Nieuwe regels – de grote vraag

22 mei 1964

Allereerst wil ik u erop wijzen, dat wij, sprekers van deze groep, niet alwetend of onfeilbaar zijn. Denkt a.u.b. zelfstandig na over alles wat hier besproken en naar voren gebracht wordt. Ons onderwerp van heden loopt vooruit op ontwikkelingen in de naaste toekomst. Ik zou dit willen noemen: Nieuwe regels.

Zoals u weet, wordt er jaarlijks veel gedaan voor de ontwikkeling van de mensheid. Besluiten worden genomen, methoden worden besproken. Dit alles vindt plaats rond de bijeenkomst, die men kent onder de naam: “De Bijeenkomst in de Wessac-vallei.”

In tijden, dat zeer veel van belang besproken moet worden, zal een deel van de tijd voor de bijeenkomst gebruikt worden voor een bijeenkomst van wat men de Kleine Raad pleegt te noemen. Hier gaat men onderling reeds na, welke tendensen zich hebben geopenbaard, wat er gaande is en hoe men daarop in ieder geval wel zal moeten reageren. Deze bijeenkomsten hebben natuurlijk niet het definitieve karakter en geven niet de vaste besluiten die de bijeenkomsten na het gebeuren van de Wessac-vallei kentekenen en welke door de Grote Raad worden genomen.

Toch achten wij de ontwikkelingen van deze tijd zodanig interessant en belangrijk, dat wij reeds nu willen trachten u omtrent alles, wat in deze Kleine Raad besproken wordt – zij is nog in zitting – reeds nu enigszins willen voorlichten. Daarbij zal ik trachten u enig inzicht te geven in alles, wat zich m.i. aan verandering van gebruiken, regels enz. aankondigt. U moet echter bij al het volgende wel bedenken, dat deze vaak meer organisatorische aard zijnde beslissingen pas werkelijk van kracht zullen worden, wanneer ook de Grote Raad daaraan zijn fiat heeft gehecht. Al wat ik u reeds nu mee kan delen, is in wezen dus een soort vooruitlopen op de uiteindelijke beslissingen.

Allereerst wil ik daarbij wijzen op de moeilijkheden, die verwacht kunnen worden in verband met invloeden en geestelijke krachten, die op aarde nu kenbaar zijn of binnenkort daar kenbaar zullen worden.

Reeds in de afgelopen jaren hebben wij met steeds groter intensiteit zekere verdwazing op zien treden onder de mensen, die economisch, politiek, maar wel degelijk ook in het gedrag van gewone mensen kenbaar werd. Wij kunnen wel zeggen, dat deze invloed voor de mensen van heden een overwegend onaangename rol speelt. Er is hier geen sprake meer van redelijkheid.

Vaak is zelfs de schijn van redelijkheid ver te zoeken en is de basis van handelen en denken zover van de werkelijkheid vervreemd, dat zonder meer zelfs voor de mens duidelijk wordt, dat hierin verandering dient te worden gebracht. Deze veranderingen zullen – zover het zuiver geestelijke ontwikkeling betreft vooral – enige tijd vergen. Om reeds nu hiervoor zekere achtergrond te scheppen en de mogelijkheid hiertoe te scheppen, zal het noodzakelijk zijn te komen tot een vorm van organisatie, ook op aarde. Verschillende beelden heeft men hieromtrent ontwikkeld.

Het m.i. meest interessante en waarschijnlijk meest algemeen aanvaarde voorstel gaat uit van het volgende: Een mens heeft, zelfs wanneer hij geheel bewust is, veelal maar een zeer beperkte invloed op zijn omgeving. Wanneer rond deze mens een aantal anderen samen komen en met deze bewusten tezamen gaan werken, zal, zelfs wanneer de volgelingen minder bewust zijn en minder vermogens bezitten, de mogelijkheden tot beïnvloeding van de wereld aanmerkelijk groter worden.

Verder zal iemand die dezelfde waarheid beseft, niet zonder meer in staat zijn zelf voldoende proselieten te maken, anderen in te voeren en mee te slepen in zijn zienswijze, hen inzicht te verschaffen in de krachten, waarmee hij werkt. Om een uitbreiding van het aantal mogelijk te maken, is het dus wel goed, wanneer ook door eventuele proselieten verdere volgelingen worden aangetrokken. Het is logisch, dat bij de besprekingen van meerdere zijden werd gesteld: het is noodzakelijk, dat wij een aantal groepen stichten, die onderling sterk gebonden moeten zijn.

Elke groep moet als centrum een meer bewuste of meer ingewijde persoonlijkheid hebben. Het is echter niet aanvaardbaar, wanneer deze groepen te eenzijdig of te dogmatisch ingesteld zijn: dit zou hen belemmeren om met andere, soortgelijke groepen, samen te werken. Zij zullen dan ook moeten trachten enerzijds eigen harmonie te vergroten, om gelijktijdig anderzijds nieuwe groepen in het leven te roepen en contacten met andere groepen te leggen. Het is, zoals u al begrepen hebt, een vorm van cellensysteem, waarbij het doel van de groepen niet is onmiddellijke invloed op de omgeving uit te oefenen, maar door hun gedrag en het propageren van geestelijke discipline en zelfdiscipline wel deze wereld zullen trachten te confronteren met voor die wereld nieuwe en betere mogelijkheden.

Er werd dan ook gesteld, dat het vormen van dergelijke groepen van het hoogste belang kon zijn in deze tijd, terwijl de taak van deze groepen volgens de meerderheid drieledig zou zijn:

  1. Zij zouden zelf een gemeenschap moeten zijn, waarin leringen worden verstrekt en overdacht.
  2. Deze groepen dienen gemeenschappen te zijn, welke het geleerde als gemeenschap bezien en onmiddellijk trachten om te zetten in de praktijk.
  3. Elke dergelijke groep zou moeten zoeken naar nieuwe aanhang, belangstellenden moeten aantrekken, om zo de leringen, die vanaf de top ontvangen worden, steeds verder aan anderen door te geven en te verbreiden.

Het is duidelijk, dat het aantal centra dat met een volledig ingewijde als middelpunt op het ogenblik gesticht kan worden, in de stof betrekkelijk klein is. Bovendien is de titel Ingewijde of Meester een zeer gevaarlijke definitie die vooral in de handen van leken al snel wordt tot een aanduiding van gezag en leiderschap, welke geen zelfstandige ontwikkeling meer toelaat dan dat de communiteit zich onderwerpt aan een enkele persoon. Dit laatste is in deze tijd niet aanvaardbaar en mag zelfs niet geduld worden. Daarom werd gesteld:  Wij zullen deze groepen trachten op de bouwen in zo groot mogelijk aantal, daarbij gebruik makende van alle inspiratieve en dergelijke mogelijkheden, die er maar bestaan. Wij zullen trachten dergelijke groepen niet alleen buiten kerken en genootschappen te doen ontstaan, maar ook daarbinnen zoveel mogelijk groepsvormingen in de hand werken. Deze groepen zullen contemplatief en meditatief werkzaam moeten zijn…, maar daarnaast ook naar buiten toe op kunnen treden. Vandaar, dat een zekere zakelijke activiteit van dergelijke groepen soms voor zal komen, of zelfs wel noodzakelijk zal blijken.

Natuurlijk is over dit punt nog veel meer gezegd. Dit raakt echter zo weinig de grondslag en is zozeer van zuiver organisatorische aard, dat het mij beter lijkt hierop niet verder in te gaan, voor de definitieve beslissingen gevallen zijn. Wel wil ik u wijzen op het feit, dat bij deze uitwerking onder meer ook begrippen als eigendommen, persoonlijke bezittingen en plichten van de mens in het geding kwamen. Onder andere werd gesteld, dat het goed is, wanneer eenieder zijn bezittingen persoonlijk naar buiten toe blijft beheren, naar dat het wel noodzakelijk lijkt, dat de bezittingen van de groep of zelfs meerdere groepen, gelijktijdig beschouwd kunnen worden als een gezamenlijk kapitaal, terwijl de werkkracht van alle leden beschouwd zou moeten worden als een gezamenlijk vermogen, dat in geval van nood door de groep voor elk doel kan worden ingezet.

Er zijn op aarde reeds enkele verschillende esoterische groepen, die een dergelijke verhouding van hun leden nastreven en zelfs soms ten dele reeds wisten te verwerkelijken.

Daarom lijkt het aannemelijk, dat op dergelijke groepen in de komende jaren in het bijzonder een beroep zal worden gedaan. Het is immers vaak zeer moeilijk een mens er toe te brengen, zijn eigen bezit, zijn zekerheden – zoals hij deze beziet – prijs te geven aan een gemeenschap, waarin hij misschien toch nog niet voor de volle 100% vertrouwen heeft, waaraan hij zich nog niet helemaal durft overgeven. Overigens impliceert dit weer – en dit kwam in de besprekingen ook reeds naar voren – dat in sommige groepen en verenigingen van heden hierdoor een soort splitsing kan ontstaan. Ofschoon deze in vele gevallen naar buiten toe verborgen zal worden gehouden, doet zij binnen het kader van deze groepen toch wel diametraal tegenovergestelde groepen ontstaan. Denk aan maçonnieke loges, rozenkruisers, theosofen enz.

Belangrijk is hierbij, dat vernieuwing voor alles gaat. Degenen die alleen maar vast willen houden aan eigen systeem en oude waarden, zullen daardoor in de toekomst met steeds grotere moeilijkheden te kampen krijgen en – dankzij deze moeilijkheden – ook steeds feller op gaan treden tegen alle groeperingen die wel een vernieuwing na durven streven. Een bestrijding van de vernieuwing zal in het komende jaar dan ook vaak ernstiger dan in voorgaande jaren naar voren treden. Men heeft reeds reeksen van maatregelen hiertegen overwogen. De wijze van werken houdt in, dat de resultaten hiervan – gezien vanuit een menselijk standpunt – veel op toeval zullen lijken. Het komt er op neer, dat men allerhande aangelegenheden zo wil gaan beïnvloeden, dat men, of men nu wil of niet, uiteindelijk alle bestrevingen, die tot vernieuwing kunnen voeren, zal moeten tolereren.

Interessant is verder ook de gedachtegang, dat de verschillende politieke systemen op deze wereld op het ogenblik zoveel overeenkomst vertonen, dat het daartussen gemaakte onderscheid in de meeste gevallen eerder theoretisch dan praktisch is. Indien het u interesseert: men wees hierbij o.m. op de betrekkelijk kleine verschillen in bestreving en methodiek tussen communisme, socialisme en vele z.g. democratische groeperingen over geheel de wereld. Er werd zelfs op gewezen, dat menig dictatoriaal stelsel de neiging toont gemeenschapszin en onderlinge verantwoordelijkheden voorop te stellen. Men meent, dat ook op dit terrein veel te bereiken zou zijn, wanneer maar de grenzen tussen deze verschillende “systemen” geslecht zouden kunnen worden en een begrip voor de eensluidendheid van elkanders einddoel zou rijzen. Dit betekent, dat vele vooroordelen moeten worden aangetast, die vooral in de massa bestaan – vaak kunstmatig in standgehouden – en daarom ook door beïnvloeding van de massa bestreden zullen moeten worden. Wanneer wij ook maar 1/10 van hetgeen in dit verband werd voorgesteld in de komende 2 à 3 jaren tot werkelijkheid zien worden, zou dit een grote omwenteling in de internationale verhoudingen en politieke structuur op de wereld gaan betekenen, terwijl daarnaast ongetwijfeld hierdoor ook grote veranderingen in de economische structuur van vele landen zou ontstaan.

Deze economische structuur werd van verschillende kanten ook nog naar voren gebracht en uitvoerig besproken, ofschoon dit aspect van het menselijke leven ons in wezen niet zozeer interesseert. De economie, zo werd gesteld, is in bepaalde stellingen en theorieën op het ogenblik zozeer vastgeroest, dat van een feitelijke vernieuwing hierin geen sprake kan zijn zonder grote wijzigingen. Er is nu vooral sprake van pogingen tot stabilisatie en een uitbreiden van reeds bestaande waarden. Niet echter blijkt men bereid te zijn tot een in wezen noodzakelijke nieuwe aanpak, die tot ingrijpende aanpassingen aan behoeften en noodzaken zou voeren. Deze zou o.m. een geheel andere aanpak betekenen van fabricage – industrie dus, waaronder ook de landbouw – en verdelingssysteem. Men meende dan ook, dat op dit gebied onvermijdelijk grote pressie zou moeten worden uitgeoefend.

In vele landen zal dit allereerst voeren tot een snelle toename van de werkeloosheid en een sterke vermindering van de spanningen op de arbeidsmarkt aan de ene zijde, terwijl aan de andere kant dit zal voeren tot een nolens volens vrijer maken van de uitwisseling van goederen en producten tussen de verschillende landen. Dit alles betekent verder, dat vooral de top lastige staatsapparaten, die dus t.a.v. het werkelijke volksinkomen een teveel aan administratieve kosten plegen te maken en teveel gelden op niet rendabele wijze plegen te besteden, onder hevige druk der omstandigheden zullen komen te staan. Zij zullen zich moeten beperken, of zij willen of niet.

De wil zal m.i. slechts in de meest zeldzame gevallen aanwezig zijn, zodat ook dit alles wel met de nodige strijd gepaard zal gaan. De poging, ook hier tot een vereenvoudiging te komen, kan, gezien de nieuwe tendensen, gelijktijdig worden gebruikt om nieuwe inzichten en principes in het staatsbestel binnen te doen dringen en de economische samenhangen zowel wat betreft arbeidsmarkt, productieprocessen als de lasten, die de gemeenschap daarop legt, te wijzigen.

Dit zijn punten, die voor u niet van een overweldigend belang hoeven te zijn, vooral wanneer u geneigd bent voornamelijk geestelijk te denken. Toch zijn het deze en soortgelijke inwerkingen, waaruit een werkelijke vernieuwing op aarde zal kunnen ontstaan. Wij kunnen geen vernieuwingen tot stand brengen, door alleen maar geestelijke leringen en invloeden te geven. Wanneer er een nieuw principe komt, wanneer ons nieuwe geestelijke krachten en opdrachten gegeven zouden worden, zo zouden wij daarmede niets kunnen doen, zouden wij de gestelde taken niet kunnen verwezenlijken, door alleen vanuit de geest in te grijpen per geval. Met dit laatste zouden wij de mensheid wel kunnen dwingen in een richting te gaan, die zij zelf niet wenst, maar zij zou zich niet bewust zijn van de noodzaak, de redenen. Haar reacties op dit ingrijpen zouden dan ook zodanig kunnen worden, dat de stoffelijke en geestelijke gevolgen niet meer te overzien zijn. De mensheid moet nu eenmaal zelf opgroeien. Dit laatste kan men, zoals ook nu weer blijkt, volgens de mening van de beste geestelijke leiders, alleen maar bereiken door haar aan te tasten in de z.g. vaste waarden van het menselijke bestaan, die voor de doorsnee mens immers bepalend, ja, zelfs beslissend zullen zijn voor zijn wijze van denken, leefwijze en levenshouding. Godsdienst, politiek, economie zijn hierbij de hoofdpunten.

Een reeks besluiten van wat andere geaardheid werd voorlopig reeds aangenomen t.a.v. de leringen die men vanuit de geest op velerlei wijze aan de mensheid in de komende tijden zal doen toekomen. U zult begrijpen, dat de waarnemers van onze Orde juist hier met zeer grote belangstelling hebben geluisterd, omdat dit voor onze mogelijkheden en werkzaamheden in het komende verenigingsjaar zeer belangrijke indices bevat.

Onder meer werd het volgende te berde gebracht:

De mens van heden zou moeten leren handelen, denken en zien aan de hand van een geloof of innerlijke theorie, die hij zelf op de proef kan stellen en aan zich zelf zowel innerlijk als in zijn wereld zal kunnen bewijzen. Wanneer dit echter, zoals tot op heden steeds weer blijkt, onvoldoende mogelijkheden en resultaten biedt, zal men moeten overgaan tot het verschaffen van voorschriften. Voorschriften, die – zoals onze groep meent – niet bindend hoeven te zijn, maar toch een reeks vaste aanwijzingen dienen te bevatten voor de meest juiste wijze van reageren, leven en denken, het bepalen van eigen gedragslijn. Daarbij werd gesteld, dat deze regels verder invloed zouden moeten hebben op de voorlopige ontwikkelingen van de mens en daarbij zeker ook nieuwe mogelijkheden zouden moeten scheppen tot het bereiken van innerlijke vrede en het ontwikkelen van paranormale of occulte eigenschappen.

Voor ons was het belangrijk, dat hierbij vooral de nadruk werd gelegd op een aantal aspecten en ontwikkelingen, die direct of indirect te maken hebben met een ontwikkelen van telepathie.

Verschillende hogere meesters en belangrijke groepen wezen op de noodzaak de mens meer in de gedachten van anderen te doen leven. Hun stelling daarbij was als volgt: Bij een toenemende bevolking op deze wereld en een gelijktijdig afnemen van de persoonlijke beheersing en het persoonlijk gevoel van verantwoordelijkheid bij de eenling ontstaat een steeds groter isolement. Mensen zijn niet slechts van elkander gescheiden door sociale of andere grenzen, maar kunnen zelfs degenen, met wie men in nauw contact leeft niet meer begrijpen. Men is blind voor alles, wat anderen motiveert, is blind voor alles, waaruit deze anderen streven en denken, men is blind ook voor hun verwachtingen. Deze blindheid, zo stelde men, kan op de eenvoudigste en snelste wijze worden opgeheven, door de sensitiviteit van de doorsnee mens te vergroten en zo een grotere ontvankelijkheid voor de gedachten van anderen, ook wanneer deze niet worden uitgesproken, te doen ontstaan.

Er werd overigens wel over gestreden, of men deze mogelijkheid zou zoeken te bevorderen dooreen directe ontwikkeling van de telepathische capaciteiten van de mensen, waardoor dus gedachten geheel gevormd en bewust kunnen worden opgenomen, dan wel door een gevoelswaarde te verhogen, waarbij wel tendens, maar niet woordelijke inhoud van het denken kan worden ontvangen.

Wat het eerste betreft, werd als bezwaar naar voren gebracht, dat bij een algemene ontwikkeling in deze zin alleen geheel beheerste telepathie aanvaardbaar zou zijn. Men zou dan niet alleen gevoeligheden moeten vergroten, maar ook het bewust opnemen van en het bewust zich afschermen tegen gedachten van anderen algemeen moeten leren, omdat een mens, die zonder voorbehoud aan de gedachten impulsen van anderen wordt blootgesteld, dit niet zou kunnen verwerken.

Wij menen hieruit de conclusie te mogen trekken, dat bij onderricht en training op bewust ontvangen en bewust beheersen van de telepathische vermogens enige nadruk zal vallen, terwijl binnen het kader van actuele gebeurtenissen de mens gewezen zal moeten worden op de gevoelsinvloed die als gevolg van massaoverdracht kan ontstaan. In dit laatste geval gaat het om een overdragen van vage, maar sterk in emotie uitgedrukte gevoelens en gedachten. U weet waarschijnlijk reeds, dat een dergelijke overdracht soms voorkomt en dan vaak eigenaardige gevolgen heeft. Wie daarover iets meer in de praktijk wil weten moet maar eens aandacht besteden aan de schijnbaar spontaan ontstane nozemrelletjes e.d. zoals deze in de laatste tijd steeds meer zijn voorgekomen.

Zeer belangrijk waren ook enkele reeksen van overwegingen, waarbij men zich vooral bezig hield met het optreden van de geest op aarde. De geest, zoals zij tot op heden op aarde werkzaam is, doet dit vaak alleen binnen het kader van spiritisme en spiritualisme, ofwel geheel daar buiten, binnen godsdienstige gemeenschappen. Er bestaan tot op heden betrekkelijk weinige geestelijke groeperingen, die bij hun werken vanuit de geest waarlijk trachten elke geloofsgroepering en scholing gelijktijdig te bereiken. Wij menen, dat hierin een grote ommekeer zal moeten komen.

Het is niet meer mogelijk volgens velen, als geest nog onderscheid te maken tussen verschillende soorten van gelovigen, spiritisten, esoterici, magiërs, ongelovigen enz. Eigen voorkeuren mogen geen belangrijke rol meer spelen in de invloed, die vanuit de geest wordt uitgeoefend en bij de steun, die vanuit de geest aan mensen wordt verleend.

Een algehele pressie vanuit de geest op alle mensen eist echter ook een betere coördinatie van het werk der vele kleinere geestelijke groepen. Dit zal ook in de sferen zo hier en daar nog wel wat moeilijkheden baren, want ook wij zijn geneigd om allereerst ons eigen standpunt te verdedigen en onze eigen mensen allereerst te helpen, terwijl een normalisatie van de verhoudingen tussen mens en geest lang niet altijd even vriendelijk zal worden bezien. Wij menen, dat men zich echter in de sferen aan de richtlijnen en besluiten van de broederschap uiteindelijk wel zal moeten onderwerpen. Ik meen dan ook, dat dit punt tijdens de Grote Raad zeker bevestigd zal worden, terwijl door de Grote Raad daaraan mogelijk nog andere conclusies en consequenties verbonden zullen worden.

Ik citeer hier alleen maar enkele van de in dit verband te berde gebrachte argumenten: Het verschaffen van bijzondere vermogens en krachten aan mensen wordt van belang geacht, omdat alleen door het versterken van psychische werkingen en impulsen de al te grote verering van fysieke wetenschappen en regels enigszins zal kunnen worden verminderd. Een punt, waarmede ik het persoonlijk geheel eens ben. Minder eens ben ik het met het volgende punt, ofschoon de geldigheid van de naar voren gebrachte argumenten niet ontkend kan worden.

Men stelt: Elke mens zal in de komende tijd opgevoed moeten worden tot een zo volledig mogelijke zelfwerkzaamheid en hem zullen daarom ook de krachten gegeven moeten worden, om door zelfwerkzaamheid resultaten te bereiken. Dit zal zelfs moeten gelden, wanneer de resultaten van deze zelfwerkzaamheid niet à priori goed of gunstig zijn. Het laatste punt vormt voor mij een ernstig punt ter nadere overdenking.

Men heeft echter in antwoord gesteld, dat het noodzakelijk is, de mens te confronteren met zowel de goede als de kwade mogelijkheden van de gaven, die hij ontwikkelt.

Aardig waren de argumenten voor een meer algemeen doen beleven van visioenen en het scheppen van een grotere natuurgebondenheid en beleving, waar dit maar mogelijk is. De redenering, die hierbij te pas kwam, was ongeveer als volgt: Wij alleen weten dat op aarde zovele spanningen aanwezig zijn, dat een reeks van natuurrampen haast onvermijdelijk is. In ruim 140 magma-haarden is een zodanige stijging van temperatuur te zien, dat vulkanische uitbarstingen en verschijnselen haast niet te vermijden zijn en zelfs voor zullen komen in streken, waar op het ogenblik geen werkende vulkanen meer aanwezig zijn. Vele andere vulkanen, die weinig of geen activiteit vertonen, zouden, gezien ditzelfde verschijnsel, in korte tijd en vaak op een explosieve wijze, opeens actief kunnen worden. Andere mogelijke werkingen en gebeurtenissen in de natuur werden eveneens aangestipt, waarop men stelde: wanneer wij de mens verder laten gaan in zijn huidige ongevoeligheid voor onevenwichtigheden en gevaren in zijn natuurlijk milieu, zal hij zich in onvoldoende mate kunnen voorbereiden op deze gevaren en zich daaraan ook niet kunnen onttrekken. Indien wij echter de gevoeligheid opvoeren – daarbij werden voor sommige gebieden termijnen van 6 tot 9 maanden genoemd, wat wijst op zekere rust of althans op niet te veel onvoorziene rampen gedurende deze periode – zal in vele gevallen de mens behoed worden voor al te grote schade in aantallen. Bovendien zal men door deze gevoeligheid en de daarmee verbonden verschijnselen kunnen leren, dat het soms beter is zich van alle bezittingen los te maken dan zich aan zijn stoffelijke bezittingen te sterk vast te klampen.

Door een betrekkelijk kleine fractie werd ook voorgesteld: met alle middelen de gevoeligheid van de mens voor, en het contact met de natuurgeesten te bevorderen. Ik meen, dat slechts weinigen het hiermee eens waren, maar noem dit voorstel om duidelijk te maken, hoezeer men de gevoeligheden van de mens op alle gebied wil versterken. Men stelt: de mens van heden is te zeer van de aarde, van de natuur vervreemd. Indien zijn gevoeligheid, toeneemt en hij begrip krijgt voor het wezen der natuur, zal het hem mogelijk zijn daarmee meer bewust contact op te nemen en zo ook in de zeer dichtbevolkte centra van verschillende landen de natuur weer een voldoende overwicht te geven. Het is namelijk onmogelijk een ecologisch evenwicht ook de volgende 40 à 50 jaren te handhaven, of zelfs maar te blijven benaderen, indien bij de mensen zelf geen groter begrip ontstaat voor de natuurkrachten, het leven in de natuur en de werkingen, die daar van uitgaan.

Genoemde kleine fractie meent, dat een bewust of zelfs niet geheel bewust contact met natuurgeesten bij zal kunnen dragen tot het kiezen van de juiste methoden en wegen door de mens. In Nederland zou dit bv. heel aardige mogelijkheden inhouden voor een verbeteren der watervoorziening te Rotterdam: er zijn organische methoden van waterzuivering, waarbij in betrekkelijk korte tijd veel van de huidige ellende zou kunnen worden opgelost. Maar dan zou men moeten beginnen met begrip en eerbied voor het water en alle leven daarin – bacteriën etc. – en voorlopig ziet men het probleem in de eerste plaats nog als technisch.

Ik gaf dit laatste voorbeeld om u duidelijk te maken, hoe dicht dit alles verbonden blijft met uw dagelijkse leven en uw belangen op aarde, ook al klinkt het misschien wat geestelijk en abstract.

Zeer interessant vond ik ook een reeks van overwegingen, die zich bezighielden met religieuze en pseudo-religieuze structuren. Bepaalde politieke richtingen kan men binnen dit verband dus ook als een vorm van religie beschouwen.

Er werd gezegd: Indien wij een religieuze structuur aan willen tasten – wat noodzakelijk zal zijn om de te scherpe tegenstellingen onder de mensen weg te nemen en een verder verscherpen van tegenstellingen te voorkomen – zal allereerst moeten worden aangetoond, dat deze structuren niet waarlijk de onfeilbaarheid en zekerheid bezitten, waarop zij zich voor laten staan. Het zal dan ook noodzakelijk blijken de verklaringen van hooggeplaatsten in godsdienst en zelfs staatsbestel kenbaar te raken aan de massa en ook te wraken dwaasheden zijn hierbij welkom.

Volgens een groot percentage van de aanwezigen in de Kleine Raad zal het noodzakelijk zijn in het komende jaar een groot aantal staatslieden, bekende theologen, partijleiders e.d. in hun hemd te zetten. Aan de andere kant werd opgemerkt: het menselijke geloof is niet alleen maar gebaseerd op een mythe. Het is moeilijk de mens een logisch contact te verschaffen met de werkelijkheid. Wij zullen hem allereerst moeten leren onderscheid te maken tussen de mythe en de werkelijkheid, opdat hij zijn geloof en de basis van zijn leven eerlijk durft bezien.

Ik meen begrepen te hebben, dat, zo men de voornemens van de Kleine Raad ten uitvoer legt, daarbij in de komende jaren opgravingen maar ook nieuw ontdekte geschriften uit de Oudheid een grote rol zullen gaan spelen. Deze schrifturen en opgravingen zullen aan de ene zijde de juistheid van vele heilige boeken eens te meer bewijzen, maar anderzijds toch ook duidelijk maken, dat de interpretatie die men aan delen van deze heilige geschriften pleegt te verbinden, onjuist was. Een punt, dat misschien op het eerste gezicht alleen voor deskundigen van groot belang schijnt te zijn, maar bij nader inzien toch ook van groot belang voor de mensen zal zijn, omdat geloofsargumentatie hierdoor redelijker, eerlijker en aanvaardbaarder zal kunnen worden.

Het zal u duidelijk zijn, dat het geloof aan God voor deze tijden van het grootste belang wordt geacht. Men is in de geest ervan overtuigd, dat de wijze, waarop men het bestaan van God e.d. tracht aan te tonen, gezien de gemiddelde intelligentie van de huidige mens, beneden alle peil ligt. Ik zal een stukje citeren van een “gesprek” hierover, om u duidelijk te maken, dat in de Kleine Raad wel degelijk gedebatteerd wordt.

Iemand stelde: Ik voel veel voor de stelling, dat er, zo er geen scheppend principe was, geen ordening in de schepping denkbaar is. Het tegenargument was: dit is emotioneel, maar geen redelijk argument. Wanneer ik aanneem, dat een Schepper uit zichzelf kan bestaan met in zich alle wetten, vormen en begrippen van perfecte ordening, zal men mij terecht kunnen vragen, waarom de Schepper wel, het Al niet vanuit zichzelf met perfecte ordening enz. kan ontstaan en bestaan. Een verschil te maken tussen het eeuwige bestaan van de Schepper en de mogelijkheid, dat het Al vanuit zich ergens eeuwig en geordend bestaat, is in een bewijsvoering of poging daartoe niet direct reëel te noemen. Het maken van een verschil tussen een leidend intellect – dat niet openlijk kenbaar is – en de schepping daarvan, zal voor de mens alleen waarlijk redelijk aanvaardbaar zijn, wanneer werkingen en banden kunnen worden aangetoond – en niet alleen gesteld – die verder gaan dan de materie.

Volgens mij was het belangrijk, dat als gevolg van deze meningsverschillen en zienswijzen velen in de vergadering pleitten voor het doen geschieden van wonderen op zodanige wijze, dat zij niet of slechts door een voor allen kenbare verdraaiing van feiten aan een bepaalde godsdienst zouden kunnen worden toegeschreven, maar toch zo, dat de godsdiensten geneigd zullen zijn deze wonderen voor zich op te eisen en de wetenschap zich verplicht zal gevoelen, een verklaring voor de verschijnselen te zoeken. Uit de strijd, die zo ontstaan kan, zal een grotere gevoeligheid voor het wonder – het toeval, dat volgens de waarschijnlijkheidsrekening niet voor zou kunnen komen in herhalingen bv. – naar voren komt.

De vele punten, die ter sprake kwamen, maken het m.i. reeds mogelijk enig inzicht te krijgen in de waarschijnlijke besluiten van de Grote Raad en conclusies te trekken.

Alle groeperingen in de Witte Broederschap hebben op het ogenblik de behoefte snel en op korte termijn op aarde in te grijpen. De neiging om daarbij patriarchaal leiding te geven, blijkt t.a.v. vroegere bijeenkomsten afgenomen te zijn. De neiging de mens grotere middelen en mogelijkheden ter beschikking te stellen op stoffelijk en geestelijk terrein – zelfs wanneer misbruik mogelijk of onvermijdelijk lijkt – is aanmerkelijk toegenomen.

Wij zouden daarom wel mogen stellen dat voor deze inleidende vergaderingen de drang typerend was, de mens ten koste van alles, desnoods ten koste van zichzelf, te confronteren met de verandering, de vernieuwing. Opvallend is daarbij, dat de mens vanuit de geest – “van bovenaf” – wel minder bescherming wordt toegedacht dan tot op heden.

De neiging om protectief op te treden in geval van natuurrampen e.d. – iets wat in de vorige jaren bij velen nog zeer sterk tot uiting kwam – blijkt sterk afgenomen te zijn. Wel meent men, dat men de mensen zelf op korte termijn de middelen in handen moet geven, om rampen te voorkomen of zich daaraan te onttrekken, maar meent toch ook, dat men als geest niet meer in zal mogen grijpen om de mens ondanks zijn onbekwaamheden en fouten te beschermen. Een punt, dat voor velen van u een nadere overweging waard zou zijn.

Typisch was voor mij, gezien de besluiten, die men meent te zullen moeten nemen, de waardering, die bij velen in de geest bestaat voor de nu heersende sociale ordening, moraliteit enz. Onze groep behoort hier tot de minderheid, die daarvoor niet zoveel waardering heeft en meent, dat verandering niet alleen noodzakelijk, maar ook wenselijk is.

Zo werd gesteld, dat een publieke moraal, hoe leugenachtig ook, voor de mens noodzakelijk is, omdat hij zonder dit in zijn leven geen houvast meer heeft. Dezelfde echter die op deze wijze argumenteren, stellen verder toch, dat bij de jongere generatie in toenemende mate een aanvallen van en verwerpen van de geldende moraal optreedt en de conflicten tussen de maatschappij der ouderen en de jeugd juist door de onwaarachtige moraal onnodig groot worden, zodat hierin op zeer korte termijn verandering zal moeten worden gebracht. Men sprak daarbij o.m. nog over vele z.g. cultuurwaarden als modeverschijnselen, terwijl men ook de morele waarderingen uiteindelijk toch wel bleek te beschouwen als een reeks van uiterlijkheden, die aan mode onderhevig zijn en door velen innerlijk niet werkelijk als noodzakelijk, juist of zelfs maar wenselijk worden erkend. Wel werd gepleit voor het vergroten der mogelijkheden van de mens tot bv. een verantwoord huwelijk – wat betekent, dat een huwelijk in de eerste plaats gebaseerd dient te zijn op innerlijke harmonie, terwijl uiterlijkheden pas op de tweede plaats komen.

De incarnatiekwestie werd eveneens betrekkelijk uitvoerig besproken. Het zal u wel bekend zijn, dat wij in deze tijd te maken hebben met gelijktijdige groepsincarnaties uit verschillende golven en perioden, zodat de invloeden van verschillende belangrijke perioden in het verleden in deze tijd terug te vinden zijn. Hieraan werd een aardige conclusie verbonden, die ik gaarne ook tot de mijne wil maken: Zolang men zich baseert op uiterlijkheden en uiterlijke bestrevingen, zonder daarbij allereerst de noodzaak van begrip voor en harmonie met buitenwereld en naaste te erkennen, zal niets bereikt worden. Het is belangrijker, dat werkelijke harmonie, begrip voor de naaste en werkelijke samenwerking tussen mensen op het ogenblik algemeen bevorderd wordt, dan een scheppen van grotere mogelijkheden voor de hoogste incarnatiegroepen, die thans op aarde aanwezig zijn.

De tendens, die uit deze en andere punten bleek, brengt naar voren, dat in een tijd, waarin persoonlijke bewustwording belangrijker is dan ooit tevoren, de nadruk vanuit de sferen komt te liggen op samenwerking en begrip in de gemeenschap – dus in iets, dat wij de massa plegen te noemen. Typerend voor de nieuwe krachten zal dus wel zijn, dat enerzijds groepsvorming wordt bevorderd, terwijl aan de andere kant toch weer steeds de nadruk komt te liggen op individualisme.

Wat wij verder van de besluiten van de Grote Raad en de machtige uitstorting van krachten moeten verwachten, weet ik niet, het voorgaande zal echter zeker bepalend blijken voor streven en werking. Dit sluit aan bij een opmerking van een der hogere entiteiten, die n.l. stelde, dat men door een juiste ontplooiing van gaven en eigenschappen binnen bepaalde incarnatiegroepen een versnelling zou kunnen krijgen zowel van de persoonlijke bewustwording als van het proces der harmonisatie van de mensheid.

Dan werd terloops nog gesproken over de mogelijkheid in het komende jaar een contact tussen mensheid en buitenaardse wezens te bevorderen, of althans een reeks van verschijnselen te bevorderen, waardoor de mens erop wordt gewezen, dat hij niet alleen leeft in het Al. Men neemt n.l. aan dat, bij een vergroting van telepathische ontvankelijkheid van de mens ook een juister en scherper bewustzijn van, en zelfs contact met andere wezens in het Al mogelijk zou worden. Dit is een aardig punt, omdat het voorgaande natuurlijk invloed zou hebben op de ruimtevaartprogramma’s, maar – eerder nog, ofschoon niet openlijk – op de samenwerking van de naties.

Ik heb u dit alles gezegd, omdat u goed moet begrijpen, wat de Witte Broederschap in wezen is: Sommigen maken daarvan een almachtig lichaam van geheimzinnige ouderlingen, zetelende in ontoegankelijke bergen of sferen, die de wereld bespelen als een marionettenspeler zijn poppen.

Uit het voorgaande zal u reeds blijken, dat dit zeker niet waar is. Er is zelfs enigszins sprake van een soort parlement, want vooral de Kleine Raad mag, door het verdeeld zijn in fracties, het uitwisselen van meningen en voorstellen, wel degelijk m.i. vergeleken worden met de senaat of een parlement. Er is echter in deze Kleine Raad geen stemrecht, terwijl stemrecht ook elders niet beslissend is. D.w.z. dat de groep voortdurend en bewust zichzelf afhankelijk maakt van de door hen als meest wijzen erkende Meesters, entiteiten, krachten.

Dit is goed en logisch: een broederschap, die voortdurend een zo belangrijke taak als het bevorderen van welzijn en bewustwording van de gehele mensheid tracht te vervullen, kan niet voortdurend rekening houden met minderheden, afwijkende meningen, en zal in vele gevallen zeer snel tot vaak zeer verstrekkende beslissingen moeten komen. Dit zal nimmer mogelijk zijn, wanneer elke groepering het recht heeft, alvorens een besluit valt, te ageren en onbeperkt te argumenteren. Wel zal de uitvoering van een genomen beslissing beïnvloed worden door de verschillen van mening, die daaromtrent bestonden, zodat de taakverdeling bij uitvoering van groot belang is en een afwijzen van een bepaald deel van een taak als niet harmonisch met eigen maatstaven nogal eens voorkomt.

Dan is er een punt, dat toch wel het verschil tussen een stoffelijk parlement en de raad der broederschap vergroot: de eigenlijke bijeenkomst, die over 4 – 5 dagen plaats vindt, wordt ingeleid door een contact met Hoogste Krachten. Hierdoor wordt een overzicht verkregen, dat wel gaat over ruimte en tijd als over andere, even belangrijke richtingen van eigenschappen. O.m. ook de psychische en fysieke structuur van de aarde en dat deel van de ruimte, waarin zij zich bevindt.

De ontvangen krachten kristalliseren zich allereerst in daadkracht, een gewijd zijn a.h.w., maar maakt het verder mogelijk de delen van eigen ik te verwaarlozen, die niet bij de kracht en de noodzaken van de tijd passen. Na de grote bijeenkomst vindt de Grote Raad plaats. Hierbij zullen dus de hoofdzaken reeds vaststaan. Er is hier dan ook geen sprake meer van een uitwisselen van meningen enz., maar alleen van een formuleren van het in de Kracht gevonden weten en een vaststellen der meest doelmatige wijze van reageren en handelen.

Wanneer u zo de Witte Broederschap leert zien, zult u ook begrijpen, waarom er op aarde zovele misverstanden plegen te bestaan over haar taak, optreden, werkwijze enz. Zelfs wordt uit dit alles wel duidelijk, waarom haar bestaan in zovele gevallen voor de mens niet eens aanvaardbaar kan zijn. Zij is immers een bewuste kracht, die voor de mens onaantastbaar blijft, omdat zij in wezen deel uitmaakt van zijn milieu, de omgeving waarbinnen hij zijn vrije wil tot uiting kan brengen. Dat deze broederschap tijdens haar voorbesprekingen zoveel aandacht heeft besteed aan eenvoudige facetten van het menselijke bestaan – het ging immers over vragen als contact met eenvoudige natuurkrachten, maar ook over belastingdruk, productieprocessen enz. zowel als over de verwijdering die ontstond tussen politici, staatslieden, geestelijken en de werkelijkheid – maakt wel duidelijk, dat zij niet alleen veel invloed heeft en in sommige gevallen de mens a.h.w. dwingen kan, maar ook dat zij met zeer veel zorg en gevoel van verantwoordelijkheid alle mogelijkheden en delen van het menselijke leven nagaat, zover deze maar binnen haar bevoegdheid vallen of vallen kunnen.

Na dit alles zult u ook kunnen begrijpen, dat wij in de ODV ons ondergeschikt weten aan deze groep. Er is hierbij geen sprake van minder of meerdere zijn. Het is slechts voor ons het erkennen van een grotere leer en grotere belangen, waarbij onze meer persoonlijke meningen en bestrevingen in het niet kunnen verzinken. Juist hierdoor zijn wij echter zeer nauw met de Broederschap verwant en hebben wij aan de hand van de preliminaire besprekingen reeds conclusies getrokken. Deze zijn natuurlijk nog minder zeker dan al hetgeen wat u reeds heden hoorde. Maar ik meen, dat wij t.a.v. ons werk in het komende jaar enkele punten toch wel zeker kunnen stellen:

  1. De Orde zal in het komende jaar, waarschijnlijk haar instelling t.a.v. haar leden en ook andere groepen mogelijk aanmerkelijk moeten wijzigen. De Orde zal aan haar leden meer eisen moeten stellen, meer van hen moeten vergen aan de ene zijde, aan de andere kant zal echter getracht moeten worden een steeds bewustere samenwerking te doen ontstaan en binnen deze samenwerking krachten enz. te geven. Niet – zoals tot nu toe in vele gevallen en in zeer vele afdelingen – alleen maar werkende door mediamieke contacten.
  1. De Orde zal ook zuiver stoffelijk haar standpunt moeten bepalen. Zonder daarbij haar principes te verloochenen als het erkennen van alle leerstellingen op aarde als een mogelijke weg van bewustwording voor de mens, het bevorderen van verdraagzaamheid en onderling begrip, zal zij scherpere en hardere oordelen moeten geven. De Orde zal in haar uitspraken, naar ik meen, dan ook veel directer moeten worden, dan zij tot op heden was. Men heeft ons in het verleden vaak beschuldigd van een pogen om de kool en de geit te sparen. Niet geheel ten onrechte, want wij wensten niet te oordelen, doch wilden eerder een begrip tot stand brengen voor zowel de kool als de geit. De tijd, waarin deze houding aanvaardbaar was, is nu wel geheel ten einde.
  1. In zeer vele gevallen zal “kort en krachtig” de leuze moeten worden. De aanpassing van het beschikbare sprekerscorps zal echter nog wel enige moeilijkheden geven, terwijl een uitbreiding gezocht zal moeten worden, gegeven aan de werkzaamheden in groepen, die zich, inspiratief of op andere wijze, met ons werk bezighouden.
  2. Een herindeling van onze arbeid in de geest is onvermijdelijk. In de stof zullen wij moeten trachtende veranderingen niet al te plotseling te maken en althans uiterlijk een zekere bekende vorm, een gewend schema zullen moeten aanhouden, ook zullen wij van het gebruikelijke meer en meer moeten afwijken. De zekerheid van programmering, zoals deze tot op heden bestond, zal hieronder lijden. Als voordelen staan daartegenover grotere helderheid van betoog, een meer onmiddellijke aanpassing bij omstandigheden, terwijl de Orde eveneens zal moeten pogen uit de actualiteit van geest en stof regels te geven, waardoor alle heersende krachten en mogelijkheden ook voor het ik toepasselijk worden, zonder dat daarbij dubbelzinnige interpretaties, verschillende uitleggingen of misvattingen mogelijk zijn. Dat hierin stof voor conflicten is gelegen, is onvermijdelijk.
  1. De Orde zelf meent, dat het noodzakelijk zal worden om esoterische leringen in eenvoudigste vorm en grootste intensiteit zoveel mogelijk te verstrekken, deze echter zullen vergezeld moeten zijn van zo duidelijk mogelijke regels, voorschriften en commentaren, die vooral de onmiddellijke praktijk van het menselijk leven beroeren.
  1. Zij meent verder dat zij steeds grotere delen van haar huidige arbeid over zal moeten laten aan haar leden in de stof. Dit laatste niet omdat de Orde in de geest niet in staat zou zijn deze taken nog te volbrengen, maar omdat alleen de mens, die zelfstandig werkzaam is, daarmee ook ten volle resultaat behalende, bereid zal zijn om de vele geestelijke invloeden en occulte mogelijkheden ook voor zich in de stof te aanvaarden.

Ten laatste wil ik deze voorlichting besluiten met het volgende: Wij menen, dat de nadruk steeds meer zal moeten vallen op alles, wat ook voor ons belangrijk is.

De tijd, waarin wij welwillend en misschien zelfs met een zekere neerbuigendheid tot u konden afdalen, is voorbijgegaan. Een harder, concreter en vooral meer direct contact met de mens is nodig. Dit kan alleen bereikt worden, wanneer wij meer dan voorheen leren u te benaderen op voet van gelijkheid en daarbij zowel uw problemen als de onze beschouwen, terwijl naast alle menselijke beredenering en argumenten, de geestelijke feiten en waarheid onmiddellijk, zonder concessies of verzachtingen zullen worden gesteld.

Wij hopen u, misschien reeds de volgende week vrijdag – misschien iets later, maar in ieder geval zo snel mogelijk – zover ons dit is toegestaan, op de hoogte te brengen van alles, wat door de Grote Raad werd gesteld. Wij trachten u een zo eerlijk en open mogelijke voorlichting te geven en hopen, dat u, van uw zijde, dit alles niet zult willen zien als een openbaring of een voorschrift van de allerhoogste, maar eenvoudig zult zien als een verklaring, wat zich in en rond u, in wereld en geest, af gaat spelen en alles waaruit u zelf kunt putten en ook aan anderen kunt schenken, hierin zult willen herkennen.

Indien u over deze voorlichting vragen hebt, kunt u deze nu stellen. Bedenk daarbij echter wel, dat ik niet veel meer met zekerheid kan stellen, dan ik nu reeds deed.

  • Staan de spanningen op de wereld en toespitsing in verband met deze bijeenkomst? Zullen zij daarna afnemen?

Tot mijn spijt niet. De toespitsing is wel het gevolg van de inwerking van krachten, denk aan de vergroting van viraliteit in deze dagen en de onrust, die daaruit geboren wordt, zoals reeds lang geleden door ons aangekondigd. De toespitsing zal eerder nog toenemen. Dit is binnen de ontwikkelingen noodzakelijk, omdat alleen hierdoor een compromis, een steeds weer handhaven van de status quo, onmogelijk wordt. Deze wereld van u dreigt immers niet zozeer aan haar werkelijke problemen ten gronde te gaan als wel aan haar behoefte om altijd weer en ten koste van alles de status te handhaven. Hierdoor heeft zij voor zich reeds eerder belangrijke mogelijkheden en waarden teloor doen gaan en wereldomspannende ellende doen ontstaan.

Ik meen, dat de komende jaren, vanuit de geest en vanuit de stof gezien, verdere oplossing van problemen door middel van een compromis – dat in feite alleen verschuiving van moeilijkheden betekent – onmogelijk zullen maken. Pas wanneer de problemen opgelost zijn, zij het ten goede of ten kwade en men zich neer heeft moeten leggen bij de feiten, zonder verdere mogelijkheid om zich en andere door schijn en illusies te bedreigen, zal uw wereld werkelijk tot eenheid en vrede komen, terwijl zij ook eerst dan tot een logische en bij de nieuwe tijd passende wijze van bestaan zal kunnen geraken.

  • De gevoeligheid voor natuurkrachten, waardoor men zich aan rampen kan onttrekken, zal deze met een wetenschappelijk sausje overgoten worden? Anders zal men deze wel niet kunnen aanvaarden.

 U moet dit niet zozeer vanuit een organisatorisch standpunt bezien. Afgaande op hetgeen hieromtrent tot nu toe besproken is, zal deze gevoeligheid wel voeren tot een soort primitieve onrust, zelfs wel een schijnbaar onredelijke paniek.

Voorbeeld: over enkele dagen zal binnen een gebied de aarde beven. De mensen daar zijn onrustig, steeds meer van hen hebben de neiging zich van het rampgebied te verwijderen en zoeken een reden daarvoor. Wanneer blijkt, dat deze gevoeligheid juist was, zullen in komende gevallen steeds meer mensen leren aan deze gevoelens toe te geven, vaak tegen alle wetenschappelijke beredeneringen en zelfs politionele ordemaatregelen in, desnoods. Dus het gevolg zal zeker niet een van boven af geleide exodus uit bedreigde gebieden tot stand brengen. Uw fout is, dat u tracht deze dingen te zien binnen het kader van bestaande organisaties en niet begrijpt, dat juist de bestaande organisaties in vele gevallen een juist reageren van de mens of zelfs een juist erkennen van mogelijkheden en noodzaken belet.

In een maatschappij als de uwe kan men eenvoudig niet op gevoelens afgaan, omdat het nadruk geven aan die gevoelens de gezagspositie van de regeerders, de bezitspositie, en rechtspositie van groepen en enkelingen voortdurend in het gedrang zou brengen. Uw maatschappij is op het ogenblik grotendeels opgebouwd op materialistische theorieën, niet op feiten. Het zal duidelijk zijn, dat geen enkel bestuur geneigd zal zijn zichzelf ten gronde te richten door in de plaats van vele fraaie theorieën en systemen de impulsiviteit van de massa voorop te stellen, of zelfs de gevoeligheid van enkelingen bepalend te doen zijn voor haar maatregelen. U zult dan ook wel moeten begrijpen, dat vele van de geestelijke veranderingen en de stoffelijke gevolgen daarvan tot stand zullen komen ondanks en niet dankzij de stoffelijke vormen en systemen zoals dezen nu bestaan.

  • Velen achten alles wat paranormaal zou kunnen zijn, absurd, irrationeel en verwerpelijk.

Ongetwijfeld. Vaak is dit een rationalisatie, omdat men bang is voor het onbegrepene. Maar zelfs wanneer men dit geheel oprecht meent, zo zal men, wanneer men tien malen getrapt werd door iets, wat men zelf niet kan zien en anderen kennelijk wel waarnemen en weten te ontwijken, zich bedenken en zoeken zelf profijt en waarschuwing te trekken uit deze irrationaliteit enz. van anderen.

Ik meen dan ook, dat toenemende ervaringen met dit gebied velen ertoe zullen dwingen hun houding te wijzigen. Zij zullen dit ongetwijfeld doen door allereerst te pogen, dit weer binnen een materialistisch redelijk geheel te doen. Vele ouderen zullen daardoor – al is het misschien tijdelijk – onschadelijk gemaakt worden. De jongeren worden immers zelf steeds sensitiever – al is dit niet alleen in gunstige zin – en zullen daardoor steeds meer een normaal gebruik leren maken van hun gevoeligheid, terwijl ondertussen de oudjes steeds in aantal afnemen, zodat zij op den duur geen rem meer kunnen vormen voor vernieuwingen en ontwikkelingen. Deze houding van de ouderen is overigens al oud: uit Egypte werd reeds een papyrus vertaald, waarop staat, dat de jongeren niet deugen, niet hoffelijk zijn, niet redelijk handelen enz. enz. Je zou dan ook wel kunnen zeggen dat alle vooruitgang van deze wereld en de mensheid daarop in de ogen van de ouderen, die in besef en kennis niet meer voldoende nieuwe factoren kunnen verwerken, maar gelijktijdig alles voor het zeggen en alle wijsheid in pacht menen te hebben, ondergang en absurditeit is.

  • U doet ons voelen, hoe moeilijk het voor de geest is om de mens op aarde tot een hogere instelling te brengen. Hoe is dit echter in de sferen? Hoe zijn daar de beïnvloedingen van deze hoge geestelijke intenties?

Slechts degenen, die reeds een redelijk hoog bewustzijn bereikt hebben, zijn ook in staat hun geestelijk bewustzijn intact mee te nemen bij een incarnatie op aarde. Zij zijn altijd een minderheid. Nu zullen in de sferen zeer velen zich tot de harmonie bekennen. Zij doen dit niet, omdat zij deze harmonie als noodzakelijk zien, maar omdat zij gewend zijn hun milieu en de daarin overheersende waarden als voor het ik bepalend te zien. Navolging en na-aperij zijn dus in de sferen een veel voorkomend verschijnsel, zeker in de vormsferen.

Dit is niet zozeer een punt van bewustzijn als wel een eigenschap, die voortvloeit uit een te geringe persoonlijke ontwikkeling. Wanneer zo iemand in de sferen altijd geleefd heeft voor harmonie en op een disharmonische aarde incarneert, zal hij zich de disharmonische eigenschappen van zijn nieuwe wereld betrekkelijk snel eigen maken en dezen als het enig juist leven zien.

Vanuit de geest gezien schuilt hierin juist de grootste moeilijkheid: men kan als geest niet eenvoudig maar de leiding van de mens in de stof geheel en zonder meer op zich nemen.

Men zou misschien zijn milieu kunnen beïnvloeden en wijzigen en hem zo tot een meer harmonisch wezen kunnen maken, zolang zijn stoffelijk bewustzijn tenminste niet door ouderdom gefixeerd werd. Men zou zo vele conflicten weg kunnen nemen, maar gelijktijdig daarmee een groot deel van de mogelijkheid der stoffelijk menselijke bewustwording weg nemen. Dan zou de waarde van het leven als mens teloor gaan. Daarom kan men dit niet doen en zal men enerzijds de mens moeten confronteren met zichzelf en hem zijn eigen waarden laten, terwijl aan de andere kant er zorg voor moet worden gedragen, dat door deze vele minderbewuste navolgers geen al te steriel milieu ontstaat, waarin geen werkelijke groei of ontwikkeling meer mogelijk is.

Met dit probleem worstelt de leiding van de Witte Broederschap al heel lang. In sommige tijden echter komt dit alles sterker tot uiting. Dit zal vooral zijn in perioden, dat het aantal incarnaties op aarde zeer talrijk is in verhouding tot vroegere tijden, terwijl het aantal navolgers zeer groot is en in verhouding waarschijnlijk groter is dan normaal, zodat zij het milieu praktisch geheel beheersen. Dergelijke incarnatiegolven plegen gepaard te gaan met zekere kosmische werkingen, waardoor grote mogelijkheden, maar ook grote gevaren plegen te ontstaan.

Wat de Broederschap altijd deed en ook nu wel weer zal doen, is naar een middel te zoeken waardoor het milieu van de mens vanuit de mensheid zelf zal worden aangetast en dus veranderen zal. Het milieu moet van rigide naar amorf worden. Het dient zich steeds sneller aan te passen.

Eerst wanneer de mogelijkheid tot aanpassing en de neiging daartoe bij de gemeenschap der mensen groot genoeg is geworden, krijgen wij weer een periode van vooruitgang, waarin meestal het aantal incarnaties weer langzaam af zal nemen.

De wereld bereikt dan een z.g. ideaal punt, waarbij nog wel enige strijd aanwezig pleegt te zijn, maar toch wel gesteld kan worden: dit is een gouden periode, waarin de mensheid als geheel vele nieuwe waarden vindt en veel bereikt. Enkele honderdtal jaren – in het gunstigste geval 1200 jaren, maar meestal minder dan 700 jaren – blijft deze toestand ongeveer bestaan, met een toenemende strijd. Dan volgt verstarring en herhaalt zich het beeld. De meer bewusten krijgen door een toenemende invloed van de meelopers, de na-apers, steeds minder invloed, tot opnieuw andere denkwijzen en eigenschappen de mensheid bereiken en een periode van verandering opnieuw aanbreekt. Niet alle perioden zijn even belangrijk en intens, maar in alle is het proces ongeveer gelijk.

De mogelijkheid tot persoonlijke bewustwording, dus voor de mens als eenling, is juist in de perioden van overgang groter dan normaal. Het aantal minder bewusten is in die tijd echter eveneens veel groter dan anders. De verhouding ligt dan dus zo, dat, zo normaal één bewustere ziel per 100 op aarde incarneert, tijdens deze spanningen één bewuste ziel zal incarneren op een aantal van 1400 tot 1500 minder bewuste zielen of meelopers. Wanneer eenmaal de rigiditeit, die in het milieu rond dergelijke perioden pleegt te bestaan – soms gebruiken, soms illusie van kennis – maar voldoende wordt aangetast, is de bewustwordingsmogelijkheid voor allen echter groter.

Zij voert de eenling tot een veel zelfstandiger en persoonlijker levensbesef dan in normale tijden. Een tijd, waarin meer bewuste zielen zich in grote getale kunnen uiten in de stof, is over het algemeen wat eenvormig, terwijl bijna iedereen redelijk gelukkig en tevreden is. Dit brengt de neiging verdere ontwikkelingen en vernieuwingen in de stof voorlopig maar te laten rusten.

Conflictperioden daarentegen dwingen de mens en ook de geest ertoe het uiterste van zich te vergen, het uiterste te geven. Vergeet niet, dat een blijvend leven zonder conflicten allen maar mogelijk is in de hoogste bereikingen. Voor ons is leven voornamelijk het conflict tussen dat, wat wij bewust zijn en datgene, wat wij onbewust zijn. De niet gerealiseerde waarden van het ik worden aan de wereld, aan God, aan anderen, toegeschreven en vaak bestreden in plaats van geassimileerd, omdat men ze eenvoudig niet als deel van eigen wezen wil of kan erkennen. Onze bewustwording is in wezen alleen mogelijk door deze voortdurende confrontatie van het bewuste deel van het ik met het niet bewuste deel van het ik. De stimulans daarbij komt steeds weer uit de vergelijking van het ik in een zo ideaal mogelijke verhouding en voorstelling, gezien tegen dat, wat men is.

Hoe interessant deze discussie ook is, zo heeft zij slechts weinig direct verband meer met de voorlichting, die ik trachtte u te geven. Ik moet ze daarom beëindigen. Vóór ik afscheid neem, maak ik nog van de gelegenheid gebruik u te verzoeken, u vooral in deze dagen meer dan normaal bewust te zijn van de grote krachten, die de aarde gaan beroeren en u open te stellen zowel voor deze krachten als voor de veranderingen, die daaruit voort zullen vloeien.

 0-0-0-0-0-0-

Wat moeten wij in dit tweede deel van deze avond gezamenlijk nog bespreken?

  • De grote vraag.

Dat is een gevaarlijk onderwerp. Want wat is voor de mens de grootste vraag? Meestal zal deze luiden: “Geloof ik nu werkelijk wat ik zeg te geloven, en ben ik nu werkelijk dat wat ik zeg te zijn?”

Wie daarop antwoord kan geven, weet reeds veel en is, zoals men pleegt te zeggen, reeds vergevorderd langs het innerlijke pad. Het ellendige is alleen maar, dat de meeste mensen denken te zijn, wat zij zouden willen zijn en hopen, dat anderen zullen denken, dat zij zijn, terwijl zij innerlijk zeer wel beseffen, dat zij zeer tekort schieten in een Werkelijk Zijn, wat zij voorgeven te zijn.

Daarnaast ontdekken wij, dat bij het stellen van de grote vraag en het beantwoorden daarvan nog een grote moeilijkheid bestaat. Menigeen praat zichzelf zozeer aan, datgene te geloven, waarvan hij hoopt, dat het waar is, dat hij op den duur gelooft, dat hij iets gelooft, zonder het waarlijk te geloven, zodat hij in geloof tekort schiet, wanneer men zijn geloof op de proef stelt door hem in de praktijk datgene te doen volbrengen, waaraan hij zegt als een noodzakelijkheid te geloven.

Aan de hand van deze grote vragen voor de mensheid kunnen wij dan ook één ding wel met zekerheid vaststellen: Een mens zal de grootste vraag van zijn leven nooit voor zich op kunnen lossen, zolang hij zich bezig houdt met een zichzelf voorspiegelen, dat een eerlijk antwoord eigenlijk nog niet nodig of niet passend is. Daar dit laatste bij zeer velen het geval pleegt te zijn, kunnen wij hieruit de conclusie trekken, dat de werkelijke grote vraag voor menigeen onbeantwoordbaar is, omdat hij zichzelf geheel zou moeten veranderen of tenminste eigen denken en bewustzijn zou moeten wijzigen om de vragen, die in hem leven, reëel te kunnen bezien en er zelfs maar een gedeeltelijk antwoord op te geven.

Als mens – en ook wel als geest – hebben wij de neiging om onszelf vele vragen te stellen, die ons minder aangaan, en waarvan het oplossen al even moeilijk of onmogelijk is.

Zo vraagt men zich bv. weleens af, hoe God er eigenlijk wel uit zal zien. Maar aangezien God alle vormen en gestalten, die wij kennen en nog meer ongekende vormen, gestalten en eigenschappen tot een geheel samenvoegt in zich, lijkt het mij wel erg moeilijk een beeld te maken, dat enigszins verantwoord is. Omdat men dit zo moeilijk doet, zal men al snel zeggen: “Ik kan mij dit niet voorstellen. Ik kan mij geen God voorstellen. Zou er wel een God zijn?” Als je die vraag eerlijk wilt beantwoorden, moet je zeggen: “Dat weet ik niet. Maar voor mij is het belangrijk, dat er iets bestaat, waaraan ik mij vast kan klampen, dus neem ik maar aan, dat er een God bestaat.”

Maar ja, dat doe je meestal niet. Je gaat dus jezelf bewijzen, dat er wel of niet een God bestaat, precies, zoals het je uitkomt. Want wanneer wij grote vragen stellen, doen wij dit meestal, wanneer wij menen tevoren het antwoord reeds gevonden te hebben.

U kunt dit overal vinden. Ga bv. maar eens in de kamer kijken: daar heeft Vondeling meestal het antwoord reeds gevonden op de vraag, die hij te vondeling legt, voor hij haar stelt. Hij legt in wezen zijn vraag alleen te vondeling in de hoop, dat zijn antwoord daarop dan ook de nodige aandacht zal krijgen. Zo zal het ook u weleens gaan.

Wat de achtergrond is van het leven, is ook al een van die grote vragen, die u zich weleens zult stellen. Ik vind het echter vreemd, dat er mensen zijn, die kennelijk moeten menen, dat een chauffeur die uit Amsterdam naar Athene vertrekt, er beter aan doet, zich op Athene te concentreren dan op de weg, waarop hij zich bevindt en die hij toch zonder ongelukken af moet leggen, wil hij zijn bestemming ook werkelijk bereiken. Veel mensen echter houden zich zozeer bezig met de zin en de eindbestemming van hun leven, dat zij eenvoudig vergeten aan het leven zelf de nodige aandacht te wijzen. Ik meen dan ook, dat de zogenaamde bemoeienis met het Hogere voor zeer velen in feite neer komt op een zich bezig houden met een illusoir beeld, dat tot een zekere levenloosheid – door hen vaak rechtzinnigheid of zo genoemd – tijdens het stoffelijke bestaan voert.

Laat ons dus voorzichtig zijn met deze grote vragen en alvast trachten om ‘down to earth’ te zijn.  Ik wil proberen het kort, krachtig en kernachtig te zeggen.

De grote vraag in wezen is voor ons dus: “Wat nu voor ons belangrijk is”. Daarbij zal het altijd belangrijker zijn eerst het heden goed te erkennen en te beleven, daarmee zo nodig af te rekenen en er zorg voor te dragen dat wij minstens in het heden ons zelf geen verwijten hoeven te maken.

Kortom: het belangrijkste is in het heden te weten, dat wij naar beste weten handelen en gehandeld hebben. Dat is van het grootste belang en gaat voor elke vraag, die wil weten, wat er verder komt.

Wanneer wij geloven in een eeuwigheid, zo staat het ons ten volle toe om in ons leven die eeuwigheid een rol te laten spelen. Maar op het ogenblik, dat wij de gedachte aan eeuwigheid zover op de voorgrond plaatsen, dat wij het heden, dat hiervan toch ook deel uitmaakt, maar achteraan laten hinken, zullen wij deze eeuwigheid voor onszelf nooit geheel waar kunnen maken. Wij bereiken haar meestal te laat en wanneer wij er mede geconfronteerd worden, is het meestal nog op een voor ons beroerde manier.

Leef dus allereerst vandaag en nu. Zorg eerst, dat je vandaag, dat je nu, vrede kunt hebben met jezelf. Zorg er eerst voor, dat je nu een antwoord vindt op de betrekkelijk eenvoudige vragen omtrent eigen leven en handelen, waarmede je geconfronteerd wordt. Als je daarmee klaar bent – maar niet eerder – kun je eens beginnen met na te denken over het Hogere.

In de tweede plaats wil ik opmerken, dat wij allen de neiging hebben in en aan het leven grote vragen te stellen, maar dat wij een antwoord op deze vragen alleen plegen te aanvaarden, wanneer het ons past. Het heeft geen zin een vraag te stellen, wanneer wij degene of datgene waaraan wij de vraag stellen, niet als een zodanige autoriteit erkennen, dat wij het antwoord op onze vraag zonder meer willen aanvaarden, op de proef durven stellen en zo voor onszelf nogmaals bewijzen. Laat ons dus vooral geen vragen gaan stellen, wanneer er bij ons weten geen autoriteit is, die daarop een antwoord wil en kan geven, terwijl er andere vragen bestaan, waarop een antwoord wel gevonden of verkregen kan worden.

In de derde plaats zijn wij over het algemeen, zolang wij mens zijn een eigenaardig mengseltje van innerlijk besef, sentimentaliteiten en gevoel van verplichting, mixed met uiterlijk gebondenheden, voorstellingen en neigingen. Men kan dit betreuren. Maar aangezien deze tweeledigheid tijdens het menselijke bestaan eenvoudig niet vermeden kan worden, zullen wij ze moeten aanvaarden. De bewuste mens erkent zijn stoffelijke noodzaken en moeilijkheden, erkent daarnaast zijn innerlijke noodzaken en moeilijkheden, en innerlijke behoeften. Hij zal trachten dezen steeds zo goed en harmonisch te doen samengaan en, wanneer er dan iets geofferd moet worden daarvan, zal hij beginnen met iets te offeren, dat de minste invloed zal hebben op de directe actie, omgeving, bewustwording, of taak. Het is beter tijdelijk een ideaal terzijde te stellen om nu een basis te scheppen van waaruit het later misschien bereikbaar zal zijn, dan zo te dromen over het ideaal, dat men de werkelijkheid daarvoor verloochent en het zich zo onmogelijk maakt iets van het ideaal ooit te realiseren.

Nog een punt: vele mensen leven voortdurend tussen God en de duivel. God is voor hen datgene, wat al het goede in en rond hen verklaart en hen ontslaat van elke verplichting om ook voor zich persoonlijk te zoeken, te denken en te streven. De duivel is voor hen ofwel alles in de wereld, waarmede zij het niet eens zijn en kwaad achten, dan wel een verontschuldiging voor eigen tekortkoming en een mogelijkheid de tekortkomingen, die zij bij anderen menen te zien, sterker te veroordelen. Menigeen is voortdurend bezig de duivel uit te drijven bij zich en anderen, zonder te beseffen, dat hij zijn doel het eenvoudigste zou kunnen bereiken, door geheel niet op de duivel te letten. Iemand, die steeds weer bezig is alleen het kwade te bestrijden, zal later moeten ontdekken, dat hij aan het goede onvoldoende aandacht heeft besteed en het zo nooit bereikt.

Iemand, die echter allereerst steeds tracht, al het mogelijke goed te doen om, wanneer er nog tijd overblijft, te trachten eventueel het kwaad wat te beperken, zal ontdekken, dat hij, alleen reeds door zo goed mogelijk te leven en te werken, het kwaad reeds aanmerkelijk verminderd heeft en eigenlijk reeds tot een ‘quantité négligeable’ heeft teruggebracht.

Misschien vindt u het vervelend om dit alles zo te horen. Maar toch heb ik nog meer opmerkingen: Een mens op aarde meent veel te weten. Hij stelt al zijn vragen aan het leven en aan de wereld zowel als aan zichzelf op basis van alles wat hij meent te weten. Op basis dus van wat hij in zich veronderstelt zeker te weten. Indien hij echter nagaat wat de basis van zijn zekerheden is, blijken zij voor 90% op horen zeggen gebaseerd te zijn. Daarbij komt nog, dat de mens maar zelden geneigd is, het horen zeggen nog eens op waarheid te toetsen. Men zegt wel, dat de mens van de apen afstamt. In dit aspect althans is daarvoor wel iets te zeggen. Hij aapt mentaal graag na. De hoge gedachten van anderen noemt hij zijn eigene en vergeet daarbij, dat een gedachte, die werkelijk van jezelf is, meer waard is dan 10.000 filosofieën van anderen, die je ergens hebt opgedaan, maar misschien zelfs nooit geheel begrepen hebt.

Daarom zou ik willen zeggen:

  1. Verontschuldig je nooit voor het kwade, dat je hebt gedaan, maar erken het, zorg dat je het niet meer doet en zo het mogelijk is, beperk de gevolgen daarvan voor anderen zoveel mogelijk.
  2. Breng steeds zelf wat je goed acht tot stand zover het je mogelijk is en verwacht niet, dat er een goede God is, die het wel voor je zal doen, terwijl jij rustig zit te wachten, tot Hij er mee klaar is.
  3. Hou je altijd bij jezelf en het goede, dat je in jezelf als mogelijkheid erkent. Slechts degene, die wat hij persoonlijk goed acht zo snel, goed en zo persoonlijk mogelijk pleegt te volbrengen zal over het z.g. kwade kunnen zegevieren.

Nog één opmerking: als er dag is, moet er ook nacht zijn, als er licht bestaat, moet er ook duister bestaan, wanneer er goed bestaat, moet ook kwaad bestaan. Hoe groter en feller de zon, hoe zwarter de schaduwen, die zij doet werpen. Zo is het in ons leven ook. Naarmate wij meer het Licht beseffen, zullen wij het “kwade” zuiverder zien, beseffen, juister omschrijven en het negatieve beter erkennen. Dat betekent echter nog niet, dat wij het “kwaad” nu ook kunnen uitwissen.

Wie tracht om het kwade of negatieve, uit te wissen, zal de geestelijke zon moeten doven, het Licht in zich moeten doven.

Maar misschien was uw grote vraag: wat moeten wij nu doen? Het antwoord daarop luidt: Doe nu, hetgeen je nu kunt doen en juist acht, en laat het aan morgen over eigen mogelijkheden te scheppen. Doe nu, wat goed is en vraag je niet af, of je het gisteren misschien toch verkeerd hebt gedaan. Doe nu, wat goed is. Leef vandaag, handel vandaag.

Dan weet u heus wel, wat u vandaag moet doen. En evenzeer, wat u beter kunt laten. Vermijd vooral met jezelf te discussiëren over de vraag of dat, wat je meent te moeten laten, misschien toch nog wel gedaan zou mogen worden. Want dan overtuig je jezelf en doet het, om later tot de conclusie te komen, dat het de moeite niet waard was of zelfs, dat het veel beter was geweest, om het niet te doen.

Als u zoekt naar God in uzelf, kijk dan niet te ver omhoog. Hoe meer je omhoog probeert te zien, hoe verder je tracht buiten jezelf te kijken. Kijk daarom eerst eens in jezelf. Want volgens mij is al het Lichte, al het Goddelijk steeds dichtbij. Dat, wat ver af is, blijkt altijd weer een luchtspiegeling te zijn.

Met welke wijsgerigheden ik getracht heb uw grote vraag om te zetten in enkele vragen, die misschien vraagwaardig waren en toch een antwoord konden krijgen. Waarmee ik aan de spreuk van de week toekom: “Vertrouw op jezelf zover je kunt en durf. Vertrouw op de Kracht, die in en rond je is zo goed je kunt en tracht uit het geheel vertrouwen in het leven te verwerven.”

  • Wat zal het gebruiksdenken van de nieuwe Wereldleraar, in tegenstelling tot het bezitsdenken, zowel voor het dagelijks leven, ook in maatschappelijk opzicht, gaan betekenen?

Het zal betekenen dat in feite bezit steeds minder waard wordt, maar dat positie en macht steeds meer waard worden. En dat impliceert dus dat men meer waardering van de gemeenschap zal nastreven dan eigendom, terwijl het gebruik van de dingen veel meer aan behoefte gebonden wordt en veel minder aan koopkracht.

  • Het lijkt een ware revolutie in te houden, maar wie vooral zullen zich ertegen verzetten. En hoelang zal het ongeveer duren voordat het algemeen wereldwijd is ingeburgerd?

Voordat het begrip begint in te burgeren ongeveer vijftig jaar. Voordat het de maatschappij helemaal veranderd heeft ongeveer 270 jaar.

  • Zullen dan ook conservatieve instellingen, zoals bankwezen, wellicht schoksgewijs meegaan?

Het bankwezen zal dan het spook zijn dat uit het verleden nog soms komt rondwaren, maar dat in zichzelf geen betekenis meer heeft, omdat het geen substantie meer heeft.

De bank is namelijk gebaseerd op de begeerte iets te krijgen voor niets en anderzijds de behoefte om iets te lenen om te kopen wat men eigenlijk niet nodig heeft meestal. Hè, u weet wat een bank is: een bank is een instelling die u geld afneemt door u een te lage rente te betalen en die anderen vilt door ze te hoge rente te laten betalen en die dit dan een sociaal nuttige functie noemt.

  • Zal dit gebruiksdenken de eerste honderd jaar, de vijftig jaar alleen op beperkte schaal, bijvoorbeeld in bepaalde communes of vriendenclubjes, plaatsvinden?

Nee, het zal ook maatschappelijk in de plaats gaan treden van het collectivisme en materialisme dat op dit ogenblik overheerst. Het collectivisme kan zich niet zonder meer handhaven, dat blijkt steeds meer en het materialisme verliest aan betekenis, wanneer de lasten voor de bezitter steeds groter worden. Dus het is gewoon een sociale omwenteling die voor een deel door de omstandigheden mede wordt veroorzaakt.

  • Is de doelstelling van de ‘G.A.T.T.’, liberalisering van de wereldhandel en het afbreken van handelsbelemmeringen, geestelijk gezien het beste, ook of met name voor de Derde Wereldlanden?

Ik zou het zonder meer de beste oplossing vinden, omdat dat dan iedereen zonder subsidies en met vrijheid van handel, datgene zou kunnen krijgen voor zijn produkt wat het waard is voor de koper. En dit impliceert dan dat men zal leren genoegen te nemen met die winstpercentages die werkelijk verdiend worden en niet meer via reclame, bedrog en subsidie, winsten verhoogt die in feite niet verdiend worden.

  • En zal deze doelstelling, mede door de ‘G.A.T.T.’-rondes ook verwezenlijkt worden?

Zolang politici en ambtenaren erover praten, geloof ik niet dat men veel verder zal komen. Politici en ambtenaren proberen namelijk hun eigen zekerheden verder vast te zetten en dat betekent dat ze in wezen tegen alle ingrijpende veranderingen zijn. Een politicus is iemand die u vrijheid belooft en u dan opsluit in een cel met de opmerking: ‘Je kunt toch lopen zoals je wilt’…

  • Wat is er tegen massale of zelfs mondiale werkeloosheid? Ieder mens een basisinkomen of uitkering, gebaseerd op recht om te leven, net genoeg om rond te komen?

Dat is een verkeerde opvatting, want als iedereen dan besluit werkeloos te worden, waar moet dan de uitkering vandaan komen? Met andere woorden: Uw idee van een minimum inkomen is alleen dan redelijk, wanneer geproduceerd wordt. En om te produceren moet er gewerkt worden. Maar waarom zou je werken in vaste verbanden en vaste tijden, zolang je maar produceert? Werkeloosheid kan alleen daar ontstaan, waar arbeid in feite overbetaald wordt, zodat men probeert om goedkopere oplossingen te vinden. Daar moet u maar eens over nadenken.

  • De sociale zekerheden zijn misschien niet zo zeker als ze lijken op dit moment. Is u bekend of over 10 of 20 jaar de AOW bijvoorbeeld er nog is?

De AOW, zijnde een verzekering, met vastgelegde fondsen, zal waarschijnlijk in Nederland blijven bestaan, totdat de Nederlandse gulden keldert en dan wordt ze vanzelf minder waard, heeft minder koopkracht en kan dan worden afgeschaft. Hetzelfde geldt voor andere sociale inkomens. Zolang als de werkers de belastingen nog willen en kunnen opbrengen, zullen ze wel blijven bestaan. Want vergeet u één ding niet: Vele uitkeringen zijn voor vele politici in feite een middel om hun kiezerskorps in stand te houden.

  • Jezus heeft natuurlijk nooit een kerk willen stichten, waarschijnlijk ook geen godsdienst. Vrijheid en organisatie verdragen elkaar niet. Echter hij las in zijn jeugd in de tempel wel voor uit de Thora en sprak in synagogen. Had hij dus toch geen bezwaar tegen tempels en godsdiensten; waar ligt het verschil?

Het verschil is dit: Wanneer iets bestaat, kun je het gebruiken om jouw waarheid naar voren te brengen. Maar laten we dan ook niet vergeten dat men hem uit de verschillende synagogen heeft weggejaagd. Toen hij begon om zijn eigen denkbeelden te verkondigen. En dat hij in de tempel alleen werd aangehoord, omdat hij uit de Thora las. Maar dat zijn opvoeding een religieuze is geweest, zoals blijkt uit zijn tempelbezoek op zijn twaalfde jaar, waar hij inderdaad bewees dat hij kennis had, dat hij juist uit de Thora kon lezen en dat hij vele vragen van priesters, Levieten e.d. kon beantwoorden. Dus u moet een verschil maken tussen wat Jezus was in de laatste drie jaren van zijn leven en wat daarvoor is gebeurd. En realiseert u zich wel dat het de priesters zijn die de veroordeling en gevangenneming en uiteindelijke kruisiging van Jezus tot stand hebben gebracht, omdat ze zeiden: ‘Het is beter dat één sterve dan dat een volk ten onder gaat’, waarbij ze bedoelden: ‘Het is beter dat zo’n opstandeling wordt uitgeroeid dan dat wij priesters onze belangrijkheid verliezen’. En er zijn pausen geweest die soortgelijke uitspraken hebben gedaan, wat onder meer heeft geleid tot dus de inquisitie, maar ook bijvoorbeeld tot het ontkennen van alle rechten die oorspronkelijk voor de jezuïeten bestonden. Ik wil maar zeggen…

  • Heeft Jezus inderdaad ooit gezegd: ‘Wordt zwervers’. Dat staat in het Thomas’ evangelie. Hoe moeten we ‘zwervers’ opvatten?

Dit is een aanvulling of vereenvoudiging van de uitspraak: ‘Gaat en verkondigt aan alle volkeren, geneest in mijnen naam, in de naam des Vaders’. En dan vindt u in een ander evangelie terug dat ze toen zeiden: ‘Ja Heer, maar hoe moeten we dan gaan?’ Toen zei hij: ‘Nou, je neemt één paar sandalen en verder niets’. Toen zeiden ze: ‘Ja, maar hoe moeten we dan eten?’ Toen zei hij: ‘Ja, als ze je niet te eten geven, wanneer je komt verkondigen, ga je naar de volgende stad’.

En ‘zwerven’ is uiteindelijk het van stad tot stad gaan. Jezus heeft niet gezegd dat ieder die in hem gelooft een zwerver moest worden. Hij heeft het gezegd tegen zijn leerlingen. En zijn leerlingen waren degenen die zijn denkwijzen en zijn ‘manas’ over de wereld moesten verkondigen.

  • Zelfs Jezus kon de mensen niet veranderen, een enkeling misschien die er voor open stond. Wat is de waarde van meesterschap als je invloed naar buiten zo beperkt blijft of gaat het daar niet om?

Meesterschap is geen heerschappij. Meesterschap is uitrijzend boven de zwakheden die de mens kentekenen en zozeer meester zijn over jezelf dat je in alle dingen jezelf en je kosmische verbondenheid weet te handhaven.

Is er een bepaalde betrokkenheid geweest van de essenen bij de bouw van de grote piramide van Cheops; en had iemand van het geslacht Maneto hierbij de leiding?

Of hij de leiding heeft gehad, durf ik niet met zekerheid te zeggen. Wel is zeker dat uit de joden in gevangenschap in Egypte vele kundige bouwmeesters naar voren zijn gekomen. Veelal kregen ze dan een egyptische naam en woonden ook niet meer in het jodenkwartier. De andere joden maakten onder meer de tichelsteen voor de bouw e.d., maar sommigen van hen waren leiders bij het afsplijten van rotsen toen de stenen voor piramiden e.d. werden gehouwen.

  • Heeft Jezus inderdaad op zesjarige leeftijd bepaalde inwijdingen bij de essenen gehad en is hij daarna met twee Essense broeders gaan zwerven?

Niet op zesjarige leeftijd, dat is wat later geweest. Ik meen dat hij toen een jaar of acht was. Inwijding, ja wat noemt u inwijding? Hij is door de essenen getraind op jeugdige leeftijd in bepaalde, zeg maar, riten en leefwijzen die voor die essenen belangrijk waren en in zijn eerste levensjaar is hij ongetwijfeld geconfronteerd met de egyptische – Essense nederzettingen – er waren er drie – en in een van die nederzettingen had men onder meer bepaalde vormen van egyptische magie overgenomen. En hij zal ook daar wat van geleerd hebben. Gezworven heeft hij inderdaad een paar jaar met een paar gezellen. Eén jaar ook nog met Jozef tezamen. Hij is op twaalfjarige leeftijd weer teruggekeerd in Nazareth kort voor zijn twaalfjarige leeftijd. Heeft daar tot zijn veertiende, vijftiende jaar gewerkt, gewoon in de werkplaats van zijn vader. Daarna heeft hij weer een trektocht gemaakt, waarvan hij terugkwam ongeveer op zijn tweeëntwintigste geloof ik. En daarna is hij pas gaan leraren en ook gaan voorlezen in de verschillende synagogen en begon hij voor het eerst ook zijn meditaties in afzondering, een techniek overigens die hij had geleerd van bepaalde yogi’s die in het huidige Pakistan een klooster hadden.

  • De meeste ingewijden incarneren gewoon als zij op aarde werkzaam willen zijn. Sommigen zouden echter ook een lichaam kunnen materialiseren en zodoende eveneens werkzaam zijn. Kunt u een voorbeeld noemen, Prometheus misschien?

Nee, Prometheus is een legende, waar wel een zekere waarheid aan ten grondslag ligt, maar die was totaal anders dan de legende vertelt; het is een Grieks verhaal. Het hoort thuis in de Griekse mythologie, waar inderdaad de mythos vaak sterker was dan de werkelijkheid.

Het is wel voorgekomen dat men voor korte verschijningen, o.a. in een dorpje in de Himalaya een belichaming eenvoudig construeerde, dat meesters daar dus in een tijdelijk lichaam rondliepen. Maar weest u nou eerlijk; als u verkouden bent en u kunt maar één zakdoek gebruiken, neemt u dan een papieren zakdoekje of een uit linnen?

Incarneren wil zeggen, dat je in een heel mensenleven, inclusief ontwikkeling, erkenning van de directe situatie van anderen, kunt groeien en kunt leraren. Een lichaam aannemen betekent alleen dat je tijdelijk bepaalde geestelijke waarden of kwaliteiten, dan wel herinneringen uit het verleden, op aarde kunt manifesteren.

  • Was Odin ook een legendarische figuur of een bestaande?

Odin was oorspronkelijk een bestaande hoofdman. Tijdens de trek van een aantal mensen van, zeg maar, achter Indië en het gebied van Gobi. Dus daar komt hij vandaan. Later is hij een godsnaam geworden en werd hij gebruikt voor allerhande natuurverschijnselen, zoals ook andere namen zoals Waldur bijvoorbeeld voorkomt onder de barden en priesters, maar later de god van eigenlijk de zomer en de lente wordt. Je moet nooit trachten om de legende en het godsverhaal te herleiden tot een werkelijkheid, omdat die twee teveel van elkaar verschillen.

Osiris is ook een mens geweest en Ammon ook. Ammon is een van de vroegste vorsten geweest in Egypte en heeft zeer waarschijnlijk allerhande Atlantische invloeden ondergaan, is mogelijk zelfs in Atlantis geweest. Maar wat er over verteld wordt, dat is wat priesters vertellen. En onthoudt u één ding en dat is niet hatelijk bedoeld tegen priesters hier, maar zeer in het algemeen: priesters en tempels hebben de gewoonte sprookjes te creëren die de mens beletten onmiddellijk zelf zijn godheid te zien als een werkelijkheid om ermee te leven. M.a.w. het is de makelaar die zegt: ‘Je kunt zelf geen huis kopen, want dan doe je een miskoop, kom bij mij, maar wel provisie’.

  • Is het leven zonder oordelen, wat onder meer Krishnamurti voorstond, hetzelfde als ‘het wandelen met God’ uit de bijbel vóór de zondeval?

Nee, dat is heel iets anders. Nee, leven zonder oordelen, dat betekent eenvoudig dat je niet veroordeelt. Leven zonder oordelen kun je niet, omdat je altijd de relatie van de dingen tot jezelf moet bepalen, anders leef je niet. Maar dat je niet veroordeelt, dus verwerpt of uitdrukkelijk goedkeurt, maar constateert, helpt je om dichter bij de werkelijkheid te leven. Dit is echter geen ‘wandelen met God’. ‘Wandelen met God’ is jezelf zijn en, in contact zijnde met de kosmos, die kosmos ervaren als een antwoord op hetgeen je zelf bent.

  • Jezus en Boeddha leefden voor hun aardse incarnatiecyclus waarschijnlijk op andere planeten en stelsels. Is daar iets over bekend en, indien niet, hoe weet men dat ze van andere stelsels kwamen?

Niemand weet het. En wat Jezus betreft, weet ik in ieder geval dat hij voordien al incarnaties heeft gehad, één keer in de tijd, ja, zeg maar de begintijd van Ur. En vandaar dat hij ook heel terecht kan zeggen: ‘Vóór Abraham was, was Ik’.

Hij heeft daarvoor mogelijk andere incarnaties gehad. Ik ken ze niet. Dat hij dus onmiddellijk van een andere planeet is geïncarneerd, lijkt me onjuist.

Wat betreft de Boeddha, ja, er zijn er velen geweest. Mogelijk is een enkeling daarvan van een andere planeet gekomen, maar bijvoorbeeld de Gautama Siddharta had menselijke incarnaties doorgemaakt en is dus niet van een andere planeet zonder meer gekomen. Maar ik denk dat u graag uw meesters van andere planeten zou zien komen, omdat u het idee hebt: wat van ver komt, is lekker.