De nieuwe leer hernieuwd gebracht.

Wij beginnen een bijeenkomst meestal met stellingen als: Wij zijn niet alwetend, wij zijn niet onfeilbaar. Op deze avond liggen de zaken iets anders. Hetgeen wij vanavond zullen bespreken over de nieuwe Leer is juist. Wij willen de waarde en de juistheid ervan niet bepalen of bespreken, dat kunt u zelf doen. We zijn er echter van overtuigd, dat deze nieuwe Leer alle belangstelling waard is.

Er is een Meester geweest, die ‑ hoofdzakelijk werkend in het Nabije en iets verdere Oosten ‑ een vernieuwing van denken, een nieuwe leer heeft willen brengen. De resultaten van die nieuwe leer worden, zij het traag, hier en daar op het ogenblik merkbaar. Gezien de omstandigheden op de wereld en zeker ook in de westerse maatschappij is die leer op zijn minst genomen een overdenking en beschouwing waard. Ik wil geen uitvoerige verhandeling over deze leer houden, maar wil haar u zo compact en concreet mogelijk voorleggen. Ik heb daartoe de vrijheid genomen de uitspraken en leringen onder verschillende hoofden te rangschikken, niet om daarvan nu direct een soort nieuwe geboden te maken, maar eenvoudig om u in zo kort mogelijke tijd een overzicht te kunnen geven van wat deze nieuwe leer omvat. De titel of de hoofden van elke alinea heb ik genomen uit de hier gangbare begrippen, vaak ontleend aan het christendom.

Naastenliefde.

“Elke mens is medemens. Elke medemens zal men moeten benaderen als zodanig. Het leven heeft eerst zin, indien men betekenis heeft voor anderen. Deze betekenis gewint men door voor anderen vreugde, een verbetering van lot te betekenen.”

“Indien iemand uw medemens onrecht aandoet, zult gij alles doen wat gij kunt om dit onrecht te bestrijden. Maar hoedt u ervoor daarbij zelf onrecht te begaan. Want hij, die onrecht met onrecht bestrijdt, roept de orkaan op om de wind te verdrijven.”

“Indien een medemens in nood of gevaar is, zo zult gij hem helpen met alle middelen, die u ter beschikking staan. Hoedt u er echter voor u hierop te beroemen of u op bestaande verplichtingen te beroepen. Dat wat gij doet, doet gij uit uzelf en voor uzelf, omdat gij uzelf erkent in de medemens.”

“Alleen werken, betekent vaak ondoelmatig werken. Samenwerken heeft eerst zin, indien dit vrijwillig geschiedt. Hij echter, die beseft hoezeer zijn medemens deel is van zijn bestaan, zal vrijwillig met de andere samenwerken, zonder zich daarop te beroemen en zonder daaruit voor zich enig recht te distilleren.”

“De zin van het leven is: te weten wat ge voor betekenis hebt, voor anderen en de betekenis, die anderen voor u hebben voortdurend te erkennen. Hieruit ontstaat een bewustzijn van de hoge kracht en de werkelijkheid van het leven.”

Ik meen, dat hiermede het begrip “naastenliefde”, zoals dit werd behandeld door de Wereldleraar, voldoende duidelijk omschreven wordt.

Bezit.

“Gij bezit niets werkelijk dan datgene, wat gij gebruikt. Datgene, wat gij niet gebruikt, is niet uw bezit, maar een last u opgelegd. Deel daarom al wat gij bezit met anderen voor zover ge het zelf niet van node hebt. Weest voortdurend bereid uit uw overvloed te geven, maar weest evenzeer bereid uit de overvloed van anderen te ontvangen.”

“Bezit vormt nimmer een recht; het vormt altijd een verplichting. Gezamenlijk kan men bezit op de juiste wijze gebruiken, waar men alleen hiertoe niet in staat is. Werk daarom altijd met uw bezit samen met anderen voor zover u dit mogelijk is. Waar u dit niet mogelijk is, beperk uw bezit tot het punt, waarop ge met anderen tezamen dit bezit kunt beleven.”

Hierop wil ik enkele andere alinea’s laten volgen, die daarmee onmiddellijk samenhangen, ofschoon zij niet over bezit zelf handelen.

“Datgene, wat gij kunt volbrengen is meer waard dan datgene, wat gij bezit. Richt u op uw mogelijkheden, niet op uw bezittingen.”

“Uw kennis heeft eerst, waarde, indien zij kunnen voortbrengen. Daar, waar gij kunde bezit, zal uw kennis voor anderen vruchtbaar zijn. Daar, waar gij kennis bezit doch geen kunde, zult gij daarvan moeten delen voor zover het u mogelijk is om het kunnen van anderen te vergroten. Wie voor zichzelf kunde en kennis behoudt is een dwaas, daar hij ze te gronde richt. Hij echter, die ze deelt met anderen, verrijkt de wereld en maakt voor zichzelf de wereld tot vreugde.”

Naast bezit zijn er natuurlijk heel veel uitspraken ‑ direct of indirect, en dat is begrijpelijk ‑ gericht op de sociale verhoudingen. Ik wil hierbij aanstippen, dat het realisme dat achter deze uitspraken ligt voor sommigen wel eens moeilijk aanvaardbaar is. Maar juist omdat de werkelijkheid wordt aangesproken en niet slechts datgene, wat de mensen prediken, is een overdenking van deze punten ook bijzonder belangrijk.

Sociale verhoudingen.

“Gij zijt niet zonder anderen, zo weest anderen dankbaar voor wat gij zijt. Gij kunt slechts met anderen samenwerken, indien gij vrijelijk geeft van uw kunnen en uw mogelijkheden. Daar, waar men een voorbehoud maakt, zal de samenwerking altijd stranden.”

“Werk niet samen in woorden. Werk samen in daden. De daad brengt werkelijkheid, maar de woorden, die men gezamenlijk spreekt, zijn een begoocheling, waarin men zichzelf verliest.”

“Er zijn geen rangen, klassen of standen buiten die, welke gij zelf creëert. Er zijn geen verschillen tussen mensen dan de verschillen, die de mens zelf constateert en aan zijn wereld oplegt. Schep dan geen tegenstellingen waar gij dit kunt vermijden.”

Gezag.

“Gezag is datgene, wat ons tot samenwerking brengt. Maar alle gezag op aarde is beperkt en kent geen werkelijke rechtvaardigheid. Zoekt gij dan allereerst recht te doen aan uw medemens. Zoek rechtvaardig te zijn t.a.v. de God, die gij erkent en gehoorzaam eerst daarna, voor zover u dit mogelijk is, aan al hetgeen het gezag u oplegt.”

“Weest gezamenlijk gelukkig. Het is beter een mens gelukkig te maken dan een mens een weg te wijzen tot de hemel, die gij juist acht. Want de weg tot het geluk is een onmiddellijke; de wegen, die naar de hemel heten te voeren zijn vage aanduidingen en vaak dwaalwegen.”

“Respecteer al datgene, wat tot het recht van een ander behoort in uw maatschappij. Maar respecteer dit slechts, opdat de ander in hetgeen hij heeft en bezit gelukkig kan zijn.”

“Respecteer echter nimmer regels, wetten of indelingen, als gij ziet dat ze ellende veroorzaken. Want de erkenning van regels, die onjuist zijn, brengt de ellende op deze wereld voort.”

“Bedenk, dat gij leven kunt geven en kunt nemen, maar dat gij nimmer een leven, dat genomen is, hergeven kunt. Doodt daarom nimmer. Indien gedood wordt, tracht hen die lijden te helpen, maar doodt zelf niet.”

“Geweld is het teken van onmacht, want daar, waar harmonie en samenwerking bestaat, is geweld overbodig. Daar, waar harmonie en samenwerking met geweld worden afgedwongen, zijn zij een schijn van de werkelijkheid en dragen zij in zich het gif van haat en verdeeldheid.”

“Veroordeel niemand. Want allen, die gij veroordeelt, zouden ook u kunnen veroordelen, daar gij op uw wijze even schuldig zijt als al die anderen. Tracht uw medemens te begrijpen en te doen wat juist is.”

U ziet, dat hier gezag, wet e.d. worden gerespecteerd voor zover zij niet indruisen tegen de voor het “ik” noodzakelijke en juiste levensweg of in strijd komen met het geluk van uzelf en van anderen.

Moraal.

“De ware zedenleer komt voort uit ons innerlijk besef. Dit betekent, dat zij voor ons allen een eigen interpretatie is van het voor ons mogelijke. Datgene, wat ons het grootste geluk schijnt, ons de grootste kracht geeft en ons steeds dichter bij God doet gevoelen, is de juiste weg. Geloof hen niet, die u zeggen dat zielenheil, eeuwigheid, hergeboorte afhankelijk zijn van het volgen van regels op uw wereld. Zij zijn afhankelijk van het juist leven volgens dat wat ge zijt.”

“Men spreekt van de verplichting van de kinderen tegenover de ouders. Ik zeg u: De ouders hebben meer verplichtingen tegenover de kinderen dan de kinderen tegenover de ouders, want de ouders hebben de kinderen voortgebracht. De kinderen echter leven, omdat de ouders dit wensten.”

“Men spreekt u over de heiligheid van bezit, van leven, van huwelijk. Ik zeg u: Geheiligd zijn deze dingen slechts vanuit uw eigen beleven; maar geen bezit is werkelijkheid.”

“Dood is geen onheil, maar vaak een zegen.”

“De trouw, die men u zegt verschuldigd te zijn aan alle instellingen, is slechts een beroep op uw onvermogen. Want daar, waar gij een reden tot trouw erkent, zal uw trouw groter zijn dan enige wet kan beschrijven. Daar, waar gij slechts getrouw zijt, omdat men u zegt trouw te zijn, verraadt gij uw belofte op het ogenblik, dat ge haar uitspreekt.”

U ziet uit deze beschouwingen van moraal, dat de Wereldleraar zoekt naar een volkomen vrijheid, maar gelijktijdig ook naar een grote waarheid van leven. Deze komt misschien nog scherper tot uiting in hetgeen hij heeft gezegd over:

Godsdienst.

“God is de kracht, die overal leeft. Hij kent geen uitverkorenen en geen verworpenen, doch Hij is in alle leven. Zo zal God in alle leven kenbaar zijn; en alle leven, dat God erkent, zal God eren.”

“Er is geen afzonderlijke weg om God juist te eren. Juist eert men zijn Schepper slechts door de erkenning van diens Wezen en de juiste beleving van wat men zelf in die God erkent.”

“Velen achten zich gescheiden van hun broeder, omdat zij voor hun God een andere naam kennen. Indien zij zouden kijken naar het vele, dat zij gemeenschappelijk aan wijsheid bezitten, zouden zij echter erkennen, dat God werkt in alle dingen, dat God aanwezig kan zijn in alle dingen en dat de broederschap der mensen in God sterker is dan elke verkondiging van een dogma.”

Typerend voor de eigen opvatting van de Wereldleraar zijn de twee volgende citaten:

“Als gij tot God gaat, zo luistert, want Hij is met u. En zo gij luistert, zal Hij tot u spreken. Indien gij tot uw God gaat met luide kreten, zult gij niet verstaan wat Hij u zegt.”

“Als uw God tot u spreekt, antwoordt Hem. Maar bovenal, vraag u af, of gij waar kunt maken wat Hij spreekt. Want ons antwoord op Gods woord moet zijn: de daad, waarin wij verwezenlijken wat God ons zegt.”

Een typerende uitspraak, zoals u bemerkt. God is luisteren. Godsdienst is luisteren naar God. Een zekere bitterheid tegen predikers zou misschien uit het volgende kunnen blijken:

“Velen noemen zich profeten en leggen u in Gods naam lasten op, die gij zult moeten dragen. Zijzelven echter dragen deze lasten niet. Zij, die zich verheugen, wanneer gij lasten draagt, dienen zichzelven en niet de God uit Wiens nam zij voorgeven te spreken.”

U ziet, een zeer typerende uitspraak, waarbij vooral de verdeeldheid van de priesters aanleiding is geweest tot menig bitter antwoord, vooral op datgene, wat men de Wereldleraar vroeg.

Men vroeg hem: “Indien twee priesters zeggen, dat zij weten wat God wil en zij spreken niet gelijk, wie van hen spreekt terecht?” Het antwoord was:

“Indien uw hart u niet zegt waar de waarheid voor u ligt, gaat heen.”

Men vroeg hem: “Moeten wij het gezag van priesters en kerken erkennen?” Hij antwoordde:

“Hij, die het goede in kerken en leringen verwerpt, is een dwaas. Hij, die zich onderwerpt aan de dwaasheid van leraren en kerken, is eveneens een dwaas. Wijs is echter hij, die het goede ervaart en aanvaardt uit alle dingen en werkt, opdat het goede op deze wereld en in alle leven voortdurend bevestigd zij.”

Ik heb nu nog wat charivari voor u. Het zijn spreuken, die eigenlijk het gehele terrein van de Leer omvatten en die ik in een zodanige volgorde heb getracht te stellen, dat ze een aaneengesloten beeld geven:

“Liefde is niet een verwerven, doch een geven zonder vragen.”

“Wie God liefheeft vraagt niet, zelfs niet om eeuwigheid. Hij geeft, omdat het God is.”

“Hij, die de mensen liefheeft, heeft de mensen niet lief om het goede in de mens, maar ondanks het slechte. Hij geeft deze mensen, omdat zij mensen zijn.”

“Wie waarheid zoekt, zal waarheid moeten minnen. Wie de waarheid vreest, zal haar immers ontvluchten. Heb dan de waarheid over uzelf en over anderen lief, maar gebruik haar nimmer als een wapen. Want wie de waarheid als wapen hanteert, hij verwondt met zijn tegenstander ook zichzelf.”

“De werkelijkheid, waarin u leeft, is de eigen wereld. Gij kunt die wereld niet veranderen”.

“Wanneer de vliegtuigen vliegen, wanneer de machines razen, zo zijn ze deel van uw wereld. Tracht ze dan te gebruiken, opdat ze vreugde geven en tracht ze te beletten voor uzelf of anderen brengers van leed te zijn.”

“Uw wereld is vol systemen en in elk systeem schuilt veel goeds. Tracht dan het goede waar te maken en strijdt niet over de waarde van het systeem als geheel. Hij immers, die het goede bevordert, verdrijft het kwade. Hij echter, die het kwade bestrijdt, doodt vaak het goede. Leer goed te zijn.”

“Heb het leven lief, ook als het moeilijk is. Bedenk, hoeveel u is gegeven naast hetgeen gij tekort komt. Bedenk, hoe groot uw kracht is naast al hetgeen gij ontbeert. Heb uw leven lief en leef dan ook uw leven met vreugde. Want hij, die de vreugde ontkent, haat het leven. Wie het leven haat, verwerpt zijn God. Wie zijn God verwerpt, doemt zichzelf tot leed en duister.”

“Spreekt met anderen, indien zij u vragen; maar werk tezamen, omdat gij erkent.”

“Gaat niet uit om te verkondigen, want zij die verkondigen vergeten te werken. Werkt, opdat uw daden verkondigen; duidelijker en luider dan uw woorden kunnen doen, dat de wereld goed is, dat de kracht van de Eeuwige met u is en dat, in alle dingen, zelfs in dood en ondergang, de vreugde van het leven blijft bestaan.”

“Men spreekt u van eeuwigheid en gij zijt eeuwig, maar in uw eeuwigheid zijt gij mens. Wees dan mens, opdat gij eeuwig leert zijn. Tracht niet eeuwig te zijn, want u verliest uw menszijn en met uw mens-zijn uw besef van de eeuwigheid.”

“Gaat nimmer in de strijd. Zij, die willen strijden, moeten hun wegen gaan. Zo zij niet strijden en uw steun van node hebben, steunt hen. Doch zo zij u vragen hen te steunen, opdat zij kunnen strijden. Went u af en ga heen. Want zij die strijden, zijn het die de wereld Zij, die helpen, zijn het die de wereld doen voortbestaan.”

“Gij zijt eeuwig en toch leeft gij op aarde. Maak van uw aarde dan de eeuwige vreugde. Want wat gij u nu ontzegt om later in vreugde te leven, zal u later ontbreken aan de vreugde, die gij verwacht.”

Typerende uitspraken, die alle tezamen u waarschijnlijk kenbaar maken hoe zonderling voor menige moderne mens, ook christen, deze Leer eigenlijk is.

Er zijn daarnaast zeer vele gelijkenissen, die vaak ook alweer onaanvaardbaar zijn van een moralistisch christelijk standpunt. Ik wil daarvan er ook enkele citeren, omdat zij wederom duidelijk maken wat de nieuwe Leer inhoudt:

“De olie wordt binnenkort door een pijpleiding gepompt. Velen roepen nu: Hoe zal ik leven, indien dit geschiedt! Ik zeg u echter: Gij zult beter leven, indien dit geschiedt, als gij blijft deelhebben aan alle dingen. Want de olie beweegt zichzelf, maar het noodzakelijke wordt evenzeer verricht.”

“Arbeid moet worden volbracht. Maar hoe minder arbeid gij behoeft te volbrengen, des te meer tijd gij zult besteden aan het erkennen van uw medemens, aan het beleven van uw God en de vreugden van het bestaan. Dit is de zin van uw leven.” (Dit werd gezegd in Iran.)

Een andere gelijkenis, die mij bijzonder opviel, gaat ongeveer als volgt (ik moet haar helaas wat bekorten):

“Gij kijkt naar het verleden, gij beschouwt de tempels van uw voorvaderen en gij spreekt over een grootheid, die ge verloren hebt. Niet wat uw voorvaderen zijn zijt gij, maar wat ge zelve zijt. Een dwaas is de mens, die wil opgaan voor een examen, omdat zijn vader veel geleerd heeft. Een dwaas is de mens, die rechten vergt van de wereld, omdat zijn voorvaderen groot waren. Gij zijt wat gij zelve zijt en niet anders. Gij hebt in de wereld de mogelijkheid, de kracht, de plaats en het geluk, die gij uzelve bouwt, niet dat wat anderen u geven.”

En in ongeveer dezelfde sequentie:

“Er was een bedelaar. Hij bedelde, ofschoon hij het niet nodig had aalmoezen te vragen. Zij, die dit ontdekten, veroordeelden hem. Maar ik zeg u: Hij had goed gedaan. Want velen voelen zich gelukkig, als zij een ander een aalmoes kunnen geven. Hoe moeilijk is het echter niet de aalmoes van anderen te aanvaarden. Zo zeg ik u: Hij had recht op al wat hij verwierf. Maar zij, die hem veroordelen, voelen zich misbruikt, omdat zij niet de daad die zij stellen tellen, maar slechts de illusie, die zij omtrent hun daad koesteren. Koestert gij illusies omtrent de betekenis van uw daden, gij zult door de wereld worden bedrogen, doch stelt gij uw daden, omdat zij voor u goed zijn, de wereld zal u niet bedriegen.”

Een gelijkenis, die bijna dichterlijk is, stamt uit India:

“Eens wandelden de goden op aarde en zij streden, zoals mensen strijden. Maar ziet, de goden wandelen niet meer op aarde, want zij hebben te veel gestreden.”

“Gij spreekt over strijd. Hoelang zult gij nog op aarde wandelen? Doch indien gij niet strijdt maar bouwt, hoe zal de aarde u ooit vergeten?”

Hier heeft u een aantal voorbeelden van gelijkenissen. Ik geloof, dat ik nu mag afronden met mijn eigen woorden en u een denkbeeld geven van deze nieuwe Leer, zoals zij m.i. ook voor u onmiddellijk van kracht kan zijn.

Leven betekent zoeken naar geluk. Of ge dat geluk in een hiernamaals zoekt of hier op aarde, maakt geen verschil uit. Maar waarlijk gelukkig kunt u alleen zijn, indien u het geluk wint tezamen met anderen, niet ten koste van anderen.

Wie gelukkig wil zijn, zal moeten werken. Maar zijn werk kan slechts een vreugde zijn, indien het een taak is, die hij vrijelijk en vrolijk op zich, neemt en indien hij door de dienst, die hij anderen bewijst, zelf gelukkig is. Je geluk op aarde ligt in de betekenis, die je voor anderen hebt. Maar dit betekent gelijktijdig de harmonie, die je hebt met het leven buiten je. Harmonisch zijn betekent niet de eeuwige gelijkmatigheid zonder contrast. Het betekent het voortdurend uit jezelf en met eigen karakteristiek met anderen samengaan.

Ofschoon God in de leringen van de Wereldleraar een tamelijk ondergeschikte rol schijnt te spelen, is Hij het die voor ons de wet vormt. Hij leeft in ons en uit Hem leren wij wat juist is, maar wij kunnen nooit juist handelen, indien wij een ander onrecht doen. Daarom trachten wij onze dienstbaarheid aan de mensheid, onze vreugde in het leven op aarde te vinden uit het besef van de God, Die in ons leeft. Hij is dan de bron van onze juiste keuze, zodat wij in onze daden altijd weer zin ontdekken.

Vreemd is (tenminste voor de moderne wereld vreemd) dat de Wereldleraar niet spreekt over berouw, over herstellen van gedaan kwaad. Hij gaat uit van het standpunt, dat je op elk ogenblik juist moet trachten te leven. En als je dit doet, zal een eventuele fout in het verleden vanzelf worden hersteld. Hij verwerpt een groot gedeelte van de geldende opvattingen omtrent moraal, en in enkele gevallen wordt hij zelfs bitter, als het gaat om politici of om bepaalde priesters. Hij verwijt hen, dat zij anderen exploiteren onder valse voorwendsels. Zijn denkbeeld is eigenlijk heel eenvoudig;

Als mens ben je geschapen met de mogelijkheden, die God je heeft toegedacht. Die mag je gebruiken, maar je kunt ze alleen juist gebruiken in een begrip voor je medemens. Zolang je je medemens niet schaadt en niemand ongelukkig maakt, kun je eigenlijk alles doen. Maar innerlijk besef je dat sommige dingen je ongelukkig maken en daardoor zul je vanzelf ervan afzien.

De hele wereld moet eigenlijk terug ‑ als we de Wereldleraar horen – naar een zekere primitiviteit. Geen grote groepen, organisaties en grenzen, maar mensen, die voor zichzelf leven. Mensen, die samenwerken in het kleine en daardoor het grote tot stand kunnen brengen. Hij spreekt niet over grote hervormingen en grote plannen, maar over kleine dingen.

Ik geloof, dat juist door deze realistische benadering van het bestaan, waarin overigens heel vaak ook zeer technische gelijkenissen voorkomen (begrijpelijk, de Wereldleraar had een ingenieursgraad, op zeer jeugdige leeftijd verkregen zelfs), hij eigenlijk het moderne leven ziet als een noodzaak; het is nu eenmaal zo. Maar je moet met die moderne noodzaak dan ook alleen maar leven zolang je er gelukkig mee kunt zijn.

Hij vindt, dat de materiële overvloed, die men nastreeft, eigenlijk dwaasheid is. Maar hij meent, dat je de materie niet moogt verwerpen. Je moet met de materie leven en werken, alleen je moet niet proberen er meer van te verwerven en meer mee trachten te doen dan nodig is om gelukkig te zijn. Geestelijke systemen en geestelijke leringen zijn natuurlijk deel geweest van zijn taak. Hij heeft de mens geleerd dat b.v. de kunst om stil te zijn in jezelf van buitengewoon groot belang is. Niet omdat dit stil‑zijn bijzondere verdienste heeft, maar omdat je in die stilte gaat begrijpen wat er in je leeft en wat er in je spreekt.

Hij ziet zelfkennis als een nuchter resultaat van je daden. Dat is begrijpelijk. Het is een herhaling van het oude “aan de vruchten kent men de boom.” Datgene, wat je in de wereld tot stand brengt, kenmerkt duidelijk genoeg wat je bent. Je hoeft je niet afzonderlijk te gaan zoeken. Maar als je die kracht, die in je werkt nu maar zoekt en daarmee leeft, dan wordt het geheel duidelijk. Oorlog, geweld, verwerpt hij. In sommige gevallen zal dit wel moeilijkheden baren, maar aan de andere kant leert hij dat ‑ al moeten we dan niet doden ‑ we ons rustig mogen verweren. We hebben het recht om onszelf te zijn. Zolang we een ander kunnen geven wat die van ons vraagt, moeten we het doen. Maar als dit niet mogelijk is, dan hebben we het volste recht onszelf te verdedigen, mits we die ander niet meer schaden dan noodzakelijk is.

Een eigenaardige instelling, waarin eigenlijk een zekere meewarigheid met degene, die van anderen teveel zou eisen, steeds weer opkomt. Alsof de Leraar wil zeggen: Mensen, begrijp toch eens goed, dat hoe meer je van een ander vraagt, hoe meer je zelf aan last en verantwoordelijkheid krijgt. Degene, die van een ander vraagt, heeft het vaak zwaar te verantwoorden. De meer magische of mystieke kant van de Leer is gebaseerd op een systeem (dat ik u overigens niet zal uiteenzetten, het past trouwens hier in het westen niet helemaal volgens mij) van het vinden van God. Het is, of hij wil terugkeren tot die eigenaardige kracht in het “ik”. “De daemon in mij” zeiden ze in de oudheid al; “het licht in mij” zou je ook kunnen zeggen. Dit is de essentie. De ontmoeting met dit licht is belangrijk. Het is een krachtbron. De mens, die dit licht beseft, zal uit dit licht kracht vinden. Het goede, dat hij wil doen met besef van dit licht, wordt a.h.w. door dit licht versterkt. Hij kan meer dan hij denkt. Een mens ‑ zo schijnt eigenlijk in deze mystieke Leer tot uiting te komen – moet eerst leren aan zijn door denken geschapen begrenzingen te ontkomen, voordat hij waarlijk erfgenaam kan zijn van de goddelijke Kracht.

De leringen van Jezus worden in vele gevallen geciteerd, maar evenzeer treffen wij citaten aan uit de Koran, de hindoeleer, uit het boeddhisme. De Wereldleraar beschouwt kennelijk al die leringen als een totaal van waarheid, waaruit je kunt putten. Maar hij is bijna anarchistisch, als hij zegt:

“Maar uit dit alles kunt gij alleen uzelf zijn volgen uw eigen besef.”

De geboden, zelfs de Tien Geboden vaagt hij eigenlijk een beetje weg. Hij zegt: Die geboden zijn er nu wel, maar ze zijn de omschrijving van dingen, die in jezelf bestaan. Die geboden zijn niet belangrijk. Het is belangrijk, dat je trouw bent aan wat er in je leeft en door deze trouw ontstaat er een rapport met de omgeving, waardoor je eigenlijk zonder aanvallen, zonder kritiek of zonder strijd iets kunt opbouwen.

Hij leert de mens beheersing. Hij zegt n.l. tegen die mens: Je moet nooit ergens aan beginnen, indien je niet het gevoel hebt, dat het belangrijk is. In kinderrijke landen, waar hij werkt, voegt hij vaak nog daaraan toe, dat het slechts dan goed is om nageslacht voort te brengen, indien men kan zorgen dat deze kinderen hun eigen recht in de wereld kunnen vinden. Waarmee hij bedoelt: of zij harmonisch in die wereld kunnen staan. Hij spreekt niet direct over geboortebeperking, dat zou trouwens niet op zijn weg liggen, maar hij maakt wel duidelijk, dat het voortbrengen van kinderen (en deze dan een genade Gods noemen) dwaasheid is. Ze worden pas een genade Gods, als ze medemensen zijn geworden; en dat kunnen ze slechts worden door de ouders. De ouders zijn aansprakelijk voor de kinderen. Het beroep, dat die ouders op de kinderen doen, is vaak eigenlijk overdreven. Zijn hele beeld van de zedenleer is gebaseerd op liefde, op medemenselijkheid. Een kind, dat in zijn ouders medemensen ziet, zal natuurlijk voor die ouders zorgen; daar wordt verder niet over gesproken. Maar als die ouders geen medemensen kunnen zijn voor hun kind, dan moeten ze ook geen eisen stellen.

Naastenliefde is de kern van de hele Leer. Een zeer praktische naastenliefde overigens, die alleen daar moeilijk wordt, waar hij steeds weer zegt: Het is geven zonder te vragen. U moet niet vragen: Wat krijg ik? U moet vragen: Wat kan en wat wil ik geven? Geven is de grote vreugde, volgens hem. Hij leert dan ook, dat het geven een zekere magische kracht heeft, een sacramentale kracht bijna.

Ik wil hier nog enkele van zijn woorden citeren om dit duidelijk te maken. Hij zegt bv. ergens in de Punjab:

“Indien gij waarlijk uw medemens zoekt zonder te letten op verschillen, zult gij vreugde vinden, omdat uw medemens u verstaat. Daar, waar gij let op de verschillen, zal uw medemens u niet verstaan en gij zult eenzaam en zonder antwoord u beklagen.”

Typerend alweer, dat hij kennelijk in de eerste plaats zegt: Mensen, het is nu wel goed om vroom te zijn, maar je moet niet letten op de verschillen, maar op de overeenkomst, want anders ben je eenzaam.

Ten laatste nog iets, wat hij leert en dat ik hier nog aan toe wil voegen:

“Wie een huis wil bouwen, begint een steen te vormen. Wie een boot wil bouwen, begint hout te zoeken. Wie een leven wil bouwen, zoekt de kleine dingen, waaruit het levensgeluk kan opbloeien. Maar hij, die het grote zoekt, zonder het kleine te achten, hij zal voortdurend ongelukkig zijn en in zijn ongeluk anderen meesleuren, tenzij die anderen hem begrijpen en het geluk brengen en geven wat deze mens zelf niet kon vinden.”

Hier heeft u de nieuwe Leer tamelijk concreet en overzichtelijk samengevat. Wij zullen die nieuwe Leer en delen daarvan in de toekomst ongetwijfeld uitgebreider gaan verkondigen, maar deze eenvoudige, korte inleiding geeft u de basis van alles.

U zult zeggen: Het is in de praktijk zo moeilijk. Maar dat komt omdat u een aanwijzing wilt hebben. De enige aanwijzing, die u kunt krijgen ‑ zo zegt de nieuwe Wereldleraar ‑ is wat je in jezelf weet en voelt. Hij maakt duidelijk, dat het geen zin heeft anderen te kritiseren, te zeggen wat ze verkeerd doen, tenzij ze je om hulp vragen. Hij zegt: Hoe meer je een medemens kritiseert, des te groter het aantal fouten zal worden dat hij maakt. Probeer dus nu maar zelf het beste te doen en als die ander je hulp vraagt, help hem om het beter te doen. Dat is het beste. Een levensbeschouwing, die voor u nogal onpraktisch lijkt.

Geen juiste, scherpe wetten. Geen vaste regels, maar de mogelijkheid om uw eigen regels te stellen. Juist het stellen van je eigen regels in het leven, met een absoluut respect voor elke medemens, is toch geloof ik ook wel de essentie van de komende periode. Het zoeken naar dit zelf‑leven volgens eigen besef, volgens eigen regels, zonder anderen te schaden, is datgene wat velen op dit moment zouden willen vinden, maar waarvoor ze nog geen weg hebben gevonden. Dit is een weg. Beschouw het niet als een garantie voor een eeuwige zaligheid. Het is alleen een weg tot juist leven. Al datgene, wat de eeuwigheid meebrengt, vloeit voort uit wat u nu bent.

Als men de Wereldleraar vraagt over sferen en over hergeboorte, dan geeft hij wel antwoord, maar hij haalt eigenlijk zo’n beetje de schouders op, alsof hij wil zeggen: Mensen, waarom maak je je bezorgd over die dingen, terwijl je nu zoveel te doen hebt?

Ik meen, dat deze omschrijving van de nieuwe Leer voor een praktische, persoonlijke mogelijkheid tot juist leven de beste is, die ik kan geven. Dit is geen godsdienstige leer, waarin u nu maar moet geloven. Het is een denkwijze, waaruit een leefwijze voortvloeit.

Probeer deze dingen te overdenken. Misschien dat u dan de juiste manier van leven vindt. Voor de juistheid van al wat ik heb geciteerd in deze inleiding kan ik volledig instaan.

**********************

*  U noemde als bron de Punjab. Wilt u mij zeggen wat dat is?

Ik noemde dat niet als bron, maar als omgeving of provincie waar die woorden werden gesproken. De Punjab is een provincie van India. U kunt die op de kaart vinden als u kijkt bij Lahore, een tamelijk grote stad.

*  Er is ons vroeger al aangekondigd de geboorte van de nieuwe Wereldleraar op 5 februari 1962 uit eenvoudige boerenouders in het Midden‑Oosten. Welke taak wacht deze persoonlijkheid in verband met deze hernieuwde Leer?

Ik zou zeggen, dat u dit kunt vergelijken ‑ al is het misschien niet helemaal zuiver ‑ met het werk van Johannes de Doper: het scheppen van een bepaalde richting door de Wereldleraar, wiens leer wij nu bespreken. De nieuwe Wereldmeester krijgt dan ongetwijfeld als taak om daaraan een uitvoering te geven en er een mystieke vormgeving voor te vinden. U kunt daarop echter niet al te ver vooruit lopen, want u moet één ding niet vergeten: Wat er in zo’n leven gebeurt, kun je niet vooruit zien. De taak, die is opgelegd, is er een van: de mensheid een nieuwe denkbasis voor het Aquarius-tijdperk te geven; in ieder geval voor een periode van weer ruim 2000 jaar.

Maar hoe zal dit gebeuren? Op welke wijze? Eén ding is echter zeker; het zal niet te vergelijken zijn met bv. het optreden van Jezus of van Mohammed. Want elke tijd stelt zijn eigen eisen; en elke tijd heeft ook weer zijn bijzondere mogelijkheden. Ik meen wel te mogen veronderstellen, dat de revolutie van de geestelijke wetenschappen mede sterk zal worden bevorderd door de taak, die deze nieuwe Wereldmeester op zich neemt. Veel verder kan ik daarop helaas niet ingaan.

*  Uw naaste is uw nevenmens. Bedoelt u met nevenmens ieder ander levend menselijk wezen? Hoe kan men die allemaal helpen? Is het niet beter volledige hulp te bieden binnen mijn eigen beperkingen dan halve hulp buiten de grenzen van mijn kunnen?

Ik heb niet gebruikt nevenmens, maar evenmens; Het scheelt maar één letter. De evenmens is dus degene, die evenzeer mens is als uzelf. Uw evenmens is dus elke mens, die u als zodanig kunt ervaren en erkennen. Ervaren en erkennen houdt in een contact; en dat betekent dus dat u in de eerste plaats altijd zult moeten streven naar het helpen van degenen, die u zelf kunt helpen.

De Leer, die ik u heb voorgelegd, is ‑ zoals ik reeds opmerkte – een beetje anarchistisch. Ze heeft kennelijk niet veel op met organisaties. Ze ontkent het recht van bestaan ervan niet, maar ze beschouwt ze eigenlijk als overbodig. Ik geloof, dat dat alleen mogelijk is, indien wij aannemen dat al hetgeen er over de naaste (laten we het zo maar noemen) wordt gezegd in de eerste plaatsbetrekking heeft op de persoon met wie u werkelijk contact hebt, met wie u in relatie staat. Uw naaste is de mens, die u als zodanig erkent, waarmee u dus verbinding hebt. En in dit opzicht geloof ik dus wel, dat de conclusie heel juist is, dat je beter goed kunt doen aan een paar mensen, die je dan werkelijk en persoonlijk kunt helpen in je eigen omgeving, dan dat je je druk gaat maken over het lot van miljoenen die je niet kent, waarvan je geen voorstelling hebt en waarvan je de werkelijke nood en mogelijkheden eigenlijk ook niet kent. Die kun je toch niet helpen. Om het eens eenvoudig te stellen:

Deze leer is een “do it yourself christendom”. Met andere woorden: geen instanties, geen hiërarchische verbindingen of wat dan ook. Gewoon: ikzelf, mijn Goden mijn erkenning van wat juist is. Dat betekent dus ook, dat je het zelf moet opknappen. En als u dan even wilt helpen, dan moet u dat weten. Maar dan moet u er maar heen gaan.

*  Wilt u nog wat dieper ingaan op de persoonlijke vrijheid van ieder mens, ook in verband met het bieden van hulp?

Een persoonlijke vrijheid voor iedere mens houdt in, dat iedere mens het recht heeft, doodgewoon het recht heeft, om te doen wat hij zelf juist acht. Nu behoeven wij dat met een ander natuurlijk niet eens te zijn. Wij kunnen tegen iemand zeggen: Roken is slecht; dus ik verbied je om te roken. Dat is heel mooi, als de ander het daarmee eens is. Maar als u die ander nu zijn sigaar, sigaret, pijpje, misschien een borreltje of wat anders gaat afpakken, dan is dat verkeerd. Als u een medemens wilt helpen, is dat heel aardig maar dan moet u wel begrijpen, dat hij het ermee eens moet zijn. Anders gaat het u als dat padvindertje, dat een oud dametje over de straat bracht om zijn goede daad te doen. Ze moest helemaal niet aan de overkant zijn! Dat is ook alweer: hulp, zorg voor de naaste is iets wat je niet moet opdringen. Dienst verlenen, hulpverlenen is geen kwestie van zelf gezag uitoefenen, maar alleen van het scheppen van de mogelijkheid voor de ander om van die hulp gebruik te maken. En dat is iets anders. De persoonlijke vrijheid van de mens gaat dus heel erg ver, als je het goed bekijkt. Als ik iemand zie ‑ en dat is misschien een heel gek voorbeeld ‑ die zelfmoord wil plegen, dan mag ik heus wel voorkomen, dat hij in die eerste poging slaagt, want misschien weet hij niet wat hij wil doen. Misschien handelt hij in een affect of zo. Maar als hij overtuigd is dat dit voor hem de enige uitweg is, dan kunnen we dat betreuren, maar we hebben niet het recht om dat die mens te verhinderen.

Iets anders is het, indien iemand een ander wil neerschieten. Dan heeft u het recht om hem zijn wapen te ontnemen, want hij tast een ander aan. U helpt dan ook het slachtoffer. Maar indien die mens dus ervan overtuigd is dat hij toch moet doden, dan kunt u alleen maar zeggen: Ik zal beletten te doden, waar ik kan; meer niet. Dan moogt u dus die ander niet zelf doden, omdat hij toch gevaarlijk is en blijft doden. Het is in die hele Leer eigenlijk de moeilijkheid, voor zover als ik dit kan zien t.a.v. de nu geldende maatstaven en methoden, dat er niemand is, die voor u kan beslissen; en dat u ook niet moogt verwachten dat u voor een ander kunt beslissen. Dat gaat pas op het ogenblik, dat die ander u het recht verleent om te beslissen; en dan nog alleen in zoverre als de ander die eindbeslissing misschien wil aanvaarden.

Er zitten heel veel van die facetten in, die op het eerste gezicht een beetje vreemd aandoen. Als ik dingen wil doen (stelen bv.), die tegen de gangbare zedenleer ingaan, dan mag ik dat doen, indien ik voel dat dat goed is. Ik moet de consequenties ervan wel aanvaarden. Maar indien een ander wil stelen, mag ik hem dat niet zonder meer beletten. Je mag niet tegen die ander zeggen: “Je mag niet stelen.” Je kunt hoogstens zeggen: “Denk erom, als je steelt, dan gebeurt er dit of dat.” Dat is dus een manier van helpen, die wel mogelijk is.

De belangrijkste factor is hierbij eigenlijk dit: dat je dus nooit een ander bepaalde rechten toestaat, bepaalde verwachtingen doet koesteren, die niet waar zijn. Je moet eerlijk blijven. Voor jezelf geldt dus, dat je alle dingen moogt doen, maar dat je daaraan geen reactie van anderen als een verplichting mag verbinden; bv.: ik help u, dan moet u mij morgen ook helpen, of u moet tenminste zeggen, dat ik een goed mens ben. Die verwachting moogt u dus niet koesteren. Deze vrijheid is eigenlijk wel heel erg groot. Zij kan ‑ naar ik meen ‑ eigenlijk alleen zo groot worden gesteld, omdat degene, die dit systeem aanvaardt, ook gelijktijdig God als een soort rechter in zich aanvaardt.

*  Iemand die bv. wil moorden, moet je die dan niet beletten om maar hier en daar te gaan moorden?

Indien iemand wil gaan moorden en u ziet dat, dan moet u zorgen dat hij dat niet kan doen; dus dat hij die moord niet ten uitvoer kan brengen Maar u heeft niet het recht om hem daarvoor te vermoorden. Het gaat dus wat verder. U moogt aan iedereen bekend maken, dat die mens wil moorden, maar u moogt niet tegen de ander zeggen: Omdat jij wil moorden, moeten we je ergens opsluiten. Doodgewoon, laten de anderen weten wat het gevaar is, dan moeten ze daarmee op hun eigen wijze maar klaarkomen.

*  Ook kleine kinderen?

Kleine kinderen zijn niet in staat om daarover na te denken, als ze werkelijk klein zijn; en dan valt dus de verantwoordelijkheid aan de ouders toe. Maar zodra het kind zelf kan reageren en weet wat het moet doen (dus in de maatschappelijke toestanden een beetje thuis is), dan geloof ik dat je ook dat kind rustig zijn eigen risico moet laten nemen. Waarschuwen, maar laat het dan zijn risico nemen.

*  Wat is het verschil tussen een Wereldmeester en een Wereldleraar?

Onder Wereldmeester verstaat men een van de Meesters, die in stoffelijke vorm op de wereld werkzaam is. Onder een Wereldleraar verstaat men elke in de stof levende mens of vanuit de geest via een mens misschien werkende entiteit, die een voor de gehele wereld geldende leer brengt. Beiden zijn over het algemeen zeer hoge geesten. Maar waar de Wereldleraar de leer brengt, zal de Wereldmeester de praktijk brengen. Hij leeft dus a.h.w. wat een Wereldleraar als stelling brengt. Daarin ligt het grote verschil.

*  U zei, naar ik meen, dat de nieuwe Leer van de Wereldleraar juist is. U bedoelde toch juist alleen wat deze tijd betreft?

Ik heb in mijn inleiding gezegd, dat ik voor de juistheid van al hetgeen ik uit die Leer citeer insta. Dit is zo, dat is waar. Ik heb daaraan toegevoegd (hoe u daarover wilt denken, moet u zelf weten), dat ik geen tittel en geen jota aan de betekenis van hetgeen de Wereldleraar heeft gebracht, heb veranderd. U kunt nu zeggen: Is die Leer juist? Die Leer is inderdaad juist, volgens mij. Het is ook geen Leer, die alleen voor déze tijd juist is. Het is een Leer, die altijd juist is, als er maar wezens zijn die ver genoeg gevorderd zijn in hun erkenning van de materie en ook van zichzelf om in staat te zijn een dergelijke leer te begrijpen en in praktijk om te zetten.

*  Betekent dat, dat de Leer 2.000 jaar geleden nog niet juist was?

Dat betekent, dat de Leer 2.000 jaar geleden even juist was, maar dat zij in een dergelijke vorm niet kon worden gebracht, omdat de mensen in heel andere omstandigheden leefden (zullen wij zeggen minder erudiet waren) en dus niet in staat zouden zijn geweest om een dergelijke, niet in wetten en regels geformuleerde Leer, zonder meer te accepteren. Een goed bewijs hiervoor mag het christendom heten. Jezus brengt n.l. ook geen wetten, regels en voorschriften. Hij brengt een leefwijze en een denkwijze. Maar hij moest dit al concreter doen dan deze nieuwe Wereldleraar dit behoeft te doen. En Jezus was nog niet weg, hij had zijn hielen nog niet gelicht, of er waren al mensen druk bezig om er een systeem van te maken, waaraan men iedereen kon onderwerpen.

De systeemloosheid, de algemene vrijheid, die nu wordt gepredikt, is iets wat vroeger niet zou hebben aangesproken. Vroeger was bv. de kwestie van beloning erg belangrijk. Jezus probeert de dan heersende begrippen (oog om oog tand om tand) aan te tasten door o.m. de gelijkenis van de Verloren Zoon, van de Arbeiders in de Wijngaard en van de Rentmeester, om zo duidelijk te maken dat het niet gaat om het zich houden aan de wet, maar om het bereiken van een resultaat. Dat het niet gaat om het juist leven volgens ieders opvatting, maar om het bereiken van een erkenning.

De Verloren Zoon betekent voor de moderne christen alleen, dat als iemand nu maar nederig zegt, dat hij heeft gezondigd, je hem wel weer kunt binnenhalen; maar hij is en hij blijft een verloren zoon, als u begrijpt wat ik bedoel. En dat heeft Jezus zeker niet bedoeld.

Met de arbeiders in de Wijngaard gaat het om het feit, dat de meester van de wijngaard een ieder beloont en dat hij de arbeiders van het laatste uur en degenen, die de gehele dag hebben gewerkt, gelijk loon geeft. Dat doet degenen, die vroeg op de dag zijn begonnen, onmiddellijk sputteren, want zij krijgen het loon dat ze hebben gecontracteerd en de anderen krijgen dus veel meer, dat is onrechtvaardig. Jezus zegt: Daar heb je niets mee te maken. Het is de leer, die bepaalt wat je krijgt. Je kunt een loon overeenkomen, maar als een ander nu meer krijgt dan dat, omdat hij het niet is overeengekomen, dan is dat de zaak van de meester en niet van jou. Je hebt geen rechten in vergelijking met anderen, maar alleen rechten door wat je zelf doet en bent.

Op deze manier probeert hij dus een aantal opvattingen omver te werpen, die in zijn tijd toch wel algemeen gangbaar waren. Ik geloof, dat hij daarin overigens maar ten dele is geslaagd.

*  Maar als wij nu aan een topleer toe zijn die juist is, betekent dat dan dat wij een topniveau hebben bereikt?

Het spijt me u te moeten teleurstellen. Het betekent alleen, dat u een leer als basis voor verdere ontwikkelingen kunt verwerken zonder haar helemaal te verwezenlijken. Die leer gaat verder dan de evangelische leer, ofschoon zij dezelfde waarheid uitdrukt; en dat houdt in, dat u de christelijke misbruiken, die in deze tijd bestaan, misschien kunt vergeten om in de toekomst daarop uw eigen misbruiken te bouwen in verband met deze leer. En als de mensen dan weer zoveel rijper zijn geworden na zoveel jaren, dan is weer een nieuwe zienswijze mogelijk. Deze zal weer gebaseerd, zijn op de resultaten van het verleden en daardoor vaak eenvoudiger zijn. Ze zal meer de vrijheid van de eenling prediken en gelijktijdig de nadruk leggen op de verbondenheid, die je zelf moet voelen met het totaal van de mensheid, de geest en God. U ziet het, het is eigenlijk helemaal geen top. Het is alleen een volgende fase. U bent wel overgegaan met de hakken over de sloot naar een volgende klas, maar u bent nog lang niet aan het eindexamen toe.

*  Het is mij opgevallen, dat duizenden in alle eeuwen al naar deze regels hebben trachten te leven en dat zij op zichzelf dus geen nieuwe confrontatie voor ons vormen. Wat mij echter het grootste probleem van deze Leer lijkt, is de oplossing hoe hiermee te leven in een nagenoeg volstrekt tegenstrijdige samenleving. Wat heeft de Wereldleraar hierover nog speciaal gezegd?

Ja, speciaal op uw vraag heeft hij natuurlijk geen antwoord gegeven. Maar er zijn wel enkele citaten te vinden (ook voor de juistheid hiervan sta ik in), die wel enig licht hierop werpen. Eén ervan is deze:

“Tracht niet het leven van anderen te regelen en vermijd dat men uw leven regelt in die punten, welke belangrijk zijn.”

Dat is dus kennelijk een uitlating, waarmee hij heeft bedoeld: U leeft nu wel in een maatschappij, die alles wil regelen, houdt u aan die regels, voor zover het niet belangrijk is, maar voorkom dat men u in voor u belangrijke punten gaat zeggen wat u wel en wat u niet moet doen. Ga uw eigen weg ondanks alles. Maar hij zegt ook: Denk erom, dat je niet probeert het leven van anderen nu voor hen te gaan regelen. Met andere woorden: Wilt u in deze maatschappij proberen de Leer in toepassing te brengen, dan geldt voor u het respect voor uw medemensen, ook al leven zij volgens regels, die u als niet juist ziet. Handel niet volgens hetgeen zij menen, maar volgens hetgeen u zelf als juist erkent.

Ga verder zo in het leven te werk, dat u anderen helpt hun vrijheid te vinden waar dit nodig is, zonder dat u hen aan regels tracht te binden of zelfs maar uw eigen visie op te leggen. Uit de citaten, die ik u reeds in mijn inleiding heb gegeven, blijkt dan verder dat het niet de bedoeling is dat u anderen die Leer gaat prediken, maar eenvoudig dat u volgens die Leer zo goed mogelijk leeft. De manier, waarop u dan met anderen kunt samenwerken en anderen zult gaan begrijpen, is de basis voor de verkondiging en de verbreiding.

Jezus zegt: “Ga uit en verspreidt de boodschap”. Deze Wereldleraar zegt: “Maak de boodschap waar zo goed je kunt en help dan anderen, indien zij dit wensen, om diezelfde waarheid te leven”. Dat is dus een andere versie ervan.

*  Zijn er hier in Holland al andere informatiebronnen dan de uwe beschikbaar, die ons tot deze Leer en de identiteit van de Wereldleraar kunnen voeren? Is er een naam, of een richting, die ons op het spoor kan zetten, zonder detectivewerk te doen?

Wat betreft de identiteit, geloof ik niet dat u veel sporen zult vinden, hetzij bij ons of bij anderen. Maar in verschillende groepen van deze geaardheid (spiritistische en spiritualistische groepen) wordt deze boodschap inderdaad in Nederland uitgedragen. De wijze waarop, kan misschien iets verschillen van de manier waarop wij dit doen, maar de verkondiging vindt betrekkelijk algemeen plaats op dit ogenblik. Zelfs dit onderwerp, dat overigens (uw bestuur zou het u kunnen bevestigen) door ons is gepland juist voor deze periode van het verenigingsjaar coördineert met een aantal andere groepen, die soortgelijke lezingen, predikingen of hoe moet je het noemen, op hun eigen wijze geven en ook in den vervolge verder zullen geven.

*  Dus is er nog niet een uit het Oosten overgekomen spreker of groep, die van een meer directe verbinding getuigt?

Er zijn wel mensen gekomen uit het Midden‑Oosten en zelfs uit India, die in de laatste tijd deze denkbeelden hebben verbreid. Maar vergeet één ding niet: Deze denkbeelden worden verbreid zonder bronvermelding. En dat is heel begrijpelijk, omdat het stellen: “dit is een nieuwe wereldleer”, juist voor mensen, die op aarde leven zou betekenen dat zij het geweld van alle kerken en rechtgelovigen tegenover zich zouden vinden, terwijl de Leer op zichzelf nu misschien toch wel aanvaardbaar wordt geacht.

*  Zal deze Leer stand houden, wanneer straks de Wereldmeester zijn Leer heeft uitgebracht, of zal het in elkaar versmelten?

Zij zal de basis vormen van ‑ om het heel mooi te zeggen – de tempel, die de Wereldmeester tracht te bouwen voor de Geest Gods in het rijk van de menselijke geest.

*  Heeft de Wereldleraar nog uitspraken gedaan omtrent overlast, hinder en dulden van ergernissen door de omgeving veroorzaakt, waaraan zovele mensen bv. door woningnood niets kunnen doen?

Hij heeft daarover natuurlijk geen directe uitspraken gedaan, maar uit het geheel van mijn inleiding blijkt reeds dat het bezorgen van overlast aan anderen als absoluut verkeerd wordt beschouwd. Wat betreft het dulden van overlast: Natuurlijk zult u dit zoveel mogelijk dulden, tenzij een directe aantasting van uw persoonlijk geestelijk leven, uw geestelijke gezondheid, uw geestelijke vrijheid vooral, daarvan het resultaat is. Dan moet u trachten daarin verandering te brengen, zonder anderen de rekening ervoor te laten betalen. Dat blijkt dan heel vaak wel mogelijk.

*  Kunt u een enkele sleutelstelling van de Wereldleraar geven omtrent de metafysische achtergronden, die leiden tot de formulering van de stellingen omtrent zelfontwikkeling? Ik refereer aan wat u ongeveer zei. Deze zijn voor het westen misschien op zichzelf niet geheel begrijpelijk.

Ik zal proberen u een beeld. ervan te geven, maar ik weet niet of dat zal aanslaan. Ik vertaal dit dan maar; een begripsvertaling dus.

“God is eeuwigheid. Eeuwigheid is de bron van alle tijd. God is de bron van alle leven. God weerkaatst Zich in alle leven. Alle leven kan eerst zichzelf waarlijk vervullen, indien het God ‑ zo Hij Zich spiegelt in dit leven ‑ weergeeft.”

Dit is de basisstelling. Het is dan ook heel begrijpelijk, dat ook de verdere basis van het geheel uitgaat van het standpunt: Daar, waar wij zijn en zo wij zijn, bestaan wij krachtens God, Die in ons leeft. Daarom zullen wij, zoals wij zijn en waar wij zijn, die God zoals wij Hem beseffen moeten waarmaken, omdat wij alleen op deze wijze in de tijd a.h.w. de eeuwigheid waarmaken, in de mens God waarmaken en zo vanuit de beperking van een persoonlijk besef de kracht van de eeuwigheid in onszelf gaan uitdragen. En als een evenbeeld of een projectie van God zouden we misschien kunnen zeggen: de goddelijke Wil vervullen. Dat is de stelling dus, dat de mens, die de goddelijke Wil vervult hierin zijn grootste geluk vindt; dat vreugde en wilsvervulling van het Goddelijke voor de mens als het ware identiek zijn. Een beetje moeilijk om dat allemaal over te zetten, want het werd nogal symbolisch gezegd.

*  Zijn er uitspraken omtrent huwelijk, liefde en seksualiteit van hem bekend, daar ook de sfeer hiervan een probleemgebied in het westen vormt.

Dan komen we helemaal op een terrein, waar het moeilijk is om het voor u op een aanvaardbare wijze uit te drukken.

Elke mens is naaste ‑ of hij nu man is of vrouw. Waar men elkander erkent en samenwerkt (en dat is dus niet beperkt) op de juiste wijze, is die samenwerking op zichzelf goed, indien beiden daarin ook iets hogers zien.

Zo zou men kunnen zeggen. Huwelijksliefde en huwelijkstrouw moeten dus niet voortkomen uit seksualiteit. Ze moeten voortkomen uit een gemeenschappelijk besef, waarvan de seksualiteit eventueel de uitdrukking is. Seksualiteit op zichzelf is gewoon een vreugde‑element in het leven en als zodanig kan ze dus haar functie hebben, kan ze nuttig zijn, maar ze wordt helemaal niet beschouwd als iets exceptioneels.

De stelling van de Wereldleraar is, dat de mens die eet ook uitwerpselen laat vallen; dat eten en drinken, ademhalen delen zijn van het menselijk bestaan en de menselijke natuur; en dat wat u seksualiteit noemt evenzeer een deel is van die menselijke natuur, een normale en natuurlijke functie. En zoals men moet eten, zo zou men dus ook kunnen zeggen, dat die seksualiteit op een gegeven ogenblik naar voren komt. Maar die dingen hebben op zichzelf dus eigenlijk pas zin, indien ze worden ingepast in het begrip en de uiting van God, zoals Hij in u leeft. Dat geldt voor het eten, voor het drinken, voor het ademhalen en voor de seksualiteit. Wij moeten die dingen betekenis geven door het hogere dat we daarmee uitdrukken.

Wat betreft de kwestie van nageslacht uit die seksuele contacten; hij stelt kennelijk dat degene, die nageslacht voortbrengt, daarvoor aansprakelijk is. Dit blijkt o.m. uit wat hij heeft gezegd t.a.v. de eerbied, die de ouders van hun kinderen menen te mogen vergen. Neen. De ouders zijn dienstbaar aan het kind. Dus daaruit blijkt ook wel weer dat hij zegt: Waar nageslacht voortkomt, is de verplichting voor de kinderen te zorgen. Dat is uit de daad voortgekomen en dan moet je proberen uit het kind de evennaaste; een medemens te maken.

Ik meen, dat dit voldoende duidelijk is en dat men daaruit kan concluderen, dat hij het huwelijk op zichzelf eigenlijk onbelangrijk vindt. Maar dat hij de gedeelde verplichting tegenover het kind wel degelijk belangrijk vindt als een onvermijdelijk iets, dat voortkomt uit de vervulling van je liefdevolle dienstbaarheid, die aanwezig moet zijn in het leven en dat ook deel moet zijn van je vreugde in het leven. Ik geloof, dat de huwelijkstrouw, die als een seksuele trouw wordt uitgelegd voor de wereld eigenlijk van weinig belang is, maar dat de huwelijkstrouw, voor zover zij de gezamenlijke aansprakelijkheid voor het nageslacht betreft, zeer zwaar telt.

Dan wil ik nu graag besluiten.

Ik heb getracht om u in een concrete, korte vorm voor te leggen wat eigenlijk voor een deel de basis wordt van onze verkondiging of ons werkprogramma voor de komende tijd. Indien u het goed naleest, zult u zien dat wij soortgelijke denkbeelden de laatste jaren reeds hebben gepredikt. Maar daarom juist heet dit onderwerp ook: De nieuwe Leer opnieuw verkondigd. Er is n.l. reeds meer over gesproken. Er is meer van gezegd, en als u nazoekt wat er al eens over is vastgelegd ‑ alleen in uw eigen kring ‑ dan zult u zien, dat dit een tamelijk omvangrijk geheel is. Wat wij op het ogenblik nodig hebben is een basis van waaruit wij kunnen bouwen; een soort samenvatting, die dan niet een leerstuk of een wet is, maar die een uitgangspunt kan zijn voor een eigen benadering van het leven, van de moderne wereld, van het eigen “ik”. De krachten, die werkzaam zijn, hebben deze Leer op aarde toegestaan. Haar vormgeving is uit de aard der zaak op aarde ontstaan, maar de essentiële boodschap daarin maakt toch wel deel uit van een kosmisch plan; een plan voor de ontwikkeling, voor de bewustmaking van de mens.

De mens krijgt zeker nog heel wat schokken te verwerken, o.a. met zijn homocentrisch denken en met zijn mundocentrisch denken. Hij zal dus op een gegeven ogenblik ongetwijfeld behoefte hebben aan een visie, waarin hij zichzelf kan hervinden. Dit zijn de eenvoudige grondslagen. Om die mens de mogelijkheid te geven geestelijk verder te komen, om te komen tot een nieuwe beleving van de sfeer, van hogere krachten, komt dan een nieuwe aanvulling (of uitwerking van deze leer) door een van de grootste entiteiten van dit tijdperk.

Als die Leer wordt verkondigd, zal zij ongetwijfeld op een heel andere wijze worden uitgedragen dan de leer, die op het ogenblik actief is. Maar vergeet u niet, dat ‑ o.m. in de wijze waarop bepaalde coöperatieve gedachten, bepaalde schijnbaar toevallige samenwerkingen van mensen zijn ontstaan in het Verre en het Nabije Oosten, maar langzaam maar zeker ook, zij het nog minder bewust en beseft in het Westen ‑ wordt aangetoond dat de Leer, die ik u geef, in feite meer invloed krijgt; dat de basis aanwezig is.

Het gaat er niet om een nieuwe leer te brengen, die de mensheid overrompelt. Het gaat erom de mensheid in de verwarringen van deze tijd, in het teloor gaan van zoveel waarden die in het verleden misschien reeds zijn verkondigd, te helpen, terug te brengen tot die eenvoud, waarmee ze de complexiteit van haar eigen wezen en samenleven, haar bestaan en haar geloof en haar twijfel aan kan.

De Wereldleraar heeft daartoe, geloof mij, zeer veel bijgedragen. Het is duidelijk, dat een afronding van dit systeem niet al te lang op zich kan laten wachten. Ook dit is bekend bij ons. Wij weten, dat die afronding over enige tijd zal plaatsvinden. Maar u heeft een basis gekregen, een basisidee. U zult voor uzelf moeten uitmaken wat het voor u betekent. Denk er wel om: het zegt niet, dat u op een bepaalde wijze moet leven, maar wel dat u op een bepaalde wijze in de wereld moet staan. Dit systeem zegt u niet wat de grote waarheid is en wat onwaar is, maar het zegt u de essentie te zoeken, die in alle dingen aanwezig is. Zij maakt u niet de meerdere of de mindere van anderen, maar geeft u de richtlijn hoe u de vreugde in het leven kunt vinden door vrijer tegenover dit leven te staan en gelijktijdig zelf bewust en in zekere mate dienstbaar te zijn. Het is daarom dat wij dit onderwerp zo belangrijk achten. Het is daarom dat ik hoop, dat u ‑ zeker de inleiding ‑ maar ook een deel van de belichtende antwoorden later nog eens zult kunnen bestuderen en dat u daaruit uw eigen conclusies kunt trekken.

Ik kan namens de Orde hieraan toevoegen, dat wij op elke vraagavond volledig openstaan voor alle vragen in verband met dit onderwerp, behalve identiteitsvragen, waarop in geen geval een antwoord zal worden gegeven. Ik kan u verder verzekeren, dat de Orde der Verdraagzamen meent in deze Leer een mogelijkheid te vinden om verdraagzaamheid op aarde te bevorderen, maar meer nog om menselijk geluk te bevorderen. Want het is dwaasheid dat de mens het geluk, dat God hem geeft, verwerpt om Gods gunst te verkrijgen.

Ik geloof, dat ik hiermee mag besluiten. Zo u een heel korte, maar belangrijke zin zoudt kunnen onthouden, bedenk dan dit:

Hij, die niemand schaadt, misbruikt zijn vrijheid niet.

Hij, die vrijwillig dient, dient het best.

Hij, die verwerpt en veroordeelt, tast ook zichzelf en zijn vrijheid aan.