Objectief en subjectief

27 mei 1962

Ik zou op deze morgen graag eens met u willen praten over het onderwerp: objectief en subjectief als factoren in het menselijk leven.

Laat ons dan eens uitgaan van het standpunt, dat de doorsneemens tracht zijn weten op objectieve waarnemingen te baseren. Hij meent dat objectief is; het punt van beschouwing voor zichzelf te doen spreken. Maar is dat mogelijk? Wanneer ik een object beschouw, bezie ik het; m.a.w. het is reeds subjectief op het ogenblik, dat ik het in mijzelf verwerk.

De veel geroemde objectiviteit, die bv. in de wetenschap zo’n grote rol speelt, is over het algemeen toch bedenkelijk subjectief. Laat mij trachten u duidelijk te maken wat ik bedoel. Wanneer ik bepaalde bewijzen zie, kunnen die bewijzen op zichzelf (het zijn verschijnselen) onweerlegbaar en dus objectief zijn. Maar die verschijnselen kunnen mij als mens of als geest pas wat zeggen, als ik ze in een bepaald verband breng; ik moet ze dus correleren. De correlatie is een proces, dat in mijzelf plaatsvindt. Uit de objectieve feiten kan ik wel een theorie opbouwen, maar die zal altijd subjectief zijn, want ze is gebaseerd op mijn eigen aanschouwing, op mijn eigen interpretatie. Er is dus altijd een persoonlijk element in verborgen. Ik kan niet slechts uitgaan van de werkelijke feiten en omstandigheden, maar ik zal altijd gebonden blijven aan mijn zienswijze.

Ik geloof, dat we niet direct behoeven in te gaan op alle eigenaardige verschijnselen van de z.g. objectiviteit. Maar om het u wat gemakkelijker te maken zal ik u eens een aardig voorbeeld geven. We hebben ons allen geloof ik wel eens bezig gehouden met Pasteur. U drinkt tegenwoordig zelfs gepasteuriseerde melk. (Dat de melk dus duurder is en daardoor naar men zegt smetvrij, heeft u aan Pasteur te danken.) Deze Pasteur nu vertelde, dat er bacteriën waren en dat deze de oorzaak waren van ziekten. Dit werd bestreden. Nu was een Franse arts zo opgewonden, dat hij tijdens een demonstratie naar een schaaltje met een voedingsbodem greep, waarin zich volgens de verklaring van Pasteur zeer gevaarlijke cholerabacillen bevonden. Hij slurpte het onsmakelijke geval op en heeft vervolgens Pasteur uitgemaakt voor een grote charlatan, omdat hij geen cholera kreeg. Hij zei: “dit is dodelijk. Ik neem het in, ik ga niet dood, dus, mijnheer Pasteur, u deugt niet.” En daar heeft niemand hem meer van af kunnen brengen. “Want,” zo zei hij, “het objectieve bewijs is geleverd.” Het bewijs was echter niet objectief, want deze dokter was misschien door de een of andere omstandigheid immuun. Misschien was door een of andere ontwikkeling de cultuur niet dodelijk of zelfs helemaal niet meer actief, en dat kon niemand nagaan.

Wanneer u dus ooit krijgt te maken met mensen, die zeggen dat u objectief moet zijn, dan moet u altijd wel onthouden dat, wat zij objectief noemen, in feite hun subjectieve interpretatie inhoudt. Dit krijgen we niet alleen bij zuiver stoffelijke of wetenschappelijke zaken te zien. We krijgen het eveneens te zien bij godsdienstige of esoterische waarden. “Dat er een God is, kan iedereen wel zien. Dit wordt bewezen door de regelmaat in de schepping, door het perfecte evenwicht, kortom, door alles, wat wij rond ons kunnen waarnemen. Een dergelijke regelmatigheid kan niet bestaan zonder God. En dit is geen geloof, dit is een objectieve verklaring.” Dit is niet van mij, het is een van de bewijsgronden voor het bestaan van God, uitgesproken door kardinaal Newman.

Mijn vragen zijn: Ten eerste: Is er een feitelijke ordening of zal de mens, gewend aan bepaalde verhoudingen, deze als orde of ordening beschouwen? Ten tweede: Zelfs indien er een ordening is, wie zegt mij dat deze ordening geen toevallige is en dat ze voortkomt uit een alweten: Wezen, dat beantwoordt aan de Godsvoorstelling van deze kardinaal Newman? Ten derde: Hoe kan deze man verwachten dat hetgeen hij ordening noemt in mijn ogen ordening is? Uit zijn totaal verschillende waarden. Wat hij daar doet is niet een objectief bewijs of een objectieve indicatie van een goddelijk bestaan leveren. Neen, hij geeft mij een subjectieve groepering van door hem erkende waarden, die voor mij ook kenbaar zijn, maar misschien onder andere waardering en stelt nu, dat dit objectief waar is. Ik mag dus concluderen, dat er niets op aarde feitelijk bewijsbaar is, zolang het een theorie is en zolang het niet op uitsluitend feiten en verschijnselen buiten mij berust. Elke keer dat interpretatie optreedt (dat ik dus een eigen theorie of stelling huldig), heb ik de weg der objectiviteit verlaten.

U zult zich afvragen, waarom dit alles nu moet worden betoogd. Dat is heel eenvoudig. U hebt allen uw eigen geloof, uw eigen denken, en u probeert allen erg objectief te staan tegenover de verschijnselen van het occulte, tegenover de godsdienst en al wat ermee samenhangt. Maar ik heb u zo juist bewezen dat u niet objectief kunt zijn. Wanneer u uit een milieu komt, waarin het demonisch karakter van het spiritisme sterk naar voren komt, dan kunt u twee dingen doen: u kunt uw eigen geloof haten en daarom schijnbaar objectief het occultisme als bewezen verklaren, of u kunt zeer aan uw eigen omgeving en geloofsvorm gehecht zijn en daaruit dezelfde bewijzen gebruiken om het tegendeel aan te tonen, dat occultisme in feite niet bestaat, of dat het van de duivel is. Dit zal iedere mens moeten begrijpen, voordat hij een werkelijke bewustwording kan ondergaan. Misschien is God een objectieve waarde. Ik geloof aan God. Maar alles, wat wij doen om de weg te vinden naar het Goddelijke, is subjectief. Het is van uit ons, het is onze beleving, onze interpretatie en er bestaat geen enkele andere weg.

Men kan u honderdmaal zeggen wat goed en wat kwaad is, maar het kan geen objectief geheel zijn, het zal altijd een subjectieve waardering zijn van uit een bepaald standpunt, een bepaalde denkwijze. Dit gaat zover, dat iemand, die geconfronteerd wordt met bepaalde proeven (dus bewijzen op zichzelf), altijd in zijn schijnbare objectiviteit zijn eigen verlangens, behoeften en vooroordelen in de groepering van die feiten en in de ontstane theorie mee verwerkt. En dat doet u ook. Uw wereld is dus niet, zoals u haar ziet. Alles, wat u uw wereld noemt, is uw interpretatie van die wereld. Alles, wat u meent te weten, kan voor u persoonlijk vaststaan, maar dat kan nimmer vaststaan voor de gehele wereld. De weg naar God, die voor u bestaat, is een zuiver persoonlijke weg, die voor niemand anders precies zo behoeft te bestaan. Ik weet, dat we hiermee een hele hoop zekerheid loslaten, die voor de mensen erg belangrijk is; het idee dat men alles gemeenschappelijk heeft, dat men een gezamenlijk geloof, een gezamenlijk Godserkennen, een gezamenlijke wetenschap enz. bezit.

Maar als je het precies bekijkt, is het niet waar. Zelfs woorden betekenen in de mond van de een geheel iets anders dan in de mond van een ander. Ook deze als klank gezien en toch wel objectief te noemen worden door de persoonlijke groepering, door de uiting, door de interpretatie tot een zuiver persoonlijke waarde gemaakt, die door geen ander precies zo kan worden verstaan als ze bedoeld zijn. Dat is heel erg moeilijk. We hebben dus wel een medium van communicatie met de medemensen en we hebben onze gedachten als een medium om met geesten (entiteiten) in verbinding te staan, maar ergens blijft er altijd een zeker voorbehoud, een volledige uitdrukking is praktisch niet mogelijk. Een objectieve werkelijkheid kan nooit bestaan zolang het “ik” van uit zichzelf erkennend en interpreterend optreedt binnen het Al.

Eerst wanneer het “ik” geïdentificeerd is met al het zijnde, zal gezien de waarde van het zijnde een zekere objectiviteit t.o.v. alles, wat binnen het zijnde aanwezig is, mogelijk zijn. Ten opzichte van krachten, die boven of buiten dit alles staan, zal nog geen objectieve waarneming mogelijk zijn. Dit alles wordt natuurlijk zeer bedenkelijk, wanneer we nu beginnen met een theorie. Ik weet, dat onze sprekers en ook ikzelf u heel graag theorieën voorleggen. Wij maken daarbij meestal een beperking, wij zeggen: “Wij zijn niet alwetend, wij zijn niet onfeilbaar, denk alsjeblieft zelf na.” Als u dat nu niet doet, dan denkt u te begrijpen wat wij bedoelen en u begrijpt alleen wat u wilt begrijpen. Een groot verschil. Wanneer wij komen met iets, dat voor ons absoluut 100 % zeker is, dan gaat u dat verwerken in uw schema van denken. Maar dat betekent een totaal andere interpretaties, een herwaardering van elke relatie met het Al, welke erin ligt opgesloten en daarom zal het voor u misschien niet werken.

De weg voor de mens is altijd een persoonlijke weg. Er kan voor u een persoonlijke waarheid bestaan. Die waarheid zal nooit voor de gehele wereld of voor heel het Al kunnen gelden. Er kan voor u een persoonlijk contact met de goddelijke liefde bestaan, dat voor u volkomen reëel is, een kracht die in uw wezen werkt; maar voor anderen is het onbelangrijk, is het irreëel. U kunt zeggen: “Voor mij is het leven het hoogste.” Maar wat bedoelt u met dat leven? Kunt u dat leven zo uitspreken, dat een ander het begrijpt precies zoals u het ziet? Wat combineert u ermee en wat combineert een ander ermee? Het is heel erg moeilijk om de juiste uitdrukking te vinden. Daarom geldt voor een ieder, die de werkelijk innerlijke bewustwording wil doormaken dus allereerst, dat je je eigen weg moet gaan. En hier stuit ik dan ook weer op de moeilijkheid van interpretatie. Want als je tegen de mensen zegt: “Ga je eigen weg,” dan denken ze vaak: Wou ja, laat iedereen maar doodvallen, als ik het nu maar leuk heb. En dat is toch ook niet de bedoeling. “Je eigen weg” wil zeggen: je moet uitgaan van je eigen wezen, je eigen vermogens en je eigen krachten. Je moet uitgaan van je eigen begrip van de kosmos, van datgene, wat voor jou werkelijk is, want anders zul je nooit iets bereiken.

Er is geen gemeenschappelijke waarde, er is geen grootste of kleinste gemene deler in dit opzicht. Voor de rest zijn er genoeg. Er is alleen maar, vrienden, de kwestie van de weg, die ik kan gaan. Nu vindt u het misschien erg vreemd, dat ik in dit verband ineens weer teruggrijp naar het Evangelie: “Ik ben u de weg en de waarheid en het leven.” Als dit wordt gezegd uit de levende Kracht zelve, kunnen we zeggen: Die waarheid is objectief, ze is reëel. Want het leven, de oerkracht, zal in ons allen wel gelijk zijn. En wanneer die kracht tot ons spreekt onverschillig door wie of op welke wijze moet het wel kloppen. Maar als ik nu ga zeggen: Het zal voor een ieder precies dezelfde waarheid, dezelfde weg en hetzelfde leven zijn, dan loop ik vast, want het is onmogelijk dat iedereen precies hetzelfde ziet.

Wanneer Jezus probeert iemand wakker te schudden uit zijn eigen dwaasheid en zegt: “Gij gepleisterd graf, van buiten verblindend wit, van binnen vol van verderf,” dan bedoelt hij dat helemaal niet als een belediging. Hij bedoelt alleen maar: zo ben je mens. Maar als je dat tegenwoordig leest, dan zeg je: “Wat wist hij het toch lekker te zeggen tegen die Farizeeërs.” Er zijn er nu ook een hoop, waarvan je het kunt zeggen, vindt u ook niet? De waarde verandert. Zeker, er is een weg; en die weg is een persoonlijke. Een weg, die ik meet gaan. Ik moet in mijzelf mijn God erkennen, ik moet mijn God beleven, ik moet weten wat goddelijke liefde voor mij betekent, wat Christus kracht voor mij betekent, kortom, alles wat u maar wilt. Ik moet begrijpen wat er aan werkelijke waarheid ligt achter Jezus leer. En zoals deze tot mij spreekt, is het mijn weg, maar niet zoals een ander het mij predikt. Geestelijk leven dat klinkt misschien heel erg vreemd is een van de facetten van de mensheid, die de grootste organisaties en de meeste verenigingen hebben voortgebracht.

Een aan de andere kant is het een van de facetten van de werkelijkheid, die zo persoonlijk is, dat men daarin nimmer tot een feitelijke gemeenschap kan komen. Laten we dat goed begrijpen. Voor ieder van ons ik heb het al gezegd is er niet een weg die menselijk kan worden omschreven, niet één kracht die wij menselijk kunnen vastleggen. Maar dat is voor ons toch niet belangrijk. Wanneer je uitgaat van het gelijk hebben, van de voor jou objectieve waarheid, van de objectieve waarheid voor de verplichtingen die elke mens heeft, de objectieve normen van bewustwording, die aan een ieder moet worden gesteld en dat gebeurt maar al te vaak dan kom je nooit verder, dan kun je niets bereiken. De vraag is niet: Wat zijn mijn normen? De vraag is: Waarom moet ik een zodanig begrip en een zodanige mogelijkheid tot samenwerking hebben, dat wij op een bepaald punt elkander kunnen helpen?

Ik mag misschien mijn beeld afronden, voordat de volgende spreker aan het woord komt.

De mensen, die zo objectief zijn, willen a.h.w. een tempel bouwen uit cement. Alles moet homogeen zijn, van dezelfde samenstelling, precies gelijk. Maar er is geen cement in de mens. Zelfs Jezus bekijkt het anders. Want hij zou nooit tegen Simon hebben gezegd; “Tu es Petrus,” gij zijt de hoeksteen, gij zijt de steen, de rots. Een mens heeft een eigen karakter. Als u naar een steenbakkerij gaat en u ziet daar duizend stenen, dan lijken ze uiterlijk precies eender en dan schijnt het, of uw cementidee opgaat, maar overal verschilt er iets. De ene is wat zwakker en de andere wat sterker; in de ene zit een luchtblaasje, de andere heeft wat meer zand en weer een andere heeft wat meer klei. De ene is in vorm iets verschillend van de andere. Het is niet veel, maar het is er. En wanneer we ze nu nog machinaal gevormd zien, nou ja, dan kunnen we nog zeggen: Er is een zekere gemeenschappelijkheid.

Maar de mens wordt niet machinaal gemaakt en een mensenziel helemaal niet. Die ontstaat; die is bij wijze van spreken een handgevormde steen. En een handgevormde steen, die dat weet u wel heeft heel karakteristieke eigenschappen, die wijkt voortdurend van elke andere steen af. Elk heeft zijn eigen karakter. Zo is het met de mensen. Wij zijn stenen. En als wij een tempel of een kerk willen bouwen voor God, dan moeten we die opbouwen uit stenen en moeten we niet proberen om dat met cement te doen. Wanneer wij een esoterische school willen opbouwen: stenen, geen cement. Er zijn vlakken, waarop wij met anderen iets gemeen hebben. Maar er zijn ook vlakken in onszelf, die we met niemand anders kunnen delen en toch zijn deze noodzakelijk, anders zijn wij niet werkelijk “ik” en kunnen we onze plaats niet innemen.

Laat ons daarom even dit stellen: Objectiviteit kan alleen bestaan in feiten, nooit in theorieën, in verklaringen en synthesen. Ze zijn allemaal een persoonlijk iets. Wanneer u hier leringen krijgt, moet u wel beseffen dat de wijze, waarop u ze verwerkt,een subjectieve is. Het is uw verwerken ervan, en alleen als ze voor u zin hebben, als ze voor u iets reëel gaan betekenen, kunt u er wat mee doen. U moogt uw eigen wezen niet veranderen tot het conform de eisen van onze wereld of van uw eigen wereld is. U moet uzelf zijn, maar zo perfect mogelijk aangepast aan het grote. U moet uw persoonlijke weg gaan, uw persoonlijk contact met God vinden, uw persoonlijke realisatie van de werkelijkheid vinden.

o-o-o-o-o

Ik kom alleen maar een weinig met u praten. Wat spreken over de dingen, die mij bewegen en wat na te denken over wat voor mij waar is. En dan zult u mij niet kwalijk nemen, dat ik mijn gedachten laat gaan, laat dwalen en voor mijzelf zeg: Soms denk ik aan een wereld als aan een tempelruïne ergens in het oerwoud. De stenen kunstwerken en beelden van de mens staan er nog. Maar daar, waar eens de grootsheid van marmer en porfier omhoog rees, wortelen nu bomen. Waar eens de goden werden geëerd en priesteressen statig schreden, daar nestelen slangen en haasten zich de duizendpoten naar hun verborgen verblijf onder het rotte blad.

Wij denken altijd aan de wereld als aan iets, dat schoon is, dat rein is. We willen ons altijd elke sfeer voorstellen als iets perfect van vorm. Maar voor mij is dat niet waar. Er bestaat ergens een volmaakt beeld. Het volmaakte beeld van een tempel met zijn priesters en priesteressen, zijn beelden, zijn pelgrims; met de handelaren en de spelende kinderen, waarin de natuur onder het gezag van de mens schoonheid geeft aan het werk van mensenhanden.

Maar zodra de beheersing verdwijnt, is het oerwoud terug. Dan breekt het bogen en koepels af, dan wringen bomen zich uit de vensters en halen de wortels het plaveisel omhoog tot het een wanstaltig, bultig geheel is. De lianen vlechten een versiering daar, waar de mensen met hun statiestoet allang niet meer komen. Zo is de wereld; want de orde en de beheersing, de perfecte harmonie is verloren gegaan. Wij zien nog de vage contouren, de vage omtekening van wat eens is geweest. En soms wanneer wij dromen, kunnen wij ons nog voorstellen dat een vorst komt, gezeten op zijn vorstelijke olifant en voorafgegaan door de stoet van zijn lijfwachten, gevolgd misschien door vele waardigheidsbekleders. Maar we kunnen ons nu niet meer voorstellen dat dit zo is, dat dit de werkelijkheid is. Waarom zouden wij dan dwaas zijn en trachten de droom van het verleden in het heden te plaatsen. Als gij wijst op uw ruïnes en zegt: “Dit is mijn kasteel,” hoezeer lachen de anderen. Wanneer gij wijst op de harmonie, die eens bestaan heeft en zegt: “Dit is de werkelijkheid,” hoe zullen allen lachen, die weten dat die harmonie niet meer geldt. Er zal een tijd komen, dat het oerwoud weer wordt teruggedrongen wat bij sommige tempels is gebeurd en dan herleeft iets van de oude grootheid van de tempel; en bewonderende mensen komen en kijken naar de vele met de hand gebeeldhouwde friezen. Ze zeggen: “Dus zo heeft men vroeger gedacht en geleefd”; maar een tempel is het niet meer. De pelgrim van vroeger is de toerist geworden, die een bezienswaardigheid bezoekt.

De heiligdommen, waarop wij ons al te vaak baseren in onze wereld, ja, zelfs onze begrippen van God en de mogelijkheden daarmede te leven, daarmede te werken, zijn als een tempel uit het verleden. Eeuwen zijn voorbij gegaan, maar de mens denkt dat hij nog dezelfde God kan aanbidden als vroeger; misschien is het wezen hetzelfde, maar de gestalte moet een andere zijn. Wie zal heden nog bidden tot een god of godin van vruchtbaarheid? Dat is een persoon, die de aarde zelf beroert en het gewas doet ontspruiten. “Dat is dwaas,” zo zegt men. Maar is het dan ook niet dwaas om vast te houden aan een oude godheid, eens op de troon geheven door een stam, eens getekend door een paar wijzen als enige werkelijkheid van het heden?

Verandering is het kenteken van ons bestaan, niet gelijkblijvendheid. Het is niet het verleden, waaraan wij mogen vasthouden, wij moeten kijken naar de toekomst. En toch grijpt een ieder terug naar dat wat was. Ieder grijpt met zijn herinneringen terug naar de dagen, dat alles nog jong en nieuw was als een pasgebouwde tempel. Wanneer gij, als mensen met elkander spreekt over wat gij zijt, hoe vaak neemt ge dan niet het beeld van uw jeugd? Wanneer ge aan uzelf denkt: “slank als een riet,” buigend in de wind, spelend met de veerkracht van de taaiste lianen, gaande met de vlugheid van een aap door de bovenste boomtoppen, geduldig, snel en gevaarlijk als de slang, die angstig aanvalt, zoals een schildwacht. Wat zijt ge dan werkelijk? Ach, ge weet het wel: het slanke riet is geworden tot een stevige boom, die vast geworteld is. De vlugheid van de aap is geworden tot de op zichzelf niet onbevallige logheid van een beer. Maar ge denkt niet aan deze dingen, ge laat het verleden herleven. Zolang wij echter het verleden en onze herinneringen nemen als basis van onze verlangens en van ons denken, wanneer wij onze wereld willen vormen naar dat, wat was, leven wij steeds te midden der ruïnes.

Maar indien wij begrijpen dat de tijd voorbij is, dat dit een tijd is dat wij anders moeten denken en leven, dat wij ook anders zijn, dat wij een nieuwe weg moeten gaan en het oude niet weer moeten herhalen, kunnen wij onze wereld eindelijk reinigen, dan kunnen wij een nieuw element van beheersing vinden. Nu blijkt dat menigeen in sfeer en mensenwereld zich alleen maar opzweept tot ordening en beheersing, omdat hij meent het verleden terug te vinden, maar het verleden keert niet terug. Het blijft wel bestaan, maar het is begraven; begraven in de tijd, zoals de bladeren van het vorig jaar in de humuslaag op de boden van het woud liggen en waaruit de bomen zich voeden. Morgen, morgen is ons doel. Morgen is misschien eveneens een doel. Maar het stelt ons in staat een orde te vinden, waardoor nieuwe elementen binnentreden in de tempel, maar dan is misschien de oude eerbiedigheid, de wijding wat teloor gegaan. Dan is misschien het romantisch element vervangen door het zakelijke, dan is misschien de oude mystieke beleving vervangen door het nuchter ervaren van en het zoeken naar nieuwe inwijdingselementen.

Maar wij leven, en wij vinden waarheid. Wij zijn niet meer het slachtoffer van al wat rond ons is. Als gij mij vraagt: Wat is wijsheid? Zo kan ik u alleen zeggen; Wijsheid is het vermogen om uit het verleden te behouden, beheerst en gekend wat niet waar is en al het andere te laten vergaan. De ware wijsheid kiest uit het Al, uit de mensheid en uit eigen wezen voortdurend wat nu de basis is van morgen en niet wat gisteren was. De schepper van een lied legt soms zijn melodieën vast. Zij worden een oude traditie, zodat men liederen van duizenden jaren oud speelt op de instrumenten. Maar waar vindt men de schoonheid, die ligt in de zang en de roep van een vogel, die nu zichzelf uit in de schepping? De vogel is het product van het verleden, maar zijn lied, is van het heden en het is gelijktijdig een roep naar de toekomst. Wij zouden moeten zingen als de vogels en niet angstvallig de oude muziek toon na toon moeten weergeven. Alleen zo kan onze wereld waar zijn en schoon en beheerst.

Vraag uzelf niet af, wat gisteren voor u waar was, want de waarheid van gisteren is vandaag gestorven. En vraag u ook niet af, wat gisteren leugen was, want de leugen van gisteren kan vandaag waar geworden zijn. Vraag u af, wat is nu mijn basis? Wat is waar en onwaar op dit ogenblik? Hoe kan ik nu verdergaan, opdat morgen beter, zuiverder, eerlijker en meer beheerst zal zijn dan vandaag? Mensen stellen hun wetten. Omdat de voorvaderen zo hebben gedacht, denken wij zo. En de wijsheid, die in het verleden eens de scherts was van een vergeten wijsgeer, wordt tot de diepe waarheid van het heden, omdat het heden haar niet begrijpt. Moeten wij onze wereld dan zo vertekenen? Moeten wij onze wereld breken door het oude kostbaar te noemen en het nieuwe te doen sterven? Voor mij is er een levende Kracht. Voor mij is Hij als een lichtend pad, een manestraal, die op de oceaan de zilveren weg tekent, die je kunt gaan. En zie, mijn voeten zijn licht en zij bezwijken niet, wanneer ik de golven betreed. Want voor mij is het licht mijn doel en mijn wezen. Voor u ligt dezelfde weg, maar ge zult u moeten ontdoen van de lasten van het verleden, anders bezwijkt de waterspiegel onder uw gewicht. En terwijl ge meent te gaan naar het hoge en lichtende aan den einder, verzinkt ge in het rijk der vertoornde zeegoden, die eveneens van het verleden zijn. Besef: Licht is gaan; maar gaan zonder belasting, zonder belemmering. Wie bezit heeft en bezit acht om dat, wat het is en niet om de mogelijkheid, die het hem nu geeft, is een dwaas. Want zijn bezit is een last, die hem doet bezwijken, wanneer hij naar het licht wil gaan.

Wie zegt: “De mensen en hun vriendschap acht ik, niet om wat zij voor mij zijn, maar om wat zij gisteren voor mij waren of om de bescherming die ik erin zoek,” is een dwaas. Want hij bezwijkt onder de lasten ervan. Een mens moet vrij zijn van al te grote afhankelijkheid der kleine dingen. Wanneer men te gronde gaat, omdat men een stukje niet meer bezit en dus zegt niet te kunnen eten, is dwaas. Maar hoeveel mensen maken hun leven niet afhankelijk van hun medemensen en hoeveel geesten hun bewustzijn en bewustwording niet van de erkenning, dat zij goed zijn? Wat zijn die dingen dwaas. Wij moeten de oude, de gebroken en omwoekerde beelden niet steeds weer oproepen als een droom. We moeten de waarheid zien; de waarheid met haar verwrongenheid; de waarheid die uit onze tempel een ruïne maakt, die uit onze romantiek, uit onze esoterische en mystieke beleving alleen nog overlaat een versleten toneelmaan en een verveloze bank in de hoek van een rekwisietenhuis. Dan alleen kunnen wij werkelijk leven. Vrij zijn wil zeggen: vrij zijn van het verleden, omdat je de waarheid ervan beseffen kunt. Leef vandaag, schep vandaag. Maar zorg dan ook dat je vandaag steeds weer kunt zeggen: “Hoe intens heb ik geleefd en hoe lichtend was mij het leven. Hoe was ondanks alles in mij de liefde voor het bestaan en voor de Schepper van het bestaan. Hoe heb ik het pad van het binnentreden beseft, de hoogheid van het levende en de onbelangrijkheid van het verschijnsel dat voorbij gaat.

Leer zo spreken, denken en vooral leven en ge zult zien dat veel van uw tempels voor uw ogen veranderen in ruïnes, maar dat ge uw ruïnes kunt herbouwen, totdat zij zin en nut hebben en wederom een werkelijke plaats innemen in uw bestaan.  Laat de droom sterven en de werkelijkheid in u ontwaken, opdat uw wil, uw beheersing en uw besef van het Hogere u in staat zullen stellen van uw leven waarlijk kracht te maken. Ik weet, ik spreek alleen maar mijn eigen gedachten uit, Maar wat ik u zeg, is voor mij nog niet eens verleden. Misschien is mijn ruïne wat beter herbouwd dan de uwe; maar er zijn nog slangen, die schuilen in kelders en donkere hoeken en er zijn soms nog bomen, die met hun wortels stenen en plaveisel van hun plaats drukken. En ik weet, ik kan net oude niet herbouwen. Maar ik weet voor mijzelf, dat ik met het aanvaarden van de werkelijkheid een nieuw doel zou kunnen vinden voor al wat ik ben. Ik wens u toe, dat ook dit u gegeven zal zijn en bovenal,  dat door de eenvoud van mijn woorden, die niet de hoge leringen zijn die gij begeert, maar de simpele waarheid van een eenvoudig mens die overging, ge misschien ergens het begrip kunt vinden van uw leven, van uw ruïne die ge nu nog tempels noemt, maar ook van de schoonheid die begraven ligt onder wat gij verderfelijk hebt genoemd, of waarvoor ge wegloopt. Wees waar. Dat is mijn raad, omdat in mijn bestaan dit waar en eerlijk zijn voor mij een verlossing is.

 o-o-o-o-o

Ja, het is eigenaardig dat je het is natuurlijk oosterse beeldspraak zo’n eenvoud eigenlijk terugvindt in iemand, die zo hoog staat. Ik heb soms wel eens het idee, dat je pas werkelijk hoog staat, als je de eenvoud hebt teruggevonden. En dan hebben we allemaal, geloof ik, nog een aardig eindje af te leggen. In ieder geval, hoe het ook zij, ik heb met u geluisterd en ik voor mij heb er gelukkig wat in gevonden. Voor mij is op het ogenblik dus het laatste woord en dat wil zeggen, dat ik mag improviseren, mediteren enz. over een onderwerp, dat u als slotbegrip kunt opgeven.

PUZZEL

Wanneer wij zeggen “puzzel”, dan kunnen wij eigenlijk ook zeggen; raadsel, want dat is hetzelfde. Soms een bepaalde vorm van raadsel. Maar kunt u nu werkelijk begrijpen wat een raadsel is? Een raadsel is het zodanig samenvoegen van waarden, dat niemand ze begrijpt, totdat in het zware denken ten slotte het begrip, nijpt tot zelfvergetelheid en dus uit niet begrepen waarden een nieuw begrip tevoorschijn stijgt.

Dat is een raadsel, een puzzel. En wat is een mens? Een mens is voor zichzelf een raadsel. Hij kent delen van het bestaan. Hij kent de waarheid van zijn leven en beseft zeer goed de waan, die hij zichzel heeft gegeven. Maar voegt ze nimmer juist tezaam en zo zal hij de naam niet kennen, die werkelijk de zijne is en zal het gemis aan eeuwigheid hem doemen tot een grote strijd om zichzelf.

Dat is een mens. En dan, ja, het werkelijke raadsel of de grote puzzel van al het bestaan; Het leven is als een dooltuin. Steeds loopt weer een weg dood en moet je teruggaan. De kans is groot, dat je veel te lang en langer dan je wenst langs kronkelwegen zoekend naar het einddoel voort moet gaan. Soms kom je een ander tegen, die teruggaat op dezelfde weg en toch zoekend hetzelfde doel.

Dat geeft een vreemd gevoel. Je vraagt je af: Wat ik mij ontzeg, wat ik aan mijzelf wijt en wat ik aan mijzelf toeken, is dat nu eeuwigheid? Voert dat mij tot het doel? Maar het antwoord weet je niet. Ban grijp je naar het gevoel en je laat je door de emoties drijven, je gaat op je intuïtie af en toch loopt de weg weer dood. En dan blijkt, dat ook dit niet het juiste antwoord geeft.

Het leven is als een dooltuin, waar iedereen doorheen moet gaan, voordat hij vrij, bevrijd en eerlijk werkelijk voor God kan staan. De puzzel, die de mens moet ontwarren, ligt in zijn eigen geest, zijn eigen denken en jaagt hem vaak in het bloed. Hij moet geen aandacht schenken aan wat hij graag wil zijn of wat hij meent te kunnen worden; hij moet zich weten te verstaan en zeggen: Al wat ik ben tezaam, dat is mijn wezen.

Ik ben de jacht in het bloed en de klacht van het gemoed. Ik ben de droom van een toekomst en van grootheid en goedheid, maar ik ben ook vermoeid en beladen met kwaad, de zondige mens, die steeds weer verlaat de grens van het goede door hemzelf gesteld. Ik ben de honger naar vrede, de angst voor geweld. Hoe kan ik in mijzelf een weg betreden, wanneer ik zeg: Dit blijft zo bestaan? Verschuif toch de wanden en teken een baan, die recht gaat van het begin tot het doel; recht van de aarde tot de hoogste geest, van het duister tot het licht, omdat ge onbevreesd met allen tezamen op moogt gaan en in de werkelijkheid die geen raadselen kent vredig, harmonisch moogt voortbestaan.

Het leven een dooltuin? Het leven een raadsel? Ach, mens, neen. Het leven, het raadsel zijt gij. Besef dit, verander uw innerlijke waarden en maak voor uzelf een weg dan vrij tot het licht, tot geluk, tot dat wat u roept, tot dat wat uw wezen verlangt en zoekt. U verdient het. Wanneer ge dit doet, dan boekt ge wel uw resultaten, dan vindt ge wel een werkelijkheid. Maar eerst uzelf hergroeperen. Zolang ge uzelf nog misleidt, zult ge voor uzelf een puzzel blijven en het onbegrepen raadsel van het zijn op rekening van de wereld en van uw God, maar nimmer van uzelf schrijven.

Dat is het werkelijke raadsel van ons bestaan. Onze zelfmisleiding, onze illusie, onze weigering om precies te weten wat we zijn en hoe we zijn en waarom we zijn. En soms zelfs de weigering om precies te weten wat we willen. We weten het wel. We weten heel goed wat we zijn en wat we willen, maar we geven het voor onszelf niet toe. Omdat we het voor onszelf niet toegeven, kunnen we het niet overzien. En daarom halen we dwaasheden uit en komen we steeds weer op een doodlopende weg. Steeds weer moeten we teruggaan naar het beginpunt. We hebben verkeerd gezien, verkeerd gedaan, verkeerd gezegd, verkeerd beleefd. Dat is niet erg, maar het duurt zo lang.

En wanneer u mij dan “puzzel” geeft als het woord, waarover ik moet spreken, zou ik zeggen: Om te ontwarren het raadsel van het zijn moet je eerst eens breken met elke ontkenning van wat in je leeft en wat je werkelijk begeert. Maar vooral ook breken met dat, wat niet in je leeft,. maar waaraan je je vasthoudt, omdat het geleerd is. Dat is een gemis aan oprechtheid en eerlijkheid, waardoor de mens zichzelf en de wereld tot raadsel maakt en ook alles misleidt.

Nu hoop ik,  dat u dit misschien wat oppervlakkige beschouwinkje na die andere spreker niet al te banaal vindt voor het slot. Ik heb geprobeerd u een raad te geven, die past in het kader van het geheel en ook wel een tikje uit mijn eigen ervaring is.

Weet u wat het grote raadsel is? Wanneer je zelf gelooft, dat je schoon bent, dat je mooi bent, dat je attractief bent; wanneer je zelf gelooft dat je sterker bent, de wereld het zo gemakkelijk toegeeft. Maar als je maar doet alsof, dan lacht de wereld je uit. Dat merk je al als mens. Laten we dan ook alleen maar vasthouden aan dat, wat we werkelijk geloven, werkelijk willen en werkelijk weten, dan zal de kosmos ons gelijk geven en zullen we ons doel bereiken. Wat kan er beter zijn dan te zeggen: Ik heb mijn doel van alle bestaan en van mijn leven bereikt?