Nieuwe openbaringen

Het is ongeveer 60 á 70 jaar geleden dat allerlei nieuwe invloeden zich kenbaar maakten en nieuwe openbaringen het leven gingen beïnvloeden zowel in het Westen als in het Oosten. Wij denken hierbij onder meer aan de theosofische en antroposofische gedachtegangen. Wij denken aan de opleving van de Rozekruisergedachte. Het is duidelijk, dat in deze periode nieuwe en mystieke denkwijzen zijn ontstaan of oude denkwijzen nieuwe interpretaties hebben gevonden. Hierdoor wordt de mens geconfronteerd met een wereld, die sterk verschilt van die van het christendom.

In het christendom was het ongeveer zo; Het staat in de bijbel, of in een ander geval: Rome heeft het gezegd, dus is het zo, dus doe je zo. Denken is verboden. Nu worden wij geconfronteerd met filosofieën, die ‑ ofschoon ze toch, in de loop der tijden een dogmatisch karakter hebben gekregen in wezen de zelfwerkzaamheid, het zelfstandig denken en streven van de mens aanmoedigen. Het is alsof de massamagie plaats gaat maken voor een meer persoonlijke, een meer innerlijke bewustwording.

Er zijn sedert die periode heel wat verschillende profeten naar voren gekomen. Ik zou kunnen teruggrijpen naar degene die heeft geprobeerd de eenheid van alle godsdiensten te bewijzen. Ik zou u kunnen wijzen op vele denkers, die misschien niet helemaal geestelijk, maar toch wel met een bijzondere nadruk, de menselijke wereld hebben willen ontleden en daaraan een nieuw karakter hebben kunnen geven. Het was een tijd van geestelijke gisting, die zelfs nog intenser was dan vóór Jezus’ geboorte. Daarnaast ontstonden in die tijd dezelfde strijdperikelen, die wij ook rond Jezus’ geboorte hebben gekend. Gebieden worden bezet en bevrijd. Er zijn oorlogen. Grootmachten proberen hun kracht in de wereld te bewijzen.

In die tijd komt er een Wereldleraar. Een onopvallend man. ingenieur van opleiding. Een man, die eigenlijk heel nuchter en technisch denkt, maar die in voorbereiding op hetgeen de Meester zelf op de wereld voor deze era zal brengen ons confronteert met de eenheid van het mens‑zijn. Ik zou u juist uit deze denkwijzen een paar citaten willen geven om duidelijk te maken in welke richting het nu gaat.

“De wereld en de mensheid is één geheel. Wereld en mensheid bestaan niet slechts in deze vorm maar zijn met elkaar verbonden door alle denkbare vormen en werelden.”

“Wie de mensheid haat, haat zichzelf, die zijn medemens bemint, bemint zichzelf. Want alle dingen zijn één geheel en geen van ons kan meer zijn dan een ander. En niemand van ons zal ooit de mindere zijn.”

Een denkwijze, die een kosmisch geheel veronderstelt, waarin eigenlijk geen plaats meer is voor het “ik ben heiliger dan jij”. Een denkwijze, die zelfs nu nog in vele gevallen opgang maakt. Een volgend citaat is misschien interessant, omdat het meer technisch is. Het werd gegeven aan enkele studenten omstreeks 1940.

“Wij leven in vier dimensies en wij ervaren de tijd. Maar er zijn meer afmetingen denkbaar en berekenbaar, dat is wel aangetoond. In alle afmetingen bestaan wij en niet slechts in de afmetingen die wij erkennen. Daarom zijn onze mogelijkheden groter dan wij beseffen, maar ook onze verbondenheden en verantwoordelijkheden van een geheel andere aard dan wij veronderstellen.”

Hier wordt dus duidelijk gemaakt, dat de belangrijkheid van verbondenheid tussen mensen (de relatie mens ‑ wereld) niet kan worden bepaald door de uiterlijke verschijnselen van de kenbare wereld, maar dat zij voor een zeer groot gedeelte hun werkelijk belang juist vinden in werelden en aspecten, die voor de mens op dit moment althans zintuiglijk niet kenbaar zijn. Een laatste citaat om deze tendens nog iets verder te omschrijven.

“In uzelf zijt gij één met het geheel. Maar zo gij deze eenheid ervaart, hoe zult gij iets kunnen afwijzen zeggend; ‘Dit ben ik niet’. Er zijn geen grenzen voor onze verbondenheid. Er zijn geen belemmeringen voor de eenheid, die wij vormen met het geheel. Uit deze eenheid moeten wij leven en denken, want alleen zo zullen wij de ware wereld beseffen.”

Ik zou zo voort kunnen gaan, maar wij hebben in de loop der tijden al zoveel citaten gegeven uit de leringen van de Wereldleraar. Ik heb hier alleen geprobeerd te schetsen wat de nieuwe gedachtegang is. Er is niet meer het denkbeeld van een God, die ons in één rijk onder één gezag verenigt. Er is eerder het denkbeeld van een God, die uitdruk­king krijgt in al wat er bestaat en daardoor juist een eenheid creëert waaraan al het geschapene deel heeft zonder enige uitzondering. De naastenliefde is niet meer een vorm van zelfverloochening, het is een vorm van zelfbevestiging geworden. Zonde en schuld zijn geen kwestie meer van handelen tegen bepaalde wetten. Het is eerder een niet gehoorzamen aan je besef van juistheid in het geheel waartoe je behoort. De nieuwe openbaring brengt veel waarden, die tot de oude waarden behoren. Wij zullen in vele uitspraken iets van het christendom herkennen, zoals in enkele leringen, iets van het boeddhisme schuilt en zelfs Mohammed komt hier en daar op de proppen. Nu wil ik de hindoe-leringen dergelijke maar buiten beschouwing laten. Al het oude wordt in een nieuwe verband samengevoegd. Dat verband is juist bij de Leraar erg reëel. Hij is er de man niet naar om te zeggen: Maak je los van de hele wereld en streef, alleen het geestelijke na. Het enige dat hij zegt en ik citeer letterlijk is;

“Het is een dwaas, die zich laat beheersen door de middelen, die hij in de wereld gebruikt. De wijze echter, zonder zich erdoor te laten gebruiken, gebruikt ze voor zijn doel, opdat hij in een innerlijke rust de eenheid der dingen kan beseffen.”

Hij zegt dus helemaal niet; techniek weg en alleen maar zuiver en rein leven of zoiets. Hij zegt doodgewoon; we moeten zien dat wij niet worden beheerst door de dingen. Wij moeten meester zijn over de dingen die wij gebruiken. Ik geloof, dat daar een heel nuchtere benadering ligt die wij in zeker opzicht bij de Meester niet aantreffen. Maar dat komt omdat de Meester meer speelt op innerlijke waarden en gevoelswaarden, terwijl de Leraar volgens mij in de eerste plaats ook een nuchter mens is, als hij zegt:

“Een spoorweg leg je aan om je sneller van de ene plaats naar de andere te begeven. Indien je een reden hebt voor die snelheid, is de spoorlijn kostbaar. Indien je geen reden hebt voor de snelheid, is het een blinddoek die het je onmogelijk maakt te zien waar je bent.”

Dat is zo nuchter als 2 x 2 = 4. U leeft in de wereld. U moet de wereld beseffen. U moet alles zien en alles beleven, dan leeft u pas echt. Heb je werkelijk een dringende noodzaak om snel te zijn, dan zijn er hulpmiddelen genoeg waardoor je de snelheid kunt bereiken. Maar indien je die haast niet hebt, die noodzaak tot snelheid, dan ben je wel een dwaas om zo hard op te schieten. Ik, meen dat dit een heel logische oplossing is. De Meester is ook geen vriend van wat ik het ambtelijk technocratisch denken noem. Hij heeft namelijk in een lezing gezegd, die ik hier kort zal samenvatten:

Lieve mensen, de wereld is er voor de mens; en de mens is er om gelukkig te zijn. De mens kan alleen gelukkig zijn, indien hij één is met zijn wereld. Die eenheid kun je nooit bereiken door overal hekken neer te zetten. Een mens is alleen gelukkig, indien hij met zijn medemensen op de juiste manier samenleeft. Die juiste samenleving verkrijg je echter niet door vele wetten, wél door een besef van wat noodzakelijk is. Daarom moeten wij proberen de innerlijke mens te benaderen en vanuit die innerlijke mens te werken en te leven; al het andere is dan bijkomstig. De vorm bepaalt nooit de inhoud, ofschoon soms de inhoud mede bepalend kan zijn voor de vorm.

Laten wij Nederland eens nemen. Nederland is een kerkprovincie vol onrust. Overal zijn er splijtingen tussen evangelische en niet‑ evangelische, baptistische, Katholieke, oud‑katholieke, nieuw‑katholieke en weet ik wat nog meer voor katholieke verenigingen. Een ieder doet het op zijn manier. De meesten zeggen: Wij hebben de waarheid en een ander heeft die niet. Dan kunnen wij zeggen; Er bestaat wel een samenwerking, maar die zegt eigenlijk niets. Die samenwerking is iets waardoor men probeert samen te gaan in een zekere regel of wet zonder daarbij zijn eigen houding tegenover de ander te wijzigen.

De Wereldleraar zegt doodgewoon: “Als u nu uw houding wijzigt, dan ziet u vanzelf bij welke groep u nu wel of niet wilt behoren.” Maar elke groep zal dan zeggen; De andere groepen zijn ook goed. Dat is geloof ik kentekenend. De Wereldmeester die zich openbaart is mystiek, dat is waar. Maar in al zijn mystieke uitspraken doet hij toch niet direct denken aan het “Dikke Jongetje” of anderen die zich God, Goddelijk, Ingewijde of Groot-Meester noemen. Het belangrijke van hem is eigenlijk dat hij niets bepaalt tot een zekere leer. Alle groeperingen en openbaringen van de laatste tijd proberen steeds te zeggen: Onze gemeenschap, onze groep is goed. Zelfs de Meester zegt; Het is niet belangrijk tot welke gemeenschap je behoort. Het is belangrijk hoe je van daaruit beleeft. Ik citeer;

“Wie in zichzelf reikt tot de hogere krachten en het licht dat ook in hem verborgen is, hij vindt een waarheid, die vanuit elke lamp haar licht verspreidt.”

Nu is het natuurlijk voor een godsdienst niet erg prettig als ze een “lamp” wordt genoemd. Maar het gaat om het licht. De Meester gaat dan verder:

‘Wat baat het u, zo gij duizend lampen bezit en niet het middel hebt om ze licht te doen verspreiden. Zorg, dat gij het licht bezit. Zo gij de lamp daarvoor dan nuttig acht, laat het daardoor stralen, maar wees eerst lichtend voor uzelf. Erken het licht in uzelf en werk met het licht opdat uw wereld worde verlicht en haar duisternis wijke.”

Met al die predicatiegedachten staat de mens ‑ ook bij de Meester – op zichzelf. Je luistert naar hetgeen de Meester zegt, dan is dat niets. Ik zal u helpen. Neen, hij zegt: Alles wat je wilt, bestaat in Je­zelf; je moet het alleen ontdekken. Wie in zichzelf de waarheid zoekt, die is onafhankelijk van alles behalve van de scheppende Kracht. Maar op het ogenblik, dat je iets bindt aan een bepaalde vorm of aan een bepaalde bewijsvoering, ben je weg.” Om het letterlijk aan te halen.

“De werkelijkheid die in u leeft omvat meer dan de kosmos, die gij kent. Hoe wilt u haar bewijzen in de termen van uw wereld of registreren in de ervaringen en emoties die gij ondergaat?”

Hier zie ik een grote tegenstelling tussen juist deze openbaringen en de openbaringen, die op het ogenblik met veel tam‑tam over de wereld worden verbreid. Het is waar, wij horen niet veel van de Wereldleraar en de Wereldmeester. Hun gedachten breiden zich ondergronds uit. Denk niet, dat dat wat nieuws is. Het christendom is ook een ondergrondse beweging geweest voordat het hoogmoedswaanzin kreeg en vanuit de St. Pie­ter de wereld begon te regeren. Hier is overal een denkwijze die een tikje verandert, de mentaliteit, die een klein beetje gericht wordt. Als u naar “Dikke Jongetje” gaat, dan kunt u van de vertegenwoordiger een psychische schok krijgen, die door een zekere geladenheid kan ontstaan. Als u het zelf ook eens wilt doen, kunt u dat misschien bereiken door uzelf een grote statische lading te bezorgen en op rubberzolen te gaan lopen. Als u dan een ander aanraakt, dan krijgt die ook een schok en als er voldoende suggestie bij zit, dan hoort hij ook de engeltjes zingen. Dit is gewoon een trucje. Dit zegt niets over de juistheid van de leer of over de juistheid van de discipline en ook niets over de verplichtin­gen die u dan heeft tegenover degene die u een schok geeft.

Hier zitten we dus op een verkeerd spoor. Er zijn heel veel ervarin­gen en emoties, die je kunt ondergaan. LSD kan een ervaring zijn, maar is het daarom een goddelijke openbaring? Ik meen, dat het dat nooit zou kun­nen zijn, tenzij de mens in zich sterk genoeg is om de ervaring te registre­ren en dan heeft hij LSD weer niet nodig, want dan kan hij het zonder dat ook wel. En zo is het eigenlijk met een groot gedeelte van de dingen, die er op het ogenblik worden geopenbaard. Je wordt geconfronteerd met allerhande leefregels, met dogma’s, met stellingen, met vaak ontstellende wijsgerigheden, soms met holheden wier galm vele mensen overdondert. Als je kijkt wat er overblijft, dan is dat alleen maar een mens, die afhankelijk is, die als een verslaafde iets geestelijks najaagt zich onderwerpend aan een ieder die haar pretendeert hen die gave te kunnen verschaffen.

Stel hier nu eens tegenover het werk dat zowel de Wereldleraar als de Wereldmeester hebben gedaan. Zij hebben u geconfronteerd met vrijheid. Vrijheid, die niet bestaat uit bandeloosheid waarbij je je gang maar gaat en iedereen zich maar aan jou heeft te onderwerpen. Maar de vrijheid waardoor je je verbondenheid met allen beseft en uit dit besef ten aanzien van alle dingen juist kunt reageren.

Geluk. Natuurlijk, dat geluk van de uitverkiezing, de bijna hysterische beleving van eigen verbondenheid met God. Dat is allemaal erg mooi. Maar wat de Meester brengt, is niet die uitverkiezing en die beleving. Het is eerst de sereniteit in jezelf waardoor je gaat beseffen dat je niet alleen staat, niet alleen kunt zijn of staan, dat je deel uitmaakt van een totaliteit. In dat besef van de totaliteit vind je God. Hem vind je ook overal terug. Hij geeft je de blijdschap van het leven. Hij geeft je de vreug­de van het leven. Maar Hij zegt niet dat je het op een bepaalde manier moet waarmaken.

Misschien is het relevant in dit verband een opmerking te citeren, die word gemaakt toen iemand het had over de jeugd. (Dat hadden ze in Jezus’ tijd ook al, wat moeten wij aan met de jeugd? Dat is het eeuwige probleem van de ouderen die niet mee kunnen.) Ze zeiden tegen de Meester; “Heer, al die jonge mensen tegenwoordig, ze gaan maar samenhokken, ze streven maar naar genot en ze doen maar. Hoe moeten wij daar tegenover staan?”

Toen gaf de Meester dit antwoord:

“Op hun wijze zoeken zij hetzelfde wat gij op uw wijze zoekt, de vrijheid van een innerlijk geluk waardoor de wereld niet slechts draaglijk is, naar de uiting is geworden van een groot geheel waartoe gij behoort. Wie zal zeggen welke weg eerder tot het doel voert, want het is wat ín u leeft dat bepalend is voor hetgeen gij bereikt, niet de uiterlijkheid van uw daden.”

Nu, dat word nogal kwalijk genomen door sommigen. Dat is ook wel begrijpe­lijk. Er zijn heel veel die zeggen: Wij hebben ons altijd ontberingen opgelegd vanwege de eeuwige zaligheid en nu komt er iemand en zegt dat het niet nodig is geweest. Dat kan niet. Wij hebben zoveel ellende gehad voor niets. De Wereldmeester is met al zijn mystiek toch wel erg reëel. Op een andere manier dan de Leraar. Deze is technisch, die kun je aanvoelen, die kun je logisch volgen. Bij de Meester moet je eigenlijk aanvoelen wat hij wil zeggen. Op een gegeven ogenblik roept hij uit;

“Er is niet één waarheid die deze wereld kent, want de waarheid die het Al omvat, omvat meer dan de wereld. Zo gij de waarheid in uzelf draagt, zult u haar niet spreken. Maar haar te beleven is de vreugde waardoor ge alles kunt aanvaarden en in alles het geheel voortdurend weer beleven. Het is de harmonie met de Vader, de scheppende Kracht van waaruit gij in alle dingen aanvaardend vreugde vindt.”

Aanvaardend vreugde vindt. Dat is veelzeggend. De wereld is er niet een van verzet en van strijd. Het is een wereld van aanvaarden; zo is het nu eenmaal.

En dan niet in de negatieve zin van; nu ja, het is eenmaal zo, wij moeten er mee leven. Maar de erkenning het is nu zo, dat heeft zijn betekenis. Al wat er gebeurt ‑ hoe wonderlijk, hoe wreed en hoe onmogelijk het ons ook toeschijnt ‑ heeft zijn zin en betekenis, want het is deel van het geheel. Als ik het geheel voel, dan zal ik ook het verband kunnen voelen met alle gebeurtenissen en daarin dus toch weer de waarheid het licht en de vreugde erkennen. Ik zou zeggen; daar hebben wij een fantasti­sche openbaring. Er zijn natuurlijk ook openbaringen geweest waarin men op een heel andere manier wordt geconfronteerd met iets van een kosmische eenheid, Denk b.v. eens aan Mary Edy Baker (Christian Science). Hier heeft men de bijbel gebruikt als een soort kosmisch receptenboek. Op zichzelf, geloof wel, dat daarin hier en daar wat teveel aan dogmatisme, zelfs aan kolder is binnengeslopen. Maar is het aan de andere kant niet zo, dat wij in ons­ zelf altijd de kracht van de kosmos en van de Schepper kunnen ervaren en dat die kracht alle dingen mogelijk maakt? Als je bidt voor iemand, dan is dat bidden niet alleen maar een me­thode om via een magisch spreukje een ander beter te maken. Het is doodge­woon een harmonie erkennen en deze overdragen aan de ander; verenigd zijn in een harmonie waarbij de hoogste kracht aanwezig is. Waar die harmonie er is, daar vallen de storingen en kwalen weg, zelfs als de wetenschap zegt dat het onmogelijk is.

Ik mag hier de Leraar nog eens citeren.,

“Ik weet, dat de wetenschap voor de mensheid erg belangrijk is. Maar wat is de wetenschap anders dan het schuim dat drijft op de golven van een oceaan die leven heet.”

Waarmee hij wilde zeggen; Uw wetenschap is iets voorbijgaands. Het is a.h.w. het gevolg van de beweging van het leven, van de ontwikkeling. Maar wij moeten niet zeggen dat het schuim de oceaan bepaalt. Wij kunnen zeggen dat het een product ervan is. Wetenschap, vormen van denken, logica, sociaal en ander denken zijn het resultaat van het leven en bewegingen: het kosmische leven waarin wij nu bewust zijn. En dan is ook weer denkbaar waarom de Meester op een ander ogenblik zegt:

“Uiterlijkheden en wetten van uiterlijkheden gaan voorbij, in een tijd die niet bestaat. Want de werkelijkheid is het blijvende waartoe wij behoren. Dit beseffend zijn wij meer dan al wat het tijdelijke omschrijft. Maar willen wij vanuit onszelf het tijdelijke omschrijven, zo zullen wij dit doen uit het eeuwige en daarmede niet de regels van dit ogenblik stellen, maar de erkenningen die altijd geldig zijn.”

Misschien maak ik het u een beetje moeilijk, naar hij heeft het nu eenmaal gezegd en hij heeft het niet voor niets gezegd. Alle dingen zou je kunnen verdelen. Nu ga ik een stelletje openbaringen en redeneringen samenvatten om het eenvoudig te houden.

Alle dingen die wij ervaren, die wij zien en die wij doen zijn het ver­schijnsel van wat wij zijn. Wat wij zijn is niet een persoonlijkheid die al­leen staat. Wij zijn als persoonlijkheid een functie van het geheel. Wij be­horen bij dat geheel. Wij kunnen zonder dat geheel niet bestaan. En een be­paald facet van dat geheel wordt door ons mede gemanifesteerd. Daarom is het eigenlijk ook niet zo belangrijk wat de uitingen zijn. Want die uitingen zullen met alle andere uitingen voortdurend samensmelten, totdat er weer een op zich harmonisch geheel ontstaat;

Wij kunnen ons druk maken over het lijden op de wereld. Maar op zich­zelf is dat natuurlijk voor de wereld. Maar als wij ons niet druk maken over het verschil in lijden tussen ons en een ander, dan verwaarlozen wij de verbondenheid, die er bestaat en daarmee iets wat voor ons essentieel is. Het gaat er dus niet om dat wij zo’n medelijden hebben met al die ande­ren. Het gaat er eerder om dat wij beseffen, dat het feit dat wij medelijden dan een ander ons de verplichting geeft om die ander te helpen of te troosten. Wij moeten een eenheid, een evenwicht nastreven. Hoe wij dat evenwicht noemen is niet belangrijk.

In de leringen van de Wereldleraar komt het begrip Christus praktisch niet naar voren. In de leringen van de Wereldmeester wordt het meermalen genoemd. Maar altijd weer wordt het genoemd als een kwaliteit, niet als een persoon. Dat is erg opvallend. Niet alleen dat men zegt; Die oude goden met hun baarden en bliksemschichten, dat alles is achterhaald, maar het is ook; wat God ís weten wij niet. Wij kennen God in dat wat wij tezamen zijn, en dat is het enig belangrijke. God is de toestand waarin de totaliteit verkeert. Misschien is Hij de bron daarvan, maar dat kunnen wij niet erken­nen, dat weten wij niet. De Christus is de verbondenheid, zoals die wordt beseft, uitgedrukt in het geheel en niet in één persoon. Het is een eigenschap, die in de totaliteit bestaat en die voor een ieder, die zich bewust wil worden van het geheel toch manifest moet werden, die moet uitdrukking vinden in wat je bent, hoe je denkt, hoe je leeft en vooral hoe je in je­ zelf ervaart en het geheel benadert. De dood heeft in het verleden nogal een rol gespeeld. In vele vormen was de dood eigenlijk iets wat je op de een of andere manier kon afkopen. Zelfs nu zijn er nog mensen, die uitroepen dat het einde der wereld nabij is, maar dat zij en degenen die hen volgen als uitverkorenen door alle rampen zullen blijven voortbestaan in een Duizendjarig Rijk (het lijkt Hitler wel) waarin God de glorie van zijn Zoon zal openbaren en de Zoon des mensen wedergekomen als rechter zal zitten over allen en hen, die nog leven op de Wereld zal doen ingaan in zijn eeuwige glorie. Het is logisch, dat die mensen zo denken. Voor hen is het een manier om te ontkomen aan hun onvrede, met het geheel, hun angst voor de dood als een verschijnsel waarmee zij anders geen raad weten. In de leringen van de Leraar zowel als van de Meester is de dood eigenlijk onbelangrijk De leraar zegt op een vraag, die hem daarover wordt gesteld:

“Wat is de dood anders dan de rustpauze, die wij nemen wanneer een dagreis voorbij is en wij ons voor bereiden voor een volgende dag van trekken.”

Dat is een fantastische omschrijving. Dat is zo doodnormaal. Je hebt even rust nodig, zegt hij, en heb daar nu maar vrede mee, want morgen gaat de zaak weer precies zo verder.

De Meester zegt het weer een beetje anders. Hij gebruikt het woord “dood” dan ook niet. Hij zegt”

“Licht en schaduw zijn beide deel van de totaliteit. Zo ons besef de totaliteit nog niet omhelst, zullen wij gaan van Licht naar schaduw, van schaduw naar licht. Steeds weer in onszelf erkennende het geheel en vanuit onszelf openbarend het geheel, totdat het geheel voor ons een doel is van datgene wat wij zijn en schaduw en licht versmelten tot de eenheid van een werkelijk bestaan.”

Dit is iets waarover je heel erg moet nadenken, wat je eigenlijk zelf moet beleven en niet alleen naar logisch ontleden. De nieuwe openbaringen heb­ben dus een bepaalde tendens. Het is overigens opvallend dat de grote openbaringen van de komende periode juist de nadruk leggen op de eenheid der dingen en scheidingen, die op vele manieren in het verleden zijn gemaakt, ongedaan maken. Daar wordt niet meer gesproken over uitverkoren volkeren een uitverkozene Gods. Daar wordt gesproken over de eenheid, die wij zijn waarin alles z’n deel heeft en hoogstens het besef van de totaliteit een verschil in beleving tot stand brengt. Daar wordt niet meer gesproken over de nood­zaak om streng wetenschappelijk verder te gaan of over de eeuwige innerlijke wereld, die alle uiterlijke feiten overkoepelt en die alles aan zich ondergeschikt maakt. Het is doodgewoon zo; Als er iemand komt en zegt.

De wereld is vierkant en de maan is van groene kaas, dan zegt de Wereld­ Leraar; Dat is niet belangrijk. Laat die man dat zeggen. En als die mens zegt; De wereld is het centrum van het heelal, of; het is een vliegen­ poepje dat uit de werkelijkheid is geworpen, dan zegt de Wereldleraar; Nu ja, zeg dat maar, het geeft niets. Het is niet belangrijk hoe je de dingen omschrijft.” Het is belangrijk hoe je de dingen beleeft. Als je de dingen eenmaal beleeft als een eenheid, dan is je definitie van de din­gen verder onbelangrijk. Dit is kentekenend voor Aquarius. Het is kenteke­nend voor de hele ontwikkeling zoals die zich nu bijna een eeuw aan het afspelen is.

Ik zou ook kunnen teruggrijpen naar de openbaringen van Joseph Smith, die later door Brigham Young zo schitterend werd vertegenwoordigd in de toenemende veelwijverij (van de Mormonen) op gronde van de verguld koperen tafelen welke een engel had gebracht, die kennelijk geen cash genoeg had­ om echt goud te brengen. Dat hoeft men pas later ontdekt. Het gaat hier dus niet om de vraag, of er veel religies zijn gesticht. Want als wij goed kijken, dan is bv. de leer van Mormon gewoon het christendom, maar in een wat andere vorm gegoten. Zo zijn er vele. Maar als je ze gaat bekijken, dan zijn ze eigenlijk al­lemaal een schaduwbeeld van een andere bestaande religie. Zij noemen zichzelf beter en nieuwer, maar als het erop aan komt, dan hebben ze dezelfde fouten en dezelfde kwaliteiten,

Nu komen we ineens terecht in een eeuw waarin plotseling allerlei oude wijsheden weer opduiken, de meest vreemde esoterische leringen, lang vergeten, plotseling opgeld doen, waarin de mens systemen gaat zoeken om zichzelf te ontwikkelen en innerlijke kracht te vinden. En in die tijd komt nu iemand en zegt; Ach, die uiterlijkheden zijn onbelangrijk. Het is de verbondenheid van alle dingen, die de enig werkelijke rol speelt. Ik vind dat op zichzelf iets veelbetekenends. Het zegt iets over de tijd die gaat komen. En dan moeten wij ons niet vergissen. Toen Jezus kwam, bracht hij de leer van de vaderlijke God (niet de toornige God, maar de vaderlijke God) en van de naastenliefde waardoor de verlossing word gevonden. Maar per slot van rekening, in zijn naam is het paternalisme gegroeid als zelden tevoren. In zijn naam heeft men anderen vervolgd. De naastenliefde heeft in vele gevallen plaats gemaakt voor een onbegrijpelijke geestelijke verwaandheid. Laten wij dus niet denken, dat nu de nieuwe Wereldleraar er is geweest en de nieuwe Wereldmeester, ook zijn krachten en zijn openbaringen heeft gebracht, dat de wereld ineens gaat veranderen.

Wij kunnen wel zeggen, dat het geheel van denken en zelfs een groot gedeelte van de sociale ontwikkelingen bepaald zijn geworden door hetgeen Jezus bracht. Ik geloof, dat wij dát tenminste mogen veronderstellen voor Wereldleraar en Wereldmeester. Dan is dus het begrip van éénheid niet meer een menselijke solidariteit of een groep solidariteit, maar gewoon het begrip van verbondenheid met alle dingen de basis van waaruit men ver­der zal werken.

De nieuwe openbaringen tonen een weg waardoor de geschillen en verschillen tussen de mensen kunnen wegsmelten, en plaats raken voor een reële erkenning dat men anders kan zijn en toch gelijk zijn plus de erkenning dat het “anders zijn” van de anderen een aanvulling is op wat je zelf bent, en niet slechts een verschil in kwaliteit of waarde. De wereld gaat in de richting van iets dat meer is dan broederschap, iets dat een eenheid is, waarbij je je niet meer afvraagt “wat is mijn positie, wat wil ik, wat doe ik?” Maar waarbij je je onwillekeurig afvraagt “hoe kan ik betekenis hebben voor een ander waardoor ons zijn als geheel tot uitdrukking komt.” Ik geloof, dat dat een grote belofte is.

De nieuwe openbaringen van deze tijd ‑ of ze verbreid zijn of niet – wijzen in de richting van een vrijere mens. Maar ook van een mens, die in de vrijheid juist zijn verbondenheid met anderen zal moeten aanvaarden.