O tempora, o mores

image_pdf

18 oktober 1963

Hetgeen ik heden breng, is niet gebaseerd op alwetendheid of onfeilbaarheid. Denk dus zelf na, vorm uzelf een oordeel. Mijn onderwerp voor heden gaf ik als titel: O tempora, o mores.

Want dit is een tijd, waarin een grote verwarring ontstaan is omtrent waarden als zeden, moraal, terwijl een groot aantal misvattingen heerst omtrent belangrijke begrippen als recht en onrecht, juist en onjuist. Te zijner tijd verdienen alle aspecten van dergelijke verwarringen enige aandacht. In deze en mogelijk nog enkele komende lezingen willen wij onze zienswijzen hieromtrent toelichten. Bij deze eerste lezing meen ik er goed aan te doen, uit te gaan van de basis van de maatschappij: Het gezin. Zoals u weet, is het gezin de basis van de maatschappij, omdat daarin een vaste verhouding tussen man en vrouw en voor beide vaste verplichtingen tegenover het nageslacht ontstaan. Verder is het gezin aansprakelijk en oorzakelijk voor de opvattingen en reacties van het kind op en in de maatschappij, de scholing van het kind en het ontstaan van het maatschappelijk zo belangrijke begrip voor rechten en plichten.

Nu ik dit woord “plichten” noem, wordt de verleiding groot als een noodkreet de titel te herhalen: “O tempora, o mores”. O zeden van deze tijd, waar is het begrip van plicht gebleven, het besef van de verplichtingen die je hebt tegenover de medemensen, het begrip ook voor rechten, die je jezelf moet verwerven, recht, dat je maar niet zo en zonder meer cadeau krijgt?

Misschien vraagt u zich nu af, wat dit alles te maken moet hebben met het de vorige maal eveneens aangekondigde punt seksualiteit.

Dit ligt als volgt: In maatschappij zowel als in het gezin heeft de laatste jaren de seksualiteit een geheel andere en veel sterkere nadruk gekregen, dan lange tijd het geval is geweest. In het geheel van de maatschappij is in deze dagen het begrip attractie gebaseerd op figuren als de perfecte man en de perfecte vrouw. Alleen zijn deze, in tegenstelling tot de ideaalbeelden die de mensen eerden in vroegere eeuwen, nu niet meer een god en een godin, maar de man en de vrouw van het reclameplaatje. Daarom brengt de mens van heden het gemakkelijker tot een identificatie van zichzelf met deze ideaalfiguren, die natuurlijk alles wat zij aan charme en populariteit bezitten, danken aan alles, wat zij dragen en gebruiken.

De nadruk valt hier steeds weer praktisch alleen op uiterlijkheden. De ideaalfiguren zijn begeerlijk, omdat de vorm, de uiterlijke verschijning, begerenswaardig is. Stoffelijke begeerte-elementen moeten hierbij wel een grote rol spelen, omdat je nu eenmaal op een plaatje moeilijk de eigen persoonlijke charme en ziel van de mens kunt laten mee spreken. Hierdoor is ook in het moderne gezin in vele gevallen de mening binnen geslopen, dat het vooral gaat om de uiterlijkheid, de zuiver stoffelijke waarden alleen.

Men zoekt dan ook niet zozeer meer naar de innerlijke verdieping, innerlijke beschaving, of zelfs maar de esprit, die de Franse vrouw in vroeger jaren zo buitengewoon aantrekkelijk maakten – en misschien nu ook nog wel, maar ik ben in geen tijden meer in Frankrijk geweest – tenzij men in de uiterlijke aspecten van het leven reeds uit sluit .

Kort en goed: menigeen meent in deze dagen, dat het met uiterlijke waarden alleen wel bekeken is. Men etaleert zichzelf dus zo, dat de uiterlijke attractie voor het andere geslacht wel sterk naar voren moet treden. Zo rookt menige jonge man een pijp – die hij eigenlijk niet smakelijk vindt – omdat hij zo meent meer sexappeal te hebben.

Een vreemde opvatting overigens: Als het op roken aankomt, zal een “Queen Mary” een grotere pijp hebben en meer roken dan een man en volgens deze stelling zou zij dus ook meer sexappeal moeten hebben dan alle mannen. Men is zozeer verdiept in uiterlijkheden, dat velen een bepaalde sigaret roken, omdat dit een merk is “voor mannelijke mannen” of voor “vrouwelijke vrouwen”.

De seksualiteit speelt daarbij een grote rol: Men zoekt door deze uiterlijkheden de overheersing van en de attractie voor de andere sekse.

Wanneer deze dingen in de gezinssamenleving een rol gaan spelen komt er een ogenblik, dat moeder het belangrijker vindt, met alle middelen aan het aanvaarde ideaalbeeld te beantwoorden, dan man of kinderen te begrijpen, dat vader het belangrijker vindt aan de uiterlijkheden van succes, goedheid, belangrijkheid, mannelijkheid te beantwoorden dan zijn aandacht werkelijk op zijn gezin te richten. Men zoekt dus niet meer intens naar het juist vestigen van een relatie van mens tot mens, maar zoekt te beantwoorden aan het plaatje en het verhaaltje van het perfecte gezin, compleet met de perfecte – stoffelijke – romantiek, de perfecte modelkinderen, de perfecte modelkeuken, alles met de perfecte verzekeringen van de firma X.

En daar begint het gegooi in de glazen; een meisje, dat in deze dagen een beetje kind-af begint te worden, is niet meer een jong meisje, dat in een meisjeswereld opgroeit en droomt, of, zich voorbereidende op haar volle vrouw-zijn, met poppen speelt. Het is een wezen, dat onmiddellijk reeds alle aandacht van en zo mogelijk alle macht over het andere geslacht wil hebben. Een jonge vrouw, die, nauwelijks geslachtsrijp misschien, een overweldigende indruk wenst te vestigen en zich aan de wereld toont met een “zo attractief ben ik”. Wie kan mij weerstaan?

Voor de jongens geldt al precies hetzelfde. Vroeger werd de tijd dat je eigenlijk maar liever niet met meisjes te maken had, afgewisseld met een schuw eens naar elkander kijken, wat samen fluisteren, een tas dragen, om dan dromen te dromen, die niet verder gingen dan een kus en misschien een gezamenlijke picknick. Tegenwoordig betekent mannelijk zijn echter voor velen seksueel actief zijn. Daarom zoeken zij niet meer als eens, aarzelend, het raadsel van de vrouw te ontdekken, maar blijven zij zich daarvan onbewust en verlangen slechts, dat hun eerste ontmoeting met een vrouw onmiddellijk alles tegelijk zal zijn: Volledige verovering, volledige overgave. De beelden van de film: Brandende kussen, en de scenes uit de film; zondige liefde, wensen zij als bewijs van hun man-zijn om te zetten in de praktijk met meisjes, waarvoor zij verder misschien niets voelen, die niet hun verloofden zijn, maar die het hen mogelijk maken hun overwinning op de andere sekse zo concreet mogelijk tot uiting te brengen.

Voor beide geslachten geldt verder, dat de behoefte “volwassen” te zijn, hen soms voert tot het vormen van een gezin, terwijl geen andere dan de omschreven gevoelens en mogelijk daarnaast enige lustgevoelens, een rol spelen. Hierdoor zijn op het gebied der seksualiteit dus geheel andere verhoudingen ontstaan, dan tot op heden gekend werden. Zelfs lusten en zakenbelangen treden terug voor een behoefte, het ik te doen beantwoorden aan een zuiver stoffelijk en fictief ideaalbeeld.

Ik kan de ontwikkelingen hier wel even nagaan: Heel ver in het verleden treffen wij een soort matriarchaat, berustend op verering van de vrouw, de voortbrengster van kinderen. Zij heeft de geheimzinnige levenskracht, zij heeft “manna”. Zij dankt dus haar rechten en meerwaardigheid niet aan een gelijkheid met de man of bekwaamheden, maar juist aan het verschil met de man, dat haar, omdat het niet begrepen en herkend wordt, groot en machtig maakt.

Later ontdekt de man, dat hij in de voortplanting ook zelf een zeker aandeel heeft – iets, wat voordien dus niet beseft werd. In deze tijd maakt de mens zich waarschijnlijk vrij van de door rassengeesten bepaalde en gedreven seksuele drang. Dit plaatst deze fase rond het ontstaan van vroeg-Atlantis.

In deze periode beseft de man, dat hij, als beschermer van het nageslacht en medeverwekker daarvan, belangrijker is dan de vrouw, die het nageslacht weliswaar voortbrengt, maar ook hierbij van de man in feite afhankelijk is. De gevaren in de wereld zijn immers vele. Vanaf dit ogenblik begint de belangrijkheid van de man in de gemeenschap weer te groeien. Alleen daar, waar de vrouw qua aantal sterk in de minderheid is herneemt zij, nu door het begeerte-element en de belangrijkheid van nageslacht ook voor de man, weer iets van haar oorspronkelijke belangrijkheid. Zelfs nu zijn er op de wereld nog wel streken en stammen te vinden, waar een vorm van matriarchaat heerst. Tevens blijkt echter, dat dergelijke stammen niet zo sterk in aantal zijn, in armoede leven, terwijl de “bevolkingsaanwas” – om een moderne term te gebruiken – betrekkelijk gering is.

Daarna volgt een periode, waarbij de vrouw gekoppeld wordt met bezit – soms als werkkracht, zoals in Afrika – soms met een overdracht of erfrecht van eigendommen. Een goed voorbeeld van deze laatste situatie vinden wij bij de Griekse en Romeinse matrones. In eigen huis zijn deze meesteres. Daarbuiten echter hebben zij weinig of niets te zeggen, terwijl het beheer van hun bezit, en soms zelfs het gehele eigendom daarvan, aan de echtgenoot toevalt. Naar buiten toe, zakelijk en anderszins, treedt alleen de man sociaal op. Hij verdedigt zijn aanzien en bezit, waarin vrouw en kinderen delen, tegenover de buitenwereld. De vrouw staat hier officieel buiten en wordt alleen erkend als heerseres in eigen huis.

Deze toestanden blijven afwisselend en met geringe variaties voortbestaan, tot de wereld zodanig gemechaniseerd wordt, dat de vrouw als gelijke naast de man kan treden in elke speciale beroepsuitoefening. Vroeger waren soldaten, strijders, haast altijd mannen. Een vrouw, die een dergelijk beroep wilde uitoefenen, was een zonderling wezen. Alleen bij een verdedigen van eigen haard trad de vrouw soms strijdend op.

Ook hier zijn natuurlijk wel uitzonderingen. Denk hierbij aan de stam van vrouwen, die zich zelfs de rechterborst af lieten zetten, om juister en trefzekerder pijl en boog te kunnen handhaven, de amazonen. Verhalen over deze stam verbluften de gehele wereld. Maar deze vrouwen kunnen een geweer evengoed hanteren als de mannen en de vrouwelijke troepen van een der nieuwe staten zullen ongetwijfeld een machinegeweer of ander wapen met even dodelijke zekerheid en precisie kunnen hanteren als de mannen.

Ook op elk ander terrein is de vrouw langzaamaan in staat op te treden als gelijke van de man.

Ik geef toe, dat men zelfs toen dit reeds een feit was, nog getracht heeft, de vrouw van de bronnen van kennis af te sluiten. Maar ook dit is voorbijgegaan. De moderne vrouw kan zelfs op de kansel treden, er zijn vrouwelijke rechters, ministers, verkeersagenten, ondernemers. De vrouw is dus ergens de gelijke van de man geworden. Haar maatschappelijke functie maakt het haar ook mogelijk onafhankelijk en zonder de man maatschappelijk te bestaan.

Dit alles speelt een zeer grote rol in de omwentelingen, die wij in deze eeuw zien: De vrouw is niet meer het wezen, dat alleen dankzij de man kan leven en kinderen voortbrengen in redelijke zekerheid. Zij is niet meer de werkelijke huisvrouw, die haar gehele belangrijkheid ontleent aan haar taakvervulling en de zo verworven aanvaarding van de man, die haar beschermt. Er zijn in tegendeel wel vrouwen, die, wanneer zij zouden trouwen, eigenlijk mannen zouden moeten hebben, die daarna hun naam aannemen. Wie kan zich voorstellen, dat Lizzy Taylor opeens voor geheel de wereld Lizzy Fisher, Brown of Smith zal heten? Het lijkt waarschijnlijker dat de echtgenoot in plaats van bv. mister Brown voortaan mister Taylor wordt genoemd. Dergelijke gevallen zijn nog steeds excepties. Maar het bestaan daarvan heeft wel degelijk uitgewerkt op de maatschappelijke verhoudingen.

U, als man of vrouw in deze maatschappij, staat als gevolg hiervan geheel anders tegenover de andere sekse dan voorheen het geval was. U beoordeelt uw eigen mogelijkheden en attracties niet alleen meer vanuit het denkbeeld: Ik ben man of ik ben vrouw, dus dit zijn mijn verplichtingen en rechten. U gaat uit van uw bezit of uw rechten, u baserende op hetgeen u te bieden hebt – of meent te kunnen bieden – terwijl onevenredig grote nadruk wordt gelegd op uiterlijk schoon – dat hier een band met het verleden in stand houdt en als verklaring dient voor onder meer de beschermende houding van de man t.a.v. de vrouw, die nog steeds ergens als bon ton geldt. Men kan zich niet meer goed voorstellen, dat een lelijke vrouw evenveel recht heeft op de aandacht en attenties van de man als een schone vrouw. Toch kan ook uit het verleden steeds weer blijken dat mannen betrekkelijk of zelfs werkelijk lelijke vrouwen, die bepaalde geestelijke eigenschappen bezaten, meer vereerden en op handen droegen, dan de uiterlijk volmaakte schoonheden van hun tijd. De grote courtisanes van het verleden waren lang niet altijd de schoonste vrouwen van hun tijd, maar paarden allen een zekere charme aan verstand, moed, kennis.

Nu echter een begrip voor deze banden tussen man en vrouw weg beginnen te vallen, bescherming en plicht minder belangrijk worden en zelfs trouw meer een persoonlijke kwestie is geworden dan een zaak van bezitsbescherming, benadert men in het gezin elkander maar al te vaak vanuit het standpunt dat men zelf – of de ander – een ideaalbeeld dient te vertegenwoordigen. In Nederland is dit beeld over het algemeen nog betrekkelijk ouderwets. Indien wij echter naar de USA zien, waar men het huwelijksleven nogal eens eerlijker en openlijker ontleedt dan in Europa gebruikelijk is, komen wij tot de eigenaardige conclusie, dat de vrouw zich steeds minder geeft, zoals zij is, doch zich een persoonlijkheid tracht te scheppen, die niet op haar innerlijke waarden berust, doch alleen een uiterlijk beeld betekent. Haar charme, haar kleding, haar bezit – incl. de kinderen – het succes van “Hubbie”, haar meespelen in buurtverenigingen enz. blijken een uiterlijk beeld te vormen, dat voor haar veelal belangrijker is dan een meer eigen en vooral meer op innerlijke waarden gebaseerd leven. Toch is zij hiermede niet werkelijk tevreden en wreekt zij de tekorten, die grotendeels uit haar manier van leven voortkomen, op echtgenoot, gezin en omgeving.

Ook voor de man is veel veranderd. Vroeger keerde hij naar huis terug als een vorst die zich, binnentredende, met werkelijke overgave en zonder enig gevoel van aantasting van eigen vrijheid of rechten, zich in handen gaf van de zorgen en besluitvaardigheid van zijn vrouw. Hij kon voor zijn vrouw hoffelijker zijn, omdat hij wist, dat dit geen kwestie van werkelijke rechten of plichten was, maar zijn goeddunkendheid, zijn liefdevolle goedertierenheid, waarmede hij iets volbracht of toestond. Zijn huis was voor hem een veilige haven, waarin hij kon uitrusten van de strijd in de wereld. Het resultaat was, dat innerlijke waarden een veel grotere rol speelden – seksualiteit speelde vaak buitenshuis in wezen een grotere rol dan thuis – terwijl hij ook wist, dat de vrouw hem graag de eer zou gunnen voor haar besluiten en gedachten. Een huwelijk – en daarmede een gezinsleven – was goed, wanneer op een enkel gebied de verhouding man en vrouw maar goed was en tot een zeker wederzijds respect voerde.

Tegenwoordig is dit niet zo. De man wordt opgescheept met de rol van perfecte echtgenoot, die niet gebaseerd is op zijn eigen wil, wezen of liefde, maar op vormen, die van buitenaf in zijn huis indringen. Wanneer dezen stellen, dat de man de vaat moet wassen, durft menige man niet de bruut te zijn, die zijn arme vrouw alleen af laat wassen. Er wordt van hem verwacht, dat hij de vermoeidheden, moeilijkheden en ergernissen van de vrouw, die niet voortvloeien uit voor geheel het gezin waarlijk gewichtige activiteiten, op zal vangen. Hij komt dus tussen twee spanningen te staan: De spanning van de wereld daarbuiten, waar hij vechten moet voor positie, verdienste, gezag, het handhaven van een zekere figuur tegenover anderen, terwijl hij nu thuis geconfronteerd wordt met de – voor hem vaak niet belangrijke of gewichtige – problemen waarmee zijn vrouw moet worstelen en bovendien ook hier niet waarlijk zichzelf mag zijn, maar een zekere gestalte – de ideale echtgenoot – zou moeten verwerkelijken. Hij heeft geen tijd meer om waarlijk zichzelf te zijn, evenals zijn vrouw.

Het gevolg is dat beiden, sterk met zichzelf bezig zijnde, minder werkelijke tijd hebben voor hun kinderen dan vroeger. De uiterlijkheden, die hun leven meer en meer zijn gaan beheersen, spelen een steeds grotere rol in de wijze, waarop zij hun kinderen het hen toekomende trachten te geven. De ouders van heden vinden het vaak belangrijker, hun kinderen kostbaar speelgoed, geld en kleding van zeer goede kwaliteit te geven, dan een poging te doen deze kinderen werkelijk te begrijpen, of hen eerlijk en geheel maar een halfuur van hun tijd te offeren. De nadruk op uiterlijkheden stelt zo het kind meer en meer en voor steeds langere tijd buiten de wereld der volwassenen. Maar buiten de wereld der volwassenen ziet het kind voor zich niet voldoende belangrijkheid.

Het gevolg is dat kinderen, terwijl zij nog betrekkelijk jong zijn bv. nadat zij door de school met de maatschappij worden geconfronteerd, eveneens trachten volwassen te zijn, of ten minste een wereld als die van de volwassenen voor zich op te bouwen. In dit pogen, volwassen te zijn, beantwoorden de kinderen echter niet meer aan vaste regels, eisen van gedrag en prestatie, verwerven van rechten enz., doch zoeken, evenals hun ouders, voornamelijk te beantwoorden aan een ideaalbeeld. De maatschappij exploiteert dit, zodat er ideaalbeelden voor miskende jongelui te over zijn.

Deze helden zijn natuurlijk niet aangepast aan de maatschappij, zoals deze werkelijk is, maar geeft de jongeren rovers, cowboys, ouderen, advocaten, dokters, misdadigers, die schijnbaar zonder moeite steeds weer slagen of – wanneer het misdadigers zij – alleen mislukken door het maken van een fout, die het kind meent te kunnen vermijden. Zeker is dat deze helden overal weer een meisje vinden om te kussen – en meer – zij worden overal erkend, geëerd of gevreesd.

Deze helden gaan tegen alle regels en recht in, volgen geheel hun eigen inzichten, ideeën en lusten, maar uiteindelijk komt toch steeds weer het happy-end.

Zo staat het kind in een wereld, waarin het menen kan, dat men zijn eigen zin kan doen, dat men van de maatschappij maar te eisen heeft. Want het gaat hier immers om een uiterlijk beeld. Wanneer je daaraan voldoet, hoeft je verder zelf niets te scheppen, dat moet de wereld maar doen. Zoals de ouders door kleding, geschenken, zakgeld, de status tegenover vrienden en bekenden dit hebben mogelijk gemaakt, zo moet de maatschappij dit nu maar doen in relatie tot alle anderen, dit is je recht, zolang je aan een beeld beantwoordt, ongeacht wat je verder doet of laat, presteert of niet presteert. Door het scheppen van een dergelijke instelling – zelfs indien deze voor de meeste mensen nog onbewust is – wordt de basiswaarde van alle moraal aangetast: Er is geen verhouding meer van geven en nemen, waardoor men een plaats vindt, maar eenvoudig: het scheppen van een beeld, dat ten koste van anderen en door anderen in stand gehouden moet worden, waarop geen kritiek aanvaard kan worden enz.

Van dit beeld maakt ook de seksualiteit deel uit en krijgt daarin een vaak zeer belangrijke plaats.

Voor een kind – of een jonge mens – is seksualiteit echter niet alleen maar een kwestie van geslachtelijk verkeer, ofschoon menigeen dit schijnt te denken. De seksualiteit omvat alle met geslacht samentreffende verschijnselen van het leven en oefent daarop invloed uit. Zo zien wij bij jongens perioden van overgrote agressiviteit, bij meisjes perioden van teruggetrokkenheid, afgewisseld met agressiviteit. Dit is het gevolg van een poging zich volgens eigen sekse en waarde een plaats in de gemeenschap te verzekeren. Zoals een jonge bok een tijd kent, dat hij met alles en ieder vechten wil, zich God wanende, wanneer hij een oude en misschien krachteloze bok voor het eerst heeft kunnen terugdringen, zo heeft de jonge mannelijke mens een soortgelijke drang. Er is een neiging om zonder redenen en vaak zelfs wreed, aan te vallen.

Vroeger had de jonge mens de zekerheid, dat de oudere, als de oude leider in een roedel, de sterkere was. Hij reageerde dus zijn overvloed aan energie af op een binnen de gemeenschap – de kudde – aanvaardbare wijze. Nu bestaat deze zekerheid niet meer: Niet eigen prestatie, maar het gevolgde beeld bepaalt immers de verhoudingen. En is de jonge mens niet superman in verkleding, de meester misdadiger, de terreur der wereld incognito? De jonge mens heeft beelden te over, goede zowel als kwade, om zich naar te richten. Hij gebruikt deze beelden om zich tegenover de maatschappij op agressieve wijze te uiten. Eigen verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid kan hij, dankzij de moderne psychologie, op anderen afschuiven, fouten en mislukkingen zijn niet zijn persoonlijk falen, maar het gevolg van frustraties, bindingen, tijdelijke ontoerekenbaarheid enz.

Wanneer een jonge mens dit alleen uitleeft met een bromfiets, is het nog niet zo erg, ook al is dit voor het verkeer en hemzelf gevaarlijk en voor de rust van ouderen niet direct goed. Maar heel vaak gaat de jonge mens verder. Uitgaande van het gekozen beeld wil hij zijn macht over het leven bewijzen. Dan komen wat jonge mensen samen, vallen zonder redenen iemand lastig, vallen aan, slaan iemand tegen de grond, trappen en mishandelen hem met een ware wellust, die in wezen niets anders is dan een uiting van het mannelijk machtsgevoel, een daad van seksuele betekenis.

Wanneer bepaalde beelden, waarin geweld een rol speelt, door de gemeenschap steeds weer worden geprojecteerd, terwijl de gemeenschap zelf bij haar streven steeds weer aan bepaalde beelden tracht te beantwoorden, is het niet meer dan logisch dat de jonge mens zijn agressiviteit op deze wijze tot uiting brengt. Wanneer de “killer” een figuur is, die de jonge mens aanspreekt, meent hij daaraan alleen het recht te kunnen ontlenen, om te doden. Hij trekt er alleen of met een bende op uit en steekt of slaat een ander dood. Voor die jonge mens is dit geen moord, maar een beantwoorden aan het als voorbeeld gekozen beeld.

Ook voor meisjes geldt ongeveer hetzelfde: Er komt een ogenblik, waarop meisjes “en groupe”, of samen met een of meer jongens, mensen aanvallen, men noemt dit onvrouwelijk enz., maar toch heeft ook dit optreden iets met sekse te maken: Vrouwen kennen een bepaalde tijd, dat meisjes samenzijn en tezamen optreden tegen de andere sekse, voornamelijk jegens degenen, die als partner in aanmerking zouden kunnen komen, of als zodanig gevreesd worden. Hierbij treden de meer defensieve eigenschappen van het vrouwelijk geslacht op de voorgrond: Een dergelijke aanval blijkt steeds weer in verband te staan met gewekte lusten dan wel echte of vermeende krenkingen. Samen met jongens betekent de handeling gemeenschap, ook wanneer deze niet lichamelijk bevestigd wordt of werd. De behoefte zich te doen gelden brengt vrouwelijke kinderen op betrekkelijk jeugdige leeftijd er vaak toe, met inzet van alle middelen, ook de vrouwelijke zo nodig, vreemdelingen te overweldigen tot slaaf te maken, te onderwerpen.

In jeugdgangs zien wij dan ook vaak, dat de meisjes in wezen een eigen en onafhankelijke kern vormen, waarvan de actie steeds weer voorbereidend of verdedigend is, terwijl de groep als geheel op de mannelijke leden van de gang een zo groot mogelijke invloed tracht uit te oefenen.

Daarbij ontstaan eigenaardige regels en gebruiken, die vreemd genoeg bijna overal ter wereld gelijk zijn: De meisjes beschouwen het als normaal zich aan alle leden van de gang zonder voorbehoud lichamelijk ter beschikking te stellen. Anderen echter komen niet in aanmerking. Zij zijn dus trouw, maar niet aan partners, maar aan een communiteit, die hen de mogelijkheid geeft de gekozen gestalte tot uiting te brengen. Als geheel blijken de meisjes vaak in strijd te zijn met de inzichten en bedoelingen van de mannelijke leden van de gang, die zij op alle wijzen trachten te beïnvloeden. Zelfs komt het voor, dat de vrouwelijke leden van een gang gezamenlijk tegenover deze gang verraad plegen, om zo hun invloed kenbaar te maken. Het is de strijd van de seksen, die zoals zij in het dierenrijk bestaat, nu wordt overgebracht in de menselijke samenleving. Wij vinden natuurlijk niet al te veel delen van de beschaafde wereld, waar nu reeds het gestelde geheel tot uiting komt. Daar waar de gemeenschap onpersoonlijk wordt of te zeer persoonlijke invloed wil uitoefenen, zonder daarbij de waardigheid van de puber te respecteren, komen deze benden het meest voor in de achterbuurten van grote steden: Als New-York, de favela’s in Z. Amerika, begint het. Van daaruit zet het zich verder voort over de gehele beschaafde wereld, overal waar de sociale omstandigheden ook maar iets van het eigen beeld dreigen aan te tasten, zien wij bendevorming optreden en de benden een steeds vaster binding betekenen. Kortom: Deze bendevorming is een poging zich uit te leven, te beantwoorden aan de machtsdrang die zich, mede door de nu gehanteerde reclamemethoden en denkwijzen, het geschapen “public image” van de perfecte man en de perfecte vrouw, sterk uit in een uitleving van de seksualiteit in alle aspecten daarvan.

Het gevoel, niet te beantwoorden aan het gestelde beeld voert eveneens tot eigenaardige handelingen: Wij krijgen bv. te maken met meisjes, die verklaren door iemand aangerand te zijn om zich te wreken voor het feit, dat deze aanranding in feite niet geschiedde, of voor hen minder bevredigend was dan zijn meenden te mogen geloven. Aan de andere kant krijgen wij te maken met jongelui, die in wezen geen behoefte hebben aan een ruw geslachtelijk verkeer, die zelfs in het gezelschap van meisjes ergens verlegen zijn, maar vrouwen gezamenlijk aanranden, om zo zichzelf en de wereld hun volwaardigheid te bewijzen. Dit is voor hen dan het vinden van een uiting voor hun persoonlijke grootheid binnen de kleine groep, waarmede zij omgaan, hun gang. Jeugdgroep en gang treden namelijk steeds meer in de plaats van het gezin, indien dit gezin niet in staat is een voor het jongere belangrijke binding van rechten en plichten te scheppen.

Naar ik hoop hebt u reeds begrepen, dat deze binding in en aan het gezin naar mijn inzien steeds minder wordt. De wat oudere generaties, die nog jongere kinderen hebben, zullen nog wel enige binding van deze soort kunnen scheppen, ook al is deze niet groot genoeg meer. Maar de jongeren, die nu vaak zeer jong reeds in het huwelijk treden, zijn hiertoe niet meer in staat en zullen zich steeds meer op uiterlijkheden gaan baseren. Het resultaat hiervan is niet alleen een snel uiteenvallen van vele huwelijken, maar ook een aantasting van de moraliteit, zoals deze nu nog gekend wordt. Deze moraliteit ondergaat een langzame maar onophoudelijke verandering, die, gezien de niet voldoende aanwezige waarden, de jonge mens steeds meer dringt naar een volledige uitleving van eigen persoonlijkheid ten koste van anderen en ten koste van de maatschappij als geheel. Hierbij zullen zelfs eigen lusten en angsten niet meer van overwegend belang zijn, zodat de motivering van alle daden ligt in de indruk, die men daarmee meent te kunnen maken in de buitenwereld.

Wanneer dit het enige was, zou ik kunnen volstaan met de verklaring: De moderne maatschappij brengt zichzelf ten onder. Want met de aantasting van de werkelijke betekenis van het gezin tast men alle werkelijke sociale samenhang aan. Men komt tot het scheppen van steeds grotere belangengroepen die echter gebaseerd zijn op het egoïsme en de behoefte zich te doen gelden van de eenling. Dergelijke groepen zijn niet redelijk, maar gaan alleen uit van een zoveel mogelijk blijvend behouden van een voor het ik gesteld beeld.

Voorbeeld: Wanneer een vakbondsleider meent, dat een loonsverhoging van 8% gezien vanuit de economie niet verantwoord is en toch luidkeels 12% opslag eist, doet hij dit logischerwijze, omdat hij zijn gestalte als vakbondsleider wil handhaven. Hij acht hiermede een tegen beter weten in ageren, reeds geheel verantwoord: Zijn macht is belangrijker dan zijn werkelijk eerlijk vechten voor degenen, die hij vertegenwoordigt. Velen zullen deze redenering en handelwijze begrijpen en zelfs verantwoord achten: Een bewijs, dat het handhaven van een geschapen beeld in deze dagen in de plaats treedt, waar in wezen persoonlijk inzicht, integriteit, gevoel van verantwoordelijkheid en normgevoel zouden moeten gelden.

Zouden er in deze tijd geen geestelijke invloeden meespelen, dan zouden wij dus de zaak wel als afgedaan kunnen beschouwen, stellende: Alles loopt ergens vast, wij krijgen een opstandigheid, die steeds verder gaat en gelijktijdig een verlopen van alle bindingen.

Maar er is in deze dagen wel sprake van een geestelijke invloed. Een invloed, die zelfs nu voor het geheel betrekkelijk groot is. Deze invloed, ten dele van kosmische geaardheid, ten dele afkomstig uit enkele bijzondere sferen, heeft reeds getracht een vernieuwing langs geleidelijke weg te doen ontstaan. Wat meer is, zij zal wel degelijk trachten in de komende tijd een dergelijke vernieuwing zelfs te forceren, indien dit noodzakelijk blijkt. In de vernieuwing passen ideeën, zoals die nu bestaan, dus niet meer. Wij hebben niets meer aan bijvoorbeeld een huwelijkssysteem waardoor een zekere afhankelijkheid voor beide partijen wordt geschapen. Alle belemmeringen voor een leven naar eigen behoeven en inzicht, elke ongelijkwaardigheid in hun situatie, zou weg moeten vallen. Daartegenover staat echter, dat met een wegvallen hiervan ook de zelfbeheersing bij velen weg zou vallen, dat hen op het ogenblik tenminste nog enigszins binnen de sporen houdt.

Daarom moet gelijktijdig een veel groter begrip voor eigen aansprakelijkheid en verantwoordelijkheid geschapen worden. De betekenis van het leven zelf wordt dan een andere.

In de eerste plaats dient men te begrijpen, dat wij allen, niet alleen in gemeenschap, maar ook persoonlijk, volledig voor alles aansprakelijk zijn. Dat heeft u al 1000 keer gehoord, maar ik moet het hier herhalen. Deze persoonlijke verantwoordelijkheid geldt echter niet in de eerste plaats t.a.v. anderen, maar t.a.v. eigen leven, handel en denken. Het gaat er niet meer om, dat men beantwoordt aan een ideale gestalte, maar dat men beantwoordt aan zichzelf. In de wereld moet echter de gelegenheid geschapen worden, opdat men aan zichzelf zal kunnen beantwoorden. Er moet dus een weg geschapen worden, waardoor de huichelarij en oneerlijkheid – die, neem mij niet kwalijk, in deze tijd haast overal de boventoon voeren – plaats gaan maken voor een rechtuit erkennen van de feiten. Aan de ene kant is dit natuurlijk heel goed en zou zo een verandering met groot gejuich moeten worden ontvangen. Aan de andere kant brengt een dergelijke omzetting enkele gevaren met zich.

De Hindoes hebben eens in hun Kamasutra een waar kunstwerk over de liefde geschreven, iets waarin men tegenwoordig misschien weleens iets smerigs wil zoeken, maar waarin voor hen de belangrijke waarden van lichamelijke liefde en huiselijke vrede a.h.w. werden vastgelegd. Het is misschien kentekenend voor de instelling van deze tijd, dat een dergelijk werk door velen als pornografie wordt beschouwd, terwijl anderen sluiks, maar daarom zoveel te gretiger, de procedures erin bestuderen zonder de zin te begrijpen. Men schijnt eenvoudig te zijn vergeten, dat de lichamelijke liefde een normale aanvulling is van een geestelijke genegenheid, maar dat de lichamelijke liefde op zich voor de mens – niet voor het ras dus – zonder werkelijke zin en betekenis is, en zelfs als behoefte-element niet veel hoger of lager hoeft te worden gesteld dan de stofwisseling. Het verheffen van de stoffelijke daad tot de werkelijke zin van alle liefde, tot iets geweldig, is een schromelijke vertekening geweest van alle stoffelijke en menselijke realiteit.

Wanneer er echter een geestelijk contact bestaat, dat een stoffelijke uitdrukking vergt, zo is de liefde een van de schoonste dingen op aarde. Zolang het behoefte-element een rol blijft spelen en geen geestelijke achtergronden aanwezig zijn, kan men haar echter vergelijken met het eten van een bes, die misschien zoet is of onverwacht wrang en zuur, maar die in wezen reeds vergeten is, voor zij de slokdarm geheel is gepasseerd. Wanneer een dergelijke mentaliteit nu met dergelijke geestelijke krachten wordt geconfronteerd, bestaat het grote gevaar, dat men in de materiële liefde zonder meer wil zoeken naar dat, wat in wezen geestelijk ontbreekt, dat men in de materie waarden gaat zoeken, die men in zichzelf dient te vinden.

Vanuit de kosmos wordt de behoefte aan het geestelijke element verscherpt. Het gevaar is heel groot, dat de mens, omdat het innerlijk gevoel van rechtvaardigheid – dat zoveel belangrijker is dan elke menselijke wet of regel – bij velen langzaam maar zeker vervalst is door de gedachte, dat de doelmatigheid van handelen belangrijker is dan de rechtvaardigheid, zodat men over zal gaan tot een overmatige reeks van regels en wetten, die de inhoud terug moeten geven aan het geheel, in plaats het onjuiste teniet te doen – wat natuurlijk last en moeilijkheden veroorzaken zal – en terug te keren tot ware verhoudingen en werkelijke rechtvaardigheid. De geestelijke invloed, die de roep naar rechtvaardigheid brengt, zal dan immers voor velen niets anders kunnen betekenen, dan een verhoging van de verwarring.

De geestelijke invloeden drijven in deze tijd vele zaken wel erg op de spits. Wanneer de nadruk op de zuiver stoffelijke aspecten, bv. van de liefde, onder deze inwerkingen zo groot wordt, komt er een ogenblik, dat deze wereld geen werkelijke binding tussen mensen meer zal willen erkennen en hen het recht zal ontzeggen zichzelf vrijelijk dergelijke banden te scheppen, zo zij dit wensen. Dan wordt de wereld tot een woestenij met dieren, die, in de chaos van groeiend egoïsme zichzelf verliezen, tot misschien eens een paar mensen opnieuw een werkelijke geestelijke binding erkennen, de wetten van de geest herontdekken en als een nieuwe Adam en Eva het begin vormen van een nieuwe cyclus van waarlijk menselijk leven. Dit gevaar is zeker niet denkbeeldig, tenzij de mens terugkeert tot een begrip van de ware, de geestelijke belangrijkheid der dingen, zowel bij liefde als recht.

Bij het recht geldt namelijk precies hetzelfde. Zolang het alleen maar uiterlijk wordt gezien, zal er een vorm van moraliteit zijn, die alleen op uiterlijke regels gebaseerd is. Daarmede te leven is zuiver een kwestie van handigheid: hoe meer van die regels je weet te ontduiken, zonder dat iemand zich eraan stoort of het bemerkt, hoe knapper je in feite bent en hoe beter het je zal gaan, weet u wel. Dit beginsel wordt namelijk openlijk alleen erkend, wanneer het om belastingontduikingen enz. gaat. Maar in wezen geldt het, al geeft men dit niet graag toe, ook voor de zedenleer van deze tijd. De uiterlijkheid bepaalt op het ogenblik alleen het oordeel. Al ben je een onguur type en een groter oplichter dan Krueger of Stavisky, zolang men denkt, dat je rijk bent en niets tot je nadeel gezegd wordt, zal eenieder je eren. Dat is nu eenmaal het gevolg van het zich alleen maar hechten aan uiterlijkheden en niet laten meetellen van innerlijke waarden. Daarom is het, zolang deze maatstaven van uiterlijkheid alleen worden aangelegd, gemakkelijk de mensen te bedriegen. Hoe meer uiterlijke regels de uiterlijkheden regelen, hoe groter mogelijkheid voor degenen, die “handig” zijn om zich met behulp daarvan te verrijken en een aangenaam beeld van zich op te bouwen, hoe gemakkelijker ook de normale mens daaronder bezwijkt en aan alle maatstaven uiteindelijk alleen maar lippendienst bewijst, ten gronde gaande aan zijn onvermogen om een vaste basis in het leven te winnen en achting voor zichzelf te behouden.

En wat gebeurt er, wanneer een grote deceptie ineenstort? Krueger en Stavisky hebben zich teruggetrokken uit het leven. Staatslieden hebben hun rijk en zichzelf vernietigd op het ogenblik, dat de schijn met geen enkel middel gehandhaafd kon worden. Voor alles moet wel vermeden worden, dat de mensheid een dergelijke oplossing zou zoeken voor het ineenstorten van zijn op waan en onjuiste waarderingen gebouwde wereldje. Indien wij deel willen hebben aan een vernieuwing, kunnen wij niet uitgaan van een wereldbeeld waarin begrippen als recht, moraliteit, zedelijkheid alleen op uiterlijkheden gebaseerd zijn.

Daarom zullen wij allereerst de punten moeten stellen, waarmede wij de huidige situatie redelijk kunnen schetsen.

  1. Alle nadruk, die in deze dagen wordt gelegd op het lichamelijke aspect van de liefde, is sterk overdreven. Zij moet worden teruggebracht tot de normale betekenis, waarbij eerlijk erkend moet worden, dat de lichamelijke liefde op zich o.m. een bevrediging van lustgevoelens is, waaruit nevenbij eventueel een voortbrengen van nageslacht kan resulteren. Het is alleen deze laatste factor, die bedenkingen tegen de onbeperkte beleving hiervan wettigt. Dit alles geldende, tenzij eerst een geestelijke en innerlijke harmonie is ontstaan, zodat de geestelijke harmonie van de ouders van via het stoffelijke contact de voor de geest perfecte voertuigen schept en werkelijk geestelijk bewuste en belangrijke kinderen de wereld kunnen betreden.

Nogmaals: Zolang de innerlijke harmonie en waarden niet eerst komen, kan men alle seksualiteit rustig beschouwen als een spel, waarmee de wereld zich vermaakt en alle belangrijkheid, die men aan dergelijke contacten toekent uit andere dan zuiver stoffelijke overwegingen, rustig terzijde schuiven.

  1. Alle begrippen van zedelijkheid en moraal zijn gebaseerd op wat men denkt. Anders gezegd, dankzij de vaak volledig verkeerde begrippen van moraliteit en zedelijkheid heeft men in deze dagen een reeks van gestalten opgebouwd, waaraan eenieder tracht te beantwoorden, zonder dat dit in feite en waarlijk mogelijk is. Het gevolg is, dat 9 op 10 mensen op het ogenblik door de wereld gaan met een vorm van zelfbedrog, waarbij men soms zichzelf in leven en denken verminkt, om toch vooral maar als een zedelijk waardevolle en moreel verantwoord levende mens door het leven te kunnen gaan.

Dergelijke kolder moet en zal worden gestopt in deze jaren, zelfs indien dit zou moeten betekenen, dat in de zo ontstane chaos veel mensen ontijdig heen zouden moeten gaan en een nieuwe incarnatie af zouden moeten wachten. Want nogmaals: Moraliteit en zedelijkheid zijn niet te baseren op uiterlijke waarden of gemeenschappelijke regels, maar hebben alleen werkelijke waarde, wanneer zij berusten op een innerlijk begrip, op het erkennen van een innerlijke wet en persoonlijke verplichting, zo voerende tot een werkelijke taakvervulling in het leven. Het zich wijden aan het vervullen van de erkende eigen taak, niet het zoeken naar eigen belangrijkheid of streven, in verwachting van een beloning, maar slechts het zoeken naar een juiste zelferkenning en zelfverwerkelijking voert tot de voor de mens enig juiste wijze van leven.

Elke gemeenschappelijke opzet, waarbij de mens enerzijds tracht zijn aansprakelijkheden af te schuiven op anderen en anderzijds zich beroept op rechten, die door de gemeenschap of binnen de gemeenschap door anderen zijn verworven, zonder zelf deze rechten ook inderdaad waardig te zijn, maakt zichzelf en zover mogelijk zelfs zijn omgeving tot een meer dierlijke mens, mensen, die, in de kudde levende, hun lusten en angsten ten koste van de kudde trachten te uiten.

Slechts de mens, die eerst vanuit eigen begrip van verantwoordelijkheid, aansprakelijkheid tezamen met anderen – in het een gelijke gezindheid kennende en slechts gaande zover als de gelijkheid van streven en gezindheid reikt – streeft naar het bereiken van een doel, zal deel uit kunnen maken van een groep, of zelfs een groep kunnen stichten, waarin werkelijk iets bereikt wordt, zonder dat de waarden van de eenling als mens en naar bewustzijn strevende ziel aangetast worden. Daarom zullen de bindingen in een dergelijke groep nooit blijvend of vast zijn en nimmer onderworpen kunnen worden aan een enkele, steeds vaststaande lijn van actie.

Een voortdurend grotere wisseling van de figuren, die leiding geven – onverschillig waar en hoe, zelfs indien dit de z.g. continuïteit van politiek, streven en werken niet ten goede komt – is noodzakelijk, om in deze wereld de vergroeiing binnen het kader van uiterlijke normen, waaraan niemand in werkelijkheid geheel kan beantwoorden, te voorkomen.

Mag ik er als voorbeeld op wijzen, dat 99 ten 100 van de Nederlanders in hun denken, leven en reageren grotendeels ambtelijk reageren? Men denkt a.h.w. in formules, subsidies en cao’s, leeft alsof niets belangrijker ware dan theorieën, regels en wetten en handelt als een ambtenaar, die op eigen departement en tegenover anderen – die hij natuurlijk strikt aan de regels gebonden acht – door een ontduiken van regels, of het niet juist toepassen daarvan, moeilijkheden of onnodige arbeid tracht te ontgaan en met de regels in de hand gelijktijdig tegen de werkelijke inhoud daarvan ingaande, succesjes probeert te behalen ten koste van anderen.

Misschien stel ik u teleur en had u van mij andere “onthullingen” verwacht. Toch zult u bij overweging toe moeten geven, dat veel van hetgeen ik stel, belangrijk en juist is: Dat inderdaad in deze dagen de voorstelling van zaken, die men zich pleegt te maken, onwerkelijk en verkeerd is, dat men tracht te beantwoorden aan normen die zijn als zelfgeschapen afgodsbeelden, en niet aandacht wil schenken aan de werkelijkheid en haar eisen. Zo u meent, dat ik geen ongelijk heb met het door mij gestelde, zult u het misschien ook met mij eens kunnen zijn, wanneer ik stel: Het totaal van uiterlijke normen en vormen, door deze wereld in deze dagen gehanteerd, is praktisch waardeloos. Het is alleen maar de lijm, waarmede men het op zich reeds bouwvallige huis der menselijke maatschappij en verhoudingen nog samen tracht te houden. De maatschappij van vandaag doet mij denken aan het grapje, waarbij de een tegen de ander zegt: En scheur geen stukje van het behang weg, want dan stort geheel het huis in elkaar. Stel hier in de plaats van “behang” termen als sociale wetenschappen, wetgeving enz. en de gelijkenis wordt bedenkelijk groot. Alleen dankzij de vele wetten, regelingen, het voortdurend om gaan van de werkelijke problemen en het scheppen van een vals beeld voor alles wat de mens zou kunnen en moeten zijn, kan de huidige vorm van maatschappelijk bestaan nog in stand worden gehouden.

Een geestelijke of kosmische invloed, die geestelijke rijping, verdieping, bewustwording vergt, kan niet toestaan, dat een foutieve stelling van eisen, waarden en waarderingen langer wordt gehandhaafd. Dientengevolge heeft u de keuze, u ofwel aan te passen aan geheel nieuwe normen, wetten en vormen van streven, u een nieuw begrip te vormen van alles, wat voor uw stoffelijke leven van werkelijk belang is, dan wel onder te gaan in de ineenstorting van het tot nu toe gehandhaafde, dat, gezien de toenemende onoprechtheid ervan, moet volgen.

Vervolgens mag ik dan stellen: De gedachte van groepsbeleving, groepswerking enz., zoals deze in deze dagen zijn ontstaan, heeft niet slechts gevoerd tot misbruiken op sociaal terrein, economie en machtspolitiek, het geeft geleid tot een vervorming van de jeugd van vele landen. In dit verband is het opvallend, dat bepaalde vervormingen van de jeugd, haar leef- en denkwijze, niet beperkt blijken te zijn tot de westelijke wereld, maar evenzeer voorkomen in Rusland, Polen, Tsjechoslowakije, jonge Afrikaanse en Aziatische staten enz. Zelfs in rood China blijkt op het ogenblik een klasse van jeugdigen te ontstaan, die de verschijnselen van clanvorming buiten en tegen de maatschappij, clanvorming, ontkenning van regels, libertinisme, enz. toont. Het voert de jeugd tot een ingaan tegen de waarden, die door de ouderen worden gehandhaafd of geschapen, resulterende in een ontkenning van alle waarden van het leven, zoals dit nu bestaat. Volgens mij is dit algemene verschijnsel bij de jeugd een bewijs voor het feit, dat de mensen overal gefaald hebben in het scheppen van de juiste menselijke verhoudingen, het baseren van de samenleving op menselijk begrip en menselijke genegenheid, menselijk wederkerig besef van verantwoordelijkheid.

Dit betekent, volgens mij, dat praktisch overal, waar in deze dagen de mechanisatie voortschrijdt, men industrialiseert ter verhoging van de welvaart, zonder rekening te houden met de werkelijke menselijke behoeften, gezin en gezinsvorming in de verdrukking komen, terwijl zowel in het gezin als in de maatschappij volkomen verkeerde verhoudingen konden ontstaan, leidende tot een vertekening in alle waarden, die met begeerten, seksualiteit enz., tezamen hangt.

Als gevolg hiervan zijn volgens mij enkele generaties van grotendeels onverantwoordelijken opgegroeid, die, ofschoon binnen het kader van de mensheid een minderheid vormende, ongetwijfeld in de komende jaren een zeer sterke, zo niet bepalende invloed zullen hebben op het verloop van het geheel.

Eén procent onverantwoordelijke binnen een bijeenkomst is voldoende om onregelmatigheden te doen ontstaan en een verantwoord optreden moeilijk, ja, zelfs onmogelijk te doen zijn.

Eén procent van deze onverantwoordelijke elementen in een politieke partij kunnen voldoende zijn de partij te brengen tot onverantwoorde en onredelijke stellingen en besluiten, terwijl andere leden van de partij wel degelijk beseffen, dat deze besluiten enz. onredelijk en onverantwoord zijn, maar omwille van de partijeenheid niet op zullen treden voor het te laat is.

Eén procent niet verantwoordelijke egoïsten onder de mensheid is voldoende om een atoomoorlog te ontketenen, een revolutie te doen plaats vinden, waarin alle werkelijke waarden worden vernietigd, een gehele maatschappij vast te doen lopen om een terreur uit te oefenen, waaronder geheel de wereld lange tijd kan lijden.

Wanneer de mensheid als geheel van de geestelijke krachten, die op het ogenblik inwerken op de wereld, geen beter gebruik leert maken dan zij nu doet, kan zij erop rekenen dat de nabije toekomst er als volgt zal uitzien: Indien men de onoprechtheid, die nu overal gebruikelijk is, blijft aanvaarden en hanteren, wordt men reeds morgen niet meer door staatslieden, maar door achtenswaardige gangsters geregeerd en ligt het gezag in handen van moordenaars en misdadigers. Alle bezit en bereiking zal door misbruik, compromis en machtswellust tenietgaan, zonder dat iemand enig werkelijk profijt heeft van deze ontwikkeling. Wil men dit voorkomen, dan is er maar een weg: Volkomen eerlijkheid tegenover zichzelf, volkomen eerlijkheid in de vorming van een mening en oordeel over anderen. Begin met eerlijk te zijn. Geef u zelf toe, wat uw feitelijke meningen, verlangens, gedachten en dromen zijn. Vraag u eerlijk af, wat feitelijk nu noodzakelijk is en wat niet. Realiseer u eens – zo mogelijk – op welke wijze een ander reageert op de werkelijkheid buiten het Ik, hoe deze misschien tracht een onjuiste figuur voor de buitenwereld op te bouwen of in stand te houden.

Maak onderscheid tussen werkelijkheid en façade. Ga eens na, wat de werkelijke betekenis van een bepaald gebeuren voor u wel kan zijn. Ga niet alleen af op uiterlijkheden. Dit kan uw gedrag en handelwijze op belangrijke punten meer aan de werkelijkheid aanpassen.

Voorbeeld: Eis 10% loonsverhoging. Af: 3% aan hogere belastingen enz. Blijft 7%. Bijna onmiddellijk optredende prijsverhogingen: 5%. Rest: 2 % werkelijke winst. Vermindering van investeringen en omzet vermindert de werkgelegenheid in 3 jaren met rond 15%. Dit impliceert een verder gelijk blijven van lonen bij een verhoging van prijzen, noodzakelijk om door investeringen en het scheppen van werkgelegenheid aan de eisen van de arbeiders tegemoet te kunnen komen. Deze stijging varieert van 3 tot 25%, gemiddeld over 3 jaren is dit 7%. Feitelijke vermindering van loon in 3 jaren reeds 5% bij toenemende indirecte belastingen.

Daarnaast zal de arbeider moeten ontdekken, dat het uitvallen van vele kleinere bedrijven en het tot stand komen van een meer gesloten kapitaalgroep, een compensatie van eventuele stijgingen na deze 3 jaren door stakingen en looneisen praktisch onmogelijk zal maken.

Ik geef dit als een voorbeeld: elke eis, die men aan de gemeenschap stelt zonder zich te realiseren, wat daar verder achter steekt, is een soortgelijke vorm van zelfbedrog. De mens van heden zal er goed aan doen te begrijpen, dat niets zonder zijn prijs is. Het enige, wat voor de mens altijd betaalbaar en rendabel zal blijven is, zo vreemd het menigeen in deze dagen misschien zal klinken, is geestelijke kracht en geestelijke wijsheid. Het enige kapitaal, waaruit men onbeperkt zal kunnen putten is dat van eigen geestelijke kracht en vermogens in elke geestelijke sfeer, die men maar aanvaarden kan. Deze waarden worden namelijk alleen bepaald door eigen persoonlijkheid en betekenen nimmer het scheppen van lasten voor anderen, die uiteindelijk terugslaan op eigen bestaan. Alleen vanuit deze waarden zal men dan ook zijn persoonlijkheid kunnen beleven en verwerkelijken. Via deze persoonlijkheid, via eigen wezen alleen, zal men een beeld van bestaan kunnen vinden, een benadering van het leven, die niet op schijn en zelfmisleiding is gebaseerd, doch een gestalte geeft, waarin men voor zichzelf en de wereld veel kan doen en betekenen.

Besluitende wil ik dus opmerken: Al de kostbare regeltjes en gebruiken, waaraan u zich houdt, hebben niets te betekenen, zolang zij niet innerlijk beleefd worden, niet werkelijk en innerlijk deel zijn van uzelf. Besteed dus niet teveel tijd en aandacht aan lege uiterlijkheden, maar tracht dat wat in u leeft en bestaat, tot uiting te brengen. Naar ik meen, zult u dan beantwoorden aan de werkingen van deze tijd en zult u in staat zijn om met gebruikmaking van uw geestelijke vermogens en krachten – deze eventueel ook uitdrukkende in de stof – veel tot stand te brengen, dat de door mij geschetste moeilijkheden, en gevaren door mij besproken teniet zal doen, of op zal heffen.

Het pad der bewustwording

Wanneer je spreekt over verval van zeden of de verandering daarvan, is het vaak al te gemakkelijk om de geestelijke achtergronden daarvan uit het oog te verliezen. Toch moeten wij uitgaan van het standpunt, dat een verandering van zeden in deze tijden ongetwijfeld ook verband houdt met oorzaak en gevolgwerkingen, die soms vele generaties teruggaan. Ook het persoonlijk voorbestaan van allen, die dan in de stof leven, speelt daarbij vaak een grote rol. Daarom zou ik gaarne iets in dit verband zeggen over het pad der bewustwording, zoals zich dit door vele verschillende levens heen soms, bij de mens aftekent.

Onze ervaringen zijn voor de geest, vooral in het begin van de bewustwording, voornamelijk een kennis nemen van het Al. Er is dus een tijd, dat voor ons al het nieuwe zonder meer betekenis heeft en het ons mogelijk maakt ons binnen de schepping en ons ten opzichte van de schepping juister te oriënteren. Eerst wanneer onze kennis, ons bewustzijn, een zeker peil bereikt heeft, zullen wij een keuze moeten gaan maken uit de grote reeks van mogelijkheden, die ons door het Zijn steeds weer geboden worden. Wij ontdekken namelijk dat wij wel steeds meer aan de schepping kunnen beleven en leren, maar dat slechts een zeer beperkt deel van deze schepping voor ons tevens een sterker contact met de Schepper betekenen kan.

Een grote rol speelt bij een dergelijke ontwikkeling altijd weer de eerste poging, die wij gedaan hebben om ons te oriënteren t.o.v. de oneindigheid. Wanneer je je in het verleden georiënteerd hebt op een zeer beperkte godheid, zul je geneigd zijn steeds naar een zeer beperkte God te blijven zoeken. Een veelheid van belevingen zal dit eerst erkende contact met de basis van alle bestaan – een God, die zeer beperkt is – nimmer teniet kunnen doen of uit kunnen wissen.

Zo iemand kan een goed christen zijn, maar zijn christendom is niet waarlijk kosmisch en blijft voor hem tot een kleine groep en een beperkte uitverkiezing, of werking vanuit God, beperkt. Zo iemand kan esoterisch streven. Maar ook dan blijft hij in zijn innerlijk streven beperkt, dogmatisch, om niet te zeggen kleingeestig.

Heeft men te maken gehad met een geheel pantheon van goden, die men gelijkelijk heeft aanvaard en vereerd, zo is het erg moeilijk, om later een beeld van een Ene God te vinden, die iets anders is dan een Al bezielende Kracht. Men blijft dan onbewust verbonden met de denkrichting die men pantheïsme noemt en zal zelfs binnen een beperkte godsdienst toch steeds weer God in alle dingen terug willen vinden, wat de nodige strijdigheden en geestelijke moeilijkheden veroorzaakt.

In deze tijd – zo kan ik hieraan toevoegen – hebben wij te maken met een reïncarnatiegolf van mensen, die in het verleden dit pantheïsme in overwegende mate gekend en aanvaard hebben.

Daarnaast hebben wij te maken met golven van incarnatie, die kleiner zijn en onder meer zielen bevatten, die zuiver natuuraanbidders waren, de uitingen van hun God in de verschijnselen van de natuur zelf zagen.

Het resultaat is, dat de mens van heden, die zich zoekt te oriënteren in geestelijke zin, allereerst met vragen wordt geconfronteerd als: Hoe moet ik mijn doel stellen? Vergeet niet, dat de doorsnee mens zijn verleden niet beseft en dus niet weet, waarom hij God en diens werken op een bepaalde manier schijnt te moeten beschouwen. En toch is juist het vinden van een meer bewuste band met de Schepper voor ons allen van het hoogste belang, omdat wij alleen daarin de mogelijkheid vinden alle besef van leven en taak te doordringen met een meer omvattende en oneindige betekenis.

De zeden van verschillende tijden tonen eveneens grote verschillen. Er zijn tijden, dat het neerslaan of zelfs doden van iemand, die je beledigt, de enige juiste reactie betekent, terwijl er ook tijden zijn waarin het niet zoet en zonder meer slikken van alle belevingen wordt beschouwd als een zonde tegen God en de gemeenschap. Door de maatstaven, die men in het verleden heeft gekend, wordt ook het bestaan in deze tijd en de reactie op de omgeving wel degelijk mede bepaald. Dit is geestelijk door de mensen opgenomen in het verleden. Het bepaalt zonder dat men dit zich realiseert, een groot deel van de benadering van de hedendaagse wereld, evenals de aanvaarding of verwerping van de daarin heersende opvattingen en principes.

Toch kunnen wij zeggen, dat de mensen van deze tijd in wezen niet eens naar hun God zoeken. Men zegt misschien, dat men dit doet. Maar als wezens, die zich bewust zijn van een streven, een bestemming ergens, zoekt men in wezen in de eerste plaats naar de zin van het leven. Men zoekt naar een overwinning op de dood, dus een blijvend bestaan, dat zinrijk is. Lijden kan ook de mens van heden wel verdragen. Maar een zinloos lijden is hem, die niet meer in staat is zonder meer en gelaten te aanvaarden, ondragelijk.

Wij noemen echter deze zin van het leven: God. En zoekende naar deze God staan wij met reacties, die door ons verleden mede worden bepaald, tegenover een voorstelling van God, die al evenzeer door ontwikkeling uit een ons nu niet meer bekend verleden stamt.

Wanneer de één tot God roept, zo roept hij misschien in feite tot Isis, Osiris, tot Attis, een ander roept tot God en spreekt alleen maar tot een onbeperkte levende vaagheid, die uit alle velden en beemden tot hem schijnt te spreken, terwijl de derde “God” zegt en in wezen alleen maar een wrede Baäl ziet, die voortdurend offers vergt en alle zondaars in vuur en vlam verteert.

De wereldbenadering, deze niet besefte gewoonte uit het verleden, plus het werkelijke beeld van God, dat ons beheerst in deze tijd, zal voor onze verdere vorming en bewustwording bepalend zijn: Wij moeten de God of het doel, welke wij in ons erkennen – wat zoal niet in feite dan toch in wezen voor ons gelijk is – in overeenstemming brengen met de eigenschappen, de benadering van het leven, die in ons liggen. Dit punt op zich zou lange beschouwingen wettigen, waaraan ik echter heden niet toe zal komen.

Het zij voldoende hier te stellen, dat de wijze, waarop u het leven benadert, problemen benadert en oplost, de wijze, waarop u in het leven uw eisen pleegt te stellen, niet alleen maar een kwestie zijn van heersende gewoonten en karaktereigenschappen, doch gelijktijdig een weergave zijn van uw benadering van alle geestelijke waarden en mogelijkheden, ook buiten de stof. Denk dus nooit, dat u iets geestelijk op de ene manier en stoffelijk op de andere manier kunt doen. Het zou natuurlijk wel erg gemakkelijk zijn, wanneer dit mogelijk was, maar dit kunnen misschien alleen de zeer hoog bewusten, die op aarde komen leven. Dezen kunnen bewust en wetend een scheiding maken tussen stoffelijke en geestelijke benadering van problemen, noodzaken, procedures.

Wanneer je als mens in deze dagen een begrip hebt voor de wijze, waarop je dus alles benadert, plus een begrip van je God, hoe vaag of scherp omschreven deze voorstelling dan ook moge zijn, kun je volgens mij deze beide waarden samenvoegen tot één leefregel. Je zult moeten erkennen: Dit is voor mij de zin van mijn bestaan, dit is de wijze, waarop ik dit bestaan nu eenmaal benader.

Mijn vraag luidt dus: “Hoe kan ik, uitgaande van mijn eigen wijze van benadering der problemen – mijn karakter, indien u dit liever stelt – de zin van mijn leven – zoals ik dit erken dus – waar maken?” Doe je dit, dan ontstaat al een bewustwordingswaarde, die betrekkelijk groot is. Elke zelfverwerkelijking in de materie betekent immers meteen een aanvulling en verbetering van de geestelijke inhoud van je wezen, je bewustzijn.

Kun je echter nog verder gaan en daarmede stellen dat de vraag niet alleen mag luiden: hoe druk ik mijzelf zojuist mogelijk uit volgens de erkende zin van mijn leven, maar voegt men hieraan toe: “ten bate van anderen”, zo heeft men een grens overschreden. De grens, die voor de geest van het hoogste belang is, omdat zij het verschil uitmaakt van een eng en beperkt gaan van een persoonlijk pad tot een beperkte, vaak enge en in ieder geval zeer persoonlijke God, en het leren leven in een onpersoonlijke kosmos, die gelijktijdig ergens een alomvattende Godheid is.

Ik hoop, dat ik nu niet te abstract ben. De vraag: Hoe kan ik die God dienen, mogen wij ons zelf eigenlijk niet eens stellen. Een God dienen, zoals mensen die zien, betekent al te vaak jezelf schijnbaar negeren en terugdringen, zo in wezen jezelf uitlevende door de schepping en de waarden daarvan alleen persoonlijk te beschouwen, of zelfs geheel te ontkennen.

Dit laatste lijkt verdacht veel op het willen dienen van de kunst door nooit een kunstwerk te beschouwen. Of misschien nog juister: Een musicus te willen eren, door zijn composities vooral niet te spelen, of ten hoogste geheel naar eigen inzicht vervormd weer te willen geven.

De schepper heeft ook ons geschapen. De totale ontwikkeling van het ego, door vele levens heen, is voorgekomen uit zijn Wezen, Zijn wetten. Wat wij daardoor geworden zijn, is wel degelijk ook Zijn Werk. Daarom moeten wij niet trachten die God “te dienen”, maar om Zijn Wil te verwerkelijken, zoals wij die beleven en zien. En Gods werkelijke wil en de zin van het leven zijn voor ons nu eenmaal gelijk.

Dit gezegd hebbende, meen ik, dat u wel beseft, dat deze instelling op de houding van de mens t.a.v. vele morele problemen een grote invloed kan hebben. Mijn werkelijke moraal kan nooit worden afgeleid van uiterlijke omstandigheden, maar vloeit steeds voort en alleen voort uit mijn persoonlijke bestemming, door mij mede beseft als mijn huidige taak.

Is het mij nu mogelijk deze af te leiden op een geheel juiste wijze? Ik kan mij daarbij niet zonder meer beroepen op uiterlijke wetten of waarden, of zelfs maar op door anderen gegeven en geïnterpreteerde openbaringen. Ik kan mij slechts beroepen op de in mij erkende God plus mijn erkende bestemming.

Leef je geheel volgens deze innerlijke inhoud, dan zal gemeenlijk een zeker conflict met de wereld onvermijdelijk blijken. Een conflict, dat niet altijd aangenaam aandoet en door velen zelfs als een vorm van “zonde” wordt gezien.

Maar het conflict met de wereld is onvermijdelijk: zelfs de mens die alle deugden van de mens volledig in vervulling tracht te doen gaan komt hierdoor in conflict met zijn medemensen. Als een mens alle wetten immers precies in ere wil houden, ook een wet die zegt, dat op zondag geen werkzaamheden verricht mogen worden, zo is hij verplicht om te protesteren tegen het rijden van de trams, maar ook tegen het bedienen van mensen in cafés, maar ook tegen het preken van de preekstoel, wanneer ook dit arbeid is, die betaald wordt. U zult dus wel inzien, dat wij nimmer vanuit de maatschappij kunnen zeggen, wat de voor ons juiste regel is: alleen uit ons eigen wezen kunnen wij de voor ons juiste regels trekken.

Zodra wij dit doen, worden wij met een tweede voor ons zeer belangrijk punt geconfronteerd: De innerlijke harmonie.

Het wezen van de mens is opgebouwd uit vele voertuigen, deze, plus een deel van de menselijke organen, zijn kenbaar als afzonderlijke trillingen. Het geheel vormt een hoofdtrilling, die wij dan de persoonlijke harmonische mogelijkheid zullen noemen. De reeks ontstaat in het verleden, het bewustzijn begint als het aanslaan van een enkele snaar. Terwijl deze doorklinkt, voegt men hieraan voortdurend harmonische tonen toe. Op den duur ontstaat een akkoord waarin de eerste toon slechts zwak meeklinkt, ofschoon het geheel op haar gebaseerd was en blijft. Op deze wijze heeft het ego zich gevormd, op soortgelijke wijze drukt het zich ook in de stof uit. Vanuit mijzelf moet ik een harmonie scheppen met het Hogere, mijn geestelijke bewustwording vergt dit, omdat het niet slechts erkenning omvat, maar wel degelijk ook een deelgenootschap in het kosmische geheel vergt.

Geholpen door zijn medemensen kan men meer volbrengen, dan wanneer men zich in strijd met het geheel der mensheid bevindt. Wanneer ik mij harmonisch gevoel in een bepaald geheel van de kosmos, of een deel ervan, zal ik a.h.w. een gelijke trilling ervaren. Dit betekent, dat, zo mijn streven eigen krachten en momentum aantast, de kosmische harmonie dit verschijnsel opheft en mij op toeren houdt.

Door het erkennen van een harmonie met de wereld, de mens, de kosmos, kunnen wij het vermogen krijgen te leven, te kennen, te ervaren, in dit andere, dit buiten ons liggende. Alles wat buiten ons wezen erkend wordt, maar met dit wezen in harmonie is, antwoord met een vaste trilling op geheel ons wezen, zo de erkenningsmogelijkheden zowel van zin als van bestemming aanmerkelijk vergrotende.

Onze godsvoorstelling kan onder dit alles ongeveer gelijk blijven, maar de persoonlijkheid, die te eng was, zal zozeer groeien, dat de Ene, eens beperkte God, toch weer als een pantheon van goddelijke eigenschappen wordt erkend. De Ene God wordt zo groot en machtig, dat men beseft Hem alleen nog in zijn eigenschappen te kunnen erkennen en aanspreken. Toch zal men het totaal van eigenschappen en erkende krachten met de Ene Naam aan kunnen spreken, wanneer men deze in zich heeft beseft.

Het Al wordt een kwestie van persoonlijke afstemming en harmonie plus de werking van een nu slechts vaag gekende godheid. Deze God blijft vaag. Dit is niet erg en kan zelfs zeer goed zijn. Het is namelijk een bewijs, dat men niet meer is gebonden aan een te enge Godsbepaling. Belangrijk is de Godsbeleving.

Niet alleen kan men op deze wijze, mits harmonisch zijnde met het geheel, over krachten beschikken, maar men ervaart een vervlechten van ik, God en Al. Men begon de geestelijke ontwikkeling met een zoeken naar de zin van eigen bestaan. Nu heeft men niet alleen het antwoord op de persoonlijk aspecten van dit probleem, maar erkent zichzelf tevens als factor van een groter bestaan, zo groeiende naar een saamhorigheid, die geen beperkingen meer gedoogt.

image_pdf