Ondergang en hergeboorte

Er zullen er onder u zijn die denken, dat wordt vast en zeker weer een potje reïncarnatie. Reïncarnatie speelt in dit onderwerp wel een rol, maar zeker niet de hoofdrol. Als we denken aan ondergang, dan is dat verdwijnen, teniet gaan. En als we het hebben over wedergeboorte, dan hebben we het in feite over her opstanding waarbij iets weer tot kracht en tot gelding komt. Maar let wel: het behoeft niet op precies dezelfde manier te zijn. Zet je dit nu uit in het gehele kosmisch gebeuren, dan kun je ongeveer zeggen: de gebeurtenissen ontwikkelen zich als een dubbele spiraal waarvan de krulletjes weer in krulletjes lopen en je tenslotte een gesloten cirkel krijgt of nog weer een naar het midden lopende spiraal die daaruit is opgebouwd. Nu is dit beeld zeker toepasselijk op een groot gedeelte van de verschijnselen.

In de historie zien we eveneens een soort kringloop. Het is niet zo, dat dezelfde situatie precies weer ontstaat. Neem bv. een rijk als China. Van 4000 v. Chr. tot 2500 V. Chr. is het eigenlijk een land in opbouw. Er volgt een hoogtepunt van ongeveer 1200 jaar waarin het land werkelijk een zeer hoge cultuur kent, misschien wel de hoogste sinds de Atlantische. Dan zien we dat land vervallen. Dat duurt ook ongeveer een kleine 2000 jaar en we zien dan nieuwe stimuli ontstaan. Er zijn vele wisselingen in het gouvernement. De Mantsjoe’ s komen aan bod. Voor die tijd zijn dat vaak de stammen uit het zuiden, uit de woestijngebieden, die een rol spelen. Maar alles bij elkaar zien we weer een hoogtepunt. Dat hoogtepunt voert weer tot een verstarring. In die verstarring zien we een schijnbare teruggang die begint ongeveer in 1800 en is voltooid in 1940. Na deze periode zien we langzaam maar zeker weer een opgang. Op dit ogenblik bevindt datzelfde China zich in een totaal nieuwe golf van ontwikkelingen waardoor het zijn belangrijkheid in de wereld aanmerkelijk vergroot en gelijktijdig zijn interne structuur wijzigt en tevens van een nieuwe belangrijkheid voorziet. Je zou kunnen zeggen: het is een soort kringloop.

Er zijn andere dingen waarin je dat ook kunt vinden. Je ziet dat er vele ontwikkelingen zijn waar de mens eigenlijk niet eens bij stilstaat, maar die een grote rol kunnen spelen, als je dit cyclisch onderzoek begint. Zo is het bekend dat vissers, die ongeveer 2000 v. Chr. leefden, ten dele ook in deze kustgebieden ofschoon toen de hele verhouding wel een beetje anders lag op het continent, de gewoonte hadden hun doden naar zee te brengen. In Zwitserland woonden in diezelfde tijd op paaldorpen ook vissers, die de gewoonte hadden hun doden op paalstellingen neer te leggen zoals we dat ook van de indianen horen. De bewoners van de Teutoonse gebieden (Duitsland) hebben weer de gewoonte om hun doden te begraven. U zult zeggen: sindsdien is er erg veel veranderd. Zeker, de kust is een tijd onbewoond geweest. We zien een totaal nieuwe ontwikkeling.

Er komen volksverhuizingen. Dan zien we de Vikingen de Noormannen: stammen die zich ook aan de zeevaart gaan wijden. En wat doen ze? Precies hetzelfde. Hun doden worden aan de zee toevertrouwd, alleen nu in boten. Het wonderlijke is, dat dit in het Nederlandse taalgebruik behouden is. Denkt u eens aan het begrip “uitvaart”. Als we het zo bekijken is het allemaal met elkaar vervlochten. Het ziet er veel heel anders uit, maar er zijn toch altijd weer vergelijkbare zaken te zien. Ik wil dit nu niet aan allerlei historische betogen gaan toetsen, dat lijkt me niet de moeite waard. Ook de problematiek van de mens is ongeveer vergelijkbaar. We hebben op het ogenblik die grote ellende in Indo ‑ China. Maar realiseert u zich wel dat een soortgelijke, zeer langdurige oorlog ook gewoed heeft hier in Midden ­- Europa? Die oorlog heeft ook ‑ als we alles bij elkaar rekenen – ongeveer een 120 jaar van heen en weer trekkende legers te zien gegeven, plunderingen enz.. Het einde daarvan was de z.g. 30‑jarige oorlog in Duitsland. Altijd weer, als je gaat onderzoeken, zie je vergelijkbaarheden en dan vraag je je af: hoe komt dat?

Hoe komt het, dat een bepaalde periode helemaal ten onder schijnt te gaan en dat we dan veel later in een, toch een vergelijkbare toestand, meestal zelfs in een gelijksoortige omgeving zien opbloeien? Het is moeilijk om daarvoor een verklaring te vinden, tenzij we uitgaan van de vele kosmische omstandigheden. Nu moet u zich daarover niet al te druk, maken, want het gaat altijd over tijdperken waarvan het kortste toch altijd nog 350 jaar is: een langere is ongeveer 720 jaar. En zo gaan we door: perioden van 2.000 jaar, perioden van 21.000 jaar. We hebben daarmee persoonlijk dus niet zo erg veel te maken. Maar als we die cycli nagaan, dan zeggen we: er is hier kennelijk iets aan de hand. Het schijnt, dat we een aantal invloeden doorlopen die steeds weer terugkeren. Alleen, de mensen zijn in die perioden anders. De cultuur, de ont­wikkelingen zijn anders, dus de reacties en de verschijnselen zullen wel af­wijkend zijn. Maar de invloeden, die optreden en vaak ook het eindresultaat zijn vergelijkbaar. Altijd weer zijn er perioden, die worden opgemerkt door het verdwijnen van iets en gelijktijdig door het opstaan van iets anders. De ene beschaving vergaat en een andere komt op. Soms is het zelfs van absorptie. Een van de mooiste voorbeelden van absorptie in uw geschiede­nis is, geloof ik, wel het Romeinse Rijk geweest.

Dit Romeinse Rijk, veel meer nog dan het Karolingse, heeft kans gezien om zeer oosterse culturen te absorberen. De Egyptische gebruiken bv., maar ook Egyptische kennis waren in Rome gangbaar. De Griekse wijsheid, het Griekse weten, het Griekse geloof, maar ook bepaalde Griekse trainingsmethoden voor het circus waar de mensen werden getraind volgens een z.g. Spartaans schema werden overgenomen. We, zien dat ze een deel van de Etruskische, maatschappij opbouw overnamen. We zien dat ze later zelfs uit de z.g. barbaarse gebieden allerlei gebruiken overnamen. Het is een rijk dat absorbeert en absorbeert en op een gegeven ogenblik tot stilstand komt. Dan kunnen we zeggen: Rome bestaat nog. Maar als we denken aan de begintijd van Rome, dan zien we een Italië dat te vergelijken is met de situatie, zoals die nu bestaat. En wonderlijk genoeg is die tussenruimte zo ongeveer 2.100 jaar, dus vergelijkbaar t.a.v. de omstandigheden.

In die tijd ontstond een omwenteling, toen een kleine groep zich meester maakte van de macht: vergelijkbaar met de opstand van de Garibaldisten. We zien dat daarna een dictator kwam vergelijkbaar met Mussolini. We zien dat daarna een Senaat werd gevormd: vergelijkbaar met de huidige periode. Het is waarlijk curieus! We weten dat het oude Rome grote last had met flatbouw en dat Sequinus Juventus een klacht deponeerde op het plein voor het Forum waarin hij de bouwheren ervan beschuldigde dat ze ondeugdelijke materialen hadden gebruikt, want een groot bouwwerk, dat net gereed was gekomen, was ingestort. Het lijkt wel, of men de krant van vandaag leest, vindt u niet? Al deze dingen tezamen zeggen mij: er is historisch een cyclische beweging. Maar als ik dat alleen voor de historie zeg, waar zijn we dan eigenlijk? We hebben een grote spiraal, goed. Maar de kleine spiraal staat dichter bij ons. Onze spiraal loopt voor de meeste mensen meestal in perioden van rond 33 jaar. In deze periode verandert er iets in je leven.

Maar helaas, voor een mens is het niet zo, dat het voor iedereen op zijn 33e levensjaar verandert. Bij sommigen namelijk begint die cyclus al te lopen voordat ze incarneren en dan kan het zijn dat die eerste verandering zelfs valt op het 12e, 13e levensjaar. We zien die periodiciteit inderdaad optreden. Ze gaat na de dood kennelijk door, anders zou die niet voor het begin van het stoffelijk leven aanwezig zijn. Er zijn veranderingen in een zeker ritme. Deze veranderingen betreffen niet zozeer de persoonlijkheid zelf als wel de condities waaronder de persoonlijkheid zich pleegt te uiten.

Soms lijkt het, of een mens eenvoudig verdwijnt, ten onder gaat. Hij gaat dood of hij verdwijnt gewoon. Denk bv. eens aan Gaugin, de schilder, die op een gegeven ogenblik naar Tahiti verdwijnt. Die man heeft een hele tijd geen contact meer met zijn medemensen. Zeker, hij komt dan nog in de buurt van Papeete en zo, maar hij heeft verder geen contact meer. Hij is a.h.w. verdwenen, ten onder gegaan. En ineens wordt hij herboren. Zijn kunstwerken komen terug. Ineens is er zelfs een nieuwe mode. Bij een mens kan dat gebeuren tijdens zijn leven. Hij verdwijnt gewoon en ergens anders begint hij opnieuw. Dat kan ook zo zijn bij een geest, die een lange tijd op een bepaalde manier heeft geleefd en gewerkt en die dan opeens verdwijnt: d.w.z. zich niet meer in die vorm manifesteert, maar dat op een andere manier doet. Ik zou hieruit ‑ aannemend dat het voor u enigszins aanvaardbaar is als inleiding – een aantal korte verklaringen willen destilleren.

In de eerste plaats: ofschoon geen vergelijkbaarheid in de details van ontwikkeling aanwezig is, kan ‑ gezien de wisselende invloeden op deze wereld ‑ wel worden aangenomen dat er een periodiciteit is waarin iets ontstaat, zich tot een hoogtepunt ontwikkelt en verdwijnt. Wij zien ditzelfde geheel zich na enige tijd wederom op gelijke wijze manifesteren: het is herboren.

In de tweede plaats: in het leven van elke mens zien wij ook een zekere periodiciteit optreden. Bepaalde invloeden herhalen zich steeds, ook als de mens door denken en reactie daar anders op zal reageren. Een mens wordt geboren, maar de periodiciteit is kennelijk niet aan het moment van geboorte gebonden. Dan moet worden aangenomen dat er een voorbestaan is waarin het voorafgaande deel van die periode op enigerlei wijze een rol heeft gespeeld. Dan kunnen we ook aannemen, dat na de dood een dergelijke periodiciteit zich zou kunnen voortzetten.

In de derde plaats: wanneer een mens in de stof leeft, ontwikkelt hij een persoonlijkheid. Het zou dwaas zijn aan te nemen, dat die persoonlijkheid verdwijnt. Het lijkt mij eveneens dwaas aan te nemen dat die persoonlijkheid aan het einde van een stoffelijk bestaan opeens een definitieve bestemming en ontwikkeling heeft gevonden waarin geen veranderingen meer voorkomen. Het zou te dwaas zijn om dat te geloven, vooral omdat in het menselijk geloof overal iets van wedergeboorte is terug te vinden, ook in het christendom wat dat betreft. Zelfs Jezus zegt: “Voor Abraham was, was ik.” Er zijn dus wel degelijk aanwijzingen dat ook hier een soort cyclisch bestaan denkbaar is. Laten we aannemen, dat een mens meermalen op de wereld kan leven… Dan zal dit voor een groot gedeelte afhankelijk zijn van zijn instelling.

Het lijkt misschien simpel als we zeggen: een bewuste geest zal snel incarneren en een niet‑bewuste geest zal dat veel minder snel doen. De praktijk wijst het tegendeel uit. Als we de gewone incarnatiecyclus nemen van iemand, die betrekkelijk weinig bewust is, dan blijkt dat doorgaans met een honderd jaar of zo wel voor elkaar te komen. Kijken we daarentegen naar de heel bewusten (en het gaat er niet om, of ze goed of kwaad zijn, wit of zwart), dan zien we perioden die kunnen oplopen tot 21.000 jaar. Er zijn mij echter geen cycli bekend van een langere duur: dat moet ik erbij zeggen. Hieruit zou ik willen afleiden, dat de incarnatie op aarde afhankelijk is van het menselijk bewustzijn.

Ik heb in het eerste gedeelte van mijn betoog al gezegd: Het is aannemelijk te maken dat een mens in zijn leven bepaalde periodieke beïnvloedingen ondergaat. Beïnvloedingen, die ook voor het stoffelijk leven en na de dood verder gaan. Nu lijkt mij het volgende het geval te zijn.

Op het ogenblik, dat een mens zo bewust is dat hij boven deze invloeden staat, dat hij ze erkent, maar ze kan inpassen in zijn totale wezen, zal hij veel minder behoefte hebben tot incarnatie dan iemand, die door die invloe­den wordt beheerst. Indien iemand in staat is die invloeden geheel terzijde te schuiven, zou hij nooit meer behoeven te incarneren. Maar al die veranderingen hebben toch een cumulatief effect: op den duur zijn er zoveel wijzigingen gekomen in je beleven en ervaren dat je een­voudig niet meer op dezelfde manier kunt blijven bestaan. Een uitbreiding van je bewustzijn is de enige mogelijkheid. Maar als je die mogelijkheid op dat moment niet hebt, moet je de geestelijke wereld verlaten en herboren wor­den op aarde. Ik zou daarom willen pleiten voor de aannemelijkheid van een geboorte op aarde, wanneer datgene wat je bent en bent geweest op aarde teniet is gedaan, althans voor zover het de materie betreft.

Ik geloof, dat we daar verder nog aan toe moeten voegen dat slechts in uitzonderingsgevallen een hergeboorte zal plaatsvinden vóórdat de residuen, die het bestaan van een mens op de wereld heeft achtergelaten, verdwenen zijn. Zou hij voor die tijd incarneren, dan zal dit gewoonlijk zo plaatsvinden dat contacten met een vorig bestaan op aarde niet of nauwelijks te maken zijn. Nu heb ik in mijn betoog ook nog een tweede kleine menselijke spiraal. Die menselijke spiraal zegt natuurlijk ook niet alles. Laten we eens kijken wat we voor zonderlinge verschijnselen op deze wereld kunnen zien. Neem een eenvoudig voorbeeld:

Er zijn in Nederland kort achter elkaar twee burgemeesters overleden. De kans is heel groot dat een derde burgemeester eveneens heengaat en dat binnen afzienbare tijd. Waarom? Men zegt dan: alle goede dingen bestaan uit drie: wat nogal hatelijk lijkt. Je zou het ook anders kunnen uitdrukken. Bepaalde invloeden treffen mensen in vergelijkbare omstandigheden op een vergelijkbare wijze. Nu zijn we ineens heel ergens anders gekomen. Dan hebben we niet meer te maken met de mens en de beïnvloeding die hij ondergaat. We hebben een schakel gevonden tussen een maatschappelijke situatie en een persoonlijke beïnvloeding, die een ondergang ten gevolge kan hebben. Laat mij dit nu nog iets uitbreiden: In praktisch dezelfde tijd blijken opeens ongeveer 15 verschillende atoomreactoren door fouten te zijn uitgeschakeld. De meeste zijn trouwens alweer in dienst. Dat is nog niet zo lang geleden gebeurd. Toch zijn ze niet alle van hetzelfde systeem. Ze werken niet alle onder gelijke condi­ties. Ten laatste moet worden opgemerkt: de belasting van deze reactoren is nogal verschillend. Hoe komt het dat in een periode bij zoveel reactoren fouten optreden? Hoe komt het dat van die fouten 9 van de 10 praktisch in het circulatie­systeem liggen?

En – om een eindje verder te gaan ‑ hoe komt het dat gelijktijdig plotseling overal wateroverlast gaat optreden? (sneeuwval zie ik ook als wateroverlast). Dan sta ik hier voor het verschijnsel: ergens is een kringloop niet in orde. Maar als die kringloop nu gestoord lijkt in het klimaat, gestoord is in opvallende dingen zoals reactoren en ongetwijfeld ook elders een rol zal spelen ‑ misschien in verstopping van riolen, putten e.d. – dan is het toch wel dwaas te zeggen dat dit nu toeval is. De kans namelijk dat zoveel reactoren (t.a.v. het bestaande aantal is het bijna de helft) in een betrekkelijk korte periode vergelijkbare storingen vertonen, is eigenlijk maar heel erg klein: die is zeker geen 50 %. We moeten dan zeggen met een beetje kansberekening: Dit is meer dan toevallig, dat er riolen niet in orde zijn, leidingen verstopt zijn en dat soort dingen. Nu ja, dat komt overal regelmatig voor. Maar als dit nu plotseling op vele plaatsen gelijktijdig gaat optreden, als bovendien overal de normale klimatologische neerslag in de war schijnt te raken doordat hier een droogteperiode en daar een overmatige vochtigheidsperiode ontstaat buiten de normale seizoenstendens om, is dat dan nog toeval of moeten we spreken over een invloed?

We zien soms plotseling rijken verdwijnen zonder dat we weten waarom. In een enkel geval denken we dat we een uitleg kunnen geven. Bijvoorbeeld: het rijk van de Inca’s. De Inca’s vinden we erg belangrijk, ofschoon ze hoogstens een kaste waren en eigenlijk in de gehele beschavingsgeschiedenis geen belangrijke rol speelden. Dat volk ging teniet doordat de Conquistadores kwamen. Maar dat is niet aannemelijk. We hadden hier te maken met een zeer groot en zeer goed geregeerd rijk, met voor die tijd ongelooflijk snelle verbindingen, met een zeer grote legermacht, met zeer grote materialen en voedselreserves, wonend in een land waarvan de verdediging, zeker tegen de niet daaraan gewende Europeanen, zonder meer mogelijk moest zijn. Waarom hebben zij zich niet verdedigd? Ja, zeggen we dan, ze geloofden dat zij goden waren. Maar hoe kwamen zij daarbij? Ja, lang geleden zijn de Chinezen daar eens geland. Dat is een mooie verklaring. We kunnen aantonen dat het misschien waarschijnlijk is. Maar hoe komt het dan dat dit rijk van de ene dag op de andere verdwijnt? En hoe komt het dat wij ergens de achtergrond van hun denken in deze dagen zien herontstaan? Er moet een verklaring voor zijn. Dat kun je niet zo maar wegcijferen. En wat dat betreft, er zijn zoveel van die verloren beschavingen.

Denkt u eens aan de vereerders van de Maangodin, die aan de oostkust van Afrika hebben geleefd. Ze hadden steden, een hele beschaving, een grote cultuur. En ineens …. ft weg! Hoe is dat gebeurd? Waarom? Zeer waarschijnlijk hebben de Impi’s (Kafferstam) daarbij een rol gespeeld. Er moet een aanleiding voor geweest zijn. Maar hoe moet ik nu verklaren, dat bepaalde dingen welke in die tijd bestonden ‑ negatieve en positieve ‑ nu in Afrika weer opleven? Het lijkt een wonder dat er plotseling een stukje van het denken en leven van Zimbabwe herontstaat in deze tijd. Dat is niet te verklaren met de grote cycli. Dat kan alleen maar, als er kleine cyclische invloeden zijn, kleinere tendensen die een bijzondere rol spelen.

Dat die tendensen in de gehele wereld niet gelijktijdig optreden, ach, dat kunnen we weer aan andere dingen zien. Neem nu bv. de griep. Een doodgewoon iets. Wanneer u hier een griepgolf krijgt, dan is het bijna zeker dat die golf van het oosten naar het westen gaat. Het is bijna zeker dat drie maanden vóór of drie maanden nadat West‑Europa wordt getroffen de Ver. Staten eveneens zo’n soort epidemische griep doormaken. Van andere landen kun je het niet zo zeggen. Een Rus is uit propagandaoogmerk nooit verkouden. En als het wel zo is, hoor je er niet veel van. Maar soms hoor je dat zelfs daar de hele zaak een epidemisch karakter krijgt.

Ga nu eens kijken naar andere dingen. Op een gegeven ogenblik zien we plotseling een golf van hartcollapsen plaatshebben. En het wonderlijke is, dat die niet alleen beperkt blijven tot het hoog beschaafde en naar men zegt hartvervette Westen, maar dat diezelfde golf van hartcollapsen ook in Aziatische landen voorkomt waar de mensen meestal heus niet zoveel te eten heb­ben. Datzelfde komt ook voor in landen als Afrika en Zuid‑Amerika waar ook meer hongerlijders dan rijken zijn. Hoe wilt u dat verklaren? Ik zei u al dat er tendensen zijn, die met een bepaald ritme de aarde omspoelen. En omdat we zien dat ze nooit gelijktijdig in de hele wereld op­treden, maar altijd achtereenvolgens en meestal in een ontwikkeling van oost naar west, zouden we moeten aannemen dat er golven van buitenaf komen.

Nu zou ik dit willen stellen, het is voor u om er eens over na te denken.­ Er zijn invloeden uit de kosmos – welke, dat laten we even buiten beschouwing ‑ die soms de aarde treffen en daardoor de ondergang van bepaal­de soorten mensen, van bepaalde ontwikkelingen of soorten van ontwikkelin­gen tot gevolg hebben. Het schijnt een selectief vernietigend proces te zijn dat alleen door verandering kan worden tegengehouden. Tevens zien wij dat soortgelijke golven plotseling vindingrijkheid aan de mens brengen en daarmee verandering in zijn techniek, maar evengoed in zijn filosofisch denken, in zijn benadering van het leven, van de mores. Laten we nu eens aannemen dat deze invloeden niet willekeurig ontstaan, maar dat ze deel zijn van een vast patroon, dan ontwikkelt zich het volgende beeld: De gebeurtenissen op aarde zijn onderworpen aan een voortdurende conditionering van niet‑aardse oorsprong waardoor ontwikkelingen ontstaan, bepaalde zaken teniet gaan, andere worden geboren of herontstaan. Dit betekent voor de mens dat zijn bewustzijn, zijn vindingrijkheid, voortdurend op de proef wordt gesteld. Hij moet zich zowel in zijn lichamelijk vermogen en weerstand als ook in zijn mentaal vermogen en zelfs in zijn geestelijke vermogens steeds weer aanpassen aan nieuwe condities.

Ik stel:

  1. Dit is een continue ontwikkeling waaraan de mensheid is onderworpen zoals vele andere volkeren in de kosmos daaraan onderworpen zijn.
  2. Naast deze geringe invloeden, die slechts een deel van de aarde treffen of achtereenvolgens de verschillende delen van de aarde beroeren, zijn er invloeden waar de aarde a.h.w. binnendrijft en daarin wordt ge­baad. Deze invloeden treden eveneens cyclisch op. Ook deze bezitten een zekere vergelijkbaarheid: ze vernietigen zaken en ze doen oude zaken soms herontstaan. Deze invloeden, die de gehele aarde gelijktijdig beroe­ren, zijn natuurlijk veel moeilijker te herkennen. Maar het blijkt wel dat daarin een bepaalde mentaliteit van de mensen overheerst en dat er ge­lijktijdig bepaalde mutatie noodzaken bij het lagere leven ontstaan. Waar die mutaties niet plaatsvinden, gaan soorten in betrekkelijk korte tijd te gronde.
  3. Er zijn grote kosmische golven waarin de wereld eveneens wordt ge­conditioneerd. Hierdoor wordt de wereld geplaatst voor de noodzaak van een continue aanpassing, wat impliceert dat in haar relatie tot de zon in alle fasen van het bestaan van de aarde aangepast leven zich op aar­de zou kunnen ontwikkelen en zich zou kunnen handhaven.
  4. Gezien het feit dat dit zuiver stoffelijk het geval is, lijkt het mij dwaas aan te nemen dat dit geestelijk niet eveneens bestaat: dat er geen geestelijke invloeden kunnen bestaan, die voor alle bewust leven dus ook voor de mensheid ‑ een soortgelijke werking hebben.

Ik stel verder: in ons bewustzijn is er een periode dat sommige waarden zich snel ontwikkelen, en voor ons leven, denken en gevoel een zeer grote belangrijkheid gewinnen. In een daarop volgende fase zullen ze eenvoudig verdwijnen, ze gaan ten onder. De verschijnselen en belevingen die ons eens kostbaar waren, zijn er niet meer. De mogelijkheden waarop we eens als vanzelfsprekend durfden rekenen, vertonen zich niet meer. Maar er ontstaan andere mogelijkheden, andere noodzaken, andere ontwikkelingen, totdat er een punt komt waarop het oude herontstaat. En dan heb ik misschien een wat stoute theorie: als wij dit kunnen zien als een continue ontwikkeling, dan betekent elk berei­ken van een eens teniet gegane periode of invloed een vergrote achtergrond van bewustzijn van degene die daarin wordt geplaatst. Het betekent dat elk hernieuwd beleven van een oude invloed de synthese bevat van een totale ontwikkeling. Dit impliceert, dat wij bij gelijke invloed tot een voortdurend juistere en betere interpretatie van het geheel kunnen komen, totdat wij ons kunnen losmaken van het geheel van deze beïnvloeding.

We komen nog even terug op de incarnatiecyclus.

Sterven is voor de doorsnee-mens onvermijdelijk. Ik zeg de “doorsnee”‑mens. Er zijn gevallen bekend waarin men de dood een zeer lange tijd heeft kunnen uitstellen. Dat men tenslotte gestorven is, kwam omdat men het wil­de en niet omdat men moest. Er zijn ook gevallen bekend van personen, die op de een of andere wonderlijke wijze verdwenen zijn en kennelijk nog hebben voortgeleefd. Er zijn profeten, als Ezechiël, die met een vurige wagen ten hemel rijden etc..

Als we stellen, dat de dood voor de doorsnee‑mens onvermijdelijk is, dan moeten we ook stellen dat in het geheel van zijn bewustzijnscyclus de ondergang van zijn stoffelijke vorm eigenlijk noodzakelijk is en voor hem onvermijdelijk. Maar dan moeten we daar ook de conclusie aan verbinden dat een bewustzijn waarin deze ondergang onvermijdelijk is meer moet bevatten dan die ondergang alleen. Dat betekent een herontstaan van de persoonlijkheid, maar nu ontdaan van alle stoffelijke elementen, en de mogelijkheid om ook stoffelijk opnieuw te bestaan, echter met geheel nieuwe stoffelijke elementen waarin de oude inhoud op een andere wijze geuit en getest kan worden. Wij beschouwen dit als een ontwikkeling.

Is het een ontwikkeling? We kunnen het nooit met zekerheid zeggen. Zelfs als we het hebben over het leven en over de mensheid, dan bezien we maar een heel klein gedeelte daarvan alleen met het bewustzijn, dat wij op een bepaald ogenblik bezitten. Wij herleiden alles tot termen, die voor ons hanteerbaar zijn en verwaarlozen alles wat er niet in past. We stellen maar eenvoudig een geleidelijkheid, ofschoon kan worden aangetoond dat die lang niet altijd bestaat. Het is dus niet mogelijk te zeggen: incarnatie is een noodzaak, een cyclus zonder meer. Wij kunnen alleen zeggen: het verschijnsel van de hergeboorte is onweerlegbaar één van de facetten die in het leven een rol spelen. Wij kunnen ook niet zeggen: ondergang is voor de geest uitgesloten. We weten dat er geesten zijn die zover gaan in de ontkenning van niet aanvaardbare waarden in hun bestaan, dat ze op den duur hun eigen bestaan ontkennen. We weten dat een dergelijke entiteit zichzelf brengt in een toestand van totale amnesie, een algeheel vergeten van hetgeen hij is geweest. Op dat moment wordt hij weer gevangen in de normale ontwikkelingsgang en herontstaat dus als een persoonlijkheid waarin veel van de oude waarden geïntegreerd zijn, maar waarin wonderlijk genoeg veel van de oude bezwaren, tegenstellingen en remmingen zijn weggevallen. Ook hier is dus wel degelijk sprake van een hergeboorte. Al deze dingen bij elkaar brengen voor mij de eindthese:

Het geheel van het Al is opgebouwd uit de ondergang van voor het “ik” kenbare verschijnselen en waarden en de hergeboorte daarin in een nieuwe gedaante. De gehele historie, de gehele kosmische wording en ondergang zo goed als het geheel van ons bestaan beantwoorden aan deze regel.

Er zijn bepaalde cyclische verschijnselen aan te wijzen die van toepassing blijken op al het ons bekende. Dat wil niet zeggen dat dit een juiste verklaring is. Het is slechts onze meest juiste rationalisatie van hetgeen voor ons kenbaar is. Wij maken echter deel uit van een wereld, die voortdurend voor ons teniet gaat en wordt herboren.

Wij leven in een bestaan waarin werelden elkaar afwisselen, schijnbaar elkaar verdringend, maar gelijktijdig toch een veelheid van die werelden onze werkelijkheid blijft vormen. Wij leven inderdaad in die dubbele spiraal waarin de grote invloeden uit de kosmos en de kleine invloeden die we zelf in een menselijk leven kunnen ondergaan een rol spelen, maar het geheel een kringloop blijft. Een kringloop die m.i. pas wordt begrepen, indien wij uit het geheel van de ervaringen de consequentie kunnen trekken van een bestaan dat niet aan een vorm of norm te binden is. Een bestaan dat niet alleen op en manier uitdrukbaar is, maar dat in een erkenning van zijn grote veelzijdigheid nieuwe dimensies gewint en dan zich onttrekt aan de persoonlijke gebondenheid aan de tijdsrang (de ontwikkelingsgang) en daarvoor in de plaats wederom de synthese stelt: het besef van het gehele “ik” de zinrijkheid van het gehele bestaan, alle fasen en werelden mede omvattend en zo de erkenning van zijn eigen bron waaruit tenslotte toch deze beweging, dit leven en ook deze synthese mogelijk moeten zijn.

Eindconclusie:

We leven in een eeuwigheid of we het willen toegeven of niet. We leven in een totaliteit, ook als wij menen dat die niet tot uiting komt, omdat ze steeds verandert. Wat wij zijn en wat wij denken is voor ons belangrijk. En juist door de eenzijdigheid waarmee wij ons altijd oriënteren zijn we ontvankelijk voor invloeden, komen we tot belevingen, komen we tot verwerping en aanvaarding, komen we tot angst en vreugde, kennen we hemel en hel. Maar laten we ons van één ding bewust zijn. Als er één kracht is waaruit alles is voortgekomen, dan kan er geen duister zijn, dat niet deel is van het licht. Wie beseft, dat het wezen van licht en duister gelijk is, hij zal noch door het licht noch door het duister worden gekweld, maar hij zal slechts de eenheid met het geheel aanvaarden, ongeacht de manier waarop het zich nu rond hem schijnt te manifesteren. Wij leven in een wereld van schijn. Wij zien de cycli zich afwikkelen, soms over vele eeuwen, soms in betrekkelijk korte pulseringen. Wij zijn ergens gevangen in de dubbele spiraal, die een oneindigheid van herhalingen schijnt te betekenen waarin ons bewustzijn probeert te ontsnappen naar een werkelijkheid. Maar die gevangenschap verdwijnt zodra we beseffen dat die spiraal deel is van het geheel, dat ze niet afzonderlijk is of geen begrenzing ervan.

Het werkelijke rijk van licht en kracht, het werkelijke rijk van betekenis dat verborgen is in al het zijnde, ook in de mens, is het enig werkelijke. Wij leven naar die werkelijkheid toe. Eerst trachtend onszelf te zien zoals we zijn. Dan trachtend de wereld te beseffen, zoals ze is. Beseffend zonder enige aarzeling hoe we verbonden zijn met het geheel van de kosmos. Belevend hoe al het, zijnde in ons zich uit, zoals ons bestaan zich uit in al het zijnde, hoe onbelangrijk we ook zijn. Bedenk, dat we onbelangrijk zijn als een korrel zand op het pad van de zee. Maar bedenk ook, dat als die zandkorrels er niet zouden zijn, er geen strand zou zijn, de zee anders zou breken en het lot van vele levende wezens anders zou zijn. Daarom is een korrel zand belangrijk. We zijn als één druppel water in een oceaan. Wie zal die druppel ooit nog terugvinden? En toch, uit vele druppels is de oceaan samengesteld.

Er is een lichtende werkelijkheid, we zijn een deel daarvan. En uit al deze delen met hun eenzijdigheid is de openbaring van die werkelijkheid opgebouwd. Het is een deel van de openbaring. Indien wij die openbaring leren aanvaarden, smelten de grenzen weg. Dan zijn we misschien nog een druppel, maar we zijn ook oceaan. Dan zijn we misschien nog strand wetend:­ eigenlijk ben ik een zandkorrel. Misschien zijn we kosmos wetend: ik ben slechts het bewustzijn van een mens, die voor een ogenblik het geheel aanvaardt waarvan hij in een beperkte uiting deel is.

Het leven is een kosmische gang. U zult overgaan. U zult stijgen door sferen totdat u de ogen sluit en niets meer wilt weten en sluimerend misschien gaat door het grootste licht om neer te dalen. U zult misschien afdalen in het duister, u afsluitend voor het leven dat uit het duister opstijgt en weer alle vormen van leven kent. Wie zal het zeggen. Maar die kringloop is één geheel. Niet wat u nu bent zoudt u “ik” mogen noemen, maar alleen dat geheel dat het hoogste licht en het duister samenvat en bewust het aanvaardend en belevend en de eenheid beseffend bereikt u tenslotte. Daarvan ben ik overtuigd.

Laten we daarom niet bang zijn voor die wonderlijke cyclische invloeden uit de kosmos geestelijke en anderszins die de aarde bereiken. Laten we niet bang zijn voor al die invloeden die in ons leven optreden. Laten we zelfs niet terugwijken voor de angsten die in ons bestaan. En laten we in een vredige aanvaarding van al dit zijn proberen onze eenheid met het Al te beseffen. En door deze te beseffen meer de verwezenlijking te worden van een werkelijkheid die in ons die rond ons bestaat, maar waarvoor we zolang gesloten bleven.