Natuurwetenschappen en de geest

Natuurwetenschappen omvatten een betrekkelijk groot gebied. Als wij denken aan bv. atomen, dan behoort dat bij natuurwetenschappen. Denken wij aan eenvoudige chemie, natuurwetenschappen en zo kunnen we verder gaan.

In al deze gevallen echter hebben wij te maken met wetenschappelijk denken. Een wetenschapper probeert te verklaren waarom een verschijnsel waarbij herhaling optreedt, plaatsvindt. Is de verklaring juist, dan zal hij op grond van die verklaring verdere proeven kunnen nemen. Aan de hand van deze proeven ontstaat op den duur een theorie die een geheel gebied kan omvatten en waarin alle mogelijkheden van dat gebied dan nader kunnen worden onderzocht. Het nadeel van deze werkwijze is natuurlijk dat je geneigd bent elk fenomeen waarmee je wordt geconfronteerd te interpreteren binnen het kader van al datgene wat reeds bekend is. Je past het a.h.w. bewust of onbewust aan de bestaande theorieën en aan vroegere constateringen aan.

Een tweede feit is, dat in de wetenschap nog wel eens een rol speelt, is de fout die wordt gemaakt en niet wordt ontdekt. Om u enkele voorbeelden daarvan te geven: Heel veel kinderen hebben tegen heug en meug spinazie gegeten omdat daar zoveel ijzer in zat. Alleen bleek later wel dat men de plaats achter de komma verkeerd had bepaald. Het was dus niet 0,4 bij wijze van spreken maar 0,004. Zo heeft men elders een bepaald handboek gehad waarin juist de komma vergeten was. Men ging voortdurend uit van de grote waarden. Niemand heeft het nagerekend en op grond van de resultaten zijn een paar theorieën ontstaan die pas ongeveer 20 jaar geleden zijn rechtgezet. Toen ontdekte men dat die theorieën onzin waren, omdat ze namelijk uitgingen van feiten die niet reëel waren.

Ik wil niet zeggen dat de wetenschap als zodanig onjuist is. En zeker de natuurwetenschappen hebben in vele gevallen bijgedragen tot een nadere kennis van het menselijke milieu en een nadere kennis van mogelijkheden waarover een mens beschikt. De mens is echter meer dan een chemisch geheel. Hij werkt weliswaar op een wijze die men soms atomair of subatomair zou kunnen noemen, maar het past weer niet in de theorieën die daaromtrent ontwikkeld zijn.

De mens heeft bepaalde z.g. vaste waarden. Denk aan tijd. Denk aan bijvoorbeeld afstanden zoals die gemeten worden binnen een 3‑dimensionaal stelsel. Men neemt dat allemaal als vaststaand aan en gaat met de bepaling van bv. de snelheid van licht uit van de tijd die nodig is voor een lichtstraal om een zekere afstand te doorlopen. In de werkelijkheid is het een beetje anders. Licht hoeft geen constante snelheid: toch wordt dat aangenomen. Licht is namelijk een partikelstraling die sterk wordt beïnvloed door magnetische velden en struc­turen. In de ruimte zijn die in ruime mate aanwezig, zodat op een gegeven ogenblik een sterk magnetisch veld een vlieden kan voorspiegelen terwijl er in feite sprake is van een toenadering en ontstaat er een rood shift. Er zijn meer van deze voorbeelden te noemen, maar ik geloof dat het mij te ver zou voeren om al deze punten zeer uitvoerig te belichten.

Daar tegenover staat de geest. De geest zou je het best kunnen om­schrijven als een energiewezen. Deze energie is in zichzelf natuurlijk, wel begrensd, een soort werveling. In die werveling treden allerlei verschillen van potentieel op. Er zijn dus vermogensuitwisselingen. Deze processen bepalen in feite het denken en het leven van de geest.

In de geest is een kern aanwezig. Je zou het kunnen vergelijken met een cel. Een cel heeft een wand, dat zou dan het menselijk lichaam kunnen zijn. Daarbinnen bevindt zich plasma, het protoplasma. Daarbinnen bevindt zich weer een celkern die bepalend is voor het functioneren van het ge­heel. De kern in zijn wezen is datgene wat we dan ziel plegen te noemen, althans in de termen van Orde, omdat het hier gaat om het werkelijk onveranderlijke en onsterfelijke deel van ons wezen.

Een geest die te maken krijgt met ruimte zal die ruimte niet zien als een in afstanden te bepalen geheel. Het is eerder een conglomeraat van toestanden waarheen men zich willekeurig kan wenden, ook als voor een mens op aarde de afstand misschien lichtjaren is of duizenden kilo­meters. Voor de geest is het richten van de aandacht gelijk aan het aanwezig zijn. Het zal u duidelijk zijn dat daarom een groot aantal van de dingen, die in de natuurwetenschappen als vaststaand worden aangenomen voor de geest soms een beetje wonderlijk om niet te zeggen onaanvaardbaar lijken.

Wij hebben andere zintuigen: d.w.z. wij zien niet zoals u gericht met een hoek van 90 tot 120 graden. Ons blikveld is 360 graden in elke richting. Onze waarneming en het beeld dat wij van de dingen krijgen, is daarom anders. Ook dit speelt een grote rol. Verder: wij zijn energiewezens. Het is duidelijk, dat energie in welke verschijningsvorm dan ook voor ons meer concreet en reëel is dan materie. Materie is wel een samenstel daarvan, maar wij zien het samenstel alleen, als wij ons daarop in het bijzonder richten om een menselijke voorstelling te krijgen. In andere gevallen zien wij eenvoudig de energieconglomeratie de wervelingen die daarin plaatsvinden, het spel.

Als wij kijken naar een stuk metaal, dan zien wij bv. een heel trage moleculaire verschuiving die niet eens een totale moleculaire rotatie wordt. Kijken wij naar gas, dan zien we een wervelend spel dat meer doet denken aan vuurvliegjes dan aan wat anders. Het is dus heel erg moeilijk om een parallel te trekken tussen de natuurwetenschappen zoals de mens die hanteert en het beleven, het waarnemen, het denken van de geest. Eerst wanneer de geest bewust een groot gedeelte van haar eigen mogelijkheden onderdrukt, is benadering mogelijk. Wat zouden wij denken van bv. de atoomchemie? Voor ons is atoomchemie een betrekkelijk grof werken, want je werkt met stelsels van energiedelen. Voor ons is het heel begrijpelijk dat er b.v. een baanverspringing van elektronen plaatsvindt. Dat vloeit voort uit de geaardheid van het elektron, in zichzelf een wervelend deeltje energie dat een eenzijdige polariteit naar buiten vertoont terwijl aan de andere kant de massa weer een tegengerichte werking heeft. Maar wanneer het spinmoment te groot wordt, springt eenvoudig het elektron van de ene baan naar de andere: het corrigeert zijn omloop.

Hetzelfde zou gebeuren, wanneer een versnelling of vertraging van baanomloop zou plaatsvinden bij uw planeten. Dan krijgen we ook een baanverandering. Aangezien dat proces op veel grotere massa’s betrekking heeft of op een veel grotere energie‑eenheid, krijg je dan als vanzelf een tra­ger verloop van het proces. Het is dan menselijk wel constateerbaar. Datgene wat er gebeurt met de kleinste deeltjes niet. Maar verschil voor ons is er eigenlijk niet, want tijd, zoals u die ziet, kennen wij niet. Er is een fenomeen. En de opeenvolging van waargenomen fenomenen vormt dan een persoonlijke tijd.

Kijken wij naar bv. chemische reacties, dan zeggen wij: in de chemie wordt bij de mensen heel veel verwaarloosd, namelijk dat als je bepaalde stoffen samenvoegt deze bij opname in het lichaam (medicijnen) een zekere werking vertonen. Maar gelijktijdig wordt er een binding aangegaan met deeltjes en energie binnen het lichaam waardoor neveneffecten optreden die soms veel erger zijn dan het geneesmiddel in feite zou kunnen genezen op ander gebied.

Het zal u bekend zijn dat in de chemotherapie heel veel secundaire verschijnselen optreden. Dat is heel begrijpelijk, wij hebben hier te maken met in feite kunstmatige constellaties van kleine delen en die zijn niet erg stabiel. Zodra ze met andere energieën in aanraking komen, vallen ze uiteen. In dat uiteenvallen ‑ en dat is nu het typische – ontstaan nieuwe bijkomstige stoffen die eveneens gaan werken. Als die stoffen in zeer kleine hoeveelheden ontstaan, is er kans dat – bij het proberen van geneesmiddelen – dat niet wordt ontdekt. Ze hebben ons wel eens gevraagd waarom wij zo voor natuurgeneeswijze zijn. Ik zal proberen u dat duidelijk te maken. Wij menen namelijk, dat in de natuurgeneeskunde natuurlijke producten worden gebruikt en wel zodanig dat de deeltjes onderling een natuurlijke en vaste samenhang hebben. Daardoor is een hercombinatie, zoals in de chemotherapie, onwaarschijnlijk en zullen dus secundaire gevolgen over het algemeen eerder uitblijven. Maar het is niet alleen dit.

Als wij kijken naar uw sterrenkunde, dan zeggen we: die astronomen weten het allemaal heel aardig te vertellen, maar ze beseffen te weinig wat de structuur is van de ruimte, wat de invloed is van b.v. de kern van het Melkwegstelsel op de energieën die daar een rol spelen. Hoe de verhouding tussen deze en van de buitenkant van het Melkwegstelsel komende stralingen niet wordt bepaald door een gelijke snelheid van licht, maar door een versneld licht van buitenaf en een vertraagd licht van binnenuit het Melkwegstelsel. Dat zijn dingen die je de mensen kunt vertellen, maar dan zeggen ze: wij zien dat zó. Dan hebben ze gelijk. Ze zien dat zó. Wetenschap is eigenlijk een poging om het menselijk denken te omschrijven, want het is de menselijke waarneming die prevaleert, zelfs als er gebruik wordt gemaakt van instrumenten die het normale mense­lijke waarnemingsvermogen aanmerkelijk uitbreiden.

Voor een geest is het heel gewoon te zeggen: ik kan mij het gemakkelijkst manifesteren als er een bepaalde interferentie van bepaalde tril­lingen zijn. Dan zeggen mensen: ja, trillingen dat is zo vaag. Welke tril­lingen bedoelt u. Welke frequenties? Dan kun je alleen zeggen als je het heel globaal wilt doen. Een groot gedeelte van onze mogelijkheden liggen op de hoogte van de centimetergolven en lager. Hier namelijk ontstaan de meeste interferentiemogelijkheden. Daarmee kun je spelen, die kun je be­ïnvloeden, die kun je modelleren want je bent zelf energie. Je kunt wat afremmen, je kunt wat versnellen en a.h.w. je eigen vibratie overzetten op de botsing tussen bv. twee draaggolven. Dat kan de aanleiding zijn tot verschijnselen als de ‘directe stem’ die kan worden gebruikt als er een medium is. Daarbij is de ene tussenstof de atmosfeer met haar eigen lading, en de andere tussenstof is een deel van het celplasma dat uit het lichaam van een medium kan worden ontnomen. Tussen die beide ontstaat de mogelijkheid een spanningsveld te creëren. Dat spanningsveld kan fluctueren en kan zijn beweging aan de lucht overbrengen en wij hebben de directe stem.

Als wij het op een bandrecorder doen, dan heb je weer precies het­zelfde. De bandrecorder zelf heeft een bepaalde trillingswaarde. Dat is de basis die over het algemeen op de koppen staat. Er is dus een basisfrequentie aanwezig. Daarnaast komt een modulerende frequentie (het kan een radiosignaal zijn). Als het radiosignaal nu ongeveer gelijk sterk is als het signaal dat op de koppen staat, kun je dat moduleren. Je kunt dus een stemgeluid voortbrengen. Helaas is het daarbij niet mo­gelijk om effecten als ruis (voor de techniek heb ik een helper meege­bracht) niet geheel te onderdrukken. Dan kom je tot allerlei eigenaar­dige verschijnselen die de mens niet helemaal kan verklaren en die hij dan probeert weg te verklaren.

Daarnaast hebben wij het wonderlijke feit dat men in vele weten­schappen voortdurend bezig is om de dingen te bepalen en men niet be­grijpt dat er een voortdurende wisselwerking is tussen het ding en het denkend vermogen dat in de buurt is. Zo kan het zijn dat in een labora­torium een bepaalde laborant zekere proeven altijd met goed resultaat weet te volbrengen, terwijl anderen er steeds net naast grijpen: het is het niet helemaal. Het verschil is dan de inbreng van de concentratie en de gedachten van de laborant waardoor het patroon dat hij in gedachten heeft gemakkelijker wordt bereikt. Er is a.h.w. een matrix waardoor de bestaande mogelijkheden worden bijgestuurd tot een specifiek resultaat.

Het zal duidelijk zijn dat we op vele andere wetenschappelijke gebieden te maken hebben met de geest als een soort verstoorder van vrede, want de kennis die men bezit is aantastbaar. Dan kun je uitroepen: dat is mystiek. Maar wat is mystiek anders dan een aanvoelen waardoor een kennis naar voren wordt gebracht die ook met de feiten van de wetenschap bereikbaar is. Het is een soort intuïtie. In hoe grote mate dat een rol kan spelen kunnen wij zien, als wij te maken hebben met grote mathematici.

Een mathematicus is iemand, die denkt in een bepaalde symbooltaal. In die symbooltaal zijn zeer veel verschillende benaderingen en afleidingen mogelijk. Het kiezen voor het patroon daarin geschiedt nu heel vaak intuïtief. Op deze wijze, is Lorentz tot bepaalde conclusies en ontdekkingen gekomen. Maar hetzelfde kunnen we ook zeggen voor de aartsvader (Einstein) die de atoomchemie en ook nog wat anders tot stand heeft gebracht. In al die gevallen is een intuïtief element dat eigenlijk bepalend is voor de afleiding die ontstaat. Degene, die dan zegt dat de mathematica toch een zeer concrete wetenschap is, vergist zich dus. Want ze is evenzeer afhankelijk van de intuïtieve effecten van degenen die ermee werken, als bij wijze van spreken resultaat dat een kaartlegster krijgt die niet alleen van haar kaarten afhankelijk is, maar wel degelijk ook van haar manier om die kaarten te benaderen en daardoor bepaalde resultaten te verkrijgen.

Nu ben ik bang, dat ik menig mathematicus een beetje beledigd heb. De geest weet, dat er overal bepaalde invloeden en storingen optreden. O zeker, een natuurwetenschapper zal waarschijnlijk de schouders wat ophalen, als hij hoort vertellen over stralingen die uit het heelal komen en die op aarde groeiprocessen, menselijke reacties mede bepalen, omdat hij niet beseft in hoeverre energieverhoudingen belangrijk zijn voor alle stoffelijke processen inclusief groeiprocessen, inclusief balancies en inbalancies in het menselijk lichaam, inclusief zelfs visuele en auditieve interpretaties. Want het denken is ook een energetisch proces. Het is daarom soms betreurenswaard dat mensen, die tot zo grote prestaties weten te komen – natuurwetenschappers hebben ontzettend veel bereikt in de laatste eeuwen -gelijktijdig zo blind blijven voor de kwaliteiten die in henzelf schuilen.

De geest kan hen daarvan natuurlijk een verwijt maken, maar het zal niet terecht zijn, want ze zijn opgevoed in een denkpatroon van feiten, feiten, feiten. Al datgene wat je niet kunt aanpakken, wat je niet kan bewijzen dat bestaat niet. Het is alleen opvallend dat zovelen onder hen toch nog gelovig zijn. Want als ze een geloof zouden benaderen zoals zo een paar andere facetten van bestaan en ontwikkeling benaderen, dan zou­den ze ook moeten zeggen: dat bestaat niet.

Maar goed. Het geloof is een traditie en het wordt a.h.w. niet aan­getast, het wordt niet wetenschappelijk benaderd. Daar aanvaardt men het innerlijk proces wel. Maar als het geloof zo belangrijk is voor het leven, zoals velen van hen nog steeds denken, is dan dat innerlijk proces niet voor alle beleven evenzeer belangrijk? Als dat het geval is, dan moeten wij onze directe en feitelijke constateringen intuïtief benaderen en interpreteren en niet alleen maar op grond van hetgeen in het verleden door anderen is vastgelegd.

Als wij teruggaan in de geschiedenis van de natuurwetenschappen, dan komen we terecht in 1700 ‑ 1800 ‑ 1900 bij mensen die alleen als amateurs zou je kunnen zeggen hun wetenschap beoefenen. Velen van hen doen buitengewoon belangrijke ontdekkingen. Hoe kan dat? Omdat zij intuïtief reageren. Als een enkeling van hen dan op grond van de feiten zijn eigen visie gaat herzien, dan krijgen we allerlei schandalen zoals bij het ontstaan van de evolutietheorie. Wat dat betreft is het bezoek aan de Galapagos-eilanden een ramp geweest voor de wetenschapper die nu een grote naam heeft en tevens voor alle z.g. wetenschappers en denkers van zijn tijd die worden geconfronteerd met zaken die in het geloof niet thuishoren. Realiseer u: de geest ziet de dingen anders, beleeft de dingen anders. Daardoor interpreteert zij anders. Een geest, die aan natuurwetenschappen wil doen en daarbij de stoffelijke beperkingen wil verwisselen voor de mogelijkheden van de geest, komt steeds weer tot conclusies die vanuit stoffelijk standpunt mystiek of misschien zelfs belachelijk zijn.

In elke mens schuilt een geest. De capaciteit van de geest om haar omgeving te beïnvloeden, om zelfs de tijdlapse per gebeurtenis te variëren en zo a.h.w. de waarnemingstijd uit te breiden of te verkorten bestaat voor een mens ook. Hij maakt er echter geen gebruik van. Ik zou al deze mensen in de natuurwetenschappen en wat dat betreft vele wetenschappers willen toeroepen: beste mensen, realiseert u zich wel dat u door uw denken te veranderen uw mogelijkheden tot daadwerkelijke constateringen en wetenschappelijke verklaringen eveneens wijzigt? Het is uw denken dat bepalend is. Juist door het feit, dat er een wetenschappelijke discipline is ontstaan die een bepaalde wijze van denken aan een ieder heeft voorgeschreven met uitsluiting van alle intuïtieve momenten, zeker als het gaat om constateringen van bewijsvoering, heeft men gelijktijdig een groot gedeelte van de mensen a.h.w. doof en blind gemaakt voor verschijnselen waaraan ze toch zelf voortdurend deel hebben.

Dan zullen we nu proberen een paar dingen met elkaar in overeenstem­ming te brengen. Atoomchemie gaat op het ogenblik uit van brute kracht. Maar is brute kracht noodzakelijk als je te maken hebt met energieën die ten onrechte worden beschouwd als onuitputtelijk en die aan eigen wetten gehoorzamen waardoor ze ook op andere wijze deze energie kunnen vrijmaken, maar tevens totaal nieuwe stoffen kunnen creëren. Als je spreekt over atoomfusie, dan schudt menigeen nadenkend het hoofd en zegt: Ja, maar wij hebben dan te maken met een reactie die niet in een vat kan worden bevat zonder meer. Wij kunnen geen dempingsmaterialen gebruiken, wij hebben velden nodig. Magnetische velden vragen meer energie dan de reactor kan opleveren. Dat is absoluut onjuist, ofschoon het argument zelfs nu nog vaak wordt gehoord. Een magnetische fles is betrekkelijk eenvoudig te creëren. Als ze is gemaakt, kan ze met een minimum aan energie in stand worden gehouden. Alleen daar waar ongewone veranderingen van druk en spanning of van actie en reactie binnen deze magnetische afscherming bestaan, wordt meer energie vereist. De aanloopenergie is groot. Het vergt een betrek­kelijk korte tijd (met de huidige middelen zou je het binnen anderhalf uur kunnen doen), maar daarna heb je dan ook een energiebron die veel meer energie levert, veel minder onaangename nevenresultaten veroorzaakt en naar buiten toe praktisch geen straling. Dat is een heel be­langrijk punt, meen ik. Het is de energievorm van de toekomst, ook als velen daar tegenwoordig niet aan willen.

Op dezelfde manier komen we op een gegeven ogenblik tot het besef dat bepaalde plantaardige stoffen wel degelijk ook in zeer geringe ver­dunningen een grote werkzaamheid vertonen. Dan komen wij tot een geneeswijze waarin we die stoffen gaan combineren en niet meer kunstmatig al­lerlei stoffen gaan samenstellen die weliswaar bruikbaar zijn en in vele gevallen zeer nuttig, maar die aan de andere kant enorm gevaarlijke af­valstoffen achterlaten, die enorm kostbare en energie kostende processen vereisen.

Dan zeg ik: zelfs als wij het hebben over de gewone natuurkunde, komen wij tot allerlei vernieuwingen van denken zodra wij het denken in termen van velden en energieën bij de mensen vaste voet zien krijgen. De zwaartekracht wordt dan heel iets anders. Zwaartekracht is dan een combinatie van veldverschuiving plus het ontstane spanningsverschil. Dat dan de zwaartekracht wordt bepaald door de beweging van massa en ruimte moge juist zijn, maar alleen onder de conditie dat: punt 1. daar­bij een veld wordt gesneden door deze massa en punt 2. dat deze massa een zeker eigen rotatie, een zeker eigen veld bezit. Dan zou je zwaar­tekracht kunnen variëren.

Je zou bv. het weer op aarde gemakkelijk kunnen reguleren als je begrijpt dat een groot gedeelte van de weerfenomenen tot stand wordt gebracht door ladingsverschillen die resulteren in stromingsverschillen die de verschillende drukgebieden ‑ hoog of laag ‑ tot stand brengen. Vandaar af gelden de regels die men op het ogenblik hanteert praktisch volledig. Maar misschien is het u wel eens opgevallen dat bij weersverwachtingen soms plotseling de zaak niet uitkomt. Waar men dacht te maken te hebben met een cycloon, blijkt deze opeens bijna verdwenen te zijn.

Daar waar men dacht dat er een anticycloon was, blijkt zich een enorme drukwerveling op te bouwen en hebben we plotseling met een cycloon te maken. Als je weet hoe het met de stralingen (de aarde ontvangt stralin­gen) en de daardoor ontstane statische spanningen en mede daardoor ont­stane varianten in het aardmagnetische veld zit, zou je dit alles kunnen bekijken. Je zou door eenvoudig statische spanning het statisch opladen van bepaalde delen van de atmosfeer te laten plaatsvinden in staat zijn om te bepalen welke regenwolken waarheen gaan. Vanuit ons standpunt is dat heel eenvoudig.

Wanneer u dan legenden hoort van de een of andere meester die op een bergtop staat en oven een paar regenwolken aanroept waarna het precies regent daar waar hij het wil en niet waar hij het niet wil, dan denkt ieder­een: een leuk sprookje of: dat kan alleen een geestelijk zeer groot meester doen. In feite doet deze man niets anders dan door zijn eigen energie een kleine verstoring van evenwicht in de bestaande energieverhouding veroorzaken en wel zo, dat het door hem beoogde effect daardoor wordt benaderd. Hij kan dit dan later enigszins bijsturen.

In de natuurwetenschappen is men, behalve als het gaat om de afstemming van bepaalde procedures, nogal huiverig voor alchemie, magie en wat dies meer zij. Dat is alleen begrijpelijk, als we zien hoe schuw men is in het z.g. logische denken om onlogische, niet direct constateerbare krachten aan te nemen, zeker als de proeven niet herhaalbaar zijn, omdat een zelfde situatie op aarde niet altijd een zelfde energiesituatie ten gevolge kan hebben. Er zijn wat dat betreft onnoemelijk veel punten waarover ik zou kunnen uitweiden. Maar het doel van een avond als deze is een algemeen beeld te scheppen.

U denkt. Denken is energie. Ook als men dit wetenschappelijk niet voldoende kan constateren zijn gedachte-uitstralingen in feite ruimteloos, d.w.z. dat zij grote ruimten kunnen overspringen en daarbij zijn ze niet volledig tijdgebonden. Dat wil zeggen, dat een gedachte kan worden ontvangen door bv. een telepathische recipiënt doordat de zender deze heeft geformuleerd en uitgezonden. Ook kunnen er vertragingen optreden. Al deze dingen maken toch wel duidelijk, dat alle denkprocessen invloed hebben op de omgeving.

Er is iets. Laten we het maar niet definiëren want wetenschappe­lijk is dat nog niet te doen. Maar er is iets dat wel degelijk invloed heeft op voorwerpen, dat invloed heeft op levensprocessen, dat invloed kan hebben op zeer veel verhoudingen en situaties in de omgeving voor­al als deze niet geheel evenwichtig zijn. Zou het dan niet redelijk zijn om ook eens te denken aan het menselijk denken, aan het menselijk energiepotentiaal in verband met al datgene wat men natuurwetenschappelijk wel onderzoekt? Zeker, je kunt van de aarde bepalen hoe oud ze is. Je kunt dat precies nagaan. Met koolstofproeven kunnen we al heel ver komen en met een beetje veronderstelling kunnen we nog veel verder gaan. Maar die veronderstelling, ook als ze bevestigd lijkt te worden door de feiten, is geen zekerheid. Ze is en blijft veronderstelling.

Voor de geest ligt dat een beetje anders. Elk stratum over de gehele aarde heeft een eigen uitstraling. Die uitstraling zou je met een beetje handigheid kunnen omrekenen in tijd volgens menselijk concept. Dan is de ouderdom van de aarde maar ook van allerlei processen en levensprocessen op aarde opeens wel goed bepaalbaar. Als je dat doet, kom je tot verbazingwekkende constateringen.

Ik weet, dat wetenschappelijk mensen niet hebben geleefd in het Plioceen, de tijd dat enorme reptielen in de meerderheid waren. Maar er waren wel degelijk mens-achtigen ook als het geen homo sapiëns waren. Zoals er ook in die tijd al paarden en honden waren al zagen ze er anders uit. De omstandigheden, die voor de grote reptielen snelle onvruchtbaarheid en uitsterven betekende brachten een groei impuls voort voor de meeste warmbloedige dieren, die aanvankelijk angstig vluchtend en als slaven geleefd hadden onder de heerschappij van Tyran­nosaurus Rex en al die andere sauriërs. De geest kan dat zien. Voor de geest is dit vanzelfsprekend. Wetenschappelijk is het niet aantoonbaar, ja bijna onmogelijk.

Als wij kijken naar de verschillende ijstijden van de aarde, dan kunnen wij die in de geologie over het algemeen aardig aflezen. De dateringen zijn er nogal eens wat naast, maar dat zal toch niet meer dan een 10.000 jaar zijn: dat is in het verleden niet zo belangrijk. Waardoor komen die processen tot stand? Hoe verlopen die processen? Wat voor invloed hebben ze gehad op de aardrotatie? Wat voor invloed heb­ben ze gehad op de as-hoek van de aarde? Dat zijn dingen waarover je dan wel kunt speculeren als mens, maar als geest wéét je dit.

De laatste ijstijd bv. is mede bepalend geworden voor de overigens wat trage wankeling van de aardas waardoor de magnetische polen voortdurend iets verschuiven. Voor die tijd heeft de aarde een periode gekend dat ze een bijna rechte as-stand had: d.w.z. dat er veel minder sprake was van jaargetijden dan tegenwoordig. Die omstandigheden hebben bijgedragen tot gebeurtenissen zoals het ontstaan van leven, de ontwikkeling van het leven enz.. Zoals de laatste ijstijd mede aanleiding is geweest tot de terugkeer van een aantal dieren naar de oceanen, terwijl ze voor die tijd wel degelijk op het land hadden geleefd. Als je die dingen allemaal nagaat, dan is dat werkelijk ontstellend.

Je kunt een heel programma zien van die ontwikkeling van alle wezens op aarde uitgedrukt in een soort energetische reeks flikkeringen: kleine ontladingen op iets wat wij dan bij gebrek aan beter maar de tijdlijn zullen noemen. Voor de geest vanzelfsprekend, maar voor de wetenschapper op aarde niet benaderbaar. Dientengevolge zou hij moeten zeggen: ik heb het gevoel dat het wel mogelijk moet zijn, maar logisch gezien heb ik dit en dat en dat geconstateerd, dus het is er niet. De logica is de dood van zeer veel door de geest mogelijk geworden ontwikkelingen geweest in het verleden en zal het waarschijnlijk in de toekomst ook zijn.

Een ander punt is, dat men altijd uitgaat van massaliteit. De mensen. De mensen bestaan niet. Er zijn wezens die elk voor zich mens zijn. De dieren, de ontwikkeling, de evolutie. Het is allemaal aardig en logisch te beredeneren. Alleen, er klopt iets niet in. Er zijn verschuivingen. Er zijn onevenwichtigheden. De geest voelt die aan. Zelfs de mens wordt ermee geconfronteerd, naar hij drukt ze weg, omdat zijn denken nu eenmaal gericht is op een oorzaak en gevolg conclusie die steeds kan worden voortgezet en op het huidige punt herhaalbaar is.

Mijne vrienden, ik heb het u al gezegd: de wereld van de natuurwetenschapper en de wereld van de geest zijn niet met elkaar volledig in overeenstemming te brengen, niet zolang de benadering van het wetenschappe­lijke op aarde plaatsvindt zoals nu het geval is. Zolang er sprake is van een gedachtediscipline die tevens gevoelens, intuïtie en dergelijke voor een groot gedeelte uitschakelt en als ze al worden gebruikt alleen worden toegepast binnen het kader van reeds vaststaande regels of veronder­stellingen. En toch gaat er veel veranderen.

Het zal u bekend zijn dat de laatste tijd ook in de wetenschap steeds meer een soort mystiek aan het groeien is: iets wat net niet meer wetenschappelijk is. Wij zien dat mensen, die eens dachten uit te gaan van een vaste lijn op een gegeven ogenblik terechtkomen in een raadselgebied. Zoals Jung in zijn tijd reeds heeft moeten toegeven. Wij kunnen wel onbekende gebieden ongeveer omschrijven, maar wij kunnen daar niet in doordringen. Steeds meer mensen proberen desondanks in dat onbekende door te dringen, deel te worden van een wereld, die niet logisch, niet redelijk is en daaruit te leren hoe ze hun z.g. feitenwereld moeten benaderen.

Als dit in de wetenschap steeds meer het geval is ‑ en heus we hebben het gezien bij astronomen, wij hebben het gezien bij mensen die in de kernfysica werken, we hebben het gezien bij mensen die zich bezighouden met chemie, natuurkunde, geologie enz. ‑ dan hebben wij in feite te maken met een nieuwe golf van ontwikkelingen waarmee men langzaam maar zeker probeert de innerlijke mens mede te integreren in het menselijk nog uitdrukbare en verklaarbare. En dan ondergaat de wetenschap een verandering. Dan zijn na­tuurwetenschappen niet meer een aantal verschillende specialismen en disciplines. Dan zijn ze een geheel concept van energie, van beleving, van kracht. Van daaruit worden die verschijnselen begrijpelijk en verklaarbaar, zelfs in hun onregelmatigheden, in hun schijnbaar misschien onlogisch schijnen.

Als de wetenschap zo ver komt, zal zij meesterschap kunnen krijgen over in het begin waarschijnlijk allereerst het magnetisme en de daarmee verbonden verschijnselen. Daarna over energiebronnen en al wat daarmee samenhangt. Verder vermoedelijk in de beheersing van materiestructuren. Tenslotte zal men dan zo ver komen dat men leert dat een afstand niet altijd doorlopen behoeft te worden, als men van het ene punt naar het andere gaat. Maar als dat het geval is, zal de geest eindelijk ook op dit gebied contact kunnen krijgen met de mensen en op een andere manier dan alleen door intuïtie kunnen bijdragen tot de verdere ontwikkeling van de mensheid, die eindelijk de grenzen van tijd en ruimte overschrijden en daardoor in staat is voor zichzelf een volledige uiting van de eigen persoonlijkheid tot stand te brengen. Dat zal ongetwijfeld nog lang duren, maar het begin is er.

En zo vreemd als het moge klinken, juist deze vaak zeer dogmatische natuurwetenschappen lijken een eerste punt waarin deze verandering zich sterker en sterker zal doen gelden, al is het maar omdat men een zodanige discipline heeft geleerd, ook t.a.v. denken en werken, dat men de vaagheden zal vermijden die prevaleren in alle mensenwetenschappen.

Ik hoop u daarmee een klein, misschien onvolledig beeld te hebben gegeven van de relatie tussen geest en natuurwetenschap en daarnaast een beetje hoop te hebben gegeven voor de toekomst. Want in uw tijd zult u het niet meer meemaken. Maar u komt nog wel een keer terug. Het zou heel prettig zijn terug te keren in een wereld waarin de mensen onderling meer mens zijn juist omdat zij meer besef hebben van de krachten waardoor zij omringd zijn.

Afsluiting:

We hebben ons bezig gehouden met de vraag: wat is eigenlijk de samenhang, het verschil, de tegenstelling misschien tussen de geest en de na­tuurwetenschap. In mijn inleiding heb ik u daarvan, meen ik, een redelijk juist beeld gegeven. Maar het is heel erg belangrijk dat u begrijpt dat de werkelijkheid dichter ligt bij de geest dan bij de wetenschap.

De wetenschap is niets anders dan een formulering van het weinige dat kenbaar en constateerbaar is in een totaal van in wezen onbekende en zelfs niet bewust ervaren kwaliteiten, eigenschappen, mogelijkheden en omstandigheden.

Wij leven echter mede als deel van het geheel en uit dat geheel. Wij moeten niet blijven stilstaan bij de fenomenen van vandaag. Wij moeten de moed hebben om toe te geven dat wij eerder hebben bestaan als mens of als dier op aarde. Dat wij andere vormen van bestaan hebben gekend. Wij moeten bereid zijn toe te geven dat wij niet de eenmalige kroon van de schepping zijn, maar dat wij eenvoudig wezens zijn die voortdurend in andere vormen en andere mogelijkheden zich weer met zichzelf zullen confronteren. De wetenschap kan ons dan helpen aan een zeker houvast ten aan­zien van ons milieu. Maar ze kan ons nooit helpen om onszelf volledig te kennen. Dat is een proces dat wij alleen introspectief tot stand kun­nen brengen. Wij moeten niet alleen naar buiten kijken maar ook naar binnen. De wereld in jezelf is vaak belangrijker dan de wereld buiten je, als je leert om die innerlijke wereld volledig te beleven.

Ik geloof, dat wij allen tezamen, mens en geest, voortdurend door­drongen moeten zijn van het besef dat de wetten, die wij constateren alleen maar vage uitvloeisels zijn van het wezen van het onbekende. Onze wetmatig­heden helpen ons ze onder omstandigheden te hanteren. Zo helpen ons echter nooit om ze te kennen en te beseffen. Dit laatste ‑ voor zover het voor ons bereikbaar is ‑ ligt in ons innerlijk, niet in uiterlijke omstandigheden.

En daar wij innerlijk één kunnen zijn met de kracht, innerlijk verbonden kunnen zijn met het heelal, kunnen we daaruit de rust, de kracht, de mogelijkheden putten waardoor wij in staat zijn om ook in de beperkingen van een leven dat dan aan schijnbare regels en wetmatigheden gehoorzaamt onze weg zodanig te kiezen dat wij trouw kunnen blijven aan hetgeen wij innerlijk zijn en gelijktijdig door de ervaring van onze wereld tot een beter begrip kunnen komen van al datgene waarvan wij deel zijn.

Het is misschien iets dat u te vaak hoort in deze dagen: dat we de eenheid moeten beseffen en beleven. Maar wanneer alle wetten ophouden te bestaan, blijft alleen dat beleven over. Niet de wereld bepaalt ons, maar onze aanvaarding of beleving van onze wereld bepaalt wat wij zijn en ervaren. Er zijn vele raadselen die we niet kunnen oplossen. Als wij kleine raadselen kunnen oplossen, dan mogen we trots zijn, maar dat betekent niet dat wij wezenlijk bereikt hebben. We dringen slechts door in het voor ons nu onbekende om te ontdekken dat het onbekende onmetelijk groot is. Maar als we het innerlijk beleven en ons één voelen met het onbekende, dan zal datgene wat ons vreemd en ongrijpbaar lijkt plotseling deel zijn geworden van onze ervaring en ons wezen en daardoor de mogelijkheid scheppen om binnen onze beperking al datgene tot stand te brengen wat noodzakelijk is.

Het leven van de mens heeft alleen zin, indien hij uitdrukking geeft aan zijn verbondenheid met het geheel. Het wezen en het denken van de mens zijn alleen belangrijk, indien zijn innerlijk wezen mede tot uiting komt in al datgene wat hij doet en wat hij zoekt.

Als ik ten aanzien van de wetenschap misschien hier en daar wat hard ben geweest, dan was dat niet omdat ik de wetenschap verwerp. Ik verwerp niets. Wat ik verwerp is de scherpe begrenzing waardoor men werkelijkheden opbouwt die het onmogelijk maken om waarlijk bewust inner­lijk jezelf te zijn.

Mijn geloof is, dat natuurwetenschappen omschrijvingen zijn van de mogelijkheden die in onszelf schuilen. Als wij die mogelijkheden leren gebruiken, dan zijn de wetten van de natuurwetenschappen plotseling variabel.

U zult het gehoord hebben: u bent meer en u kunt meer dan u denkt. Maar dan moet u dat eerst innerlijk beleven, anders kunt u het niet waar­lijk denken. En als u niet denkt, kunt u als mens geen vorm geven aan het­geen er in u leeft. Daarom is bewustwording een van de meest belangrijke factoren. Daarnaast het gevoel van verbondenheid met al: met alle leven, alle gebeuren, de zinvolheid van alle dingen. Eerst als u dat innerlijk en in uw uitingen weet samen te brengen in een geheel, wordt uw leven een voortdurend proces van benadering van het onbekende, bewustwording van uzelf en vervulling van datgene wat diep in u leeft.

Mag ik hiermede u danken voor de mij gegeven aandacht, voor de vragen die u ongetwijfeld met nadenken tot stand heeft gebracht en de wens uitdrukken dat een afscheid, zoals wij thans nemen, beseft zal worden als een uiterlijkheid, omdat de innerlijke verbondenheid ook door een dergelijk afscheid niet ongedaan kan worden gemaakt.