Occulte Filosofie (1974)

Inleiding

Stellingen

Het geheel van het occultisme behoort tot de niet bekende waarden van het menselijk leven. Al datgene wat daaromtrent wordt gezegd of verondersteld, is niet of ternauwernood bewijsbaar. Daarom zullen wij, als wij uitgaan van het occultisme, de verborgen wetenschap, de verborgen mogelijkheden, het verborgen denken, een aantal stellingen moeten aanvaarden welke niet bewijsbaar zijn. Toch meen ik dat de enkele stellingen, die ik u hier vooraf geef, belangrijk zijn omdat ze een basis vormen voor alle verdere betogen. Dan stel ik:

  1. De mens is in weten en mogelijkheden niet beperkt tot zijn lichamelijk bestaan. Hij bezit daarnaast vele mogelijkheden, die wij in het vervolg geestelijke zullen noemen.
  2. De wetten der natuur zijn niet alleen onderworpen aan de rede. Ze zijn onderworpen aan eigen wetmatigheden welke vaak redelijk niet of niet voldoende uitdrukbaar zijn. De mens echter voelt deze aan.
  3. Er is een kracht waaruit het Al voortkomt. Deze kracht kan voor ons aanspreekbaar zijn, indien wij in die aanspreekbaarheid ge­ loven. Maar ook elk deel of verschijnsel is voor ons aanspreek­baar op het ogenblik dat wij het wezen daarvan kunnen uitdrukken en ons daarop kunnen richten.
  4. Het geheel van ons wezen kan alleen dan actief zijn, indien geen denken deze activiteiten belemmert. Het is het menselijk den­ken dat de begrenzing van de menselijke mogelijkheid vormt, zeker op paranormaal en occult terrein.

Deze stellingen zult u wel willen onthouden. Er zijn onnoemelijk veel mogelijkheden tot ontwikkeling van paranormale gaven. Maar al die mogelijkheden zijn altijd aangepast aan de personen die ze toepassen. In onze cursus zullen wij daarover in het algemeen spreken. Magie bestaat. Magie bestaat niet krachtens de wetten die de mens magisch gebruikt, zoals b.v. “de naam is het ding”, “identieke waarden betekenen identieke gebeurtenissen” e.d. Magie als zodanig is een ge­loofswereld waarin het activeren van het ‘ik’ en eventueel de met dit ‘ik’ resonerende krachten zal plaatsvinden op grond van denken, niet op grond van gelijkvormigheid, woordkennis erg dergelijke.

Wij moeten verder duidelijk maken dat elke mens magie bedrijft, of hij dit bewust of onbewust doet. Elke mens gebruikt een vorm van wiche­larij op het ogenblik dat hij zijn intuïtie gebruikt om zijn rede aan te vullen ten aanzien van bijvoorbeeld toekomstige gebeurtenissen.

uit de cursus ‘Occulte filosofie’ (hoofdstuk 1) – oktober 1974

Het verwerven van occulte gaven

Occulte, paranormale gaven zijn elke mens eigen. Het blijkt steeds weer dat die gaven onder een bijzondere druk actief kunnen worden. Een gave, die niet is geoefend, is echter beperkt in haar mogelijkheden. Het zal u duidelijk zijn: gaven die u bezit, kunnen alleen volledig beheersbaar en bruikbaar worden door oefening.
Dan zult u eveneens beseffen dat dergelijke gaven zich onttrekken aan de stoffelijke, de redelijke samenhangen. Wie ze op grond daarvan wil benaderen, zal zich een verder gebruik daarvan onmogelijk maken.
Hoe is de mens dan in staat bepaalde dingen te doen die niet lichamelijk verklaarbaar zijn?
In de eerste plaats bezit de mens een zenuwstelsel dat op bepaalde punten samenvloeit met wat wij geestelijke organen of chakra’s noemen. Elk chakra is niets anders dan een ontvankelijkheid voor invloeden van buitenaf, gepaard gaand met de mogelijkheid daarop te antwoorden. Het zal eenvoudiger zijn u dat voor te stellen als u zegt: Elk chakra is een oor plus een mond. Hiermee bereikt u dat u het chakra niet meer ziet als een geheimzinnig iets. Besef dat u bepaalde geestelijke organen bezit. Besef dat deze noodzakelijk zijn voor uw normale bestaan. Besef verder dat ze eigenlijk functioneren als extra zintuigen. Als u dit besef in u opbouwt, bent u een grote stap verder gekomen. U maakt dan geen onderscheid meer tussen redelijk en niet redelijk, zintuiglijk en niet zintuiglijk, maar u gaat uit van ontvangen impulsen en zult vooral in het begin op niet stoffelijk ontvangen impulsen haast automatisch reageren.
In de tweede plaats zullen we ons moeten bezighouden met de waarde van de verschillende chakra’s.
Het chakra dat bij elke mens actief is, is het stuitchakra. Dit chakra beheerst bepaalde levensenergieën, aanvaardt die en kan ze afgeven. Een beheersen van dit chakra gaat b.v. gepaard met de beheersing van het z.g. ‘slangenvuur’. Wat niet, zoals men wel eens veronderstelt, één van de hoogste bereikingen is, maar eerder één van de energetische mogelijkheden van de mens. Een dergelijk chakra bezit over het algemeen twee waarden: het kan ontvangen, het kan dezelfde kracht uitstralen of verliezen. Daarmee is alles gezegd.
Gaan wij naar een wat hoger chakra, dan vinden we een vierbladigheid, d.w.z. er zijn twee mogelijkheden tot ontvangst. Niet alleen ontvangst van directe levenskracht maar ook van uitstraling van levenskracht en van erkenning van persoonlijkheden. Bepaalde helderziende waarnemingen zijn op dit terrein dus mogelijk. Het chakra zal ook levenskracht kunnen afgeven en zal. daarnaast in staat zijn om beelden van het eigen ‘ik’ uit te stralen.
Gaan we weer een chakra hoger, dan hebben we al direct te maken met een 16 bladig geheel; en zo kunnen we voortgaan tot het 144-bladige chakra.
Het is duidelijk dat het aantal functies bij een hoger chakra dus groter is. Maar zijn die functies nu werkelijk alle nieuwe functies? Eerlijk gezegd niet. Want ook als ik kom bij het kruin- of top- chakra (dat het hoogste en 144-bladig is), dan zal de helft van de ‘bladen’ of mogelijkheden betrekking hebben op het ontvangen en eventueel het uitstralen van energieën. De andere helft omvat waarneming van alle levensenergieën en daarmee samenhangende waarden, maar in een veel grotere variatie. Het is wel eens goed dat te zeggen, want er zijn mensen die zeggen: Bij mij is het borst chakra nog niet eens ontwikkeld (waarbij ze zich waarschijnlijk iemand met een ontwikkeld borst chakra voorstellen als een soort geestelijke Raquel Welch), ik kan dus niets. Dit is onjuist. U kunt het wel maar uw vermogen tot differentiëren, dus tot het verrichten van fijnere taken, is klein.
Daar elke mens tenminste één chakra heeft dat volledig functioneert en de meeste mensen er 3 hebben, zal het duidelijk zijn dat de meesten onder u in staat zijn om reeds gevarieerde impulsen te ontvangen en uit te stralen. Bij dit alles is het besef van de mogelijkheid het meest belangrijke. Besef impliceert aanvaarding. Indien  ik iets niet aanvaard, zal mijn bewustzijn het verdringen naarmate het verder staat van mijn normale wereld en van mijn normaal wereldbegrip. Ik zal, zo ik er al op attent word en reageer, reageren volgens stoffelijke, redelijke normen waaraan juist deze waarnemingen niet onderworpen zijn. Aanvaarding van het feit dat u gaven bezit, is altijd een eerste noodzaak.
Maar hoe kan een mens zichzelf ontwikkelen, als hij niet de moed heeft om zich met zichzelf te confronteren? Er zijn daarvoor heel wat verschillende methoden. Wij kennen de z.g. kaars-spiegelmeditatie bij bepaalde Rozenkruisersgroepen. We kennen het verblijf in het duister, de proef in het duister bij bepaalde inwijdingsgroeperingen. In al deze gevallen gaat het erom dat je jezelf durft beschouwen zoals je bent. Wie occulte gaven wil ontwikkelen, zal moeten uitgaan van zijn werkelijk ‘ik’, niet van zijn illusies. Daarom zal hij voor zichzelf een beeld moeten maken van datgene wat hij werkelijk is en betekent, en zal hij ook de minder aangename delen van zijn leven, zijn bestaan, zijn karakter etc. moeten accepteren. Het ontplooien van occulte gaven is alleen dan mogelijk, indien men tot een zelfaanvaarding komt en op basis van deze zelfaanvaarding enig zelfvertrouwen weet te gewinnen.
Het lijkt mij wat te vroeg in te gaan op de verschillende mogelijkheden: Hoe kan ik leren uittreden? Hoe kan ik helderziend waarnemen? Hoe kan ik helderhorend worden? Hoe kan ik magnetiseren? Hoe kan ik magisch werken? Al deze dingen zijn in wezen een en hetzelfde. Het zijn verschillende uitingen van dezelfde kracht. Het zijn verschillende waarnemingen van een en dezelfde signalenreeks.
Besef wel dat helderhorendheid niet behoeft te bestaan in een luide stem die u iets toeroept, ook al komt dat voor. Soms is het alleen maar een gefluister dat u ternauwernood verstaat. Geef aandacht aan het feit dat er wordt gefluisterd, niet aan de inhoud. Zodra wij ons op de inhoud richten, proberen we redelijk te zijn. Redelijkheid maakt werkelijke ontvangst steeds moeilijker. Een boodschap moet spontaan zijn.
Als u iets helderziend waarneemt, ga daar niet goed naar kijken, dan is het weg. Laat het gewoon op u afkomen. Manifesteert het zich niet, dan is dat niet erg. Wees attent op het verschijnsel. Hierdoor zult u elke keer iets meer beseffen, iets meer waarnemen.
Als u intuïtief bepaalde oordelen velt of bepaalde verwachtingen heeft, toets ze aan de werkelijkheid, maar verwerp ze niet. Ze geven niet noodzakelijkerwijze feiten aan, maar mogelijkheden. Deze intuïties hebben betekenis, omdat ze uw oriëntatie in het leven helpen bepalen en daarbij ook uw kracht tot uitstraling en datgene wat u ontvangt. Om. occulte gaven te ontwikkelen, moet u dus spontaan reageren op al wat er op u afkomt of op wat er in u opkomt.
Als u krachten wilt uitzenden, dan is het niet belangrijk dat u krachten heeft. Het is belangrijk dat u een voorstelling heeft van die kracht, want wat u overdraagt zijn beelden, niet de krachten zelf.
Daarom is het niet van groot belang dat u tegen uzelf zegt: Ik ben geestelijk sterk. Ik kan dit of dat. Het is voldoende dat u beseft: dit is mogelijk en op die mogelijkheid stem ik mij af.
Het verwerven van occulte gaven is gemakkelijker dan u denkt, maar het betekent een totaal andere manier van reageren. Het houdt vooral ook in: het maken van een scheiding tussen uw menselijk stoffelijk bestaan en het geestelijke bestaan. Want zo goed als uw stoffelijk bestaan soms uw dagen kan vullen, zo kan ook dat geestelijke bestaan de dagen vullen. In beide gevallen vinden de acties voortdurend plaats, of ze beseft worden of niet. Maar op het ogenblik dat u het totale geestelijke gebeuren gaat omvatten, bent u niet meer in staat uw stoffelijk gebeuren te omvatten; u bent niet meer beheerst op stoffelijk terrein. Wanneer u probeert beide dingen tegelijk te doen, zult u ook ontdekken dat het op beide punten verkeerd gaat.
Neem vaste tijden voor uw geestelijk leven en werken. Wees wat dat betreft maar eens een gewoontemens. Realiseer u dat alle geestelijke waarden stoffelijk uitdrukbaar zijn, maar zoek niet eerst die uitdrukking. Zoek eerst de waarde en laat haar besef, onredelijk als het ook moge lijken, in u doorwerken. U zult dan als vanzelf in de materie de juiste uiting geven aan datgene wat u ontmoet.
Wij zullen nu trachten een beeld te geven van de wijzen van benadering die voor iedereen wel bruikbaar kunnen zijn.
Mediteren.
Mediteer niet gewrongen over grote of heilige dingen. Grote of heilige dingen staan te ver van u af; u kijkt er teveel tegenop. Mediteer over de eenvoudige dingen die u zelf beleeft.
Als u over medelijden wilt mediteren, denk niet aan de ellende in de hele wereld; die kent u niet. Herinner u de kiespijn die u heeft gehad en zeg dat er zoveel mensen zijn die hetzelfde lijden.
Als u wilt mediteren over liefde, probeer dan het besef van geborgenheid, van ­verwantschap die verdergaat dan het lichamelijke daarbij te betrekken, voor zover u dit kent of heeft gekend. Probeer niet een kosmische liefde te omschrijven die U niet kent. Probeer niet u te beperken tot de meer stoffelijke uitingen, want ofschoon Priapus in het occultisme zeker niet is uitgesproken, is hij daarin toch, vooral wat geestelijke waarde betreft, geen bijzonder belangrijke figuur. Realiseer u dus eenvoudig uw eigen leven en de relatie, die door dit leven bestaat met de wereld en met anderen.
Indien u van deze meditatievorm uitgaat, zult u al snel ontdekken dat er in u beelden of schaduwbeelden rijzen, die niet uit uw eigen bewust denken voortkomen. Deze beelden zijn a.h.w. harmonische echo’s uit de geestelijke en stoffelijke werelden waarmee u verwant bent. Laat die beelden uw meditatie kleuren maar niet beheersen. Juist door steeds weer van uzelf uit te gaan en het geheel van het ervarene samen te vatten in een voor u begrijpelijk en aanvaardbaar beeld, zult u de verwantschap bevorderen. Het is als bij een echo. Als u naar de echo roept en u blijft te lang luisteren, hoort u een keer uzelf en verder niets. Maar als u een canon zingt voor de echo, dan kunt u samen een aardige melodie opbouwen. Zo is het ook met de meditatie. Laat de echo komen maar blijf zelf initiatief nemen. Het eindresultaat is dan in de meeste gevallen een beleving die uw normaal bestaan iets te boven gaat, maar die voor u begrijpelijk is en bovendien in u zekere krachten losmaakt. In feite betekent het, technisch gezien, een stimuleren van de chakra’s, vooral van het hoogste dat nog niet geheel ontwikkeld is, maar dat zich reeds heeft ontplooid. En daardoor worden er ook gaven en krachten in u wakker.
Meditaties dienen regelmatig plaats te vinden. Zij dienen altijd onder de meest ontspannen omstandigheden te worden uitgevoerd. Men dient bij elke meditatie bepaalde voorzorgen te treffen, zodat men niet door lichamelijke behoeften of noden wordt gekweld.
Naast het mediteren zullen wij ons moeten bezighouden met datgene wat voor ons het meest belangrijk is; en dat is niet voor elke mens hetzelfde. Als u ontdekt dat medelijden in u de grootste weerklank vindt, dan zult u moeten proberen een ander te helpen. Doe dit door uw gedachten naar anderen uit te zenden en door u voor te stellen dat de krachten en middelen die de ander nodig heeft, deze ook bereiken. Tot uw verbazing zult u ontdekken dat u daarmee steeds grotere resultaten behaalt naarmate u zelf intenser het gevoel van de mogelijkheid hiertoe bezit.
Heeft u daarentegen een verwantschapsgevoel met mystieke en geestelijke waarden, dan zult u zich moeten voorstellen dat de mystieke beleving mogelijk is. En dan niet in een absolute stilte wachten zonder meer, maar a.h.w. een kring in uw denken afbakenen, waarbij u zegt: Hieraan wil ik niet denken. Dat helpt u namelijk om het geheel van uw krachten en vermogens juist op dat punt te concentreren. Als wij dit z.g. ‘blank denken’, dat in feite een concentratie is op het punt dat wij niet willen denken, goed gebruiken, dan krijgen we daarvan een aanvulling. Er komen dan aanvullende voorstellingen die, vooral als men dat enige malen heeft gedaan, overgaan i.v.m. bepaalde emotionele belevingen. Die belevingen krijgen dan vaak vorm volgens uw eigen behoefte, lichamelijke structuur of denkwijze. Hoe ze optreden, is niet belangrijk. Het kan zijn dat u op een wolk ten hemel vaart en het kan ook zijn dat u volgens uw gevoel contacten heeft met incubi of succubi. Trek u van de uiting niets aan. Het gaat om de emotionele belevingen, die een ontplooiing van uw vermogens en mogelijkheden inhouden.
Heeft u ook op deze wijze wat belevingen ondergaan, realiseer u dan dat bij het verwerven van occultisme, dat het niet gaat om een bewuste scholing op een bepaald terrein. Dit is weliswaar mogelijk, maar vergt dan een zodanig grote concentratie en inspanning dat men voor verdere stoffelijke levenselementen weinig of geen tijd, aandacht en energie zal overhouden. Dit is in de westerse wereld bijna niet te doen, met uitzondering misschien van een enkel klooster. En aangezien u meestal niet voor kloosterlingen geschikt bent, zou ik dus willen aanraden uit te gaan van de langzame ontwikkeling. Hierbij gaat de mens niet zelf de beleving bepalen, maar elke impuls die in hem opkomt, elke schijnwaarneming beantwoordt hij met een beeld van zichzelf. U straalt dus uit en op dat ogenblik ontvangt u ook. Dit is voor elke mens mogelijk (zie wat ik u heb gezegd over de chakra’s). Ik zal een eenvoudig voorbeeld geven:
U heeft het gevoel van een aanwezigheid. U meent iets te zien opzij uit de ooghoek. Ga dan niet kijken, maar straal alleen de gedachte uit “hallo”, of “welkom”. Dus iets van aanvaarding of althans erkenning en denk daarbij “ik zie je niet”. Laat het dan aan de ander over zich al dan niet kenbaar te maken. Hierdoor schept u namelijk een wisselwerking tussen de verschijnselen en uzelf. Of er voor u een direct resultaat is of niet (in het begin zal dit zelden het geval zijn), u versterkt in ieder geval uw eigen mogelijkheid tot respons op invloeden van geestelijke aard, terwijl ook uw zenden in de richting van geestelijke wezens en krachten wordt versterkt. Deze oefening is de meest belangrijke.
Ik heb u nu een summier beeld gegeven van al datgene wat je kunt doen om occulte gaven te ontwikkelen. Maar het is niet voldoende alleen maar te zeggen hoe je iets kunt doen. Het is belangrijk een achtergrond te hebben. Die achtergrond is een kruising van denken en geloof. Daarom zal ik in het volgende deel van deze lezing u het een en ander moeten zeggen over de relatie tussen God en occulte en magische mogelijkheden en krachten.
Stoor u niet aan hetgeen de godsdienstigen zeggen. Indien iemand in een geloof is aanvaard, dan is hij een heilige of een profeet. Zodra dit niet het geval is, is hij uit de duivel. Als lidmaatschap bepalend moet zijn voor het al dan niet hebben van een goddelijke origine van de verschijnselen, is het duidelijk dat een dergelijk oordeel waardeloos is. Het is het verschijnsel zelf dat zijn betekenis heeft. En om de bijbel te citeren: aan de vruchten zult ge de boom kennen. God is overal. Dat wil zeggen dat er niets is waarin geen goddelijke kracht aanwezig is; dat er niets bestaat waaruit de goddelijke kracht niet werkzaam kan worden. Voor ons is normalerwijze ons bestaan een wankel evenwicht tussen deze vele krachten. Wij moeten ons voorstellen dat God dit evenwicht is. God is het evenwicht waarin wij, hoe labiel ook, onze existentie kunnen waarmaken. Maar onze existentie is waar volgens het bestaande evenwicht. Veranderen wij iets, dan veranderen wij het gehele evenwicht. Veranderen we het evenwicht, dan veranderen we ons wezen, onze mogelijkheden en daarmede ook de betekenis die we hebben voor de rest en wat de wereld en de geestelijke wereld voor ons kunnen betekenen. God geeft ons die mogelijkheid. Daarom moeten we hem als hoogste Kracht blijven erkennen.
God heeft Zich gemanifesteerd op velerlei wijzen. In de westerse wereld moeten wij ons daarom ook durven wenden tot Jezus Christus. Wij hebben geen enkel recht om de Christus, de Lichtende Kracht, uit te schakelen. Wij moeten haar blijven erkennen. Maar in de erkenning van deze kracht ligt de erkenning van onze eigen mogelijkheden. In de erkenning van God, in de erkenning van de liefde die wij Christus noemen, in de erkenning zelfs van de wat legendarische figuur Jezus en van al wat hij heeft gezegd, gedaan en van wat men hem toeschrijft, vinden wij voor onszelf een aanduiding van een geestelijk evenwicht waarin we durven of kunnen geloven. Het is de aanvaarding van de mogelijkheid die zo voor ons bestaat welke ons de moed en het vermogen zal geven om ons eigen evenwicht te wijzigen.
Gedachten zijn machten, gedachten zijn krachten. Dat klinkt eigenlijk wat kinderlijk, een beetje ouderwets. Een gedachte straal je uit. Een gedachte beïnvloedt een andere. Op menselijk terrein is dat tegenwoordig zelfs wetenschappelijk aantoonbaar. Waarom zouden we dan aannemen dat de gedachten alleen beperkt blijven tot datgene wat mensen kunnen begrijpen en kunnen doen? Gedachten zijn een werking, die van ons uitgaat. Als onze gedachten een beroep doen op God of op welke kracht dan ook die wij erkennen, dan stellen we daardoor voor ons een verbinding tussen onze aura en die kracht. Het stellen daarvan is voor ons de realisatie daarvan. God is overal rond ons en in ons. En de erkenning van een binding, van een contact, is de totstandkoming daarvan.
Als je uitgaat van God, moet je uitgaan van een kracht, die alles beheerst en alles is. Maar wij zijn onszelf. Het gaat er niet om wat God is, want dat zullen we nooit begrijpen. Het gaat erom wat God voor ons is. En of wij die God dan een andere naam willen geven, of we willen spreken over de Grote Moeder, over Jahwe of Thor, Donar, Jupiter, Zeus, dat maakt geen verschil uit. Want de naam die wij geven, omschrijft alleen maar dat wat wij zien en kennen in onszelf van God. Daarom zijn namen niet belangrijk. Wel belangrijk is ons geloof, onze aanvaarding van die kracht als zijnde rond ons, zijnde voortdurend aanwezig, zijnde energie waarop wij een beroep kunnen doen; de energie die antwoordt op de gedachten die wij uitstralen. Gedachten zijn krachten omdat ze een verstoring van het bestaande evenwicht tot stand kunnen brengen en daarmee reacties kunnen wekken die liggen ver buiten het eigen vermogen, zoals een enkele steen soms een lawine van tonnen stenen in het dal kan doen storten.
Wij weten dat wij beperkt zijn. Wij moeten ons van de beperking bewust blijven. Maar onze beperking kan worden aangevuld door hetgeen er buiten ons bestaat. Het is eenvoudig genoeg je te beroepen op een soort superego, waarin alle dingen aanwezig zijn en alle dingen zijn gemanifesteerd. Maar dat bestaat alleen theoretisch; het is niet iets wat je beleeft. Ga uit van wat je beleeft en van wat je bent.
Als je niet weet hoe je iets moet uitdrukken, concentreer je daarop. Een vorm van concentratie is iets neerschrijven. Als je in iets gelooft, beeld het uit, hoe dan ook. Die uitbeelding maakt het je mogelijk die kracht te wekken en in harmonie te komen met de kracht waar het om gaat.
God is overal. God is in wezen voor ons iets occult, iets paranormaals. Wij hebben God in ons leven uitgeschakeld. In het gewone stoffelijke bestaan zeggen wij te geloven in God en we doen alsof Hij er niet is. Wij vragen Hem ons te helpen en ondertussen gaan we alvast naar Sociale Zorg of iets dergelijks. God is voor de mens iets wat leeft buiten zijn wereld. Juist daarom krijgt God een grote betekenis als wij die paranormale wereld betreden, als we binnengaan in de wereld van de occulte wijsheden en mogelijkheden.
Maar is het belangrijk dat wij die God noemen? De beleving en de erkenning van de kracht zijn meer waard dan het benoemen ervan. “Een mens, die God voortdurend in de mond neemt, heeft Hem zelden in liet hart”, zegt een oude volkswijsheid. Ik zou willen zeggen: Het is de kracht die wij beleven, niet de vorm die wij aanbidden die uitmaakt wat God voor ons is en wat wij in wisselwerking met die God kunnen betekenen. Wij moeten dus het begrip hebben dat we omringd zijn door het onbekende, dat het onbekende machtig is en krachtig.
Daarnaast moeten wij steeds het besef hebben dat wij in dat onbekende alleen kunnen wekken wat er reeds in schuilt. Wij kunnen het niet van aard veranderen. Wij kunnen dus nooit een kracht wekken die niet behoort tot God, tot de totaliteit. Wij kunnen alleen, zonder gevaar voor onszelf, die krachten welken die in overeenstemming zijn met ons wezen. De kracht is dan niet kwaad, maar wij zijn niet in staat haar te verwerken of te verdragen. Zo ga je begrijpen hoe belangrijk je zelf bent, want het is altijd een wisselwerking tussen het onbekende en dat kleine stuk bekendheid dat ‘ego’ heet. Het ego bepaalt voor het ‘ik’ de verhouding omdat alleen het ego van zich uit actief kan zijn voor het besef van dat ego. Die activiteit is al bepalend.
Als wij God aanbidden, onderwerpen wij ons aan Hem, dat is juist. Als wij Jezus aanbidden en vereren, dan onderwerpen wij ons aan de liefde Gods, dat is juist. Maar als wij krachten van ons willen laten uitgaan, als wij vanuit onszelf actie en mogelijkheid willen scheppen, dan zullen we moeten uitgaan van onszelf, van het antwoord dat wij kunnen geven op onze voorstelling van het onbekende. Wij moeten niet in aanbidding neerknielen maar in erkenning van grootheid trachten iets daarvan in en uit onszelf kenbaar te maken. De mens is zichzelf, ook al is hij een schepsel van de totaliteit.
Ik kom nu tot de afsluiting van dit eerste hoofdstuk.
De mens heeft onbewust begrepen dat zijn eigen wereldbeeld bepalend is voor alles wat er magisch in die wereld mogelijk is, alles wat zich aan occulte of paranormale begaafdheid daarin kan manifesteren.
Eén van de oudste denkwijzen en regels zegt: “Gelik is gelijk”, daarmee bedoelend: als twee bomen identiek zijn en op verschillende plaatsen staan en één wordt beschadigd, dan zal de beschadiging ook in de tweede boom optreden. Wij kennen dit principe wat geleerder als ‘resonantie’. Als ik een voorwerp bezit en een gelijk of praktisch gelijkvormig voorwerp bezit een ander, dan zal elke kracht die ik uitzend inwerken op dat andere voorwerp. Heb ik delen van een mens en maak ik daarvan een mensvoorstelling (poppetje), dan is dat beeld identiek met die mens. Wat ik dus aan dat poppetje doe, ervaart de mens.
Dit zijn geen principes, let wel, die volledig juist zijn. Het is een magische denkwijze. Deze zelfde manier van denken heeft de mens ertoe gebracht te zeggen: De naam is het ding. Als ik zeg “theepot” en ik heb een voorstelling van een theepot, dan zal al wat ik met het woord “theepot” doe, in feite aan de theepot gebeuren. Dit is natuurlijk niet helemaal waar, maar iets is er toch wel van waar.
Op het ogenblik dat ik een voorstelling van een evenwicht van krachten heb, afwijkend van de norm, en ik heb deze uitgestraald – stel nu dat ik deze fixeer, dat ik deze voorstelling vastleg in een tekening of in een aantal schriftregels of misschien verbind aan een steen – dan heb ik daarmee een voorwerp geschapen dat door de kracht van mijn gedachten (vergeet dat niet) inderdaad die verandering van evenwicht tot stand zal brengen. Ik heb dan te maken met wat men noemt ‘een amulet’ of soms zelfs met een zegel.
Er zijn heel veel dingen die wij niet kunnen uitdrukken maar waarvoor wij symbolen kunnen stellen. De symbolen op zichzelf hebben geen enkele waarde en betekenis. Het symbool is echter voor ons gelijktijdig de voorstelling van het geheel. Als ik kijk naar een tekentje dat Mars uitbeeldt, dan denk ik niet zomaar iets, dan denk ik aan een planeet. Zie ik een teken voor Maagd, Schorpioen, Boogschutter, Waterman enz. enz., dan denk ik aan een sterrenbeeld, maar ook aan een bepaalde lotsgerichtheid. Dat ene teken is dus een bepaling van mijn harmonie. Als iemand dat nu niet weet en ik zeg hem dat het een betekenis heeft die overeenstemt met hetgeen ik innerlijk daarvan erken maar niet uitleg hoe en waarom, dan zal de ander onbewust zijn afgestemd op de inhoud. En dan zal datzelfde teken dus ook voor de ander werken. Als je een mens een teken geeft, is hij meestal geneigd erover na te denken wat het zou kunnen zijn en dan is deze werking niet meer mogelijk. Daarom zien we dat amuletten en zegels meestal gesloten zijn. Dat betekent dat ze niet direct zichtbaar zijn en meestal ook niet direct toegankelijk. Ze worden vaak samengesteld uit b.v. een buisje van hoorn of zilver waarin iets wordt geschoven. In andere gevallen tekent men iets op een paar plaatjes, die men vervolgens samenbindt of aan elkaar kleeft, vaak met wasverbindingen zodat je niet kunt zien wat erop staat. Nu is namelijk datgene wat ik heb gezegd, afgestemd op de persoon en niet het andere.
Als ik u een amulet zou geven dat geluk brengt en u gelooft er in, dan brengt het u geluk; niet omdat het amulet geluk brengt maar omdat het bezit van het amulet voor u een voortdurende herinnering is aan geluk. U bent dus afgestemd op geluk. U straalt dus de kracht en het denkbeeld ‘geluk’ uit hetzij in grovere of meer verfijnde vorm en de wereld antwoordt daarop want de totaliteit antwoordt op wat u uitstraalt. Er ontstaat dan een verschuiving van evenwicht. Daardoor heeft u inderdaad wat meer geluk, d.w.z. dat het toeval wat meer in uw richting schijnt te werken.
Zoals het is met amuletten, met zegels en met al die andere dingen, zo is het met allerlei magische bezweringen, zo is het eigenlijk met het gehele leven. Dat wat ik denk te zijn, maak ik waar, indien ik maar bereid ben om mij daar geheel achter te stellen. U kunt dus niet zeggen, bijvoorbeeld: Ik doe dit in de geest maar niet in de materie. Als u het in de geest doet, moet u het in de materie tenminste willen of kunnen doen. U moet een eenheid zijn. Een mens die als eenheid reageert, heeft daardoor het vermogen zich af te stemmen op de omgeving en uit de totaliteit die hem omringt een antwoord te wekken in overeenstemming met datgene wat hij zelf is en uitzendt.
Met deze betrekkelijk korte les wil ik besluiten. Het heeft weinig zin u teveel te vermoeien met allerhande details. Daarom krijgt u in het 2e gedeelte van deze bijeenkomst een wat filosofische beschouwing over bepaalde aspecten van de occulte wetenschap en waar mogelijk zullen we dit herhalen.