Natuurlijke evenwichten

11 juli 1983

We hebben vanavond een gastspreker, een heel eigenaardige figuur.

Zijn oorspronkelijk heidendom heeft hem waarschijnlijk ertoe gebracht om de natuur zelf te zien als een levend organisme en wat erbij hoort. Hij houdt als ik hem zo hoor nogal veel van aardse genietingen – althans de herinneringen eraan – maar geeft aan de andere kant blijk van een zeer eigenaardige wijsheid. Zijn ogenblikkelijke sfeer: grens van kleur en wit licht. De hoofdkleur van zijn eigen omgeving is op dit ogenblik blauw. Hij zou dus onderzoek plegen, denk ik.

Informerend naar wat hij wilde gaan zeggen, antwoordde hij: “Hoe kan ik zeggen wat ik ga zeggen, als ik niet weet wie het gaan horen?” Misschien wijst dat op diplomatieke gaven. Maar toen ik hem vroeg: “Wat zijn jouw eigen denkbeelden?” Zei hij. “Ach, het is eigenlijk zo eenvoudig. Alle vormen zijn illusies. Wij leven met die illusies, maar zonder illusies hebben wij geen leven. Laten we daarom uitgaan van het standpunt dat ons wezen niet in staat is een werkelijkheid te aanvaarden en heeft daarom de illusie nodig om zo de werkelijkheid te kunnen benaderen.”

Ik vroeg hem: “Wat vind je het belangrijkste in het leven of het bestaan?”

Hij zei: “Dat is de goden horen zingen, de bokalen ledigen en dromen van een overwinning.”

Ik zei: “Dan zit je nog dicht bij de aarde.”

Hij antwoordde: “Dat is niet waar. Luister, de goden horen zingen: als alle krachten van de natuur in harmonie zijn, dan zingen zij. En dat wil ik horen. Dat ik ze goden noem lijkt mij heel wat beter dan zoals de moderne mens doet: daar alleen maar wetenschappelijke namen aan te geven of te beschouwen als een niets.”

Hij zegt: “De bokaal ledigen: als je leeft moet je het leven proeven en het goede van het leven. Als je de mogelijkheid niet hebt van het goede van het leven te proeven, dan moet je op z’n minst genomen denken: hoe het zou kunnen zijn als je het wel zou kunnen proeven. Want als je dat niet probeert, waarvoor leef je dan?”

Ten laatste zegt hij: “Dromen van de overwinning van morgen, dat is toch heel eenvoudig. Want de enige strijder die je waardig is, ben je zelf. Op het ogenblik dat ik meester ben over al wat ik geweest ben, heb ik een overwinning behaald. En daar droom ik van.”

Nu ben ik ook niet op mijn mondje gevallen, dus ik zei tegen hem: “Waarom droom je erover? Doe je er niks aan?”

Hij zei: “Of ik er iets aan doe? Natuurlijk, ik droom er toch van?”

Hij is wijs, ongetwijfeld. Een beetje diplomatiek. En ik dacht iemand die heel veel kennis heeft van de krachten der natuur en de samenwerking die er onderling bestaat.

Nu heb ik u de gast geïntroduceerd en begint weer de gebruikelijke beproeving. Ik moet de tijd volpraten. Dat doe ik tegenwoordig meestal door maar iets van mezelf te vertellen. Niet over mezelf, maar van mezelf. Want als ik over mijzelf begin, komen we niet verder.

Laten we het heel simpel stellen: Ik ben natuurlijk Christen. Voor mij is de goddelijke liefde misschien wel het meest omvattende dat er bestaat. Ik begin erachter te komen dat je er veel andere namen aan kunt geven, maar een schepping die is, die bestaat; of het nu illusie is of werkelijkheid, die geeft toch een eenheid en een inhoud. En alles wat erin gebeurt hoort bij het geheel, anders zou het er niet zijn.

Dan denk ik: die Christus van mij is eigenlijk gelijk aan al die anderen in het verleden, of ze nu de wereldzee gekarnd hebben en het wereldgif gedronken, of dat ze misschien gestorven en verdeeld zijn en weer opgebouwd of wat je nog meer hebt van die verhalen. Het is altijd weer het ene dat onder gaat, om in het vele zichzelf te zijn.

Wanneer wij hier zijn, zijn we deel van een eenheid. Daaraan kunnen we niet ontkomen. Maar die eenheid in zich rationaliseert a.h.w. zichzelf door de verschijningsvormen waarin we het leven waarnemen. Het leven is onze vertaling van de oneindigheid. Als we op deze manier bezig zijn, is het voor ons zo moeilijk om ons voor te stellen, dat er een absolute vrijheid bestaat – veel groter dan je je kunt voorstellen – maar dat deze vrijheid gelijktijdig de absolute gebondenheid inhoudt. Want je kunt je niet losmaken uit het geheel en nog bestaan. Maar binnen het geheel moet je deel van het geheel zijn, anders kun je niet vrij zijn.

Op die manier kan ik eigenlijk ook begrijpen, dat men bv. geprobeerd heeft om het beeld van de goden zo sterk op aarde vast te leggen, dat de goden op de aarde zouden wonen. Het is eigenlijk de droom waarbij we de werkelijkheid proberen om te zetten in onze wereld. Het is het Koninkrijk Gods dat ook op aarde bestaat. Het is de werkelijkheid van het leven de werkelijke naastenliefde of medemenselijkheid of broederschap of hoe je het noemen wilt. Het is de band die alle dingen bij elkaar houdt.

Dan zit ik zo bij mezelf te filosoferen, ofschoon ik het in de geest nog druk genoeg heb. Dat is typisch als je overgaat, dan begin je als krullenjongen en denk je: nou ja, alleen maar andermans rommel opruimen is ook niets. Maar als je later aan het werk moet en je ontdekt wat het voor inspanning kan kosten om dat goed te doen dan weet je het nog niet. Dat zult u zelf wel meemaken Dus wat dit betreft, aanstaande krullenjongens, beklaag je niet!

De werkelijkheid waarin ik leef, is net zomin waar als de werkelijkheid waarin u leeft. Het zijn werelden die we eigenlijk dromen. Het klinkt een beetje gek natuurlijk, want het is een reuzendroom. Maar als je in deze dromen met een hamer op je duim slaat, dan vermoed ik wel, dat oude indiaanse eigenschappen plus enkele oerkreten gelijktijdig kenbaar worden. Het is voor ons volledig echt. Maar hoe echt is het?

Dan denk ik: dat als je van die eenheid uitgaat dan is het echt. Maar op het ogenblik, dat je probeert het uit elkaar te rafelen om het allemaal te zien in vaststaande waarden, vastgelegde tegenstellingen, je dan eigenlijk het geheel kapot maakt. Dan is de werkelijkheid er niet meer. Dan is er alleen nog maar de droom.

Misschien zou je het ook zo kunnen zeggen: Het weten is goed als het voert tot synthese. Op het ogenblik echter, dat het weten voert tot indeling, is het verkeerd. Dat is geestelijk gezien volledig waar, dacht ik.

Ik heb op mijn manier natuurlijk wel me afgevraagd; is zij voldoende van jullie bezield? Ja dat is ze. Dat wisten we trouwens al. Wat is de bezieling van die wereld? Als je het goed bekijkt is het eigenlijk kracht en uitstraling. Waarom kracht en uitstraling? Omdat dit de enige werkelijkheid is. Het andere zijn voorstellingen. De kracht is de enige werkelijke.

Dan kijk ik naar alle harmonieën die zo’n wereld bepalen. Ik moet zeggen: ik heb daar toch een groot aantal verschillende factoren gevonden. Nu blijkt dat er één ding is wat in het geheel een overheersende rol speelt. Zo vreemd als het moge klinken, zou je het ’t best kunnen vertalen in het denken aan anderen.

Op het ogenblik dat u – werkelijk harmonisch – alleen maar denkt aan een ander, dan is er tijdelijk een deel van de eenheid hersteld, ook binnen de droom die we dromen. Binnen die wereld waarin die verdeeldheid voor ons nog de enige werkelijkheid is. Op het ogenblik dat we in staat zijn de ander te begrijpen, begrijpen we niet alleen de ander, maar begrijpen we eigenlijk een heel groot gedeelte van die wereld en van die uitstraling waarbinnen we ons bevinden. En daarmee zou je weleens tot verwonderlijke resultaten kunnen komen.

Er is iemand die heeft een keer gezegd: “De mens is en blijft een magisch wezen. Want alleen door een beroep te doen op het in zijn wereld niet‑kenbare kan hij komen tot een aanvaarding van het in zijn wereld geuite.”

Hier heb je geloof ik het antwoord op veel vragen. Waarom geloven wij? Waarom zijn we voortdurend bezig met krachten te werken, die we eigenlijk niet helemaal kennen? Schijnbaar doen we dat omdat we wijzer zijn geworden of omdat de Heer zich aan ons heeft geopenbaard.

Dat vind ik ook zoiets typisch: geopenbaard. Ik zie Hem al komen met die lange sik. Maar dat zijn toch alleen maar onze uitdrukkingen, onze uitdrukkingen voor iets onvermijdelijke. Wij zijn niet wat wij denken te zijn. Dat deel waarvan we aanvoelen dat we het zijn, maar dat we gelijktijdig niet als werkelijk ik kunnen beschouwen, dat vormen we dan om tot de goeroe, de geleider, de dit of de dat.

Laten we een heel simpel voorbeeld nemen, “Jezus is uw geleider.” Nu, dat komt voor. Er zijn mensen die hebben Hem als geleider. Maar is dat echt? Het antwoord moet luiden: Zoals je je dat voorstelt, is het zeker niet. Jezus is niet de geleider, Hij is de menselijke vertegenwoordiging van de uitbeelding van de kosmische kracht die ook in jezelf woont. Dan wordt Jezus niet in de eerste plaats iemand of iets wat buiten ons staat. Neen. Het is de kracht die in ons woont. Door de voorstelling die we aan die kracht geven hebben we een sleutel, waarbij we kunnen binnendringen in een deel van de grotere werkelijkheid waartoe we eigenlijk al behoren.

Op dezelfde manier zie je dat heel veel mensen zich vereenzelvigen met anderen. Dat komt ook zo vaak voor. Hoe vaak zie je bv. niet in oude spelen – en die zijn zelfs in de middeleeuwse kathedralen nog opgevoerd – dat iemand opeens zegt: “Ik ben die en die.” “Ik ben de onnoembare met de ongekende naam”, en: “Uit de naam die ik ken en niet mag spreken beveel ik u…” En dan komt er een hele reeks. “Ik ben.” Maar ook in de kathedraal: “Ik ben de engel en ik verkondig u…” en dan kwam er heus niet alleen wat er tegen Maria werd gezegd, want de preek zat er meteen in verweven.

“Ik ben.” Misschien veelbetekenend dat men wanneer men zegt: “Wat is de naam van God” tegen hem zegt: “Ik ben die ben.” We zijn allemaal iets meer dan we denken. Er kan een ogenblik zijn waarop ik God ben. Niet omdat ik goddelijke kwaliteit of eigenschap heb, maar ik ben deel van het geheel. Als het geheel zich door mij uit, ben ik op dat ogenblik God.

Dan ga ik ook begrijpen waarom ze Jezus eigenlijk tot een magische procedure, tot een soort secundaire godheid hebben gemaakt. Dan kan niet anders. Hij was op een gegeven ogenblik God. Hij was een mens, maar ook God, d.w.z. Hij bracht het geheel tot uiting binnen de beperking van zijn eigen vorm. Op dat ogenblik is Hij God. Maar Hij is niet de enige.

Hoe velen zullen er op aarde zijn geweest, die op een of ander ogenblik a.h.w. bezeten zijn van een totaliteit, die ze niet eens bewust kunnen beleven. Sommigen hadden dan de moed niet om te zeggen: “Ik ben”. Die zeiden bv. “Ik ben de stem Gods.” Maar het is toch allemaal maar een eufemisme en een poging om er doekjes omheen te winden

De werkelijkheid is dat niets kan bestaan wat ook niet in mij tegenwoordig is. Niet omdat ik zo belangrijk ben, maar omdat ik deel ben van het geheel dat we God noemen en omdat alle kracht en alle weten en alle uitingen samenvloeiend niet slechts in die God, maar elke uiting van die God op het ogenblik dat deze uiting zijn eigen begrenzing tegenover die God opgeeft en daardoor in feite de synthese wordt van goddelijke uitingen in vele werelden en ook de uiting hier op aarde.

Je kunt op gekke gedachten komen als je met zo’n oude – hoe moet ik hem noemen? – vogelenmeester zit te praten. Maar eigenlijk had hij wel gelijk, dacht ik. Elke geest en elke mens heeft zijn eigen manier van redeneren, filosoferen en denken. Ik heb ook me afgevraagd: kan ik dan macht bezitten?

Ja, als God in mij woont heb ik macht. Neen, ik heb geen macht. Want de macht van God wordt pas kenbaar op het ogenblik dat ik “ik” niet meer ben. Pas als ik mezelf vergeet openbaart zich die macht. Zolang ik mezelf ben, is die macht wel een potentie in mij, maar ze wordt gewoon beperkt door mij beeld van mijzelf.

Eigenlijk is het heel vreemd. Alle mensen jagen in meerder of mindere mate naar macht, Dat is ook zo’n verschijnsel. Ik ken geesten die ook niet vies zijn van macht. Dus zeg je: die macht moet toch een betekenis hebben. Dan kom ik tot de conclusies dat die macht eveneens een honger is naar iets wat behoort bij die eenheid, bij die totale persoonlijkheid. We maken alleen een fout, in plaats van dat we die eenheid willen aanvaarden zoals ze bestaat, willen we ze naar ons toetrekken. Wij willen de kern zijn van die eenheid en dat kunnen we nu juist niet.

Ze hebben weleens in een luchtballon 300 liter water gegooid, maar bij de 301ste barstte dat ding. Zo gaat het bij ons ook. We kunnen veel meer bevatten aan kracht en aan mogelijkheden. Maar de onbegrensdheid die we in wezen begeren en nastreven kunnen we niet waarmaken zolang we gelijktijdig ik blijven.

Je kunt nog een stap verder gaan. Je kunt zeggen: Al die dingen zijn erg mooi en erg goed, maar zolang ik mezelf ben volgens mijn eigen visie, met mijn eigen gevoelens, met mijn eigen tweespalt (dat heeft ook iedereen) met mijn angst dat ik het niet zal halen en met mijn behoefte net iets meer te zijn enz. dan zeg je: Als ik zo ben, moeten er twee redenen zijn. De eerste reden is omdat ik, zoals ik besta met alles erop en eraan moet bestaan, dat is de uiting die ik moet zijn binnen het geheel. En ten tweede, de voorstelling die ik van mijzelf maak, dat is mijn poging om het geheel waar te maken zonder het gelijktijdig te herkennen voor wat het is: datgene waarin ikzelf opgelost word.

Ik heb al gezegd dat ik Christen ben. Wat voor mij altijd de meest bindende uitspraak is geweest in het christendom is: Hebt uw naasten lief. Dus, heb de ander lief, laat ik het zo zeggen. Dat betekent, dat je jezelf nooit boven een ander moogt stellen; een eenheid.

Deze gastspreker bedoelt ook zoiets, alleen zegt hij het heel anders. Hij zei: “Machteloos ben ik tot ik één word met dat, wat meer is dan ik en op dat ogenblik uit ik dat, wat meer is dan al wat ik besef. Maar als ik het aanschouw zeg ik: ik ken het. Want ik herleid het tot datgene wat ik zelf nog kan zien.”

Het is een fantastische uitspraak van de gastspreker, maar zit er eigenlijk wat in? Als je nu kijkt naar uw eigen leven: u zit hier en u krijgt later de recapitulatie. Als u nu terugkijkt, waarom hebt u zo zwaar getild aan allerlei dingen? Waarom hebt u zich zo druk gemaakt over allerlei dingen? En waarom ziet u sommige dingen eigenlijk als onvermijdelijk of noodzakelijk? Vertel me dat eens even. Is het misschien omdat u er geen genoegen mee wilt nemen te zijn wat u bent? Dat u niet van binnen een beetje wilt genezen door te aanvaarden, dat er een grotere eenheid is waarin alles in orde is en dat het aanvaarden van die eenheid het enige is wat u redden kan?

Nu moet ik oppassen anders zegt men: oh, daar hebben we de nieuwe Bhagwan.

Ik wil u helemaal niet preken dat u losbandig of bandeloos moet zijn. Of dat u zich helemaal vrij moet maken en al dat soort dingen. Dat moet u zelf maar weten, moet u zelf uitzoeken. Maar er is één ding wat ik de mensen wel zou willen zeggen: “Probeer nu eens van je gevoel van onmacht en schuld af te komen. Probeer gewoon te beseffen, dat die dingen eigenlijk niet zo belangrijk zijn. Wanneer je dat namelijk beseft, kom je ook van je agressie af, van je behoefte om je eigen onmacht te wreken op de wereld af. Laat ik het zo maar zeggen.

Als je die twee dingen niet meer hebt, kun je werkelijk pas gaan leven, zelfs in die beperkte wereld die je bezit en die jou natuurlijk bezit. Want denk niet, dat je de wereld hebt. Als je denkt dat jij de wereld hebt, heeft de wereld jou; maar dan wel bij de neus.

Echt waar is dit: Al wat gebeurt, is binnen het geheel zinvol. Al wat ik ben is binnen het geheel onvermijdelijk. Maar al wat ik denk te zijn en wens te zijn is een ontkenning van het wezenlijke, dat in mij bestaat en dat door mij gaat werken.” Wat zou u daarover denken? Dan kun je misschien nog een stap verder gaan: er is eens iemand bij ons gekomen met ‘Engels stap voor stap’. ”I am Fred Fry, I am your teacher”. Dat vond ik schitterend. Hij was een echte Amsterdammer. Het klonk zo mooi; misschien is dat iets wat de mensen willen. Ze willen exclusief zijn, iets bijzonders. Hoe meer bijzonder je probeert te zijn, hoe minder bijzonder je in werkelijkheid wordt, want je verwijdert je van de werkelijkheid in de ogen van anderen kun je groot zijn, maar nooit t.a.v. het geheel waarvan je deel uitmaakt.

Daar ligt eigenlijk het grote gevaar voor ons allemaal, dacht ik. We willen graag spreken over de eenheid van de natuur, over de almacht van God. We willen ons bezig houden met de filosofie, de esoterische, de mystieke en andere benaderingen van de Grote Geheimen, maar we vertikken het om ons bezig te houden met onszelf. We willen liever tien anderen helpen dan één keer werkelijk naar onszelf kijken.

Ik spreek niet voor jullie hoor, ik spreek voor mezelf en degenen die ik goed ken. Wat we nodig hebben is onszelf zien, onszelf aanvaarden – ook wanneer het je zgn. nou eens een keer niet zo goed gaat – en dan in die aanvaarding proberen ons één te voelen met alles wat er om ons heen is, wat er om ons heen gebeurt. Als mensen zal je natuurlijk het eerste getrokken worden naar delen van de mensheid, dat is begrijpelijk. Maar waarom zou een mier of een slak of een olifant meer of minder zijn? Het is een andere uiting, maar van hetzelfde.

U denkt, wanneer wij de geest der dingen zoeken, vinden we de eenheid. Maar we kunnen die eenheid niet vinden tenzij we eerst de geest der dingen, de waarheid van het bestaan in onszelf gevonden hebben. Als dat volbracht is, zullen de mensen misschien denken: “Waarom is hij of zij zo veranderd?” Ze zullen zeggen: “Nou, maar die kan je goed helpen.” Of “Nou, die zegt de waarheid.” Het is namelijk de waarheid die je alleen mag zeggen over anderen en nooit over degenen die erbij betrokken zijn.

Wij moeten eerst de waarheid in onszelf vinden en dan niet van: “ik ben geslaagd of niet geslaagd” want dat bestaat bewoon niet. En ik ben geen mislukking, ik ben niet groot en ik ben niet klein. Ik ben. Ik besta. In dat bestaan ben ik deel van alle dingen. Als je dat kunt aanvoelen kun je dat overal in de wereld terugvinden. Maar dan is die wereld ergens je naaste geworden. Het is datgene wat eigenlijk bij je behoort. Het is de wereld die antwoord geeft op hetgeen je bent, maar het is gelijktijdig de bevestiging van je bestaan en je mogelijkheid om het bestaan dat in je is ook werkelijk te uiten.

Als je dat voor elkaar krijgt, denk ik, dat je een heel eind verder bent gekomen.

Ik krijg nu een waarschuwing waarbij ze zeggen: “Je zit nu lekker te kletsen, je hebt zelfs een paar dingen gezegd die de moeite waard zijn. Maar je bent en blijft inleider, dus laat de diepzinnigheden maar over aan de gast die komt.” Dat zal ik dan ook ongetwijfeld doen.

Dat ik eens een keer hardop met u heb zitten denken, is dat zo erg? Ik dacht van niet. Ik heb gewoon geprobeerd om hardop denkende iets van de sfeer weer te geven, van de eigenaardige uitstralingen, dat is misschien beter gezegd, van onze gastspreker.

De indruk die hij op mij heeft gemaakt en de wijze waarop ik dat beleefd heb, heb ik geprobeerd een beetje te weerspiegelen en gelijktijdig – hoe kun je anders, nietwaar – toch iets van mijzelf erin te leggen. Ik hoop dat ik daar in geslaagd ben.

Gaat u dadelijk niet naar de gastspreker luisteren met het idee van: nu komen de diepzinnigheden. Maar realiseer nu gewoon, dat zo iemand zich misschien meer bewust is van alles wat we samen werkelijk zijn dan wij en daarom zal hij waarschijnlijk wel een sfeertje met zich meebrengen.

Het is niet alleen een kwestie van “onderga het”. Maar juist bij hem zou ik u toch de raad willen geven – waarschijnlijk omdat het mij zo is overkomen – probeer er iets in te herkennen van uzelf. Want het gekke is dat de gastspreker ondanks alles mij eigenlijk ook mijzelf heeft laten zien.

Een begrip voor je eigen beperkingen betekent niet dat je minder waard bent. Het betekent misschien alleen dat je toch nog iets anders gaat werken dan je hebt gedaan. Dat je toch die waarheid nog op een andere manier gaat beleven dan tot nu toe het geval was.

Ik heb zo het idee dat die u soms kan helpen om heel dicht bij dat vlak te komen, waarbij we zeggen: waar is eigenlijk nog de grens tussen het besef dat ik ben en de God, die de kracht uitmaakt waaruit ik leef.

De Gastspreker.

In deze wereld veranderen de dingen snel. Want uiterlijkheden zijn voorbij voor je ze kent. Nu ik weer tot mensen moet praten – en dan nog in een taal die zeker niet de mijne was – moet ik overleggen wat ik u zal zeggen.

Uw wereld is veel minder bezield dan de mijne. In mijn wereld waren de bomen levende wezens, brachten de dieren de tekenen van de goden en was de aarde zelf een bron van voortdurende openbaring.

U leeft in een tijd, waarin u denkt met systeem alles te beheersen. Maar achter al uw uiterlijk vertoon, uw machines, uw overmatig drukke samenleving, vind ik toch nog dezelfde mensen terug, de mensen die soms niet weten wat ze zijn.

Toen de dagen kwamen dat we uitgingen op de jacht, de valk op de pols, toen dacht ik: het is alles één. Het gras onder mijn voeten, de bomen die er in de verte aan de schaduwrand staan, de golvende heuvelen, de lucht die blauw is en dat stukje leven, dat klaar zit om ander leven te nemen en daardoor eigenlijk weer leven mogelijk te maken.

De eenheid is gebleven. De vormen zijn voorbij gegaan. De jachtvogel jaagt niet meer. Maar ergens denk ik steeds weer, dat ik zijn stem hoor roepen tegen de hoge lucht. Het gras is vergaan. De dalen zijn vol met akkers of stenen huizen en stinkende banden waarlangs het zgn. verkeer raast. Toch ligt het erachter. Het is nog dezelfde aarde en het is nog dezelfde blauwe lucht.

Hetzelfde tintelende leven graaft zich nog steeds een weg naar boven toe. De bomen ruisend, de wind brekend in de storm. Achter de uiterlijkheden is er niets veranderd. Achter de uiterlijkheden. En die uiterlijkheden zijn het, waarin wij denken te leven. De uiterlijkheden zijn het, waarin we drinken, spelen en lachen, waarin we soms denken aan die eenheid waarin we behoren. Wat er van binnen leeft, weten we niet.

Wie naar binnen gaat, gaat door echoënde grotten van leegte, waarin het gesteente de vreemde zuilen heeft neergezet. Waarin water onverwacht klatert en waarin je denkt verdoold te zijn. Want wie binnengaat in de werkelijkheid ontbeert de vormen en de geluiden van zijn wereld. Men wordt radeloos en wanhopig. Misschien roept men naar vrienden en het enige wat men terug hoort is de echo.

Dan uiteindelijk is er ergens een straaltje licht. Licht dat niet komt van een fakkel of van een vuur. Maar licht dat van de zon komt. Dan storm je eropaf en als je naar buiten komt proeft die aarde heel anders. Ze ligt voor je als een geheel. Het is geen andere wereld, maar je beleeft haar anders.

Dat is wat er gebeurt als je de innerlijke weg gaat. Het is het gebeuren van een mens, die in zijn eigen wanhoop verdwaald is geraakt en dan toch ergens die ene schijn van licht heeft gevonden. De wereld is anders en toch dezelfde.

Zoals mijn wereld een andere was dan de uwe en toch dezelfde bleef. Zoals u anders denkt, kleedt, gedraagt dan de mensen van mijn tijd. Toch bent u dezelfde mensen gebleven met dezelfde na-ijver, hebzucht, hartstocht, angst met dezelfde behoeften en goden die achter u staan en orakels die u garanderen dat wat u doet, goed zal zijn.

Mensen gaan niet graag door de eenzame holen, waarin niets overblijft dan de wereld die ze kennen. Maar wie geen afstand kan doen van alles wat hij meent te bezitten, meent te weten, meent te zien, meent te kennen, zal nooit het geheel kunnen aanschouwen dat al die dingen mee omvat.

In mijn tijd waren er vele goden. Er woonden vreemde wezens in de bossen. Heilige wouden hielden goden bijna gevangen en feeën dansten in beslotenheden waar alleen priesters of priesteressen mochten komen. Zijn al die geesten van het verleden dan weggevaagd? Ze zijn er nog steeds. Ze hebben andere namen. Ze uiten zich anders, maar ze zijn er nog. Want de werkelijkheid kun je niet veranderen.

Wat is werkelijk? U bestaat, dat moet waar zijn. Misschien niet wat u denkt te zijn, maar iets wat u uzelf kunt noemen, bestaat. U bent de dromer en niet alleen het gedroomde. Maar wat nog meer is echt? Alleen de krachten die alles samenbinden zijn echt. Zoals de natuur een eenheid vormt, die gelijktijdig haar vorm vernietigt en opbouwt en toch zichzelf blijft, zo zijn wij deel van een geheel, dat zichzelf voortdurend vernietigt en toch zichzelf weer opbouwt.

We zijn deel van een werkelijkheid. Wie zoekt naar goden, zoekt naar krachten. Wie zoekt naar krachten vindt de Ene kracht. Dat is mij ook overkomen.

Ik leen de taal van uw medium. Maar ik geloof dat dit juist uitdrukt wat er met mij is gebeurd. Wanneer je zoekt naar de werkelijkheid – al is het maar de waarheid van een kracht – dan komt je van gordijn tot gordijn van vormen. Hier lijkt het zus en daarachter lijkt het zo, steeds verder ga je en steeds vager worden de vormen en steeds intenser wordt datgene wat je niet omschrijven kunt. Dat is de kracht. Maar het is ook een kracht, die je vreemd genoeg toch herkent.

Niet voor niets heb ik u herinnerd aan een jacht met de valk. Want dat wat was, is een deel van die eenheid. Het vreemde wat ik voelde wanneer de ochtend pril was, wanneer de aarde nog pasgeboren scheen te zijn dat is er nog nu de vormen weg zijn. Levende kracht achter de vormen. Levende kracht die in mij bestond en die ik herkende in mijn wereld, waarvan ik niet wist wat ze was.

Zo zal het u gaan. U leeft in uw wereld en u denkt in vormen. U denkt in belangrijkheden. Die dingen vergaan. Maar de kracht in u die u gedreven heeft, de kracht die uit u spreekt, de kracht die u doet ervaren, die u doet voelen meer nog dan constateren alleen, die blijft.

Wanneer ik probeer u een les te geven kan het alleen deze zijn? Achter alle uiterlijkheden ligt de eenheid die niet verandert. De kracht komt in ongetelde vormen. Maar haar wezen is één en dezelfde. Deel‑zijn van de kracht is het enige wat echt blijft.

Ik heb de priester‑tovenaars gekend en ik heb ze zien spelen met de namen van hun goden en van demonen. Zegeningen horen spreken en vaker nog vervloekingen. Ik heb hun liederen gehoord. En vreemd … het beeld dat ze opleverden op hun open plaats in het bos verwaast en verdwijnt. Maar de kracht die er was, is er nog.

De kracht die er nu is, zal er altijd zijn. Als alle dromen voorbij zijn gegaan, zal de kracht bestaan. Die kracht leeft in jezelf. Om iets te kunnen zijn, iets te kunnen doen met die kracht, moet je eerst durven gaan door die doelloosheid; die leegte, die verlatenheid waarin niets zinvol lijkt. Je moet gaan door een wereld waarin – zelfs wanneer je God roept – alleen de echo je bespot. Want achter die wereld met zijn namen en zijn vormen, die in het duister schijnt te verbleken ligt het ene ware: de eenheid. De verschijnselen worden herinnering. De herinneringen herbouwen zichzelf tot werkelijkheid wanneer je voor een ogenblik terugdenkt. Maar ze vergaan nog sneller dan een droom bij het ontwaken, want ze zijn alleen maar beelden.

Ik heb kennis gemaakt met mensen die jood zijn geweest, die christen zijn geweest. Ze leerden mij dat er een belangrijk gebod bestaat voor hen dat hun God hen heeft voorgehouden;

“Gij zult geen beelden voor mijn aangezicht stellen.” Ze denken dat het een kwestie is van een gesneden beeld. De dwazen!

Het beeld dat je voor God stelt is je ontkenning van die eenheid. Het beeld dat je voor God stelt is het beeld van je eigen belangrijkheid. Het beeld dat staat tussen jou en de werkelijke kracht waarvan je deel bent. Het is de voorstelling anders te zijn dan de andere. Beter te zijn of zwakker dan de andere. Het denkbeeld te slagen of te mislukken.

Waar ligt de grens als we hem zelf niet stellen? De grens die wij stellen is het beeld dat wij tussen onszelf en de kracht en de eeuwigheid opbouwen. Niet wat wij zijn en wat wij doen.

Volgens vele christelijke heiligen zou ik een groot zondaar geweest moeten zijn. Ik vraag me alleen af waarom ik ze nog niet ontmoet heb. Misschien zijn mijn zonden geen zonden, omdat ze voortvloeien uit het geheel waarbij ik hoor en zijn hun deugden zonden; omdat ze ze gesteld hebben tussen de werkelijkheid van het totale bestaan en zichzelf.

U bent kracht; deel van kracht, één met kracht. Waarom denkt u dan aan uzelf als iets afzonderlijks? U kunt misschien niet anders. Als ze mij gevraagd hadden om niet te denken aan mezelf toen ik op aarde meende belangrijk te zijn – en voorzichtig belangrijk, want de afgunst voert vaak een dolk – toen kon ik de eenheid niet vinden. Toen was de kracht iets magisch, iets wat ik aanvoelde maar waarvan ik geen deel was. Zo zou het u ook gaan.

Maar soms, soms heb ik vergeten. Soms was ik even niet bezig met mijzelf en mijn belangrijkheid, mijn successen. Het zijn die ogenblikken geweest, waarin ik zo sterk was, dat het leek of mijn wil en de vlucht van een vogel hetzelfde waren. Waarbij het leek of mijn fluiten, mijn roepen voor de vogels hun eigen taal was.

Dat is ook de tijd geweest dat ik soms – ik weet niet eens waarom – tegen een zieke zei: “Wordt beter” en hij genas tot ergernis van de priester, die er een paar schapen voor had willen hebben.

Als u uzelf soms vergeet, niet alles en noch uw wereld, maar gewoon even vergeet dat je anders, beter of belangrijker bent, gewoon één bent met al die dingen om je heen, dan zal je ontdekken dat die kracht in je leeft. Dan zal je merken dat als een vreemd aanspoelend heimwee die eenheid je bevangt. Als je mens bent, zal je er wel weer uit loskomen. Maar je zult terugkeren. Dat is dan mijn lering.

Er is eenheid en die eenheid is onmetelijk in zijn kracht, in zijn mogelijkheden, in zijn waarheid en zijn werkingen. Zij is het enige echte vergeleken bij het schimmenspel dat je leven noemt. Die kracht, die waarheid – al beleef je ze maar voor één ogenblik – zal je nooit vergeten. Die kracht, die waarheid, die eenheid is het waaruit alle dingen hun vorm en inhoud kunnen krijgen. Zelfs een slaaf die eenheid kent, is machtiger dan de vorst die zijn meester dient.

Ik mis de hoorn, de beker om met u te drinken. Want als je zoiets zegt hoort er een dronk bij. Mensen die samen drinken, denken samen aan een gedachte. Ze proeven één drank. Ze zijn voor een ogenblik meer dan ze voordien waren. Mensen, die leven en beseffen dat alle leven één kracht en één werkelijkheid is, zullen verder gaan met leven. Maar ze zullen steeds weer beseffen, dat hun denken, hun streven, hun waarheid, hun beleving gedeeld wordt door al die anderen, beseffende dat er een eenheid is. Eén. Niet hun uitdrukkelijke vormen, maar als een gevoel dat je beheerst. Iets wat door je heenjaagt als een lichtend bloed, dat heen en weer siddert door ongekende aderen en je verbindt met de hele wereld alsof je wortels zou krijgen als een boom en vervlochten zou raken met een geheel woud.

Daarom zou ik graag met u gedronken hebben; maar ik kan alleen drinken met woorden. Met die woorden drink ik u het heil van allen die de eenheid kennen. Het heil van allen die de eenheid vermoeden. En heil aan allen die de eenheid zoeken.

Laat onze gedachtekracht opwieken als een vogel, die in onbekende verte zichzelf wordt en zoekt. Laat onze droom wegsterven tot eindelijk de klanken van een vreemde onbekende bard onze dromen doen vergeten en even de ademloze stilte ons omvaamt, waaruit de vormen herontstaan.

We weten het niet. Zelfs ik weet het nog niet geheel. Maar ik denk dat wij de scheppers zijn van de droom. Want de werkelijkheid beelden we steeds weer uit in vele vormen. Als we de vorm stellen tussen onszelf en de werkelijkheid verhongert onze ziel, verdwijnt onze kracht, dan sterft onze roep en blijft alleen de ledigheid.

Daarom zeg ik tot u, die hier luisteren wilt. Ver ben ik gegaan in mijn wegen door de rijken van de geest, maar geen waarheid kan ik u brengen die groter is dan deze:

Eén zijn alle dingen. Eén is de kracht. Uit de kracht, uit de veelheid van straling, die zo ontstaat uit die kracht; door ons zijn, bouwen wij een wereld. Maar laat de wereld ons nimmer scheiden van die kracht, opdat wij de dromers blijven, die hun wereld beleven en scheppen en niet worden tot de slaven van monsters die we zelf geschapen hebben.