Onderwijs, ontwikkeling en verandering

image_pdf

21 november 1986

Aan het begin van deze avond moet ik u er op attent maken, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Denkt u dus zelf na.

Ons onderwerp is onderwijs, ontwikkeling en verandering. Sta mij toe te beginnen met een lichte kritiek op de huidige toestand van het onderwijs. Het zal u duidelijk zijn dat alles, ook onderwijs, dient te evolueren. Maar je mag daarbij, meen ik, de functie van het onderwijs niet uit het oog verliezen.

In deze tijd zegt men: Wij moeten de persoonlijkheid van de kinderen ontwikkelen. Dat is iets wat duizenden jaren de kinderen zelf hebben gedaan. En als je de resultaten ziet, krijg je het gevoel, dat de deskundigen van deze tijd meer hebben verknoeid dan goed gemaakt. Aan de andere kant is bv. de taal een van de belangrijkste communicatiemiddelen waarover een mens kan beschikken. De beheersing van die taal is verwaarloosd. Men heeft niet meer het juiste gevoel en weet zich over het algemeen niet voldoende uit te drukken, zonder gelijktijdig platvloersheden te verkondigen.

Rekenen doet men per computer. Maar als je eens geen batterij hebt en je kunt 2 en 2 niet meer optellen, dan lijkt mij ook dit geen groot voordeel. Anders gezegd: Ik heb kritiek op het huidige onderwijs en ben van mening, dat zowel het onderwijzend personeel als de leerlingen in vele opzichten tekort schieten. Niet misschien t.a.v. de eisen die men stelt bij de deskundigen, maar t.a.v. de menselijke eisen die worden gesteld t.a.v. aanpassing in de maatschappij, het verwerven van de noodzakelijke achtergronden en informatie en het leren beheersen van bepaalde vakken.

De vraag is: Op welke wijze moet je het aanpakken? Het probleem van tegenwoordig: het gezellig in een kringetje zitten, waarbij dan over het algemeen toch de aandacht van de onderwijzer op het geheel gericht moet blijven, omdat de leerlingen niet voldoende zelfbeheersing hebben om zich op eigen houtje bezig te houden met de verdere ontwikkeling van hun geest of hun mentale inhoud.

Dit betekent, dat de huidige vorm van onderwijs niet bevredigend is. Dat is ook doorgedrongen tot wat men dan de hogere (ambtelijke) kring pleegt te noemen. Het gevolg is geweest: een ontstellend aantal reorganisaties. Daarbij is men uitgegaan van steeds grotere scholen, steeds juistere verdeling en steeds meer gepraat zowel met de ouders, met de kinderen als ook van het onderwijzend personeel onderling, dat vaak zelfs één, twee soms, zelfs drie vergaderingen de maand heeft, als het niet meer is. Veel van die tijd wordt verkeerd besteed.

Steeds komen er nieuwe aanwijzingen voor de manier waarop het onderricht moet geschieden. Dit betekent dat de leermiddelen steeds weer tekort schieten. Men beschikt niet tijdig over de materialen die nodig zijn om de voorgeschreven systemen te volgen. Wat kun je daar tegenover zetten? Het ouderwetse onderwijs met 40 kinderen in de klas, met opdreunen van tafels van vermenigvuldiging en dergelijke zaken, afgewisseld door dictee of met een geluid dat zingen heette, is natuurlijk niet aan te bevelen. Ik geloof ook niet dat het past in de ontwikkeling van deze tijd.

Maar het is nodig dat de nadruk komt te liggen op basiskennis. Dat wil zeggen: er moet eerst een algemeen leertakenpakket worden vastgesteld. Dit pakket moet zodanig ingedeeld zijn, dat het nuttig door eenieder is te volgen, mits iedereen een mogelijkheid krijgt om op eigen manier verder te werken.

U kent misschien het Daltonsysteem. Een systeem, waarbij de leerling zelf taak na taak, dus steeds kleine delen, afwerkt en dit in zijn eigen tempo en volgens zijn eigen vermogens. Waarbij degenen, die dat nodig hebben, ook van het toezichthoudend personeel persoonlijk nader onderwijs kunnen krijgen, nadere aanwijzingen en correcties. Ik acht dit een zeer goede benadering. Maar het houdt ook in, dat er een onderscheid moet zijn. Een onderscheid van de verschillende stadia waarin de leerling verkeert voordat hij ten slotte nolens volens op de maatschappij wordt losgelaten.

Men heeft het niet-overgaan afgeschaft. Ach, het is zo erg voor de kinderen, zei men. Maar het betekent wel, dat elke volgende klas komt te zitten met kinderen, die niet in staat zijn de leerstof voor die klas te beheersen. Ik geloof niet dat je een dergelijk systeem kunt handhaven zonder de mogelijkheden voor de betere leerlingen aanmerkelijk slechter te maken en gelijktijdig door de onverschilligheid bij velen van de studerenden groter te maken.

Er zou dus een systeem moeten zijn. In het begin zal het erg moeilijk vallen om een dergelijk systeem te ontwerpen en ermee te werken. De eerste veranderingen van het onderwijs zullen ongetwijfeld gekenmerkt worden door verschillende pogingen tot verdere centralisatie. Maar hoe groter de school, hoe verder de afstand tussen onderwijzend personeel en leerling. Je kunt wel proberen het op te heffen, maar in een zo grote veelheid heb je die mogelijkheid niet.

Toezicht op de leerlingen is in dergelijke grote scholen in veel mindere mate mogelijk. En gezien de gevaarlijke tendensen van deze tijd (ik wil nu niet zeggen alleen stikkies roken en zo, maar al die uitdagingen tot heroïne toe en lopende van vervette patat tot gevulde koeken toe), daar kan de leerling eenvoudig niet aan ontkomen. In die centralisatie zal men proberen ordening te brengen door een steeds groter gedeelte van het onderwijs te computeriseren. Het al beginnen met leercomputers die gebruikt worden allereerst in de wat hogere scholen (klassen), later ook in het lager onderwijs. Hierdoor heeft de leerling een eigen bezigheid. Maar het nadeel is, dat hij zeker in het huidige stadium wordt geconfronteerd met ja – neen vragen.

Andere vragen die je zou kunnen stellen zijn o.m.: Kan een kind van een computer leren? Indien het spelelement daarin bewaard kan blijven (het behoort, bij alle leren enigszins aanwezig te zijn en zo dit niet mogelijk is wel een beloningselement, dat doe je bij elke dierdressuur en ook bij kinderen), dan meen ik, dat de verbetenheid waarmee vele jongeren zich op computerspelen hebben geworpen een aanwijzing is voor de binding die tussen kind en computer kan ontstaan. Daardoor wordt het ook mogelijk een veel meer persoonlijk onderricht te geven en blijft voor het onderwijzend personeel veel meer mogelijkheid over om degenen, die voortdurend falen, wat bij te werken.

Wanneer men zo ver is gekomen, dan ontdekt men dat te grote klassen vaak nadelig zijn, ook met het wisselen van een lokaal, omdat hier de computer staat voor de taal en daar eentje voor historie of wat anders. Dan zal men zeggen: wij moeten terug naar kleinere scholen. De oplossing daarvoor is op het ogenblik nog niet denkbaar, maar de centrale computer zou daar ongetwijfeld uitkomst kunnen brengen.

Een van de grootste feilen van een dergelijke ontwikkeling, gezien vanuit het huidige stadium, is het ontbreken van daarvoor geschikt onderwijzend personeel. Dat houdt in, dat zeker het jonge onderwijzend personeel voortdurend moet worden nageschoold. Daarnaast moet men begrijpen, dat de school geen belang heeft en niet belangrijk is voor het verbreiden van godsdienst, sociale inzichten, politieke overtuiging; iets wat op het ogenblik helaas wel het geval is. Er zijn scholen, vaak de betere scholen op het ogenblik, die bv. uitgaan van de bijbel, die met gebed en gezang de bijeenkomst openen en die als enig voordeel hebben, dat ze een striktere ordening weten te handhaven, waardoor de onderwijsresultaten beter zijn dan van materieel gezien gelijkgestelde of zelfs beter verzorgde openbare scholen.

Godsdienst is wat het kind in zijn gezin, in zijn gemeenschap moet leren. Het is niet een kwestie van het doceren van geboden, het dreigen met allerlei helse straffen. Het kind moet gewoon zien wat een godsdienst is. Hij moet er a.h.w. in opgroeien, maar tijdig voor zichzelf daar een motivering in vinden voor zijn leven. Bij streng godsdienstonderricht is de werking helaas bijna tegengesteld.

Een ander probleem van deze tijd is de vraag: In hoeverre mag en moet men sociale voorlichting geven op de scholen? Welke soort van seksualiteit mag belicht worden? Ik zou zeggen: dat is een taak die toch bij het gezin terechtkomt. Daarnaast heb je de biologie, waarin ongetwijfeld mogelijk is het een en ander over de seksualiteit en de werkingen daarvan, maar niet noodzakelijkerwijs over de praxis ervan, uit te beelden en eventueel te kennen te geven. Als je verder bedenkt dat goed christendom, socialisme en goed kapitalisme in feite op dezelfde basis berusten, dan heeft het weinig zin om de mens te confronteren met de schurken van kapitalisme of met die idioten van socialisten. Voor jonge kinderen is dat zeker belangrijk. Ze moeten leren de hele wereld te zien aan de hand van de prestaties ervan, datgene wat kenbaar wordt en niet aan de hand van allerlei theorieën. Want theorieën worden veel verkondigd en soms zodanig tot heiligdom verheven, dat gehele regeringen worden gestimuleerd door illusiebeelden, die nimmer waar te maken zijn. Ook hier dus een beperking van datgene wat onderwezen wordt.

Ik kan mij voorstellen dat het voor kinderen weinig belangrijk is te weten wie Karel de Kale was en hoeveel Lodewijken er in Frankrijk hebben geregeerd. Een overzicht, ja. Een overzicht van de wreedheden die er zijn gebeurd als ze onpartijdig worden gegeven t.a.v. de laatste wereldoorlog, vind ik op zich niet verwerpelijk; mits men daarbij geen schuldvraag aansnijdt. Dat kan een kind in zijn eigen omgeving leren. De school moet zich beperken tot haar wezenlijke taak; en dat is een mens die bereid is zich in te zetten om kennis te verwerven, daartoe de mogelijkheid te geven en wel op zodanige wijze dat die persoon met die kennis in de gemeenschap ook betekenis heeft.

Wat dat betreft denk ik ook aan universitair onderwijs. Universiteiten gaan, of ze willen of niet, langzaam maar zeker een richting uit, waarin het meer gaat om de massaproductie van studenten dan van afgestudeerden en waarbij het verdere wetenschappelijk onderzoek eigenlijk steeds meer wordt achtergesteld bij de persoonlijke belangen van docenten of de meningen van hen, die zich verwaardigen aan deze instellingen te studeren. Dat is natuurlijk onzin. Ik geloof, dat de eisen van de docerenden vaak te hoog worden gesteld.

Ik meen daarnaast dat de opvatting van studie als een recht door vele studenten niet wordt aangevuld met studie als een plicht. Toch zien wij de laatste tijd, dat studie in de hoger onderwijsinrichtingen (niet alleen universiteiten) door vele leerlingen veel ernstiger wordt opgetrokken. Dat is begrijpelijk. Je leert ten slotte op school, je werkt, zeker als je eenmaal 15, 16 of ouder bent, om je een plaats te verwerven in de maatschappij. Degene die er het snelst bij is, heeft de beste kansen. Maar dat houdt ook in, dat je niets hebt aan mensen, die een studie waarvoor – laat ons zeggen – 5 jaar wordt gevraagd, weten te volbrengen na veel smachten en veel subsidies in 12 jaar.

Er zijn wat dat betreft vele opmerkingen te maken. Ik vind het bv. krankzinnig dat overbevolking in het Westen, nog steeds om religieuze opvattingen te sparen, wordt gesubsidieerd. De mensen weten zelf wat ze doen, laten ze er ook zelf voor zorgen. Dat de kinderen recht hebben op goed onderwijs, ja. Wil je hun goede voeding geven, geef schoolvoeding, anders gaat het toch maar weg aan de TV of de auto van Pa. Het is misschien hatelijk. Dat weet ik wel.

Maar het kind moet beseffen, dat het functioneert in de maatschappij waarin zijn eigen gedrag en prestatie mee bepalend zijn voor de rechten, die het in die maatschappij zal genieten. Dat is dan pijnlijk voor degenen die zeggen: Ja, maar wij schieten op een gegeven punt tekort. Mijn antwoord is: Iedereen heeft iets waarin hij goed is. Zoek datgene waarin je goed bent, wijd je leven er aan en je kunt iets bereiken.

Als u mij een lichte afwijking toestaat: Ik geloof ook dat wij moeten voorkomen dat er opeenstapelingen van eigendommen bestaat. Rijkdom geeft namelijk het denkbeeld dat geld macht betekent en dat macht het recht inhoudt om de rechten van anderen te bruuskeren of zelfs volledig te vergeten. Juist in de opvoeding kun je kinderen duidelijk maken, dat het samenspel van rechten en plichten niet berust op wat je ermee verdient, maar op wat je er mee bent.

Verder zou een vak als warenkennis nuttig zijn. Opdat de kinderen niet zoals de verbruikers heden ten dage door een heel mooi uitgevoerde verpakking worden verleid tot het kopen van een product tegen een veel te hoge prijs, terwijl ze een beter product tegen een veel lagere prijs kunnen krijgen. Ze zullen zich evenmin laten verleiden om een auto te kopen omdat die goedgekeurd is door de vereniging van huisvrouwen of zoiets.

Werken in de wereld betekent: kunnen leven in de wereld. Wat zijn de systemen die tegenwoordig steeds meer opgang maken? Denkt u maar aan de creditcards. Kinderen moeten leren met een creditcard te kopen, maar gelijktijdig daarna datzelfde bedrag in kontanten uit te tellen, zodat ze de samenhang niet vergeten tussen dit schijnbaar onuitputtelijk plechtige betaalmiddel en datgene wat er aan arbeid of zakgeld tegenover staat.

Ik kan mij voorstellen, dat daarnaast ook in de toekomst onderricht wordt gegeven in het gebruik van vervoersmiddelen. Dan denk ik niet aan onderricht in bv. het besturen van een auto, ofschoon dat gezien de huidige ontwikkelingen op bepaalde hogere scholen gewenst zou zijn, maar daarnaast ook begrip voor het functioneren van en de mogelijkheden van bv. openbaar vervoer. Enige kennis van de vervoerswetten, zowel nationaal als internationaal.

Aardrijkskunde zou niet alleen maar gebaseerd moeten zijn op de bekende rijtjes van vroeger of de tegenwoordig veel meer voorkomende besprekingen van al datgene wat er in verschillende landen aan politiek bestaat en wat er aan grondstoffen wordt uitgevoerd. Als ze ook vertellen wat de staatslieden uitvoeren, zou het misschien iets beter zijn. Maar wat die uitvoeren, weet je meestal pas als het te laat is. Aardrijkskunde zou moeten inhouden: kennis van klimaatverhoudingen, enig begrip voor topografie, dus de verschillende soorten grond en landschap, die we per land kunnen aantreffen. Enig begrip voor export en import van dergelijke landen misschien; daarnaast echter – en dat vooral – de specifieke kwaliteiten van de bevolking. Want elk land heeft toch een eigen landaard.

Ik geloof, dat je om anderen te begrijpen een zekere basiskennis moet bezitten omtrent het gebied, waar ze wonen en omtrent de algemene karakteristieken, die toch in hun moederland de maatschappij bepalen.

U ziet dus dat het onderwijs langzaam maar zeker een andere kant moet uitgaan. Ik heb tot nu toe vooral veranderingen aangestipt en niet over wezenlijke vernieuwingen veel gezegd. Maar kun je onderwijs vernieuwen? Je moet kiezen. In een complexe maatschappij heeft het kind basiskennis nodig, die het niet zonder meer spelenderwijs van ouders en omgeving kan opnemen. In een simpele maatschappij gaat dat wel. Daar is het zgn. overleveringsonderricht in feite de meest belangrijke factor. De kinderen leren van hetgeen de volwassenen doen en in het spel imiteren ze dit, zodat ze zich vaardigheden verwerven. Dat is, meen ik, in deze dagen minder mogelijk.

Maar waarom zou men niet als een vernieuwing van onderwijs al die dingen mogelijk maken die voor jongeren erg belangrijk zijn? Laat ze niet alleen één lokaaltje hebben om met gitaren te loeien en daar kreten van “baby, baby” bij te brullen, maar maak ze ook duidelijk hoe de instrumenten in elkaar zitten. Leer ze zo nodig zelf de versterker daarvoor te bouwen. Als de jongens en meisjes met motorfietsen en bromfietsen wil leren rondsnorren, best. Maar geef ze dan een plaats, waarin ze niet alleen het instrumentarium maar ook de begeleiding vinden, waardoor ze leren onderdelen zo nodig zelf te maken. Zelf precies te weten waarom ze de motor zo moeten afstellen. Dat zijn de dingen die belangrijk zijn.

Wat meer is: deze elementen kunnen voor een deel vrijetijdsbesteding worden. Want in feite is ongeveer de helft van de vrijetijdsbesteding een bewust of onbewust leerproces, al dan niet gepaard gaande met lichamelijke inspanning. In een maatschappij, waarin de bevolkingsaantallen langzaam maar zeker gaan teruglopen, waarin luxeproductie en basisproductie in feite verdergaan dan de vraag aanvaardbaar maakt, zullen we op het spelelement de nadruk leggen in de toekomst. Je moet de kinderen niet leren hoe te spelen. Dat moet aan hun eigen fantasie, hun eigen afstelling worden overgelaten. Maar je moet ze wel de mogelijkheid geven hun fantasieën eventueel aan de werkelijkheid te toetsen. Datgene, waar ze belang in stellen niet alleen maar een beetje en zelf te doen, maar zelf werkende en de hulp van deskundigen naast zich wetend ook te presteren.

Ik vermoed dat er heel veel beroepen zullen verdwijnen, omdat steeds meer mensen zullen leren op de juiste wijze voor zichzelf te zorgen. Dat houdt in dat in die spelende maatschappij kunstvorm en handwerk een voortdurend belangrijkere factor worden. De scholen moeten basiskennis geven, maar ze zouden kunnen worden uitgebreid met een annex, waarin vrijwillig allerlei mogelijkheden van musiceren, van het maken van dingen, kunstzinnige uitdrukking van beelden en dergelijke door de kinderen zelf kunnen worden bestudeerd en benaderd.

De dwang is betrekkelijk groot. Toch dient een leerprogramma ook in de toekomst te worden afgewerkt binnen een bepaald stadium, omdat het kind namelijk ongeveer tussen het 5e levensjaar en het 14e jaar het grootste absorptievermogen heeft. Het kan dan onnoemelijk veel feiten in korte tijd in zich opslaan, mits er een voldoende belangstelling voor die feiten bestaat. Daarvan zal men ook in de toekomst gebruik maken. Dat houdt in dat het zwaartepunt van de hogere scholen in de toekomst zal verschuiven naar lagere scholen, zelfs naar punten, die op het ogenblik nog onder kleuteronderwijs worden gerangschikt.

Het houdt verder in dat men een leerkracht niet meer gaat verwarren met een administratieve kracht. Ik weet niet of de terminologie in de laatste tijd veranderd is. In mijn tijd spraken wij van “het hoofd.” Het hoofd was dan een soort duizendpoot, die moest zorgen dat alle dingen tijdig werden besteld. Die moest zorgen dat de gehele school redelijk functioneerde. Die een leerplan moest uitdelen en eventueel wijzigingen moest goedkeuren, keuring geven en al wat dies meer zij. Daarnaast moest hij dan nog correspondentie voeren met zijn opdrachtgevers; dat zou in de huidige tijd dan zijn met de instanties.

Dat lijkt mij moeilijker dan in mijn tijd, want van een kerkraad of zoiets kreeg je dan nog snel antwoord. Van ministeries schijnt het moeilijker te zijn. Waarom zou men dergelijke taken niet opdragen aan iemand die daarin gespecialiseerd is? Geen onderwijzer als ‘hoofd’, maar een administrateur als ‘hoofd’, die echter geen zeggenschap heeft over datgene wat aan onderwijs wordt gegeven, anders dan het verbreiden van aanwijzingen of verzoeken, die van bovenaf eventueel een school bereiken. Beslissingen over de wijze waarop dit wordt uitgevoerd, zou moeten liggen in een Raad van Leraren of eventueel worden bepaald door een van het onderwijs gevend personeel die daartoe door anderen is uitgekozen.

Scholen hebben de neiging om langzaam maar zeker steeds verder in te grijpen in het particuliere leven en denken van de mensen. Ze beseffen het zelf niet. Maar schoolreisjes bv. met kinderen (ik heb gehoord dat ze zelfs naar Parijs gaan) zijn natuurlijk wel aardig, maar hebben ze werkelijk zoveel opvoedkundige waarde? Ik geloof dat het beter zou zijn om gelegenheden te scheppen, en dan in dit geval vanuit een centraal punt, waarbij leerlingen onderling (stel eventueel een minimum aantal) bezoeken kunnen brengen aan steden in het buitenland als het nodig is, maar ook in het binnenland. En bovenal, elke school moet de gelegenheid geven voor godsdienstig onderwijs of een ander soort onderricht dat door de ouders gewenst wordt, maar buiten het normale schoolcurriculum om.

Nu heeft u het allemaal gehoord en dan zegt u: Waar moet het dan naar toe? Ja, dat weet ik eigenlijk ook niet. Want ik heb zo langzamerhand het idee, dat punthoofden proberen een kemel door de naald te krijgen door de kinderen wijsheid te verschaffen, zonder ze daar ook op enigerlei wijze onder te laten lijden of door te beperken. Het is helaas niet mogelijk. En dat betekent dat er heel veel schoolhoofden met waterhoofden rondlopen, omdat ze de gegevens moeten vervalsen om hun school er toch gunstig uit te laten komen. Als u het niet met mij eens bent, kunt u het na de pauze zeggen, dan kunnen wij erover discussiëren.

Een belangrijk punt van elk leven is de geestelijke ontwikkeling. En dan bedoel ik die ontwikkeling, die niet alleen met logica te maken heeft, maar waarin geloof, mystiek, aanvoelingsvermogen, sentimenten wel degelijk een rol spelen. Maar dit is een zuiver persoonlijke zaak. Je kunt dergelijke dingen niet normeren. Het is niet moeilijk om de gevoelens van de mensen gelijk te richten. Je kunt alleen een gelijk gerichtheid van hun uiting afdwingen, maar daardoor gelijktijdig voor henzelf een toestand doen ontstaan, die zowel voor de geestelijke ontwikkeling, als vaak voor de graagte waarmee zij in het sociaal geheel een rol spelen, aanmerkelijk aantasten. Wat wij nodig hebben is de mogelijkheid om kennis te nemen.

Ik zou willen voorstellen dat degenen die daarvoor interesse hebben, vooral de wat oudere kinderen, de gelegenheid krijgen om even goed naar een islamitische godsdienstoefening, een katholieke, gereformeerde, hervormde, een joodse of wat je hebben wilt te gaan en er kennis van te nemen. Want als je de kans niet krijgt om anderen te leren kennen, dan krijg je een verkeerd beeld van ze. Waarom probeer je wel de kinderen inzicht te geven door schoolconcerten te organiseren, waarbij ze dan de instrumenten kunnen leren kennen en waardering voor de klassieke muziek? Vergeet het maar, het wordt toch bebop of zoiets. Waarom dan wel? Waarom wel speciaal stukjes? Waarom ook voor de kinderen een soort cabaret, een soort variété? Om ze daar kennis mee te laten maken, ontspanningspunten, gelijktijdig te verwaarlozen wat toch heel erg belangrijk is: het denken van anderen, rituelen van anderen, de gevoelens, het geloof van anderen.

Ik denk dat een maatschappij die ten slotte – en dat moet ze wel anders gaat ze ten gronde – door een steeds grotere eenheid probeert te komen op elk terrein, dit terrein niet kan verwaarlozen. Ik vermoed, dat in plaats van het bezoek aan musea, het bezoek aan anders denkenden, anders levende mensen, in de toekomst een grote rol gaat spelen. Want een wereld die verder moet gaan met het huidige systeem, gaat ten onder. Zolang je nog afweegt of winst en gevaar voor anderen misschien in balans zijn, ben je al verkeerd ingelicht, kijk je verkeerd.

Denkt u maar eens aan wat in Bazel is gebeurd bijvoorbeeld. Het is onverantwoordelijk. Laten we wel stellen, dat het niet alleen gaat om één vergiftigingsgolf in de Rijn. Waarom binnen 2 jaren 17 verschillende ongelukken, waarbij hetzij in de atmosfeer, hetzij in de wateren schadelijke stoffen vrij kwamen, waarvan iedereen weet dat ze voor mensen, vee, vis en planten zelfs schadelijk of dodelijk zijn. Maar dan zegt men: Ons bedrijf moet draaien, wij moeten winst maken.

Uit dezelfde overwegingen heeft men elders geprobeerd om bv. vliegtuigen in de lucht te houden, terwijl men wist dat ze voor herziening al lang in aanmerking kwamen. Op dezelfde grondslagen heeft men bv. lanceringen willen doorzetten in de Verenigde Staten, omdat een bepaald project winstgevend, rendabel moest zijn. Dat men daarbij niet alleen maar de gezondheid van de mensen of het leven van de mensen die mee gingen op het spel zette, maar daarnaast de economische gezondheid, niet alleen van de onderneming maar zelfs van de Staat, die dan toch maar een paar miljard moest ophoesten, daar wordt niet over gedacht.

Men moet leren beseffen, dat zowel geestelijk als materieel er een evenwicht dient te zijn. Je kunt geen risico’s nemen, die anderen voor jou moeten lopen. Je kunt alleen risico nemen als je die zelf aanvaardt. Als anderen dan eventueel dat met je willen delen, dan is dat hun recht. Maar ze moeten weten dat dat risico bestaat.

Ik geloof ook dat grotere openheid erg belangrijk is. Maar hoe kun je mensen bewegen tot een leven, waarin eerlijkheid en openheid belangrijker zijn dan leugens, gemakzucht en al die andere dingen? Op het ogenblik is dat bijna onmogelijk. Maar als je de mensen gaat leren dat waarheid het meest belangrijke is en niet de voorstelling die er aan wordt verbonden, dat feiten belangrijk zijn, zowel innerlijke als uiterlijke, en dat men persoonlijk daaruit en daardoor dient te leven, dan komen we terecht bij wat men noemt geestelijke bewustwording, uitbreiding van het vermogen om de werkelijkheid te overzien, en gelijktijdig en daardoor het vermogen in het delen van die werkelijkheid, ons veel intenser verbonden te voelen dan nu over het algemeen het geval is.

Ik denk, dat ik daarmee toch een richting aangeef die – zij het niet direct – in onderwijsvoorschriften, in de opvoeding in de komende tijd van groot belang zal zijn. Hoe lang het zal duren dat dit alles wordt gerealiseerd? Ik weet het niet. Het is duidelijk dat de enorme egocentrische en vaak ook egoïstische houding van degenen die het voor het zeggen hebben op dit terrein, nog heel wat hinderpalen zal veroorzaken. Pas als ze gaan bemerken dat zonder dit een maatschappij niet meer kan blijven draaien zoals ze doet, dat alles uiteen valt in steeds kleinere gemeenschappen, die vanuit zich weer tegen iedereen gaan vechten, zoals het in de meest primitieve tijden kort na de rampen van Atlantis het geval is geweest, dan zullen zij, hoe aarzelend dan ook, naar eerlijkheid grijpen. Ook als hun eigen eerlijkheid daarbij zeker niet de grootste zal zijn, of zelfs maar zal beantwoorden aan datgene wat ze anderen prediken.

De verandering van het onderwijs is een aanpassing aan het mens-zijn in plaats van het beschikken over de functionele, sociale of feitenkennis, waardoor je binnen een gemeenschap zoals men zich die voorstelt als een nuttig lid zal kunnen functioneren, zonder daarbij te beseffen hoeveel van de waarheid, van de werkelijkheid je daarbij over boord moet gooien. Dat is de grootste verandering, wat ontwikkeling betreft: de technische mogelijkheden nemen steeds toe. Er zijn op het ogenblik, zelfs in Japan, al computers ontwikkeld, die niet alleen een leerprogramma geven en correcties verschaffen, maar die daarnaast gedragsobservaties doen en dus ook nog een oordeel over de student en de wenselijkheid van een aanpassing van de instructeurs kunnen geven. Ik geloof dat dit de meest juiste weg is. Want iemand die een computer programmeert, doet dit anoniem. Hij is niet verbonden met de mensen. Het heeft te maken met kennisgebied. Een feedbackcomputer die daarnaast een beoordeling kan geven aan de hand van aarzelingen, houding e.d. zou een aanpassing op volledig juiste en eerlijke basis mogelijk kunnen maken, als mensen niet het systeem verdraaien.

Dit zijn de belangrijkste factoren in de onderwijsvernieuwing. Ik wil nogmaals nadrukkelijk stellen, dat de huidige chaos van voortdurend veranderende benaderingen van het onderwijs geen werkelijke vernieuwing betekenen, maar in feite eerder een schade betekenen voor de verdere ontwikkelingen, zowel van de leerlingen als voor de ontplooiing van het lesgevend personeel.

Vragen

  • Hoelang zal het duren voordat de vernieuwingen ingevoerd zijn? Ondervinden de leraren van de vernieuwde methoden dezelfde moeilijkheden als vroeger de geleerden in de Middeleeuwen?

Als u het mij vraagt zal waarschijnlijk de computerisering van het onderwijs binnen 10 à 15 jaar reeds hebben plaatsgehad voor een groot gedeelte. Het volledige proces zal waarschijnlijk na ongeveer 80 jaar volledig beëindigd zijn: ongeveer in het jaar  2060.

Als we kijken naar de moeilijkheden voor het onderwijzend personeel, dan kan ik alleen maar zeggen: De aanpassing zal moeilijk zijn, omdat men moet afstappen van allerlei gewoontetjes. Zeker zal men ook, vooral in het begin, het gevoel hebben dat men in scholen toch nog meer aan zelfstandige beslissingsmogelijkheden moet inboeten tot men geleerd heeft het nieuwe systeem op de juiste wijze te hanteren.

Een vergelijking met de moeilijkheden van de geleerden in de Middeleeuwen geloof ik niet te mogen veronderstellen. Het is heel duidelijk: voor de geleerden in de Middeleeuwen was de moeilijkheid de kerkelijke opvatting, waardoor in wezen alles werd teruggedrongen wat vernieuwing zou zijn. Op dit ogenblik zitten we echter in een situatie, waardoor alles op de wereld in feite de noodzaak van vernieuwing inziet en alle orthodoxie door de feiten voortdurend wordt gecorrigeerd. Wat dit betreft zullen de moeilijkheden dus aanmerkelijk kleiner zijn.

De grootste moeilijkheden voor het onderwijzend personeel voorzie ik dan ook vooral bij diegenen, die in de laatste 15 jaar ongeveer onderwijzer zijn geworden en een akte hebben gehaald en die dus niet genoten hebben van een volledig juiste opleiding als onderwijzer, onderwijzeres. Voor hen zal het moeilijker worden, omdat ze zelf weer hevig aan het studeren moeten gaan om op gelijke voet met hun leerlingen in het leerproces een rol te kunnen spelen.

  • Is een goede en inhoudelijke opleiding van leraren niet de basis en voorwaarde voor goed onderwijs aan kinderen en hoe moet deze er volgens u uitzien? Hoe kan dit systeem worden gerealiseerd?

Het systeem zou volgens mij moeten uitgaan van:

  1. parate kennis en een betrekkelijk klein aantal leervakken. Dus niet allerlei leuke vakken erbij, zoals sociale opvoeding of iets dergelijks. Dat zijn dingen die mij een beetje zeeziek maken als ik ze uitspreek. Als ik verder denk:
  2. het moet een zeer gedegen opleiding zijn. Bijvoorbeeld: ontleding van de taal moet volledig geleerd en beheerst worden. Datzelfde geldt voor rekenen, voor andere vakken, geometrie e.d. Al deze dingen moeten beheerst worden en dus niet alleen – wat tegenwoordig algemeen het geval is – dat men een zekere basiskennis bezit en voor de rest zich er dan wel doorheen slaat door eventueel naslagwerken te raadplegen.

Daarnaast zou men op deze scholen veel minder moeten praten over dingen die niet direct met het onderwijs samenhangen. En zou de sociale bewogenheid die in de kweekscholen, die tegenwoordig pedagogische academie heten, soms ten onrechte, eigenlijk buiten het curriculum moeten vallen en moeten behoren tot de gezelligheidsbezigheden, niet tot het leerplan.

Ik geloof dat je dan verder moet uitgaan van het standpunt, dat alle weten en kennis neutraal moet worden verkondigd, niet omdat je er zelf geen houding tegenover kunt hebben, maar omdat deze dingen in het onderwijs alleen maar schadelijk zijn, omdat ze vorming van het kinderlijk denken ten gevolge kunnen hebben.

Ten laatste zou ik als zeer belangrijk willen stellen: Dat – en dit geldt niet alleen voor degenen die studeren, maar zeker ook voor degenen die zich in de scholen bevinden – het belangrijkste onderricht gegeven wordt op het 5e, 6e, 7e levensjaar volgens de huidige mening van de leerprogramma’s. Wanneer die kinderen dan een zekere discipline en een zekere leervreugde kunnen ervaren – en dat vergt zeer bekwaam personeel – dan zal het handhaven van de orde en het voortzetten van een redelijk goed leergedrag, in de hogere klassen vanzelfsprekend worden. Ik weet niet hoe het tegenwoordig gaat, maar ik herinner mij uit oudere tijden, dat men juist in de eerste en tweede klas heel vaak een kwekeling zette, omdat de juf of de meester die er normaal was, beter in een hogere klas gebruikt kon worden. Ik zou pleiten voor het omgekeerde.

Een kwekeling voor de 5e klas leert eindelijk eens beseffen in hoeverre hij nog tekort schiet. Hij leert dus nog van zijn leerlingen en gelijktijdig leren de leerlingen toch het optreden van hun normale onderwijzer/es beter waarderen. Neemt u mij niet kwalijk, dit is een notitie mijnerzijds bijgevoegd.

  • Is het niet zo dat de geestelijke, de psychische gezondheid van de leerkrachten optimaal en bewust beleefd moeten zijn en verband met projectie van probleem-emoties naar de wereld?

Dat ben ik tot op zekere hoogte met u eens. Je kunt echter geen normen stellen voor deze geestelijke gezondheid, omdat een meetbaarheid niet volledig bestaat op menselijk vlak. Maar: het is duidelijk dat onzekerheden en problemen bij het onderwijzend personeel tijdens het onderricht geprojecteerd worden naar de kinderen, die hun gedragingen daaraan aanpassen, wat vaak een opzweping ten gevolge heeft, die bij de onderwijskracht dan tot een lichte vorm van hysterie aanleiding geeft, als het al niet erger wordt.

Je zou dus inderdaad volledig ontspannen naar het werk moeten gaan en in staat moeten zijn je problemen buiten te laten. Als onderwijskrachten op de juiste wijze worden opgevoed, dan zullen ze leren hoe belangrijk dit is. En dan zullen ze daar waarschijnlijk – niet in alle, maar in de meeste gevallen – toch baat bij kunnen hebben.

  • Zijn heel veel zogenaamde neurosen niet door de hedendaagse leer- en opvoedingssystemen ontstaan?

Dat ben ik volledig met u eens, ofschoon dit een eenzijdig en ook mijn eigen standpunt is. Ik ben ervan overtuigd, dat het huidige leersysteem plus de onvolledigheid van mogelijkheden van vele leerkrachten neerkomen op het welig uitzaaien van neuroosjes door de gehele wereld.

  • In Japan geldt al jaren het systeem dat men geen klassen doubleert, niet op de lagere sch00l, hoger onderwijs of universiteit. In het bedrijfsleven komen deze mensen vrij hoog na bewezen capaciteit. Wat is hier slecht aan?

U kunt Japan en het Japanse onderwijs niet vergelijken met het Nederlandse onderwijs. In Japan is er namelijk ook bij het kind een enorme prestatiedrang. Door deze prestatiedrang krijgt men een veel intenser streven om aan de normen te beantwoorden, dan wat dat betreft in Nederland, Duitsland, België of Engeland kan worden verwacht.

Verder wil ik opmerken, dat degenen, die op school niet doende gemotiveerd konden worden, heel vaak sterk gemotiveerd kunnen worden door zijn eigen belang of door de dingen waarin ze wel opgaan. Het is dan ook geen wonder, dat vele stommelingen op school later een betere baan krijgen, dan hun zeer geleerde ontwikkelaars ooit hebben verwacht.

  • Hoe is in het algemeen de motivatie van de leerlingen te verbeteren?

Dat is afhankelijk van de school waarop je zit en de streek waarin die gelegen is natuurlijk. Ik meen, dat de motivatie belangrijk gestimuleerd kan worden door:

  1. de mogelijkheid er iets aan te doen. Je moet de kinderen duidelijk maken, dat wat je hen leert ook betekenis heeft, dat je er iets mee kunt doen.
  2. ik meen dat de motivering aanmerkelijk verbeterd kan worden, als er een beloning aan vastzit, zij het een beloning in grotere erkenning, ook door de klasgenoten. De grote moeilijkheid op het ogenblik is, dat in de meeste klassen de belhamel door zijn medeleerlingen het meest wordt gewaardeerd en eventueel gesteund.

Misschien zou het goed zijn om aan de pedagogische academies kunsten als jiu jitsu e.d. te onderwijzen, opdat zelfs de meest frêle leermeester in staat is de grootste bullebak te vloeren, belachelijk te maken en daardoor gelijktijdig respect en aanhankelijkheid van de andere leerlingen te winnen. Ook deze boute uitspraak komt voor mijn eigen rekening.

  • Hoe denkt u over een verplicht aantal leerjaren?

Ik acht dat niet helemaal juist. Ik zou willen spreken over een  verplichte leerprestatie. M.a.w. het bewijsbaar verworven hebben van een bepaalde hoeveelheid kennis. Ik zou geen aantal leerjaren verplicht willen stellen, omdat je in een dergelijk systeem de vlugge geesten altijd bindt aan de vooruitgang van de zwaksten

Wanneer ieder echter – ik heb dat in mijn vooruitzien naar een nieuw systeem aangeduid, ik heb het Daltononderwijs als een niet volledig juist voorbeeld aangehaald, dan krijgen we te maken met mensen, die de leerstof zich eigen kunnen maken en daarmee kunnen bewijzen: ik ben wat en ik kan wat. Ik gel00f, dat het dan heel wat beter is, dat iemand mijnentwege op zijn 12e jaar naar de universiteit kan gaan, dan dat iemand met alle geweld moet blijven hangen tot hij de leeftijd heeft bereikt waarop uiteindelijk dit zeer geleerde en oude instituut de leerling meent te mogen toelaten als beginnend studiosus.

  • De kern van de logica ligt o.a. in de basis van de computertaal, de zgn. machinetaal. Hoe denkt u over de toepassing van het lesgeven in rekenen met het binaire en volgende talstelsels als hoofdrekenmethode?

Op dit ogenblik lijkt mij dit te ingewikkeld te zijn. Je zou eerst op de normale manier (met het 10-delig stelsel) moeten leren rekenen. Maar wanneer je in een hogere klasse bent, lijkt dit mij gezien de ontwikkelingen in de maatschappij zeker niet kwaad om de kinderen ook met de binaire taal te confronteren en hen te leren, dat je ook daarmee kunt rekenen en zelfs bepaalde algebraïsche en andere problemen kunt stellen en oplossen.

Een begrip voor de computer zou namelijk in de komende periode wel eens kunnen betekenen, dat men zich veel gemakkelijker kan bewegen in een bedrijfsleven en misschien ook in scholing en zelfs in godsdienst, neem ik aan, waarin de computer een steeds groter aandeel krijgt en een begrip voor deze apparatuur en de mogelijkheid om ze te hanteren steeds belangrijker wordt.

  • Wat is beter, een autoritair of anti-autoritair leersysteem en welke rol moeten leerlingen spelen bij het kiezen van het leersysteem?

De leerling staat onder het gezag van zijn ouders, van andere autoriteiten en ten slotte ook van de Staat. Dezen zeggen dat hij moet leren. Dat is een autoritaire beslissing. Bij een dergelijke autoritaire beslissing meen ik dat een autoritair leersysteem het beste past. De enige andere oplossing, die ik mij kan denken, is het verplicht een aantal uren per dag verblijven in een ruimte met anderen, waarbij de gelegenheid tot leren wordt geboden; maar dat het enige toezicht dat er is, zich beperkt tot het voorkomen dat men elkaar doodslaat. Deze onderlinge opvoeding zal dan over het algemeen meer evenwichtige en beheerster mensen produceren dan een autoritair systeem. Dat ben ik met u eens.

Aan de andere kant: dergelijke wezens passen niet in de huidige maatschappij, waar men nu eenmaal geacht wordt niet te vragen aan een politicus die een toespraak houdt: Lieg je nu of ben je eerlijk?

  • Voorstanders van niet-autoritaire opvoeding willen zoveel mogelijk gezag van ouders en leraren afschaffen of miniseren op wat huishoudelijke regels na. Tegenstanders stellen: Ja, dat is mooi, maar dan moet je ook goed vinden dat kinderen tegen je zeggen: Sufferd, jij weet er niets van. Maar het is toch de feitelijke waarheid, dat de ouders het ook niet weten?

Ongetwijfeld. Maar ook degenen die het voorstaan weten van niets. Die zijn dus ook sufferds. U moet het anders stellen. Hier wordt nu zeer algemeen gepraat over: “zou het beter zijn” en dan zou ik zeggen: Als de maatschappij dat toelaat, ja. Maar wanneer u leeft in een autoritaire samenlevingen – en dat doet u – wanneer uw economie, uw sociaal stelsel op autoriteit zijn gebaseerd, is een dergelijke opvoeding gelijktijdig het kind ongeschikt maken voor de maatschappij. Ik geloof niet dat je dat kunt verantwoorden, omdat je daarmee dan de kinderen in een probleemsituatie brengt, die ze zoals kinderen zijn, zeer radicaal zullen proberen op te lossen, maar die zeer waarschijnlijk of een vlucht uit de maatschappij ten gevolge heeft of een gewelddadig verzet tegen die maatschappij.

  • Waarom brengen ze dan geen veranderingen in die maatschappij?

Dat is heel eenvoudig: omdat tegenover de autoriteit die ontkend wordt geen mogelijkheid van verweer bestaat, tenzij je jezelf een autoriteit aanmatigt. Maar die autoriteit kun je in de maatschappij weer niet waarmaken, tenzij je naar middelen grijpt, die in zichzelf destructief zijn.

  • Heeft de toch ietwat non-autoritaire benadering, die Krishnamurti voorstond, kans van slagen? Zullen zijn scholen, zoals in India en Amerika en ook in Engeland gesticht, door blijven gaan, ook al zijn ze misschien voor enkelen, althans niet voor iedereen, geschikt?

Die scholen zullen nog wel enige tijd blijven bestaan, daar ben ik zeker van. In India zullen ze waarschijnlijk een groot succes hebben, ze passen bij de daar heersende mentaliteit veel beter, dan bv. in de Verenigde Staten, waar ze al heel snel zullen veranderen in een wat exclusief leerprogramma, dat toch wel betere zakelijke mogelijkheden moet gaan bieden. Wat Engeland betreft, ik geloof dat in Engeland ze het toch uiteindelijk zullen moeten afleggen tegen The Old School daar, die daar zo belangrijk is, dat je er eigenlijk beter op een goede school geweest kunt zijn en dat je er wat geleerd kunt hebben.

  • Al die bijzondere scholen, kinderen gaan zich maar bevoorrecht voelen, is het niet veel beter ze allemaal bij elkaar op een openbare school te zetten? Het vrijheidsstreven eigen aan Aquarius laat anderzijds juist verscheidenheid toe. Graag uw commentaar.

Alle kinderen samenbrengen op een openbare school is onzin, omdat openbare scholen door de wijze waarop zij ambtelijk en dus niet direct pedagogisch bewust worden gedirigeerd over het algemeen een verminderde mate van juistheid in onderwijs en uiteindelijk leerprestaties opleveren. Het zijn de bijzondere scholen die eruit springen, juist omdat zij zich in vele opzichten toch wat vrijer voelen t.a.v. de ambtelijke voorschriften.

Daarom hebben de bijzondere scholen in feite meer leermogelijkheden en vaak uiteindelijk een betere totale leerprestatie dan van een openbare school verwacht kan worden.

Ik geloof, dat je het bijzondere onderwijs niet kunt afschaffen. Maar je kunt wel er voor zorgen, dat het bijzondere onderwijs ofwel zich beperkt tot de leernorm die algemeen maatschappelijk belangrijk wordt geacht, dan wel dit uitbreiden met eigen opvattingen dan ook zelf voor de volledige kosten van die opvoeding hoe dan ook opkomt.

En ik geloof, dat in Aquarius ook wat bijzondere en openbare scholen betreft zal gelden, wat men nu nog niet overal wil geloven, namelijk dat de vervuiler betaalt.

  • Hoe worden de paranormale gevoeligheden die meer gaan ontstaan ook binnen het onderwijs opgevangen?

Ik geloof niet dat ze binnen het onderwijs op te vangen zijn. Een leersysteem, dat zich bezig houdt met een aanpassing aan de huidige maatschappij moet gebaseerd zijn op logica. Er moeten dus logische samenhangen in zijn en voor emoties is er eigenlijk maar zeer beperkt ruimte.

Paranormale kwaliteiten zijn voor een groot gedeelte a-logisch en verder emotioneel bepaald. Het wil dus zeggen, dat je daar geen onderricht in kunt geven. Maar men zal wel ontwikkelingsinstituten kunnen stichten. Er zijn er in verschillende grote staten op het ogenblik al waarin iemand die deze kwaliteiten heeft en ze verder wil ontwikkelen, de mogelijkheid krijgt enige tijd een soort onderricht te volgen, waarbij zijn eigen mogelijkheden dus wat duidelijker worden en daarna op grond van prestaties eventueel zelfs vergoeding kan krijgen, levensonderhoud kan krijgen voor het verder werken en presteren binnen een dergelijke gemeenschap.

Het paranormale zal gezien de opstelling van de wereld in zijn geheel het beste in kleine enclaves beoefend kunnen worden. Het is mogelijk dat, wanneer die ontwikkeling in het begin van Aquarius sterker wordt, wij eerst te maken krijgen met een soort getto’s waarin de paranormaal begaafden zekerheid zoeken voor de wereld buiten hen, die hen ofwel gek ofwel griezelig vindt.

  • Hoe vindt u in dit verband het opvoedingssysteem van Rudolf Steiner, de vrije schoolpedagogie, die eigenlijk sterk op gevoelens gebaseerd is?

Als we kijken naar de resultaten die dit onderwijs heeft gehad, moeten we zeggen: het is niet overweldigend. Daarmee wordt bewezen dat een opvoeding, waarbij geestelijke en paranormale zaken te sterk op de voorgrond worden gebracht, men eigenlijk te sterk afhankelijk is van het eigen leergedrag van de leerling, wat de aanpassingen in de maatschappij en de mogelijkheden daarvan betreft.

  • Welke veranderingen, in het bijzonder normveranderingen in opvoeding en onderwijs, zijn er vooral te verwachten in Rusland en India? Zal de vlucht in de informatica, computers e.d. Rusland er niet toe dwingen een open gemeenschap te worden?

Dwingen, neen. Informatica kan nooit dwingen; vooral omdat informatica in Rusland voor een deel mede door het geloof bepaald wordt. Zoals in de oude tijden kerken probeerden om boeken zodanig te redigeren, dat ongewenste kennis niet verbreid werd, zo gebeurt dit op het ogenblik zelfs met computers in de Sovjet Unie. Dat is nu eenmaal het systeem.

Maar wanneer het onderwijs daar langzaam maar zeker geconfronteerd wordt met een vrijer wordende maatschappij – en vergeet niet, dat in Rusland kortgeleden besloten is om kleine technische bedrijven toe te laten op particuliere basis, wat overigens geen wonder is, omdat de staatsbedrijven wanproducten plachten te presteren – dan wordt duidelijk dat de aanpassing aan de maatschappij en de maatschappelijke kennis die moet worden opgedaan, zich langzaam maar zeker losmaakt van dit gevoel alleen functionerend deel van de menigte te moeten zijn.

Daaruit ontstaat dan een drang, die mede weerspiegeld kan worden in het onderricht, meestal met enige vertraging. Het geschiedt dus voor de kinderen waarschijnlijk de eerstkomende 20 jaar voornamelijk thuis en dan krijgen we een steeds grotere druk om het onderwijs aan te passen aan de feitelijke behoefte van de eenling en niet meer alleen te baseren op de prestatienormen, die de maatschappij meent de mens te moeten opleggen.

  • Veelal zijn scholingssystemen nogal theoretisch van opzet en weinig op de praktijk afgestemd. Uitgezonderd wellicht Rusland deze eeuw. Zal dit in de toekomst niet veranderen? In welke landen of continenten vooral?

Als u bedoelt de afstemming van het onderricht op de productie, dan moet ik u mededelen, dat dit zowel in Sovjet Rusland alsook in bv. de Verenigde Staten zeer sterk het geval is. In Rusland wordt men opgevoed om een bepaalde functie te gaan innemen. Het onderwijs is daar mede op gericht. In de Verenigde Staten maak je primair onderwijs mee, maar heb je bepaalde capaciteiten, dan zul je vaak reeds op een middelbare school de kans krijgen om zekere beurzen te verwerven van bedrijven, die je dan verder voeren tot je een volledige universitaire studie achter de rug hebt, opdat je dan bij hen in dienst zult kunnen treden.

In die periode wordt men gelijktijdig eigenlijk opgevoed tot een nuttig lid van de maatschappij die subsidieert. Het is zo, dat dit programma bestaat. In Nederland is het zo, dat er heel veel goedwillende theoretici zijn, die in hun warhoofdigheid de theorie met de praktijk voortdurend verwarren. Datzelfde zullen we ook wel elders zien. Maar het wordt steeds duidelijker, dat al deze theorieën geen invloed hebben op het resultaat of hoogstens een negatieve.

Aanpassing aan de werkelijkheid wordt dus steeds een dringender noodzaak. In Nederland zijn de eerste tekenen zichtbaar dat men dit begint te begrijpen. In Engeland is op het ogenblik een grote discussie gaande over het al of niet aanvaarden van vrij onderwijs en het al dan niet handhaven van de scholen, vooral de internaatscholen zoals die daar nu eenmaal al zeer lang bestaan.

In Duitsland wordt gesproken over een nieuwe benadering van het onderricht, waarbij men zelfs – zij het aarzelend – begint om een soort leerplaats al tijdens het schoolonderricht te zoeken, voor kinderen met een bijzondere begaafdheid of neiging zich in een bedrijfstak te bekwamen. Dat wil zeggen, dat de omwenteling aan de gang is en dat de goede theoretici steeds meer zullen gaan beseffen, dat hun theorieën niet uit moeten gaan van het wenselijke, maar van het mogelijke. En dat het mogelijke niet bepaald moet worden door de theoreticus, maar door het apparaat waarmee hij te maken heeft en de leerlingen, die er op dat ogenblik door dat apparaat bediend moeten worden.

  • Wie zullen vooral de tegenwerkende krachten, tegenstanders zijn in veranderingen zoals hiervoor bedoeld? En hoe zullen deze weerstanden gebroken of omgebogen worden?

Het is eigenlijk heel eenvoudig. Alle conservatieve groeperingen – en vergeet niet dat socialisten ook erg conservatief kunnen zijn – zullen geneigd zijn om elke verandering tegen te werken. Maar de praktijk maakt de verandering onontkoombaar. Dat betekent, dat we de grootste weerstanden kunnen verwachten van bepaalde groeperingen als kerken, dus geloofsbeïnvloeding van de kinderziel – het zieltje wordt onmiddellijk gedoopt en daarna gewonnen – daarna is degene die het heeft misschien het een lange tijd kwijt, deze groeperingen zijn natuurlijk het sterkst.

Daarnaast zullen we te maken hebben met een ambtelijk bestel. Zoals u weet is een ambtelijk bestel alleen bereid tot veranderingen, wanneer het zijn eigen naam daaraan kan verbinden en zo een zekere status kan gewinnen. Waar dit veranderingen betreft waar je niet je naam aan kunt verbinden, kunnen we ook van daaruit tegenwerkingen en weerstand verwachten, die echter door de praxis gebroken wordt.

  • Hoe kan het onderwijs uit de greep van staat, kerk en vooral bedrijfsleven komen?

Ik weet niet waarom u zegt: vooral bedrijfsleven. Het bedrijfsleven geeft je in ieder geval de kans om nuttig te zijn. De kerk probeert je duidelijk te maken, dat het beter is onderdanig te zijn dan nuttig. De staat vergt alleen maar dat je bevelen opvolgt zonder je af te vragen of die terecht gegeven zijn. Dus ik geloof niet dat er een keuze is tussen deze drie. Maar zou ik er een moeten maken, dan zou ik nog meer voelen voor de praktische beïnvloeding die vanuit het bedrijfsleven plaatsvindt, dan van de idealistische van de staat of nog erger: de dogmatische van een kerk. Maar het is aan u natuurlijk om te kiezen.

  • Er wordt, meen ik, in Amerika momenteel een zekere strijd gevoerd tussen scholen die perse de evolutietheorie niet willen aanhangen en de scheppingsgedachte op scholen weer willen invoeren. Hoe staat u daar tegenover?

Ik denk, dat wanneer je een groot schoolgeld moet betalen om je kinderen de evolutietheorie te onthouden, toch zeer vele ouders zich te dien aanzien wat minder bezwaard zouden voelen, wat de ijveraars dus ongetwijfeld zou belemmeren in hun zoeken naar heerschappij en invloed. Want vaak gaat het meer om de macht dan om de gedachte.

Maar wat u zegt is inderdaad waar. Een dergelijke groepering opereert op het ogenblik vooral in de Mid-Western Staten van de Verenigde Staten en probeert daar dus inderdaad nog steeds de evolutietheorie te onderdrukken. Nu moet ik er onmiddellijk aan  toe voegen: de evolutietheorie is onvolledig, de menselijke wetenschap t.o.v. het verleden is ook onvolledig. De eerste mensen leefden al ongeveer 6 miljoen jaar geleden en niet slechts 1,5 miljoen jaar geleden. Voordat de wilden, die men nu als de eerste mensen beschouwt er waren, waren er op aarde al andere grote beschavingen. Het zijn eenvoudig feiten en men zou dat uit allerlei tekenen wel kunnen aflezen. Maar men doet dat liever niet, want dat is zo lastig. Het is beter dat wij zelf de kroon van de schepping zijn!

  • Dat is toch ook een heel groot probleem bij het geven van opvoeding en het onderwijs? De moeilijkheid is het scheiden van opvatting en feit, ook gezien de geschiedenis.

Dat is ongetwijfeld heel erg moeilijk. Maar een goed onderwijzer kan deze scheiding voor zichzelf maken en kan duidelijk tegen de kinderen zeggen: Dit zijn de feiten en dat is mijn opvatting.

  • Maar die goede onderwijzers schijnen toch maar heel zeldzaam te zijn.

Ze zijn niet zo zeldzaam als u misschien veronderstelt. Maar de grote ellende is, dat degenen die op dit terrein goed zijn in hun beheersing van de leerstof, vaak nog zo slecht zijn. Dat is mede te danken aan – ja, mag ik het zo zeggen? – aan de verandering van kweekschool in academie.

  • Welke invloed denkt u dat deze lezing zal kunnen hebben op het toekomstige onderwijs?

Geen!

  • Hoe denkt u over de wezenlijke ontplooiing van kinderen in het onderwijs?

Ik ben bang dat die ontplooiing op dit ogenblik binnen het onderwijs voornamelijk door de onderlinge verhouding van de kinderen wordt bepaald en dus niet door het onderwijs zelf. Het zal u duidelijk zijn, dat in een periode waarin men de kinderen aanmoedigt hun meningen te verkondigen en te verdedigen, het oude systeem van dominantie, de zogenaamde “bully” weet u wel, op de speelplaats en elders wordt uitgebreid met de verbale geweldenaars. Deze domineren dan het geheel van de kindermaatschappij, die over het algemeen harder en wreder is dan de volwassen maatschappij, maar die zich gelijktijdig op zijn kinderlijkheid beroept om gelijk te krijgen wanneer men weet ongelijk te hebben.

Het zal u duidelijk zijn, dat het onderwijs daar weinig aan kan veranderen, tenzij het kind zich met het onderwijs voldoende identificeert, zich daar deel van voelt en dus in feite representant van het geleerde wordt tegenover anderen. Dit echter is, voor zover mij bekend, op het ogenblik niet het geval.

Ik zou dus willen zeggen: de feitelijke opvoeding van de kinderen geschiedt op het ogenblik, ongeacht helaas de aanwezigheid van ouders en leerkrachten, voornamelijk door onderlinge machtsstrijd en poging zich te laten gelden. Daardoor ontstaat zelfs een geheel eigen taal, een geheel eigen denk- en reactiewijze en een voor de meeste kinderen toch ook wel aantrekkelijke opstelling tegenover de gemeenschap van de volwassene.

Bijvoorbeeld: “Wij zijn maar kinderen, wij kunnen wel nemen wat we willen hebben, want we kunnen het niet kopen.”

Ik hoop, dat ik ook dit voldoende heb beantwoord. T.a.v. de vorige vraag ontdek ik dat u het antwoord erg kort vindt. Maar het is het meest juiste wat ik kan geven. Een dergelijke lezing kan enkele mensen beïnvloeden. Maar het onderwijs is een zodanig omvangrijk systeem dat uitspraken, zelfs van mensen met veel meer gezag dan een geest, die op een avond door een wat verouderd medium heen zit te trompetteren, eenvoudig verwaarloosd worden. Te denken dat we enige invloed hiermee hebben, zou dus overdreven zijn. Vandaar mijn korte beantwoording,

  • Ik wou nog inhaken op uw antwoord over hoe de motivatie van leerlingen kan worden vergroot door wat je ermee kan doen. Eventueel de beloning. Er zijn ook geluiden momenteel die zeggen, dat wat je er mee kan doen niet zo duidelijk is, omdat je vaak met jouw ideaal wat je wil worden niet meer terecht kan in de maatschappij en dat de beloning ook eigenlijk marginaal is door de hoge belastingen, die je eventueel zou moeten betalen.

U ziet het allemaal een klein beetje materialistisch, mag ik dat zeggen? Wanneer u denkt aan wat je er mee kunt doen, dan is het niet: “wat kan ik ermee worden in de maatschappij”. Dan is het: “welke mogelijkheden verschaft het mij persoonlijk. Hoe kan ik hierdoor mijn gebied van kennis, amusement, bereiking uitbreiden, waarvoor heb ik het nodig?” Dus zelf. Niet in de maatschappij.

Wat de beloning betreft, dat is ook weer de mogelijkheid om datgene wat men geleerd heeft om te zetten in iets, waar men waarde aan hecht. Dat is weer niet inkomen of zakgeld, het is heel vaak gewoon de mogelijkheid het geleerde te kunnen manifesteren. Als een kind leert blokfluit spelen en het doet erg goed zijn best, geef het dan de gelegenheid om het te doen voor een gehoor. In dat geval zal de waardering van het gehoor de beloning zijn. De erkenning van gemaakte fouten zal ertoe leiden, dat men intenser zich met de studie bezighoudt.

Op deze wijze had ik beloning bedoeld. Misschien geen gelukkig voorbeeld, maar het zal toch wel iets verduidelijken van wat ik in feite bedoelde.

Wat de rest betreft: u weet het, in de moderne tijd zijn alle struikrovers en piraten van vroeger wel geïncarneerd, maar zijn allemaal bij de belasting en in de Eerste en Tweede Kamer gaan werken……

  • Ik ben het wel met u eens, dat het u er in wezen ook om gaat dat je plezier in het leren terugbrengt bij de mensen, maar dat er een verandering is, die denk ik ook in de toekomst zal plaats vinden, op basis van het feit dat je misschien toch inderdaad niet meer kan werken en dat je jezelf moet gaan bezig houden omdat er meer vrije tijd is.

Ja, zoals ik in de inleiding opmerkte, die vrije tijd zal ook een zeer belangrijke factor worden. Maar de kinderen moeten begrijpen, dat de vormgeving van hun vrije tijd ook erg belangrijk is. Dat kunnen rekenen en meten bv. erg belangrijk kan zijn om je bromfiets iets beter af te stellen dan anders mogelijk zou zijn. Ik noem maar een voorbeeld.

Dergelijke dingen zou je dus de kinderen ook duidelijk moeten maken. Ik geloof wel, dat u de laatste tijd bent gestopt van de heerlijke rekensommetjes die ze vroeger hadden van: Een ruiter die van A naar B gaat met een gemiddelde snelheid van zo veel, maar onderweg 3 keer in een kroeg blijft hangen en een voerman, die het langzamer doet in de tegenovergestelde richting. Waar ontmoeten ze elkaar? Nou, het antwoord is natuurlijk: in de kroeg,

Ik zou nu graag willen afsluiten.

Vrienden, we hebben ons bezig gehouden met het onderwijs. Dat is begrijpelijk. Ik geloof, dat de belangrijkheid van onderwijs in de maatschappij altijd weer onderschat wordt. Maar we moeten begrijpen dat die hele maatschappij en het hele mens-zijn deel is van een enorm leerproces, het bewustwordingsproces van het wezenlijke ego, dat dus maar ten dele in de stof is geprojecteerd. Het is duidelijk, dat beleven belangrijk is. En leren zou beleven moeten omvatten.

Dat kan in het onderwijs helaas niet of onvoldoende. De beleving zou verder een persoonlijke moeten zijn. Want de persoonlijke beleving geeft waarde, terwijl de persoonlijke interpretatie van een gezamenlijk beleven over het algemeen een veel kleinere, emotionele en daardoor ook voor de geest overdraagbare waarde bevat.

Onderwijs is vanuit de maatschappij een kwestie van het terugwinnen van beheersing, een terugwinnen van strakheid en systeem. Maar dat kan alleen maar als de mens, dus ook de leerling, begrijpt dat dit alleen maar een leidsnoer is. Dat dit de richting aanwijzing is en dat men toch in vele gevallen op zijn eigen wijze moet werken met de mogelijkheden die men heeft. Het is de persoonlijke ontwikkeling en heus niet alleen maar de stoffelijke bereiking, die bepalend is voor de betekenis van een menselijk leven. Op het ogenblik, dat je dat in een systeem wilt vatten, vermoord je de geestelijke mogelijkheid.

Geestelijke systemen kunnen niet bestaan. Dogmatische systemen zijn schadelijk. Er zijn vele wegen die tot grotere geestelijke bewustwording kunnen voeren. Maar die wegen moeten door de mens zelf  worden gegaan en wanneer hij deze niet meer juist acht, moet hij het recht hebben andere wegen te kiezen.

Daarom zou ik u vooral willen vragen, wanneer u zich bezig houdt met onderwijs: wees niet dogmatisch! Predik geen absolute waarheden, maar de nu bekende waarheid als zodanig. Predik geen absolute maatschappijvisie of andere visie, maar predik eventueel wanneer het niet anders kan een ideaal, door erbij te zeggen, dat dit waarschijnlijk nooit waar zal worden, maar dat het de moeite waard is om er naar te streven.

Spreek nooit over God en godsdienst als zaken die werkelijk bekend zijn. Maak de mensen, ook de kinderen, duidelijk dat God een wezen is waar je wel een beeld voor kunt zetten, maar dat je het daardoor minder beleefbaar zult maken.
Het is de eenvoud die belangrijk is.

Kinderen zijn aanspreekbaar juist in die eenvoud in een zekere directheid. Wanneer het gaat om belangrijke vragen, maatschappelijk, idealistisch, religieus of anderszins, probeer deze eenvoud te behouden zonder ze gelijktijdig te vertroebelen door mooie sprookjes.

De mens heeft recht op bewustwording. Maar die wordt hem pas mogelijk gemaakt als hij zelf mag worstelen met de problemen en oplossingen mag vinden en die aan de praxis toetsen. Wat hij geleerd heeft, kan hij voor een groot deel overbrengen naar de geestelijke wereld. Alleen datgene wat hij zo bezit, maakt uit in hoever hij deel kan worden van een groter geheel, de gedachten en weten van anderen delen.

Het onderwijs is een van de belangrijkste dingen in het leven. Maar het kan gelijktijdig een van de gevaarlijkste dingen zijn voor een mens die een vrije bewustwording nastreeft. De maatschappij vergt een systeem. Beperk dat systeem tot datgene wat maatschappelijk vastligt, maar geef gelijktijdig vrijheid in al het andere. De zielen die terugkeren naar een werkelijke wereld zullen u er dankbaar voor zijn. Degenen, die op aarde leven en op deze wijze geholpen worden zichzelf te vinden, zullen misschien niet dankbaar zijn, maar wel evenwichtiger, zodat ze hun weg juister kunnen kiezen.

image_pdf