Occultisme en magie

uit de cursus ‘Occulte praktijk’ (hoofdstuk 1) – oktober 1965

Occulte praktijk – inleiding

Het occulte of het verborgene behoort niet, zoals men wel eens verkeerd veronderstelt, tot het bovennatuurlijke. Het omvat slechts een aantal natuurlijke verschijnselen, mogelijkheden en kwaliteiten, die in de normaal menselijke samenleving niet algemeen gekend, gebruikt en beheerst worden. In de volgende lessen zullen wij trachten juist deze natuurlijke verschijnselen en mogelijkheden te bezien, ze te ontleden en daaruit gevolgtrekkingen te maken, waardoor zij voor u weer hanteerbaar worden.

In een tijd als de huidige, waarin zeer vele verwarringen heersen en waarin de mens zich misschien wel eens hulpeloos voelt, is het beschikken over dit kleine extra aan vermogens vaak van zeer groot, soms zelfs van beslissend belang. Een mens, die net iets verder ziet dan een ander, die net iets meer heeft dan een ander, kan in deze dagen zelf zijn lot bepalen. Hij, die tekort schiet, wordt door het lot gevormd. Het is dus voor u van belang al deze beschouwingen ernstig te onderzoeken en te overdenken. Veel van de gegeven raad en lessen bevatten subjectieve elementen. U zult ze dus moeten aanpassen aan uw eigen wezen, uw eigen handelswijze en mogelijkheden.

U moet verder begrijpen, dat slechts door voortdurende oefening bekwaamheid wordt bereikt. Zonder moeite zult u ook met deze lessen niets bereiken. En dan gaan wij nu over tot:

Occultisme en magie

De occultist is in wezen een magiër. Een magiër maakt in wezen gebruik van occulte krachten. Het onderscheid dat men tussen deze beiden maakt, is eerder een beoordelingskwestie dan essentieel. In de magie nu treffen wij een aantal hoofdelementen aan, die wij ook in het occultisme zullen vinden.

Magie stelt: voorstelling en contact zijn noodzakelijk om werking te bereiken. Het occultisme stelt:  slecht vanuit een harmonie kan bewust en gericht een resultaat worden bereikt. De magiër stelt: alle waarden zijn overdrachtelijk. Wij kunnen werken via een simulacrum (via voorstelling), en al datgene, wat wij aan de afbeelding of de voorstelling doen, beschouwen wij als een directe inwerking op het sujet waarop wij ons richten. De occultist stelt: de voorstellingswereld van de mens kan in de plaats treden van de z.g. reële wereld. Zij kan deze aanvullen, zij kan stimuli geven aan de wereld. Maar om dit te kunnen bereiken zal de occultist zijn innerlijke wereld of werkelijkheid moeten beschouwen als de enig reële, zolang hij actief is.

U ziet het, overeenkomsten zijn er vele. Ik meen met deze enkele punten te hebben duidelijk gemaakt dat het maar al te vaak een zaak is van formuleren en niet van essentiële waarden. Wees daarom niet verschrikt, wanneer er eens in deze cursus het woord magie valt. Wees niet vervuld van ontzag, wanneer het woord occultisme wordt gebruikt. Het zijn eenvoudig wetenschappen, die geleerd kunnen worden, evenals lezen en schrijven, maar die evenals deze bekwaamheden oefening en geleidelijke ontwikkeling vergen.

Een eerste vereiste voor alle occult werk is wel het bereiken van een toestand, waarin wij meester zijn over het gebeuren. Een groot gedeel­te van degenen die zich occultist noemen, wordt beheerst door de verschijnselen. Zij zijn helderziend, maar bepalen niet zelf of zij willen zien of niet; zij worden gedwongen te zien. Zij horen, maar kunnen deze vreemde stemmen niet uit hun bewustzijn uitsluiten; zij worden gedwongen alles te horen wat er rond hen toevallig aanwezig is. Er zijn mensen met telekinetische begaafdheid. Maar hun telekinese is niet een bewust tot stand brengen van een bepaald resultaat, maar eerder het uiting geven aan een emotionele toestand, waardoor effecten onbeheerst tot stand komen. Het zal u dus duidelijk zijn, dat beheersing de eerste noodzaak is.

Beheersing verwerven wij door nimmer onoverlegd gebruik te maken van onze gaven; door nimmer te zeggen: wij zullen wel zien wat het resultaat is, maar door ons voortdurend op een resultaat te richten en telkenmale als er iets anders in verschijning treedt dit te verwerpen. Misschien bestaat het deel waarop wij ons richten geheel niet, maar dat is hier niet van belang. Belangrijk is, dat wij ons leren bepalen bij één onderwerp, één punt van onze belangstelling. Wij moeten zelf onze gaven leiden. Wij moeten bepalend zijn voor alle contacten met geestelijke werelden en sferen. En wij moeten ook zeer zeker in staat zijn al datgene, wat tot het occulte behoort, uit ons leven uit te sluiten op de ogenblikken dat normaliteit als mens belangrijker is dan alle begaafdheid.

Om beheersing te bereiken dienen wij de volgende punten voortdurend in het oog te houden:

  1. Elk streven, zelfs het streven om niet te denken, zal in ons alle waarden losmaken die daarmee maar enigszins kunnen worden geassocieerd. Daarnaast zullen alle in ons levende waarden en voor­stellingen sterk op de voorgrond treden.
  2. Indien wij ons voortdurend blijven beperken tot één voorstelling alleen, maken wij ons het ontvangen van resultaten onmogelijk. Wij zul­len dus elke erkende afwijking moeten gebruiken als een aanleiding om tot het oorspronkelijke punt terug te keren. Het denken is een cirkelgang die steeds op hetzelfde punt terugkomt, niet een isoleren van een punt t.o.v. alle andere waarden.
  3. Ofschoon een groot deel der occulte gaven en waarden via het mentale of zelfs de geestelijke factoren in het “ik” vertegenwoordigd zijn, moet er rekening mee worden gehouden dat het lichaam aan dit alles ‑ en wel volledig ‑ deel heeft. Indien wij ons willen bepalen tot een geestelijk of mentaal element, zal het lichaam dus harmonisch, ontspannen en zonder ergernissen moeten zijn.
  4. Niemand weet waar zijn gave ligt. Alle gaven zijn in principe in een ieder vertegenwoordigd. Tussen het actief gebruik van de ga­ve en het z.g. normale bestaan staat een grensmuur, die hoger, zwaar­der en dikker zal zijn naarmate meer nadruk wordt gelegd op de norma­liteit van eigen bestaan. Dientengevolge zal een doorbreken in de we­reld van het occulte verschijnsel vaak schoksgewijs plaatsvinden. Wij gaan van een lange tijd geen resultaat vaak plotseling over naar een verbluffend resultaat. In dit geval is het zeer belangrijk dat zodra het resultaat is verkregen, de proef wordt beëindigd. Alleen hierdoor wordt de beheersing, die men nodig heeft, gewaarborgd
  5. Er zijn twee wegen om een geestelijke of mentale inwerking op de wereld of een contact met andere werelden in verleden en toe­komst te verkrijgen. Zij zijn elkaars tegenhangers in het menselijk begrip, namelijk liefde en haat.

Liefde, de perfecte vorm van aanvaarding en harmonie, betekent een vrijwillig en geheel opgaan in hetgeen men zoekt. Dit betekent, dat de gehele persoonlijkheid is samengetrokken voor een enorme krachtsinspanning in de poging tot bereiking, die alleen op dit ene doel en het eventuele resultaat is gericht.

Haat is de woede der vernietiging. Het is een wil tot vernietigen, die al het andere uitsluit. Daar, waar haat is, zal ook een volkomen concentratie op het onderwerp ontstaan en daarmee de mogelijkheid worden geschapen een bepaalde kracht volledig tot uiting te brengen in en vanuit het eigen wezen.

Een waarschuwing lijkt mij hier gepast. Zij, die in haat vernietigen, mogen niet vergeten dat het proces der vernietiging in henzelf begint en dientengevolge ook in henzelf teneinde komt. De kleinste onbeheerstheid zal voor het eigen “ik” in dit geval noodlottig zijn.

Nu hebben wij dus een basis, maar één die zeer algemeen is. Uit deze regels kan men voor zichzelf vele conclusies trekken. Deze zijn subjectief, persoonlijk. Een ieder moet voor zich trachten te vinden hoe en op welke wijze hij dit alles in de voorstellingswereld tot een geheel samenvoegt.

Ik zou nu gaarne een tweede punt willen aansnijden. Daarvoor zou ik allereerst willen nemen: een deel van het voorstellingsleven, de droomwe­reld en bepaalde ervaringen, die niet geheel bij de menselijke wereld be­horen.

Een van de meest voorkomende verschijnselen is wel het door middel van droom, dagdroom of onderbewustzijn realiseren van waarden en toestan­den, die niet tot het normale leven of tot het normaal bestaande tijdsmoment behoren. Hier blijkt dat details over het algemeen een grote rol spe­len. Vage vormen of ongevormdheid is eveneens van groot belang. Zij zijn de kentekenen van een innerlijk, dat uitgrijpt naar het andere (de andere wereld), maar dat niet in staat is daarin voor zich een zekere beheersing te realiseren.

Laat ons allereerst de droomwereld bezien. De droomwereld bestaat uit de innerlijke voorstellingswereld van de mens, maar zij wordt aangevuld met alle factoren, die door het normaal menselijk begrip dat op zintuig­lijkheid is gebaseerd, niet wordt aangevoeld of wordt verworpen. De droomwereld omvat dus een vollediger schema van eigen wezen en mogelijk­ heden dan het waakbewustzijn.

Wanneer dromen een voorspellend of een waarschuwend karakter krijgen of in symbolische voorstellingen duidelijk maken dat er iets aan de hand is, dan zullen wij ons allereerst moeten afvragen, of dit alleen eigen geestelijk leven, dan wel de wereld waarin wij leven, betreft. De mogelijkheden om hierin een onderscheid te maken zijn al betrekkelijk eenvoudig.

  1. De normale droom, uit de herinnering voortkomend, bevat meestal geen elementen van kleur. Heel vaak ontbreekt daaraan ook een derde dimensie. Het is een soort foto. Is kleur en dimensie aanwezig, dan kan worden gezegd dat er in de droom meer is bevat dan de inhoud van eigen geheugen alleen. Is wel dimensie maar geen kleur aanwezig, dan zal het onderbewustzijn een grote rol spelen.
  2. Wanneer een droom een voorspellend karakter heeft, wordt zij over het algemeen geïnterpreteerd of aangepast. Dit nu zal vaak noodzakelijk zijn om de boodschap over te brengen. Het geschiedt echter maar al te dikwijls door een vervormen van de beelden in zo’n droom. Wen u aan elke droom, waarvan u iets bijzonders denkt, zo uitvoerig mogelijk te noteren en met zoveel mogelijk details voordat u ertoe overgaat een interpretatie ervoor te zoeken. Wanneer u meent boodschappen te ontvangen, probeer niet hun betekenis weer te geven. Leg ze vast. Dit is van het hoogste be­lang. Alleen wanneer de ontvangen impulsen of de in de innerlijke wereld ontstane beelden eerst zijn gefixeerd ‑ en wel zoveel moge­lijk in overeenstemming met de oorspronkelijke ervaring ‑ zal later een redelijke vertaling in meer menselijke termen mogelijk worden. Anders meent men gedroomd te hebben wat men niet droomde; heeft men gezien wat niet in feite bestond, omdat men meent dat men het had moeten zien.
  3. Als u naar droombelevingen zoekt, is het mogelijk enige concentratie toe te passen als een soort startpunt en gelijktijdig als startenergie. Wie bepaalde beelden uit de toekomst of uit een an­dere wereld wil opvangen, zal er goed aan doen zich op die toekomst in te stellen, zich een beeld van die wereld te vormen en ‑ bij voor­keur voor de slaap of de dagdroom ‑ zich dit zo levendig mogelijk voor te stellen, zodat het beeld wordt overgenomen in een toestand, waarin de bewustzijnsdrempel van de mens verhoogd is. Door dit te doen kunnen wij dus tot op zekere hoogte het terrein van de voorstel­lingen, die wij ontvangen, selecteren. Wij kunnen verder voor onszelf bepaalde wekprikkels stellen door te bepalen dat wij ‑ wanneer dit of dat gebeurt ‑ onmiddellijk wakker worden. Het is goed zich daarbij ook een voorstelling van de eerste daad na dit ontwaken te maken, bv.: de notitie. Maakt u zich van dat noteren dan niet alleen maar een opdracht, maar ook een voorstelling. Zie uzelf ontwaken. Zie hoe u met potlood en papier of op enigerlei andere wijze de details vastlegt. Op deze wijze maakt men het voor zichzelf mogelijk om bv. bepaalde toekomstige gebeurtenissen te schouwen. En op dezelfde wijze kan men het zich soms mogelijk maken ‑ maar daarvoor is meestal wel wat meer oefening nodig en vooral innerlijke harmonie ‑ door te dringen tot bepaalde sferen en daar met van tevoren gekozen personen contact op te nemen.
  4. Dromen zijn geen bedrog. Het is altijd weer de interpretatie van de droom die het bedrog levert. Indien u niet weet wat iets betekent, laat het dan zo. Het is beter een aantal begrepen fragmenten met daartussen onbegrepenheden te zien dan een begripsbeeld te vor­men, waarin de waarheid onjuist wordt weergegeven. Daartoe zou ik u de volgende raad willen geven:
  1. Spreek niet over een symbool of over iets anders. Beschouw alles in zijn letterlijke betekenis, ook als dit lichten of symbolen zijn.
  2. Tracht geen samenhang tot stand te brengen tussen de verschillende beelden, daar lang niet altijd dit verband in feite aanwezig was. In een droom kunnen verscheidene fragmenten van totaal andere werelden, tijdsmomenten of belevingen worden samengevoegd tot een soort geheel. Wie daarin probeert een lijn te trekken, zal een foute conclusie trokken

Dat was de droom; maar er is meer dan de droom. Daar is die eigenaardige beleving van een ommanteld worden door een kracht, een gevoel van duister, een warreling van kleuren, het aanvoelen van vage gestalten die precies aan de rand van het gezichtsveld voortdurend schijnen te verdwijnen. Hier kan natuurlijk de verbeelding soms een rol spelen. In zeer vele ge­vallen zal er echter sprake zijn van iets wat dichtbij de algemeen genoem­de helderziendheid ligt. Dergelijke waarnemingen worden vaak al te veel teruggebracht tot een visueel iets. Men wil het werkelijk zien en maakt zich daardoor de waarneming onmogelijk. Men wil het interpreteren of men meent het te moeten ondergaan en is bang het contact te verbreken. Men ervaart de dreiging als iets waartegen men machteloos is en ondergaat het in angstige gelatenheid. U zult begrijpen dat een dergelijke houding niet juist is. Daarom gaan wij ook hier proberen een paar eenvoudige regels te vinden.

Als ik mij bedreigd voel, dan kan die dreiging reëel aanwezig zijn. Ze is echter volkomen ingevoegd in een bepaalde sfeer of harmonie, die ter plaatse bestaat. Indien ik deze dreiging dus wil verbreken, is het voldoende dat ik mijn in‑harmonie‑zijn met de omgeving verbreek. De dreiging kan voortduren, maar wordt niet meer ervaren. Indien er een manifestatie achter schuilt, zal heel vaak een ander verschijnsel voor het gevoel van ingesloten zijn, van voortdurend geprikkeld worden in de plaats komen en daardoor een nadere analyse mogelijk maken.

Dan moet u goed begrijpen dat wij heel vaak te maken hebben met werelden, waarin wij eigenlijk geen weg weten. Ik sprak reeds over de vaak zeer polychrome droombeelden, die sommige sferen vertegenwoordigen, maar soms ook alleen maar een extensie van eigen wezen zijn in een onbegrepen wereld. Bedenk dat al deze beelden beheersbaar zijn.

Wanneer u een beeld ziet, waarin kleuren in vormen door elkaar schijnen te warrelen en schijnbaar geen zin hebben, dan komt dat omdat u ze verkeerd bekijkt. Vooral in het begin zijn dergelijke ervaringen als een zoekplaatje. Beschouw het beeld, maar tracht ook uw eigen houding daartegenover te wijzigen. Onthoud goed dat verwarring in het beeld altijd blijft bestaan, indien u de ervaring afwijst. Een mogelijkheid om te zien waarvandaan het beeld wordt geprojecteerd, heeft de mens pas na de gebeurtenis; dus aan de hand van zijn notities.

Wanneer wij te maken hebben met kleuren, die niet helder zijn en niet van elkaar kunnen worden gescheiden, terwijl daarin soms vormen opkomen en weer schijnen te vervloeien, dan zal er meestal sprake zijn van een contact met een astrale wereld. Een dergelijk contact is niet wenselijk en kan het best zo snel mogelijk worden verbroken.

Bestaat het beeld uit heldere kleuren en is er tussen deze kleuren een kenbare scheiding of een zeer zichtbare overgang, waarbij de helderheid behouden blijft, dan hebben wij te maken met uitingen van geestelijke sferen; en over het algemeen zal er in die kleuren een bepaalde voorstelling verborgen zijn. Ontvangt men een dergelijk beeld, dan moet men trachten een of meer van de kleuren (bij voorkeur één van de kleuren in het middelpunt van het visioen) als een stemming aan te voelen en zich daarop baseren. Het beeld verandert dan onmerkbaar en gaat in het begin geometrische figuren vertonen; later krijgt het meer het karakter van een visioen, waarin soms bloemen‑ of mensenvormen op de voorgrond treden; in andere gevallen ontstaat er iets wat het best kan worden vergeleken met een soort beeldschrift.

Deze dingen noteren kan van groot belang zijn, omdat zij inzicht geven in de eigen mogelijkheid met een andere sfeer in contact te komen. Vooral degene die zich occult verder wil ontwikkelen, zal een dergelijk contact hoog op prijs stellen, omdat hij daardoor gebruik kan maken van de krachten die in een andere sfeer bestaan.

Indien het beeld absoluut kleurloos is (vaak is het dan ook wat somber van tint), dan speelt het eigen onderbewustzijn een zo grote rol, dat het ten hoogste als punt van erkenning van het “ik” kan worden gebruikt, maar nimmer voor interpretatie van gebeurtenissen en wat dies meer zij.

Dan hebben wij nog de mogelijkheid dat men beelden ziet. Dit zien van beelden krijgt soms de vorm van een herkennen. Het is goed het volgende te onthouden:

Als u het gevoel hebt iets, iemand, een landschap e.d. te herkennen, terwijl u weet het nooit eerder te hebben gezien, dan rijzen de volgende vragen en deze moeten worden beantwoord om een juiste waardering van het feit mogelijk te maken:

  1. Is het mogelijk dat ik die persoon, dat landschap e.d. beschouwde, terwijl ik nog aan iets anders dacht? Zo ja, dan kan de herkenning het besef zijn dat men zoiets reeds zag, zonder er bewust aan te denken.
  2. Ik vraag mij af: Is het mij mogelijk te zien wat nog niet direct waarneembaar is?

In een stad weet ik wat achter de bocht van de straat ligt. In een landschap weet ik wat er verscholen is achter bomen, weet ik waarheen een bepaalde weg leidt. Is het een mens, tracht kenmerken te zien, die niet onmiddellijk opvallen, bv. heeft zo iemand bijzondere eigenaardigheden? Blijkt dat die erkenning juist is, dan zal in 9 van de 10 gevallen kunnen worden gesproken van een contact, dat in een vroegere incarnatie lag of dat tijdens onbewuste uittreding word opgenomen.

Het heeft voor ons geen zin dit verder te ontleden. De erkenning van het contact heeft alleen dan zin, indien wij daardoor in staat zijn ons sneller en vlotter te bewegen. Is er voor ons geen zekerheid hierover te verkrijgen, dan stellen wij dit terzijde. Men mag in het occultisme nimmer doorgaan op dingen waarvan men niet zeker is, tenzij het gaat om een nauw omschreven experiment, waarvan het enige doel is het testen van bepaalde vermogens of het bereiken van bepaalde ervaringen. Ik kan op dit laatste niet voldoende de nadruk leggen.

Ik sprak u van dromen en van visioenen. Maar hoe zit het dan met wat wij helderziende waarnemingen en helderhorendheid noemen? In vele gevallen zijn zij nauwelijks of zelfs niet verwant aan datgene wat wij nu hebben omschreven.

Helderziendheid of helderhorendheid is in vele gevallen niets anders dan de uitdrukkingswijze voor iets wat men ervaart en niet op een andere manier weet weer te geven. Wanneer een echte helderziende zegt: “Ik zie”, dan is er vaak absoluut geen sprake van iets zien of zelfs maar van een voorstelling. Wat zich in het “ik” vormt, is de omschrijving van iets. Meer niet.

Iemand die helderhorend een boodschap doorgeeft, hoort niet altijd ‑ al is het maar in de schedel ‑ deze woorden. Hij  heeft vaak het gevoel dat hij dit zou moeten horen en spreekt de boodschap uit. Het gevaar hierbij is natuurlijk dat het onderbewustzijn een grote rol speelt. Maar in geen enkel punt van het occultisme of de magie kunnen wij dit onderbewustzijn geheel elimineren. Willen wij dus iets in deze mogelijkheden van helderziendheid en helderhorendheid vinden, dan mogen wij dus niet beginnen met eisen te stellen aan het verschijnsel.

Wanneer wij denken te zien of voelen te zien, moeten wij ons niet afvragen: Wat zie ik? Maar moeten wij spontaan weergeven. De kunst van helderziendheid en helderhorendheid is in 9 van de 10 gevallen het spontaan en zonder enig voorbehoud, zonder enige controle, achterdocht, angst voor belachelijkheid of gevoel voor waardigheid eenvoudig neerleggen of uitspreken van de opkomende indrukken. Men moet hier dus altijd uitgaan van het standpunt: ik behoef niet te horen, ik behoef niet te zien in de algemeen aanvaarde zin van het woord. Indien ik iets heb wat ik niet anders kan omschrijven, geef ik daaraan eenvoudig uiting. Als ik klaar ben, en niet eerder, zal ik trachten na te gaan wat dit geweest kan zijn. Maar het verschijnsel moet eerst zijn loop hebben gehad, of ik moet het ontkennen en zeggen: Dit is niets en gelijktijdig mijn aandacht op iets anders richten.

Ik geloof dat ik u hiermee al enkele praktische richtlijnen heb gegeven, die u voor uw occult denken en ook streven kunt gebruiken.

In het derde en laatste doel van deze les zou ik graag willen ingaan op de voorwaarden, de eisen, die wij maar al te vaak vinden bij magie en ook bij bepaalde occulte regimen.

Er is een aardig verhaal. Een bedrieger werd eens tegen zijn zin en op straffe des doods gedwongen een man te genezen die een horrelvoet en een bult had, die zo scheel was dat zijn ogen bijna voortdurend de achterzijde van zijn uiterlijk bewonderden en daarnaast nog allerhande andere onaangenaamheden had, zoals last van zijn lendenen, een hart dat zwak was, enz.. Onze oplichter haalde toen alle mensen tezamen en zei:­ “Ik ben een groot en heilig man. Ik zal deze mens genezen met een een­voudig gebed. Maar gij, die aanwezig zijt, moet met mij meedenken. Gij moet met mij meespreken elk woord, precies en nauwkeurig, en aan niets anders moogt ge denken. En wat ge ook doet, denk niet aan een grote, lelijke aap.” U begrijpt dat hij zijn gebed nog niet had beëindigd, toen hij zei: “Wie denkt daar aan een aap? Wie is zo heiligschennend?” En velen van de aanwezigen gaven toe dat ze het beeld niet uit hun gedachten hadden kunnen houden.

Dit is een van de meest voorkomende aardigheidjes bij de magie. Men stelt u eisen, waaraan ge op psychologische gronden eenvoudig niet tegemoet kunt komen. Men geeft u recepten, die misschien wel werkzaam zijn, maar verbindt daaraan de voorwaarde dat ge de dauw moet hebben verzameld op het graf van een zelfmoordenaar, een stukje haar moet bemachtigen van een gehangene en misschien een traan van een maagd, of ge moet een drakentand gebruiken en dergelijke dingen. Deze dingen zijn moeilijk te vinden, zo ze al te krijgen zijn.

U moet goed begrijpen, deze dingen zijn niet bedoeld om u de uitvoering van een magisch recept mogelijk te maken. De strenge voorschriften van “doe dit niet en doe dat niet” zijn meestal niet bedoeld om u een occulte bereiking mogelijk te maken. Ze zijn een afweermiddel. Zij trachten, terwijl gelijktijdig mededeling van de mogelijkheid wordt gedaan, u persoon­lijk eenvoudig voor de onmogelijkheid te plaatsen het gestelde op de proef te stellen. Daarom moeten wij bij denkbeelden van “doe niet”‑voorschriften, die negatief zijn, uitkijken. Magie en occultisme zijn heel wat eenvoudiger dan men u wil voorgoochelen. Zij omvatten misschien een minder uitgebreid gebied dan gij zoudt willen, maar ze zijn eenvoudig.

Alle magisch bereiken, alle occult erkennen, werken en bereiken zijn gebaseerd op een persoonlijke reactie. En als u Gods licht wilt zien en een aap is voor u daarvan de representant, dan denkt u aan een aap. En is het een pauw, dan denkt u aan een pauw. En is het de zon, dan denkt u aan de zon. En is het het gezicht van een mens, die ge lief hebt, dan denkt ge aan die mens. Dat is alles niet belangrijk. Voorschriften, die u zeggen hoe ge u bv. de kruisiging van Jezus moet voorstellen, hebben geen zin. Het gaat niet om de voorstelling. Het gaat om de innerlijke afstelling, het afstemmen van het “ik”, zodat bepaalde harmonieën mogelijk worden. Hoe u die harmonie bereikt, doet niet ter zake. Zoals recepten in wezen vaak zeer eenvoudig zijn en het meest belangrijke is, dat ge met inzet van geheel uw wezen, alsof het een kostbaarheid is, een recept klaarmaakt, een bepaalde z.g. magische handeling volbrengt. Het andere is bijkomstig. Want ofschoon veel, zeer veel, zowel in occulte lering als in magische recepturen niets anders is dan boerenbedrog, schuilt achter deze dingen een werkelijkheid. En die werkelijkheid is:
Gij kunt in deze dingen alleen iets bereiken met de inzet van geheel uw wezen, u beheersend ten koste van alles om het doel te bereiken.

Indien u dit onthoudt, zullen de volgende lessen u zeer waarschijnlijk de weg openen naar occulte beleving en vooral tot het gebruik van bepaalde occulte krachten.

Waanvoorstellingen

Een van de meest bekende grappen die er bestaat, is van de man die op Broadway loopt en tegen een ander zegt: Je moet wat minder drinken, want je hebt voortdurend last van witte muizen. Ik zie het aan je ogen. De ander zegt: Witte muizen? Het zijn roze olifanten.” Een grapje dat op zichzelf misschien erg flauw is, maar toch iets aangeeft.

Onder bepaalde omstandigheden kan een mens dingen zien, die er niet zijn. Wij noemen ze hallucinaties, waanvoorstellingen; en als ze een meer religieus karakter krijgen, noemen wij ze visioenen. Maar dat betekent nog niet dat er een werkelijk verschil behoeft te bestaan.

Als een zeeman dronken wordt, dan ziet hij misschien een kabouter. En als een nonnetje per ongeluk te veel heeft gesnoept van een drankje dat geestrijk is, zal ze waarschijnlijk de Here Jezus zien. Waarom nu het ene een hallucinatie noemen en het andere een visioen? Het is in beide gevallen een waanvoorstelling: een uit het “ik” geboren interpretatie van de wereld, die veroorzaakt door onevenwichtigheden, door omstandigheden, door spanningen, maar ook door dranken of roes-verwekkende middelen optreedt en buiten het “ik” wordt geprojecteerd. Het is iets wat in jezelf leeft en wat je buiten jezelf ziet.

Nu zijn er wel gevallen, waarin zo’n visioen toch meer concrete waarden krijgt en een hallucinatie niet alleen maar een waandenkbeeld zonder meer is. In vele gevallen is er dan sprake van een gedachteoverdracht.

Ik wil u niet vervelen met te veel voorbeelden, maar als u een blad over occultisme leest of de verschillende onderzoekingen van de paranormale onderzoekers hebt gadegeslagen, dan hoort u van doden die verschijnen; en dan blijkt dat ze net zijn doodgegaan of kort daarop doodgaan. Zij worden dan waargenomen. We horen van visioenen, van een gebeurtenis, die zich later inderdaad zo afspeelt. En de grote vraag is nu alleen maar: Hoe worden ze veroorzaakt?

Nu moeten we geloof ik allereerst kijken naar de mens zelf. Elke mens heeft bepaalde dingen waarvoor hij bang is en dingen die hij graag zou heb­ben. Wanneer er iets ongewoons in zijn leven komt en de normale remmingen van de rede vallen weg, dan zal hij zich heel vaak voorstellen dat die dingen in feite aanwezig zijn. Het nonnetje zou heel graag de Here Jezus hebben gezien. En wanneer er dus iets abnormaals is en ze moet dat verklaren, dan is dat voor haar de Here Jezus. Onze zeeman is misschien bang voor roze olifanten of witte muizen en die ziet witte muizen of ‑ het angstbeeld van oude zeelieden ‑ de kabouter. Zij geven dus een interpretatie. Maar er moet iets meer aanwezig zijn.

In de geciteerde gevallen is dat de mens zelf, zijn eigen innerlijk. Dat innerlijk omvat nu juist een klein beetje meer dan het gewone verstand, de gewone herinnering en zelfs de normale emoties. Wij hebben te maken met het gemeenschappelijk bewustzijn van de mensheid. Dat gemeenschappelijk bewustzijn kan voor iemand, die ermee in harmonie is, een soort ontlading van krachten betekenen; maar die krachten worden weer uitgedrukt in gedachten. Het is iets dat op telepathie lijkt.

Wanneer een paus in de tuin van het Vaticaan staat en hij ziet de zon plotseling dansen en springen en daaromheen bepaalde beelden, dan voelt hij iets aan. Waarschijnlijk voelt hij de dreiging aan van een wereldoorlog. Hij voelt hoe de ellende op de wereld niet op een andere wijze tot oplossing kan komen dan in een verschrikkelijke uitbarsting van geweld. Maar hij kan het zo niet zien; en daarom ziet hij de zon en daarnaast een paar engelen en de ruiters van de Apocalyps.

In een ander geval loopt iemand hier in Nederland in een doodgewone rustige straat. Ze is wat overspannen, de man is ziek, ze heeft in tijden niet geslapen en is voor het eerst weer een luchtje aan het scheppen. Ze ziet dan ineens een aantal vreemde soldaten in uniformen die ze niet kent. Er wordt over en weer geschoten. Ze ziet een huis in elkaar vallen. Ze gilt, schrikt, loopt weg  en………  dan is alles ineens weer rustig zoals daarvoor. Het blijkt, dat 6 jaar later in diezelfde straat zich precies hetzelfde heeft afgespeeld. Hier heeft dus een beeld uit de toekomst zich van iemand meester gemaakt. Maar we mogen hier spreken van een hallucinatie of zo u wilt van een visioen, omdat het op dat ogenblik niet reëel was en zelfs niet volledig vaststond? Het was een van de vele mogelijkheden uit het totaal van de toekomstige tijd.

Opvallend is verder, dat een dergelijk beeld helemaal geen aanduiding geeft hoe het tot stand komt. Het is een fragment; en plotseling is het verdwenen.

In de mens zit het vermogen om buiten de tijd te leven en te denken. Hij heeft een ziel; en die ziel is eeuwig, die is tijdloos, die kent geen ruimte. Alles wat tijd is, is voor die ziel te overzien. Maar het is zoiets als een kind dat een doosje kralen heeft. Ze ziet niet, zoals de mensen, een kralensnoer. Het zijn kraaltjes en die kun je op verschillende manieren samenvoegen en rijgen. Zo zal het innerlijk van de mens de feiten uit de tijd, waarmee men op zo’n ogenblik harmonisch is, samenvoegen. Maar gezien vanuit het normale tijdsbesef op een zeer willekeurige wijze.

Dit zijn allemaal nog gewone hallucinaties of visioenen. Maar erger wordt het, wanneer zo’n visioen suggestie gaat uitoefenen.

We horen van een paar kinderen, die op een gewoon veldje staan en ineens zien ze de heilige Maagd Maria. Misschien was het wel een spelletje van die kinderen. Maar ze hebben zich daarin zo ingeleefd en ze vertellen dat. De ouders zeggen onmiddellijk. “O, hier moet een wonder gebeurd zijn.” Ze gaan naar het veld en zeggen tegen de kinderen: “Is de heilige Maagd er weer?” De kinderen worden beïnvloed. De heilige Maagd is voor die volwassenen een realiteit, dus moet ze er toch zijn. En dan zien de kinderen die heilige Maagd weer en zij spreekt en maakt gebaren. Suggestie. Cumulatieve suggestie. Want later wordt er een kerk gebouwd. En wanneer er een kleine 10.000 bedevaartgangers op een bepaalde dag bijeen zijn, zien velen van hun een lichtkrans met daarin de heilige Maagd.

Maar wat is daarvan nu waar? Gedachteoverdracht. Is dit een realiteit? Neen. Het zou er een kunnen zijn, maar waarschijnlijk is het niet. Zeker is dat hier een suggestieve kracht heeft gewerkt; een gemeenschappelijk begeren, een gemeenschappelijk denken, dat aanleiding heeft gegeven tot een feit. Maar welk feit? Dat weten we niet.

Wanneer wij spreken over hallucinaties, waanvoorstellingen en visioenen en alles wat daarmede samenhangt, dan doen wij er verstandig aan allereerst te zeggen, dat wij nooit precies weten wat wij eigenlijk zien en waar het precies vandaan komt. Het enige wat wij weten is: er is iets. Dat iets kan een invloed zijn. Dat kan een geest uit een andere wereld of sfeer zijn. Dat kan een lichtende of een duistere geest zijn. Noem het maar op. Dat kunnen gedachten zijn van iemand, die lang geleden op die plaats heeft geleefd. Dat kunnen denkbeelden zijn, die bij zoveel mensen in de menigte leven dat ze ergens wel een realiteit worden. Daarom stellen we maar:

Visioenen en hallucinaties zijn ofwel een uiting van niet direct bewuste gedachten, angsten of begeerten, dan wel een overdracht van gedachten, van denken.

De vormen van visioenen zijn altijd in overeenstemming met degenen die ze beschouwen. Het is misschien ook wel aardig daarover na te denken. Wanneer iemand vroom is, dan zal zijn visioen een vrome voorstelling zijn. Hij zal God zien, een heilige of een duivel, maar iets wat past in zijn godsdienstig beeld. Een atheïst daarentegen zal eerder menselijke beelden en voorstellingen zien. Wat voor de een een heilige is, kan voor de ander een eigenaardige machine zijn. Wij kunnen niet precies zeggen hoe het in elkaar zit. Men interpreteert vanuit zichzelf.

Als we dan verder zien wat de mensen ervan maken, wordt het nog veel bedenkelijker. Als wij bv. de Openbaringen van Johannes lezen, dan hebben we te maken met iets wat nu nog in de wereld voortdurend wordt geraadpleegd: een visioen, waarvan iedereen de verwezenlijking toch wel waarschijnlijk of mogelijk acht. Gaan wij kijken wat erachter zit, dan blijkt dat men de val van Rome had voorzien, maar dat zag er als een soort einde van de wereld uit. Je kunt er niet meer uitkomen. Het beeld is zo verward. De eigen persoonlijkheid, de kennis, de interpretatie van de schrijver hebben iets geschapen, waar niemand uit kan komen. En nu gaan we zeggen: Dat is dus zus of zo. Ik geloof, dat het erg verstandig is om de visioenen van anderen met een zeker voorbehoud ter kennis te nemen. Blijkt het dat ze gelijk hebben, heel goed. Maar in de meeste gevallen hebben ze alleen gelijk, omdat wij de feiten zo interpreteren, dat ze passen bij het visioen, bij de voorspelling.

Wat dan te doen als je zelf een visioen hebt, als je zelf iets ziet wat er niet is of er niet zou mogen zijn?

Ik geloof dat je in de eerste plaats moet proberen niet bang te zijn. Een mens die niet bang is, ziet maar zelden onaangename visioenen en zelfs zijn hallucinaties krijgen een wat vriendelijker karakter. In plaats van een dreigende slang, die je achterna zit, heb je met een konijnachtige Harvey te maken, die je vol beminnelijkheid het leven wat vrolijker maakt.

In de tweede plaats lijkt het mij ook wel heel verstandig, niet al te veel conclusies te trekken uit een visioen en uit een hallucinatie. Helemaal niet. Maar ja, waarin zit het verschil?

Het visioen is altijd maar een brokstuk van de toekomst. Het is nooit een logisch deel ervan. Het is maar een willekeurig klein stukje dat eruit is geknipt, zoals de 5 beeldjes, die de filmkeuring net uit de film heeft gehaald. Wij kunnen het zien. We kunnen zeggen: Het zal wel waar worden, maar we weten niet hoe en onder welke omstandigheden. Wanneer wij daaraan verwachtingen of angsten verbinden, dan beïnvloeden wij onszelf en vaak het leven van onze omgeving. Dat lijkt mij niet erg aanvaardbaar.

Krijg ik te maken met beelden van geesten die tot mij spreken (dingen die vaak voorkomen), dan is de vraag alweer: In hoeverre ben ik er zelf mee verbonden?

De weduwe, die zich alleen voelt en droomt dat haar lieve man haar komt opzoeken, geeft minstens evenveel uiting aan menselijke gevoelens als ze mogelijkerwijze contact heeft met een andere wereld of sfeer. Maar zeker is dat niet. En misschien heeft zij het idee, dat haar man eigenlijk wel wat zondiger was dan hij altijd heeft toegegeven en wat minder waard dan zij hem liet denken. En dan ziet zij hem als een arme zondaar terugkomen, die vraagt om een heilige mis, een zoenoffer of misschien wel om iets in orde te maken wat hij verkeerd heeft gedaan op aarde. Dat is allemaal nog menselijk en het is helemaal niet zeker dat er een geest bij te pas komt. Het enige criterium dat wij hier misschien kunnen hanteren is:

Wanneer een voorstelling, die wij a.h.w. hallucinatoir waarnemen of horen of beide (dat kan dus ook), iets bevat wat wij op dat ogenblik niet weten, dan is het een waarneming van krachten of denkbeelden, die buiten ons ontstonden. En daarvan zijn er ook weer voldoende voorbeelden.

Het is voorgekomen dat men in Zuid‑Afrika op een keer sprak over een neger‑vorst, die een grote strijd deed ontbranden in het noorden. Dat was Soweto

Het is bekend, dat in de Congo word gesproken over een grote strijd tegen de blanken, toen Khartoum viel. Voor de fanatici de heilige oorlog. En wij weten zelfs dat bv. in Indië, maar ook in Afrika en zelfs in het Amazone-gebied op een eigenaardige manier berichten worden gegeven omtrent het verloop van de eerste wereldoorlog. Ook in de tweede wereldoorlog zijn der­gelijke dingen voorgekomen. Er is dus wel degelijk iets waardoor je kunt waarnemen. Maar je kunt nooit zeker zeggen waar het vandaan komt en wat het precies is. Onthoud dat!

Alleen indien wij door ervaring weten dat bepaalde hallucinaties een zekere betekenis hebben, dat bepaalde visioenen op werkelijkheid zijn gebaseerd, mogen wij er enigszins rekening mee houden, en dan nog niet te veel. Want een mens moet in de eerste plaats op zijn eigen wereld leven. Hij moet voornamelijk leven vanuit zijn eigen bewustzijn, vanuit  zijn denken, zijn streven. En als daarin, van buitenaf dus dergelijke invloeden ontstaan, dan kunnen ze ‑ indien de overtuiging groot genoeg is ‑ soms iets bijdragen tot  dat persoonlijke leven, maar ze kunnen je nooit veranderen.

Iemand, die zich te veel overgeeft aan dergelijke waanvoorstellingen en waanbeelden, die wordt waanzinnig, zoals dat heet. En vele vormen van waanzin zijn niets anders dan een soort vergiftigingsverschijnsel, waardoor men soms delen van de astrale wereld door de normale wereld heen ziet, soms eigen voorstellingen projecteert op de omgeving. Laat ons alsjeblieft niet waanzinnig worden, omdat we voor een keer een hallucinatie of een visioen hebben. Mens zijn en mens blijven is de eerste taak. Komen die dingen, gebruik ze dan in je leven, als je weet dat ze betrouwbaar zijn; en voor de rest, geef er niet te veel aandacht aan. Leef jezelf

Als de vraag rijst: Wat is een hallucinatie, een visioen en wat is helderziendheid, dan is het al heel erg moeilijk een onderscheid te maken. Maar één onderscheid is mogelijk:

Bewuste helderziendheid wordt vanuit het “ik” geleid. Het “ik” bepaalt wat het gaat zien en doet dit bewust. Datgene, wat het “ik” waarneemt of hoort, is niet in overeenstemming met de kennis, die er in het “ik” aanwezig is, maar is daarvan altijd een aanvulling; in vele gevallen is het zelfs een tegenspreken van datgene wat men meende.

Hebben wij te maken met onbewuste helderziendheid, dan is een grens heel moeilijk te trekken. Want heel vaak worden hier persoonlijke gedachten en eigenschappen als een helderziende waarneming naar voren geschoven. In andere gevallen wordt een werkelijk visioen zozeer verminkt, dat er ook niet veel van overblijft, buiten het eigen “ik” van de waarnemer(ster). Laat ons dus bij helderziendheid heel erg voorzichtig zijn.

Helderziendheid is een heel mooie eigenschap, als je haar bezit. Maar als je alleen maar visioenen en hallucinaties ontvangt zonder zelf te bepalen hoe of wat, als een bepaald beeld niet weer kan worden opgeroepen of niet hetzelfde blijkt te zijn, maar een progressie te hebben doorgemaakt in de tijd dat het niet werd ervaren, leg het dan a.u.b. maar neer.

Voor oefening is een hallucinatie misschien heel aardig. Iemand, die bepaalde hallucinaties heeft, kan onder omstandigheden wanneer het bewust gebeurt ook gemakkelijker helderziende waarnemingen doen. Maar dat wil helemaal nog niet zeggen, dat de helderziende waarneming en de hallucinatie gelijke eigenschappen moeten hebben.

Er is één uitvlucht die hier graag wordt gebruikt. Alles is mogelijk, want er is niets denkbaar in God, dat niet reeds bestaat. Alles, wat de mens zich dientengevolge voorstelt, is ergens een werkelijkheid.

Ik ben bereid die stelling te onderschrijven, maar zou er onmiddellijk aan willen toevoegen: Maar de mens leeft onder bepaalde condities in een beperkt deel van die goddelijkheid. En wil hij voor zijn eigen bewustwording het maximum aan resultaat bereiken, dan zal hij zich moeten houden bij dat deel van het Zijn, dat zijn taak is en zal hij elke uitbreiding daarvan slechts kunnen aanvaarden, indien zij ook in zijn eigen leven bruikbaar blijft.