Onstoffelijke krachten op de wereld

image_pdf

8 mei 1953

Aan het begin van deze avond de gebruikelijke waarschuwing. Wij weten allemaal geloof ik zo langzamerhand wel wat deze behelst. Wij kunnen nog niet alles overzien, daardoor kunnen wij ook niet beweren een absolute waarheid te kennen. Wanneer wij geen absolute waarheid kennen, kunnen wij slechts een mening geven, als groep, en deze mening is dus vatbaar voor elke kritiek. Ten tweede juist omdat wij wezens zijn die nu niet alles zo buitengewoon goed kunnen weten en alles kunnen bevatten, kunnen we fouten maken.

Deze beide punten behoren voor een ieder die streeft naar iets meer dan alleen maar een – laten we zeggen – gezellige en een hoogstaande avond, maar die zoekt naar geestelijke waarde en waarheid, die moet dus zelf denken, wij kunnen u alleen geven dat wat we hebben, meer niet en dat doen we dan ook zo eerlijk als ons slechts mogelijk is. Als onderwerp voor vanavond heb ik gekozen: “onstoffelijke krachten op de wereld”. Ik hoop dat uw belangstelling daarvoor zodanig is dat u mij niet zult verwijten dat ik u enige tijd heb zitten vervelen.

Er zijn nl. zoveel krachten op deze wereld die niet van stof zijn en die toch aan de andere kant in uw persoonlijk leven zelfs in kunnen grijpen soms. Weliswaar niet ingrijpen door u een wil op te leggen, maar dan toch wel door u te helpen. We weten allemaal dat er wordt gesproken over feeën en elfjes, over kobolden en kabouters, over allerhande fantastische figuren in de legenden, dat in de sprookjes dezelfde figuren naar voren komen.

En het zou begrijpelijk zijn dat hier de volkeren zich een eigen voorstelling hebben gemaakt. Maar dat neemt niet weg dat er voor die voorstellingen wel een oorzaak moet zijn geweest.  En nu heeft men getracht om het op de volgende wijze te verklaren, alle krachten in de natuur werden door de primitieven – want zo noemt men dan, misschien zelfs enigszins minachtend, degenen die lang voor u geleefd hebben – de primitieven hebben deze krachten in de natuur verpersoonlijkt en daaruit zijn dan al die sprookjes gegroeid. Het is natuurlijk een aardige uitleg, maar dan mogen we ook niet vergeten dat buiten het sprookje en buiten de mythe, de geesten ook een rol spelen. Wanneer we in het Oosten praten dan hoort men daar voortdurend over geesten, ja men gelooft zelfs aan bepaalde natuurgeesten die bv. in een boom leven. Hoeveel heilige bomen bestaan er eigenlijk niet, hoeveel heilige dieren, hoeveel geesten beheersen niet een bepaalde berg of een bepaald gebied.

Dat dit ook nu nog bestaat, zonder enige reden, dat zou m.i. te dwaas zijn. En dan gaan we verder en dan komt daar bv. een geloof, een religie en die praat ook weer over geesten, praat over engelen en over duivels, praat over diegenen die de heerlijkheid aanschouwen en diegenen die verdoemd zijn, kortom men praat aan alle kanten over geesten en men fundeert een groot gedeelte van zijn geloof en van zijn levensbeschouwing vaak juist op deze feiten.

Wanneer dat het geval is, nogmaals, dan kan dat niet allemaal maar fantasie en dwaasheid zijn. En daarom moeten we eens gaan kijken wat er nu eigenlijk voor mogelijkheden bestaan. Allereerst natuurlijk de geest die geen werkelijk leven heeft, de geest die als het ware door uw gedachten wordt gevormd, door uw gedachten wordt gevoed en in stand gehouden.

Deze geest bestaat werkelijk, deze geest kunt u uzelf opbouwen naar een voorstelling die u kent. En deze geest zal volkomen handelen zoals u verwacht dat hij handelen zal, m.a.w. uw vrezen en verlangen – buiten u geplaatst in een persoonlijkheid die u omschreven hebt – wordt tot een beïnvloedende macht, want in dit wezen komen niet slechts uw eigen begeerten en verlangens tot uiting, maar ook die van anderen, deze worden samengebundeld op een bepaald terrein en op dit terrein versterken ze elkaar.

Is het dan een wonder dat er vele – door schepselen gemaakte – demonen ronddwalen over de wereld? Is het dan zo verwonderlijk dat er vreemde, heimelijke figuren – door een naargeestig duister dwalend – voortdurend de mens in voetangels en klemmen trachten te brengen, hem geestelijk en lichamelijk trachten te kraken? Laten we het nu maar eerlijk zeggen zoals het is. Men zegt: waanzin is bezetenheid, ik zeg erbij: die bezetenheid kan bestaan uit het bezeten worden door eigen verlangens, die te gevoelig werden voor gelijksoortige verlangens van anderen. Ook daar krijgen wij al een bezetenheid. U zult dus begrijpen dat dit wel het eerste is waar we rekening mee moeten houden, vooral omdat juist deze wezens de onvolmaaktheid van de mensheid zo sterk in zich dragen, dat zij voor de mensheid zeer gevaarlijke machten worden. De absolute boze – de werkelijke duivel – ach, die is eigenlijk te slecht, daar is de mensheid bang van.

Maar zo’n half bezielde demon die eigenlijk alle zwakheden van de mens vertoont, die kan men vertrouwen, daar gaat men toe over om die te beschouwen als een deel van het gezin, men gaat hem beschouwen als een deel van  de persoonlijkheid of als een soort private God die voor u zorgt. Wij zien dit ook in de goede richting gebeuren, ik denk hier bv. aan het aanroepen van heiligen. Ook hierbij zeer vaak een legende – niet in overeenstemming met de feiten – die een dergelijke, vroeger geleefd hebbende persoon, maakt tot uiting van een bepaald wonderverlangen, een wonderverlangen waarbij voortdurend smekingen, gedachten als het ware, geconcentreerd worden op hetzelfde punt, zij versterken elkaar en worden tot een zelfstandige macht die inderdaad, vaak geestelijk versterkend en helend kan werken.

Ook deze geesten dwalen er rond. Geloof me, wanneer werkelijk heiligen bestaan – ik voor mij, ik vind het een tamelijk dubieuze uiting hoor, een heilige – maar wanneer er werkelijk heiligen bestaan, dan zullen deze niet zonder meer de dienstknechten zijn van de mensen en dat is iets waar men ze toch vaak toe maakt door hun afbeeldingen te gebruiken als magische afweertekens tegen bepaalde ziekten en ongevallen, een naam aanroept tegen gebeden die worden tot magische formules. Deze dingen hebben niets, niets meer met de persoon zelf uitstaande, maar ze hebben een macht geschapen die onder de naam en gestalte – vaak de gestalte zoals die door een kunstenaar eens werd gegeven – toch rondgaan en werkzaam zijn onder de mensheid.

En wanneer we deze – door de mensen gemaakte dingen – eerst bekeken hebben, dan moeten we verder gaan en ons afvragen: bestaat er nog meer leven, geestelijk leven, dat zich op een of andere wijze op aarde uit? En dan leren we onmiddellijk dat er vele geesten zijn die op een of andere wijze gebonden zijn aan de elementen. Er zijn geesten die in het water leven.  En nu moet u niet denken dat ze daar als een soort Triton of een waterelf rondzwerven, maar zij leven mee, juist in dit element, ze zijn niet mens en ze zijn toch stofgebonden.

Deze geesten zijn niet verdoemden, maar over het algemeen hebben zij toch niet een zodanige gelukkige levenssfeer dat zij aan zichzelf en aan hun God genoeg hebben. Ook zij zullen dus vaak trachten de interesse in het leven die hun mankeert, de rust waarnaar ze zoeken, te vinden door middel van de mensheid. Ook zij doen te gelegener tijd een beroep op de mensheid en vinden zij daar gehoor, dan versterken zij als het ware zichzelf met de krachten van de mens – de gebeden en de offers van de mens – en maken zichzelf ook zo weer tot geestelijke krachten die in kunnen gaan grijpen in het leven en wel door bepaalde dingen te bevorderen, andere tegen te houden, ja zelfs in sommige gevallen door fenomenen te produceren die op de mensheid een sterke indruk maken.

Dan hebben we buiten deze elementaire geesten – zoals we ze noemen – nog weer een andere categorie, ik zou willen zeggen van de gestorvenen die aards gebonden zijn. Het is misschien wat vreemd om daarover te praten, u kunt zich dat niet voorstellen, nietwaar, als u dood bent en u bent geest, dan kunt u toch er niet aan denken dat u terug zult gaan naar de wereld, of, zegt u erbij, ik moet bijzonder ongelukkig zijn. Maar laten we niet vergeten dat voor sommige mensen een zekere macht een roes is, aan welke bekoring ze zich niet kunnen onttrekken. Dergelijke individuen – niet geestelijk hoogstaande over het algemeen, daar zij door geweld een beïnvloeding van een ander voortdurend tot stand willen brengen – zullen zich ook weer getrokken voelen tot die omgeving waar ze de mogelijkheid vinden zich te uiten.

Zo vinden we – wat we zouden kunnen noemen – de magiër, en wel de zwartmagiër, heel vaak terug als geest bij de wereld, waar ook hij tracht zich een positie te verwerven als een soort Godheid, vaak een zeer wrede Godheid, maar een kracht in ieder geval die de mensen beheerst. Wanneer we dit gezien hebben, dan kunnen we nog wel een eindje verder gaan, want buiten de zwartmagiër is het ook begrijpelijk dat vaak een z.g. witmagiër niet in staat is zijn begonnen werk zonder meer te verlaten, en dat hij toch niet de kracht bezit en de macht om zichzelf in het leven te handhaven zonder meer. Ook deze kan vaak een langere tijd nog blijven vertoeven bij de mensheid en trachten invloed op die mensheid uit te oefenen. Nu hebben we eigenlijk zo alles gehad wat er van de mensen van belang kan voortkomen en wat met de mensheid in direct contact staat. Dit zijn n.l. alle krachten die hun kracht grotendeels of geheel ontlenen moeten aan de mensheid die hen dient of vereert, of althans erkent of vreest. Daar buiten echter bestaan er anderen.

En te spreken over boze geesten, ach, dat vind ik eigenlijk een beetje pijnlijk.

Want zijn deze geesten werkelijk boos? Zijn ze werkelijk zo verstokt in boosheid als men aan wil nemen? Of zijn zij misschien geesten die alleen in vernietiging verlossing denken te kunnen vinden? Ik kan mij voorstellen dat sommige geesten – gedreven door een intense haat tegen het gevormde bestaan – trachten alles te herleiden tot de chaos. En juist waar zij dit doen, zullen zij uit de chaos die zij stichten, zeer vele krachten voor zichzelf kunnen buitmaken, die dan onmiddellijk weer ter vernietiging worden gebruikt.

Dergelijke geestelijke krachten zijn de werkelijke duivels of demonen, zij zijn de werkelijke boosaardige geesten die – wanneer zij macht krijgen – de vernietiging betekenen van mens, land en volk. En ook deze zijn bestaande krachten, echter vinden wij in dezelfde categorie anderen die slechts bepaalde dingen ontkennen, ze zijn niet de absolute geestelijke anarchisten, maar ze zijn degenen die een deel van eigen bestaan wensen te ontkennen.

Deze zijn het gevaarlijkst want, waar zij bepaalde dingen positief doen en dus – wat het menselijk oog en verstand noemt: goed tot stand brengen – kan men zich haast niet voorstellen dat deze  nu werkelijk kwaad en demonisch zijn. Toch is dat het geval, ook zij zijn demonisch, ook zij zijn duivels, satanisch, omdat zij bij hun positieve daden toch altijd een deel van de mensheid, en dat is over het algemeen juist zijn vrijheid, zijn geestelijke vrijheid, trachten teniet te doen. Deze zijn het die zichzelf willen maken tot heerser van het Al en bereid zijn om onder zekere voorwaarden ook wel degelijk iets goeds te doen, maar dan moet het ook alleen van hen uitgaan en elke, ook nog zo’n kleine afwijking van hun eigen ideeën en plannen, die straffen zij verschrikkelijk. Ziet u, ook deze geesten zijn gevaarlijk.

Dan kennen we verder nog andere grote machten en dat zijn machten die we werkelijk jubelend mogen begroeten, want zij zijn de krachten van opbouw, zij zijn de heersers die bouwen op de wereld, zij leven als heersers, soms over een groep van dieren, van planten of van mensen, soms leven zij als heerser over een planeet of over een zonnestelsel.

Sommigen van hen zwerven in de duistere wolken rond die nu eenmaal in het Al verspreid zijn en trachten van daaruit nieuw leven tot stand te brengen of de mogelijkheid tot nieuw zijn.  Zij zijn de heersers en meesters van vorm en schoonheid. En deze nu, trachten ook hun macht te doen gelden. Zij doen dit echter niet op de wijze waarop de demonische kracht, de satanische kracht, dit tracht te doen. “Demon” is eigenlijk niet goed uitgedrukt hiervoor, maar het is hier gebruikelijk en daarom mag ik het ook wel zo zeggen. Laten we dus maar zeggen “satanisch”, dat is beter. Deze niet satanische krachten wensen ook een zekere macht, maar zij wensen die niet voor zichzelf, zij wensen hun macht te gebruiken om u meer macht te geven, zij zijn de bouwers, zij willen u zelfstandig zien, zij willen u groot maken. Maar juist omdat ze dat willen, laten ze veel meer dan de andere kant aan uzelf over.

Meer dan de ander zijn ze geneigd om u met een raadgeving of een aansporing te helpen en verder ter zijde te staan. Wel willen ze ingrijpen in de totale omstandigheden, wanneer dat noodzakelijk is tenminste, maar om zich te gaan bemoeien met de vorming van individuen, met de beheersing daarvan zelfs, dat is eigenlijk beneden hun waardigheid en strookt niet met hun bedoelingen. Zij zijn de krachten die ook voor ons van zo’n groot belang zijn, zij zijn degenen die wij vaak onze meesters noemen, zij zijn het die ons tonen in visioenen en gedachten de waarheid van het zijn en het leven, zij zijn het ook die verantwoordelijk zijn voor het verrijzen van profeten die de mensheid op een bepaalde tijd tot inkeer moeten brengen, die de mensheid opnieuw moeten wijzen op de weg tot ontvluchting van de slavernij van het demonische, van het satanische.

Boven deze staan er nog vele anderen, zij echter staan niet in een direct contact met de wereld en als zodanig kunnen we ze dus rustig buiten beschouwing laten.

We hebben nu een aantal hoofdgroepen gehad, waarbij blijkt dat een groot aantal negatieve groepen staat tegenover één positieve groep. Die positieve groepering die gaan we niet onderling verdelen, dat doen we bij de anderen wel, want wat positief is, werkt samen en dat kunnen we nu niet zeggen van de krachten die chaos of vernietiging wensen, want zij wensen niet alleen chaos en vernietiging bij u, maar ook bij elkaar, ja zij streven vaak een volledige zelfdestructie na en het niet bereiken daarvan is hun een reden tot toorn en kwelling. Hieruit kunnen we de conclusie trekken dat al wat goed is, als eenheid handelend optreedt – ook wanneer ieder zijn eigen taak heeft en krachtens deze eenheid machtig is tegenover het kwaad – maar nooit zo machtig dat wanneer u het kwade kiest, ze u kunnen dwingen om wat het goede is – waarden die overigens voor elk individu verschillend zijn – te doen. Zij mogen van deze macht geen gebruik maken, want daardoor zouden zij het worden die uw leven léven en zouden ze u maken tot een slaaf, u vernederen in plaats van u op te voeden tot dat wat ze wensen, de vrije en bewuste geest.

Nu zult u zeggen: nu heeft u helemaal niet gesproken over uzelf en over de verschillende groeperingen en geesten die er ronddwalen. Toch zijn ook die de aandacht waard, dat ben ik direct met u eens, maar zij treden meestal op in contact en verbinding met één van de genoemde groeperingen. Vaak zien wij dat diegenen van de overgeganen die werken op aarde in negatieve zin, de slaven zijn van zeer wrede meesters en dat zij tot dit vernietigende werk worden gedwongen, willen zij niet zelf een onnoemelijk lijden ondergaan.

Zij worden gedreven door angst, zij weten vaak dat ze zichzelf vernietigen en toch gaan ze door. Dat zullen ze u niet vertellen, dat zullen ze u trachten te verbergen, dat is logisch.

Want men zegt niet: kom en wees mijn slachtoffer, men zegt eerder: kom ik zal je wat schenken. En zo zien wij dan ook deze geestelijke krachten op aarde vaak een schijnbaar positief werk doen. Dit schijnbaar positieve werk echter vrienden, houdt in, dat het in werkelijkheid voor beide zijden negatief is. Het is de negatieve waarde, de ontvluchting van pijn, voor de geest vaak van angst, van paniek, van duisternis en het betekent voor u een ontvluchting van de realiteit, de werkelijkheid van het bestaan. Deze werking is negatief.

Wat u verleidt om in dagdromen te leven is vijandig vrienden, wat u verleidt om op te gaan in schone beelden van wat later eens zal zijn en daardoor het heden te verwaarlozen, is fout.  Dat wat alleen een schoon hiernamaals belooft, maar u niet zegt dat u fouten hebt en dat u die moet verbeteren tijdens dit leven, is fout.

U zult dus voorzichtig moeten zijn, ook tegenover ons, want wij spreken met u, maar u moet nu zelf maar uitmaken tot welke kant we eigenlijk behoren, nietwaar? Wij zeggen natuurlijk: we zijn goed en we menen het goed en dat meen ik ook oprecht wanneer ik dat zeg, maar die oprechtheid die hoeft u niet van mij te geloven, die moet u voor uzelf vaststellen, dan eerst bent u reëel, eerder niet. En dan hebben we natuurlijk ook de goede geest, de geest van de mens die inderdaad in staat is om met die lichtende krachten samen te werken, die zich aan de dwang en de vinding van het satanische heeft ontworsteld en die vrij is.

Maar die vrije mens is niet zo gebonden als vrije ziel, wordt niet op de aarde neer gedreven, wordt niet vervolgd door angst en hoon en kan – wanneer ze dat wenst en slechts dan – behulpzaam zijn bij het werk van de groten die zijn de bouwheren van het Al.

Zij zullen ook tot u komen en zullen tot u spreken, ze zullen trachten u te inspireren, ook zij zullen op alle mogelijke manieren trachten u te helpen. Maar er is één verschil: zij leggen nooit de neiging op, zij leggen nooit de dwang op, zij binden u niet, maar zij zijn het wel die u voortdurend voorhouden: ja, dat doe ik nu wel, maar wat is het resultaat daarvan?

Zij zijn het die voortdurend trachten een contact tot stand te brengen, niet tussen u en de geest, dat is makkelijk genoeg mogelijk, maar tussen u en uw God.

En daarmee is het zware woord weer gevallen “God”. Wat God is dat weet ik niet, hoe God is weet ik ook niet, ik weet alleen dat al die grote woorden die er bestaan voor Hem tekortschieten, maar dat is ook alles. Ik weet dat Hij vreugde geeft, maar ik kan het niet beschrijven omdat aardse vreugde en deze vreugde niet te vergelijken zijn.

Deze God nu, geeft aan een ieder voortdurend en te allen tijde de mogelijkheid zichzelf te vinden, maar Hij koopt u niet los van de demon aan wie u zichzelf als slaaf in handen gegeven hebt, u zult zelf los moeten komen en u kunt het.

Ook de satan, de satanische geest die streeft naar vernietiging, heeft voortdurend de mogelijkheid om zichzelf als het ware los te kopen, maar dan moet men zichzelf volledig kunnen verloochenen. Dit is een prijs die de meesten niet graag betalen.

Toch laat God deze mogelijkheid. En wanneer we dus zeggen: “wat moeten wij over de geesten rond deze wereld en de geestelijke invloeden op deze wereld eigenlijk denken”? Dan zeg ik: “denk er over met ontzag, maar denk er tevens over met een redelijk verstand, denk er over als iets waarmee men voorzichtig moet zijn, denk er over als iets wat grote waarde heeft, maar waarvan men altijd kan verwachten dat tussen de juwelen zo hier en daar een giftdoorn steekt”. Grijp niet te graag want het zijn de onbeheersten die als slachtoffer vallen, niet degenen die beheersend zijn. En al deze geesten, al deze krachten die rond uw wereld ronddwalen, die op uw wereld trachten in te werken, zijn niet zo gevaarlijk allen tezamen, nogmaals, als de geesten die uzelf oproept, geesten die geen geesten zijn maar drogbeelden, geschapen uit de begeerten, de gedachten en de wensen, het vaak perverse wensen en denken van de mens, dat hijzelf niet durft te uiten, maar dat hij de ruimte inslingert totdat het zichzelf vindende, een steeds grotere stroom van gedachtevorm krijgt en aanneemt en u datgene oplegt wat u voor uzelf tracht te ontkennen.

Daarom is het noodzakelijk uzelf te kennen, niet om God, daarom is het noodzakelijk dat u, hoe u ook gelooft, een geloof hebt en dat u durft daarnaar te leven. Daarom is het nodig dat u uw geloof niet baseert alleen op wat woorden, maar op uw eigen leven. Wanneer dat gebeurt dan zullen de meest gevaarlijke machten op de wereld – de machten door mensen tot stand gebracht en geschapen – aan kracht verliezen en sterven. Ze zullen moeizaam sterven dat is zeker, want zelfs het kunstmatig tot stand gebrachte geeft niet zonder meer zijn eigen samenhang op en vloeit terug in het niet. Ook dit wil blijven, ook dit zal zoeken uit alle macht naar levenskracht, naar mogelijkheid tot voortbestaan.

En daarom zult u reeds lang genezen moeten zijn voordat de vloek die u hebt opgeroepen als mensheid, wegvalt over u, ze blijft voortbestaan een zeer lange tijd.

De wijze die eens zei: “Zolang als een God nog één aanbidder heeft, bestaat Hij”, had reden om dit te zeggen, want zolang er iets is dat door u buiten uzelf geplaatst wordt – goed of kwaad en door u voortdurend vereerd – wordt het een werkelijkheid. Voor één mens zal dit over het algemeen niet sterk zijn, maar voor honderd is het een macht en als die honderd langzaam maar zeker schrompelt, dan kan die ene hem zolang in stand houden dat hij nieuwe vindt, vergeet dat niet. En wanneer deze vloek is weggenomen, dan is het gevaarlijkste weggevallen wat er bestaat. Dan zal de wereld niet meer geleid worden door deze vreemde krachten die – uit de mens geboren zijnde – de mens zo onmiddellijk aanspreken. Dan zal er alleen nog sprake zijn van het direct kwade en het direct kwade boezemt afschuw in.

Om werkelijk kwaad te zijn, om werkelijk slecht te zijn – niet zwak maar slecht en overlegd slecht –  is kracht nodig en moed. En wanneer men die kracht en die moed heeft en men ziet duidelijk het verschil, ach, dan zullen er niet veel zijn die het kwaad kiezen, dan zullen er velen zijn die het goede nastreven. En de zwakken? De zwakken zullen aan het goede steun vinden,  ze zullen aan het goede a.h.w. vinden de kracht om beter te zijn dan zijzelf waren.

Op aarde zijn veel vreemde machten en krachten en elk daarvan heeft zijn taak, elk daarvan heeft zijn verlangen, elk daarvan zoekt, zoekt en zoekt om te bewerkstelligen de enige gedachten die zijn werkelijke leven vormt.

Maar in ons allen leeft een werkelijke gedachte. Stofmens en geest, stof gebondene en vrije, in een elk is het verlangen geschapen naar hoger, naar beter, naar God. Ook al noemen we het geen God maar geven we het een andere naam, maar we streven allen naar God. Laten we dan dat streven tot een macht maken die ons leidt; laten we zeggen: we weten het, er zijn invloeden, geestelijke invloeden rond ons, maar wij mogen niet vertrouwen op hen om ons te leiden, want dan zullen ze ons misleiden, we mogen van hen aanvaarden een aansporing, een raadgeving, maar slechts dan, wanneer we ze zelf onderzocht hebben en ze gezond bevonden hebben. Wij mogen de geest om hulp vragen, maar wij moeten die hulp altijd vragen in de naam van God. Slechts dan, dan bestaat de mogelijkheid dat wij een werkelijk onderscheid vindende, de scheidslijn kunnen trekken die het goed van het kwaad scheidt zover als het ons aangaat, ons leven, ons menselijk en geestelijk zijn op deze wereld en verder.

En wanneer we dat kunnen, dan zal de weg niet zo moeilijk meer zijn, dan zullen we zeker ons doel bereiken. En dit vrienden, heb ik als beschouwing voor willen leggen. Wanneer er speciaal aan dit onderwerp bepaalde vragen verbonden zijn, dan wil ik die graag beantwoorden.

Vragen

  • Waarom maakt u speciaal verschil tussen satanisch en demonisch?

Ik maak verschil tussen satanisch en demonisch omdat het satanische principe is het ontkenningsprincipe, het chaotische principe, demonisch kan nog goed betekenen in een bepaalde zin. Het absoluut slechte is dus volgens mij satanisch, maar ik geef toe dat er wezens bestaan die men een demon noemt en die toch eigenlijk het goede wil, misschien nog niet kunnen, misschien nog gebonden zijn, maar die toch het goede willen. Het satanische is voor mij, laten we maar zeggen, het zwart, het demonische kan in sommige gevallen voor mij nog grijs zijn en daarom maak ik er verschil tussen, vooral ook omdat het woord “demon” in verschillende landen en verschillende filosofieën verschillende waarden kreeg, zodat een wijsgeer kon zeggen: “De enige God die ik ken is de demon die in mij woont”, waarmee hij bedoelde “mijn ziel”. En daarom moeten we wel degelijk voorzichtig zijn wanneer we het woord gebruiken en vandaar dat ik – ondanks het gewoontegebruik dat ik van deze term maak – toch heb getracht om dit onderscheid voelbaar en merkbaar te maken.

  • Iemand die zuiver denkt – “tracht”, laten we zo zeggen – die kan toch nooit gegrepen worden door één van deze machten?

Die kan niet gegrepen worden in het zuivere, maar wie zuiver denkt zij zeer voorzichtig dat naast het zuivere denken niet andere zwakheden onbemerkt in het leven verder sluipen, want deze zijn nu juist de plekken waarop een kwade macht vat kan krijgen en die deze kwade macht uiteindelijk kan maken tot een punt van waaruit het hele wezen wordt gedirigeerd. Een mens kan volkomen zuiver en eerlijk en netjes denken, kan volkomen hooggeestelijk denken, kan zo zuiver mogelijk zijn gedachte houden en toch – door een enkele lichamelijke zwakheid die onbeheerst is – langzaam maar zeker uit deze denksfeer teruggebracht worden tot een punt waar hij kwetsbaar wordt, geestelijk, en daar moeten we rekening mee houden.

  • Maar wordt hij dan niet meteen ook beschermd?

Denkt u dat men een mens tegen zijn eigen begeerten kan beschermen? Dat is het enige punt waar geen bescherming mogelijk is. En wanneer de mens zelf deze niet beheerst, dan kan geen enkele bescherming u baten. Men kan waarschuwen, maar wanneer uw lust, wanneer uw verlangen – onverschillig waarnaar – sterker is dan deze waarschuwing, wie kan u dan beschermen? Kunnen wij dat? De enige die het zou kunnen is God.

En die heeft wetten gesteld waardoor het zuivere wel degelijk veilig is, maar alleen als het zuiver blijft. Wanneer u zuiver en geestelijk zou denken, vrienden, dan bent u inderdaad veilig, maar op dat ene ogenblikje, die ene seconde, dat u zich door het een of ander van dit denken af laat brengen – van dit verlangen naar het zuivere leven, dat u uw aandacht ergens anders op richt – bent u weer toetsbaar. Laten we een voorbeeld nemen: een zakenman zit in zijn kantoor, hij heeft de hele dag met de meest ethische gedachte gewerkt, hij streeft werkelijk naar het goede voor de mensheid en hij tracht de wetten Gods te vervullen.

En dan komt er één ogenblik iemand en die stelt hem een zaak voor, een zaak die, nu ja, niet oneerlijk is, maar toch eigenlijk niet verantwoord. En die man die heeft bepaalde moeilijkheden en de verleiding komt, laat ik het doen. En hij laat zich dus verleiden. Hij zegt: “ik doe het niet”. Maar om een bepaalde rekening te maken en te zeggen: wat, zou ik daar nu eigenlijk niet beter mee zijn. Weet u wat ik bedoel? Alleen deze speculatie maakt deze mens toetsbaar, maakt hem vatbaar. En dan zal onmiddellijk zijn gevoel van onzekerheid, ik heb geen hulp meer, ik moet toch eigenlijk voor mezelf zorgen en mijn vrouw en mijn kinderen. Dat zal op hem toestormen van alle kanten, er wordt een aandrang uitgeoefend. En deze aandrang is dan maar al te vaak zo sterk dat, niet de eerste keer, maar misschien de tiende keer dat zoiets voorkomt, de mens bezwijkt. Want elke keer dat hij aarzelt komt hij het bezwijken nader, dat mag men niet vergeten.

  • Is er dan niet een Gods genade meteen?

De genade Gods is het leven, de genade Gods is de waarheid die u in dat leven wordt gegeven, de genade Gods is de mogelijkheid om uit dit leven op te groeien tot een beter en volmaakter leven, dat is de genade Gods. Maar de genade Gods betekent niet de spons die wordt gehaald over uw schuld. God vergeeft u zeer zeker uw misgrijpen.

Denkt u dat een misdrijf, dat dat wat voor God betekent? Voor Hem bestaat het niet eens, God is volmaakt. Maar wanneer u uw verhouding tegenover God reinigt door te zeggen: ja maar God, ik heb hier werkelijk schuld, ik wou dat het niet gebeurd was, ik zal zorgen dat het nooit meer gebeurt. Wat heeft u dan gedaan? Dan heeft u uw eigen verhouding tegenover God zuiver gesteld, maar denkt u dat één gevolg van deze schulddaden van u wordt afgenomen? Nee, die zult u moeten doorstaan, dat zijn de wetten, daar ontkomt u niet aan.

  • Die mijnheer zegt dat de goede geesten van een zeker kaliber door de profeten opstaan, in zekere tijden. Volgens de profeten zal door God die profeten opstaan. Zou u mij daar antwoord op kunnen geven?

Ach, is het niet begrijpelijk dat alles wat God nastreeft en werkt met de kracht Gods, in zijn uiting als kracht Gods kan worden aanschouwd? We kunnen zeggen, het Rijk doet de belasting innen of het Rijk schenkt u een toeslag. Doet het Rijk dat?
Dat doen de ambtenaren, nietwaar? En heel vaak zijn het de ambtenaren die er over oordelen hoeveel u zult krijgen en wanneer het zal gebeuren, wanneer het nodig is en wanneer men wat lichter met u rond moet springen, nietwaar, wat voorzichtiger en wanneer men u wat zwaarder aan moet pakken. Zij zijn het die dat beoordelen. Zeggen wij nu: deze ambtenaren zorgen hiervoor, dan hebben wij volkomen gelijk. Toch, wanneer we ons afvragen, waar komt het vandaan? Dan zeggen we: het komt van de Staat.
Wanneer wij zeggen, de verlichte – de grote geesten – doen profeten opstaan, dan hebben we volkomen gelijk, maar wanneer wij vragen: waar komen ze vandaan? Dan moeten we ook zeggen: ze komen van God, want zonder God zou deze geest deze kracht niet kunnen bezitten, zou zij het recht niet bezitten om dit te doen en zou zij dus ook niet deze werken tot stand kunnen brengen. En als u dan ook de vrijheid wilt nemen om de verschillende boeken door te lezen van de verschillende religies, dan zult u zeer zeker daarin steeds weer de aanduiding vinden van hoge geesten of engelen die een bepaalde taak hebben.

  • Maar ik heb niet in die boeken gelezen dat die engelen de taak hadden profeten te zenden naar de wereld, ik heb alleen gelezen dat God dat deed.

Inderdaad, en als u dat wilt aanvaarden dan zal ik u daar ook helemaal niet in hinderen, want dan aanvaardt u iets wat in de grond waar is. Uiteindelijk om hier te gaan strijden – neemt u mij niet kwalijk dat ik het zeg – of zelfs maar te verdedigen een zuiver technische kwestie – waar het principe gelijk blijft – lijkt mij betrekkelijk nutteloos.

Wij erkennen beiden God, het enige verschil wat we maken is, dat u zegt: ja maar, ik heb altijd gedacht en gehoord en ik heb nergens het tegendeel gevonden, dat God het onmiddellijk doet, en ik zeg God doet het door de krachten die krachtens Hem werken, dat is het enige verschil, nietwaar? Laten we daar niet over strijden, want ik geloof niet dat het de moeite waard is, want uiteindelijk, waarom zouden wij God en Gods werken gaan beoordelen? Wij mogen onze positie daartegenover vaststellen, maar om te trachten ze te beoordelen, mij dunkt daarvoor zijn we nog niet ver genoeg gevorderd.

  • Mag ik vragen, die boze geesten die tevens met negatieve en positieve krachten naar voren komen, waar kan de mens ze aan beoordelen of die ten goede zijn of ten kwade? Want u zegt dat die boze of positieve geesten negatief en positief werken, dus zodoende kunnen wij als mensen niet beoordelen wat ze feitelijk met ons voor hebben.

Dat kunt u ook inderdaad niet. En juist omdat dat praktisch onmogelijk is – het is u misschien mogelijk wanneer u bepaalde geestelijke bekwaamheden ontwikkelt – maar dan bent u niet meer alleen maar zuiver mens, dan wordt u mensgeest in menselijke vorm, zolang u dat niet kunt, kunt u dit niet vinden. Daarom heb ik ook gezegd: zij zijn juist zo gevaarlijk, u ziet het goede ervan en u zou geneigd zijn om zonder onderzoek dus alles als goed te aanvaarden. Juist dit – hierop heb ik de nadruk gelegd – mag u niet doen. U moet te allen tijde zelf handelen, zelf denken, zelf overwegen en zelf tot een conclusie komen.

En wanneer u dan zelf – zoals hier daarnet werd aangehaald – tracht om zo zuiver mogelijk te denken, om zo zuiver mogelijk te leven, dan zal het goede van deze geesten voor u hulp betekenen, terwijl hun kwaad voor u tot een quantité négligeable wordt, een kleinigheid, en dan zullen ze u helpen op het goede pad. Maar op het ogenblik dat u goed en kwaad gelijkelijk aanneemt, dan zult u vaak ontdekken dat u met vele goede gaven, andere hebt geaccepteerd, die u een zware, heel zware verantwoording oplegden, een verantwoording die u zelf zeer zeker niet verkozen zou hebben en het ware beter geweest dan, wanneer u zich niet teveel had laten leiden, maar uw eigen besluit had getroffen.

Het ego

 Nu krijgen wij een onderwerp te behandelen naar uw keuze. Gaat uw gang.

  • Kunt u ons iets vertellen over wat “ego” is?

Ego dat is de persoonlijkheid zelf. Nu en de persoonlijkheid zelf dat is één van de grootste raadsels die er bestaat. Want ik ben, dat weet ik wel zeker – tenminste van mijn standpunt uit – ik besta, ik handel, dus ben ik. Maar wat ben ik? Dat weet ik niet.

Ik heb gedacht dat ik mens was, nu denk ik dat ik geest ben en morgen denk ik misschien weer wat anders. Dat IK wat erin zit blijft toch hetzelfde. Dus “ego” dat zouden we eigenlijk moeten beschrijven als de kern van het denkend vermogen. Ik geloof dat we dan eigenlijk de koe bij de kop hebben gepakt, dat we dan weten waar we aan toe zijn.

Het vermogen dus om te denken en zich het zijn te realiseren, dat is het ego, dat is het IK en al het andere dat zijn maar begeleidingsverschijnselen die we eigenlijk niet meer aan het ego toe kunnen denken, die zijn maar tijdelijk. Toch kennen we een zeker egoïsme, dat kent u ook, dat is naar uzelf toe denken, nietwaar? En naar uzelf toe handelen. De meest eenvoudige vorm van egoïsme dat is, nietwaar, dat is: je geld of je leven. Daar heeft u het nu werkelijk uitgedrukt in een crue term. Dat egoïsme dat gaat dus uit van het standpunt: ik ben en rond mij is de wereld en die wereld is er daar voor mij en ik ben er niet voor die wereld, dat is egoïsme. Dat is een egocentrisch denken dus, dat zich in handelingen, daden en gedachten voortzet en uit.

Daaruit zou je eigenlijk gaan besluiten dat, als we ego op de keper gaan beschouwen, dat het niets anders is dan het punt van waaruit wij leven, het punt dat voor ons het centrum van ons wezen is. En alles wat er omheen ligt, dat betrekken wij in die handelingen mee, maar uiteindelijk willen we alles naar ons toe halen, we willen geestelijke wijsheid en we willen geestelijke waarheid, nietwaar? We willen graag een hartige hap op zijn tijd misschien en een andere pittige versnapering daarbij, we willen graag dit en we willen graag dat, we willen … voor onszelf. Ik geloof dus dat ik zelfs zover zou kunnen gaan dat ik zeg: het ego dat is niet eens de wil van de mens. De wil is maar een begeleidingsverschijnsel van het ego, van het zijn.

En dan komen wij weer voor de vraag, want u snijdt daar zo eventjes een onderwerpje aan, maar ik verzeker u, daar kun je hele bibliotheken over vol  schrijven en dan ben je er nog niet. Om kort en goed te gaan, het grootste raadsel van het ego is: is dit ego werkelijk een zelfstandigheid of is het een ervaringspunt van een macht of een totaliteit? En, nou persoonlijk wil ik direct aannemen, hoor, geloof ik dus en dat denk ik dat waar is, dat kan ik ook niet met zekerheid zeggen, maar voor mij is dat dan in ieder geval waar, dit, er is één groot wezen, dat wezen dat noemen we God. En in deze God zijn bepaalde punten die niet het totaal van alle ervaringen kennen en verzamelen en dus helemaal deel van het wezen zijn in de bewuste zin van het woord, maar die maar een heel klein deeltje van die ervaringen krijgen. En nu geloof ik dat eigenlijk het ego, dat dat het eigenlijke IK is. Maar ik zeg: ik weet het niet zeker.

Wat ik wel weet dat is dat de vorm van dat IK wel heel sterk verandert. Wat u vandaag bent en denkt, dat bent u morgen al niet meer. En gaan we dus het gehele wezen als ego beschouwen, nu ja, dan zouden we hoogstens een evoluerend ego moeten aannemen, maar dan zou in de evolutie dat ego zo nu en dan een aardige veer laten, nietwaar?

Denk alleen maar aan het feit dat je je lichaam kwijt raakt. Dus dat laat hele gebieden vallen. En ja zeker, we weten dat het die veren onder omstandigheden dan wel weer op kan pikken, maar dat is bijkomstig, dat is maar een mogelijkheid. Maar een feit is dat dat IK vrijer wordt naarmate het eigenlijk minder bezit en naarmate het minder vorm heeft en daarom zou je kunnen zeggen: het eigenlijke IK dat is een punt ergens in God, nietwaar?

En wanneer dat punt zich van die relatie tot God bewust wordt, nu ja, dan houdt het als ego op te bestaan. Dan kan het nog wel zijn eigen ervaring hebben misschien, maar het leeft niet meer in zijn eenheid, het leeft als een deel van het geheel.

Zo denk ik er over. Nou, is dat duidelijk genoeg zo in de gauwigheid?

Er is natuurlijk over die dingen nog een hele hoop te zeggen, dat ben ik volkomen met u eens. Maar mijn voorganger heeft zijn spreektijd ver overschreden, laat ik het dan nu eens anders doen. Laat ik nu eens zeggen: ik maak het kort en krachtig. Wanneer we een IK hebben, ja, ik ga er natuurlijk nog eventjes de moraal uit trekken, hoor, dat hoort er nu eenmaal bij, dan krijg je als het ware zo’n “snoepje van de week” op de koop toe.

Nu weet ik wel niet precies wat het “snoepje van de week” is, maar er is hier zo’n huisvrouw die zoiets vandaag of gisteren gehaald heeft, tenminste dat zit er zo’n klein beetje in verborgen, maar het zal wel iets aardigs zijn. Dus – om kort te gaan – hier heeft u dan mijn toegift: wanneer we uitgaan van het standpunt dat het IK alles is en de rest niets, dan komen we nergens, dan lopen we in het niet. En als we het andere aannemen, dat dat IK in God bestaat of op z’n minst – als ons dat dan niet bevalt – dat het direct naast God of bij God hoort, nietwaar, dan komen we er. Als we dat gaan zeggen: ja, nu ja God, God, God, ja, maar IK alleen, God in mij, dan zijn we fout.
Pas wanneer we gaan zeggen: “ik ervaar het feit van mijn zijn door een deel van de goddelijke kracht die in mij werkt en ik neem aan dat ik dus deel uitmaak van alle goddelijke kracht, dan moet ik ook niet voor mijn eigen zorgen maar voor alles waarin ik die goddelijke kracht erken”, dan komen we verder. En wanneer ik dan bovendien zeg: “in deze zorgen, nietwaar, moet u vooral zorgen dat ik rechtvaardig ben, vóór alles, dus dat ik een rechtvaardige ben, dat ik mijzelf niet bevoordeel boven een ander, omdat ik het nu toevallig ben”, dan geloof ik dat we een heel eind de goede richting uitgaan. En dan zullen we misschien eens zover komen dat we niet meer gaan zeggen: “ik”, maar dat we gaan zeggen: “er”, dat we onszelf dus objectief kunnen gaan zien. En als we onszelf niet meer subjectief ervaren maar objectief kunnen waarnemen, dan geloof ik dat we op een punt zijn waar we zo langzamerhand verder kunnen gaan praten over het ego, maar dat duurt nog wel even.

Vragenrubriek

  • Wie en wat was deze priester? Het priesterschap van Melchizedek, een type van het eeuwige priesterschap. Zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsrekening noch begin der dagen noch einde des levens hebbende, maar zoon van God gelijk geworden zijnde, blijft hij een priester in eeuwigheid. ( Hebreeën 7,  en Genesis 14 vers 18 )

Ja, het offer van Melchizedek. We kunnen natuurlijk zeggen dat Melchizedek het prototype is van de priester die het symbolische offer brengt. En als zodanig moeten we hem ook zien in de Bijbel. Hij is bovendien een heel eigenaardig figuur, want hij is Priester-Koning. Wij moeten dus bij zijn beschrijving rekening houden met het feit dat de figuur Melchizedek als zodanig voor een deel althans is te beschouwen als een symbool, hij wordt juist op deze wijze aangeduid en beschreven, omdat men hiermee aan wil geven: dit is het type van het ware priesterschap. Wat moet een priester zijn? Moet een priester een lesgever zijn? Nee, nietwaar? Een priester moet zijn: iemand die zelf de verbinding tot God weet te vinden en dan krachtens deze verbinding, zijn medemensen er mee helpt. En die kan dat dan symbolisch aanduiden, in brood en wijn, maar daar gaat het eigenlijk niet om, het gaat hier om het feit Melchizedek als leider van zijn volk, was hij tevens priester, daar komt het eigenlijk op neer als u het goed naleest. En deze Melchizedek heeft gevonden de weg om als een volkomen rein en eerlijk mens te staan tegenover God en zijn medemensen.

En dat drukt hij zelfs uit in zijn offer, daar hij niet een erkenning brengt aan een bepaalde vorm, een geuite vorm van zijn, maar aan het zijn als zodanig, daarbij alles uitsluitende, dus in alles tevens erkennende de goddelijke kracht die het tot stand brengt, daar komt het uiteindelijk op neer. Hij zegt niet: God is een bepaald iets, hij zegt: wij zijn en God is, dat is één, vandaar tijdloos. Wanneer we daarna komen op de Zoon van de mensen, die men ook wel noemt de Zoon Gods, dan staan we weer voor precies hetzelfde feit. Hij voelt in zichzelf het contact met het goddelijke en krachtens dit dient hij de mens. En eenmaal deze verbinding gevonden hebbende, kan die niet meer verbroken worden, vandaar het eeuwig priesterschap.  Ik hoop dat het in deze korte zinnen voldoende is samengevat, want we moeten natuurlijk nog meer beantwoorden.

  • Iemand vertelde mij dat in de tijd van Bonifatius het christendom met geweld werd verkondigd en iemand die dit niet aannam, zelfs vermoord werd. Is dit waar?

Dat is volledig waar en als u zich er voor interesseert dan kunt u o.a. zo eventjes nagaan de bekeringen die in die tijd werden bedreven – of iets later beter gezegd – door Karel de Grote, waarvan dan de beste voorbeelden bekend zijn. Zijn bekeringstactiek tegenover de Saksen hield in, dat men  of Christen kon worden of een kopje kleiner worden.

Dat is historisch vastgelegd. En verder kunt u ook lezen dat bepaalde christenridders – zoals ze zich noemden – in de door hen veroverde gebieden, het christendom met geweld oplegden aan al degenen die binnen hun bereik kwamen. Wij kunnen lezen dat voor die tijd aan het Byzantijnse Hof een bekering tot het christendom met geweld werd doorgedreven en dat daar zelfs – volgens sommige geschiedschrijvers – half waanzinnige horden van monniken door de straten gerend hebben en daar hebben uitgeroepen als het ware: “erken dat Christus, Jezus Christus God is, een Zoon van God en de enige God en anders slaan we u dood”.

Dat is door de geschiedschrijvers vastgelegd, dus dat was zelfs enige tijd voor Bonifatius. Dergelijke gevallen kunnen we ook lezen over de geschiedenis van St. Patrick en wel speciaal in de tijd dat hij nog in Normandië was. Wij kunnen verder dit nog nagaan in Duitsland bv., we kunnen het lezen in Italië, waar een dergelijke tactiek gedurende enige tijd werd gevoerd, waar het heidendom zoals het heet, dat nog leefde op de vlakten – waarmee men dan waarschijnlijk bedoelde de aanbidding van de Oude Romeinse Goden – te vuur en te zwaard werd uitgeroeid, overigens op bevel van de Bisschop van Rome.

Dan kunnen we verder heel goed nagaan hoe te vuur en te zwaard bv. men trachtte Moren en Joden te bekeren in Spanje. En dan kunt u ook nog even nagaan, hoe verschillende mensen – denkt u maar aan de geschiedenis van Hus, nietwaar, en eigenlijk de hele sekte van de Hussieten – hoe die tot het christendom werden bekeerd, of, nu ja, weg geëxplodeerd, want daar kwam het op neer.

Wat dan nog een genade heette, nietwaar, een zakje kruid op de borst en een zacht vuurtje aan de voeten. Als je het dan nog niet warm hebt dan weet ik het niet. U begrijpt dus dat deze zeer Christelijke manier van het christendom verbreiden, inderdaad bestaan heeft en dat daarmede uw vraag meer dan volkomen bevestigend beantwoord is.

  • Is er in uw sfeer muziek die overeenkomt met de aardse?

Nee, er is geen muziek die overeenkomt met de aardse. We zouden wel kunnen zeggen: we kennen bepaalde ervaringen die overeenkomen met het geïdealiseerde beeld van de muziek in uw wereld.

  • Was Krishnamurti werkelijk een reïncarnatie van Christus?

Nee. Men wilde in hem een reïncarnatie zien en men heeft alles gedaan om er een reïncarnatie van te maken. Het is helaas voor degenen die het getracht hebben, niet gelukt. Wij zien in de plaats daarvan een mens die waarheid en wijsheid zoekt, deze op zijn wijze tot uiting brengt en wanneer hij merkt dat zijn uitlatingen misbruikt worden en niet op de juiste wijze worden geaccepteerd, zich terugtrekt.

  • Moet de politiek niet buiten de godsdienst gehouden worden?

Is elke godsdienst geen politiek? Elke godsdienst die zichzelf en de in haar bevatte leefregels als bindend acht voor het totaal van de mensheid, moet noodgedwongen politieke organisatie zijn, dat kan niet anders. Slechts een godsdienst die leeft in de mensen en buiten deze mensen geen kracht hoeft, zou zonder politiek kunnen zijn. U kunt godsdienstig zijn zonder politiek, maar u kunt geen godsdienst verkondigen of stichten, zonder daar – of u het wilt of niet – een politiek drijven aan te verbinden n.l. het drijven van het totaal van de mensheid in een bepaalde richting, dat is politiek.

  • Wat is het begin van het leven? Hoe is het leven ontstaan?  Is de evolutieleer juist?

Een evolutieleer die een geleidelijke evolutie aanneemt is m.i. volkomen onjuist, al ware het alleen maar omdat wij te maken hebben met plotselinge verandering van omstandigheden voor het leven, waardoor dit leven op een geheel andere wijze zich moet uiten, en de aangepaste vorm dus zeer snel zijn oorspronkelijke waarden moet veranderen.

Dit is geen geleidelijke evolutie, dat is een dwangmutatie, een dwangmutatie waarbij de sterke overleeft en daardoor een geheel nieuw ras schept. Dat is op aarde meerdere malen voorgekomen. In zoverre acht ik dus de evolutieleer niet juist.

Ik geloof ook niet aan een evolutie die steeds iets voegt bij de persoonlijkheid of bij de geest. Ik geloof wel in een evolutie – als men die ten minste zo noemen wil – die de mens en de geest steeds meer bewust maakt van zichzelf, wat hij is en zijn verhouding tegenover het Al. En ik zie dit inderdaad ook niet als een geleidelijk proces, maar als een aantal perioden waartussen zeer korte en zeer hevige emotionele belevenissen liggen, belevenissen die dan tot plotselinge verandering van het hele inzicht, zelfs de leefwijze en de opvattingen moeten bijdragen. En dit voortgezet in alle bestaansvormen. Het ontstaan van het leven zelf zie ik als een ontwaken van de vraag: ben ik ergens in de chaos?

  • Is landsverdediging met wapens in strijd met het Evangelie, of zijn er mogelijkheden dat met het Evangelie dit te verdedigen is? Graag zou ik van dit vraagstuk, waar een Christen zich voor gesteld weet en geplaatst wordt, uw antwoord vernemen.

Wanneer u in de geest van het Evangelie handelt “nee”, wanneer u zegt: kunnen wij het met Evangelie verdedigen “ja”. In de Bijbel is praktisch overal wel een spreuk te vinden die alles verdedigt wat u wilt doen. Wanneer u de zaak uit haar verband haalt dan is dat heel gemakkelijk. Wanneer u echter logisch de tendens van Jezus’ prediking aanvaardt als realiteit, dan is zelfs verzet tegen de naaste niet noodzakelijk, ja zelfs eigenlijk al verboden.  Simon Petrus wordt verboden schade toe te voegen, ofschoon hij zijn Meester verdedigt.  Als hem dat verboden wordt terwijl hij zijn Meester verdedigt, hoe moet dan deze zelfde Meester denken over iemand die een land, een vlag, een natie of een begrip verdedigt?  Was Hijzelf ook niet een begrip? Ik geloof niet dat Hij dat goed zou keuren. Maar wat ik wel geloof dat is dit: dat de ontwikkeling sedertdien andere omstandigheden noodzakelijk heeft gemaakt en dat een verdediging met de wapens in de hand zo nu en dan noodzakelijk wordt, wil men zichzelf blijven. Het is nu niet meer de vraag: staat het christendom de verdediging toe, maar het is de vraag: kan het christendom voortbestaan zonder verdediging?

Of beter nog: kan een godsdienst – onverschillig welke – voortbestaan zonder verdediging? Wanneer wij ons weerloos maken, onverschillig op welk gebied, en wij hebben een sterke tegenstander, dan moeten wij wel zo stevig in onze schoenen staan dat we praktisch volmaakt zijn. Ik geloof dan ook dat de onvolmaaktheid van het christendom en de onvolmaaktheid van de Christen, de verdediging van ‘s lands grenzen zo nu en dan wel tot een noodzaak zal maken, ook met de wapens in de hand, ook al is dit op zichzelf niet christelijk.

Maar wanneer u mij vraagt zuiver evangelisch dan zeg ik “nee”. Zuiver evangelisch genomen volgens de gedachtegang van Christus is dit opnemen van de wapens niet geoorloofd.

Hij leert, nietwaar: wanneer men u slaat op de linker wang, keer de rechter toe. Dus dat is een kwestie van interpretatie, een kwestie van de oorspronkelijke gedachte en van de opvattingen die daarover mogelijk zijn. Interpreteren kan het Evangelie als u dat wilt, in de Bijbel en praktisch elk ander geschrift wel zo, dat ik er alles mee goed kan praten wat ik wil zeggen.  Er zijn ook mensen die het heel sterk toepassen en die met één of andere Bijbelspreuk zichzelf rechtvaardigen wanneer ze een ander onrechtmatig van zijn goed bevrijd hebben.

Maar dat houdt nog niet in dat dit Bijbels goedgekeurd is. Dat wil slechts zeggen, dat deze mensen voor zichzelf trachten hun daden met deze Bijbel goed te praten, dat is heel iets anders. Ik hoop dat dat voldoende is.

  • God alleen bestaat, God is volmaakt, dus positief. De universele God, de onpersoonlijke God is dus ook positief,  kan niet anders zijn, want God is leven en alle leven is in God. Hoe komt het dat tot dusverre in de mensheid het positieve, dus God, zo weinig tot verwezenlijking komt? Heeft een mens eigen gedachten?

Nou, ik geloof wel dat een mens eigen gedachten heeft, ja ik geloof echter wel dat die gedachten zeer sterk beïnvloed worden door de omstandigheden waaronder hij zich bevindt, het lichaam waarin hij zich bevindt, de opvoeding die hij heeft gehad en wat nog meer zij. Maar wanneer u zegt: God is volmaakt, dus positief, dan zeg ik: nee, want volmaakt betekent alomvattend. En dus in het alomvattende kan ik geen positief meer erkennen, dat zou een eenzijdigheid zijn. Op het ogenblik dat ik God positief noem, neem ik aan dat er iets buiten Hem bestaat dat negatief is. Neem ik aan dat alles in God bestaat en ook God volmaakt en alomvattend is, dan is alles wat u positief en negatief noemt in Hem. En ik geloof dan ook wel dat dit de oorzaak is van het feit dat de mens niet positief wordt – vanuit het standpunt van de mensheid dan – deze mens is positief en negatief, heeft tweeërlei waarden in zich en moet leren deze waarden zo in overeenstemming te brengen, dat daarmee inderdaad God benaderd kan worden. Vandaar ook altijd weer stof en geest, altijd weer de tweeledigheid van de mensen, de tweeledigheid van alle dingen. Niets bestaat er dat niet precies zijn tegendeel heeft, geen enkele kracht bestaat er die niet door een andere kracht volledig opgeheven kan worden, of zelfs ergens opgeheven wordt. Ik geloof dat al deze krachten en al deze dingen uit God voortkomen. Ik kan mij niet voorstellen dat er ergens een God op een troon zit en dat er een eindje verder, in de benedenverdieping een duivel resideert en dat ze allebei op hun manier een volmaakte wereld scheppen, de een negatief en de ander positief.

Dan zeg ik: die twee moeten ook weer ergens vandaan zijn gekomen en dan kom ik toch weer op één beginpunt terug. Ik geloof niet in een dualistisch godsbegrip, ik geloof in één God, zonder meer. Maar dan is deze God in Zijn volmaaktheid dan ook alomvattend.

  • Gelooft mijnheer in Jezus Christus als waarachtig Profeet en als waarachtig gezant van God? Zo ja, hoe denkt u over de verzoeking van Jezus Christus door de duivel in de woestijn, veertig dagen en veertig nachten?

Ik geloof allereerst inderdaad dat Jezus Christus een gezondene was die een taak had te vervullen op deze aarde en wiens taak stamde uit datgene wat wij noemen “God”  dus uit het meest positieve, maar misschien ook het meest negatieve wat er bestaat, afgaande op het voorgaande, nietwaar? Dus ik geloof inderdaad dat Hij een Godgezondene was.

Wanneer Hij in de woestijn gaat en daar de verzoekingen ondergaat, dan geloof ik dat in deze verzoekingen symbolisch de machten worden aangegeven die geestelijk verleidend in Hem optreden en die Hem de mogelijkheden voorspiegelen die voor Hem bestaan, wanneer Hij afwijkt van een voorgenomen houding. Ik zie dus deze verzoeking als iets symbolisch en ik zie zelfs het grootste symbool van alles in het punt waar wordt gezegd, nietwaar: Satan ga achter Mij. Waarmee niet wordt gezegd………..

  • Mag ik nog iets zeggen?

Ja zeker.

  • Jezus Christus, vervolgd door de heilige geest en vergezeld door heilige geest en toch werd Hij verzocht door Satan en door de duivel, niet voor een 5 of 10 minuten, voor één of twee dagen, maar voor veertig dagen. Nu kan ik niet begrijpen noch aannemen als iemand Zoon Gods zijnde en Profeet zijnde, vervolgd door heilige geest zijnde en toch werd Hij verzocht door Satan, dat betekent de heilige geest had geen kracht, dat Zoon zijn van God had geen waarde en Zijn profeetschap had geen waarde. Ik als heel zwakke mens, als ik wist dat Satan tegenover mij komt, wetende dat hij Satan is, ik zal nooit hem volgen, laat staan voor één maand of veertig dagen. Voor vijf minuten of voor een stap zal ik hem nooit volgen. Daarom is het moeilijk voor mij te begrijpen over Jezus Christus, want ik geloof dat Hij een Profeet, een waarachtige Profeet, een zachtmoedige Profeet was.

Inderdaad. Maar mogen we het nu misschien anders stellen? U stelt de Satan in dit geval als een van buiten optredende macht, maar dan is het wel heel eigenaardig dat de verzoekingen, de verzoekingen zijn die aan ieder mens, let wel aan ieder mens, eigen zijn. Allereerst beroep op de lichaamsbehoefte, voedsel. Zou dat niet geboren zijn uit het menselijke in deze Profeet? Het tweede: hoogmoed. Bewijs uzelf. Is dat niet de grootste verzoeking die een mens kan worden voorgegeven?

Bewijs wat je bent en ik zal je aanvaarden. Bewijs het me, maar in het bewijs zelf ligt een verloochening van de nederigheid, want men stelt zich niet meer in de wereld maar boven de wereld. Derde verzoeking: dit alles zal ik U geven als U mij aanbidt. Indien U de materie verlangt, Jezus, U hebt de krachten in U gerealiseerd – zo spreekt Hij als het ware tot zichzelf – dan zou je hier dit hele Romeinse wereldrijk kunnen nemen, Je zou de mensen achter je aan kunnen trekken tot één legerdrom, die alle landen overspoelt. Je zou heerser van de wereld kunnen zijn. Ik geloof dat ik deze Satanische verzoekingen zo moet interpreteren, waarbij ik voorop stel dat Jezus Christus in mijn ogen mens is en dat Zijn Zoon Gods zijn eerst uit Zijn mens-zijn voortvloeit en niet omgekeerd. En ten tweede stel ik dan dat mens zijnde, Hij moet delen in alle begeerten, verzoekingen en wat nog meer zij, van de mensheid.

En dat dus in dit verhaal dat wij als waar of onwaar kunnen beschouwen – want daar gaat het uiteindelijk niet om – de mensheid van Jezus uitdrukkelijk wordt bevestigd. En tevens wordt bevestigd het feit dat elke mens tegenover – wat wij dan noemen de Satan, de boze geest – staat, waarbij hij deze boze geest niet behoeft te volgen, maar waarbij elke zwakke zijde van zijn eigen wezen, waar deze invloed – versterkt vaak door het denken van anderen, dus een Satanische karakter – kan krijgen, een verleiding betekent en dat eerst elke onvolmaaktheid in de zelfbeheersing moet zijn overwonnen, proefondervindelijk, voordat men het recht heeft om te gaan en te zeggen: volg mij. Zo zie ik dat.

  • Ik geloof als u opnieuw de Bijbel leest het wel zeer moeilijk vind voor u om dit verhaal te verdedigen, want die verzoeking was niet zo eenvoudig, maar hij was ontvoerd door de Satan en de duivel, dus Hij moest gaan tot de top van de berg en daarna weer in de stad en de Satan heeft Hem meegebracht tot de top. Zo’n verzoeking voor mij dat is te gemakkelijk om dit verhaal in het geheel te verwerpen dat dit te zeggen, dat Jezus met zulke grove verzoeking, dat……

Gelooft u in de woordelijke waarheid van het beschrevene, ook de gelijkenissen in de Evangelies? Of gelooft u misschien dat het grootste gedeelte van hetgeen wat daar voorgesteld is, eerder een zeer symbolische waarde geeft, daar men tracht begrippen uit te drukken daarmee, die verder gaan dan de gebeurtenissen zelf. Dan ten tweede: behoort een lijfelijke ontvoering – die bij een letterlijke interpretatie inderdaad zou moeten worden aanvaard, dat geef ik toe – maar behoort die tot de uitdrukkelijk beschreven dingen, of zouden wij de mogelijkheid open kunnen latent dat visionair deze ervaringen tot Jezus kwamen. Zouden wij misschien verder kunnen zeggen dat de wijze waarop zij beschreven zijn, de interpretatie zijn van persoonlijke belevenissen en als zodanig reeds onjuist.

Maar tijd is tijd, ik moet het woord overgeven aan “Het Schone Woord”.

 Het schone woord

Ik laat aan u over de keuze van de onderwerpen en limiteer deze tot zes.

  • Maria – Eerbied – Vertrouwen – Vergiffenis – Mijn doel – Beleefdheid.

Juist. Ik zou willen zeggen dat wij vertrouwen kunnen op de broederschap die uiteindelijk het doel is om ons te leiden in beleefdheid en hoffelijkheid langs dezelfde weg, de weg waarop wij velen ontmoeten, ook Maria, de Moeder van Jezus, een weg die ons zal leiden tot het erkennen van onze fouten waardoor wij de vergiffenis daarvoor zullen verwerven.

Kunt u dit als these aanvaarden?

  • Ja

Men spreekt over hoffelijkheid en bedoelt de vorm  die door de wereld als norm wordt gesteld voor het uiterlijk zijn.
Maar beleefdheid is meer, het is vermijden van pijn,  toe te voegen aan anderen.

Het beleefd zijn betekent begrijpen, een broederschap  en deze niet te verbergen achter holle frasen. Maar eerlijk en wel gevoeld mee te werken  en ook de dwazen te helpen wijsheid te vinden.  Het betekent niet een ander te verachten  of een ander te minachten,  om eigen zijn en eigen werk.

Niet zich te voelen machtig en sterk tegenover een ander.  Het betekent in het geloof aan de mensheid  en de Schepper daarvan te gaan  de weg die wij allen moeten gaan,  een weg waarop wij alleen vaak de beproevingen niet kunnen doorstaan,  die ons worden voorgelegd, maar die, wanneer we oprecht worden gehouden door het geloof  tezamen kunnen gaan, tezamen allen.  En als vorm voor het samenzijn  zullen wij dan de pijn in onszelf, door een beleefdheid voor anderen kunnen verbergen,  opdat zij niet merken wat wij lijden  en dat zij niet zullen lijden door ons. Wanneer we zo onze weg gaan,  dan zullen we zien vele groten en sterken  die staan langs de weg, door hen reeds afgelegd,  die ons geven een hulp,  die ons nooit ontzegd wordt door onze Schepper. We zullen hen zien staan als een lichtende baken  die leidt ons door duisternis.

En het is zeker dat één van die bakens een vrouw, wier naam Maria is, zal zijn.  Niet is zij de sleutel en de poort,  niet is zij het geheiligd woord, maar ze is een gezuiverde, gereinigde geest,  die opwaarts is gegaan en onbevreesd  heeft doorstaan wat haar was opgelegd.
Zij heeft haar baan ten einde gebracht en rust in God. En strekt ons toch nog tegemoet het licht van hare macht,  om ons te leiden wanneer wij zoeken.  En wanneer wij over die weg zullen gaan,  dan zullen we voor ons zien staan de monsters,  de demonen van de duisternis  die allen werden uit het duistere van het persoonlijke zijn.  Dan zullen we gedreven door pijn terugwijken, dan zullen we laten blijken wat onze fouten zijn,  dan zullen we erkennen waar we hebben gefaald.  Dan zal voor ons de schuld niet worden betaald,  indien wij niet weten dat zij bestaat.

Wij zullen moeten zoeken waar wij gezondigd hebben  door waan of door haat, waar wij ons hebben vergrepen tegen de medemens,  waar wij de grens hebben overschreden. En wanneer we die schuld onszelf hebben voorgelegd én hem tegen onze Schepper hebben beleden,  ja dan, dan steunt ons Zijn kracht,  dan schijnt er een licht in de nacht, dan verdwijnt het doel dat altijd het doel is geweest, één te zijn met God en met Zijn schepping.  En wie dit doel kent zal vinden de weg die leidt  tot over het scherpe zwaard  in de tuinen van de oneindigheid.  Aan hem zal respijt worden gegeven  voor schuld die hij zichzelf heeft begaan.  Want indien die schuld, die daad zo zwaar misschien door hem begaan,  omdat hij streefde naar God,  dan wordt het vergeven, dan zal het lot hem wijzen waar hij heeft gefaald.  En wanneer hij die fouten niet herhaalt,  hem voleinding, rust en vrede geven.

Ik dank u voor uw aandacht.

image_pdf