Occultisme en wetenschap

image_pdf

3 maart 1967

Allereerst weer de bekende regel. Wij, sprekers van deze groep, zijn niet alwetend of onfeilbaar, dus is het noodzakelijk, dat u ook zelf uw hersenen gebruikt. Ons onderwerp voor heden is: Occultisme en wetenschap.

In occultisme en wetenschap treffen wij namelijk twee tegengestelde benaderingen van het verschijnsel leven. Daarop komt het tenminste uiteindelijk neer. In het occultisme tracht men uit te gaan van de gevoelswereld en de innerlijke werelden – die de wetenschap misschien imaginair wil noemen – om zo te komen tot een omschrijving van de fenomenen van het leven, het bestaan, de krachten en wetten van de natuur en datgene, wat er voor het menselijk aanvoelen achter schuil gaat: Het grote onbekende, dat wij in de deïstische opvatting dan God noemen. De wetenschap op haar beurt gaat uit van de verschijnselen. Zij bestudeert deze, ontdekt daarin bepaalde wetmatigheden – of meent deze daarin te ontdekken – en gaat vanuit de herhaalbare gevolgen haar bewijzen – zoeken naar de definitie van alles, wat de menselijke wereld en de mens zelf beweegt.

Beide, hoe tegengesteld ook hun benadering mag zijn, hebben bepaalde punten gemeen.

Wanneer de wetenschap in haar grotere bereikingen doordringt in de wereld van het menselijke denken of bijvoorbeeld in de werelden van de allerkleinste delen, kan zij niet meer volstaan met haar alleen op feiten gebaseerde benaderingen. Er komt een ogenblik, dat men gaat theoretiseren. Bezien wij de moderne wetenschap in haar hoogste ontwikkelingen, zo zullen wij dan ook moeten toegeven, dat steeds meer ook de filosofie omtrent het bestaande op de voorgrond treedt, terwijl steeds minder het herhaalbare bewijs de enige basis vormt.

Extrapolatie volgt op extrapolatie, steeds meer stellingen worden voorlopig als juist aangenomen en, daar zij elkaar aan schijnen te vullen, ontstaat een theoretische toren van Babel, die evenzeer de hemel tracht in te boren als de occultist op zijn wijze doet, wanneer hij uitgaat van onbewezen stellingen omtrent de Hoogste Kracht.

De benaderingen van het Zijn verschillen. De occultist gaat uit van het hogere. Van het hogere komt hij tot het verschijnsel, dat voor hem bijkomstig, slechts een product van het hogere is. Hem gaat het allereerst om de in het hogere innerlijk erkende of veronderstelde machten, slechts daarna en in veel mindere mate om praktische mogelijkheden, – het verschijnsel is slechts een nevenproduct van een “waar” bewustzijn, dat ook zonder dit even waar zal zijn. De wetenschapsmens gaat uit van het verschijnsel. Het is voor hem hoofdzaak. De filosofie, die daaruit voortspruit, is voor hem, zelfs wanneer hij haar aanvaardt, een nevenproduct. Het gaat allereerst om het stoffelijk bewijsbare en beheersbare, al het andere komt in zijn denken eerst op het tweede plan.

In wezen zijn beide benaderingen van het Zijn dus een spiegeling van elkander. Zo lijnrecht tegenover elkander staan zij, dat het voor menige wetenschapsmens moeilijk is de occultist te begrijpen. En zelfs indien hij zelf occult is ingesteld, zal hij in zijn bewustzijn occulte waarden en wetenschap steeds van elkander scheiden. Want een occultist gaat zo maar uit van een reeks onbewezen – en niet bewijsbare – stellingen. Dit laatste zal de ware occultist niet storen. Hij zegt eenvoudig: Het gebrek aan wetenschappelijke bewijsbaarheid is het gevolg van een werken met en uitgaan van een andere wereld. De verschijnselen zijn daardoor te veel aan condities gebonden, die men op aarde niet kan beheersen en ook meestal niet geheel zal kunnen bepalen.

De wetenschapsmens kan dit alles niet aanvaarden. Hij stelt: Voor mij moet er een bewijs zijn wil iets voor mij reëel en hanteerbaar zijn. Maar indien de wetenschapsmens komt met een verklaring en een stelling, zo is het toch wel eigenaardig, dat ook hier het bewijs altijd weer hiaten toont. Wanneer hij dan ook met een volgens hem perfecte these komt, zo blijkt deze niet geheel en altijd bewijsbaar te zijn. Nemen wij als voorbeeld de bekende stelling van Einsteins E = MC2. Indien wij uitgaan van een algemeen gelden van deze regel, zo blijkt, dat zij niet bewijsbaar is onder alle omstandigheden. Ook het tegendeel is echter niet aantoonbaar of bewijsbaar. Wij kunnen dan ook niet stellen, dat deze regel een altijd geldende waarheid inhoudt.

Wij kunnen ten hoogste stellen, dat, door deze regel als waarheid te hanteren, een reeks van ontdekkingen mogelijk werd, terwijl in vele gevallen een bewijs leverbaar is voor het gelden van deze regel voor de mens en onder menselijke condities. Waartegen geen bezwaar kan bestaan, naar ik meen. Maar waar blijft men dan in de wetenschap met zijn stelling, dat men zich steeds alleen op feiten mag baseren en alleen van de bewijsbare feiten uit mag gaan? In dit geval gaat men immers wel degelijk uit van bepaalde theoretische waarden, die niet feitelijk bewijsbaar zijn en toch als algeheel geldende waarheid worden aangenomen.

Met andere woorden, de wetenschap gaat wel degelijk uit van stellingen, die waarschijnlijk zijn, maar in hun totaal niet bewezen kunnen worden, zelfs indien de waarschijnlijkheid groot is, doordat zij – de stelling – onder omstandigheden geheel juist lijkt te zijn. Men presteert dus in de wetenschap iets op grond van nog niet bewezen stellingen. Men en komt tot nieuwe benaderingen en onderzoekingen. Men vindt nieuwe verklaringen voor bestaande feiten, die vaak vorige thesen als onjuist verwerpen. Men kan wel zeggen, dat, vanuit stoffelijk standpunt, de wetenschap een voortdurende evolutie inhoudt, die soms zeer revolutionair aandoet, omdat zij bestaande wetten en waarden eenvoudig aan de kant gooit, wanneer haar dit wenselijk of juister lijkt.

Men kan hier een lans breken voor de wetenschap door te zeggen: Zij is weten, zij gaat uit van hetgeen de mensen weten. Zij werkt met feiten en laat alle mystiek buiten beschouwing. Maar waar ligt dan de bron van dit menselijke weten? Ik weet, dat de chemie de laatste jaren fantastische prestaties levert. Maar diezelfde chemie was zo lang geleden nog bezig met toverformules en het bezweren van demonen. Ik weet, dat de metallurgie in deze dagen vele nieuwe en fantastische eigenschappen bezittende metaalmengsels tevoorschijn tovert, maar hoelang is het geleden, dat het smelten van metalen in wezen nog een religieuze, een godsdienstige bezigheid was? Anders gezegd: De wetenschap is een ontwikkeling, die plaats vond vanuit de religie. Haar beginselen liggen, zo goed als bij het occultisme, in feite in openbaringen en veronderstellingen. De wetenschap mag zich nu op haar feitelijkheid en nuchterheid beroemen, maar ik meen, dat het niet goed is voor een kind, om zijn ouders geheel te verloochenen. Volgens mij is men in de wetenschap echter vaak geneigd om dit te doen.

Men zegt dan: Wij hebben zelf zoveel bereikt. Dit is waar, u hebt veel bereikt. Maar mensen, met alles wat u bereikt hebt, komt u nog niet zo ver, als u wel denkt. Wanneer wij gaan lezen en daarbij een interpretatie gebruiken, die een vertalen in moderne termen mogelijk maakt, zullen wij moeten ontdekken, dat veel van hetgeen nu bewijsbaar is geworden, reeds veel vroeger als een soort occulte theorie bestond. De ontbinding van een wereld door vuur – iets wat in zijn beschrijvingen doet denken aan het ontploffen van een atoombom, wordt reeds in verhalen beschreven, die rond 700 v.Chr., bestonden in Azië. Wapens, die nu als modernste wetenschappelijke ontwikkelingen gelden als bv. raketten, worden, zij het in kleinere omvang, reeds gehanteerd in een roversverhaal uit China, dat gedateerd kan worden rond Christus geboorte. Ook gasoorlogen en zenuwgassen zijn niets bijzonders en moderns, mijne heren. Zij werden reeds gebruikt in de vorm van z.g. rookpotten, die, zover wij na kunnen gaan, o.m. als wapen tegen vijandelijke vaartuigen reeds rond 1300 v.Chr., gebruikt werden. Zelfs indien u denkt aan bombardementen met napalm, de verschrikkelijke steeds weer in vlammen uitbrekende massa, vergeet men, dat hetzelfde principe reeds onder de naam Grieks vuur gebruikt werd, toen zeeslagen tussen geroeide schepen in de Egeïsche zee plaats vonden. Zeker.

Nu weet u, hoe het wetenschappelijk werkt en moet. Vroeger deed men het via beroep te doen op de goden en magie. Maar bereikte men, gezien de toen bestaande mogelijkheden, middelen en behoeften, daarmee, ook zonder “wetenschappelijke basis” niet net zoveel als u vandaag?

Ook de occultist zou ik een paar vragen willen stellen. U beroemt zich zo op het geheim van uw kunde en kennis. U dringt door in versleutelde begrippen en zelfs in andere werelden. Maar realiseert u zich wel, dat ook u, met uw denken en uw leerstellingen afstamt van priesters, die  gelijktijdig de goden aanriepen en proeven deden, van mensen, die gelijktijdig spraken van demonen en godenwerelden en nieuwe systemen uitdachten om metaal goed te smelten. Ook u stamt af van mensen, die enerzijds redetwistten over de samenhangen in godenwerelden en de daarin bestaande hiërarchieën, en anderzijds tempels bouwden, die, gezien hun structuur en architectonische waarde, zelfs vandaag nog als product van een wetenschappelijk benaderen der materie erkend moeten worden.

Wetenschap en occultisme worden helaas, helaas, in de wereld nogal te vaak beschouwd als tegenstellingen. In wezen zijn zij dit niet. Het zijn twee ontwikkelingen, die stammen uit dezelfde menselijke waarden. De menselijke waarde is steeds praktisch. Indien ik als mens begin iets te doen, zo verwacht ik als mens daarvan een resultaat. Wanneer ik een talisman bij mij steek, dan geloof ik in de invloed van de geest, maar gelijktijdig zal de talisman mij toch enig voordeel, zij het geheel reëel of deels imaginair, moeten verschaffen. Anders zal men zoiets niet bij zich dragen en het met zorgen omhullen. Indien men de goden aanroept, zo verheft men zich niet alleen tot hogere onstoffelijke wezens, maar verwacht men wel degelijk ook reële stoffelijke resultaten – zelfs indien de leer van de godsdienst dit tracht te ontkennen.

Zo men in de materie iets bouwt en zoekt te bereiken, zo zal dit streven eveneens voor de mens niet alleen maar materieel kunnen zijn. Men is zich te zeer er innerlijk van bewust, dat dit ergens anders repercussies kan geven, dat er een weerslag vanuit denken, geestelijke krachten of werelden op zal volgen.

De mens kan – of hij dit nu wil toegeven of niet – niet geheel buiten enig mystiek leven. De wetenschapsman zoekt vaak zijn mystiek en esoterie in een toenemend ingewikkelde terminologie, terwijl hij eenvoudiger en begrijpelijker zou kunnen spreken, ware het niet, dat hij zich door het hanteren van een soort eigen geheimtaal af kan zonderen van alle anderen. Een academicus, die theologie, rechten of sociale wetenschappen studeert, doet hetzelfde, en bouwt zich een soort mystiek op, geeft aan zijn “vak” – dat wordt gezien als een persoonlijke bereiking, die het ik boven anderen verheft – occulte waarden mee. En juist in dit verband brengt het woord mystiek mij een bepaalde associatie; het woord mystificatie. Verhulling, versluiering dus van de feiten, een verbergen van de werkelijkheid. De mens kan kennelijk niet buiten enige versluiering van de werkelijkheid. Niet zozeer, omdat die werkelijkheid anders niet aanvaardbaar zou zijn, maar omdat hij zichzelf in die werkelijkheid anders niet op de juiste wijze geplaatst zou gevoelen. De man, die zich op de onfeilbaarheid van de wetenschap beroept, doet in wezen niet veel anders dan een joodse profeet, die uitriep: “Onze God is de enige, ware en de sterkste. Hij zal alle valse goden overwinnen…” Ook in de wetenschap beroept men zich graag op dingen, waarvan men niet zeker is en hanteert men als argument al te vaak met gezag dingen, waarvan men in wezen niets weet. En de occultist, die tot de wetenschap vaak met een wat medelijdende glimlach zegt; “wat jullie doen is maar geknoei, je moet het geheel begrijpen”, en daarbij vergeet, dat hij de praktijk verwaarloost ten voordele van de onaantastbaarheid van zijn stellingen.

Dit is een onderwerp, waarover ik nu nog uren verder door zou kunnen zagen, zonder verder iets nieuws te zeggen. Dat begrijpt u ook wel. Maar wat voor ons belangrijk is, zoals wij hier tezamen zijn, is m.i. niet de vraag, of nu de wetenschap of het occulte de voorkeur zal verdienen.

Het gaat er om te beseffen, wat de werkelijkheid van de mens is en in hoeverre men het occulte of de wetenschap als beslissend in eigen leven zal moeten aanvaarden. Ik stel dan: al hetgeen ons innerlijk leven betreft, waarmede dus ons innerlijk leven en onze emoties gemengd zijn, is, of wij het willen of niet, voor ons een deel van het occulte. De onbekende innerlijke werelden en de krachten, die wij buiten onszelf erkennen of vermoeden, spelen hierin de hoofdrol. Waar emoties meespreken, kan men niet waarlijk “wetenschappelijk” zijn. Als mens heb je emoties nodig, om werkelijk te kunnen leven. Alle persoonlijk leven en elke persoonlijke benadering van de feiten zal daarom ergens occulte of mystieke elementen blijven bevatten. Alle pogen om de feiten van het menselijk bestaan en de aldag tot het occulte te verheffen, kan echter alleen voortvloeien, zover het feiten betreft. Door een vervalsen der feiten door middel van de gevoelens en dus een niet geheel aan de feiten ontleende interpretatie, zodra de persoon er zichzelf bij betrokken weet of gevoelt, is er sprake van een emotionele vertekening van de werkelijkheid.

Laat ons als mensen dus enerzijds trachten de feiten zonder emoties en bindingen, zelfs zonder bepaalde bedoelingen te bezien, alleen maar om te kunnen constateren. Aan de andere kant geldt dan, zodra wij innerlijk en persoonlijk ergens bij betrokken zijn, dat wij onze innerlijke krachten zullen moeten laten werken, waardoor het voor ons mogelijk zal worden, althans voor onszelf, de feiten aan te passen aan eigen behoeven. Laat ons echter dit altijd erkennen en gescheiden houden van onze nuchtere waarnemingen.

Ik zei u reeds, dat leven zonder emoties geen leven meer is. Dit betekent, dat een leven waarin de emotie, het geheim, het occulte, de werelden van geest en magie geheel geen rol spelen, geen waarde meer heeft. Dan nog werkelijk te leven en te beleven is in wezen volgens menselijke waarden onmogelijk. Aan de andere kant zullen wij echter moeten vaststellen, dat een mens, die op aarde leeft, allereerst met de feiten te maken heeft. Ik wil trachten deze tegenstelling, die in het menselijke leven een zo grote rol speelt, duidelijker te stellen en probeer dit als volgt te doen, al weet ik niet, of ik erin zal slagen, mijn bedoelingen waar te maken.

Wanneer wij feiten waarnemen, moeten wij proberen, onze gevoelens en indrukken, beoordelingen en veroordelingen uit te schakelen. Dan kunnen wij eerst de feiten werkelijk zien. Constateer daarom niet in de eerste plaats beweegredenen en mogelijke oorzaken, maar ga steeds uit van hetgeen er in feite is. Dan kunnen de werkelijke feiten worden gevonden en zal men mogen zeggen dat al hetgeen zich op gelijke wijze bij gelijke oorzaken herhaalt, zonder dat wij daarin emotioneel gebonden zijn, een regel constitutioneert, aan de hand waarvan wij de wereld en haar mogelijkheden verder kunnen beoordelen.

Hebben wij dit gedaan, dan komt een tweede factor in het geding. Datgene wat is, is voor ons ik zelden bevredigend. Om het heden voor ons ego werkelijke waarde en betekenis te geven, zullen wij het, zover het onszelf betreft, moeten verrijken met onze emotionele waarden en innerlijke krachten, waardoor wij als het ware vanuit, en voor onszelf, occult in gaan werken op de feiten. Het resultaat is dan, ofschoon de wetten, zoals deze feitelijk worden erkend, geheel blijven bestaan, er via de occulte weg in de verschijnselen voortdurend kleine varianten tot stand te brengen zijn, die nimmer het geheel, maar altijd slechts persoonlijk en een klein deel het totale verschijnsel betreffen. Hierdoor is het mogelijk een menselijke vrijheid te vinden in een anders te koude en te fractuele wereld.

Hierdoor wordt het mogelijk de kracht van het denken voor iets anders te gebruiken dan het tot stand brengen van een imaginaire wereld, die de werkelijke wereld ten dele overlapt. Wij kunnen van het denken een motiverende kracht maken, waardoor ons eigen optreden in de wereld voor onszelf wordt gerechtvaardigd – met als gevolg geen angsten, geen innerlijke strijdigheden en geen schuldgevoelens. Dan kunnen wij daarnaast door bewust denken en beïnvloeden der feiten een afwijken van de algemeen geldende regels tot stand brengen, waardoor zelfs in een wereld, waarin alle geldende regels geheel erkend worden, de persoonlijke vrijheid van leven en werken gehandhaafd blijft.

Misschien is al dit spreken over strijdigheden wat te abstract. Ik zoek een voorbeeld, dat wat dichter hij de mensen ligt. Wij hebben in de Staat te maken met kracht – macht – en anderzijds met besef. In elke Staat is macht een noodzaak. Een Staat is niet denkbaar, in deze menselijke samenleving, zonder macht. Indien deze macht tot uiting komt, is zij kracht, die alleen volgens het wezen van de Staat tot uiting komt en via de Staat wordt gedirigeerd. Zelfs met het beste stelsel wordt een Staat, die alleen hierop berust, tot een dood wezen. Het is een wetenschappelijke structuur, die aan de mens geen levensruimte meer laat. De macht en de kracht-machtsverhouding als bepalend voor de structuur van de menselijke samenleving zagen wij zeer sterk tot uitdrukking komen in het Duitsland van voor de oorlog, maar nu ziet men dit nog evenzeer in Rusland en bv. in het China van een jaar geleden. Wij zien hier, dat het doel van de Staat, plus het kader van de Staat – systeem en leer – het enig belangrijke zijn. Menselijke overwegingen spelen daarbij geen enkele rol meer. De mens mag geen gevoelens meer hebben, zij het dan de gevoelens, die hem door de staat als juist worden gedicteerd. Hij mag niet meer zelf denken, tenzij hij denkt, wat de Staat zegt dat hij denken moet. Hij mag niet handelen, tenzij het een handeling betreft, die door de Staat gewenst wordt geacht. Elk ander optreden brengt de macht van de Staat tot uiting in een vorm, die zich tegen de mens keert. Dit geldt zelfs voor gezagsdragers.

Stel hier tegenover nu de innerlijke mens, de occulte waarden. Hier staat de mens centraal en wordt men geconfronteerd met de mens die vanuit en voor zichzelf alleen wil werken. Hij wenst zichzelf waar te maken en wenst geen enkele daarmede strijdige regel of ordening te erkennen.

Wanneer hij door de gemeenschap tot iets bewogen moet worden, zo stelt hij, dat men hem dan maar moet overtuigen, dat het goed is. Dan is hij wel bereid er iets aan te doen. Anders meent hij het recht te hebben zijn eigen wegen verder te gaan. Wat impliceert, dat er een algehele onordening kan ontstaan. Er is dan geen mogelijkheid meer tot een directe, concrete en meer omlijnde samenwerking. Zou men in het normale leven de occulte en esoterische principes voort willen zetten, zo zou dit alleen met goed gevolg mogelijk zijn, wanneer eenieder een groot respect had voor de rechten en mogelijkheden van de naasten. De Staat bestaat juist krachtens het feit, dat zij daarvoor geen werkelijk en onbeperkt respect heeft – ook al drukt men het wel eens anders uit. Omdat de doorsnee mens bij de uitingen van zijn persoonlijkheid eenvoudigweg geen rekening houdt met de gelijke rechten en mogelijkheden voor zijn naasten, is de Staat noodzakelijk. Indien men echter het bestaan van de Staat met haar kracht en machtsuitoefening wil rechtvaardigen, zo kan dit alleen door haar gebaseerd zijn op het persoonlijk besef, gevoelsleven en rechtsbesef der mensen.

Misschien kan ik de zaak nog duidelijker stellen. Het proces Harster. Dit proces, dat, naar ik meen, juist is beëindigd, is een van de processen, die in feite op grond van emotionele overwegingen werd gevoerd. Zouden wij vanuit de onaantastbaarheid van de Staat redeneren, dan is het gehele proces, ook juridisch, onrecht. Er is dan sprake van mensen, die bestraft worden voor gehoorzaamheid aan de Staat, alleen omdat deze gehoorzaamheid gegeven werd aan een staatsvorm, die anders dacht dan de huidige. Zuiver formalistisch en uitgaande van de Staat als enig en noodzakelijk orgaan van ordening en machtsuitoefening, hebben deze mensen – hoe verschrikkelijk hun daden ook mogen zijn – terecht gehandeld.

  • Dat is niet juist. Befehl ist Befehl?

Het is niet aangenaam het zo te horen. Maar hetgeen ik hier zeg, is formeel en uitgaande van de Staat als alles beheersend machtsorgaan wel juist. Maar stel het wat anders.

Indien een agent in Amsterdam of Den haag een mens doodt door het gebruik van sabel of wapenstok, zo kan men dit emotioneel als onjuist en zelfs doodslag beschouwen. Vanuit de Staat en het begrip “rechtshandhaving” kan men het echter slechts beschouwen als een ongelukkig nevenverschijnsel, dat voortkwam uit de noodzakelijke machtsuitoefening, waarvoor de agent, die op bevel ingreep, niet persoonlijk verantwoordelijk kan worden gesteld. Op gelijke wijze kunnen wij stellen, dat het staatssysteem van Duitsland, Rusland of enig ander land wel verkeerd kan zijn, maar dat men daarbij nog niet kan ontkennen, dat zolang uit wordt gegaan van een Staat, die werkelijke en beslissende macht over al haar onderhorigen opeist, recht heeft op gehoorzaamheid. Men kan zelfs stellen, dat voor het handhaven en verdedigen van een Staat algehele gehoorzaamheid noodzakelijk en onvermijdelijk is. Deze stelling wordt – zij het in meerdere of mindere mate, in alle legers ter wereld; machtsorganen – nog steeds gehuldigd.

Degenen die nu zeggen, je had niet moeten gehoorzamen, zijn vaak degenen, die eenieder die niet aan hun staatsvorm en haar eisen gehoorzaamt, eveneens aan de gemeenschap onttrekken of zelfs doden.

  • Dus, bevel is bevel!

Inderdaad. Dit is de werkelijke consequentie van elke zuivere machtsstructuur. En dit houdt in, dat de rechtspleging en veroordelingen zowel in de zaak Harster als andere zaken niet juist is, wanneer men uitgaat van de noodzaak wetenschappelijk te denken en alleen feitelijke structuren te handhaven boven alles. De veroordelingen zijn in feite emotionele of occulte reacties. De achtergrond van een dergelijke veroordeling is, hoe gerechtvaardigd ook vanuit elk menselijk denken en voelen, in feite niet gebaseerd op werkelijkheidswaarden, maar op gevoelsnormen. Hier spreekt dus in wezen de persoonlijkheid, de persoonlijke waarde, die boven de gemeenschapsbetekenis wordt uit geheven. Wij kunnen vanuit de geest dit slechts juist achten. Maar dan mogen wij niet vergeten, dat een dergelijke opvatting met het werkelijke wezen van alle staatsvormen en machtsbegrip in strijd is.

Uw stelling is, dat een mens niet het recht heeft het leven van een andere mens te nemen of zelfs daaraan maar zijn medewerking te verlenen. Ik meen, dat u gelijk hebt. De mens moet alle leven van mensen in zich erkennen als voor hem onaantastbaar en heilig, omdat hij eigen leven en persoonlijk bestaan in zich heiligt. Een veroordelen op deze grondslag is niet slechts juist, maar voor de mensheid zelfs een noodzaak. Doch mogen wij niet ontkennen, dat deze veroordeling gelijktijdig een farce wordt, wanneer een staat – die voor zich gehoorzaamheid opeist – die in wezen een “befehl ist befehl” voor zich evenzeer handhaaft, een mens veroordeelt, omdat hij, zij het onder een ander bewind, volgens diezelfde regels heeft geleefd.

Misschien is uw emotioneel verzet tegen deze stelling verhelderend voor hetgeen ik hier tracht te betogen. Want het gaat ons hier uiteindelijk niet om de zaak Harster of het wezen van de staat. Het gaat ons hier in de eerste plaats wel om de tegenstelling tussen de “wetenschap”, de leer van feiten alleen, en het occultisme, dat de innerlijke waarden van de mens voor de feiten stelt. De wetenschap immers zal, in haar meest volledige vorm, handelen als de Staat; zij zal alleen haar eigen regels als juist erkennen en elke afwijking daarvan met alle macht aanvallen.

Zij moet dit zelfs doen, daar haar systeem van onderzoek anders onmogelijk dreigt te worden en haar gevestigde waarden vraagwaardig zouden worden. De zogenaamde ware wetenschap zal geen experiment, hoe mooi ook, als wetenschappelijk kunnen erkennen, zolang het niet past binnen het kader van haar stellingen en het door haar gehuldigde systeem. De wetenschap zal niet anders kunnen reageren – evenmin als de Staat – zolang zij zichzelf, als machts- en erkennings- uitdrukking beschouwt, die alles overheerst en omvat, en de wetenschap beschouwt zichzelf vaak als zodanig, daar zij pretendeert in staat te zijn aan de gehele verstandelijke, technische en zelfs sociale ontwikkelingen van de mensheid leiding te kunnen en moeten geven.

Het occultisme is hierbij de emotionele reactie van de mens. Zij kan in haar uitwerkingen vergeleken worden met de vreemde rechtsdrift, die u beweegt, wanneer u veroordelingen als de besprokene steeds nog weer te licht vindt. De werking van het occulte is te vergelijken met de vreemde drang, die zovele mensen er toe bracht de grote partijen bij de laatste verkiezing in de steek te laten; dit was immers ook een poging de formule, de z.g. wetenschappelijke structuur en planning van de maatschappij, te doorbreken ten behoeve van het persoonlijk behoeven en het bereiken van een gemeenschap die emotioneel meer aanvaardbaar is. Het zal u duidelijk zijn, dat een Staat niet kan bestaan zonder dat er enerzijds macht en systeem is. Wat neer komt op een “bevel is bevel”, – of het nu gaat om de agent die u beveelt om door te lopen of om de officier, die de beul beveelt te doden. Om in de staat de menselijke waarden nog te behouden en haar voor een werkelijke denkende mens nog leefbaar te maken, zal men de structuur moeten doortrekken met iets anders, iets wat niet zo systeem gebonden is, iets, waardoor de absolute uitoefening geremd wordt en staats absolutisme beperkt of voorkomen wordt.

Dit is dan weer het occulte, het innerlijk persoonlijke leven. Deze op zich niet systematische en redelijke factoren grijpen altijd en bij elk systeem in. Vandaar, dat men daaraan tegemoet tracht te komen door het scheppen van een pseudomystiek, zoals in Duitsland het geval was, maar ook in Rusland, Spanje en zelfs de V.S. bestaat. Want of men nu alle machtsuitoefening door de vergoddelijking van een Hitler, de verering van constitutie en vlag, of de z.g. emancipatie van de arbeider in de ogen van de mensen zoekt te rechtvaardigen, maakt uiteindelijk weinig verschil uit, zover het de principiële kant van de zaak betreft. In alle gevallen kunnen wij spreken van een pseudomystiek, een tegemoet komen aan de niet systematische en volgens de staat onredelijke persoonlijke gevoelens van de mensen, waaraan men op deze wijze tegemoet tracht te komen, zonder daarbij de werkelijke macht en structuur van de Staat aan te tasten. Systeem kan echter nooit een werkelijke bevrediging van de innerlijke mens ten gevolge hebben. Vandaar, dat wetenschap en wetenschappelijk denken alleen, ook niet tegemoetkomt aan de in elke mens bestaande behoefte aan innerlijke bereiking, zodat ook de wetenschapsmens veelal mysticus of occultist is, maar dan op een ander gebied dan dat van zijn wetenschap.

Na dit alles moet ik met klem nogmaals stellen, dat de occulte waarden en werkingen, de innerlijkheden van de mens op zich niet voldoende zijn – in hun huidige vorm althans – om een gemeenschappelijke en werkelijke bereiking mogelijk te maken. Voor mij betekent dit, dat er een synthese tussen wetenschap en occultisme, tussen Staat en individueel rechtsgevoel steeds noodzakelijk is. Er is een overbrugging noodzakelijk, waarbij bv. de wetenschap haar eigen pretentie van alleen weten wat milder maakt door te erkennen, dat zij uiteindelijk maar een beperkt deel van de gebieden en verschijnselen, die in het menselijke leven belangrijk zijn, kan omschrijven – het materiële – terwijl aan de andere kant volgens mij de occultist de noodzaak dient te beseffen zich niet tegen de wetenschap te verzetten, maar om met de erkenning van de wetenschap en al het door haar gestelde en geponeerde eigen innerlijk besef en denken verder te activeren, zodat hierdoor een aanvulling op het geestelijk leven vanuit de materiële werkelijkheid kan ontstaan en gelijktijdig de innerlijke waarden een aanvulling kunnen geven op de wetenschappelijke visie. De wetenschap dient m.i. de aanvulling van de occulte waarden van het ik te aanvaarden, terwijl het ego gelijktijdig de wetenschap mede tot basis van alle innerlijke bestrevingen en bereikingen dient te maken.

Ook hier zal ik een eenvoudig voorbeeld geven. Een paranormaal genezer kan iemand van hoofdpijn genezen. Maar indien hij 100 patiënten krijgt, zal hij aan de behoeften niet meer alleen door zijn innerlijke krachten kunnen beantwoorden. Hij zal dan eenieder eerst eens een aspirine moeten geven. Hij heeft dan de kans, dat de gevallen, die zijn hulp nodig hebben, zover af nemen, dat hij daar dan wel iets voor kan doen. Omgekeerd. Indien een medicus staat voor een geval, waarbij hij met al zijn ingrepen en medicijnen geen genezing kan bewerkstelligen zal hij rustig een geestelijk genezer, magnetiseur, of hoe zo iemand zich ook noemt, in moeten schakelen. Laat deze dan trachten een aanvulling te geven op de behandeling – zelfs indien dit alleen een suggestieve behandeling zou zijn – zodat hierdoor misschien nog de genezing mogelijk werd, die de medicus alleen niet kon bereiken en de patiënt komt tot een vrede of aanvaarding, die de medicus niet kon afdwingen.

De menselijke wereld is er een, waarin feiten en gevoelens voortdurend dooreen gemengd zijn.

De wereld van de materie is er voor de mens een, waarin naast de zuiver stoffelijke invloeden, voortdurend mentale en geestelijke invloeden een rol spelen. Juist daarom is het noodzakelijk dat men, zelfs indien dit emotioneel niet altijd zo gemakkelijk is, beide waarden voortdurend beseft en erkent, zonder ooit het ene geheel prijs te geven ten bate van het andere. Men moet vooral voorkomen, dat men het ene afwijst omentwille van het andere. Waar een emotionele verklaring of beoordeling van iets wordt gevonden, zo hoeft deze niet redelijk gefundeerd te zijn.

Ook zonder redelijke samenhangen kan een dergelijke innerlijke reactie de geest en krachten van de mens zodanig richten, dat men tot resultaten komt.

De wetenschap op zichzelf kan misschien heel veel tot stand brengen. Zij zal zelfs zeer veel kunnen bereiken. Maar indien zij de innerlijke waarden en mogelijkheden van de mens ontkent, zal ook zij op een gegeven moment vastlopen. En juist dan heeft zij behoefte aan het vaak schijnbaar onlogische reageren, dat geestelijke, inspiratieve element, dat uit verborgen of occulte waarden van besef en wezen der mensen stamt. Want op deze wijze komt een nieuwe impuls tot stand, waardoor zij haar gang van ontdekking en redelijke verklaring der verschijnselen voort kan zetten en haar beheersing van de materie weer feitelijk kan vergroten.

Ongeacht de grote hiaten en schijnbare of werkelijke tegenstellingen zullen verstandelijke redelijkheid en innerlijke waarden met elkander samen moeten gaan.

Voor u betekent dit: Mensen, ontken toch de feiten niet. De wetenschap weet niet alles. Vele van haar formuleringen voor hetgeen zij constateert en meent te weten, zijn in feite onjuist en zullen over enkele jaren reeds weer anders luiden. Maar dat belet niet, dat de feiten die zij constateert en onderzoekt, er wezenlijk zijn. Erken dit. En zoek dan in uzelf de kracht om met die feiten te werken op een wijze, waardoor uw innerlijk, uw werkelijke persoonlijkheid, zich volledig kan openbaren.

En aan de wetenschapsmens, de concrete en materialistische denker vooral, zou ik willen zeggen: Besef, dat wat in uw feitelijke wereldje tien jaar geleden nog als onomstotelijk juist gold, nu reeds weer vraagwaardig of misschien zelfs kennelijk onjuist is geworden. Erken dit en vindt in dit besef een bereidheid, om ook de schijnbaar onredelijke speculaties en stellingen van de occultist te aanvaarden, zolang het tegendeel niet geheel bewezen is. Wees bereid, de stellingen en geloofswaarden van de occultist te dulden, zolang zij maar niet in strijd komen met de feiten – en verwerp ze dus niet, wanneer zij alleen maar strijdig zijn met uw stellingen.

Dit was een heel verhaal. Daarbij week ik, dankzij een reactie uit de zaal, iets af van de oorspronkelijke opzet, zoals u misschien hebt bemerkt. Juist daarom wil ik, buiten het eigenlijke onderwerp, er nog het volgende aan toevoegen.

Uw persoonlijk leven kan alleen geheel juist zijn, indien het door geen enkele wet buiten de innerlijke wet wordt geregeerd. Alleen op deze wijze kunt u uw persoonlijkheid geheel waar maken. Elke structuur – of dit nu een kerk, een staat, een vereniging is – kan alleen bestaan krachtens vaste regels, waardoor macht en gezag kan worden uitgeoefend en de kracht van de gemeenschap op steeds dezelfde wijze tot uiting kan worden gebracht. Dit houdt in, dat elke vorm van organisatie, onverschillig welke, betekent dat het persoonlijk zijn en recht wordt aangetast. Ik wil niet spreken voor of tegen Staat, kerk enz. Ik constateer alleen maar en stel vast, dat er een ogenblik moet komen, waarop de organisatie niet meer aanvaardbaar zal zijn, omdat men innerlijk anders leeft, omdat de geheimzinnige, de z.g. occulte wereld, waarin het ik mede gevangen blijft, eenvoudig de feiten niet meer mag en kan aanvaarden. Indien dit dan toch gebeurt, kunnen wij m.i. terecht spreken van schuld. Dit geldt ook, wanneer er geen sprake is van schuld volgens de geldende maatschappelijke regels, maar alleen volgens de menselijke waarden.

Het is goed dit te beseffen. Maar dan moeten wij ook beseffen, dat degene, die alleen maar zijn eigen wezen wil uiten en uitleven, het juist daardoor aan anderen onmogelijk zal maken, waarlijk zichzelf te zijn, zolang er enige samenleving bestaat. Besef, dat zo iemand een schuld tegenover de gemeenschap op zich laadt, die helaas niet zo flagrant kan worden aangeklaagd en bestraft, als de daden van “einmalige Helden des dritten Reiches”, maar in essentie daarvan niet veel verschillen. Vergeet u dit a.u.b. niet. Alle leven in gemeenschap is een compromis. Laat uw leven dan een compromis zijn, waarbij de wereld wordt aanvaard en toch gelijktijdig eigen innerlijk leven niet wordt verloochend, maar ten hoogste beperkt, waar het op een voor buiten het ik bestaande waarden, onaanvaardbaar kenbaar zou worden.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

Vragen

  • Is het geen kwestie van bewustzijn, waarbij wij de feitelijke waarden en occulte waarden in en grotere wereld van nu meer bewust moeten gaan beleven, zodat zij meer begrijpelijk worden en grotere harmonie ontstaat. Moeten wij niet juist daarom meer voor het occulte open staan?

Ik betwijfel het. U redeneert à priori vanuit het occulte, iets wat ik bij de behandeling van mijn onderwerp trachtte te vermijden. De aap erkent de feiten en gaat uit van zijn innerlijk, maar wordt beheerst door zijn instincten. Uw stelling zou inhouden, dat de aap, wanneer hij feiten en innerlijke waarden afzonderlijk leert overzien, meester wordt van zijn instincten en zo mens wordt in een grotere wereld. Ik vraag mij af, of dit wel mogelijk is. Aap blijft aap, omdat juist het instinct beperkingen ook van erkenning, oplegt. Ten aanzien van de mens kun je iets dergelijks zeggen. De mens legt zich door zijn wezen – en niet door zijn wil – bepaalde beperkingen op. Er zijn wetenschapsmensen die, al zouden zij dit willen, het occulte denken niet kunnen benaderen of aanvaarden, laat staan volgen en er open voor staan. Er zijn occultisten, die, al zouden zij 1000 malen willen, niet in staat zijn de feitelijkheden van de wetenschap onbevooroordeeld te bezien. Ik meen dan ook, dat uw stelling te ver gaat.

Wat de grotere wereld betreft. Ik meen dat het ontstaan hiervan voor de mens opgesloten ligt in de noodzaak tot evenwicht die zijn leven nu eenmaal beheerst. Deze grotere wereld is geen gevolg van een streven en besef zonder meer, maar eerder een voortvloeisel uit de feiten. De wereld wordt vanzelf, qua begrip, groter, omdat stilstand haar dwingen zou tot een terugval, die zij niet kan aanvaarden, tenzij zij met geweld tot stand wordt gebracht. In de toekomst zult u zien dat vele mensen occulter gaan denken en reageren zelfs bijgeloviger, indien u deze term prefereert – omdat dit voor hen de enige wijze is, waarop zij zichzelf kunnen handhaven binnen een systeem, – dat anders voor hen een algeheel negeren en negatie van het individueel bestaan zou inhouden. Dit is een normale ontwikkeling. Bezie dit als een evolutionair proces, dat zich te ener en te andere zijde, steeds weer in de geschiedenis van de mensheid herhaalt. Want vanuit de gang naar het occulte komt altijd weer een terugkeren naar het meer materiële.

Wat uw harmonie betreft, de harmonie kan nimmer in het geheel worden gevonden of gezien.

Maar de mens die in zich tot een herkenning van beide waarden komt, kan in delen wel reeds als mens tot enige harmonie komen en bv. het occulte en de wetenschap in en voor zich harmonisch doen zijn. Zoals de mens door innerlijk besef wel degelijk in staat zal zijn de Staat en het persoonlijk bestaan voor zich tot een redelijke eenheid te doen versmelten zonder daarbij zichzelf aan de Staat te verliezen of de Staat te maken tot een speelbal van zijn persoonlijke lusten. Beperkt en vanuit het ego is er inderdaad wel sprake van openheid, groei en enige harmonie. Naar ik meen, heeft dit echter voorlopig zeer weinig invloed op het verdere verloop der gebeurtenissen.

Geestelijke waarden kunnen op het geheel van het gebeuren en zelfs van de bewustwording wel een grote invloed hebben, maar dan ligt dit toch wel op een ander vlak dan hetgeen wij heden hebben besproken.

  • Ik meen in uw betoog ook een à priori te erkennen. Dit betreft het begrip macht. Feitelijk hebt u wel gelijk. U zou de macht moeten zien als een niet van de persoonlijkheid losgemaakte uitdrukking.

Neen. Indien ik dit zou willen uitdrukken, zo zou ik niet van macht spreken, maar over vermogen. Een Staat kan dus een zeer groot dienend vermogen bezitten. Het jammere is echter, dat zij door haar behoefte aan macht dit vermogen maar voor een zeer klein deel realiseert. Misschien begrijpt u nu mijn formulering beter. U meent dat ik negatief ben? Neen. Ik ga uit van het feit, dat elke structuur, die zichzelf als juist en gezaghebbend t.a.v. anderen beschouwt, veranderingen zal trachten te weerstaan en, geconfronteerd met afwijkende denkbeelden en behoeften van de eenling, noodzakelijkerwijze zal moeten komen tot een grotere of kleinere onderdrukking van het individu.

  • Maar dat individu, is ook een abstractie …

Het individu is de eenling met zijn persoonlijke verlangens en inzichten, waarden en neigingen, die nimmer als geheel ingepast kunnen worden in het systeem van het geheel ofwel de Staat. Zodra kennelijk – naar buiten toe tredende – een incongruentie tussen systeem en eenling optreedt, zal de Staat t.a.v. het individu zijn – grotere – macht gebruiken om, zoals het dan genoemd wordt, correctief op te treden. Een staatssocialisme heeft dus steeds het totaal van de gemeenschap ten doel. Deze Staat kan te dien aanzien althans in theorie dienend zijn, maar kan alleen zijn socialistisch ideaal waar maken door een machtsuitoefening, die neerkomt op een ontkenning van het sociale recht van de eenling, zodra dit met het systeem van de Staat, dan meestal omschreven als gemeenschapsbelang, in strijd komt.

  • Wordt hier aan het individu niet een te grote waarde gegeven?

U zegt: Te grote. Dit is eveneens een stelling à priori.

Ik zou het als volgt stellen, daarbij de term socialistisch vermijdende. Indien wij willen spreken van een sociaal georiënteerde maatschappij, dan moeten wij een staatsvorm vinden, die, zonder dwingende maatregelen, een zo groot mogelijk aantal kansen en mogelijkheden voor het individu schept. Zodra de Staat echter, zelfs om de kansen te scheppen, die zij noodzakelijk vindt te scheppen, het individu geheel aan haar opvattingen en door gezag wil binden, acht ik dit onjuist.

Een typisch voorbeeld in Nederland was enige tijd geleden het feit, dat een boer moest procederen, omdat hij voor zijn kinderen geen kinderbijslag wenste te ontvangen. Dit is een typisch voorbeeld van een Staat, die haar systeem stelt boven de vrije aanvaarding of verwerping door de mens en daarbij in feite haar macht wil gebruiken om iemand te dwingen haar opvattingen zonder voorbehoud te aanvaarden. In dit geval viel de rechterlijke beslissing ten gunste van de boer en dus volgens mij ook juist uit. Er zijn echter andere verschijnselen in deze zelfde maatschappij, als bijvoorbeeld de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, waarbij men eenvoudig een aanvaarding met macht, en zelfs geweld, afdwingt, in plaats van de volgens mij juiste wijze van reageren in een waarlijk sociaal strevende Staat te aanvaarden: Je hoeft geen deel uit te maken van de groep, maar zult dan ook de voorrechten niet genieten, die aan dit deel verbonden zijn. Alleen zo is een vrije ontwikkeling mogelijk. Een Staat, die de vrijheid van het individu, en onnodig, alleen uit utiliteitsoverwegingen of omentwille van het systeem, terzijde stelt, is volgens mij een Staat, die in wezen het “bevel is bevel” in wezen evenzeer hanteert als Duitsland in het begin deed. Kortom, een dergelijke Staat, of zij dit toegeeft of niet, projecteert zich als een systeem boven allen, aan wie zij haar bestaan, gezag en macht ontleent. Ik acht dit onjuist.

  • Ik wil ingaan op de wetenschappelijke zijde van uw betoog en niet op de sociale. Deze ruikt mij namelijk te veel naar nationaalsocialisme. U maakt schijnbaar nogal een groot verschil tussen occultisme en wetenschap. Toch waren bv. Madame Curie en haar man fervente aanhangers van het spiritisme.

Ik kan u meer aanhangers noemen, die wetenschappelijke reputaties hebben. Maar dit maakt nog geen verandering noodzakelijk in mijn houding t.a.v. wetenschap en occultisme.

  • Dan wil ik u wijzen op een verregaande onjuistheid in uw betoog. U stelt, dat E = MG2 niet is bewezen. Dit is wel bewezen in zoverre, dat nog geen bewijs gegeven wordt, wanneer het elektron de lichtsnelheid gaat benaderen. Maar de juistheid van deze stelling is zogezegd empirisch vastgesteld door duizenden.

Ik stel nadrukkelijk, dat u hier zelf constateert, dat er een ogenblik komt, waarop deze stelling niet meer bewijsbaar juist is. Desalniettemin wordt zij als geheel en algemeen geldend gehanteerd. Er is dus een punt, waarop controleerbaarheid niet aanwezig is. U stelt: ik heb vele empirische bewijzen gezien, waar dat deze regel geldt. Het zal u bekend zijn, dat afwijkingen van gedrag bestaan van kleinste delen, die binnen het kader van deze regel vallen en toch daardoor nog niet verklaard kunnen worden. M.a.w., er bestaat dan wel iets anders daarnaast. De regel is slechts voorwaardelijk en niet algemeen juist. Men kan dus stellen, dat deze regel als een werkregel gebruikt kan worden, maar dat zij niet het totaal der daarin gedefinieerde verschijnselen omvat. Ik stelde in het begin van mijn inleiding, dat de wetenschap een verklaring en een stelling geeft, die voorlopig als algemeen geldend wordt aangenomen. Ik wil daaraan dan nu toevoegen, dat de wetenschap, nadat een regel eenmaal aanvaard is, de neiging vertoont alleen maar het positieve bewijs te zoeken en alle bijkomende verschijnselen als uitzonderingen te klasseren zonder te beseffen, dat een algemene regel ook de uitzonderingen mede moet verklaren. Ik meen hiermede duidelijk te hebben gemaakt, dat ik de door mij gebruikte formulering althans vanuit mijn standpunt zeker niet ten onrechte gebruikte.

  • Maar is er dan geen verschil tussen occultisme en wetenschap, daar beiden uit het menselijke denken voortkomen? Spelen dan niet beiden steeds een rol?

U zul dan ook hebben opgemerkt, dat ik stelde, dat zodra in de wetenschap een vernieuwing optreedt, daarbij occulte waarden een grote rol plegen te spelen. Het is dan ook wonderlijk, dat op zich occulte waarden als het moment van inspiratie wel de aanleiding plegen te zijn tot nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen, maar uit de verder wetenschappelijke benadering zorgvuldig als afzonderlijke waarde wordt geweerd en zelfs vaak ontkend. Indien men bv. zegt, dat de Curie’s spiritisten waren – nogmaals, er zijn vele andere wetenschapsmensen met occulte belangstelling en zelfs gaven te noemen – zo impliceert dit alleen, dat naast het wetenschappelijk werken en denken door deze mensen dit voor zich werd gekend en erkend. Ik zou zelfs verder willen gaan en zeggen, dat de resultaten, die zij behaalden, mede te danken zijn aan het in hun bestaande huwelijk tussen wetenschap als werkwijze en het occultisme als inspiratief element. Ik zou zelfs nog verder willen gaan en stellen, dat vele der grootste uitvindingen en ontdekkingen op deze wereld – waarbij wij zelfs Einstein mogen betrekken – voortkomen uit iets wat filosofie, of eerlijker, zelfs occultisme genoemd kan worden. Vanuit het innerlijke, geestelijke, niet bewijsbare, tracht men dan, met de feiten voor ogen, een werkwijze en benadering te vinden, die materieel aanvaardbaar en blijvend hanteerbaar zal zijn.

Ik meen, dat de grote fout, die men in de wetenschap maakt, vooral in het feit is gelegen, dat men zoekt de tijdelijke ontdekking als absoluut te stellen, zonder daarbij rekening te houden met geestelijke achtergronden en daaruit mogelijk wordende verdere ontwikkelingen. Wij hoorden dit zo even bij onze vriend, die stelde; dit moet geheel waar zijn, omdat hij op meerdere gebieden empirisch is vastgesteld. Waarbij de empirische benadering steeds weer delen en niet het geheel der waarden omvat. Dit juist vergeten vele wetenschappelijke denkers steeds weer.

Occultisme en wetenschap zijn beide producten van het menselijke denken in hun uitingen. In beiden zien wij de menselijke sterkte en zwakte naar voren treden. Zover kan ik het met u eens zijn.

  • Ik moet weer in de bres springen voor de heer en mevrouw Curie. U doet het voorkomen, of dit een huwelijk was tussen occultisme en wetenschap. Dit is pertinent niet waar. Zowel madame Curie als Pierre Curie waren beiden beschaafde wetenschappelijke denkers. Beiden waren zeer begaafde wetenschappelijke en hooggeëerde onderzoekers.

Ik dank u voor deze constatering, waarvan gaarne akte. Ik wil eraan toevoegen, dat u kennelijk mijn formulering verkeerd hebt begrepen. Indien ik spreek over een huwelijk tussen wetenschap en occultisme, zo gaat het niet om een huwelijk tussen mensen, maar om een samenvloeien van twee waarden in een mens. Het spijt mij overigens, dat u meent, dat ik een verkeerde voorstelling van feiten geef. Gelukkig is alles vastgelegd, zodat u mijn formuleringen kunt nagaan.

Ik wil besluiten met het volgende. Ik vraag mij af, of de intelligentie en het briljant wetenschappelijk werk van deze mensen mogelijk zou zijn geweest, zonder een daar achterliggend inspiratief geestelijk element, dat niet wetenschappelijk verklaarbaar is, maar voortkomt uit de diepten van mens en geest, die wij mede een deel van de wereld van het occulte plegen te noemen. Ik meen, dat wij hiermede onze meningen wederzijds voldoende uiteen hebben gezet.

Ik wil hieraan nog iets toevoegen en wel in het bijzonder voor degenen in de zaal, die zich begonnen te ergeren. Indien iemand meent, dat iets onjuist gezegd is en daartegen in het geweer komt, zo maakt hij in de eerste plaats gebruik van een menselijk en geestelijk recht om de waarheid te zoeken en te verdedigen. Er bestaat geen plicht tot reageren, maar wel degelijk een recht, naar ik meen. Wat mij betreft, u zult bemerkt hebben dat ik bepaalde punten eenvoudig als niet terzake doende voorbij heb laten gaan. Een daarvan was de stelling, dat mijn betogen ruikt naar nationaalsocialisme. Ik ontken dit. Ik heb alleen duidelijk gemaakt, dat hetgeen in het nationaalsocialisme verwerpelijk is, in vele nu bestaande staatsvormen aanwezig is – zij het misschien niet zo extreem. Ik heb deze neiging tot overheersen van het individu door de Staat, haar systeem en stellingen overigens verworpen en gesteld, dat een zo groot mogelijke en zo vrij mogelijke samenwerking tussen Staat en individu nu nog noodzakelijk is. Ik meen, dat niemand de juistheid daarvan, of hij nu socialist, nazi of communist is, geheel zal kunnen ontkennen.

Misschien meent u, dat ik hier onmiddellijk had moeten reageren. Maar dit was een persoonlijke mening; elke mens heeft volgens mij recht op zijn eigen mening, zelfs wanneer die verkeerd is.

Indien ik de zaak hier even rechtzet, zo geschiedt dit niet, omdat ik onze vriend zijn eigen visie misgun, maar omdat ik tracht te voorkomen, dat men zich ergert en door mijn zwijgen zou aannemen, dat ik een interpretatie als juist aanvaard, die – althans volgens mij – onjuist is. Erger u dus a.u.b. niet al te veel. Want het zijn juist deze geschillen tussen geest en verstand, tussen occulte en wetenschappelijke waarden, die tot de fusie voeren, waaruit het geniale kan ontstaan.

Zo ik misschien in gebreke ben gebleven, zo zal een dergelijke vonk toch elders het geniale wel kunnen doen ontstaan. Dit alleen al moet reeds reden genoeg zijn om ook dergelijke dingen zonder al te veel ergernis en protesten als een normaal deel van het leven te aanvaarden.

Neem mij dit niet kwalijk en zie dit a.u.b. niet als een poging mij paternaal tegenover een tegenstander te gedragen. Niets is mij verder dan dit. Maar binnen ons onderwerp, dat ik hiermede meteen wil beëindigen, stelden wij reeds, dat de innerlijke wereld van het onverklaarbare en de wereld van de zogenaamde feiten – zogenaamd omdat door onze interpretatie die zogenaamde feiten lang niet altijd zo definitief zijn, als men wel denkt – zullen moeten samenvloeien, indien de mens als mens werkelijk in staat wil zijn iets te betekenen. Dit houdt in, dat wij alle verschijnselen van die wereld à priori moeten aanvaarden – hier stel ik dus wel een à priori – omdat alleen in de aanvaarding van het totaal de reactie op het totaal mogelijk is. Zo enigszins mogelijk dienen wij dus de wereld te beleven met inschakeling van de diepste waarden van onze geest enerzijds, maar anderzijds zonder enige ontkenning van de feiten.

0-0-0-0-0-0-0

Esoterie

De naderende invloed van een Marsjaar doet zich, geloof ik, reeds kennen. Maar misschien is het toch wel goed juist hierom de esoterische achtergronden van het element strijd eens verder te belichten.

Wij hebben namelijk de gewoonte, strijd te zien als iets, wat alleen zuiver persoonlijk is. Wij willen een grote innerlijke strijd voeren, om daardoor tot innerlijke bewustwording te komen, maar gelijktijdig menen wij, dat wij de strijd, die naar buiten toe bestaat, moeten beschouwen als een teken van onvolmaaktheid of zelfs van minderwaardigheid. Indien wij nagaan, hoe wij aan onze ervaringen komen – en daarmede tot bewustwording – zo moeten wij toegeven, dat het juist het element strijd in het leven is, waardoor wij ons een nieuwe mogelijkheid tot fixatie in het leven vinden, een nieuwe basis in het bestaan, van waaruit wij weer verder kunnen leven, denken en streven.

Wat is namelijk het geval? Wanneer alles in goede harmonie en vrede verder gaat, zal het ego allen maar de bevestiging van het eigen Ik vanuit de buitenwereld vernemen. Men zoekt nu eenmaal altijd naar een zelfbevestiging en een versterking van alles, wat in het Ik een beperkte zekerheid of zelfs een voor eigen belangrijkheid noodzakelijke onzekerheid is. De strijd, die van buitenaf tot ons komt, het conflict dat bestaat tussen ons en de wereld, houdt zich niet bezig met onze stellingen of inzichten, deze strijd confronteert ons steeds weer met feiten, brengt ons steeds weer tot inzicht van noodzakelijke veranderingen en aanpassingen.

Strijd betekent noodzaak tot ontwikkeling, aanpassing, besef. Wanneer iemand hier in Nederland geleefd heeft en terecht komt in de tropen, zo wordt hij opeens geconfronteerd met een geheel andere fauna, een geheel ander bestaan zelfs. Indien hij weigert aan te nemen, dat een spin ook nog wel eens iets anders dan een spin zou kunnen zijn, bestaat het gevaarlijk ogenblik misschien voor hem, dat hij een spin wil wegjagen, die tussen de bladeren zit en te laat tot de ontdekking komt, dat het een schorpioen is, waarvan de staart tijdelijk niet zichtbaar was.

Wanneer hij gewend is aan onschuldige insecten en kleine dieren, zo zal een dergelijk iemand, wanneer hij niet wenst te leren, een tas hout of iets dergelijks eenvoudig afruimen zonder op te letten, en opeens bv. zich geconfronteerd zien met een voor hem monsterlijk grote duizendpoot, die bovendien nog giftig is.

Ik geef maar enkele eenvoudige voorbeelden. De mens leert hierdoor, dat het leven in de tropen, wat de insecten betreft vooral, om andere dieren als b.v. slangen niet geheel terzijde te schuiven, maar even buiten beschouwing te laten, een bijzondere aandacht vergen. De oriëntatie t.a.v. de wereld dient dus hier een andere te zijn, dan hij gewend was. In Nederland kan men het liedje “kijk omhoog, Sammy” rustig zingen en zelfs in de praktijk brengen. Degene, die zich in de rimboe bevindt, doet echter verstandiger, rond zich te kijken en daarbij ook de grond niet te verwaarlozen; hij bevindt zich in een wereld, die op andere wijze strijdig is met zijn wezen.

Dergelijke dingen kunnen voor de bewustwording van groot belang zijn. Indien je geen strijd te voeren hebt, kun je wel steeds weer naar God zien en menen dat de gehele wereld op zich toch eigenlijk een enkele grote harmonie, een enkele vorm van vrede is. Maar wanneer je omringd wordt door gevaar, zo verandert daardoor niet alleen je beeld van de wereld, maar ook noodzakelijkerwijs je relatie tot die wereld, evenals je verhouding tot God en je beeld van God. Daaraan is niets te doen.

Zoals de waardering van de wereld en God zich wijzigt door de ervaringen, die juist strijdt en gevaar je opdringen, zal ook het beeld van het eigen ik zich gaan wijzigen. De mens, die als grootmachtige door een wat hinderlijke muggenplaag heen stapt en meent zich zonder moeite te kunnen handhaven met een busje insecticiden, voelt zich tegenover de vele giftige insecten van het oerwoud machteloos, tot hij beseft op een andere wijze te moeten reageren, op een andere wijze in relatie tot deze wereld te staan. Hetzelfde zien wij ook in de maatschappelijke strijd. Iemand, die het altijd maar meeloopt, is op de duur zo overtuigd van eigen kunnen en weten, dat hij misschien juist hierdoor blind blijft voor aspecten van eigen persoonlijkheid en ook delen der wereld en zelfs het Goddelijke niet meer waarneemt. De mens, die voortdurend vechten moet om eigen waarde en waarheid in de gemeenschap tot uiting te brengen, zal, juist door die strijd, zijn eigen gebreken en mogelijkheden veel beter leren kennen. Zo iemand zal eigen persoonlijkheid beter kunnen omschrijven en ook beter beseffen, wat God voor hem is of kan betekenen. Hij zal zich een duidelijker beeld gaan maken, van wat het hogere voor hem mede zal moeten omvatten.

Het is eenvoudig genoeg, vast te stellen, dat strijd op de wereld steeds weer de schoksgewijs optredende vooruitgang bepaald. Daarvoor zijn vele voorbeelden te geven. Zo betekende de uitvinding van het buskruit niet alleen maar een nieuwe stof, maar teven het einde van een epoque en het begin van een geheel nieuwe maatschappelijke structuur. Op dezelfde wijze kan men stellen, dat de atoombom – en nu niet alleen in enkele landen, maar voor de gehele wereld – de situatie gewijzigd heeft, en nieuwe ontwikkelingen niet slechts noodzakelijk, naar ook onvermijdelijk gemaakt heeft.

Het resultaat is, dat de burgermaatschappij opeens anders gaat denken. Na de uitvinding van het buskruit zien wij niet alleen verschuivingen van macht in de maatschappij, maar ook het ontstaan van nieuwe kunstvormen, andere filosofieën, wetenschappelijke ontwikkelingen. Het gebruik van buskruit werd echter uit strijd en nood geboren. Wanneer wij nagaan, wat de atoombom betekent – product van strijd en angsten – zo zien wij niet alleen wetenschappelijk en technisch een zoeken naar andere nieuwe wegen en mogelijkheden, maar tevens een verandering van denken, een geestelijk en innerlijk zoeken, waarbij nieuwe filosofische beschouwingen en omwentelingen in de godsdienst ontstaan. Strijd en conflict is noodzakelijk voor de mens, omdat hij niet volmaakt is. Zolang er geen strijd is, zal men geneigd zijn voor zich een zekere volmaaktheid te stellen, en is geneigd al het andere terzijde te schuiven en handelt, of men het alles nu heus wel weet. Maar men weet het in feite niet. Men weet vaak werkelijk niet eens, wat leven betekent. Wie leeft zonder strijd, kent niet allen de intensiteit aan het bestaan niet, maar zal daarnaast voor geen tiende deel beseffen, van wat er zich in het eigen wezen afspeelt, zelfs indien men zichzelf hooggeestelijk bewust waant en uitroept, dat men het ego met al zijn geheimen en mogelijkheden doorgrond en erkent heeft.

Indien er sprake moet zijn van een verder gaan, van een jezelf beter leren kennen en ontwikkelen, is de strijd niet alleen nuttig, maar zelfs noodzakelijk en onvermijdelijk. Dit is een van de redenen, waarom wij strijd nimmer zonder meer mogen afwijzen en verwerpen. Wij hoeven geen strijd en geweld te aanvaarden of te scheppen, wanneer daartoe geen noodzaak bestaat. De aanvaarding van de strijd moet voortkomen uit de noodzaken buiten het ik en op basis van een zekere vrijwilligheid geschieden.

Maar niet strijden heeft consequenties, zoals ook de strijd gevolgen met zich brengt. De keuze alleen maakt het mogelijk te komen tot een bewust handelen. De erkenning van de strijd en haar gevolgen alleen schept een weg, waardoor men verder kan doordringen in persoonlijke waarden en mogelijkheden, zowel als tot een juister oordeel omtrent de wereld en de relatie ik – wereld te kunnen komen. De ervaring van het conflict zal onze visie zowel op het ego als op het Hogere sterker concretiseren.

Wanneer ik nu zeg, dat er een Marsjaar op komst is, zo meen ik daarmede niet, dat nu opeens een golf van agressiviteit de wereld zal gaan overspoelen. Trouwens, wat meer of minder agressie zal in deze tijd niet zo erg veel uitmaken. Wel wil ik erop wijzen, dat in het leven, in de maatschappij, en in de gehele geschiedenis van de mensheid de strijd zich als voor de ontwikkeling bijzonder belangrijk presenteert. En dit zal zij ook in het komende Marsjaar ongetwijfeld doen. De strijd is niet alleen maar de prikkelbaarheid, de onredelijkheid of zelfs maar het moedige conflict. Zij biedt zich de mens aan, zij rijst in de mens op, dat is waar. Maar om daarin en daarmede ook maar iets van belang te kunnen bereiken, zal de mens zich juist dan goed moeten realiseren, wat hij eigenlijk wil, wat hij in wezen is en kan.

Esoterie is in de eerste plaats wel een zoeken naar het werkelijk innerlijk ik, het ware ik. Het is een zoeken naar besef van innerlijke waarden en daardoor ook een begrip voor de kosmos, waarin je leeft, ja, uiteindelijk zelfs een zoeken naar de bron van waaruit die kosmos bestaat.

Welaan: Het geheel van een dergelijke strijdgolf, als het komende jaar brengen zal, moet wel gepaard gaan met nieuwe geestelijke zowel als materiële ontwikkelingen. Je kunt niet meer eenvoudig verder blijven gaan als tot nu toe.

Een dergelijke beslissende strijd zien wij ook in het persoonlijke leven van de mensen zo vaak optreden, en juist binnen de mens zelf zien wij dan beslissingen ontstaan, die voor het geheel van zijn verdere bewustwording van groot belang kunnen zijn. Wanneer wij over een Marsinvloed spreken, zo betekent dit niet, dat er overal nu sprake zal zijn van oorlogshandelingen. Het betekent evengoed, dat er sprake kan zijn van ruzies tussen man en vrouw, dat er conflicten kunnen komen met collega’s, of dat men zich aangevallen en gekwetst gaat gevoelen door iemand of zelfs alleen maar de wereld, die je in feite niet eens kent.

Het belangrijke bij dit alles is de persoonlijke reactie en daarbij geldt voor alles: Alleen door de tegenstellingen, door het persoonlijk deel hebben aan de strijd komen wij tot een juister begrip, tot een meeromvattend beseffen. Wat kan belangrijker zijn dan dit in de hemel of op aarde, ja, desnoods zelfs in de hel? Niets is belangrijker dan begrip, beseffen wat je bent. Beseffen ook, wat de wereld voor je betekent. Je zult niet zo snel beseffen, wet die wereld werkelijk is, dat geloof ik tenminste niet. Maar wat zij voor je betekent, kun je leren kennen en dit is m.i. alleen bereikbaar, wanneer zij voor jou een voortdurende confrontatie met het Ik betekent, wanneer er een voortdurende noodzaak is om stelling te nemen.

Zolang er geen noodzaak is om vanuit jezelf en voor jezelf stelling te hemen, kun je heerlijk door het leven heen sukkelen met een paar psalmen, een gebedje en wat heilige waarden. Dan kun je uit een leerboekje ergens half verstane leerstellingen opdreunen en menen, dat je reeds alle geheimen van de kosmos aan het ontsluieren bent. Maar als de werkelijkheid op je afkomt en je opeens staat tegenover de nuchtere noodzaak, jezelf te handhaven en te verdedigen, dan pas besef je, wat leven betekent. Dan besef je opeens, wat er in die psalmen en stellingen wel praktische waarde voor je heeft, wat iets voor je betekent. Dan besef je eerst waarlijk, of je gebed wel werkelijk een bidden is geweest of alleen maar het opzeggen van lege formules. Dan ga je begrijpen, dat in de occulte en esoterische leerstellingen dingen voorkomen, die voor jou absoluut niet van toepassing kunnen zijn. En je zult ook gaan begrijpen, wat voor jou krachtens innerlijke waarden en uiterlijke noodzaken wel geldt.

Daarom is strijd, is conflict in het leven belangrijk en noodzakelijk. Zelfs een conflict dat zich in het ik alleen afspeelt. Want ook de strijd in jezelf is lang niet altijd datgene, wat men pleegt te verheerlijken als de worsteling om een hoger bewustzijn. Het is maar al te vaak de strijd, waarbij je met jezelf vecht over de vraag, of je iets nu wel of niet zult kunnen en mogen doen of nalaten, het is een pogen voor jezelf aanvaardbaar te maken, dat je leeft, zoals je leeft – tenminste in vele gevallen. Ook hier dwingt het element strijd je op de duur, of je wilt of niet, tot een beslissing te komen. Je moet besluiten, of je iets wel dan wel niet zult doen. Of je een bepaalde wijze van handelen nog voort zult zetten of zult afbreken. M.a.w. ook hier brengt het conflict de noodzaak, zelfs innerlijk, om tenminste voor jezelf eindelijk eens duidelijke taal te spreken.

En wat kan er beter, waardevoller, geestelijk belangrijker zijn, dan een dergelijke benadering van de waarheid? Misschien ben je als mens geestelijk heel wat meer waard dan anderen en ook ‘in je beseffen’. Misschien zijn ook je pretenties van hoogverheven bestaan alleen maar een kille illusie, die sterven moet en ten onder gaan bij de eerste confrontatie met de feiten. Maar wanneer je weet, wat je bent, kun je weer verder gaan. Daarom geldt zeker ook in deze tijd; strijd is aanvaardbaar. Wij hoeven vanuit onszelf de strijd niet te zoeken. Zij zal vanzelf tot ons komen door de tegenstellingen, waarbinnen wij bestaan.

Zelfs voor de geest in de sferen bestaan de tegenstellingen en de strijd nog voort. Onze keuze, onze noodzaak tot zelferkenning, die daaruit steeds weer voortvloeit, onze noodzaak om te gaan streven in een bepaalde richting en alles, wat wij tot nu toe misschien hebben laten rusten of meenden te kunnen temporiseren, eindelijk eens aan te pakken, dat is groei, dat geeft bewustwording, dat wordt vergroting van bereiking en betekenis.

Waarmede ik wel het meest belangrijke over dit onderwerp gezegd heb, naar ik meen. In enkele oren is de term Marsjaar vast blijven kleven, zo sterk, dat het andere misschien niet eens meer door kon dringen. Daarom nogmaals: de term Marsjaar heeft niets met de planeet Mars van doen. Het is een aanduiding van bepaalde gebeurtenissen, een geesteshouding en mentaliteit, een prikkelbaarheid en strijdvaardigheid, die sterker is dan normaal. Deze waarden placht men wel aan Mars toe te schrijven. Vandaar dus het gebruik van deze aanduiding. Hopelijk zijn nu de gemoederen wat rustiger.

image_pdf