgeving van Deventer vinden wij een tamelijk kwaadaardige plek. Ook zijn er een drietal minder gunstig bekend staande plaatsen te vinden in de veenkoloniën. Op de grens van het Gooi en de Veluwe bevindt zich eveneens een minder harmonische plaats enz.. Werkelijk demonisch zijn deze plaatsen niet. De plekken zelf zijn klein, soms minder dan 100 m² en de invloeden zijn – in verhouding tot wat mogelijk is op dit gebied – werkelijk gering. Op de wereld zijn enkele plaatsen, waar deze kwade invloeden zo sterk zijn, dat een mens, die daar enige tijd woont, zich niet meer los kan maken en op den duur geen mens meer is. Overigens heeft dit niets te maken met aardstralen, zoals u misschien denkt. Wel komen dergelijke kwade plaatsen vaak voor, waar moerasgas in de bodem aanwezig is, of waar het gas ontsnapt.

  • U sprak over die meren en dieren, die daar niet willen zijn. Dat kan toch een organische kwestie zijn?

Dat kan natuurlijk ook wel voorkomen, maar onzuiverheid van het water is zeker niet altijd de oorzaak, want er zijn waterlopen, die geheel zuiver en drinkbaar water voeren, terwijl je er toch geen dier zult aantreffen in de omgeving. Wel blijken op dergelijke plaatsen soms bepaalde planten of insecten in grote getale aanwezig te zijn. In de Amazone is een riviertje, waar je op een bepaalde plaats geen enkel dier zult aantreffen. Zelfs geen slangen, duizendpoten of apen. Wel vindt men er grote hoeveelheden orchideeën en aan het randgebied veel spinnen. De mogelijkheid tot voeding voor planteneters is zeer goed, drenkplaatsen zijn veilig en ruim. De dieren mijden het gebied, omdat zij zich daar niet rustig voelen.

  • Kan dit niet een natuurwet zijn?

In het genoemde geval niet. In de Gran Chaco verbaast men zich er altijd weer over, dat dit terrein gemeden wordt. Alleen de inboorlingen mijden – evenals de dieren – dit gebied. Nu kunt u wel zeggen: Wij kunnen daarvoor toch wel een verklaring vinden. Als u wilt, kunt u overal wel een natuurlijke verklaring voor vinden. Die is dan wel niet geheel juist, maar in ieder geval is zij natuurlijk. Mensen, die zich in deze gebieden een langere tijd ophouden, blijken boven alle verhouding uitgeput te zijn door hun tocht. Er zijn natuurlijke oorzaken voor dergelijke verschijnselen te vinden, maar niet altijd. U laat dit liever buiten beschouwing en maakt daarbij de fout die de doorsnee mens pleegt te maken. U stelt: elders is een dergelijk verschijnsel, waarvoor een verklaring gevonden is. Wij passen deze elders geldende verklaring nu liever overal toe, dan toe te geven, dat – gezien andere omstandigheden – ergens wel eens een minder stoffelijke oorzaak voor verschijnselen aanwezig zou kunnen zijn.

Dit is een der redenen, waarom het de mens zo zwaar valt contact op te nemen met de werelden van de geest en waarom het de mens moeilijk valt met natuurgeesten in contact te komen. De mens is eenvoudig niet bereid deze dingen te aanvaarden en verklaart ze weg.

Juist deze houding heb ik getracht vanavond te bestrijden. Het gaat ons heus niet om de vraag, of u nu wel of niet aan natuurgeesten zult gaan geloven. Het is goed te weten, dat zij bestaan. Het kan nuttig zijn, dat wij u enig inzicht geven in deze dingen. Bovenal heb ik getracht te bereiken, dat de mensen – mensen, die juist in deze dagen steeds weer met het bovennatuurlijke en het ingrijpen van bovennatuurlijke krachten geconfronteerd zullen worden – niet langer het oude en dood getreden spoor van rationalisatie en ontkenning zullen gaan. Men maakt deze fout steeds weer, tot men door veel schade en schande eindelijk leert inzien, dat het gestelde toch niet geheel juist was, dat er andere invloeden eveneens aan het werk zijn.

Weet u, dat er duizenden mensen aan penicilline zijn gestorven, vóór men tot de ontdekking kwam, dat niet een ieder dit geneesmiddel kan verdragen? Teveel ging men ook hier uit van het standpunt: penicilline heeft gewerkt bij A, dus moet het ook bij B werken. Wanneer dit niet klopt, ligt het niet aan onze stelling en de penicilline, maar aan onvoorziene omstandigheden. Zelfs nu kost het menigeen nog moeite te beseffen, dat men maar niet elk antibioticum voor elke willekeurige persoon zonder meer kan gebruiken. Er is een tijd geweest, dat men elektriciteit een goochelkunstje noemde, dat was in de tijd, dat Volta werkte met zijn cel. Vele geleerden noemden dit alles onmogelijk en bedrog. De overbrenging van de eerste radiografische boodschap werd bestreden. Men beschuldigde Marconi van zwendel, onderlinge afspraken enz. Eerst tot het experiment niet meer bestreden kon worden, erkende men het, om prompt te stellen, dat dit alles in feite geen nut had.

Indien u nagaat, hoeveel het z.g. wetenschappelijke, in feite dogmatische, denken de mens gekost heeft in bereikingen, in ellende en vertraging van zijn ontwikkelingen, zou u alleen daarom reeds moeten stellen: De mens moet meer openstaan voor het ongebruikelijke en zelfs het schijnbaar zinneloze of onmogelijke niet zonder meer verwerpen. Wanneer ik dit vanavond hier propageer, ook t.a.v. geestelijke krachten, zo geschiedt dit, omdat de mens ook in zijn denken t.a.v. de geest, is vastgelopen in zijn dogma. Natuurgeesten zijn bijgeloof, die bestaan niet. Dat kan niet. Men heeft er nog nooit één in een laboratorium kunnen zien en onderzoeken. Wat je niet ziet, bestaat niet. Natuurlijk: wanneer er genoeg mensen op aarde gaan zeggen, dat iets bestaat, dan gelooft men het op den duur wel, zelfs wanneer het onzin is. Is het nu werkelijk zo dwaas aan te nemen, dat er wat meer bezieling op aarde bestaat, dan de mens en de zichtbare levensvormen alleen? Is het zo dwaas aan te nemen, dat er in dieren ook een geest leeft? Is het zo dwaas aan te nemen, dat er astrale machten kunnen bestaan? U gelooft daaraan wel, wanneer zij vallen binnen een door u en een gemeenschap op deze wereld erkende religie. Maar men weigert eenvoudig de ogen open te houden voor de fenomenen van de geest, die zichtbaar zijn. Men gaat er eenvoudig aan voorbij. Waarom bewust blind zijn voor die dingen? Toch zijn de mensen vaak bewust blind, niet alleen voor natuurgeesten, maar voor vele andere dingen. De mensen zijn blind voor deze dingen, omdat zij niet passen in hun redelijke wereldje en hun gevoel van zekerheid zouden kunnen schaden. De mensen zijn bewust doof en blind, omdat zij menen, dat hun eigen meerwaardigheid en suprematie door een dergelijke erkenning zal worden aangetast. Zij weigeren dit te erkennen en verdringen zelfs dit proces naar het onderbewuste, want zij willen zich op hun open geest blijven beroepen.

De selectieve blind- en doofheid op velerlei gebied, die in vele opzichten op de wereld tot uiting komt in deze dagen, is een van de meest nadelige werkingen, want juist hierdoor is de doorsnee mens niet in staat gebruik te maken van de geestelijke krachten en vermogens, die hem ter beschikking staan. Het is om deze reden, dat ik u zeg: Er zijn natuurgeesten. Er zijn plaatsen op deze wereld, waar de invloed van natuurgeesten merkbaar wordt in het gedrag van de dieren en het beleven van mensen. Er zijn vele verschijnselen, die u nu wel weg kunt redeneren maar die desondanks werkelijk voorkomen, waarvoor uw verklaring steeds onredelijker en ingewikkelder zal zijn, dan de eenvoudige en ware: het bestaan van een bezielde natuur.

Waarom erkent de mens God niet in alle dingen? Waarom verzet hij zich tegen, wat hij noemt: heidens pantheïsme? Waarom erkent men niet, dat de God, Die alle dingen geschapen heeft, ook nu nog in alle dingen leeft en in alles Zijn bezieling kan leggen, zelfs in de elementen? Zoals de mens in en uit God leeft en bestaat, zullen ook in de natuur, in de elementen, krachten voorkomen, die leven in Hem, bestaan in en uit Hem en toch zelfstandig leven, handelen, refererende binnen hun wereld, zo goed als u binnen de uwe. Moet men dit verwerpen, omdat het de plaats van de mens in de Schepping minder belangrijk maakt, of omdat het de wetenschap boven het hoofd groeit en eisen stelt, waaraan deze wetenschap niet tegemoet kan komen?

Wetenschap, die dogmatisch is, omdat zij meester wil zijn, is geen werkelijke wetenschap meer. Een wereld, die het bestaande, of delen daarvan verwerpt, omdat men alleen meent te kunnen leven, wanneer men de werkelijkheid voor zich beknot, is een waanwereld, die de mens geestelijk en waarschijnlijk ook materieel ten gronde zal richten. Vandaar mijn pleidooi van heden: Niet voor het klakkeloos aanvaarden van natuurgeesten, maar voor een besef, dat mogelijkerwijze ook dergelijke krachten bestaan. Ik pleit voor een steeds groeiend besef in iedere mens, dat er meer is, dan de mens kan kennen en zien, zodat de mens moet leren deze waarden en krachten eveneens te beseffen en op te vangen om, aan de hand daarvan zo goed als aan de hand van nu reeds erkende verschijnselen te handelen. Alleen zo zal de mens harmonisch in zijn eigen wereld kunnen leven, een steeds bewustere en harmonischer mens wordende, steeds bewuster ook levende in de geest.

Vergeef mij deze uitbarsting! ik tracht u duidelijk te maken, waarvoor wij vanuit de sferen in deze tijd op aarde werken: Er zijn onnoemelijk grote krachten over de wereld los gelaten, die weliswaar traag kenbaar worden en niet zich in een plotselinge wereldondergang kenbaar maken, maar toch dag na dag hun invloed duidelijker en krachtiger laten gelden over geheel de wereld. De mens, die zich aan deze krachten aan kan passen, zich durft aanpassen aan al, wat er op de wereld aan krachten en verschijnselen bestaat, niet alleen levende in eigen beperkte voorstelling, zal van deze krachten vele goede vruchten kunnen plukken en deze krachten bewuster gebruiken voor zichzelf en zijn naasten.

Mensen, die zich niet verzetten tegen iets, waarvan zij beseffen, dat het demonisch en duister is, doende of het niet aangaat, zijn in feite ook negatief. Zij zullen het sterkst getroffen worden door krachten in de natuur, die het negatieve bestrijden. Wanneer u stelt: Ik wil geen oorlog. Zolang ik mijn vrede heb, gaat de rest van de wereld mij niet aan, zult u schuldig zijn aan het ontstaan van een oorlog. Door uw negatieve houding geeft u anderen de mogelijkheid hun actief negatieve inzichten te doen overheersen en geheel mee te slepen in hun eigen disharmonie. De ellende in Rusland, de concentratiekampen in Duitsland hebben hun bestaan in grotere mate mede te danken aan het angstig neutraal zijn, dan aan het werkelijk negatief element, want dat is in verhouding niet zo sterk. Men moet goed begrijpen, dat tolerantie iets anders is dan verdraagzaamheid: een zich terugtrekken van de verschijnselen, die men niet aanvaarden kan door net te doen, of er niets gebeurt, staat t.o. trachten, persoonlijk alle andere meningen en inzichten te begrijpen en het daaruit voortkomende onrecht voor jezelf te verdragen, zonder ooit een schrede terug te doen op de weg van het streven naar de positieve oplossing. De mens moet, zeker in deze dagen, zo positief mogelijk werken, denken en streven. Doet hij dit niet, dan zal hij door zijn negatieve houding ongetwijfeld ook in conflict komen met vele elementairen.

Het is niet belangrijk, dat u werkelijk gelooft in natuurgeesten. Het is niet belangrijk en vaak zelfs niet wenselijk dat u iets gelooft, zonder dat het voor u kenbaar en aanvaardbaar is. Het is wel belangrijk, dat u bereid bent, alles wat zich manifesteert, te onderzoeken en waar te nemen. De mens mag niet trachten zijn eigen mening omtrent de wereld aan de kosmos op te leggen – dwaasheid – maar dient zoveel mogelijk alle ervaringen en belevenissen zo onbevooroordeeld mogelijk te ondergaan en vast te leggen, zo een zo juist mogelijk beeld van God en de kosmos in zich verwervende. De keuze, waarvoor de mens staat, is steeds weer de keuze tussen zijn eigen wereld, die maya, begoocheling, is en de Goddelijke wereld, die de waarheid is.

Wij kunnen de waarheid benaderen door open te staan voor al, wat zich toont en kenbaar maakt voor ons bewustzijn en in onze wereld. Alleen zo zullen wij ons levensdoel kunnen ver- vullen. Hoe meer wij trachten eigen inzichten en meningen, eigen beeld van de wereld, aan de wereld en anderen op te leggen, hoe sterker wij falen, hoe minder bewust wij zullen leven, hoe groter de waan wordt, die ons van de vervulling scheidt.

Ik hoop, dat ik u iets dichter heb kunnen brengen bij het besef, dat er vele onbekende waarden op en rond uw wereld bestaan, terwijl het voor u belangrijk is al deze dingen te leren kennen, beleven en waar te nemen, opdat men eigen wezen en werkelijkheid, zowel als de eeuwige krachten in het Ik in waarheid zal kunnen beseffen.