Onderzoek van de esoterisch-magische werkelijkheid

uit de cursus ‘Inleiding tot de esoterische magie’ 1961-1962

Onderzoek van de esoterisch-magische werkelijkheid

Wanneer wij in de mens alle verschillende voertuigen en krachten erkennen, zullen wij ons gaan realiseren dat hun onderlinge verhouding van grote betekenis kan zijn voor de wijze, waarop de mens zijn wereld beleeft en beheerst.

Wanneer een bepaald voertuig niet bewust is, dan is het voor ons een niet te regeren potentieel. Daaruit kunnen ontladingen plaatsvinden en krachten worden uitgestraald; maar deze krachten kunnen niet door ons bewustzijn worden geregeld. Het is als bij een onweer; ook daar is de plaats van blikseminslag moeilijk te bepalen en kan slechts onder zeer bijzondere omstandigheden een enkele maal worden gedirigeerd.

Zijn wij ons ten dele van een bepaald voertuig en een bepaalde wereld in onszelf bewust, dan zullen wij de kracht daarin, voor zover ons bewustzijn het toelaat, kunnen richten.

Als een voertuig en een wereld geheel bewust worden ervaren en beheerst, dan kan al de kracht, die voor het “ik” in die wereld beschikbaar is, volledig bewust worden overgedragen naar elk doel in een lagergelegen wereld. Dit geldt voor alle sferen; wij dirigeren onze krachten steeds naar beneden. Wij kunnen wel trachten ons bewustzijn naar een hogere sfeer te zenden, maar zijn daarbij vaak afhankelijk van krachten die weer in die hogere sfeer leven. Nu wil ik dit graag door een vergelijking toelichten.

Wanneer ik een bepaald gewicht laat vallen van een zeer geringe hoogte, dan krijgt het slechts een geringe snelheid. Maak ik die hoogte groter, dan wordt zijn vermogen groter, omdat de snelheid toeneemt. Op dezelfde wijze is het in ons. De allerhoogste krachten kunnen echter niet met een voortdurende vergroting van intensiteit doordringen tot bijvoorbeeld het stoffelijk voertuig. Zij kunnen pas vanaf een bepaalde hoogte a.h.w. versnellen: En dan treedt dus dit verschijnsel op: Wanneer ik bewust ben van een bepaalde kracht in mijzelf en ik dirigeer deze vanuit een hogere sfeer, dan wordt haar kracht groter naarmate ze een lagere sfeer bereikt. Maar als wij nu rekenen met een wereld van laat ons zeggen 7 hoofdsferen (elk weer verdeelbaar in zoveel ondergebieden), dan kunnen wij zeggen, dat de doorslagkracht om tot volle intensiteit te komen twee sferen vergt: Wanneer ik dus meer sferen daal, dan zeggen wij, dat de kracht getransformeerd wordt. Zij verandert ietwat in geaardheid, maar haar intensiteit neemt niet meer toe.

Nu is de esoterische magie eigenlijk een zoeken naar harmonische banden, uitstralingen, trillingen en werkingen, die van ons eigen wezen uitgaan en in dit eigen wezen kunnen ontstaan door de kennis van dit wezen. Hoe sterker het ego en de delen daarvan door onszelf bewust gekend en beheerst worden, des te groter het vermogen en de macht zijn, die vrij uit dit “ik”, zonder verdere hulpmiddelen of noodzaken tot ingrijpen op de buitenwereld kunnen richten.

Het zal u duidelijk zijn dat in de esoterische magie steeds weer de nadruk valt op het kennen van jezelf en het leren kennen van bepaal­de feiten. Men maakt daarvoor op aarde gebruik van middelen als de kab­bala, bepaalde magische systemen, sommige vormen van horoscopie en astro­logie en zekere vormen van zgn. stokwichelarij. Kortom men probeert op duizend‑en‑één wijzen om dat “ik” te leren kennen. Maar deze methoden zijn op zichzelf nimmer beslissend. Want de methode, die mij bv. leert wat in de kosmos mijn ogenblikkelijke straal of waarde is, heeft slechts dan bete­kenis in het esoterisch‑magisch bestel, als het mij daardoor mogelijk wordt deze kracht of straal ook inderdaad te verwezenlijken. Zolang de realisa­tie van deze straal, deze kracht of deze sfeer en de daarmee verwante voertuigen niet optreedt, is er geen sprake van een beheerste uiting.

De kwestie, die wij dan ook vanavond in de eerste plaats willen be­spreken, is de realisatie van bepaalde krachten in jezelf; maar in de tweede plaats ‑ en haast nog belangrijker ‑ het gebruik van deze krachten die in het “ik” bestaan, ongeacht of zij bewust ‑ en dus geleid gewekt worden of onbewust ‑ en dus onbeheerst ‑ in ons optreden. Per slot van rekening, als ik niet precies weet, waar de bliksem zal in­slaan, maar van de spanning van het onweer gebruik kan maken, dan kan ik ook daarmee iets bereiken. Ik kan daardoor bv. bepaalde proeven doen slagen. Ik kan bepaalde verschijnselen storen en andere bevorderen. Dit is zelfs mogelijk, wanneer ik alleen maar weet dat de mogelijkheid van het onweer bestaat. Ik kan mij erop voorbereiden.

Wanneer ik een elektrische stroom heb, waarvan ik het potentiaal en de stroomsterkte ken, dan kan ik heel gemakkelijk alles regelen. Maar ook dan behoren daartoe voorbereidingen te worden getroffen. Wanneer wij in onszelf een krachtbron willen zijn, wanneer wij in onszelf krachten willen ontvangen en verwerken, dan moeten wij dit dus doen op grond van een zekere zelfkennis: Ik wil u daarvan graag enkele voorbeel­den geven.

Het belangrijkste element is altijd weer: geloof. Want er zijn werel­den in de geest, die wij met de stoffelijke rede nimmer kunnen omschrijven. In deze kosmische werkelijkheid, die wij ervaren en niet kunnen definiëren, leeft een deel van ons wezen. Ik kan nimmer intens geloven in God, in recht, in goedheid of welke abstractie dan ook, als in mijn wezen niet ergens een voertuig bestaat, waarin deze eigenschap tot uitdrukking is ge­komen en a.h.w. van bovenuit doorwerkt in mijn wezen. Wij noemen dit over het algemeen een zgn. kosmische straal of ook wel een werking van één der vele Heren of kosmische Heersers.

Geloof ik, dan moet ik voor mijzelf zeker zijn van wat ik geloof; maar dan ook zonder voorbehoud, zonder aarzeling en volledig. Zodra in mij een volledig geloof bestaat, zal het voertuig, waarin datgene wat ik geloof tot de redelijke werkelijkheid behoort, in staat zijn om in alle la­gere voertuigen de daarin bestaande krachten te manifesteren. Geloof ik volledig en bewust in God en is mijn beeld van God, een beeld dat kosmisch juist is, zodat ik eigenlijk bij de Heer van het verblinden­de Licht leef, dan zal ik direct‑goddelijke Krachten op aarde kunnen mani­festeren, zover deze in het aardse uitdrukbaar zijn.

Bovendien moet ik natuurlijk ook weten, wat er nog meer in mij be­staat. En om ook hier het zoeken naar een redelijke omschrijving te vermij­den, wat heel erg moeilijk is, kunnen wij zeggen: Wij geloven naast God in andere dingen. Gelooft u in een God en in een duivel als gelijkwaardige krachten, dan gelooft u in het positieve en het negatieve als gelijkwaardige krachten. Dan zal zowel de kracht van het positieve als van het negatieve volledig door u tot uiting kunnen komen. Naarmate in uw geloof de nadruk ligt op één der beide waarden, zal de positieve of de negatieve kracht van de ho­gere kosmische gebieden u bereiken en door u tot de wereld doordringen.

Geloof ik nu in engelen en kan ik mij die engelen niet geheel redelijk voorstellen, dan is het mij toch mogelijk contact te krijgen met vele uitingen van het Goddelijke.

Ik heb verder in mij een gevoelsinhoud, die het mij mogelijk maakt mij op bepaalde van die engelen (vroeger zei men: goden of godinnen) af te stemmen. Met sommige van die engelen, waarin ik geloof, voel ik mij meer verwant dan met anderen. Die, waarmee ik mij het meest verwant voel, zullen tot een wereld behoren, waarin één van mijn geestelijke voertuigen actief is. De krachten, die daarin bestaan ‑ ook al kan ik die redelijk misschien niet geheel kennen of omschrijven ‑ zullen eveneens door middel van mijn wezen kunnen worden geuit.

Dan bestaat natuurlijk de wereld van de geest, die ‑ zoals u bekend is ‑ in vele verschillende sferen uiteenvalt. Die wereld van de geest kan ik ervaren. Soms door een uittreding, bewust of onbewust; soms door een droom of een voorstelling. Wanneer deze in mij optreden met een voor mij zekere waarde (dus niet als iets‑, waarvan ik mij afvraag of het iets betekent), dan kan ik aannemen dat het voertuig dat daartoe behoort, eveneens volledig actief in mij kan zijn.

De gebieden, waarop de doorsneemens het gemakkelijkst werkzaam is, zijn natuurlijk die welke het meest aan zijn wezen verwant zijn. Dat zijn het astrale gebied, de zgn. levenssfeer en de mentale sfeer plus de negatieve tegendelen daarvan. De kracht die daarin leeft, kan ik, door haar in mij te aanvaarden, innerlijk ervaren en ontvangen en door mijzelf uiten. Dit is een van de belangrijkste regels.

Nu wordt het erg moeilijk dit in redelijke termen om te zetten. Wij komen dan op het terrein van de mystiek en spreken van trillingsverhoudingen, trillingstransformaties, trillingsaanpassingen. Ik zou dit hier graag willen vermijden om te voorkomen dat u te zeer verward wordt door een terminologie, waarvan u te weinig afweet. Hot voorbeeld echter dat ik u hier geef, kan naar ik meen als vervanging dienen.

Wanneer ik een zeer krachtige zender heb, dan geeft deze energie af ‑ onverschillig op welke wijze ‑ die door middel van de atmosfeer wordt overgebracht. Elke antenne, onverschillig hoe zij is geconstrueerd, zal van die zender iets opvangen. Is echter de lengte van de antenne volkomen juist, dan wordt een gehele trillings-cyclus van die zender opgevangen: De zender wordt dan beter ontvangen. En nu volgt het proces van de verdere afstemming. Om die trilling nog verder te selecteren krijg ik, wat men noemt, een slingerkring. En die slingerkring, die dan bestaat uit een spoel en een condensator, kunnen wij het best vergelijken met een zekere instelling van je eigen wezen. Je stelt je nl. zo in dat niets je meer kan beroeren, behalve die ene kracht waarnaar je streeft. Dan is het duidelijk dat die ene kracht in je wezen doordringt en dat het andere langs je afglijdt en geen contact meer met je heeft, En dan pas beginnen de processen, waarbij de meer actuele magie een rol kan spelen, de minder esoterische vorm dus. Want nu deze kracht eenmaal door mij wordt ontvangen, kan ik haar door verschillende systemen versterken. En zo kan ik een signaal van een zender, dat op zichzelf uiterst zwak is bv. hoorbaar maken door middel van een luidspreker. Ik zou dus kunnen zeggen: Door een juiste instelling kan ik uit hogere sferen (vergelijkenderwijs: van een bepaalde zender een signaal ontvangen; en indien ik mijn eigen wezen op de juiste wijze verder weet in te stellen, kan ik het signaal omzetten in iets, wat voor een ander niet merkbaar is. Ik kan ook het niet‑kenbare kenbaar maken.

Het gehele proces van trillingstransformatie berust op de wijze, waarop de mens zichzelf instelt. De gehele kracht van alle sferen is voortdurend rond u. U kunt de kracht van alle sferen ook voortdurend gebruiken. En tot op zekere hoogte doet u dat ook. Maar om een voor u noodzakelijke kracht bewust te kunnen gebruiken, zult u zich moeten instellen op een zodanige wijze dat alleen dat, wat uit die sfeer komt, in u werkt; en dat bovendien uw eigen wezen die versterkt transformeert a.h.w., tot een op aarde kenbare waarde.

U zult begrijpen, dat al wat ik u hier zeg theorie is. Wij hebben altijd ‑ en zeker als het gaat om die waarden van innerlijke kracht ‑ een praktische toepassing nodig. Deze nu kan niet altijd tot stand worden gebracht zonder uiterlijkheden. Of om het anders te zeggen: het meest perfecte radiotoestel vraagt een hand die het afstemt.

De afstemming wordt nu gevormd door onze eigen leefwijze, onze eigen vorm van reageren op al wat rond ons is. Degene die zich bezighoudt met deze vorm van krachtsontplooiingen, zal dan ook zijn leven moeten richten in overeenstemming met de innerlijke wereld die hij beleeft en kent. Onverschillig langs welk systeem hij dit tot uitdrukking brengt, hij zal altijd moeten stellen: Datgene wat voor mij bevorderlijk is om de juiste instelling te krijgen t.o.v. de sfeer en wereld, die ik verlang en in mij erken, dan wel de sfeer en wereld waarin ik geloof en die ik in mij erken, zal resultaten kunnen geven, zal een voltooiing kunnen vinden.

Het is ook niet eenvoudig om hiervoor een bepaald proces aan te geven. U merkt wel dat het allemaal niet zo eenvoudig is. Want wie kan u zeggen wat u gelooft, als u het zelf niet werkelijk weet? Wie kan u zeggen, welke sferen voor u reëel zijn, als u het zelf niet beseft? Wie kan u zeggen, wat voor u de juiste afstemmingswaarde is? Ook dit is zeer moeilijk.

De wijzen van de oudheid, de denkers uit vele eeuwen, hebben daarvoor systemen ontworpen die berusten op algemene waarden of algemene krachten. U hebt daaromtrent ‑ naar ik meen ‑ al enige leringen ontvangen.

Een algemene waarde is een waarde, die in het totaal der mensheid, althans ongeveer op dezelfde wijze tot uiting komt, een waarde waarbij de verschillen in verhouding tot de gelijkwaardigheid zo gering zijn, dat wij kunnen spreken van een afwijking van hoogstens drie ten honderd.

U zult menen dat deze dingen niet zo vaak voorkomen. Toch zijn ze er inderdaad. Want de verhouding, die de geest heeft tot haar eigen wereld, is voor praktisch eenieder, die in de menselijke bewustwordingssfeer leeft, gelijk. Men komt niet als mens in de stof terecht, als men niet aan een bepaalde minimum‑bewustzijnswaarde beantwoordt. Men zal als mens niet meer in de stof kunnen leven, als men een bepaalde norm van bewustzijn heeft overschreden.

Kan ik dit gebied samenvatten in een bepaalde term, kan ik een systeem ontwerpen om dit te berekenen, dan volgt hieruit dat ik de gemeenschappelijke waarden voor de mensheid of grote delen van de mensheid kan vinden. En daarbij ontstaat dan het eerste bruikbare systeem, waardoor de mens kan leren zijn innerlijke krachtbron aan te boren.

Velen van u zullen zich bij dergelijke systemen doodstaren op formuleringen en woorden. Per slot van rekening, wanneer wij elke sfeer een buitenissige naam geven en de verhoudingen en relaties tussen de sferen nog eens weer met een buitenissige naam aanduiden, dan is het begrijpelijk dat de mensen eerst die namen gaan leren en het essentiële daarvan (de klankovereenkomsten in de benamingen) over het hoofd zien. Als ik ga werken met getallen en getalsinhouden en tracht duidelijk te maken, hoe een naam gelijk kan zijn aan een eigenschap, dan zal de mens proberen namen en eigenschappen netjes te rubriceren; en hij zal niet begrijpen dat de eigenschap eigenlijk moet worden begrepen als een bepaalde trilling of als een bepaald kosmisch ritme. Hierin schuilt dus wel een groot gevaar.

Wanneer wij de esoterische problemen in onszelf benaderen en daarbij bepaalde magische werkingen willen bereiken, hetzij door gedachtenuit­straling of op een andere manier, dan moeten wij ons eerst realiseren:

Nimmer kan een naam, een omschrijving of een vorm, een getal of een getals­verhouding op zichzelf belangrijk zijn. Al deze waarden hebben slechts be­lang door het ritme dat zij uitdrukken, de trillingsverhouding die zij aangeven. Geen enkele magische procedure is op zichzelf belangrijk. Zij is alleen belangrijk door de inhoud van het “ik” die daarmede wordt geuit, de trilling of harmonische waarde die op deze manier wordt gemanifesteerd. Wij mogen en moeten ‑ zeker in de esoterische magie ‑ niet in de eerste plaats gaan zoeken naar uiterlijke verhoudingen. Wij moeten zoeken naar een kernwaarde. Een kernwaarde die nooit kan zijn iets stoffelijk, redelijk. Want levenskracht is iets wat je niet op stoffelijk redelijke wijze kunt omschrijven, nog minder dan elektriciteit. Neen, levenskracht of levensessence is (en dat moet u goed begrijpen) een innerlijke werking, die ‑beantwoordend aan een bepaald ritme ‑ een sleutel kan zijn voor het ontsluiten van de in ons gelegen krachten en gebieden.

Elke leerstelling, elke methode van benadering is op zichzelf onbelangrijk. Belangrijk is alleen de ontsluiting van het innerlijk gebied. Verlies u nimmer te veel in details. Maak de zaak niet ingewikkelder dan noodzakelijk is. Probeer uit het vele, dat aan de gemeenschap wordt voorgelegd, dat aan de mensheid werd geopenbaard, het voor u belangrijke, het essentiële en eenvoudige te vinden. Op die manier alleen vindt u de sleutel tot innerlijke kracht.

Ik wil nog verdergaan met mijn pogingen om in zo eenvoudig mogelijke termen iets van die innerlijke, die esoterische magie duidelijk te maken.

Nu klinkt het misschien wat vreemd, wanneer ik hierbij ga spreken over de instelling van de mens. Toch weten we allen dat wanneer u met tegenzin eet, uw spijsvertering moeite heeft met de spijzen. Wanneer u met smaak eet daarentegen, kan diezelfde spijsvertering veel meer aan. Instelling of mentaliteit is zelfs voor lichamelijke processen zeer belangrijk. Vandaar dat u bepaalde voedingsstoffen licht verteerbaar noemt of gemakkelijker verteert, omdat zij een geur hebben, die u als smaak pleegt te vertalen, maar die in het geheel niets te maken heeft met hun eigenlijke voedingswaarde of opbouwwaarde.

Ditzelfde geldt ook voor ons innerlijk wezen. De wijze, waarop wij tegenover de kosmos staan en de manier, waarop wij deze waarderen, is van buitengewoon groot belang. Wanneer ik de goddelijke Kracht onmiddellijk in mij geopenbaard zie en ik heb daartegen enig voorbehoud, dan kan ik haar niet verteren, kan ik haar niet verwerken. Wanneer ik echter voor die goddelijke Kracht opensta, dan gebeurt er iets anders. Dan kan ik daarvan in verhouding veel meer opnemen, verwerken en doorgeven. Ik kan krachten daaruit wekken die voor mij geschikt zijn en die in mijn wereld passen. Want het omzettingsproces van alle krachten geschiedt in mij.

Stel nu dat ik innerlijk bereid ben op te gaan in een geheel kosmische broederschap, waarbij het niet om personen, bronnen en uiterlijke vormen gaat, maar alleen om het intense gevoel van eenheid met alle dingen. Dan blijf ik wie ik ben; mijn geestelijke voertuigen zullen niet ineens een grotere eenheid of een groter vermogen krijgen. Maar wel zullen zij ‑ krachtens deze instelling ‑ de hoogste impulsen, de hoogste stralingen, het hoogste geloof, gemakkelijker kunnen verwerken. Het resultaat is dat de ontwikkeling gemakkelijker wordt. Ik heb nl. meer energie, ik heb meer inzicht, ik reageer a.h.w. juister en sneller. Gelijktijdig zal ik geneigd zijn ‑ omdat ik deze kracht in mij bezit ‑ meer van deze kracht te manifesteren. Hoe meer kracht ik manifesteer en in mij verwerk, hoe sneller ik geestelijk groei. De bewustwordingsperiode wordt daardoor aanmerkelijk verkort; gelijktijdig wordt men zich sneller van andere sferen en andere mogelijkheden die ook in de voertuigen in het “ik” gemanifesteerd zijn, bewust en leert de krachten daarvan hanteren.

Dus instelling is wel een van de meest belangrijke punten. En deze instelling moet altijd positief zijn. Wanneer ik tegenover God sta en ik ben passief, ik zeg: “Heer, Uw wil geschiede,” dan ben ik niet met God in disharmonie. Maar als ik positief ben, dan moet ik zeggen: “God, ik zal trachten Uw wil waar te maken door mijn wezen.”

Wanneer ik zeg: “De wijsheid en het begrip zullen mij worden gegeven” en ik wacht erop, dan zullen ze ongetwijfeld komen. Maar wanneer ik zeg: “Ik wil de wijsheid verwerven en ik streef daarnaar”, dan zal ik die wijs­heid veel sneller verwerven en ik zal haar veel bewuster kunnen gebruiken.

Ontken ik het bestaan van deze dingen, dan begrens ik mijn eigen wezen en mijn eigen vermogens en maak het ontvangen van hogere waarden voor mijzelf geheel onmogelijk. De instelling van het “ik” is dus van bui­tengewoon goot belang.

De grondregels daarvoor zijn voor bijna alle mensen gelijk. En ik zou dan als grondregels van de esoterische magie de volgende punten naar vo­ren willen brengen:

  1. Het erkennen van God moet zijn: het geloven in God en gelijktijdig het door eigen streven verwerkelijken van God.
  2. Elk geloof moet getoetst zijn aan de kenbare resultaten daarvan. Wanneer een geloof geen kenbare verschijnselen in of buiten mij tot stand brengt, dan is het niet aanvaardbaar en moet het worden gewijzigd.
  3. Wanneer ik in mijzelf vertrouw op de krachten die in mij leven en de krachten waarin ik geloof, dan moet ik niet aarzelen deze waarden buiten mij te manifesteren. Want slechts in samenhang met de kosmos leef ik werkelijk. Afgesloten van de kosmos kan ik nimmer de volheid van eigen wezen en van de kosmische kracht erkennen.

Dit zijn grondregels die voor iedereen gelden. Zij gelden voor de eenvou­dige afgodsdienaar of sjamaan met zijn onzichtbare geesten en zijn houten beeldjes die hij aanbidt; zij gelden voor de hoogst‑bewuste die ergens in de Himalaya op het ogenblik mediteert over de dwaasheid der mensen. Dat geldt voor eenieder.

Daarnaast gelden natuurlijk de regels van het eigen gedrag. En daarbij wordt gesteld:

Alles wat ik voor mijzelf ‑ al is het maar uiterlijk ‑ ontken, ver­werp, minderwaardig acht of haat, is een kracht die mij bestrijdt, die ‑ in mij erkend en in mijzelf bestaande ‑ mij van bepaalde we­relden kan afsluiten en mijn kracht in bepaalde voertuigen en de lens van de geest aanmerkelijk beknot. Overal waar voor mij erkenning, aanvaarding, de naastenliefde a.h.w. (dus de onpersoonlijke liefde) een rol speelt, wordt mijn we­zen versterkt met de kosmische krachten van de sferen, waarin ik mij krachtens dit streven op aarde ook geestelijk ontplooi. U zou kunnen zeggen: Wanneer je dingen verwerpt, bouw je een heining om jezelf; maar dan ben je ook in een hogere sfeer grotendeels op jezelf aangewezen. Wanneer je echter de beperkingen terzijde stelt, dan staat de hele wereld open en kun je alle krachten daarvan gebruiken. Je kunt over de krachtbronnen daarvan beschikken. Je leeft niet meer in de schaduw van je eigen beperking maar in het voile licht van de wereld, waarin je geestelijk bewust begint te worden.

Dit is een punt dat wel degelijk uw aandacht waard is. Want in de moderne tijd, waarin zoveel grote invloeden uit de kosmos de aarde beroe­ren, is aanpassing noodzakelijk. Een mens, die in deze dagen blijft voort­leven, zonder gebruik te maken van zijn geestelijke krachtbronnen en re­serves, zal in 9 van de 10 gevallen falen en het slachtoffer van de om­standigheden worden. De mens echter die in deze dagen leert zijn inner­lijke vermogens te gebruiken, die de esoterische weg gaat, welke in de lijn van deze tijd ligt en gelijktijdig de magische weg bewandelt, zover deze door de innerlijke kracht wordt bevestigd, is niet alleen een positieve kracht voor anderen, maar tevens een bewuste die zijn eigen doel kan be­palen.

Nu moet ik in het derde en laatste deel van mijn betoog toch even terugkeren tot de meer ingewikkelde formulering.

Als ik van het standpunt uitga, dat het Goddelijke en de kracht van het Goddelijke kunnen worden ontbonden in een bepaald aantal getallen, dan moet ik ook aannemen, dat elk getal een eigen trillingswaarde heeft en dat er in mijn wezen iets is, dat met die trillingswaarde kan corresponderen. De eenvoudigste ontleding is wel die van het getal 33, waarmee alle sferen, alle bewustzijnsverhoudingen, maar ook alle kosmische groot‑krachten kunnen worden omschreven.

Dan moet u goed onthouden dat het niet noodzakelijk is dat het “ik” zich bepaalt tot één van deze krachten, ofschoon meestal één van hen ‑ nl. de door ons meest actueel beleefde ‑ ons zal regeren. Wij kunnen harmonisch zijn met elk daarvoor geschikt deel binnen die sfeer. En nu zullen we daarvoor een eenvoudig rekenkundig aardigheidje gebruiken om dit te illustreren.

Het getal 1 is verenigbaar met alle getallen die in die 33 voorkomen, want elk getal is daardoor deelbaar. Het getal 2 alleen met de even getallen. Het getal 3 alleen met de getallen, die een drievoud zijn, enz. Maar wanneer een getal 12 is bv. omvat het de factoren 3 en 4 en 2. Daarmee is het allemaal harmonisch. Ook 6. Binnen de 33 kan het harmonisch zijn met alle even getallen krachtens de 2, met alle drievouden krachtens de 3, enz. Een groot aantal harmonieën kan indirect ontstaan. De direct mogelijke verhoudingen worden kleiner naarmate wij hoger stijgen.

Laat ons nu een sfeer nemen die dicht bij het hoogste punt ligt; en laten we zeggen dat wij daarbij de weg nemen die wordt aangeduid door het getal 27. Dan ben ik met alles wat 3 is versterkt in harmonie, omdat 3 x 3 x 3 het getal 27 is; en dus elk deelgetal op zichzelf deze harmonie met het drievoud a.h.w. versterkt. Al die drievouden echter liggen beneden mij. Boven mij bevindt er zich geen. Ik ben dus, al sta ik zeer dicht bij het hoogste, slechts harmonisch met beneden mij liggende waarden. Terwijl het getal 11, dat dus qua rangorde klaarblijkelijk veel lager staat en veel minder harmonische waarden heeft, toch al diezelfde harmonieën in zich draagt. Namelijk door het getal 33 en door het getal 33 met elke waarde, die daarin gemanifesteerd wordt. (Een nadere uitleg);

Wanneer ik 27 ontleed, dan is dat 9 x 3. 9 = 3 x 3. Ik heb 3 x 3 x 3. Als zodanig een fantastisch mooie reeks van harmonieën, maar geen onmiddellijk contact met het hoogste punt dat ik heb aangeduid met 33. Ik zal dus a.h.w. al mijn harmonieën eerst naar beneden moeten uiten (dus naar de 3) en van daaruit kan ik pas stijgen naar boven (de 33).

Laten we het eens uitdrukken in een sfeer. Ik kan in een sfeer terecht komen, van welke de eigen trilling het mij onmogelijk maakt de goddelijke trilling onmiddellijk te ontvangen. Ik moet mij eerst op lagere sferen manifesteren om daar het volledige Godservaren voor mijzelf mogelijk te maken. Ik zal altijd slechts indirect ‑ maar nooit direct ‑ in mijn wereld met God kunnen wandelen.

Nu heb ik het getal 11. 11 is een derde van 33. Dus zal een derde van de goddelijke Kracht voor mij volledig kenbaar zijn; er is een directe relatie. Zeg, dat ik eens in de drie dagen met God wandel. Verder ben ik natuurlijk met het basisgetal 1 (de bron) verbonden. Maar ik ben door het contact met de 1 en het contact met de 33 ook met praktisch elke andere sfeer verbonden De indirecte mogelijkheden, die ik heb (t.a.v. 33), zijn dus in het getal 11 groter dan in het getal 279 terwijl de directe mogelijkheid / Godserkenning in die sfeer aanmerkelijk groter is.

Nu heb ik hier een door sommige groepen aanvaarde indeling genomen van de 33 wegen, de 33 punten eigenlijk. Deze indeling is natuurlijk willekeurig; ze is gebaseerd op de getallenmystiek en wordt indirect uit de kabbala getrokken. Maar de idee die hierin ligt, is voor mij om te zetten in willekeurig welke werkelijkheid.

Wanneer ik uitga van een Rozenkruisers‑systeem en ik denk aan de kringloop van de ziel, dan zal ik, volgens deze zelfde stelling moeten zeggen dat in een bepaalde wereld God voor mij meer volledig kenbaar moet zijn dan in een andere. Hoe dichter ik bij God kom, hoe minder ik van God zal beseffen, tenzij ik met God harmonisch ben, volledig harmo­nisch ben. Hoe verder ik van God afsta, hoe gemakkelijker ik God kan zien.

Dat klinkt misschien vreemd. Op het ogenblik dat ik een punt vind, waarbij ik God kan zien en gelijktijdig mijzelf kan beseffen ‑ dus niet vol­ledig onbewust ben ‑ zal ik staan in een sfeer, die men laag noemt, dicht bij de stofwereld; misschien in de mentale sfeer, maar verder zeker niet. Onverschillig of ik mij nu in een afdalende kringloop beweeg of in een stijgende kringloop (dus of ik nog eerst door de stof en de chaos heen moet gaan of uit de chaos en de stof alweer zover ben gestegen), zal ik in díe sferen of werelden het grootste en meest directe besef kunnen ver­werven van de Godheid. Hieruit volgt dat Godserkenning en daarmee het juist putten van de zgn. esoterisch‑magische krachten niet altijd even ge­makkelijk zal zijn en dat bepaalde sferen of toestanden daarvoor het meest geschikt zijn.

Nu is de mens, wanneer hij komt tot innerlijke Godsaanvaarding en volledige Godsbeleving, in een toestand, waarbij hij ‑ vreemd genoeg ‑ zijn God vaak beter en reëler kan aanschouwen dan in één van de meer lichten­de werelden. Hij kan daardoor zijn doel aanmerkelijk juister bepalen.

Het is belangrijk in de menselijke periode het juiste streven te be­palen en een zo juist mogelijke beleving van God of geloof in God te vin­den, omdat wij hiermee in verdere sferen, waarin ons een zo duidelijke waarneming niet meer mogelijk is, onze weg gemakkelijker zullen kunnen voortzetten. Het is tevens de verklaring van het feit dat de stoffelij­ke sfeer zo belangrijk wordt geacht en dat het daarin geleerde voor het stijgen in andere sferen zo bepalend is.

Deze op zichzelf wat ingewikkelde uitleg van deze gecompliceerde materie, hebt u nodig. Want welk systeem u ook wilt volgen in deze we­reld, op welke wijze u komt tot uw Godsbeleving, op welke wijze u komt tot geloof of geloofsuiting, is onbelangrijk. Maar zij moet in deze we­reld met een het gehele “ik” vervullende intensiteit worden gevonden. Zonder dat is ze zinloos. En dat betekent dat het leven in de wereld volledig moet zijn aangepast aan al datgene, wat in het “ik” als Gods­bewustzijn leeft. Dit met zoveel mogelijk uitsluiting van al het andere en zeker met vermijding van beperkingen die door het “ik” als werkelij­ke belemmering worden ervaren; en zeker ook met vermijding van tegen­stellingen die door het “ik” als niet‑juist worden beleefd.

De openheid van het menselijk leven is het meest belangrijke. De samenwerking en harmonie, die onder mensen kan groeien en die vanuit menselijk standpunt met kosmische krachten kan worden bereikt, is niet alleen bepalend voor de krachten die wij uit onszelf op deze we­reld kunnen openbaren maar tevens voor het bewustzijn dat wij kunnen verwerven en daardoor voor het juist werken en stijgen in alle andere sferen.

Ik hoop dat ik met deze aanvulling en beschouwing u op eenvou­dige wijze heb gewezen op de belangrijkheid van factoren die in deze nieuwe tijd een grote rol spelen: deze esoterische magie die voor het lot van de mensheid in de komende jaren wel eens beslissend kan zijn.

Aspecten van de praktische magie

Men heeft mij verzocht om met u te spreken over de aspecten van de praktische magie. In een kort bestek kan ik daarover betrekkelijk weinig meedelen. Maar ik wil trachten u een inzicht te geven in de wijze waarop wij in vervlogen tijden deze magie beschouwden, aangevuld met datgene wat ik nu ken als deel van deze magische werkingen, dat toen door ons niet volledig werd beseft.

Het totaal van de kosmische invloeden kan binnen elke mens vertegenwoordigd zijn. Dat wat wij denken is bepalend voor de inhoud die wij leggen in elk stuk dode materie en ‑ zoals ik later heb beseft – voor de inhoud die wij kunnen geven aan astrale vormen met materie of mensen verwant.

De magische gedachtegang stelt dat het bovennatuurlijke moet reageren op het natuurlijke en omgekeerd. Er is een voortdurende wisselwerking tussen de werelden van goden en de werelden van mensen. Wat wij goden noemden, zou in moderne termen het best kunnen worden vertaald met “hogere geesten” die al dan niet in de stof hebben geleefd.

Wanneer ik geloof in een bepaald beeld of ik zie dit beeld als brandpunt van een bepaalde macht, dan is dit voor mij een waarheid. Wanneer ik dit voor mijzelf niet ontken, blijft dit een waarheid, onverschillig of ik daaraan denk of niet.

Zo hadden wij de gewoonte om heilige plaatsen te maken. Een heilige plaats werd gevormd door in de eerste plaats te beletten dat andere invloeden daar konden binnendringen. Er werd een zgn. magische keten rond deze plaats gelegd. De plaats zelf moest ‑ gezien onze menselijke instelling ‑ bepaalde kenmerken vertonen die voor ons tekenen der goden waren. In vele gevallen was dit een bepaalde vorm van boomgroei; in andere gevallen kon het ook een bepaalde vorm van rotsformatie zijn Deze plaats werd dus door ons zodanig afgeschermd (door ons eigen denken in feite, maar dat wisten wij toen niet), dat hierbinnen een brandpunt kon ontstaan voor de macht die wij daar vereerden.

Wij gingen nu over tot het houden van symbolische spelen en handelingen. Daarbij kwamen verrichtingen voor, die u waarschijnlijk sport zou noemen. Er werd bv. geworsteld. Maar als ik een bepaalde kracht noem “het goede” en een andere kracht “het kwade” en deze beide worstelen, dan kan de einduitslag voor mij betekenen dat ik weet, of het goede of het kwade in de komende tijd overwint. Het vreemde is dat een dergelijk orakel bijna altijd juist was. Het is achteraf te begrijpen. Want degene die optreedt voor het kwade, weet dit niet. De strijders weten zelf niet wiens kleuren zij in de strijd dragen. Voor elk hunner bestaat de mogelijkheid dat in zijn overwinning de vruchtbaarheid van het land en de welvaart van de staat is gelegen. Zij zullen dus het uiterste doen om niet te falen. In latere tijden was het zelfs zo dat hij die werd overwonnen gelijktijdig werd bestemd tot offer. Een reden te meer voor een mens om het uiterste te doen om te zegevieren.

Doordat wij deze mensen dus lieten vechten, zonder dat zij een instelling hadden, was ons denkbeeld en ons oordeel over hun waarde bepalend voor de kosmische krachten die zij vertegenwoordigden. Zo zouden zij dus door de invloed van de kosmische krachten bevorderd of belemmerd worden. Mits gelijkwaardige kampioenen werden gekozen, was de uitslag dus inderdaad bepalend voor de kosmische verhoudingen.

Een ander voor u misschien wat vreemder ritueel ging uit van het huwen van bepaalde krachten. Soms werd dit uitgebeeld door mensen. In andere gevallen bestond het uit het mengen van bepaalde vloeistoffen of bv. soorten meel, of meel en wijn. Wanneer wij geloofden dat daarin een bepaalde kracht lag en dit met de volle intensiteit van ons wezen deden, gaven wij daaraan een betekenis die ver uitging boven de eigen geaardheid.

Het is duidelijk dat ook op deze wijze bepaalde kosmische werkin­gen werden weergegeven; en een menging die werd beproefd, maar tegen het kosmisch bestaande inging, kon niet slagen. Waar kosmische werkin­gen evenwichtig waren en wij dus in staat waren een eenwording daarvan op aarde symbolisch te bewerkstelligen, was deze eenheid ‑ omdat er bij ons geen voorkeur in kosmische zin bestond ‑ kosmisch bevestigd en moest als zodanig op ons uitwerken.

In uw oren zal dit alles als bijgeloof klinken. Toch weten wij uit erva­ring en ook uit later onderzoek, dat al deze krachten‑inderdaad optraden. Er bestaat een wereld van werkelijkheid die door de menselijke ge­dachten wordt geschapen. Ik heb leren beseffen ‑ zij het lange tijd, na­dat ik uw wereld had verlaten ‑ dat de menselijke geest vaak is als een lens, waardoor bepaalde delen van het kosmisch spectrum op een bepaalde plaats geconcentreerd kunnen worden. Wanneer dit met voldoende intensi­teit geschiedt, zal dus de gedachte bepalend zijn voor de omstandigheid die ontstaat. Door het feit dat ons denken op het werkelijk wereldverloop bovendien een zeer grote invloed heeft want – dat bepaalt onze wijze van reageren en beleven –  zullen wij inderdaad die kosmische invloeden voor onszelf tot werkelijkheid maken.

De gedachtegang was verder dat je kunt spreken tot een God. Spreken tot een God kun je niet doen als tot een mens. Het is dus niet mogelijk om zonder meer een vrije, een volledig vrije taal te gebruiken.

Daarom zullen bepaalde talen dan ook verschillende inwerkingen kunnen hebben en kan in uw tijd een zuivere vertaling van bv. een Indiase tekst in een Engelse of in Een Nederlandse tekst ‑ ondanks de volledig gelijke betekenis ‑ een geheel andere invloed hebben. Zo werden vele spreuken en incantaties in die dagen genomen uit oude en dikwijls haast vergeten talen. Zij hadden hun betekenis door de klanken, waarin zij zich uitten en de inwerking die zij daardoor op ons konden hebben. De regels die daar­bij aan de priesters en de magiërs werden geleerd, waren als volgt;

  1. Het is belangrijk dat elke klank juist wordt geïntoneerd. De klank moet volledig en rond worden uitgesproken. Wanneer de klank onvolledig is, mist zij haar uitwerking en kan zij in samenhang met andere klanken soms het tegendeel van het beoogde veroorzaken.
  2. Het is belangrijk dat de juiste cadans wordt aangehouden. Elk woord en elke reeks van klanken moeten worden beschouwd als een gezang, als een melodie, want de goden verstaan onze woor­den niet maar onze gedachten. Deze gedachten worden gedragen door de melodie van de woorden die wij gebruiken, niet door het woord zelf.
  3. Het is belangrijk dat wanneer men een bepaalde tekst begint, deze tekst ook geheel wordt beëindigd, ongeacht wat er verder gebeurt. Want omdat wij niet precies weten hoe de goden denken, zou het afbreken van de tekst kunnen betekenen dat een God vertoornd wordt of ons verkeerd begrijpt. De gevolgen daarvan zouden niet te overzien zijn.

Er zijn natuurlijk vele regels geweest; maar wat ik u noem zijn ‑ in de beperkte vertaling die de beschikbare tijd toelaat ‑ alleen enkele van de hoofdlijnen.

Aan de hand daarvan werd veel gezongen en veel geïncanteerd. Wij maakten daarbij een groot verschil tussen de persoonlijke incantatie en wat je misschien het best een massa‑zang kunt noemen. Wij kenden daar­om koren van priesters, koren van priesteressen; wij kenden bepaalde be­antwoordingen of keerzangen van leken; en daarnaast de voor bepaalde priesterklassen bestaande persoonlijke incantaties en de omvattende in­cantaties, die alleen voor hogepriesters bestemd waren.

Wanneer u dit alles hoort, dan lijkt het misschien wat dwaas. Maar ik verzeker u dat wanneer wij op de heilige plaatsen samen waren en met de opeenvolgende klanken een bepaalde sfeer opbouwden en de gedachten van de mens in een zeer bepaalde cadans en kader wisten te leiden, daaruit zeer veel groots en goeds werd geboren.

Offeren geschiedde in onze dagen veel. Het offer ‑ onverschillig welke vorm het aanneemt ‑ is het aanbieden van een gave, iets van jezelf aan de godenwereld. Het bloedoffer dat in mijn tijd ook werd erkend en als belangrijk werd beschouwd (later heb ik ontdekt dat dit niet noodzakelijk een offer van een leven behoeft te zijn; wij wisten dat niet), is zelfs het zenden van levenskracht uit onze wereld naar een andere wereld en daardoor het scheppen van een bijzondere verbinding tussen beide. In deze offers wisten wij eveneens contacten te leggen met andere werelden. Ik besef nu dat het de werelden van de geest zijn en niet alleen de machten van bepaalde goden. Maar toch waren deze dingen feitelijk voor ons aanwezig.

Dat sfeer een zeer grote en een zeer belangrijke rol kan spelen bij alles wat men magie noemt, zult u ook uit de mond van anderen vaak genoeg hebben gehoord. Wanneer een mens primitief is en dicht bij de natuur staat, zal sfeer voor hem meer betekenen dan voor een mens die bv. in een stad is grootgebracht. Want wij allen kenden in deze dagen het gevoel van het naderend onweer of de opluchting na een onweer. Wij kenden de storm die zich aankondigde, maar ook de stilte die eraan voorafgaat en de verademing na het laatste oproer dat erop volgt. Wanneer je de tekenen kent van de komende regen of van de droogte, dan zul je onwillekeurig gevoelig zijn voor invloeden die velen in uw dagen niet meer kennen.

Sfeer was voor ons waarschijnlijk nog belangrijker dan voor u. Wij bouwden onze incantatie altijd op in een vast systeem. En dit systeem was de lofzang.

Eerst looft men de kracht, die men wil benaderen; en in die lofzang wordt zij omschreven. Er is een voldoend aantal van dergelijke zangen, maar ik wil u er één noemen die ‑ naar ik meen goed geconserveerd zijnde –  ook in het Nederlands nog iets van de oude kracht bevat. Het is de erkenning van het Vader‑Moeder‑wezen dat werd gezien in zon en aarde.

“Gij, Vader, met Uw stralende kracht en uw werkend licht, wij kennen heel Uw wezen en weten dat Gij leven wekt. En Gij, o Moeder, die het leven baart, Gij zijt de grootse aarde en Gij draagt het leven in zijn duizend kleuren. Vader Licht en Moeder, Die mij baart, wees mij een kracht.”

Het gezang omvat meer. Toch denk ik dat u alleen aan deze onvolkomen cadans in het Nederlands iets kunt voelen van datgene wat ons bij dergelijke zangen kon beroeren.

Daarop volgde over het algemeen de eerste incantatie die het doel van de bijeenkomst scherper formuleerde. Dat kon zijn bv. het vragen van een orakel of het zoeken van een bijzondere gunst. Ik wil er één die het verkrijgen van een orakel als doel stelde, hier ten dele herhalen.

“Gij, Aangezicht van Licht, Gij, Die het duister verdrijft en kenbaar maakt wat leeft, U roep ik in mijn nederigheid en bid U, doe de wolken gaan en doe Uw aanzijn schijnen op tijd en toon mij.” (En dan volgde de vraag om het visioen).

De periode van intentie wordt meestal gevolgd door een offer. Dit offer wordt gebracht ‑ naar gelang van de intentie en de plechtig­heid ‑ door priesters, priesteressen en soms ook door notabelen of zelfs door daarvoor uitgekozen mensen uit het volk. Het brengen daar­van gaat met bepaalde gezangen gepaard, die naar gelang van de aard der plechtigheid kunnen verschillen. Ze zijn over het algemeen eento­nig en hebben een ritme dat enige overeenkomst vertoont ‑ nu nog mis­schien ‑ met de Griekse reien. Dat kan o.m. zijn:

“Wees stil, gij wind en zwijg, gij vogel, laat de wereld rustig zijns”

Het is een gesproken tendens, die gelijktijdig het ritme aangeeft voor de bewegingen die men maakt.

Wanneer het offer is gebracht, volgt in de meeste gevallen een priesterzang. Ik wil deze niet afzonderlijk herhalen, vooral omdat de me­lodie zeer eenvoudig is en vaak bestaat uit het afwisselen van twee of drie tonen t.o.v. elkaar, weer gepaard gaande met de juiste woorden.

Daarna komt de hogepriesterlijke incantatie. Een dergelijke hoge­priesterlijke incantatie is niet te begrijpen. Zij bestaat uit woorden, waarvan men de betekenis allang heeft vergeten. En als ik deze in het Nederlands zou moeten weergeven, dan kan ik daar moeilijk een concrete vertaling van geven. Maar ik kan proberen het in uw taal te benaderen.

“Ik ben Uw wezen, zon.

Ik ben Uw wezen, kracht.

Ik ben de macht en spreek Uw woord.”

(Inleiding.) De priester verliest zichzelf en neemt de persoonlijkheid aan van de God, Die hij vertegenwoordigt. En dan spreekt hij als zon.

“Ik heb Uw leven gebaard.

Ik ben Uw licht.

Ik ben de kracht van het land der doden en het land der levenden.

Ik ben de kracht, Die Al bezielt.

Ik ben het, Die in vruchtbaarheid de dagen telt.

(Vaststelling) Ik ben.

En dan wordt de wil, het doel van de bijeenkomst of de offerande dus, door de hogepriester eveneens volgens een vaststaand rituaal uit­gedrukt. Ik kan u misschien ook hiervan een voorbeeld geven. Maar sta mij toe dit te wijzigen, opdat geen ongewenste centrering of werking tot stand wordt gebracht, maar alleen om iets van deze oude cadans te doen herleven.

“In de naam van de oneindige God, Die ik ben, in de naam van de oneindige Kracht, Die ik ben, zo zeg Ik: Laat er zijn de kracht des vredes. Laat er zijn de rust en de helderheid der gedachten. Luistert, gij geesten der elementen, luistert, gij wezens der wereld, luistert, gij verborgenen en gij, die nog uzelf niet kent, want dit is Mijn Stem.”

Dan komt er een eigenaardige ritmische variant. Ik zal hiervoor als doel nemen de vruchtbaarheid van het jaar, want hiervoor zijn zeer veel varian­ten mogelijk, die echter alle zeer bijzonder waren vastgelegd en door de ouderen met grote nauwkeurigheid aan hun opvolgers werden geleerd.

“Dat er zij vruchtbaarheid en kracht. Dat de zon regere en het land bare. Dat er zij het Licht en de vruchtbaarheid. Dat de wind zich beteugele en de wolken brengen de regen. Opdat er zij Mijn wil vervuld, de kracht der eeuwigheid en licht.”

Hier hebt u dus één van de vormen, die ‑ zoals u merkt ‑ is gebaseerd op een drietonig schema, maar zelfs in de Nederlandse vertaling en improvisatie toch nog iets brengt van die oude spanning.

De magie met haar ritueel was in de oudheid de kracht waardoor de mens de krachten der gedachten, de kosmische eenheid met hogere machten en wezens, samenbracht op een bepaalde plaats, in een bepaalde handeling, in een bepaalde erkenning. Ik weet dat die dagen voorbij zijn. Want waar zijn de gelovigen, die onbewust aanvaardend meeleven zonder te beseffen? Waar zijn degenen die als priester levend, de oude wijsheid uit zichzelf putten en doorgaven aan komende geslachten, de rituelen bouwden en maakten tot de magische koepel, waaronder het mogelijk is de krachten der natuur te bevelen, de toekomst te kennen, ja, de wereld der goden te doordringen met de behoeften der mensen?

Deze dagen zijn voorbij. Maar dat wat ik u als een voorbeeld gaf, leeft nu nog. Ook in u is iets wat reageert op de klanken die ik uitbracht. Ook in u is een gevoel voor die vreemde ritmen. Of meent ge misschien boven die primitiviteit te zijn verheven? Ook in u is de lens van het gevormde denken dat inhoud kan geven aan het eenvoudige ritueel, dat inhoud kan geven aan elke daad en handeling en de plaatsen kan heiligen en afzonderen. Want gij, zowel als wij, behoort tot de mensen. En dat wil zeggen dat mijn stoffelijk verleden en uw stoffelijkheden niet ver van elkaar zijn verwijderd. Leer en denken zijn veranderd, maar dezelfde kracht is gebleven, ook nu nog. En de klank kan de mens tijdelijk een spanning en een kracht geven die hij uit zichzelf nimmer kan verwerven.

Ook nu nog kan de gevormde gedachte de natuur doen gehoorzamen, waar menselijke middelen falen. Ook nu nog kan men de tijd overwinnen door het innerlijk ritueel van het magisch beleven.

Men heeft mij gevraagd u te spreken over de magie.

De magie is het instrument dat ge moet leren hanteren en dat u niet zonder meer geboden of gegeven wordt. Het is iets waarmee je moet worstelen tot je het kent. Toon voor toon, ritme voor ritme, kracht voor kracht, denkbeeld voor denkbeeld. Maar het ligt in deze tijd; de tijd die voor u komt, de tijd die voor ons op dit ogenblik een enorme werkzaamheid en strijd in onze sferen betekent. Magie, vrienden, bestaat voor u nog, als u haar kunt beleven en erkennen.

Misschien is de tijd dichtbij dat ge beseft, wat dit alles betekent. Ik wil hieraan niet veel toevoegen, maar ik wil u wel de oude wens geven die de priester sprak wanneer na offer en volbrenging der riten de kring werd gesloten voor een laatste maal en een laatste maal de kracht werd erkend. Een groet die de mens huiswaarts moet zenden, bewust of onbewust gebonden in die eenheid van gedachten, die uitgrijpt boven het stoffelijk erkennen en kunnen in de vreemde magische wereld van met elkaar werkzame en vervlochten sferen.

Ik zal ook deze vertalen en slechts iets van het ritme aanhouden, omdat klanken zonder zin uw nieuwsgierigheid zouden prikkelen en de ware zin van de dingen zouden verhullen in plaats van onthullen.

“Rond ons zijn de krachten van de goden. Rond ons zijn de geesten van de aarde en de lucht, van het vuur en het water. Rond ons zijn de banden van de kosmos en de krachten van hen die onsterfelijk en hoog het lot der stervelingen regeren.

Volbracht is wel de taak. Gaat, gij geesten, vliedt dat, wat ge niet erkent en draag met u het bevel. Mensen der aarde, krachten der Eeuwigheid gaat. Gaat met de vrede en met de kracht, verbonden met het beslotene, verbonden met Uw wezen, verbonden met de werkelijkheid.

In de naam van de Eeuwige, de Lichtende, Hij, Die heerst, de Vader, in de naam van Haar, Die gesluierd is, de barende en de Moeder, zeg ik: Gaat, dragend Hun kracht, dragend Hun zegen. Opdat uw wegen zullen zijn vol voorspoed, uw dagen zullen zijn het erkennen van de Kracht Die u geschapen heeft.”

Het zegt u misschien niet veel, maar het is het heenzenden. Het zenden in vrede en het zegenen dat uw tijd niet meer kent. En toch wil ik tot u zeggen, deze woorden: Gaat in vrede, verbonden met de krachten rond u, erkennende de Lichtende en Eeuwige met u, ervarende in de waarheid die is in deze tijd. Opdat uw wegen mogen zijn lichtend, uw pad helder en uw toekomst vol van vrede.