Nieuwe mystiek

uit de cursus ‘Mystieke ontwikkeling – (Hoofdstuk 2)

Is in de oudheid de mystiek het resultaat geweest van een mechanisch aanvoelen van eigen onvolmaaktheid. In de nieuwere tijden is het zoeken naar eenheid langzaam maar zeker een kwestie geworden van innerlijke waarden. De werelden van geesten en goden worden in de mystiek steeds onbelangrijker. Daarentegen krijgt een steeds belangrijker plaats het ‘ik’ zelf. Dit zoeken in het ‘ik’ is de ware esoterie en vormt op de duur een reeks van mystieke scholingen en gebruiken. De esoterie kan dan ook de kern van al deze scholen genoemd worden, n.l. het inwendig schouwen.
Wanneer wij zoeken naar mystieke beleving, komt daar voor de mens het volgende aan te pas: Ten eerste het denken. De gedachte moet gericht zijn op een vergoddelijking van het ‘ik’ met de buitenwereld, maar ook op een (er)kennen van de eigen drijfveren van het ‘ik’. Eerst wanneer men weet waarheen men streeft, wanneer men een redelijk inzicht heeft in de wijze, waarop men tracht te streven, kan gesproken worden van een mogelijke bewustwording. Daarbij blijkt echter dat ook een tweede invloed zeer sterk mee­ speelt. Dit is het gevoel, dat wordt aangevuld door inspiratieve krach­ten, innerlijke belevingen. Deze laatste zijn niet uit te drukken in woor­den of zelfs maar in klanken. Men komt er dan ook toe om vooral het sym­bool te gebruiken als uitdrukking voor deze tweede invloed of het inner­lijk beleven.
In de derde plaats ervaart men al heel snel dat de zintuigen een grote invloed hebben op de innerlijke toestand. Wanneer men wil komen tot een innerlijk beleven, is het dus noodzakelijk om door ceremonieel, door ge­baar, door omgeving a.h.w. een zo gunstig mogelijke conditie te scheppen. Eerst dan is van een werkelijke bereikingsmogelijkheid sprake. Hier speelt dus ook het begrip van vorm, vormenharmonie, klank en melodische invloed een zeer grote rol.
Achter deze waarden vinden we in de mystiek bovendien nog als laatste factor de magie. Ook de magie speelt een grote rol, waar het werken met bovennatuurlijke krachten, dat in de magie zo sterk op de voor­grond komt, esoterisch gezien wordt als het werken met de krachten, die in ons leven.
Wij kunnen spreken met de oude Grieken, wanneer wij zeggen: Wij ken­nen slechts één God: de daemon in ons, het vreemde, het onbegrepene. Het is dit vreemde, dit onbegrepene, dat de kern vormt van elke mystie­ke beleving. Er kan dus nooit worden gesteld dat de mystiek op zichzelf een vaste richting vormt. Integendeel; zij is de begrenzing door symbolen, rituelen en beschouwingen van een innerlijke bewustwordingsgang, die voor elke mens afzonderlijk en persoonlijk geldt.
Om U enig denkbeeld te geven van de wijze, waarop de mystici dachten en de wijze, waarop zij trachtten hun ervaringen vast te leggen, wil ik hier allereerst een inwijdingsgang beschrijven, die in een Europese kring in Rouen werd beleefd in het jaar 1784. Dus kort voor de Franse revolutie. De persoon in kwestie werd toegelaten tot een gezelschap, zwoer verschillende eden en werd verder onderworpen aan de volgende proefnemingen:
Ten eerste: het ongekleed treden voor de gemeenschap,. Hiermee aangevende, dat hij herboren werd in deze gemeenschap, gelijktijdig bewij­zende, dat hij afstand deed van burgerlijk opzicht, moraal e.d., zoals gangbaar in de buitenwereld. Daarna bracht hij een offer ‑ of schijnoffer, als u het zo noemen wilt ‑ voor een altaar, dat was opgesteld voor de meerderen, die deze groep regeerden. Vervolgens werd hij weggeleid en aangekleed. Dit gebeurde wel in het oog van het publiek, maar buiten de eigenlijke cirkel der aanwezigen. Gekleed werd hij teruggeleid en geïnstal­leerd. Men gaf hem dan de volgende waarheden ter beschouwing:

In de eerste plaats: de mens op zichzelf is niets.
In de tweede plaats: de mensheid is de uiting van het Goddelijke.
In de derde plaats: het geheim der vele werelden is gelegen in de mens.

Hij werd dan weggeleid en, na een lichte maaltijd, gedurende 24 uur ter meditatie alleen gelaten. In deze periode zocht deze mens voor zich­zelf naar rationalisatie van wat hij had meegemaakt. De gedachtegang was ongeveer als volgt:

“Ik ben eigenlijk belachelijk, dat ik mij door deze humbug hier laat beïnvloeden.”
Daarna, “Maar er moet toch enige zin gelegen zijn in dit alles. Waaraan heb ik eigenlijk geofferd? Heb ik geofferd aan een demon? Néén. Geofferd aan een God? Neen. Ik heb geofferd zonder meer. Waarom heb ik geofferd? Ik heb geofferd om hierdoor mijn zoeken naar innerlijke waarden tot uiting te brengen”. Conclusie: het offer dat ik bracht, bracht ik feitelijk aan mijzelf. Wanneer ik een offer aan mijzelf breng en daarbij toch nog kan denken aan een God, dan moet die in mij leven.”

De toestand van die persoon wordt op de duur zozeer een verzonken zijn in zichzelf, dat hij meende een klank op te vangen. Deze klank heeft hij later geprobeerd te uiten, maar dit werd hem door zijn meerderen verboden. Hij heeft nooit begrepen waarom. Toch had hij in dat eerste ogenblik een innerlijke beleving, waarbij hij zijn ware naam a.h.w. hoorde. Die ware naam komen wij overigens ‑ zowel in de magie als in de mystiek ‑ telkenmale weer tegen. Zij kan het best verklaard worden op de volgende wijze:
In ons allen, geest en stof, woont God. Maar God heeft in ons een speciaal aangezicht gevonden. Wij zijn dus een zeer nauw omschreven uiting van het Goddelijke. In ons is God werkzaam en deze werkzaamheid kan omschreven worden. De omschrijving hiervan is Gods geheime naam, die slechts in ons waar en werkelijk is, die echter buiten ons uitgesproken – geuit dus ‑ een vernietiging van de goddelijke waarde in ons tot stand zou brengen.
Deze beleving ‑ dus een beleving van contact met God ‑ vinden wij steeds weer op de voorgrond staan bij vele geheimzinnige riten. Het sym­bool, dat gebruikt wordt, zal verschillen naar gelang de tijd, de perio­de, waarin de mens leeft. Maar zijn denken zal altijd een gelijke richting behouden, ook wanneer hij denkt, dat het niet zo is. Of je nu al streeft naar buiten toe, desnoods naar een wereldheerschappij onder religieus mom, of je streeft naar het kennen van de oude wijsheden, altijd blijft één ding zeker: In feite zoek je slechts jezelf, omdat je de waarheid van jezelf tracht te vinden.
De mysticus zoekt een verzadiging van zijn eeuwige honger naar innerlijke kracht en innerlijk licht. Hij tracht de onvolmaaktheid van het eigen wezen aan te vullen en zo to komen tot een innerlijke eenheid, die het hem mogelijk maakt menselijk en geestelijk ‘zijn’ te beleven zonder daardoor beroerd te worden dan alleen door de levende kracht, die in alles geuit wordt. Het is begrijpelijk dat de symboliek altijd moet worden aangepast aan de tijd. Ik heb dit reeds opgemerkt. Toch blijkt ons dat bepaalde overleveringen een zeer lange looptijd hebben en dat symbolen, die reeds zeer oud zijn, ook heden ten dage worden gebruikt.
In de allereerste plaats kennen wij de z.g. chemische symbolen.
Daarbij vinden wij ‑ en wel hoofdzakelijk in Indië ‑ b.v. het maken van goud terug in 2700 jaar v. Chr. Wij vinden een symboliek daaraan ontleend in de z.g. veredeling van de ingewijde in Egypte ongeveer een 1500 jaar v. Chr. Wij vinden echter dezelfde gang van zaken, dezelfde gedachten on­geveer 1400 na Chr. in het Westen bij bepaalde alchemistische groepen, hoofdzakelijk in Italië. Het beeld van de transmutatie, van de verande­ring, moet dus wel degelijk een grote inhoud hebben. Niet alle uitleggin­gen zijn volkomen gelijk, maar de algemene lijn van deze totale ontwikkeling kan zo worden uitgelegd als volgt: Wanneer wij leven ‑ onverschillig waar ‑ dragen wij in ons een kern van edel metaal. Dat edele metaal ‑ het goud ‑ kan worden vergeleken met het bewust goddelijke licht. Echter is het niet mogelijk uit datgene, wat wij thans zijn, zonder meer dit edele metaal, dus goud, te maken. Daarvoor is een toevoeging noodzakelijk. En het is ook weer niet vreemd dat wij overal de begrippen wit en rood zien optreden bij deze transmutatie‑processen.
In de eerste plaats wordt bij de praktische alchemie veel gesproken over het geheimzinnige witte en rode poeder. Maar in Indië sprak men over het bloed en het water, twee elementen, die ook qua kleur geacht worden rood en wit te zijn. Deze kleuren moeten dan vergeleken worden met innerlijke waarden en belevingen. En dan blijkt ons, dat wit staat voor geestelijk beleven, rood voor hartstochtelijk beleven. Er kan dus worden gezegd dat de veredeling van de mens en zijn transmutatie tot deel van het goddelijk licht eerst plaats kan vinden, wanneer hij een tweeledige ervaring doormaakt ‑ een toevoeging aan zijn wezen dus ‑ n.l. in de eerste plaats het kennen van de materie en haar hartstochten, in de tweede plaats het kennen van de innerlijke stilte en de daarmee gepaard gaande verlichting van het eigen wezen.
Deze symboliek werd betrekkelijk ver doorgevoerd omdat men wilde voorkomen dat niet-ingewijden enig inzicht zouden krijgen in de daarach­ter liggende gedachtegangen. De alchemisten ‑ enerzijds de voorlopers van de hedendaagse chemie, ja, zelfs van het atoomonderzoek ‑ zijn ander­zijds gelijktijdig mystici par excellence. Zij verbergen echter hun voor die tijd niet aanvaardbare stellingen achter de termen der chemie, die zij ook gebruiken voor hun normale proeven. Dat maakt de ontleding daarvan wel zeer moeilijk. Er kan dus worden gezegd dat het verbergen van de waar heid achter symbolen, deze vorm voor een zeer groot aantal mensen ontoe­gankelijk maakt.
Om de symbolen, die vandaag de dag nog zo’n grote invloed hebben, een ogenblik nader te bezien, kunnen wij het best teruggrijpen op de Egyptische periode. Daarin kennen wij n.l. het mysterie‑spel van Osiris. Ik zal het U kort verhalen.
Osiris, vorst des lichts, wordt door zijn broeder Seth achtervolgd, tenslotte verdreven en in de verbanning gedood. Zijn lichaam wordt in stukken verdeeld en in het water van de eeuwige rivier geworpen. Daarna komt zijn moeder en voegt al deze delen weer tot één geheel tezamen, waardoor hij, uit de dood herrezen, wordt tot licht van de wereld. In een mysterie‑spel wordt dit nog al uitdrukkelijk uitgebeeld en wordt vooral de nadruk gelegd op de onderwereld‑belevingen van Osiris. Dit werd gedaan ter misleiding van eventueel niet‑ingewijden. De werkelijke betekenis is deze: De mens, die zoekt naar licht, dus die het goede volgt, wordt bestreden door zijn broeder, een deel van zijn eigen wezen, dat ten kwade is geneigd. Het goede kan in de mens niet zonder meer overwinnen. Eerst wanneer het goede overwonnen is door het kwaad en dus de nadruk is ge­legd a.h.w. op de kwetsbaarheid van het goede, is het mogelijk om te komen tot een werkelijk kennen. Osiris, die niet door de onderwereld gaat, is geen bron van licht. De tocht naar de onderwereld is noodzakelijk. Wij moeten kunnen afdalen tot in de diepste diepten van eigen bestaan, ja, wij moeten de dood, symbolisch of reëel, kunnen aanvaarden, voordat wij in staat zijn de geestelijke geheimen van het eeuwig bestaan in onszelf te dragen en deze ook als een kracht werkzaam te maken in onze wereld. Wanneer wij echter gekomen zijn tot het punt, dat de vernietiging dreigt, dan zal ons streven naar het goede – dus de intentie plus het weten ‑ voldoende zijn om ons niet in de vloed van tijd ten onder te laten gaan. Want de eeuwige stroom is de tijd. Overwinnende de tijd zullen de overblijfselen van het goede in ons aan de oever komen, d.w.z. hernieuwd in het bewustzijn ontstaan; en in dit hernieuwde ontstaan zal het wezen der wereld, waartoe wij behoren, een hernieuwd leven mogelijk maken. Herboren keren wij uit de onderwereld tot het licht. Maar zolang wij lichtgevende kracht willen blijven voor degenen, die rond ons zijn, zullen wij ook de onderwereld moeten ondergaan.
Ik geloof dat hierin eigenlijk de inhoud, de werkelijke inhoud van praktisch elke mystieke richting is uitgedrukt. Het is onze taak om, klimmende in kennis, klimmende in ervaring, langzaam maar zeker te sterven, voor zover het ons persoonlijk goed betekent. Goed en kwaad moeten voor ons uitgewist zijn, zoals leven en dood geen betekenis meer hadden voor de dode ledematen van Osiris. Maar wanneer wij eenmaal goed en kwaad niet meer kennen en herboren worden door onze noodzaak te leven, dan ontbrandt er in ons een kracht der tegenstelling. Tegenstellingen betekenen kennis, begrip, ervaring. Het in je dragen en kunnen verdragen van de tegenstelling betekent gelijktijdig kracht. De uitdrukking van de tegenstellingen in jezelf betekenen een beeld der volmaaktheid. Dan kun je worden tot iemand, die het geheim van het leven in zich draagt.
U ziet, deze oude mysteriën hadden dus wel degelijk een inhoud, die modern genoemd kan worden. Ook bij andere mystieke richtingen vinden wij gebruiken ‑ vooral inwijdingsgebruiken ‑ die ons steeds weer wijzen op het einddoel van de mysticus: een eenwording van het innerlijk zelf; en het geven van uitdrukking daaraan op een zodanige wijze, dat het voor de wereld betekenis krijgt, zonder dat het gelijktijdig een persoonlijke ondergang zou betekenen.
Wij vinden b.v. bij de Grieken een aantal mysteriën, waarin wij in de eerste plaats tegenkomen: het duister, symbool van onwetendheid. In het duister de slang. Niet slechts symbool van leven of van genezing, maar vooral van kennis. De slang mag niet gevreesd worden, noch mag zij het ‘ik’ tot stilstand brengen. Kennis is een beproeving van de weg, een middel. Daarop volgt de afgrond. De afgrond is het symbool van de dood. Wij gaan langs de afgrond, m.a.w. wij geven ons aan de dood over. Want het leven heeft geen waarde zonder de geestelijke inhoud. Dan zien wij de beproeving van het vuur. Zij werd in die dagen meestal betrekkelijk primitief tot stand gebracht, gloeiende houtskool, enkele takken mis­schien in een stenen goot voor een deur, die je door moest gaan. Je moest dus door het vuur heengaan.
De symboliek was weer heel begrijpelijk. De vlammen zijn de werkzame geest der materie, maar gelijktijdig de vervluchtiging ervan. Een reinigend element dus. Wie door het vuur gaat na de dood getrotseerd te hebben, geeft hiermee aan, dat hij alles achter zich wil laten, wat behoort tot leven en dood, en het geheel nieuwe, het eeuwige wezen van het ‘ik’ wil accepteren.
De daaropvolgende gang brengt de inwijdeling in een grote zaal vol van menselijke genietingen. Maar de mensheid telt voor de afgestorvene slechts als bewustzijn, niet meer als menselijke uiting of als gezelschap.
De ingewijde is tot op zekere hoogte eenzaam. Hij mag dan ook niemand aanzien, niet aanzitten aan een tafel, niemand beroeren, geen spijs en geen drank gebruiken. Verblijvende in deze zaal ziet hij de mens, zonder zelf mens te zijn.
Vandaar gaat hij verder en treedt binnen in de tempel. En hebben in de tempel de gewone mensen de goden eer bewezen, de ingewijde zal dit niet doen. Hij zal voor de God treden en Hem werkelijk aandachtig beschouwen. Hij zal de schoonheid, de kracht van die God loven, maar zal Hem niet aanbidden, want de God is immers slechts het symbool van datgene, wat nu in hem leeft, het tijdloze. Eerst daarna kan de werkelijk geestelijke beproeving volgen, vaak door hypnose tot stand gebracht. Ook hier weer dezelfde gedachtegang. De gedachtegang, die altijd weer teruggrijpt naar de inhoud van het wezen. Het zijn vooral deze richtingen, die tijdloos kunnen heten, omdat zij niet met de zeden, de mores van een bepaalde tijd in tegenstelling zijn.
Iets anders vinden wij bij de Syrische inwijdingsgeheimen, waarbij het geslachtelijk verkeer een grote rol speelde. De twee‑eenheid man‑vrouw werd geacht te zijn de oplossing. De essence van de vrouw in de man, van de man in de vrouw betekende hier de vervollediging van het eigen wezen, waardoor zowel het scheppend als het dragend aspect der schepping gerealiseerd konden worden en zo een grotere kennis van het Goddelijke verworven kon worden.
Wij hebben nu een kleine schets gegeven van verschillende inwijdingssystemen en moeten nu noodzakelijkerwijze komen tot een beschouwing van de kentekenen van de meer recente mystieke ontwikkeling. Praktisch alle mystieke richtingen der laatste tijd zijn op enigerlei wijze gebaseerd hetzij op een bijbel, of op een ander heilig geschrift; d.w.z. dat ze zich aanpassen aan de tijd. De openbaring en kennis, die in een dergelijk geschrift verborgen is, behoort in juiste uitleg tot de schat van weten, die aan de leerlingen wordt medegedeeld.
Verder vinden wij in praktisch elk mystiek genootschap een reeks graden. Deze graden geven niet slechts bewustzijn aan, dus bereiking, maar daarnaast ook wel degelijk de positie die men inneemt t.o.v. de anderen. Hierbij gebruikt men over het algemeen de kabbalistische tekens, zodat bepaalde getallen en getalswaarden worden uitgedrukt in getallen der graden.
Een numerologisch systeem vinden wij hier en daar ook wel, maar daarbij kan toch niet worden gezegd dat de mystieke betekenis volledig verborgen is. Ook hier kunnen we de symbolen steeds weer teruglezen.
Dan is verder opmerkelijk dat de moderne mystiek eigenlijk in vier graden is te scheiden. De eerste graad is het zoeken. Het zoeken betekent in de eerste plaats het zoeken naar kennis. Gelijktijdig bete­kent het een zekere onderwerping. Ieder mens, die naar de mystiek zoekt, die mysticus is krachtens zijn wezen, zal binnen een gemeenschap, die de mystiek nastreeft, dus moeten beginnen met studie. Weten is onontbeer­lijk. Is deze studie voleind, dan krijgt men de tweede fase, waarin men geacht wordt een deel der kennis in praktijk te brengen, terwijl gelijktij­dig de kennis verder wordt aangevuld, en de werkelijke betekenis van het geleerde dieper wordt doorgrond. Heeft men deze fase doorgemaakt, dan vindt men de derde. Hier krijgt men de beschikking over inzichten omtrent samenwerking in de groepering; verder ook een nauwkeuriger inzicht in de verplichtingen, die men op zich heeft genomen binnen zo’n groep.
Het staat dan nog aan eenieder vrij om uit te treden. Deze indeling van drie graden is volkomen logisch. Zij beeldt dus uit het ontwikkelen van het ‘ik’ door het verwerven van esoterische kennis te midden van een vaste groepering of gemeenschap, die door de veelheid van haar leden noodzakelijkerwijze tot een organisatorisch verband is gedwongen. De vierde fase echter is een totaal andere. Wanneer men nl. zover is gekomen, dat men de eerste drie treden is opgegaan, komt een fase van zelf‑realisatie. In deze zelf‑realisatie wordt kennis verworven, die in feite gelijk is aan die van de eerste fase, maar nu met een interpretatie, die gelijktijdig toepasselijk is op de stoffelijke wereld en de geestelijke wereld. Er bestaat geen strijdigheid meer tussen stof en geest. Het geheel wordt een eenheid. Verder leert men daarin het toepassen van eigen kracht en tenslotte ook het leiden van zowel stoffelijke als geestelijke kracht. Heeft men dit volbracht, dan valt men, mystiek gezien, onder degenen, die heersers zijn.
We vinden in elke groepering altijd weer titels. Die titels lopen van het soms belachelijke af tot het haast verborgene, waar de titel eerder een aanspreeknaam schijnt te zijn. In alle gevallen heeft men door die titel geprobeerd een bepaald gezag weer te geven. Men heeft dan ook zijn eigen symbool. Die symboliek is uiteraard in praktisch elke groepering anders. Toch zijn er bepaalde dingen die bij de christelijke mystieke groepen steeds op de voorgrond komen. En dan wil ik allereerst wijzen op het zwaard. Het zwaard is een wapen, maar gelijktijdig ‑ op de juiste wijze opgenomen ‑ is het een kruis. Met een tweede zwaard ‑ op de juiste wijze in aanraking gebracht ‑ kan het elke vlakverdeling tot uitdrukking brengen van 180 graden tot practisch 5 graden. Door kruising, waarbij de lemmeten in het midden elkaar beroeren, kan a.h.w. verder een verdeling in aparte vakken van de wereld tot stand worden gebracht. Dit laatste komt dan overeen met het symbool van het kruis in de cirkel. Of ‑ zo U het anders wilt ‑ de uiting van de werelden in de lichtende kracht. Of ‑ in de oude interpretatie – de erkenning der waarheid in vier richtingen binnen het gebied van de zon.
De zwaarden zijn bij het christendom haast nog belangrijker dan bij de niet‑christenen. Het is vooral de vorm, dus de kruisvorm, die inhoud geeft. Het kruis is het symbool van de zelfopofferende bereiking, die de dood overwint. Als zodanig is het zeer belangrijk, want het geeft een directe relatie met het eigen wezen weer. Wij vinden in veel van die genootschappen dan ook een ridderslag, dan wel een inwijdingsplechtigheid, waarbij één of meer zwaarden een rol spelen. Ook zien wij dat de hogere rangen veelal met een symbolisch zwaard of rapier gewapend zijn, waarbij het gevest kruisvormig is.
Het symbool van het zwaard staat niet alleen voor het wapen, het staat gelijktijdig voor het mannelijk principe in de schepping; voor de opoffering van het kruis, zoals reeds genoemd en voor het recht der edelen. Wanneer wij komen boven een bepaald peil van innerlijk bewustzijn, dan zijn wij gescheiden van de normale mensheid. Ons bewustzijn maakt het ons niet meer mogelijk met die mensheid normaal te leven. Het resultaat is dat wij dus als een aparte klasse boven die mensen staan. Onze taak in deze toestand is weliswaar die mensheid te dienen, maar wij zijn verheven boven de normen van de gewone mensheid. Ook dit wordt met het zwaard tot uitdrukking gebracht.
Een ander symbool, dat wij haast overal tegenkomen, is de driehoek. De driehoek, staande voor de drie‑eenheid. Echter ook staande voor de drie factoren, die leven in de mens. Verder uitdrukking gevende aan het goddelijk principe in zijn uiting. De Schepper wordt door de mysticus be­leefd als een innerlijke waarde. Hij kan nooit beleefd worden als een Al-kracht zonder meer, maar slechts als een kracht, kenbaar in haar uiting. De wijze, waarop de uiting gerealiseerd wordt binnen de groep, maakt dan vaak de term voor God aannemelijk. Men spreekt b.v. soms van de Grote Ar­chitect. Hierbij geeft men dus aan, dat God in de bouwwijze van Zijn schep­ping in de eerste plaats belangrijk is. Als Schepper is Hij voor ons het belangrijkste aspect, schijnt men te willen zeggen; en het feit, dat Hij voor ons met Zijn regels en wetten in Zijn schepping schoonheid heeft ge­schapen, is voor ons de beslissende factor bij een aanvaarden van deze God.
Elders spreekt men over de Alkracht. Hierbij is het niet de uiting op zichzelf, maar het vermogen tot uiting, dat belangrijk is. Niet de schepping zelf, maar het scheppend vermogen. Het verschil is duidelijk. De mysticus, die deze tweede benaming gebruikt, zal over het algemeen trachten om de kracht ‑ dus het scheppen ‑ binnen zichzelf te verwerven en door deze verwerving deel te hebben aan de werkelijke kracht van God, Die door uitschakeling van eigen vermogens in hem werkzaam wordt.
De naam Algeest wordt ook vaak gebruikt. Algeest geeft aan: totaal bewustzijn. Men schakelt de scheppende werking en de scheppende kracht uit, maar zegt: “God is een bewustzijn. Uit het bewustzijn vloeit alles voort. In dit bewustzijn is voor mij een mogelijkheid gelegen om door harmonie met deze Algeest bewust te worden van het totaal.” De benadering is verschillend, maar bij alle gelijk belangrijk is een godsrealisatie.
Heel vaak geeft men ook de driehoek een inhoud. Soms is dat een naam. Een bepaalde groepering gebruikt daar b.v. de naam Jahwe. Jahwe is eigenlijk het symbool van de christelijke God. Bij anderen vinden we Jehovah, joods geschreven in de driehoek. Wederom een teruggrijpen naar de geheimen, vooral van Salomo; dus de groot‑magische mystiek van het oud‑Jodendom. (Ik mag overigens opmerken dat de invloed van het joodse volk op de mystieke ontwikkeling van het Westen een buitengewoon grote is geweest).
Daarnaast vinden we ook in de driehoek het Al‑ziend oog. God is een bewustzijn. Binnen zijn drie uitingsvormen is Hij Zich van alle dingen bewust. Hij ziet en kent alle dingen. Wij zijn dus a.h.w. voortdurend één met God, waar Hij bewust is van ons totale wezen en elke ademhaling. Het wordt u duidelijk: de nieuwe mystiek zoekt naar een vereenzelviging met de Schepper.
Daarnaast echter erkent zij vele krachten, die ook van belang zijn. Sommigen noemen dit engelen. Zij gebruiken daarvoor heel vaak de joodse symbolen. Alweer dus een teruggrijpen naar de oude geheimleer van het joodse volk. En wij vinden dan zegels en stempels, als b.v. de twee driehoeken, die elkaar snijden, de bekende zes‑puntige ster. In het midden daarvan vinden wij Jehovah, dus de Goddelijke kracht. Het scheppende, en wel hier het scheppende in verband met een bepaald volk, dus het toebehoren tot een groep, is hier belangrijk. In de punten vinden wij verschillende symbolen, Kefret(?) etc., die staan voor engelen, dus delen van de Goddelijke kracht. Daaromheen vinden wij een dubbele cirkel, waarin zo wel goden‑ als demonennamen zijn geschreven. Hier is de symboliek geworden tot een uitdrukking van de kosmos.
De omgrenzing, die in de nieuwere gebruiken ook heel vaak de naam Jezus i.p.v. Jesus gebruikt, zoekt in de goden krachten van de buitenwereld uit te drukken dat de verering van een uiterlijke God of het volgen van een uiterlijke leer nooit een belemmering mag zijn voor de in­nerlijke bewustwording. Immers, in al deze namen besloten ligt hetzelfde zegel. Deze zegels zijn natuurlijk ook bijkomstigheden. Ze geven geen wer­kelijke magische macht, tenzij op de juiste wijze gebruikt; en dat kan praktisch niemand meer. Maar de uitdrukking, die zij geven aan Al‑waarden, maakt ze tot zeer kostbare middelen vóór meditatie en bewustwording.
Een ander symbool vinden wij overal weer terug, van het begin van de mensheid eigenlijk af tot heden ten dage. Dat is het geraamte – het skelet dus ‑ ofwel het doodshoofd. Het symbool van de dood is gelijktijdig het symbool van het leven geworden. Wij kennen verschillende volkeren, waar deze dodendienst wel heel erg sterk op de voorgrond kwam. Het is b.v. bekend, dat in sommige tempelzalen van Babylon een tegenwoordig niet goed te keuren beroep door de priesteressen word uitgeoefend, ter­wijl men zich er ook kon overgeven aan dobbelspel en drank. Echter in de ornamentatie vindt men steeds weer de schedel van een overledene terug. Het is a.h.w. of men zeggen wil: Ziet, dit is de inhoud van het leven qua ervaring. Maar denk nie, dat de uiterlijkheid betekenis heeft. Egypte brengt een echt of heel vaak ook een zeer sierlijk namaak‑geraam­te tijdens de feestmalen op de voorgrond, vooral wanneer deze een enigs­zins religieuze betekenis hebben. Wederom een memento mori. Gij zijt hier niet om te leven en te genieten, doch slechts als een reiziger, die voor een kort ogenblik tracht iets te begrijpen van werelden, waartoe hij niet werkelijk behoort.
Later vinden we het als meditatiesymbool, zowel bij de christenen alsook als symbool bij verschillende z.g. mystieke of geheime verenigingen. Steeds weer de dood. De dood is voor het bewustzijn van de mens een zo grote grens, een zo grote hinderpaal. Eerst door de beschouwing en overdenking van de dood kan men zich realiseren, dat de dood op zichzelf niet belangrijk is, want dat onze daden voortleven en dat ons wezen daarin voortbestaat. Dat laatste is niet geheel in overeenstemming met hetgeen wij leren. Het persoonlijk voortbestaan wordt weliswaar geloofd, maar lang niet altijd bewezen geacht. Het is ook niet noodzakelijk. Want dat, wat wij zijn, niet wat wij denken te zijn, leeft voort in de levens van anderen, in de wereld, overal. Vandaar dat de mystiek toegankelijk is voor iedereen. Vanaf de godloochenaar en atheïst tot de meest primitieve en bekrompen gelovige van een bepaalde religie.
Mystiek is een innerlijke weg. Een weg, die zijn symbolen overal weer zoekt. Die in zijn symbolen echter de eeuwigheidsgedachte, het voortdurende streven naar bewustwording en verbetering tot uitdrukking brengt. Een mysticus, die de werkelijkheid ontrukt raakt, kan nooit een werkelijke vooruitgang maken in mystiek leven. De mystiek is een praktische wetenschap, die het innerlijk beleven onmiddellijk uiterlijk verwerkelijkt om zo uit deze verwerkelijking te komen tot een steeds groter besef van eigen inhoud en waarde.
Achter de symboliek, achter het mysterie ligt de kern van ons eigen bestaan. En nu een ogenblik afstand doende van alle beelden, die ik u tot nog toe heb getekend, ja, van alle menselijke ontwikkeling, wil ik trachten iets van het mysterie aan te stippen, dat in onszelf gelegen is.
Wij kennen onszelf niet. Wij zijn a.h.w. onbewust van onze feite­lijke inhoud. We weten nog niet wat wij kunnen bereiken, waartoe wij in staat zijn. Vaag voelen wij echter aan dat ons huidig beeld van het ‘ik’ niet voldoende is. Wij streven ‑ en dat doen wij allemaal, onverschillig of wij mystici zijn of niet ‑ naar een aanvulling. Die aanvulling kunnen wij nooit krijgen tenzij in en vanuit onszelf.
Het geheim van het leven heet God. God is een naam. Een naam, die geen werkelijke betekenis heeft, naar die iets omschrijft; n.l. een grote kracht, die voortdurend in ons eigen wezen leeft, maar ook in alle andere wezens geuit is. Aan deze God zijn wij nauw verwant. Een zoeken naar deze God is niet voldoende. Wij moeten deze God leren kennen. Wij moeten leren stukje na stukje goddelijke waarheden in onszelf te bevatten en de daaruit voortvloeiende kracht vanuit onszelf te gebruiken.
De mysticus verzinkt zich in God, maar gelijktijdig streeft hij in de wereld. Deze twee dingen zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden. Laat u nooit vertellen dat iemand, die mysticus is ‑ of mystica – kan opgaan in een andere en hogere wereld en dan terugkeren tot een normaal bestaan. Elke ontdekking in onszelf betekent een vergroting van onze verantwoording; niet alleen tegenover onszelf, maar ook tegenover de wereld. Elke realisatie is voor ons een nieuw bewustzijn van een taak, die ons is opgelegd.
Het groot‑mystieke geheim is gelegen in het feit, dat wij een doel hebben. Ik zou dit nog willen omschrijven door te verwijzen naar de put der wijsheid, die gelegen moet zijn bij een bepaald boeddhistisch klooster. Deze put ziet er van boven uit als een normale put. Maar hij is bodemloos. Een put, die kort daarnaast is geslagen, gaat niet dieper dan 15 meter en geeft volop water. De eerste put echter is volkomen droog en schijnt weg te vallen tot het middelpunt der aarde. Men heeft zich afgevraagd: Wat is het doel van deze put? Deze schacht, die in het niet verdwijnt en die geen enkele uiting geeft. Er was een abt, die besloot deze put af te sluiten. Toen hij dit echter deed, gaf de andere bron geen water meer.
Schijnbaar is onze mystieke verzinking in het ‘ik’, in het Goddelijke, in de kosmos, zinloos. Ze heeft geen werkelijk doel, zou men zeggen. Zeker geen doel in deze wereld, waarin men leeft. Maar in feite is de mystieke verdieping noodzakelijk, wil ons leven hier inhoud krijgen. Zoals water noodzakelijk was voor het leven der monniken en zij zonder dat niet konden zijn, zo is voor ons een bepaalde impuls, een doelbewust zijn, een streven, een innerlijke vreugde, maar ook een innerlijke onrust noodzakelijk om verder te kunnen gaan. Bezitten we dat niet, dan zijn wij levend dood. Dan staan wij stil. Dan bestaat er geen werkelijkheid meer. Maar zolang wij deze verbinding hebben met het onbekende, met het schijnbaar onzinnige, dat vanuit ons wezen reikt tot in de ongekende duisternis, waar ergens misschien een God leeft, heeft ons leven inhoud. Door ons te verzinken in het geheim van de schacht, doen wij de bron rijker vloeien. Dat is de waarheid.
Die waarheid, mijn vrienden, zullen wij niet zo gemakkelijk kunnen realiseren. Het is niet zo eenvoudig om voor jezelf te erkennen, dat er ergens een gevoel, een weten bestaat, dat absoluut doelloos is. Dat zich verliest in de onbekende ruimte. Toch bestaat dit in uw aller wezen. Vroeger zou men gezegd hebben: “Wij gaan daarin op, wij vergeten de wereld”. Maar dat kunt u niet. U bent kinderen van een wereld, die bewustzijn heeft. Een wereld, waarop vele mensen leven, waarin de samenleving belangrijker is geworden dan de mens zelf. U kunt u niet van die wereld vervreemden zonder gelijktijdig het erfdeel, dat in deze kosmische verzinking is gelegen, prijs te geven.
Daarom moet U mij goed begrijpen. Alle mystiek ‑ waar zij ook naar voren komt, in een kerkelijk offer, in een meditatie misschien, in een raadsel der oudheid, dat je plotseling weer voor ogen staat – is alleen maar een middel. Een middel tot daadkracht. De kerken protesteren tegen het humanisme. Dat kan ik begrijpen. Want de kerk vult het ledige met het ledige aan; en dat is op de duur niet voldoende. Men kan zich niet alleen in de symboliek onderdompelen en dan daaruit de bevrediging gewinnen, die veroverd moet worden door de realisatie van jezelf in de wereld en van God in jezelf. Het humanisme is het dienen van de mensheid. Het dienen van de mensheid is voor ons indirect ‑ zolang wij op een stoffelijke wereld zijn ‑ dienen van God. Dat is een godsdienst, een eredienst. Jezus heeft het uitgedrukt: “Wat gij de minste dezer doet, dat hebt ge mij gedaan.”
Ik zal U zeggen, dit is de kern van de moderne mystiek: de band, die tussen allen ligt. De band, waardoor alle wezens op deze wereld verenigd zijn. Een band, die uitdrukkelijk bevestigd moet worden in al uw leven en streven zonder één pauze, zonder één oponthoud. Een band, die gelijktijdig niet persoonlijk mag zijn, maar die slechts één realisatie moet zijn van de God, Die in u leeft.
Ik kan begrijpen dat deze taak velen van U onmenselijk lijkt. Een werk, waarvoor een Hercules zou moeten terugschrikken. Maar ik verzeker u, dit is in praktijk te brengen. Niet plotseling. Zo min als degene, die inwijding zoekt, de werkelijke betekenis der symbolen beseft of de ware naam van de God in hem leert fluisteren. Dat moet groeien. Gelooft U echter van mij, dat alle ware mystiek een vereniging is van daad en denken, en dat uit daad en denken het tijdelijk verliezen van het uiterlijk ‘ik’ voortkomt, dat een beleving van het innerlijk ‘ik’ mogelijk maakt.
In verschillende heiligplaatsen vindt men steeds weer bekkens, kisten, verzonken baden, die zeer nauwkeurig bepaalde afmetingen hebben. Deze afmetingen zijn zodanig, dat de inhoudsberekeningen een kosmisch getal geven. Degene, die dat niet ziet, is een gewone mens. Hij gaat eraan voorbij. Degene, die beseft dat hier iets bijzonders plaatsvindt, heeft nóg niet veel geleerd. Wanneer hij het kosmisch getal berekend heeft, heeft hij een beginpunt, van waaruit hij verder kan denken.
Dit kosmisch getal bezit verschillende eigenschappen. Het is een priemgetal en een rond getal; het is oneindig en repeterend; het is een breuk. Het verenigt het positieve en het negatieve in zichzelf. Het is het symbool van het menselijk leven, de mystieke betekenis ervan. Enerzijds het stoffelijk, anderzijds het geestelijk streven. Enerzijds het negatieve van het dierlijke, anderzijds het positieve van het hoog‑geestelijke. Enerzijds het verloren gaan in de menigte. Anderzijds door één te zijn met de menigte, boven de menigte staan. Dat alles en meer ligt hierin besloten.
De symbolen zijn allemaal oud, heel oud. En toch gelden ze ook voor deze tijd, voor deze dagen. Het is onze taak om in en met het geschapene God te vinden. Niet in de schepping, maar in onszelf. U zult in velerlei vormen, in velerlei wegen deze gedachtegang terugvinden. U zult ze terugvinden in elke esoterische richting. U zult ze terugvinden als de kern van elke religieuze leer. U zult nog meer vinden. U zult zelfs daar, waar het ongeloof schijnbaar zijn uitdrukking vindt, een eren van God vinden. En dat is misschien het grootste mystieke geheim. Men weet niet, wat God is. Maar zonder God kan men niet bestaan. Naarmate men die God meer eert metterdaad, door eigen denken en streven, door eigen meditatie en werken, krijgt die God een grotere werkelijkheid. En de werkelijkheid van die God is de vervulling van het eigen wezen.