Neen, Aristoteles

12 mei 1958

Deze avond zijn we dan eigenlijk bijeengekomen om een paar punten van de theorieën van Aristoteles ‑ wanneer het ons mogelijk is ‑ enigs­zins te kraken. Ik hoop dat het voor u zoals u hier aanwezig bent, geen teleurstelling is, dat ik me dan ook niet speciaal met zijn eigen stellingen en filosofie bezighoud. Integendeel, het is in mijn opzet gelegen om a.h.w. op alle punten, waar het mij mogelijk is, deze denker toe te roepen; “Neen, Aristoteles, je hebt je vergist”

Om dan te beginnen is Aristoteles Met zijn denken uitgegaan van een wereld, die het centrum was van het heelal. En dat is natuurlijk al een eerste punt, waarop we hem onmiddellijk kunnen aanvallen, al is het alleen dankzij de moderne wetenschap. Dat neemt echter niet weg dat onze vriend Aristoteles voor menige vertraging verantwoordelijk kan worden gesteld. Met vele andere oude denkers is hij wel één van degenen, die door zijn grote gezag in de middeleeuwen de wetenschap heeft weerhouden te komen tot een zelfstandige opinie.

Toch zou ik al dergelijke ‑ m.i. kleinere fouten laten rusten wanneer hij ook niet stellingen had geopperd omtrent het wezen van het leven en de materie. Om een enkele stelling te citeren: Er kunnen geen twee dingen op dezelfde plaats zijn. Natuurlijk, hij betoogde beter en meer omschreven, maar daar komt het op neer. Is dat nu werkelijk waar?

In de eerste plaats, weten wij ‑ ik zou haast zeggen: in deze kringen wel uit ervaring ‑ dat de geest op een plaats kan zijn, waar reeds iets anders is. Hij wandelt als het nodig is, rustig door muren, tafels en stoelen, en trekt zich, wanneer hij van zijn eigen wereld bewust is, er helemaal niets van aan wanneer er toevallig een sneltrein of een auto voort snelt op de plaats, waar hij zich toevallig bevindt, Hij merkt het niet eens. Er kunnen wel degelijk twee en zelfs meer dingen op één plaats zijn. U heeft allemaal gehoord van een transport. Dat is een verplaatsing van een voorwerp op zodanige wijze, dat het zich door muren en door allerhande hindernissen heen beweegt en zich materialiseert op de plaats, waar het behoort te zijn. Ik zou op grond hiervan alleen al willen proberen om onze vriend Aristoteles hier aan te vallen. En nu mag ik dat natuurlijk niet alleen doen met de genoemde argumenten. Ik kan me best voorstellen, dat er iemand bij zit ‑ het is hier nu toevallig niet het geval, maar het zou kunnen ‑ die zegt: Ja hoor eens, dat is allemaal onzin. Bewijs me dat eerst maar eens. Daarom moeten we grijpen naar een meer wetenschappelijk argument.

  1. Materie kan worden herleid tot energie. Als materie herleid kan worden tot energie, is het verschil tussen de verschillende soorten materie in feite niet reëel meer.
  2. De ruimten, die zich tussen de kleinste delen der materie bevinden ‑ wervelingen van energie ‑ zijn zo groot, dat ze miljoenenvoudige lege ruimte bevat t.o.v. werkelijke materie, uitgezonderd misschien enkele van de aller dichtste stoffen, die slechts in de kern van de aarde en in de sterren voorkomen. Dus er is ruimte genoeg. Het is heel goed mogelijk dat iets zich door een intermoleculaire ruimte beweegt, zelfs door een interatomaire ruimte. Dit laatste is aannemelijk te maken. Want bij beschieting met kleinste deeltjes verandert een materie slechts zeer langzaam haar geaardheid maar niet haar aanzien. Dat laatste is wetenschappelijk vaststelbaar en bewijsbaar.
  3. We kunnen nog verdergaan. Aristoteles heeft zijn gedachtegang opgebouwd op een wereld van drie dimensies. De denkers van deze tijd maken het aannemelijk voor eenieder, die wiskundig voldoende begaafd is, dat er tenminste een vierde en waarschijnlijk nog meer dimensies zijn. Wanneer er nog een andere dimensie is, is de afmeting van een voorwerp niet vast te stellen. We weten niet, hoe het in een andere dimensie bestaat, waar desondanks voorwerpen elkaar voortdurend schijnen te kunnen beroeren, is het redelijk om aan te nemen, dat ze zich in feite door elkaar kunnen bewegen en slechts in enkele kernpunten elkaar afstoten; wat wij dan zien als: ze kunnen niet op dezelfde plek zijn.

Om een ander voorbeeld te noemen: Onze vriend Aristoteles meende te moeten veronderstellen dat wanneer twee stoffen of voorwerpen vol­komen identiek zijn in vorm, gewicht en eigenschap, voor zover die test­baar zijn op aarde, ze inderdaad als identiek beschouwd kunnen worden. Ik zou dat ook willen bestrijden. U zit hier naast elkaar, mensen. Ik breng u allen onder gelijke condities. Ik geef u gelijke stoffelijke en geestelijke kwaliteiten. Toch zult u bij gegeven prikkels nooit volkomen gelijk reageren. Bewustzijn maakt in de mens een verschil van reactie mo­gelijk ongeacht verdere gelijkheid van condities. Nu heeft Aristoteles daar niets tegen beweerd. Maar nu heeft hij wel beweerd dat dit voor do­de voorwerpen het geval is. Nu stel ik echter dat een volkomen gelijk­heid in stoffelijke zin nog niet behoeft te betekenen een volkomen gelijk­heid in elke zin. Er zijn m.i. geen twee voorwerpen ergens in het Al die volledig identiek zijn.

Misschien is dit een stoute bewering. Ik kan me zo voorstellen dat u denkt: “Nou, nou, nu ga je er toch aardig op los, want ik heb toch een servies met 12 volkomen gelijke kopjes,” of iets dergelijks. Neen, luister eens even. Ik zeg hier: ” Neen, Aristoteles” en evenzeer tegen ieder, die het met hem eens probeert te zijn: “Neen:” Want elk contact, dat materie heeft met andere materie, met stralingen, die in de atmosfeer behouden zijn, met geestelijke uitstralingen, ja, zelfs met invloeden van allerhoogste waarde, zo ijl, dat ze zelfs voor de geest niet waarneembaar zijn, legt zijn stempel in de materie. Op deze wijze bevat deze materie eigenschappen, die niet-materieel te noemen zijn en desondanks op het voortbestaan en de reactie van deze materie t.o.v. de omgeving een voortdurende invloed kunnen uitoefenen. Is dit het geval, dan is al wat bestaat een unicum. Nemen wij dit aan ‑ en dat is een heel belangrijk punt in mijn gedachtegang ‑ dan heeft alles ook zijn enige en uitzonderlijke plaats binnen de schepping. Niets kan door iets anders vervangen worden. Alles behoort te zijn juist zoals het is, zoals het gevormd wordt door de loop der omstandigheden tot een werkelijk groots en belangrijk deel van de kosmos. De schepping, die zelf een unicum is, zal zijn opgebouwd uit unica. En het is logisch, want God heeft er geen zin in twee keer hetzelfde te scheppen, te creëren en voort te brengen. De Schepper heeft wel wat anders te doen, dan één of andere massafabricage te beginnen. Dat komt een mens misschien toe, maar geen Schepper. Hij schept alles met dermate geringe verschillen, dat zij menselijk niet vaststelbaar zijn, maar desondanks de betekenis van deze dingen voor Wereld en schepping een geheel eigen inhoud geven.

Misschien begint u uit deze laatste zinnen te begrijpen, wat voor mij het belangrijke punt is. Wanneer wij ons baseren op zuiver wereldse stelling en wanneer wij ons baseren op al datgene, wat zichtbaar en waarneembaar is en aannemen dat dit als een conditio sine qua non een absolute waarheid moet blijven, dan zijn we verloren. In de wereld van Aristoteles spelen ongetwijfeld de krachten van de geest een zekere rol. En dat mogen we hem helemaal niet kwalijk nemen, want wie dat zou verloochenen, maakt m.i. niet eens aanspraak op de naam van groot denker of filosoof, Maar het feit dat hij zijn eigen wereld als absolute waardemeter stelt voor het zijnde, impliceert een volledige blindheid voor het bestaan van andere werelden en krachten. Dat deze blindheid soms voor de wetenschap ‑ zoals ik reeds zei ‑ onaangename consequenties heeft gehad, zouden wij nog kunnen vergeven, Want dat is niet de schuld van de denker zelf, maar van een mensheid, die zich te zeer aan uitspraken van een wijze vastklampt. Ook al zou zonder hem ongetwijfeld voor degenen, die de aarde wilden rondtrekken, gemakkelijker zijn geweest; en zou de beweging van de aarde rond de zon eerder geconstateerd zijn met alle mogelijkheden, daarin schuilende voor een christelijke samenleving.

Het gaat hier om het al of niet erkennen van een werkelijke wereld, waarvan de menselijke wereld slechts een zeer onvolledig beeld is. Het is dit punt, dat wij niet genoeg met nadruk kunnen constateren. Alle voorwerpen, personen, levende wezens, waar dan ook, staan niet alleen op de gekende wijze in relatie tot hun wereld, bezitten niet slechts de daarin kenbare eigenschappen en zijn niet slechts een verschijnsel op dat vlak. Ze bewegen zich op vele vlakken tegelijk. Uw wereld kan misschien volgens de gedachtegang van Aristoteles nog worden gezien als een klein deeltje ‑ een elektron misschien ‑ wervelende in een groot atoom. Maar het zal nooit zijn wat het in feite is: een wereld, die van misschien andere dimensies of ‑ zo u wilt ‑ door een verschuiving van tijdswaarden gebonden is met duizenden andere plaatsen in het heelal. Wanneer men bijvoorbeeld gaat veronderstellen, dat elk moment in tijd een volledige replica is van deze wereld op een bepaald punt in de ruimte, dan zegt men iets dat weliswaar aanvaardbaar is maar niet totaal. Want het moment‑tijd maken tot een eigen wereld betekent een onderbreken van de continuïteit der beleving. We moeten het anders zoeken. En het wereldbeeld dat mij hierbij voor ogen staat, kan ik misschien het eenvoudigst weergeven met een simpel voorbeeld:

Bent u wel eens in een meer ouderwets huis getreden tussen twee spiegels tegenover elkaar gelegen? Die bekende versiering van menige gang? Wanneer u links schouwt en rechts, dan ziet u een oneindig aantal weerkaatsingen. Maar de lijn is niet volkomen recht. Ze schijnt zich te buigen en het schijnt bovendien dat elk beeld toch weer iets kleiner is dan het vorige. Wat is het ware beeld? Uzelf? Neen. De lichtreflex, die van u afkaatst. Hieruit wordt deze reeks van beelden geboren. Stel nu dat ik het u onmogelijk maak al die beelden behalve één te zien. Dan zult ge zeggen dat dát werkelijk is. Maar elke beweging, die daar wordt gemaakt, schijnt u onredelijk. Je ziet immers niet dat deel van de wereld, dat ligt in die gang en verder. Eerst wanneer je begrijpt dat de verschijnselen op de wereld geen werkelijkheid zijn, maar een spiegeling van andere waarden, die alle werelden met elkaar verbinden, kun je gaan denken.

Dan kunnen we natuurlijk in de eerste plaats gaan zeggen; “Wat die werkelijkheid is, weet ik niet.” Volkomen akkoord. Maar u weet wel dat wat u ziet, schijn is. Nu vraag ik u: “Is het dan redelijk om aan te nemen dat deze schijn bepalend is voor het totaal der verschijnselen?” Neen, volgens mij niet. En toch zijn de stellingen van Aristoteles zodanig gesteld, gezegd dat zij juist dit voortdurend tot basis maken van elke overpeinzing. Zelfs de ogenblikken waar hij doordringt in de richting der mystiek, brengt hij ons nog steeds iets, dat gebaseerd is op de materiële wereld. Een materiële wereld, van welk beeld in feite is een grote reeks van lijnen alle uit verschillende punten van het zijn samenkomende in het brandpunt van enkele persoonlijkheden of één persoonlijkheid, zodat daarin een beleven ontstaat, dat aan de hand van al die werelden geprojecteerd is. Waar de werking van twee van die werelden zodanig gericht is, dat ze elkaar opheffen, zullen die werelden niet worden ervaren, Maar zij zijn deel van de werkelijkheid, want een wijziging in één van hen kan hen plotseling tot een stuwende kracht maken. Het klaarblijkelijke evenwicht van de wereld is geen evenwicht. De klaarblijkelijke voortgang van de tijd is geen voortgang van de tijd maar een wijziging van beïnvloedingen in dit beeld, waarin men meent te leven.

Wordt het u duidelijker, waarom ik als titel van deze lezing. “Neen, Aristoteles” heb gekozen? De basis, die de mens aanneemt, is geen juiste. Door alle eeuwen heen in de gehele geschiedenis heeft deze man één ding gedaan: Hij heeft zijn mening en zijn wereld als bepalend beschouwd voor de werkelijkheid. Niet alleen Aristoteles. De oude Ramses heeft het gedaan. Ichnaton deed hetzelfde. Idnajapur (?), Akbar de Grote, noem zo maar op. Allen hebben gemeend dat hun wereld de werkelijkheid was. En toch is het alleen krachtens de irrealiteit van die wereld, dat een beleven binnen die wereld mogelijk is. Want een wereld van vaststaande waarden is beperkt in het aantal belevingen, dat daarbinnen te vinden is.

In de geschiedenis der mensheid, is nog nooit één enkel punt precies gelijk geweest. Er zijn altijd weer varianten; soms kleine en soms grotere, als je pech hebt. Maar juist door die varianten bestaat er een bewustwording en een bewustwordingsmogelijkheid, die praktisch oneindig is. Het redelijk denken, de natuurkennis, de natuurfilosofie mogen ons misschien kunnen helpen om tot een zekere opvatting te komen omtrent het bestaan; ze mogen ons een voorlopige basis zijn, van waaruit wij onze experimenten kunnen beginnen. Maar zij mogen nooit de basis van onze wereld zijn.

Geestelijk leven vrienden, betekent nog wel heel wat meer, dan alleen maar ethische en moralistische consequenties verbinden aan de stoffelijke werkelijkheid, die je kent. Geestelijk leven betekent de eenheid der verschillende werelden in jezelf ervaren. En dit is onmogelijk, wanneer je zegt, dat geen twee dingen op dezelfde plaats kunnen zijn. Dan kan ik zeggen; Daar staat een tafel daar kan geen geest zijn, daar kan geen God zijn, daar kan niets anders zijn. Daar is alleen een tafel. Ik kan zeggen: Hier is een wereld. In deze wereld kan zich geen tweede wereld bewegen. En toch weet ik geestelijk, dat het wel degelijk mogelijk is. Ja, dat in heel veel gevallen de wereld van hen, die nog niet bewust zijn van het licht, er één is, waar de mensen elkaar volkomen kruisen; zonder dat zij elkaar opmerken, enkele gevallen uitgezonderd.

Ik vrees dat geestelijke waarden in de stellingen van Aristoteles zwaar te lijden krijgen. En juist daarom heb ik deze discussieavond genomen met de hoop, dat sommigen onder u Aristoteles zouden willen verdedigen. Het is nl. tamelijk belangrijk dat we dit doen, want uw wereld baseert zich nog veel te veel daarop in filosofisch en in materieel opzicht. En het lijkt mij erg noodzakelijk, dat we dat veranderen; dat men komt tot een wereld, waarin het Panta Rhei niet alleen maar een schone spreuk is, maar een begrip. En waarbij het Panta Rhei niet meer tot de vloed van een ding, gebeurtenis, materie of tijd is beperkt, maar aangeeft het eeuwig in elkaar vervloeien van alle krachten in het Al. Waarbij elk beeld dat ontstaat, slechts een kristallisatie is van een ogenblikkelijk samenvloeien. Een spiegelend beeld dat verdwijnt, zodra de invloed zich wijzigt, maar dat de invloeden zelf blijven bestaan. Ja, belangrijker misschien nog, dat wijzelf niet zijn, vaste beelden of wezens; maar kleine stromingen, die door het heelal gaan en tijdelijk samenvloeien en met andere stromingen een mens zijn of een geest op een lager niveau; maar in ons wezen steeds blijven stromingen van kracht, deel van de Oerkracht, vanwaar wij zijn uitgegaan.

Het werkelijkheidsbesef, dat de mens heeft, waarop de mensheid bouwt, is foutief, 0, het ogenblik dat een dergelijk werkelijkheidsbesef bovendien de eigen wereld in het voortdurende brandpunt stelt van alle denken, en maakt tot uitgangspunt voor elke beleving, elke realisatie, is het tijd, dat we die mensheid een “stop”, toeroepen. Want we roepen niet alleen tegen Aristoteles maar tegen allen, die zo zouden willen argumenteren: “Neen, zo is het niet”.

Nu, dan zullen we eerst maar eens kijken, of ik daar al onmiddel­lijk commentaar op krijg van teleurgestelden soms, die zich wat anders hadden voorgesteld, of van mensen, die vinden, dat wat ik zeg niet juist is. Er zijn er hier maar een paar, dus ik kan het er rustig op wagen. Het zal geen stortvloed van vragen worden.

  • Is het wel billijk Aristoteles aan te rekenen dat hij in zijn standpunt onjuist was?

Inderdaad, als men hem vroeg, waarom een steen naar de aarde valt, antwoordde hij: “Het is de eigenschap van de steen dat hij vallen zal.” Hij verklaarde dus niets over de cau­saliteit van het vallen. Maar hoe kon hij kennis hebben van het we­zen van de natuur en de opbouw van de materie zoals wij die heb­ben? We zijn pas sinds ongeveer 50 jaar bezig om een inzicht te krijgen in de atoomstructuur. Ja, Ofschoon we mogen vaststellen dat ook de ouden over die atoomstructuur schijnbaar meer wisten dan de doorsneemens wilde aanvaarden. Maar laten we daar maar niet te ver op ingaan.

  • We hebben een vorige maal gehoord, dat het inzicht inzake atoomstructuur bij de Egyptenaren het maximum was omstreeks 2700 v. Chr. Naderhand is dit inzicht verloren gegaan. Aristoteles leefde + 350 v. Chr. Er is dus een lapsus van 2500 jaar. Dan is het begrijpelijk, dat de simpeler dingen, zoals Heraclitus, Thales en Anaxagoras naar voren brengen, nog maar een flauwe afspiegeling waren van de kennis der Egyptenaren uit die tijd.

Och, een uitzondering a.u.b. voor een lieveling van mij: Thales van Milete. Die heeft heel wat geleerd, dat misschien niet zo begre­pen is en ten dele in de tijd verloren ging. Maar hij was toch wel een denker, die ik persoonlijk als ruimer en beter denkend zie, dan b.v. Heraclitus of Aristoteles, om er maar één te noemen. Of noemt u maar een andere denker.

  • Dat was toch een man, die ook een heleboel wist.

Inderdaad. Maar die in tegenstelling met Thalas toch weer greep naar het concrete in het occulte. Thales, daarentegen probeerde uit het occulte het concrete te verklaren. Daar ligt een groot ver­schil in. Kijk eens, wanneer ik Aristoteles heb aangevallen, van­avond, heb ik dat natuurlijk niet gedaan, omdat ik die man zo’n grote sufferd vond ‑ met permissie. Het was een groot man en zou hij dat niet geweest zijn, ongetwijfeld zou mijn uitroep van deze avond zijn schim bespaard zijn gebleven. Maar in de eerste plaats: Zoals u zeer terecht hebt opgemerkt, was het doceren van Aristoteles op zijn minst genomen zeer empirisch te noemen. Hij voor zich stelt vast, constateert en neemt aan ook zonder verdere verklaring. Voor hem is het geconstateerde feit de verklaring zelf. Dit is m.i. een grote denkfout. Wanneer u morgen thuiskomt en u doet een lucifer niet uit en uw prullenmand gaat branden, dan zegt u niet: “Hé, die prullenmand brandt…nu ja, omdat hij brandt natuurlijk.” Dan zegt u. “Omdat er één of andere stommeling met vuur heeft gespeeld” Dan merk je later met leedwezen, dat je het zelf geweest bent. Toch heeft in zeer veel belangrijke zaken Aristoteles juist dat ge­daan. Hij heeft gesteld, ontzettend knap, met een buitengewone be­spraaktheid, met een exactheid vaak, die verbluffend is. Maar wat heeft hij dan zo gesteld? Een verklaring van feiten? Of heeft hij als waarheid gedoceerd de mogelijke mening van een zekere mijnheer Aristoteles?

  • Dat heeft hij gedaan.

Juist.

  • Daar was hij eerlijk man voor. Hij moest natuurlijk zeggen wat hij meende.

Inderdaad. Maar te zeggen dat wat je meent de onomstotelijke en enige waarheid is ‑ of dit te impliceren ‑ is op zijn minst ge­nomen een blijk geven van grote zelfoverschatting. Dat zult u met me eens zijn. Dus daar begint de fout van Aristoteles. Des­ondanks, nogmaals, zou ik zeker niet tot die bespreking zijn ge­komen ‑ ik heb dat al aangeduid ‑ wanneer m.i. deze wijze van denken, van doceren, dit opstellen van onbewezen doctrines niet een heel lange tijd het menselijk denken had vergiftigd, waardoor onbewust de mensheid thans nog vaak strijdt tegen opvattingen, die al worden zij misschien niet direct meer zo genoemd ‑ te herleiden zijn tot Aristoteles. Men heeft hem een nadruk gegeven die men veel beter aan vele van zijn mede‑denkers had kunnen geven.

Bijvoorbeeld. Men heeft hem op de voorgrond geschoven als het summum summarium van oude wetenschap. Indien men dat doet op deze wijze, dan is het misschien mogelijk dat ergens een ver nageslacht de verklaringen van Hitler in Mein Kampf ziet als het summum summarium van politieke wetenschap. Want deze stelt met evenveel zelf­ verzekerdheid en vaak met even weinig grond.

  • Ja, maar dit is toch wel iets anders, zou ik denken.

Neen, dit is niets anders. Dit is een vergelijking.

  • Ja, maar Mein Kampf is eigenlijk ingegeven door een zich ver­ongelijkt voelen en de wereld willen hervormen op een bepaald ge­bied; en eigenlijk het anarchistische Duitsland een klein beetje van die anarchie af willen brengen, daarvan soldaten maken, zo­ doende een industrie uit de grond stampen en geld, enz.

Laten we vanavond nu niet verdergaan over Mein Kampf, laten we daar een aparte avond voor nemen en een andere spreker.

  • Maar ik wilde het als antipode aangeven voor Aristoteles; het was niet de grond van Aristoteles.

Pardon, ik heb dit gebruikt als een vergelijking. (U ontnam me de mogelijkheid om dat nog eventjes ertussen door te zeggen.) En een vergelijking gaat uit de aard der zaak mank. Maar er zijn veel overeenkomsten. l. Hitler stelt zijn eigen gedachten als onomstotelijke waarheid, ofschoon ze niet bewezen zijn. 2. Hij geeft schijnbaar redelijke verklaringen voor politieke en sociale processen, die ‑ indien zonder verdere controle geaccepteerd ‑ de wereld inderdaad omver kunnen gooien, maar die geen rekening houden met andere stromingen van even groot belang. Naast Aristoteles waren er denkers, die er heel anders overdachten. Denkers, die misschien ons aandoen als zuivere filoso­fen of als magiërs, maar die desondanks toch hun gedachten laten gaan niet alleen over het feit maar over de achtergrond, de beweegreden. Deze zijn veel belangrijker. En daarom juist … U zou ook Churchill kunnen nemen, die ook met evenveel zelfverzekerd­heid dingen stelt die ‑ als je ze ontleedt ‑ grote stommiteiten waren, ofschoon het klinkt als wijsheid. Ik bedoel, het gaat hier niet om Churchill of om Hitler of om Aristoteles als personen.

Het gaat ons hier om een systeem van leerstellingen en bij Aristoteles wel speciaal een methode van denken. En wanneer we dan ook vanavond zo hardop schreeuwen. “Neen, Aristoteles” dan is het hier zeker niet te zien als een aantasten van de mens, wel als een omschrijving van de denker. Het is niet te zien als een bestrij­ding van zijn methode om zichzelf op zijn manier in het Al te plaat­sen. Maar een bestrijding van alle gevolgen, die dat met zich heeft gebracht.

Het is verder een poging om aan te tonen, wat Aristoteles en velen met hem hadden kunnen weten in een tijd, waarin de geest mach­tiger was dan vaak in deze dagen, een tijd waarin de eerlijke en oprechte mens vaak in zich de goddelijke macht onmiddellijk ge­openbaard voelde als een sprekende stem zoals in verschillende denkers zelfs is vastgelegd. En wanneer dan de nuchtere docent zegt: “Deze stem is waanzin; ik zie het feit en dát alleen be­staat voor mijl, dan verwerpt hij daarmee het belangrijkste punt dat er is in de schepping: De totale samenwerking en eenheid van al het geschapene in de perfecte wil van de Schepper, waar­bij alles zijn eigen plaats, zijn eigen zin heeft; zodat zelfs geen­ twee korrels zand in betekenis, in wezen en materie volledig aan elkaar gelijk kunnen zijn, maar steeds elkaar zullen aanvullen tot de volledigheid, die de volmaakte uiting is van de Schepper. Het was dat punt, waar het mij om ging.

  • Voor zover ik kan zien, komen we op een heel essentieel punt in de filosofie van Aristoteles: Hij heeft ook het Godsbegrip overdacht en heeft gesteld dat God Zich niet bewust was van de geschapen aarde. Hij wist: God is ‑ volgens Aristoteles ‑ niet op de hoogte van alles, wat er in het wezen zelf als geschapen om­ging. Dus m.a.w. daar zit al een hele kardinale fout in. Want per slot voor hem is er niets dan wat er zintuiglijk waarneembaar is althans, en dat is maar zeer beperkt. Die man had geen mogelijkheid om een dusdanig veld van intelligentie te doordenken, als u nu gedaan hebt. Hoe kon hij bv. denken aan planeten in het heel­al, die ook bewoonbaar zijn. Hij wist amper dat er planeten waren.

In de eerste plaats: Wanneer hij meer had willen weten daarover. Er werd zelfs aan de universiteiten van Alexandrië gedoceerd dat andere planeten bewoonbaar waren; dat er een hemelruimte was. Ook in zijn tijd. Als een ernstig denker, die eerlijk naar de waar­heid zocht, zou dit hem dus zeker niet onbekend mogen zijn. Hij echter, heeft dit verworpen, omdat het niet paste in zijn systeem van denken. Zoals een wetende God een verkleining betekende van Aristoteles en van alle mensen,

  • Hoezo?

Omdat de onwetende God de vrijheid laat aan de mensen om zichzelf te zijn en als Schepper geen invloed uitoefent op Zijn Schep­ping. Terwijl de wetende God ingrijpt in Zijn Schepping; en de mens, die dit aanvaardt, dus in zekere zin voortdurend machteloos te­genover zijn Schepper staat. Een Schepper, Die hem immers zal cor­rigeren, wanneer het nodig is. Die hem op zijn plaats zal zetten. Die hem de beste mogelijkheden volgens een goddelijke wil geeft, maar ook gelijktijdig belet om verkeerde paden te gaan, wanneer de­ze strijden tegen de goddelijke wet.

  • Dus tenzij hij zich openstelt.

Inderdaad. Dus … neem me niet kwalijk dat ik hier zeg, dat als een dergelijk denksysteem in deze dagen ontwikkeld zou wor­den ‑ nu stel ik iets, wat natuurlijk niet zo is ‑ men zou zeggen: “Nou, dat is ook een vervelend, eigenwijs mannetje.” Omdat hij zo­veel wist te formuleren en zijn denksysteem zo redelijk wist op te bouwen, is Aristoteles meer dan dat. Maar dan ook alleen maar meer dan dat en niet iets anders dan dat.

  • Aristoteles heeft ook het Goddelijke te klein gezien.

Neen. De fout van Aristoteles is geweest, dat hij van het be­gin af heeft gevochten in zijn denken voor de grootheid van de mens. Het klinkt misschien vreemd, maar het gaat er hier om, dat de den­ker heeft getracht de grootheid niet alleen van zichzelf maar van het menselijk geslacht te definiëren, terwijl het menselijk geslacht een variabele waarde is, die ondefinieerbaar blijft. En dit wist hij uit ervaring in zijn leven. Hij wilde echter deze gedachte van grootheid niet prijsgeven. Daarom moest hij komen tot stellingen, die ten eerste de godenleer en de invloed daarvan tenietdeden. Want een godsdienst is tenslotte een onderwerping van de mens en dat is niet aanvaardbaar. In zijn stellingen vinden wij dan ook voortdurend weer, dat hij elke religieuze gedachte a.h.w. verwerpt, ondanks het feit dat men hem later tot basis van menige reli­gieuze gedachte heeft gemaakt.

  • Omdat het toen nodig was. Of omdat ze hem nodig hadden.

Omdat hij met zijn argumenten goed naar voren kwam. En per slot van rekening wat hij aan ondeugends had gezegd wel weggewerkt kon worden. In de tweede plaats meende Aristoteles, dat hij door te om­schrijven kon kennen. Als u om een stad heen wandelt, kent u die stad niet. Toe te geven dat je die stad niet kent maar slechts haar omvang, zou dus eerlijk zijn. Wetende heeft Aristoteles dit niet gedaan. Daarom mag ik tegen zijn stellingen zeggen en tegen de mens: “Neen, Aristoteles, dit is niet goed. Hier is gefaald.

Hier heb je bewust of onbewust op de wereld een invloed uitgeoefend, die haar vele jaren in bewustwording kan kosten. Want in jouw beelden vindt zij de bevestiging van haar eigen grootheid. In jouw denken vindt zij de geborgenheid van een wereld, die primair staat boven al het andere. In jouw simpele constateringen ligt voor haar a.h.w. neergeschreven het boek van eigen weten en je hebt erbij gezegd dat er geen ander weten dan dat is.

  • Vond dat geen tegenspraak in zijn tijd?

Ongetwijfeld vond dat in zijn tijd heel veel tegenspraak. Hij heeft dan ook heel wat bestrijders gekend. Maar hij had het geluk dat in de tijd dat hij met zijn gedachten kwam, velen verlangden naar deze oplossing. Menige filosoof en wetenschapsmens in het verleden heeft niet zo zeer aan zijn wetenschappelijke verdienste of de grootheid van zijn gedachte zijn roem te danken gehad dan wel aan het feit dat hij aan de behoefte van het volk op dat ogenblik tegemoet kon komen. En dit is hier wel degelijk m.i. het geval geweest.

En nu zou ik eerst een amende honorable willen maken. Onverschillig hoe wij de leerstellingen van Aristotoles en zijn persoonlijkheid willen zien, hij was een groot mens. En ontwaakt tot aanvaarding van een andere wereld, is hij een groot geest geworden. En wanneer ik dan ook mijn strijdkreet deze avond voor de laatste maal herhaal: “Neen, Aristoteles” wil ik deze uitdrukkelijk niet richten tegen de mens, die thans leeft in de geest.

Ik wil deze verwijten zelfs niet richten tegen dat stof, dat allang vermengd is met de aarde. Ik wil dit verwijt, deze uitroep richten tegen het beeld, dat de mensheid zich heeft gemaakt van Aristoteles. Het beeld dat een trouwe weerspiegeling is van eigen menselijke verwaandheid.

  • Aristoteles zegt dat het bewegen zijn beweegkracht ontvangt van een hoger Beweger. Zo komen we tot een eerste Beweger, Die zelf onbeweeglijk, zuivere vorm ofwel de Godheid, eeuwig en onstoffelijk is. Is dit niet een punt in het betoog van Aristoteles, dat toch wel kan wijzen op een bepaald inzicht omtrent Godheid?’

Ja. Wanneer we dit punt op zichzelf nemen, inderdaad. Maar laat ons niet vergeten dat hij onmiddellijk daarnaast stelt ‑ dat heeft u misschien ook wel kunnen nakijken ‑ dat gezien het feit, dat het eerste bewegen stamt uit onbeweeglijkheid, de onbeweeglijkheid zich niet van de beweging bewust is. En daarbij wordt dus het Goddelijke gemaakt tot een soort factor van bestaan, die in zichzelf noch bewustzijn noch kracht draagt. Dat is precies hetzelfde, alsof ik nu zeg: “U bent hier en de kracht, die u beweegt, die resulteert uit het feit dat er een huis rond u staat. Dat huis is God. Maar dat huis weet niet dat u erin woont, dat u erin bent. Het heeft verder helemaal geen betekenis voor u.” Het wordt een beetje dwaas als men het zo zou zeggen. Maar daar komt het toch eigenlijk op neer.

  • Maar was het niet zo, dat Aristoteles ook stelde dat de beweging, die er dan bestond, ten slotte naar de Godheid toe leidt?

Neen. Dat de beweging, die bestaat, uiteindelijk teruggaat tot de onbeweeglijkheid. Met andere woorden, hij stelt geen bewus­te teruggang, maar een uitsterven van het zijn, waarbij het wordt opgenomen in die kracht of in dat wezen, dat oorspronkelijk God genoemd wordt. En daarbij is dus absoluut geen motorisch vermogen toe te schrijven aan bewustzijn, aan streven, aan wil en beleven. Deze blijven er volledig buiten. Hier is alleen sprake van een mechanische wet. elk bewegen dankt zijn krachten aan hoger bewe­gen. En als we maar hoog genoeg komen, blijkt het bewegen zo groot te zijn dat het zich voordoet als onbeweeglijkheid. En die onbeweeglijkheid is zich van de resulterende bewegingen niet bewust.

Wat teruggaat tot dit grote is zich van die teruggang ook niet bewust, omdat dit impliceert een teloorgaan van eigen beweging te midden van het grote. Dat is natuurlijk een erg pijnlijk punt, hé. Dat is nu precies hetzelfde, alsof ik tegen u zeg: “U luistert nu wel, maar u leert er toch niets van. Het heeft geen zin. Het leven, op deze wijze gesteld zonder meer, is zinloos.

De aanvaarding van een Gods‑concept hebben we aan Aristoteles nooit ontzegd, ook niet in ons eerste gedeelte. Maar we hebben bestreden dat zijn Gods‑concept juist is. En wel, omdat hij de mens a.h.w. projecteert tegenover God; waarbij God Zich onbewust is en er dus geen deelgenootschap tussen mens en God kan bestaan, noch een band. Die band is slechts een zuivere energetische, die zui­ver uit kracht voortkomt zonder meer. Dat is een punt, dat ik uit mijn eigen ervaringen toch heel graag zou bestrijden. Ik geloof nl. niet dat God alleen maar het rustpunt is en dat er voor de rest alleen maar beweging is.

Nu moet ik dus zeggen: Ik geloof. En dan ga ik dit stellen: God Zelf, zoals wij Hem kennen, is een gedachte. Die gedachte openbaart zich in alles, wat binnen die gedachte bestaat. Daardoor zal elke gedachte deel zijn van de Grote Gedachte. Of ‑ als u het anders wilt uitdrukken ‑ dan komen we neer op wat ik daar zo-even al heb gezegd: “Elk deel van de Grote Gedachte weerspie­gelt deze totale Gedachte in zichzelf, maar realiseert de Grote Gedachte slechts in beperkte mate.” Daar komen we dan op neer. Maar op de duur kunnen Grote en kleine Gedachte identiek worden. Dan is er geen opheffing van de kleine gedachte, maar een eenwor­ding, waarbij de kleine gedachte weliswaar zichzelf blijft, maar zo volledig één wordt met deze Grote Gedachte, doordat geen ver­schillen meer bestaan, dat voor een buitenstaander het onderscheid niet kenbaar is, ofschoon elke gedachte door zichzelf te handhaven is. En als ik zeg “gedachte” dan impliceert dit een denker, nietwaar? Dus God, onze God, is a.h.w. het Scheppende, maar is niet het Zijn­de zonder meer. Het Scheppende wordt omvat in het Zijnde. En in het Zijnde kunnen wij één worden met het Scheppende. Dat is zo’n beetje de stelling, waar het mij om gaat. Nu wordt het u misschien duidelijker, waarom ik ‑ ondanks de ongetwijfeld erkende verdienste van Aristoteles ‑ vind dat hij hier en daar toch wel een beetje beperkt is. Zelfs in zijn Godsbewustzijn. Nu hoor ik graag uw stem weer, met of zonder naslagwerk.

  • U heeft zo net gezegd, dat heden ten dage nog diverse invloe­den van Aristoteles zijn waar te nemen. Kunt u er enige voorbeel­den van geven?

Ongetwijfeld. In de eerste plaats binnen de wetenschap: “Het vastgestelde feit is waar en blijft waar. Een volgend feit kan slechts een uitbreiding van de oorspronkelijk gekende waarheid zijn.” Daarbij wordt niet opgemerkt dat het erkennen van een waar­heid additioneel op de eerste, vaak een omkering van waarde be­tekent. Het resultaat is dat men gelijkmatig en gelijkmoedig ver­dergaat op oorspronkelijk aangenomen principes, ongeacht het feit dat latere ontdekkingen deze vaak in hun tegendeel deden verkeren. Dat voorbeeld vindt u bij de atoomtechniek. Ofschoon een groot gedeelte van de wetenschappelijke wereld heeft vastgesteld dat de ontstane radioactiviteit het gevarenpeil aanmerkelijk dicht benaderd, heeft, zijn er nog voortdurend mensen, die durven zeggen (wetenschapsmensen): “Maar toen we begonnen, hebben we vastgesteld dat zoveel röntgen in de atmosfeer onschadelijk was. We zijn er nog niet, dus het is nog niet gevaarlijk, Jullie kletsen wat.” En zolang er mensen zijn, die belang hebben bij het handhaven van zo’n zogenaamde waarheid, wordt ze gehandhaafd. Het eerste voor­beeld.

Dan een tweede punt: Elke opvatting omtrent de materie, die heden ten dage bij het publiek gangbaar is ‑ dus niet bij de ex­perts maar bij het publiek ‑ kan praktisch herleid worden tot de stelling van Aristoteles. Vele opvattingen die thans nog bestaan omtrent het al of niet toelaatbare van verschillende handelingen, is direct te herleiden tot stellingen van Aristoteles, die deel hebben uitgemaakt van het geheel van godsdienstig en staatkundig beleven van Europa gedurende ongeveer 8 á 900 jaar. Dus hij werkt nogal wat na, hé. Andere voorbeelden: Toen iemand zei dat de aarde bewoog, kon hij een giftbeker drinken of zich bekeren. Dat was Aristoteles. Die stelling was alleen waar. Toen iemand be­weerde dat de aarde rond was en dat hij eromheen kon zeilen vond hij geen steun, waar hij de meeste steun verdiende. Weet u waarom? Omdat de stellingen van Aristoteles daar zo buitengewoon belang­rijk waren. Uw eigen landgenoot Cornelis Drebbel heeft tegenstand en tegenwerking ervaren. En weet u waarom? Omdat hij oorspronkelijk bepaalde principes verkondigde, die men niet in overeenstemming wist te brengen met de door Aristoteles verkondigde waarheid. Eerst toen hij ‑ geholpen door enkele vrienden ‑ bewees dat dit in overeenstemming was met Aristoteles, kreeg hij de steun die voor zijn wetenschappelijk onderzoek noodzakelijk was. Dat waren een paar punten. Ik hoop, dat het genoeg is.

  • Hoe stond een man als Spinoza tegenover die stellingen van Aristoteles?

Nu, het is opvallend in de werken van Spinoza, dat hij Aristo­teles klaarblijkelijk niet op het eerste gezicht geaccepteerd heeft. Hij accepteerde een groot gedeelte van die waarden, maar blijkt in staat deze op grond van eigen ethische stellingen te wijzigen. Met andere woorden hij gebruikt heel vaak de stellingen van Aristo­teles nog wel als grondwaarde, maar slechts als uitgangspunt voor zijn eigen gedachten en stellingen. Hij blijkt dan ook vaak in zijn filosofieën, – ik vind Spinoza toch wel als filosoof het grootst – in staat te zijn om desnoods de hele Aristoteles, overboord te gooien.

Er is een opvallend verschil tussen Aristoteles en Spinoza. En dat is wel dit: Aristoteles neemt de problematiek der materie en baseert zich daarop. En Spinoza neemt de ethiek van het mense­lijk bestaan. Dat is een zodanig verschil in basis en uitgangspunt, dat het moeilijk wordt om te gaan vergelijken. Spinoza gaat altijd in het eerste geval uit van de menselijke waarde. Dat is zijn ba­sis. Daardoor laat hij zich dragen. Aristoteles probeerde zich te laten dragen door de harde feiten, wat hem niet altijd gelukt is.

  • U heeft bewezen, dat Aristoteles een grote invloed op deze wereld heeft gehad en nog heeft. Hoe ligt dat in de bewustzijns­ontwikkeling van de wereld op zichzelf en in hoeverre heeft het zich uitgebreid?

Nu, ik zou zeggen, dat Aristoteles een remmende invloed heeft gehad op de technische ontwikkeling van de massa in de middeleeuwen. Dat hij verder een beperking heeft betekend van de wetenschappelijke mogelijkheden in dezelfde periode. Misschien dat de wereld daaraan veel schone kunsten te danken heeft. Maar hij heeft bewust of onbewust eigenlijk geprobeerd het laatste woord over deze dingen te spreken. En doordat men hem in gezaghebbende kringen ook als zodanig heeft geaccepteerd, heeft hij dus de technische vooruitgang wel erg geremd.

Nu rijst voor mij de vraag, die ik niet durf te beantwoorden, dat zeg ik er meteen bij, of, indien dit niet het geval geweest ware, de meer eenvoudige mens zich niet sneller en beter aan nieuwe ontdekkingen, aan een technische beschaving en ontwikkeling had kunnen aanpassen dan de mens van heden. We weten nl. dat in de tijden dat Aristoteles’ stellingen nog zo belangrijk werden genoemd, de mensheid grote tochten maakte en avonturen aandurfde met middelen, die thans onvoorstelbaar gering en onbe­nullig zijn. Stel nu eens dat die mensen vrij hadden kunnen den­ken. Hoe zouden ze dan niet een vooruitgang hebben kunnen door­maken. Hadden dan de Kruisvaarders bv. al niet meer van de filo­sofieën en de kennis van het oosten kunnen profiteren dan in de beperkte mate, waarin het thans gebeurd is. Dan zou de import uit het oosten waarschijnlijk niet beperkt zijn tot weeldeartikelen en enkele eigenaardige ziekten. Dan zou er veel wijsheid geïmporteerd zijn. En dan zou de gehele ontwikkeling van Europa een andere zijn geweest, waarbij o.a. het belang van de koningshuizen ook in een andere richting was gaan liggen en daardoor m.i. de politieke en staatkundige toestand van heden een andere zou zijn. Het zou moge­lijk zijn. Of het zo geweest zou zijn, kunnen we niet zeker zeggen. En gezien mijn misschien wel zeer persoonlijk geloof in de nood­zaak van al het zijnde binnen de schepping geloof ik ook niet dat we ons daar te veel mee moeten bezighouden. We kunnen alleen zeggen: Van uit ons standpunt is hij een rem geweest. Misschien dat hij, wanneer we wijzer zijn, iemand geweest blijkt te zijn, die geremd heeft op een ogenblik dat de wereld nog sneller naar de afgrond zou zijn gesneld dan heden.

  • Wat er gebeurt is toch een uitvloeisel van zoals het moet ge­beuren? Daar is een regelende oorzaak. Want waar zou het anders heengaan?

Ik geloof niet dat het een uitvloeisel is van “zoals het moet gebeuren,” zoals u het gelieft uit te drukken. Nee, nee. Ik heb zo mijn eigen manier van zeggen, maar ik zou dit willen zeggen: Het is ons ervaren van een werkelijkheid, die onverander­lijk is, waarbij onze eigen dwaasheid ons deze gewelddadig i.p.v. harmonisch doet ervaren, met alle gevolgen voor ons van dien. De invloed zelf erkent onze ervaring wel, maar beïnvloedt haar niet, dan door zijn eigen bestaan. Kunt u me volgen?

  • Maar Aristoteles is op een gegeven ogenblik in het leven geroepen. Hij is gekomen; hij is geleerde geweest. En dan zeg ik: Niet voor niets. Ik wil het nog verder uitbreiden en wel over die remmende invloed, die hij heeft gehad en waarvan wij nu de gevol­gen ervaren.

Ja, maar nu kun je dat op twee manieren zeggen. En U wilt nu waarschijnlijk gaan zeggen dat deze remmende invloed het ge­volg was van een goddelijk raadsbesluit a.h.w. Maar we zouden het ook anders kunnen zeggen: nl. dat deze remmende invloed te danken is aan het onbewustzijn van de mensen, die zich daar­door laten remmen.

  • Hoe komt dat nu weer?

Dat zal ongetwijfeld komen door het feit dat deze mensen evenals Aristoteles zelf, liever een beetje eigenzinnig doen, dan zich zo direct overleveren aan een God, Die ze schijnbaar maar half vertrouwen.

  • Ik meen dat er op actie altijd reactie volgt. Is er op dit denken van Aristoteles in Nederland en andere landen geen reactie gekomen?

Ja, die reactie is tamelijk laat geweest. Het is nl. opval­lend dat de reactie op Aristoteles pas sterk werd, toen zijn leer­stellingen al algemeen geaccepteerd werden. En zo vinden wij het begin van dit verzet waarschijnlijk bij de zgn. Cani, de Hon­den, een mystieke sekte met enige priesterlijke waardigheid, die doet denken aan een soort kloosterorde of derwisjen, die in Roma een tijdlang belangrijk waren. Het vreemde is dat het verzet daar­tegen dan verder op een religieus vlak wordt doorgevoerd tot het Christendom de overhand krijgt. De mystici duiken dan onder, maar het verzet tegen Aristoteles ‑ zij het dan niet altijd even uitge­sproken ‑ blijft voortgaan in mystiek denkende groeperingen en ‑ sekten. Het vindt m.i. wel zijn hoogtepunt in verschillende zgn. christelijke ridderorden, die op de duur zich geheel aan de magie wijden en aan de mystiek. Uw tegenwoordige Kruisheren bv. zijn er nog een overblijfsel van en de Johannieters. Officieel waren dat hospitaalridders, maar die hebben ook een periode gekend, dat ze meer aan magie deden dan aan wat anders. Daardoor werden ze zulke goede medicijnmannen in die oude riddertijd.

Dus een verzet, een reactie is er wel geweest. Maar deze re­actie was a.h.w. ondergronds, omdat Aristoteles’ stellingen aan het machtsbewustzijn en de lust tot vaststellen van feiten zonder mogelijk verweer van de heersende partijen eigenlijk tegemoetkwam. Je zou dus ook kunnen zeggen dat onze arme Aristoteles de pech heeft gehad dat men zijn wijsheden vergeten heeft en zijn stommi­teiten rijkelijk heeft gepredikt. Dat is ook eigenlijk nog wel waar.

  • Het wetenschappelijk denken van onze tijd kan dus alleen voor­uitgang kunnen vinden in werkelijke zin, wanneer het zich op die cyclus baseert, die u vanavond uiteengezet hebt.

Ja. Om het weer populair te zeggen even: Je zou kunnen zeggen dat de wetenschap van heden om vóór te komen, zal moeten voort stre­ven ondanks de wetenschapsmensen. Daar komt het wel op neer.

  • Hoe kunnen ze dat doen? Op het ogenblik is alleen wetenschap, wat je wegen, meten en tasten kunt en langzamerhand komt daar pas verandering in.

Dat is niet waar. Wetenschap is op het ogenblik al datgene, wat mathematisch aannemelijk kan worden gemaakt, ook wanneer het niet aantoonbaar is.

  • Dat is dan het allerlaatste.

Het allerlaatste? Het was al in 1896‑1897, dat men begon dit als wetenschap te aanvaarden. In 1915 zijn al de eerste onbewijsbare stellingen op grond hiervan geaccepteerd. Die waren gepubliceerd in 1912‑1913‑ In 1927 heeft het al een overwinning behaald. Nu wil ik niet zeggen dat het lang geleden is, maar het wil toch zeggen dat de wetenschap dit toch al een aardige tijd accepteert. Een halve eeuw ongeveer. Het is eigenlijk zo ‑ als u toestaat om dat te zeggen ‑ dat wetenschap betekent: het vaststellen van het gekende en bewijsbare en het handhaven daarvan tegen elke mogelijke vernieuwing. Op het ogenblik dat deze vernieuwing komt, moet zij bewijsbaar worden gemaakt ‑ ondanks het tegenstreven van wetenschapsmensen ‑ op welk ogenblik het aanvaard wordt en deel wordt van de wetenschap, om zelf evenzeer tegen verdere vernieuwing verdedigd te worden. Dat is nu eenmaal het proces van wetenschap. Zo zou je dus mogen zeggen dat we niet van een vooruitgang van de wetenschap moeten spreken. We moeten spreken van een vooruitgang ondanks de wetenschap.

Het is misschien bitter, als je het zo zegt, maar het is waar. En dat is te danken aan het feit dat de mens getrokken wordt door het onbekende en daarvoor de veilige haven van het bekende verloochent, naarmate hij minder banden heeft, die hem met die ha­ven binden. Anders gezegd: De meeste ontdekkingen komen van onbe­kende mensen. Op het ogenblik dat zij beroemd zijn, doen ze geen ontdekkingen meer, want dan moeten zij handhaven wat zij gewonnen hebben. En zo gezien zou dus de toekomst van de wetenschap liggen in de handen van hen, die men thans als volkomen ongeschikt voor wetenschappelijk onderzoek pleegt te beschouwen.

  • Dat is een logische conclusie.

Het is logisch, het is juist en het is hoopgevend. Want als we van de wetenschapsmens zouden moeten afhangen op het ogenblik, dan zou het wel bitter gaan met de wereld. Maar het is een feit, dat er anderen zijn, die juist tegen alle vaststellingen van de wetenschap in toch durven experimenteren. Die hebben op het ogen­blik bv. al een hele hoop afweerwapens geschapen. Enfin, het waren altijd de onorthodoxe denkers, die vernieuwing hebben gebracht. Of het nu buskruit is geweest (u weet, onze eerste luchtreiziger Berthold Schwarz), of dat het iets anders is geweest, Pasteur bv. die tegen elke doctor in de ontsmetting voorstond, het zuiver houden der dingen, ik dwaal steeds verder af.

  • Het ging er dus om: Hoe kan de mensheid de stelling, die u ge­poneerd hebt, nl. wat werkelijk de zin der dingen is, hoe kan zij zich die eigen maken. Want men komt dadelijk in het metafysische.

Inderdaad, En de metafysica zal ongetwijfeld zich vastklampen zoals Aristoteles dit overigens heeft gedaan ‑ aan het bekende, tot het ogenblik dat iemand komt, die met krachten uit het onbe­kende het bekende waardeloos maakt. Met andere woorden precies hetzelfde, wat ik zo-even reeds antwoordde: De niet‑aanvaarde men­sen, de zgn. kwakzalvers degenen, die men nu houdt voor idioten of oplichters (dat heeft men vroeger ook altijd gedaan met de ontdekkers, hoor) zullen waarschijnlijk op het ogenblik reeds het pad effenen, waardoor de wetenschap zo dadelijk een stap vooruit kan doen in de richting van andere werelden en andere krachten. Dan zal wetenschappelijk gezien de werkelijkheid van heden veel van haar waarde verliezen. Maar daar komt tegenover te staan dat een nieu­we en grotere werkelijkheid voor haar bestaat. Dan is het maar wachten tot de mensheid genoeg is gegroeid om dit concept al­gemeen te accepteren. En dan kan er weer een stap verder worden gedaan.

  • We hebben steeds gehoord over: Neen, Aristoteles. Is er nu eigenlijk ook een: Ja, Aristoteles?

Op sommige punten zullen we ongetwijfeld ook “ja” moeten zeg­gen. Maar het typische is, dat wanneer we tegen het geheel “neen” zeggen, we tegen vele van de afzonderlijke stellingen op zichzelf “ja” kunnen zeggen, mits ze worden beschouwd als een beperking van het weten en niet als een uitdrukking van een totaal weten.