Het nut van zelfkennis voor de bewustwording

19 oktober 1971

Een mens leeft in de wereld. De wereld die de mens kent, is deel van een veel grotere onbekende wereld, hetwelk voor de mens het totaal van zijn wezen uitmaakt. Het is dus nodig in deze wereld levende, een antwoord te geven aan die wereld. De verschillen die daaruit voortspruiten, zijn de wisselwerkingen waaruit de bewustwording verdergaat.

Je moet dus jezelf beschouwen in de wereld, als deel van de wereld. Het zal u duidelijk zijn dat wij als mens op aarde levende, een zekere reeks van bewustwordingen ondergaan. Een echo zouden wij als voorbeeld kunnen nemen.

Hier is sprake van een ervaring. De ervaring zegt: Er ontstaat een echo op het ogenblik dat de microfoon en de luidspreker gelijktijdig aanstaan. Wanneer ik dit effect dus wens te vermijden moet ik ervoor zorgen dat één van beiden uitgeschakeld is. Zo gaat het heel vaak in het leven. Wat wij bewustwording noemen, zien wij vaak als iets bijzonders, maar het is een proces dat zich elke dag weer voltrekt. Misschien dat je als je klein bent, denkt dat je kunt springen tot aan de dakgoot van de huizen, maar als je een paar keer gesprongen hebt, denk je niet alleen dat het niet gaat! Maar ook dat hoog springen, hard vallen betekent. Wanneer je begrijpt dat je zelf de oorzaak voor dat harde vallen bent, heb je iets geleerd; zowel omtrent jezelf als omtrent de wereld waarin je leeft.

De nadruk die op zelfkennis ligt, wordt vaak weleens misplaatst. Men doet alsof het kennen van jezelf het enig ware is en probeert daarmee, onbewust, de mens te isoleren van de wereld waarin hij leeft. Maar men vergeet dan één ding: Dat wat je bent ontleent zijn betekenis aan de wereld waarin je bestaat. Het is niet alleen: Wat ben ik eeuwig, gezien in mijzelf. Wat ben ik, in relatie tot al het andere. Zelfkennis kan dus nooit verworven worden wanneer wij de buitenwereld opzijzetten. Alleen wij moeten objectiviteit winnen. Wij moeten niet proberen onze eigen voorstellingen, wensen, denkbeelden en idealen op te leggen, zowel aan de voorstellingen die wij van onszelf maken, als aan de wereld die wij dan heel vaak proberen te hervormen. Wij moeten uitgaan van dat wat is. Dan krijg je voor zelfkennis een betrekkelijk eenvoudige procedure: Ik besta. Wat bedoel ik te zijn tegenover de wereld, hoe reageert die wereld op mij, hoe reageer ik op die wereld. Wat doet de wereld mij aan, wat doe ik de wereld aan? Wat geef ik de wereld voor goeds, of voor vreugde? Wat geeft de wereld mij aan goeds en vreugde? Het is een vaststellen van relaties. Pas wanneer je dat doet dan ga je jezelf zien binnen de wereld en vanuit jezelf de wereld zien en daarin komt dan vanzelf de onthulling: dit ben ik.

Een mens kan zichzelf niet zo gemakkelijk veranderen als hij meestal meent. Heel veel mensen zijn voortdurend bezit om zichzelf te hervormen en komen er dus niet toe om dat wat zij zijn op de meest juiste wijze te gebruiken. Dat kun je niet kwalijk nemen. Zij hebben waarschijnlijk de verkeerde scholing gehad. Zij hebben misschien ook, dat komt heel vaak voor, illusies van grootheid. Als je nut wilt hebben van zelfkennis, dan moet je ook begrijpen dat elke illusie, omtrent je eigen grootheid of belangrijkheid, in feite voorbijgaand is. Dat zijn uiterlijkheden die elk ogenblik kunnen verdwijnen, soms met één slag. Maar, wat je in jezelf bent dat blijft, dat blijft onder alle omstandigheden bestaan. Dan ga je ook niet meer zo erg zoeken naar de meerwaardigheid, wat velen doen.

Je moet niet zoeken om meer te worden dan een ander, maar meer jezelf te worden.

In de zelfkennis speelt verder een zekere mate van esoterie, dus van innerlijk schouwen een rol. Daar kun je natuurlijk heel veel over zeggen, maar om het tot het eenvoudigste te beperken:

In jezelf heb je een relatie met alle werelden waarin het ik bestaat. Het “ik” is “geest”, zoals u weet, er is een goddelijke vonk in je. Je bent dus buiten de tijd met de eenheid van het zijnde verbonden. Je bent in de tijd, in de variabelen van tijd met verschillende werelden en sferen verbonden. Wanneer je nu in jezelf zoekt, dan ontdek je dat er een grens bestaat tussen het nu redelijk erkenbaar en aanvaardbare en datgene dat beleefbaar is. Je kunt dingen beleven die je niet kunt uitdrukken. Die beleving, meestal in het begin heel erg kort, leer je langzaam maar zeker fixeren. Er komen dus belevingen die zin hebben, die inhoud hebben. En nu het vreemde: je kunt die innerlijke beleving niet uitleggen, maar zij heeft wel een directe weerslag op je waardering voor jezelf en voor de wereld. Het beeld dat je krijgt is vollediger en heel vaak verwerf je ook zekere krachten daaruit. Dus zou ik zeggen: Het nut van de bewustwording is hier toch al bewezen. Een vollediger gebruik maken van dat wat je bent, een vollediger deelhebben aan de werkelijkheid waaruit je wezen bestaat.

Nut, wordt door veel mensen wel een beetje vreemd bekeken; zij beschouwen nut als rente. Het is zoiets als: “Ik heb hier een kapitaal en dat kapitaal moet zich vermeerderen”. Dat lijkt heel aardig, maar het is een erg inflatoire benadering van de waarheid en van jezelf. Want iemand die probeert de zaak te vermeerderen, die moet er rekening mee houden dat zijn grondkapitaal in waarde vermindert. Dat is bijna onvermijdelijk. Maar iemand die zegt: Wanneer ik de gelijke waarde die ik hier op aarde had, kan behouden en ik kan daar een nieuw begrip, een nieuwe inhoud, een nieuwe beleving aan toevoegen, die kan ook aan het einde van zijn leven zeggen: “Kijk ik ben bewust geworden”. En dat nut dat wordt dan niet uitgedrukt in meerwaardigheden, in bezit of in een hoge troon ergens in een hemel, maar in een grotere wereld. Ik kan alleen een harmonie zijn, en dat zal voor u ook wel gelden, met de werelden die ik ken, althans die ik aanvaarden kan. Er zijn dingen die voor mij eenvoudig nog niet uitdrukbaar zijn omdat geen er nuances in zijn, er zitten geen verschillen van waarde in, althans niet voor mij, ik kan, ze niet onderscheiden. Misschien kunt u zich voorstellen dat wij een vlak zien als “wit”. Dat iemand die fijner ontwikkeld is zegt: O! maar dat is wit, daar zit een tikje zwart, een tikje, blauw, een tikje groen in. Voor ons is ’t allemaal wít, maar hij ziet de kleine verschillen.

Op dezelfde manier is het eigenlijk met die grote werelden. Wanneer wij nu grotere harmonieën hebben gevonden in onszelf, wanneer wij dichter zijn gekomen bij de werkelijkheid van ons wezen, wordt ons onderscheidingsvermogen groter. En wij kunnen in een wereld blijven op het ogenblik dat wij dus het onderscheidingsvermogen bezitten om onszelf in die wereld en vanuit onszelf, die wereld te bepalen, dus, te omschrijven, te kennen. Het lijkt mij zo de eenvoudigste manier om te zeggen: De werelden die je kent, kun je betreden, daarin kun je leven. Een wereld waarin je jezelf kent als deel van die wereld, een wereld waarin je kunt blijven bestaan, ongeacht wat er verder gebeurt.

Deze theorie helpt u dus wel om in uzelf de grenzen te vinden; de grens waarboven iets begint dat redelijk, menselijk redelijk niet te verklaren is. Maar gelijktijdig maakt het ook noodzakelijk dat je, wat u op dat hogere niveau ervaren hebt, ook tot uiting brengt; de maatstaven veranderen. Bewustwording betekent ruimer zijn, ruimer leven ook. Er zijn een hele hoop dingen die voor iemand die alleen menselijk denkt en menselijk logisch, menselijk sociaal, erg belangrijk zijn. Wanneer je daar boven uitgroeit, het op zijn juiste waarde leert kennen, dan begrijp je dat dingen die enorm belangrijk lijken, in feite erg onbelangrijk zijn. Dan ga je zien dat ze alleen maar betekenis hebben in samenhang met andere tot op dat ogenblik misschien nog niet besefte werkingen, mogelijkheden en waarden. Daarmee heb ik het nut van bewustwording wel aangetoond. Ik hoop althans dat het voor u zo is, want de grenzen doorbreken die je door je eigen manier van leven en denken rond jezelf hebt opgebouwde lijkt mij wel een van de belangrijkste dingen die een mens bereiken kan. Hoe kleiner je wereld is, hoe scheller en feller de tegenstellingen zijn bv. van het stoffelijk gebeuren. Wie een hele kleine wereld heeft, laat ons zeggen een gevangene in een cel, die ziet een vlieg. Die vlieg blijft daar misschien een paar weken en dan sterft zij. Dat is een ramp. In een grote wereld is dat niet belangrijk er is zoveel anders.

Op dezelfde manier krijg je dat dus in een menselijk leven. Er zijn een hele hoop dingen die onoverwinnelijk lijken, wanneer je dat alleen maar vanuit een menselijk standpunt kunt beleven en zien. Worden je grenzen ruimer, dan ga je zien dat het in wezen onbelangrijk is, omdat het alleen maar het nevenverschijnsel is van een veel grotere werking die wel aanvaardbaar is, terwijl die kleine factor, zoals het sterven van die vlieg, onaanvaardbaar is. Je wordt dus rijker, je wordt evenwichtiger en je vindt, geloof ik ook bovenal de aanvaarding, de aanvaarding van jezelf en je wereld. En dat is een laatste punt waar ik nog iets moet van zeggen:

De meeste mensen aanvaarden de wereld niet. Zij zeggen: Die wereld zou anders moeten zijn. Zij dromen bv. dat zij voor iedereen belangrijk zijn, dat zij door eenieder geëerbiedigd en geacht zullen worden om bv. hun kennis, hun gaven, hun inzicht, persoonlijkheid, bezit enz. Maar ’t is niet waar. Als ik die eis stel aan de wereld dan kan die wereld nooit antwoorden. Wanneer ik echter besef dat de dingen die ik heb en de dingen die ik kan, alleen maar belangrijk zijn in zoverre ik met anderen in verbinding treed, de dingen actief maak, dan krijg je een heel andere visie op de zaak denk ik. Niet wat heb ik bereikt, maar: Wat doe ik ermee (bij wijze van spreken) en niet: Wat is de regel die geldt? Maar wat is de regel die ik, in mijzelf, in een groter verband als juist erken. Niet: Wat zou ik willen dat waar was, maar: Wat zijn de feiten waarmee ik heb te leven en hoe kan ik daarin, met mijn kwaliteiten en eigenschappen zoveel mogelijk vrede vinden, zoveel mogelijk harmonie vinden? Bewustwording leert je dat. Dit proces van innerlijke erkenningen en daardoor ook veranderingen en uiterlijk besef samen, maakt je gelukkiger, het maakt je veerkrachtiger en sterker. Je kunt meer aan, je kunt meer bereiken en het leert je ook je eigen faculteiten, de verschillende mogelijkheden die je hebt, beter te hanteren en beter te ontwikkelen. Als dat geen nut is, dan weet ik het niet.

  • Bewuster worden gaat dat gepaard met gelukkiger worden?

Ik geloof niet dat het proces van bewuster worden “gelukkiger worden” betekent tijdens het proces. Het eindresultaat is wel: gelukkiger worden, ja! Geluk is uiteindelijk vrede, harmonie, aanvaarding en naarmate je bewuster wordt, vindt ge die ook meer. Maar wij moeten één ding niet vergeten! Tijdens de bewustwording moet je een hele hoop dingen achterlaten. Illusies die je hebt gekoesterd misschien. Maar je moet ook erkennen dat je bepaalde dingen, die je over jezelf hebt gedacht of over anderen, onjuist zijn. Je wereld brokkelt in elkaar en je hebt niet zo onmiddellijk een vervanging klaar voor wat er weg is gevallen en daar voel je je zelden gelukkig bij. Er is iemand die eens heeft gezegd: “Inwijding is voortdurend het doorschrijden van dezelfde poort, namelijk die van de eigen begrenzing. Maar het achterlaten dat je meent daarin te vinden, het verlaten van de wereld is het pijnlijke proces, de geboortepijn van een nieuwer en hoger bewustzijn.” En daar kan ik het wel mee eens zijn. Je moet niet denken dat je bewustwording alleen maar als een “blij zijn” ervaart. Natuurlijk, naarmate je bewuster wordt, zult ge meer blijheid vinden, maar dat is een ander punt. Maar voordat je zover bent gekomen dat je je eigen angst, je eigen begeerte en je eigen illusies allemaal hebt achtergelaten, heb je heel wat pijn gehad. En als u dat vreemd vindt, onthoud dan dit:

Een mens die in de wereld geboren wordt, die heeft het ook niet zo gemakkelijk. Vanuit een warme geborgenheid, waarin eigenlijk geen noodzaak was voor eigen activiteit, wordt je plotseling in een wereld gezet waarin je, of je wilt of niet, (en dat is dan toch ook wel een punt) zelf moet ademhalen, waarin warmte en koude, dus geen gelijkmatige temperatuur heerst, waarin voeding iets is dat niet gestadig en vanzelfsprekend wordt gegeven, maar waarin de honger optreedt, waarin niet de gebruikte producten normaal worden afgevoerd, maar waarin plotseling de koude er is en het liggen in nat en andere dingen. En dan spreek ik nog niet eens wat mensen dan vaak doen. Je kent die taal van: Oeleke Poeleke! Ik vind het voor een kind verschrikkelijk om die onzin altijd te moeten aanhoren. En zoals een kind dat geboren wordt, van wereld verandert, maar daardoor ineens zichzelf moet veranderen, zo zal de mens die een bewustwordingsfase doormaakt, ook plotseling in een andere wereld staan. Hij kan niet meer teruggrijpen op het oude hij moet het nieuwe leren. En dat lijkt mij, voor de meeste mensen dus, vooral in de beginfase, zeker geen geluk te zijn. Pas wanneer je tot een aanvaarding bent gekomen van je eigen onvolkomenheden a.h.w. zonder dat je je eigen beperkingen daardoor aanvaardt, kom je tot een zekere vrede, maar die vrede houdt dan weer onthechting in.

Laten wij het dus zo stellen: Wanneer je in een wereld leeft, zijn er dingen waaraan u hecht: mensenrelaties met mensen, dingen die uw bezit zijn, (sommige mensen zijn zelfs aan een bankboekje gehecht), anderen zijn weer gehecht aan een vrije omgeving, de vrije natuur of een bepaalde buurt of straat, aan bepaalde klanken. En al die dingen zijn op zich onbelangrijk, want zij zijn ten hoogste maar een verschijningsvorm van de oneindigheid die in jezelf leeft. Maar je moet er afstand van doen en dat kost moeite. Het kost je moeite tijdens die bewustwording niet weer terug te grijpen naar je denkbeeld van bezit, van menselijke rechten. En omdat je dat niet moogt doen, zie je dingen verloren gaan. Je weet niet meer waar je er mee moet blijven; je zou het willen houden maar je mag het niet behouden. Dat is een pijnlijk proces, zeker. Maar wanneer je die onthechtheid bereikt hebt, dan kan alles op je afkomen en dan is er alleen maar de waarheid in jezelf die een rol speelt. Zodra dit het geval is, kan ook niets meer je bereiken van buitenaf, dan zie je de dingen, je neemt je plaats in temidden van de dingen, maar het beroert je niet. Het einde van de bewustwording is een vorm van onberoerdheid eigenlijk; het erkennen van het ervaren, maar niet meer het eenzijdige emotioneel worden meegesleept. Is dit voldoende?

  • Gaat dat met een besef van niet meer gehecht zijn?

Ik zou zeggen dat u dat eerder bemerkt. Het is heel vreemd, wanneer een mens verandert dan merk je daar vaak heel weinig van zelf. Het is net hetzelfde als in een trein zitten, of in een auto. Dat voertuig verplaatst zich. Maar heb je daardoor het gevoel dat je zelf verandert, dat je op een andere plaats in de wereld kom? Alleen maar als je iets anders hebt om het te constateren. Als je in een trein zit en iemand laat je een geratel horen, dan kan die trein op één plaats blijven staan en dan denk je dat je reist. En als hij geruisloos is en je kunt niet naar buiten kijken en je voelt geen beweging, dan kan hij zich duizenden kilometers verplaatsen, terwijl jij het gevoel hebt dat hij nog steeds staat te wachten aan het perron waar je bent ingestapt. Als je u dat realiseert, dan zul je begrijpen dat je je eigen bewustwording niet zelf helemaal beseft. Je kunt dat niet constateren, tenzij aan de wereld. Hoe verander ik in mijn wereld en wat voor een verandering is dat? Wat voor een betekenis heeft ze? Onthechting merk je pas wanneer je dus rekening houdt met anderen en niet meer met je eigen rechten en je eigen bezittingen. Dan ga je begrijpen: ja, nu ben ik kennelijk toch een beetje vrijer geworden. We kunnen niet zeggen: Ik voel mij zo onthecht. De mensen die het zeggen, zijn gewoonlijk diegenen die zich iets aanpraten; maar probeer diezelfde mensen dan maar eens een paar frank af te nemen, dan schreeuwen zij moord en brand. Dus het proces zelf merk je niet. Je bemerkt wel een verandering in je eigen relatie met de wereld en wanneer je een vordering wilt vaststellen, dan is dat praktische het enige waaraan je daarvan iets kunt constateren.

  • Aangezien wij dus continu bewuster worden, mogen wij dus nooit gelukkig zijn? Wij kunnen het maar zijn wanneer wij bewust zijn.

Dat is sterk afhankelijk van uw omschrijving van geluk.

  • In verband met uw definitie die u daar straks gegeven hebt.

Nee dat was een definitie die, zoals u beseffen zult bepaald was ten aanzien van een onveranderlijk milieu en een besef dat zich daaraan nog niet kan ontworstelen. Daarna hebben wij het over onthechting gehad. En geluk zal meer op de voorgrond komen, naarmate je minder nodig hebt. Dat klinkt misschien vreemd. Maar wanneer je relatie met de wereld een werkelijk geven is, waarbij je dus niet eist en niet eenvoudig maar aanneemt dat de dingen er voor jou wel bestaan, dan ben je gelukkig omdat, voor mij tenminste, misschien dat het voor u anders, is geluk eigenlijk gelegen in het feit dat je voor het bestaan, of voor iets daarin, betekenis hebt. Het is het zelf winnen van betekenis. Dat is geen zelfverheffing, dat is een gevoel van verbondenheid, van deelgenootschap. Zodra je dit hebt, ben je dus gelukkig en dat geluk dat kan voortdurend optreden in elke bewustwordingsfase. Maar de doorsnee mens concentreert zich niet op deze gelukkige momenten. U zegt: Een continu proces, dus zich steeds voortzettend. Dat is inderdaad waar. Waar de bewustwording ergens eindigt, vermoeden wij, maar kunnen wij niet met zekerheid zeggen. Er is, zover ik weet, nog niemand die van daar is teruggekomen om dat in duidelijke termen te omschrijven. Maar wij weten wel een ander ding. Naarmate wij ons meer bewust zijn van wat ons eigen wezen betekent en in die wereld ons deel zijn van die wereld beter beseffen, zonder ons daar op eisen, rechten en al die andere dingen te baseren, worden wij gelukkiger.

In onze sferen is in feite veel minder houvast aan het bestaan dan in de uwe. Want één ogenblik, van angst en je leeft in een wereld van demonen, tot het ogenblik dat je de angst overwint. Toch zijn wij in onze wereld over ‘t algemeen gelukkiger dan in de uwe. Misschien wel omdat wij de betrekkelijkheid van alles hebben leren begrijpen en daarom zou ik zeggen:

Geluk is eigenlijk een kwestie van de manier waarop je staat tegenover “het zijn”. De manier waarop je je eigen wezen integreert daarin, zonder dat aan “het zijn” op te leggen.

Je moet de wereld niet ombouwen naar wat jij meent dat goed is. Het lukt je toch niet en je wordt er meestal erg ongelukkig door. Je moet de wereld aanvaarden zoals zij is en vanuit jezelf het beste in die wereld brengen, in de hoop dat er een resonantie ontstaat, dus een gelijkluidendheid tussen jou en andere personen, andere krachten en dat daardoor facetten van het goede sterker naar voren zullen treden. Er is iemand die heeft gezegd:

“Het is beter de akker vroegtijdig te zaaien dan het onkruid te wieden, want hij die het onkruid wiedt, komt niet meer tijdig aan het zaaien toe”.

Ik geloof dat dat bij ons geestelijk precies hetzelfde is. Wanneer wij proberen onze wereld en onszelf van alle fouten te ontdoen, dan houden wij geen tijd over voor de werkelijke verbondenheid, de activiteit, het levend zijn, brengt geluk. Maar alleen dus wanneer wij ons daarmee niet proberen af te zetten tegenover de wereld. Het is dus een groot verschil of iemand een aalmoes geeft, gewoon omdat je het prettig vindt om iets van je bezit met een ander te delen, of dat je het doet om te laten zien hoe goed je bent tegenover een bedelaar. In het eerste geval ben je gelukkig. In het tweede geval ben je het niet. Er zijn niet genoeg mensen die het gezien hebben, of men heeft niet netjes genoeg bedankt en je neemt aan dat die bedelaar misschien iets gaat doen waarvoor je eigenlijk je geld niet hebt gegeven. Kortom er zijn allerhande problemen; je wordt ontevreden. Misschien is dit verhelderend?

  • Is er een parallel te trekken tussen persoonlijkheid en zelfkennis? Dit in verband met bewustwording?

Ja, je kunt er altijd een trekken natuurlijk. De vraag is alleen of zij juist is. Kijk eens de vraag is in de eerste plaatse Wat verstaat u onder persoonlijkheid. De persoonlijkheid is, zou ik zeggen, dat wat je bent voor anderen. De persoonlijkheid is dus niet kennis, zij is zelfs niet op bewustwording gebaseerd. Iemand die heel erg dom is, kan alleen door de krachten die nu eenmaal het schema voor de oneindigheid hebben neergezet, enorm veel voor anderen betekenen. Hij is dan voor die anderen een heel grote persoonlijkheid. Hij heeft betekenis, maar aan de andere kant is het met zijn bewustwording maar betrekkelijk gering. Er zijn mensen die in zichzelf zeer bewust worden, die heel veel begrijpen, maar die niet in staat zijn het juiste contact te vinden met de wereld, met anderen en die daarom dom blijven, geen persoonlijkheid hebben, zegt men dan. Dat zijn mensen die in wijsheid en in kennis boven de hele wereld kunnen staan, maar zij zijn niet in staat om er één grein van over te dragen. Andere mensen hebben wel persoonlijkheid en zij weten eigenlijk niets, zij hebben alleen maar wat gehoord; maar wat zij gehoord hebben kunnen zij aan anderen duidelijk maken. De mogelijkheid van overdracht die speelt een grote rol. Daarom zou ik zeggen: Er is geen vergelijkbaarheid te vinden. Misschien zou je het begrip “persoonlijkheid” nader uit moeten werken.

Kijk eens of u het nu geloven wilt of niet, u hebt vroeger geleefd. In elk vroeger bestaan zijn er elementen geweest die voor u belangrijk waren, dingen waarin emoties een rol speelden, kortom: fragmenten van levens die je vasthoudt. En heel veel van die fragmenten vormen samen iets wat men ondermeer weleens een gelaagd geheugen noemt, een gelaagd geestelijk geheugen. Hierin zijn dus enorm veel verschillende lagen van ervaringen, maar het zijn allemaal brokstukken. Dan kunnen wij het misschien vergelijken met een stad die een archeoloog opgraaft en er zijn verschillende lagen te vinden met scherven van verschillende aard, maar soms lopen zij zo door elkaar dat je, wanneer je niet heel deskundig bent, de verschillende tijden door elkaar gaat halen. Dus je vlecht eigenlijk, omdat je het onderscheid niet kent, uit al die geestelijke herinneringen een beeld dat op zichzelf niet erg belangrijk is. Maar het omvat ervaringen. Iemand die zich aan de kachel verbrand omdat hij dacht dat die uit was, die zal voortaan eerst voorzichtig voelen: brandt die nu of niet, voordat hij er zijn hand oplegt. Op diezelfde manier hebt u heel veel ervaringen doorgemaakt en die bepalen, wanneer u incarneert in de stof, uw reactie op de wereld. U bent dus in zekere zin door uw vroegere ervaringen gepredisponeerd (in zekere zin – niet absoluut). Nu kom je in die wereld, in een bepaald milieu, in een omgeving waarin sommige maatstaven gelden. Bv.: Rechterhandje is goed, linkerhandje is lelijk. De waarheid zeggen is niet beleefd, je moet zeggen wat de mensen willen horen. Daardoor wordt je ook vervormd. Wat je in je jeugdjaren leert, bepaalt je gedrag in die wereld, maar daarmee ook je contact met die wereld. Dat geheugen dat je hebt, erfelijke eigenschappen, het milieu samen, bouwen iets wat je persoonlijkheid kunt noemen en uit dit alles komen voortdurend indrukken terug naar de kern van het ego. En daardoor heeft dit ego de mogelijkheid om meer delen van de wereld en van het al en van de sferen te bereiken. Zij kan meer accepteren, zij kan meer verwerken. Voor het “ik” zou je dus kunnen zeggen dat de persoonlijkheid bepaald wordt door datgene wat zij uit het totaal bestaande kan accepteren. Maar voor de mens moet je het een beetje omdraaien en moet je zeggen: Persoonlijkheid bij de mens is datgene wat hij aan de wereld kan geven, zijn communicatievermogen. Ik hoop dat dit de zaak heeft verhelderd.

  • Dat verwondert mij toch een beetje; een gehandicapte die bv. niet kan spreken die heeft toch ook een persoonlijkheid? Zonder communicatie dan?

Geestelijk gezien is hij een ego. De mogelijkheid tot contact, die voor het ego bestaat is de werkelijke persoonlijkheid. Maar zelfs iemand die stom is en blind, dat is iets verschrikkelijks en misschien nog gedeeltelijk verlamd, heeft bepaalde mogelijkheden om contact op te nemen met de wereld en dat contact moet u dus niet alleen feitelijk zien. Je kunt met iemand praten en een hele hoop dingen zeggen, zonder dat het veel betekent. Je kunt het ook op een andere manier zeggen dat het spreekt tot die ander. Hij begrijpt je misschien nog minder, maar het dringt tot hem door, het doet hem wat. Dat is dus de uiting van je persoonlijkheid. Het is dus de draaggolf a.h.w. waarop alle menselijke dingen geënt zijn. Nu blijkt dat iemand die geen redelijke communicatiemogelijkheden heeft op deze wereld, desondanks bepaalde stemmingen op de omgeving kunnen overdragen, kan reageren op stemmingen. En naarmate de persoon dus zelf in staat is daarbij zijn eigen wezen en stemmingen duidelijker aan anderen over te dragen, spreken wij dan van een grotere persoonlijkheid. Het is dus niet noodzakelijk dat dat met woorden gebeurd bv. of met gebaren. De mensen denken de dingen altijd zo erg lichamelijk. Je moet het denken in begripstermen, dat is veel beter.

  • Persoonlijkheid hoeft niet te worden afgelegd dan?

Persoonlijkheid behoeft niet, kan eigenlijk niet worden afgelegd, behalve in één facet en dat is wel speciaal in de menselijke wereld sterk het geval. Een mens ziet de wereld op een bepaalde manier. Dat wil zeggen: Zijn optreden in die wereld is beoordelend en nu komt er een ogenblik dat er een grotere kracht of een macht of gezag of wat dan ook erkent. Op het ogenblik dat je dat doet kun je je eigen meningen en vooroordelen ten aanzien van dat gezag of die kracht niet handhaven. Het blijft dus verder in de wereld bestaan maar niet meer ten aanzien van wat je aanvaard hebt. Bv. Wanneer Simon-Petrus Jezus aanvaardt, dan legt hij een deel van zijn persoonlijkheid af; niet helemaal, dat blijkt uit het verhaal. Hij blijft een goed visser bv; hij is nog steeds erg strijdvaardig, een beetje avontuurlijk, hij heeft een zekere lafheid misschien ook in zich; dat heeft bijna elke mens. Maar wanneer hij dus in naam van Jezus predikt, vergeet hij dat hij bang is, hij vergeet dat hij een visser is; hij vergeet dat hij zich best tegen een ander kan weren, hij kent alleen een boodschap, een gezag dat in hem is en waaraan al het andere onderdanig is. Ik geef dit voorbeeld om duidelijk te maken wat ik bedoel. Dan leg je je persoonlijkheid af. Dat wil zeggen: Je persoonlijke beoordeling a.h.w. voor een deel; je recht zelf om te beoordelen wat de ander zegt. Wanneer Jezus zegt: Ga uit en genees de zieken, drijf de duivelen uit in mijn naam, in de naam des Vaders bv. dan sputteren zij tegen, zij hebben dus nog persoonlijkheid, maar zij gaan! Zij zeggen niet: Ja maar dat is te gek hoor, doe ons het nu eerst maar eens voor of zo. Zij accepteren uiteindelijk, wanneer Jezus dat zegt; dan geldt onze eigen mening, onze eigen persoonlijkheid niet, dan geldt alleen dat gezag dat ik geaccepteerd heb. En dat is noodzakelijk.

Wanneer een gelovige bv, eerst alles haarfijn wil hebben uitgeplozen, een antwoord op alle vragen, komt hij niet tot de aanvaarding van het geloof. Dat geldt overal. Je moet dus ergens werkelijk een deel van jezelf achterlaten eigenlijk, iets van je zelfstandigheid en dat is beperkt. Je kunt het elk ogenblik weer terugnemen, maar dan valt daarmee ook de binding, de verbondenheid, weg. Wanneer ik een profeet ben en Gods woord spreek, dan moet ik mij niet afvragen of God het beter had kunnen zeggen, dan moet ik het doorgeven. Op het ogenblik dat ik mij ga afvragen of God het wel goed zegt, ben ik geen profeet meer, dan valt de gave der profetie en al wat er aan verbonden is weg. In deze zin kunnen wij dus spreken van het afleggen van de persoonlijkheid. In zekere zin krijgen wij dat ook geestelijk. Kijk eens: er komt een ogenblik dat ik in het Al kan ervaren. Op het ogenblik dat ik dat Al beoordeel, dus vanuit mijzelf bezie, dan kan ik niet dat hele Al verwerken. Maar wanneer ik mij oplos in dat Al, dan is die totaliteit van dat Al levend ook in mij, kan beseft worden in mij.

Dit prijsgeven van de begrenzing van jezelf, dit onderwerpen zou ik haast willen zeggen, van je eigen meer persoonlijke mening, oordelen en zo, is dus ook daar wel noodzakelijk. En dat zijn de dingen die men bedoelt met het afleggen van de persoonlijkheid. Maar dan moeten wij niet vergeten dat de kracht die wij zijn, daarmee niet verandert. Haar functionaliteit verandert. Dat de mens die je bent, met je achtergrond, met je vroegere incarnaties, met je ervaringen, je scholing dat die niet ineens wegvalt. Alleen: zij wordt ondergeschikt, zij wordt tot een functie van een grotere persoonlijkheid, van een grotere kracht, van een groter “ik”.

  • Gehecht zijn mag niet, verbondenheid wel. Kunt u het verschil geven?

Ja, gebondenheid of verbondenheid dat is dus een realisatie van eenheid. Gehechtheid is het scheppen van een bezitsverhouding. Van zodra je dus gaat zeggen: Dit is mijn tuin, mijn boom, mijn huis, mijn geld, mijn man, mijn vrouw, mijn kind, mijn vader mijn moeder, dan heb je dus wel een gehechtheid. Daar kun je aan gehecht zijn, maar daarmee heb je het ook tot een zekere exclusiviteit gebracht, terwijl onthechting dus het niet beschouwen van deze dingen als specifiek voor jou bestaand, of bij jou behorend of van jou afhankelijk zijnde, de verbondenheid wel blijft bestaan. Want je vormt met de ander een eenheid. Dat betekent het beroep van de moeder, van het kind, de kwestie van het geld desnoods, het huis, de boom, de plant of wat dan ook, wel degelijk reactie veroorzaken. Maar het is niet meer een beschermende reactie in de zin van: Het is van mij, blijf daar af, maar ’t is alleen maar: Is het goed, zie ik het als aanvaardbaar of zie ik het als niet aanvaardbaar? Iemand die dus verbonden is die zegt alleen: Is dat voor de ander aanvaardbaar of niet. Iemand die gehecht is die zegt: Is het voor mij acceptabel of niet. Daar ligt het verschil. Het is eigenlijk eenvoudig genoeg nietwaar.

Verbondenheid is de ontkenning van gezag, en bezitsverhouding onder besef van eenheid. Gehechtheid is eigenlijk het erkennen van bezit en gezagsverhoudingen, met ontkenning vaak van gelijkwaardigheid zelf. Daar zit de moeilijkheid.

  • Kan er een parallel of tegenstrijdigheid bestaan tussen stoffelijk geluk en geestelijk geluk. Bv. kan men geestelijk gelukkig zijn en stoffelijk ongelukkig?

Neen, je kunt dus geestelijk gelukkig zijn en in de ogen van anderen stoffelijk ongelukkig. Maar je kunt niet gelijktijdig geestelijk gelukkig en stoffelijk ongelukkig zijn. Misschien mag ik het zo uitdrukken. Wanneer Jezus aan het kruis hangt, dan heeft hij enorme pijnen te doorstaan. Dat is geen prachtige toestand. Hij moet mensen achterlaten die erg bedroefd zijn. Ik zou zeggen dat hij zich ongelukkig moet voelen, maar gelijktijdig weet hij dat hij hiermee zijn leven pas bevestigt, dat is geluk. En door dat geluk is hij dus in staat niet aan zichzelf te denken, het lijden is er wel, maar het is een bijkomstigheid bijna, het is een lichamelijk iets geworden dat het werkelijke wezen niet beroert.

Probeert maar eens aan een kruis te hangen en dan heel rustig tegen je buurman te zeggen: Voorwaar ik zeg u, nog heden zult gij zijn in het Koninkrijk der hemelen met mij. Maar realiseer u dat even. Zoon, zie uw moeder, moeder zie uw zoon. Jezus die zichzelf vergeet in Maria en Johannes die de bevestiging van zichzelf zo sterk vindt op dat kruis, dat al het andere onbelangrijk wordt. Daar heeft u misschien de meest sprekende illustratie ervan. Voor iedereen is dat een verschrikking, maar het is een bijkomstigheid geworden.

Wij zien het van martelaren en dan hoeven wij heus niet alleen te denken aan de katholieke martelaren, dan kunnen wij ook rustig denken aan de jonge student in Praag die zichzelf verbrandde voor de vrijheid. Hij had pijn, maar gelijktijdig was hij gelukkig omdat hij iets deed, omdat hij iets waarmaakte en daardoor is de pijn dan iets onbelangrijk; het is maar een nevenverschijnsel. En daarom kan er geen parallel bestaan tussen een stoffelijk ongelukkig zijn in eigen besef en een geestelijk gelukkig zijn in eigen besef. Je bent geestelijk gelukkig en daardoor is het stoffelijke kenbaar geworden als iets dat voor jou aanvaardbaar geworden is, zinvol is, wat je een zekere vreugde geeft. Of je bent stoffelijke ongelukkig en dan kun je ook niet meer zeggen: Ik ben geestelijk gelukkig. Want dan is er ergens een verband tussen de zin, tussen de werkelijkheid van je innerlijk ik en het gebeuren verbroken. Neemt u mij niet kwalijk dat ik het zo formuleer, maar dat is toch wel het meest juiste dat ik kan zeggen op dit terrein.

  • Kunt ge stoffelijk gelukkig zijn en geestelijk ongelukkig?

Wanneer u stoffelijk geluk wederom als een in de persoon bestaand geluk definieert, neen! Een mens die harmonisch is met zijn wereld en zichzelf, is gelukkig. Iemand die disharmonische is met zichzelf en de wereld, kan uiterlijk zeer veel hebben en genieten en schijnbaar zeer gelukkig zijn, maar zal het nooit werkelijk zijn. Vb. Iemand kan veel bezitten, kan uitgaan, feestvieren, enfin alles doen wat een playboy doet, alles doen wat de mensen prettig vinden en dan zeggen zijn: Kijk die kan nu alles doen, wat een gelukkig mens is dat. Maar heel vaak hebben die mensen in zichzelf een soort contactloosheid: het zegt eigenlijk niets, het is een roes waarin je probeert te vergeten dat je niet gelukkig bent. En ik geloof dat dat het beste bewijs is dat er dan ook geen geestelijk geluk aanwezig is.

Betreffend: zich geven aan de meester in verband met Petrus en Jezus. (prijsgeven van persoonlijkheden) Door misbruik van verschillende godsdiensten ligt het in de aard van de mens om zich te verzetten omdat hij niet kan aanvaarden wat niet bewezen is, wat niet reëel is.

Ik geloof dat je het anders moet stellen. Kijk eens wanneer je iets aanvaardt, zonder vanbinnen te voelen dat het juist is, ben je een dwaas. Maar wanneer er dus sprake is van dit naast je neerleggen van die persoonlijkheid, van deze kritiek, van deze persoonlijke beoordeling van een bestreving in de wereld, dan moet je wel begrijpen dat je dat doet omdat je innerlijk voelt dat het juist is en dan geloof ik dus ook dat je moet zeggen: Dan zijn uiterlijke omstandigheden verder niet belangrijk. De mens beoordeelt het allemaal zo aan tijdelijke dingen, dan zeggen zij: Ja goed er zijn dictators die hun mensen meeslepen en daardoor is er een hoop ellende in de wereld gekomen. Zij vragen zich niet af wat er anders zou zijn geweest. Onthoud u dat. Zij begrijpen dus niet dat er alternatieven waren. En op grond van zo’n historisch geheel zeggen zij: Dus iemand die naar de macht grijpt is dus een dictator. Dat is in zekere zin waar. De vraag is echter niet: Is die ander een dictator? De vraag is: Kan ik voor mijzelf een hogere kracht hierdoor tot uiting brengen? En dan geldt nog altijd: Aan de vruchten kent men de boom. Maar iemand die dus wilt proberen en een ander eerst redelijk te laten overtuigen, die komt in grote moeilijkheden. Laten we een heel eenvoudig vb. nemen: Er is een professor in de atoomchemie en die gaat u even verklaren hoe bepaalde versnellingen van kleinste delen, veranderingen van kwaliteit en atoomwaarde tot stand kunnen brengen.

Wanneer u de kennis niet hebt om hem te begrijpen, dan kan zijn hele betoog ertoe voeren, dat u dus zegt: ja, ik snap het niet en waarom zegt u nu dat ik hier niet mag staan? Begrijpt u wat ik bedoel?

Maar als u nu zegt, deze heeft de verantwoordelijkheid en naar ik aanneem de kennis en hij zegt: Ga niet hier staan maar ga daar staan, dan heeft hij een reden. Ik ben in dit opzicht dus de mindere. Ik zou liever hier staan, maar die persoonlijke beoordelingen en denkwijzen moet ik opzijzetten want hij zegt: sta hier. Dat is geen kadaverdiscipline, dat is heel iets anders. Iemand die een ander een discipline opdringt, waarbij zijn persoonlijkheid volledig wordt weggevaagd, zonder dat hij dit zelf wenst, die doet iets verkeerd. Maar iemand die zich overgeeft, die zijn persoonlijkheid, voor een bepaald doel en misschien voor een bepaalde periode, naast zich neerlegt, die moet dan ook zeggen: Ik kan niet in discussie treden over dingen die ik niet ken, die ik niet weet. En dus aanvaard ik de ander in dit opzicht.

Zo is het ook wanneer je geestelijk streeft. Wanneer je een “goeroe” hebt, een leermeester en die leermester zegt: Je moet het zo doen, dan moet je niet zeggen: Kan het niet anders, of ik vind dat het eigenlijk beter is, of prettiger of gemakkelijker om het anders te doen. Dan moet je zeggen: kijk op dit terrein heb ik hem als meester erkent, daarom moet ik hier mijn eigen persoonlijkheid afleggen, zover het deze zaak betreft. Dat is zeer belangrijk: Zover het deze zaak betreft. Wanneer je dus zegt: Ik beloof iemand trouw om het vaderland te verdedigen, dan moet je wanneer het om het verdedigen van het vaderland gaat, inderdaad niet denken, maar gehoorzamen. Dan ben je een instrument van die ander. Maar op het ogenblik dat hij je gaat vertellen wat je moet geloven en wat je moet eten dan zeg je: Je kan mij nog meer vertellen. Je moet dus een scherp onderscheid maken. Het gaat hier niet alleen maar om de kwestie ben je gehoorzaam of niet. Het gaat hier om de vraag: zijn er bepaalde dingen waarin, vanuit God, vanuit de geest, of vanuit menselijke kennis, de ander leider is en als zodanig door mij aanvaard is, terwijl ik niet in staat ben te controleren.

Ik heb eenvoudig die bekwaamheid niet, dan gehoorzaam ik eerst en dan kijk ik later. Hoe doet u het met uw eigen kinderen, als u ze hebt. Wanneer die kinderen zeggen: Waarom mag ik dat stukje dynamiet nu niet aansteken, het zou zo leuk klappen. Dan ga je niet eerst vertellen wat er gebeurt met volume vermeerdering, gasdruk en explosie. Tegen die tijd heeft dat kind het ding al lang aangestoken. Dan geef je hem een draai om zijn oren en dan zeg je blijf eraf. Dat vindt je heel normaal. Een volwassene is wijzer dan een kind. Maar hoe vaak is een andere kracht, of het dat betreft, of een leermeester, niet veel wijzer dan jij bent? Dan moet je in deze relatie ook dit kinderlijk aanvaarden. Dit terzijde stellen van eigen persoonlijkheid en eigen wil kunnen accepteren. Per slot van rekening vinden wij het ook nog bij Jezus terug. Als Hij daar met die kinderen zit en zegt: Voorwaar, voorwaar zo gij niet wordt zoals deze, ik zeg u: Gij zult niet ingaan in het koninkrijk der hemelen. Je moet leren aanvaarden omdat je beperkt bent en juist daar waar je beperking ontstaat, moet je de persoonlijkheid die je bent, dan maar opzijzetten dan kan je verder.

Wie achterdochtig is kan niet aanvaarden. Wie niet kan aanvaarden, moet ook terzijde staan. Vergeet niet dat ik gezegd heb: Wanneer je innerlijk aanvoelt, dit doel, of die bestreving is juist. Maar als je zelf in jezelf voelt, die bestreving is juist, ook al kun je het niet helemaal uitdrukken, en je hebt dan desondanks, bv. tegen een persoonlijkheid, een hele hoop bezwaren, ja dan moet je toch werkelijk je persoonlijkheid maar tijdelijk ervan afleggen. Per slot kunnen wij ons goed voorstellen dat een machtige God als een soort bedelaar verschijnt en als die bedelaar u iets geeft moet je dan zeggen: Dat kan niet want hij is een bedelaar? En het dan weggooien, dat kan toch niet? De uiterlijkheid die je ziet, is nooit bepalend voor de innerlijkheid. Je gebondenheid, je terzijdestellen van je eigen persoonlijkheid, kan slechts zover gaan als je innerlijke aanvaarding reikt van het doel en daarmee van het gezag of leraarschap dat met dit doel voor jou verbonden is. Maar wanneer je zegt: Ja, aan de ene kant wel, maar ik ben wantrouwig, moet je gewoon: “Neen” zeggen. Je kunt niet een koekje opeten en gelijktijdig bewaren. Je kunt niet gelijktijdig geestelijk verder doordringen in krachten waarvoor je zelf nog niet rijp bent en mogelijkheden, die voor jou nog niet begrijpelijk zijn en toch menselijke kritiek blijven uitoefenen op alles wat daarmee in verband staat. Uiteraard der zaak is dit een algemeen antwoord, het is niet om een specifiek geval speciaal bedoeld. Maar misschien zal het u toch duidelijk maken dat je je wantrouwen eerst opzij moet gezet hebben voordat je ergens mee binnen kunt gaan. Als je naast Jezus had gestaan, dan had je kunnen zeggen: Hij is een meester. Je had niet behoeven te zeggen: welke meester, ik aanvaard hem ik ben dus onderworpen in alles wat zijn leer betreft. Je had ook kunnen zeggen: Ja, is Hij het nu wel? Maar dan mag je ook niet achter hem aangaan, dan heeft het ook geen zin. Wat zegt Jezus ook weer steeds als Hij de mensen geneest? Eigenlijk dat het hun aanvaarding is, hun geloof. Hij zegt niet: Ik heb u genezen, of ik heb u behouden. Hij zegt: Uw geloof heeft u behouden. Met andere woorden: De klakkeloze aanvaarding. Het vreemde is dat de mens in zijn nood wel altijd tot die klakkeloze aanvaarding bereid is, omdat hijzelf dan toch geen weg weet. Maar zodra hij denkt dat hij zelf ook nog wel wat kan, dan is hij bereid om dat opzij te schuiven.

Wanneer de mens iets nodig heeft, accepteert hij zonder meer. Maar op het ogenblik dat hij het niet nodig heeft, zet hij het opzij. Maar dat is de beperktheid van de mens. De meeste mensen zouden graag tegen de symbolische overhandiging van een penning desnoods, even de inwijding ontvangen. En begrijpen niet dat inwijding bereiken, een voortdurend proces van trainen is, een proces van onderwerping in bepaalde opzichten, van zelfontzegging in bepaalde opzichten. Pas als u dat gaat accepteren, wordt het u duidelijk dat u, wanneer u zegt dat  wantrouwen is er al niet, kunt beginnen. Maar dan moet u ook niet zeggen: Ja maar die goedgelovigen dan die door een valse profeet zijn geleid? Dan zeg ik u: die valse profeet, machtswellusteling of wat anders, die heeft ongetwijfeld verkeerd gehandeld, maar daarmee is de aanvaarding en de persoonlijke bewustwording en waarde van zijn volgelingen niet veranderd. Zodra wij erkennen dat er een hogere kracht of macht actief is, is degene die daarvoor optreedt alleen maar het uiterlijk en kan de innerlijke waarde en daarmee ook de verdere ontwikkeling eenvoudig niet teniet worden gedaan.

De valse profeten zijn even belangrijk als de echte profeten. De echte profeet is belangrijk om wat hij doet klinken. De valse om wat hij in de mensen doet ontstaan. Juist daarom geloof ik dat het onderscheid dat u maakt meer uit sociaal en politiek opzicht misschien belangrijk is, dan vanuit een geestelijk standpunt. En zeker ten aanzien van het paranormaal kunnen wij stellen dat heel veel mensen, die duivelsaanbidders waren maar daarmee het goede bestreefden, heel veel heksen, zoals zij op ’t ogenblik, zoals zij nog in sommige landen bestaan, die dan zogenaamde demonen dienen in zich met de volgzaamheid, maar ook met hun erkenning en bestreving, het heel wat verder hebben gebracht dan de brave mensen van deze wereld.

Laat ons één ding niet vergeten: Al de zogezegde rechtvaardigen op deze wereld, vernietigen voortdurend anderen. Het zijn meestal de onrechtvaardigen van deze wereld, althans in de ogen van de mensen onrechtvaardig, die de wereld iets geven. Mozes was een uitgeworpene uit Egypte. Jezus stierf als een misdadiger aan het kruis. Voorwaar het is beter dat één mens sterft, dan dat een volk tenondergaat. Zij zijn ondergegaan, zij waren misdadigers in de ogen van de mensen en toch zijn zij het vaak die meer in de wereld tot stand hebben gebracht dan de anderen. Het is zo gemakkelijk vanuit een bepaald bestaand milieu, vanuit een bepaalde opvoeding, uit een bepaald eigenbelang, uit eigen overtuiging een oordeel uit te spreken. Misschien is dat oordeel zelfs terecht. Maar vergeet dan één ding niet: dat de mens en de kracht niet zonder meer identiek zijn, dat uw eigen instelling veel meer bepalend is dan de kracht die u aanvaardt. Het kenteken van een ware profeet is niet dat hij een heilige is, dat hij iemand is die in de ogen van de mensen zo buitengewoon goed is. Het kenmerk van de ware profeet is juist dat hij, ondanks wat hij uiterlijk is, tot stand brengt.

Mensen beoordelen vanuit de tijd. Er is een tijd geweest dat elk leven van een mens op deze wereld noodzakelijk was. Alleen zo konden de mensen zich handhaven tegen hun milieu. Nu is de geboorte van een mens vaak een belasting voor de mensheid. Moeten wij dan zeggen, dat wat eens goed was, het enige goede is dat vandaag bestaat? Er is een tijd geweest dat men geloofde in nationalisme. Kleine staatjes, kleine groepen die zich wanhopig verweren tegenover anderen, die hun autonomie heilig achten en onaantastbaar. Uw wereld heeft nu bewezen dat juist deze begrippen de ondergang kunnen betekenen van de gehele mensheid. Moeten wij dan toch zeggen dat het oude waar is? De kerk heeft een lange tijd geleerd dat het juist achten van voorschriften en riten het belangrijkste was in het geloof. En nu blijkt dat het geloof hol en leeg is geworden totdat de mens eerst in zichzelf Jezus vindt. Moeten wij dan toch volhouden dat het lege omhulsel belangrijker is dan de bezielende kracht? De mens meent zichzelf tot rechter te mogen stellen en hij kan het niet waarmaken. De historie bewijst het. Zij bewijst dat tirannen vaak meer voor de wereld hebben betekend dan de heiligste en meest prettigste mensen die er ooit hebben bestaan. De historie bewijst ook dat ingaan tegen wat iedereen als juist en goed heeft beschouwd vaak betere vruchten en resultaten heeft afgeworpen, dan alle gehoorzaamheid aan de oude traditie. Kortom de geschiedenis bewijst dat het verleden nu afgelopen is. Het nu is altijd nieuw en anders. Juist daarom moet je zo voorzichtig zijn met je oordeel. Je kunt oordelen vanuit jezelf. Je kunt zeggen: in mijn ogen is het zo, en op grond van wat je zo constateert, wat je ziet, mag je zelf een houding bepalen. Dan kun je zeggen: ik kan dat gezag niet aanvaarden en ik ga weg. Dat kun je doen in een kerk, in een politieke partij en dat kun je net zo goed doen bij een geestelijke meester. Als je een meester niet vertrouwt moet je weggaan, anders ben je voor hemzelf en voor jezelf een vloek. Maar dat verandert niets aan de waarde van de meester en dat verandert ook niets aan de waarde van jezelf. Je wordt er niet beter van.

Afleggen van je persoonlijkheid betekent doodgewoon: Erkennen dat er dingen zijn hoger dan jezelf. Pas wanneer die erkenning er is, dan kun je ook je eigen behoefte je te laten gelden en te omschrijven en te weten, tijdelijk laten rusten. Daar komt het op neer. Wanneer alle mensen zouden weten wat zij volgen in deze tijd, dan zouden zij waarschijnlijk vol angst weglopen. Ook u met uw politieke partijen, met uw nationale gevoelens, met uw esoterische en kerkelijke of andere gebondenheden. U zou wegvluchten. U weet toevallig niet wat zij betekenen, u ziet er niet ver genoeg doorheen. Maar indien u nog verder er doorheen kijkt, dan begrijpt u dat dit uiterlijkheden zijn en dat hetgeen dat daarin geboren wordt belangrijk kan zijn.

Ik kan wantrouwen begrijpen, ik kan uw historisch gefundeerd wantrouwen tot op zekere hoogte waarderen. Maar moet er onmiddellijk bijzeggen: Wanneer dat wantrouwen er is, dan is er ook niet het gevoel van het hogere. Dan is er geen aanvaarding van het hogere, of er is een ontduiking van hetgeen je innerlijk als juist gevoelt. Dat moet je voor jezelf bewijzen, dat kan niemand voor u doen. Maar wanneer je aanvaardt: een lering, een leraar, een meester, een generaal desnoods, dan moet je ook bereid zijn om op het punt waarop je hem aanvaard hebt als gezag, je eigen persoonlijkheid af te leggen, je eigen mening en oordeel terzijde te stellen en te aanvaarden. En als de gevolgen van die aanvaarding voor jou duidelijk kenbaar maken: Dit is niet juist, dan mag je die binding verbreken en dan kun je nog niet zeggen: de fout ligt bij de ander. Zij kan ook bij jezelf liggen. Je kunt hoogstens zeggen: Ik heb gestreefd en geleefd naar mijn beste weten en kunnen. En wie dat kan zeggen zal in zichzelf een zekere vrede voortdurend beseffen en daardoor een mate van geluk deelachtig zijn die niet aan stoffelijke omstandigheden af te meten is en zal, bij overgang, een ontvankelijkheid vertonen tegenover alles wat in de sferen leeft, waardoor zijn bestaan bewuster en groter is dan je een mens kunt omschrijven.

Hoe minder je je bewust bent van jezelf, hoe meer je bewust wordt van de werkelijkheid waarin je leeft. Hoe maar de werkelijkheid waarin je leeft in je spreekt, hoe duidelijker je beseft hoe je deel bent van het geheel dat je ondergaat. Dan nog een waarschuwing.

Bedenk goed voor je spreekt, het is niet belangrijk wat jij wilt zeggen, maar wat een ander kan verstaan. Spreek in deze dagen zo, dat een ander u kan verstaan, dan vindt u misschien eens de mogelijkheid alles te zeggen wat u wilt. Maar wie nu alles wil zeggen wat in hem is, zonder dat hij zich afvraagt: kan ik verstaan worden? Die zal alleen zijn en die zal geen contact krijgen. Dat zal sociaal, dat zal zakelijk, dat zal geestelijk vaak veel schade en leed onnodig berokkenen. Dus als u spreekt, denk aan de anderen. Ga niemand voorbij die zich tot u wendt. Denk aan de anderen in de eerste plaats, dan kan je pas wat bereiken.

Wees steeds voorbereid. Zeg niet het einde van de wereld komt niet, of het komt morgen, zeg: het einde van de wereld kan altijd komen. Zeg niet: Ik leef nog tot mijn 100 jaar of ik zal morgen sterven. Zeg: ik moet op het sterven voorbereid zijn. Zeg niet: Ach wat heb ik aan zo’n beetje kennis, of wat heb ik eraan om dit geestelijk begrip nog nader te verwerken, dat zal ik later wel merken. Maar het kan zijn dat je het nodig hebt.

De kennis van een mens, zijn begrip, zijn eigenschappen, zijn belevingen zijn niet belangrijk op zichzelf. Een groot gedeelte ervan zal hij misschien nooit nodig hebben als mens en een groot gedeelte ervan misschien nooit als geest. Dat is gewoon iets dat in de vergetelheid verdwijnt. Maar als je het niet zou hebben, zou je tekortgeschoten zijn.

Bewustzijn, betekent dus niet alleen maar ernstig zijn, maar het betekent ernst en luim door elkaar kunnen vlechten. Bewustzijn, betekent: feiten kennen, verstand, kennis bezitten, maar ook inzicht hebben in de dingen, vrijheid bezitten. Verstand zonder vrijheid is niets waard, wijsheid zonder verstand is te beperkt. Beide samen scheppen een oneindigheid van mogelijkheden. Wij moeten voor onze persoonlijkheid, of wij op aarde zijn of in de sferen, proberen om een zekere rijkdom te scheppen. Wij moeten af van het denkbeeld dat wij dit niet nodig hebben en dat dat altijd wel gedaan zal worden. Leringen van meesters hebben geen zin zolang zij alleen maar vage dingen blijven. Dat moet werkelijk een stimulans worden, een kracht in je wezen waaruit je kunt leven en dat moet je zelf tot stand brengen die afstemming.

En een engelbewaarder kan heel mooi zijn, iets heel liefs en klapwiekend boven je wieken, maar hij kan je niet bewaren voor iets, tenzij je bewaard wilt wezen. Je kunt zeggen: ik wil genezen worden door God en je gaat daarbij stipuleren hoe. Dat gebeurt nooit. Je moet gewoon het contact vinden en de functie “genezen”, dan is er genezing mogelijk.

Het leven is een kwestie van scholing natuurlijk en aan de andere kant: “openstaan”, het verliezen van je beperktheid, van je eenzijdigheid. Niet zeggen: Ik ga hoog geestelijk streven. Er zijn er die dat doen, maar hebt u ze al gezien? Hoe hoger zij geestelijk streven, hoe lager hun ogen op de aarde gericht zijn. Omdat zij hoog geestelijk streven, houden zij zich niet met stoffelijke beslommeringen bezig en weet u wat het resultaat is: dat zij stikken in hun eigen geestelijkheid, dat zij vastlopen. Wanneer je beseft dat het één het ander niet kan uitsluiten, dat het moet samengaan, dan bereik je iets.