Ontleding van de droomwereld

image_pdf

8 april 1966

Bij het begin van onze bijeenkomst wil ik u erop wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Denk dus zelf na en vorm u een eigen mening over alles, wat hier wordt behandeld. Ons onderwerp voor heden is, zoals u bekend zal zijn, getiteld: Ontleding van de droomwereld.

Droomwereld is een woord, dat wij niet alleen hoeven te gebruiken voor alles, wat men buiten de waakbewuste uren in een geheel eigen werkelijkheid pleegt mee te maken! De droomwereld omvat veel meer als bijvoorbeeld de ideeën en idealen van vele mensen. Zij omvat de achtergronden van het menselijke streven. Want het leven van de mens is niet alleen gebaseerd op wat wij de feiten kunnen noemen. Integendeel. De mens is erg knap in het ontgaan van het besef der werkelijke consequenties van alle wat hij waarneemt en stelt in de plaats van de werkelijkheid maar al te graag andere, fictieve waarden. Het is dan ook niet zozeer mijn bedoeling u een inzicht te geven in het wezen van de droom alswel van al datgene, waaruit deze vervreemding van de stoffelijke werkelijkheid kan ontstaan. Het is, naar ik meen, wel duidelijk, dat stoffelijke werkelijkheid en geestelijke werkelijkheid twee geheel verschillende dingen zijn.

Naast deze waarden kennen wij dan nog een mentale werkelijkheid, die geboren wordt uit de eigen interpretatie van de feiten.

U begrijpt al: Ook deze interpretatie verschilt wel veel van de werkelijkheid, zoals men die in feite elke dag beleeft en ook zou moeten erkennen. De geestelijke invloed hierbij kan zeer sterk zijn.

Zonder ons onmiddellijk te gaan vermoeien met alle problemen van incarnatie en reïncarnatie mogen wij toch wel aannemen, dat de mens, die op aarde geboren is, reeds geestelijke achtergronden zal bezitten. De geest heeft bepaalde eigenschappen, bepaalde gebreken en zeker ook een eigen plaats en doel binnen het kader van het geheel. Wanneer de geest de stof bezielt, zal zij daarop ook een invloed kunnen uitoefenen. Hoe groot deze invloed dan wel is? Ja, dat verschilt van mens tot mens. Wij kunnen echter wel stellen, dat de minimale invloed van de geest op de stoffelijke – instinctieve – processen rond 10% bedraagt, terwijl de meest bewusten op aarde rond drie kwart van de werkingen en invloed van de geest in de stof kunnen over brengen.

Verder dan dit komt men niet.

De geest kent echter een geheel andere waardering van leven en ervaringen dan men in de stof zal hebben. Zij schept een streven naar het andere, dat zuiver stoffelijk gezien niet redelijk is. Ik meen dat wij het ‘andere’ terug kunnen vinden in alle droomwerelden, die op aarde maar voor kunnen komen. Of dit nu romans zijn, politieke verklaringen of geloofssprookjes, want die zijn er ook. Altijd weer bemerken wij de hang naar het ‘andere’. Op grond daarvan stel ik: In de mens is een behoefte aan iets, wat geestelijk wordt gekend, maar materieel niet kan worden uitgedrukt.

Hierdoor ontstaat gemeenlijk een zekere vervreemding van de feiten. Deze vervreemding voert dan tot een geheel of ten dele leven en streven binnen het kader van een mentale wereld, welke dan een samenstel inhoudt van de wensen, de materiële feiten en de geestelijke invloed van het ik.

De mentale wereld. Zoals u aan uzelf misschien wel reeds hebt kunnen constateren, schijnt u niet nauwkeurig te observeren. U neemt wel waar, maar u selecteert uit de waarneming punten, waaraan u alleen uw aandacht wijdt. Er zijn dus steeds weer in alle feiten punten, die onmiddellijk in het oog springen, terwijl andere feiten of delen van feiten uit het bewustzijn worden weggedrukt. Ook in de natuur zien wij wel een dergelijk gedrag, waarbij imaginaire grenzen en waarden voor het leven bepalend zijn, maar nimmer in een zo grote mate als bij de mens: Waar deze denkt, gaan dergelijke limiteringen van waarnemen en vermogen een grote rol spelen. Deze rol kunnen wij misschien als volgt definiëren: Er is in de mens aan de hand van erfelijke eigenschappen en de scholing (vooral die, gedurende de eerste 7 jaren van het leven, hierbij de 6 maanden van mogelijk bewustzijn in de prenatale periode ingerekend) een voorkeur voor bepaalde stoffelijke aspecten ontstaan. Terwijl gelijktijdig een ontkennen of afwijzen van bepaalde aspecten van de werkelijkheid is gevormd. Dat, wat wordt afgewezen, zal in waarnemingen niet gerealiseerd worden. Dat, wat wordt begeerd of goedgekeurd, zal uitdrukkelijk worden opgemerkt en verwerkt. Het evenwicht, dat in de wetten en feiten der natuur is gelegen, valt voor het bewustzijn van de beschouwer weg, zodat gesproken kan worden van een eenzijdige en vaak onevenwichtige interpretatie van de werkelijkheid.

Nu heeft de mens in zijn leven een doel, dat maatschappelijk bepaald wordt. Maar dit maatschappelijke doel zal zelden of nooit stroken met het in het ik bestaande geestelijke doel.

Naarmate de geestelijke invloed in de mens nu sterker werkzaam is, zal hij dus, qua levensdoel en inzicht in de zin van het leven, van de massa afwijken. Een opvoeding en scholing, die een conformeren aan de gemeenschap, een delen van de denkbeelden van de massa, geeft dan het aanzijn aan een eenzijdigheid van beleven, welke vorm pleegt te vinden in een soort angst. Het gevolg is een verzet tegen juist die delen van het leven, die voor het ik van belang zouden kunnen zijn, maar door de gemeenschap anders worden geïnterpreteerd of gezien. Hieraan geeft men een aandacht, die onevenredig is aan hun belangrijkheid, zodat zij een veel groter deel van het leven beheersen, dan zij op grond van hun werkelijke mogelijkheden zouden verdienen.

Nu wij zover met onze omschrijving zijn gevorderd, wordt het tijd ons af te vragen, of de mens in het leven dan alleen te maken heeft met de materiële feiten. Dit blijkt, zover het bestaande feiten betreft, slechts zeer ten dele het geval te zijn. Want de mens blijkt in staat – zij het op beperkte wijze – datgene wat op aarde bestaat, om te buigen in de richting van eigen verlangens en inzichten. Indien hierbij niet een groter deel van zijn wereld, maar hoofdzakelijk de relatie ik-wereld in het geding komt, zal hij in het verwezenlijken van zijn persoonlijke waarden en aanpassing daarvan aan het geheel vaak bijna volledig slagen.

De innerlijke wereld en de innerlijke achtergronden zijn dan ook voor de mens toch wel zeer belangrijk. Wanneer wij spreken over factoren als begeerte, vrees en doel in het leven (waarbij men het doel wel eens wil zien als deel van de begeerte, maar dit acht ik niet geheel juist) zo moeten wij verder stellen: De invloeden van de geest en de stoffelijke gewoonte en aanpassing zullen niet alleen bepalen in hoeverre de geestelijke waarden in de stof beleefd kunnen worden, maar tevens vaststellen, op welke wijze de geestelijke waarden en noodzaken in de stof geïnterpreteerd zullen worden. Als voorbeeld: dit kan bepalend zijn voor de wijze, waarop men droomt. Kortom: Alle werkingen zullen gehoorzamen aan de in het ik ontstane unie van de drie voornoemde invloeden plus de geestelijke achtergronden. Ik moet proberen dit duidelijk te maken en neem daarom maar een voorbeeld: Er is iemand, die gelijktijdig iets vreest en begeert. Dit is zeer normaal en komt dan ook zeer veel voor. Men begeert bijvoorbeeld vrij te zijn en grote verantwoordelijkheid te mogen dragen, terwijl men gelijktijdig deze vrijheid en de daaruit voortkomende verantwoordelijkheden in het dagelijkse leven vreest en daarom teniet tracht te doen. De oorzaak daarvan is vaak een te gering vertrouwen in eigen mogelijkheden. Vandaar, dat ook dit voorbeeld een veel voorkomend verschijnsel is. Wij zullen bij zo iemand nu zien, dat de beperkingen juist in de droom plegen weg te vallen. De beelden van de droom zijn als het ware een spiegelbeeld van de feitelijke reactie ten aanzien van de feiten. De man, die in het dagelijkse leven graag ondergeschikte wil blijven, omdat hij niet meent anderen te kunnen commanderen of de verantwoordelijkheid te dragen voor zijn beslissingen, is in zijn dromen dan ook waarschijnlijk een piraat, een dictator, een wonderdoener. De vrouw, die normalerwijze vol zelfvertrouwen is en dit ontleent aan haar schoonheid, zal in haar droom vaak niet schoon zijn, maar bijvoorbeeld waardering vinden door haar (in het werkelijke leven niet aanwezige) eruditie. Men kan dus wel stellen, dat voor de onaanvaardbare of niet geuite aspecten van eigen wezen in de werkelijkheid het droomleven een compensatie vormt. Deze compensatie, die de normale droom in zich bergt, kan beschouwd worden als een factor, die de geestelijke gezondheid van de mens in de gemeenschap aanmerkelijk bevorderen zal.

Aan de andere kant moeten wij echter stellen, dat juist de droom een uitwijkmogelijkheid schept.

Deze uitwijkmogelijkheid kan zover gaan, dat zij een vlucht voor de feiten wordt. In dit verband geef ik enkele punten, die naar ik meen het geheel zullen verhelderen:

  1. Het totale wezen, omvattende de geest, de scholing en de erfelijke eigenschappen met daarnaast de feitelijke waarnemingen, representeert voor het ik de werkelijkheid, zonder dat dit de gehele werkelijkheid of zelfs een deel van die werkelijkheid hoeft te zijn.
  2. Daar het ego altijd in zich evenwichtig moet zijn om te kunnen bestaan als bewuste eenheid, zal elke eenzijdigheid van feiten of interpretatie worden gecompenseerd door even eenzijdige droombelevingen.
  3. Aangezien de interpretatie voor de mens een van de belangrijkste punten is in zijn pogen tot innerlijk evenwicht en juist beleven te komen, moeten wij aannemen, dat elke geestelijke beleving voor de stof geïnterpreteerd zal moeten worden volgens dezelfde normen, volgens welke stoffelijke belevingen en uit de stof stammende dromen, idealen enzovoort, geïnterpreteerd zouden worden.

Met deze korte stellingen komen wij waarschijnlijk reeds wat dichter naar een juiste waardering voor de droomwereld toe, maar in het gegevene mankeert nog iets. Ik heb namelijk niet gesproken over de mogelijkheid dat een geest een eigen leven in een sfeer kan voeren naast een bestaan in de stof, zodat er sprake kan zijn van een beleefde tweede of andere werkelijkheid.

Daarom stel ik: De geest, die zich uit binnen de stoffelijke mens, bezit eigenschappen die binnen deze stofmens niet tot uiting komen. De geest kan (en zal onder omstandigheden) in een wereld van de geest merendeels ook voorstellingswerelden (echter op een wat ander niveau) een geheel zelfstandig en eigen leven voeren. Er zijn dan (ook op aarde) gevallen bekend, waarbij enerzijds een geestelijke ontwikkeling normaal verdergaat, terwijl anderzijds daarnaast een stoffelijke ontwikkeling bestaat, die hiermede niet of nauwelijks verwant is en zich in de stof afspeelt.

Vergelijkt men echter dan beide schijnbaar geheel verschillende ontwikkelingen met elkander, dan blijken hun waarden elkander voor een zeer groot deel te compenseren.

Dit punt is belangrijker, dan u misschien zou denken; wanneer een openbaring plaats vindt (in de vorm van een visioen bijvoorbeeld) zien wij het volgende: De waarden van het visioen kunnen een zelfstandig en werkelijk feit zijn. Maar de interpretatie van de mens zal het vervormen tot iets, wat enerzijds voor hem in zijn wereld aanvaardbaar is (dus strookt met zijn doelstellingen, zoals hij dezen stoffelijk erkent) terwijl het in zijn interpretatie anderzijds tegemoet zal komen aan bewuste en onbewuste begeerten en angsten.

Ik neem een voorbeeld: Iemand droomt, dat de gehele wereld in duister gehuld is. Vanuit het oosten komt een rode vloed over de wereld golven. Eenieder is ziek en angstig, de mensen vluchten weg. De ziener vlucht eveneens, gaat op een ijsschots staan, drijft daarmede weg. Hij voelt zich groter worden. Opeens staat hij midden in een lichtboog en redt nu anderen, die zich rond hem in het water bevinden. De rode vloed wijkt voor hem terug.

De interpretatie die daarvan gegeven wordt, zal in vele gevallen als volgt luiden: Wij moeten erg voorzichtig zijn, want er komt een groot bijvoorbeeld communistisch offensief. Daaraan zal de gehele wereld ten gronde gaan. Maar degenen die (en nu spreekt de begeerte meer te zijn dan een ander) meer bewustzijn bezitten, zullen zich op de juiste wijze van de strijd distantiëren en een houvast vinden, waardoor zij gered zullen worden. Ook dit laatste is een veel voorkomende en zelfzuchtige vertaling, die beantwoordt aan de angst en haat, die velen onbewust koesteren voor een wereld, waarin zij zich de minderen voelen: “Ik word gered, maar de anderen, die zich mijn meerderen achten, zullen ten onder gaan.” Denk niet, dat dit iets uitzonderlijks is: Zelfs in de leer van vele kerken vinden wij iets dergelijks terug, waardoor de gelovige zich beter kan achten, dan anderen. Want eenieder, die gelooft en doet zoals hij, zal gered worden. Terwijl alle anderen maar beter zouden doen, alvast een voorraad wondolie, magnesiumpoeder en dergelijken als grafgave in de kist mee te nemen…..

In het visioen schuilt dus reeds een compensatiewerking: Men is de meerdere geworden. Het gaat echter nog verder. Men acht zich geroepen om anderen te helpen, waar geen hulp meer mogelijk schijnt en stelt, dat voor het ik een ogenblik zal komen, dat deze taak een werkelijkheid wordt en zo dank en erkenning van de gehele wereld zal brengen. Het is duidelijk, dat eigen angst voor de wereld hier wordt uitgebeeld als een vernietiging van de wereld. De behoefte, zelf belangrijk te zijn, zich een werkelijk deelgenoot te gevoelen in de schepping, is aanleiding tot de interpretatie, waardoor het ik verlosser kan gaan spelen. De begeerte zich te onderscheiden, die waarschijnlijk voortkomt uit het besef, dat men ondanks alles toch nog maar steeds een klein deeltje van de massa is, stelt het ik in een apart Licht en op een aparte plaats.

Indien wij nu echter alleen het beeld bezien en de daarbij door het ik gegeven interpretatie weglaten, krijgen wij heel iets anders te zien. Er is een rode vloed, iets wat rond de wereld gaat.

Wat dit is, blijkt uit het visioen verder niet. Het toont zich als water of als een zee. Dus moet worden aangenomen, dat deze werking zich snel zal verplaatsen en in zijn invloed ongelijkmatig sterk werkt op verschillende plaatsen. Men ziet de kleur als rood. Een kleur, die in het westen beschouwd kan worden als de kleur van hartstocht en vitaliteit. Het ik kan dit niet verwerken, vele mensen kunnen hiertegen niet op. Alleen wanneer je afkoelt (het ijs) en je gezonde verstand bewaart, is het mogelijk, om inzicht (Licht) te behouden. Degene die dit inzicht heeft, kan rationeel handelen, waar dit voor anderen onmogelijk zal zijn. Van de droom, die als een aankondiging van een wereldondergang wordt gezien, blijft dan na ontleding niets anders over dan de erkenning van een feit. Er gaat immers reeds nu en voor eenieder kenbaar een golf van onberekenbare volkshartstochten rond de wereld. In het ene land kan dit voeren tot revolutie en burgeroorlog, terwijl in een ander land het meest opvallende verschijnsel misschien iets is als ruim meer stemmen voor Koekoek, maar het is er. Wij kunnen aannemen dat dit nog even voort zal gaan.

De ‘ziener’ profeteert dus in feite niet, maar constateert. Hij kan alleen het geconstateerde voor zich niet als voldoende belangrijk bewust beseffen of aanvaarden. Het feit, dat men zich moet isoleren, is eveneens logisch: De ‘ziener’ beseft zeer wel, dat zeer vele onredelijke elementen aan het werk zijn, dat de onredelijkheid velen in situaties zal brengen, die met een noodtoestand vergeleken kunnen worden. Zijn beeld van redding en Licht wijst er niet op, dat hijzelf die redelijkheid bezit en behoudt, maar op het feit, dat hij angst koestert voor de ontwikkelingen en voor zich een redding verlangt. Ten laatste constateert de ‘ziener’, dat een zekere redelijkheid en vrijdom van hartstochtelijkheid in de verwarringen die bestaan, noodzakelijk zal zijn, omdat alleen zo anderen geholpen kunnen worden en het ego zichzelf voor vele verwikkelingen zal kunnen redden.

Gezien deze ontleding van de droom zal de ‘ziener’ dus in wezen niet veel meer of minder constateren, dan vele sociologen en psychologen in de wereld reeds constateerden, maar waar hij tot op heden bewust geen aandacht durfde of wilde schenken, het visioen is ontluisterd door deze verklaring. Aan de andere kant blijkt eerst nu, hoezeer ook dit een weergave is van een mens en zijn innerlijk besef en wezen. Wanneer wij een droom als deze ontleden, mogen wij haar niet alleen beschouwen als een prognose – ook al zijn prognostische dromen in de praktijk ook bekend en komen zij zelfs vaak meer voor, dan men oppervlakkig zou denken. Het is ook niet verstandig een dergelijke droom in haar geheel te willen zien als een openbaring vanuit de geest, al komt ook dit wel voor. Wij moeten de droomwereld altijd in de eerste plaats bezien als iets, dat stamt uit het innerlijk van de mens. Zoals ook de wereldinterpretatie van de mens kennelijk voortkomt uit zijn innerlijk, zijn denken, instincten, angsten en begeerten.

Ik geef nu een typisch beeld van een droomwereld, zoals deze voor sommigen als een deel daar werkelijkheid schijnt te bestaan. Ik stel: Naarmate er meer gelegenheid tot arbeid is, zal er meer verdiend worden. Naarmate er meer verdienste is, zal er meer besteed kunnen worden. Indien deze ontwikkeling ver genoeg wordt doorgevoerd zal er dus een ogenblik komen, waarop haast niemand meer hoeft te werken en iedereen rijk zal zijn. Dit laatste met de bijkomende verklaringen zal men niet stellen. Ofschoon het, gezien de wijze, waarop de manier van leven en werken wordt voorgesteld, slechts een logische consequentie zou moeten zijn. Men beseft echter, dat er ergens een fout schuilt en zal dus het laatst gestelde wel impliceren, maar nimmer rechtuit zeggen. Op grond van deze droom (want dat is het) stelt men, dat ten koste van alles, bepaalde dingen bevorderd moeten worden. Dit is echter een verblindheid, een angst voor bijvoorbeeld werkeloosheid, een crisistoestand, een rechteloosheid misschien. Zelfs de angst voor het ineenstorten van bijvoorbeeld een beurs kan hier een rol spelen. De basis van de angst is dus in wezen een zelfzuchtige. Dat de belofte van welvaart aan allen gegeven wordt, betekent slechts dat men angst koestert voor de massa, die men gelijktijdig enigszins zal verachten. Men voelt in de massa een bijna dierlijke macht aan en wil deze paaien.

Degenen, die dergelijke stellingen ‘voor de toekomst’ ten uitvoer proberen te brengen, zijn geen realisten. Zij voelen zelf zeer wel aan, dat zij ergens vast zullen lopen met hun streven, maar willen dit niet erkennen en grijpen naar onbewezen theorieën en eenzijdige verklaringen van feiten, om hun hoop te kunnen handhaven. Men beseft in wezen wel, dat er een ogenblik zal moeten komen, waarop de productie de verbruiksmogelijkheid zal overtreffen. Ofwel dat de beloning voor bepaalde arbeid zo groot zal worden, dat geen voor allen bereikbare productie meer mogelijk is. Men zegt echter dat dit niet waar is en tracht, door de onnut vernietigen en verbruiken van goederen, deze toestand zo lang mogelijk te vermijden. Men weet dit wel, maar zal dit nooit toegeven, zelfs niet als de feiten in de praktijk reeds kenbaar zijn. De dromers hebben immers in feite behoefte aan de zekerheid van mensen, die menselijk leven en begeren, eigen hoogheid en wijsheid steeds bevestigd te zien.

Dergelijke verblindende dromen zien wij steeds weer als motief, zowel in geloof als in politiek. De utopieën die wij kennen, of wij daarbij nu het jaar 2000 van Bellamy nemen, of teruggaan tot een utopie als het klassieke ‘de perfecte staat’, zijn in wezen verklaringen omtrent hetgeen men in de feiten vreest. Datgene, wat men voor zich begeert en daarnaast vaak een constatering van punten, die innerlijk als de zin van het leven worden aangevoeld. Dus de geestelijke invloed in de mens. Dit alles wil niet zeggen, dat de droomwereld à priori juist zal zijn. het betekent alleen, dat zij verklaarbaar is uit de mens en zijn menselijke (vaak niet erkende) motivering. Zij kan hem helpen bepaalde dingen waar te maken, maar naarmate hij meer anderen gaat betrekken in de droomwereld, zal het moeilijker worden iets van blijvende aard te bereiken.

De droomwereld heeft bepaalde nadelen: Zij zal bijvoorbeeld nooit werkelijk en geheel met anderen gedeeld kunnen worden, omdat de begeerten en angsten bij elke mens weer enigszins anders liggen. De invloed van de geest en daarmede ook de zin van het leven en de doelbewustheid van streven, zal ook van mens tot mens verschillen. Wij kunnen dus niet aannemen, dat wij een droom waar kunnen maken voor allen, wanneer de verwerkelijking ervan niet geheel in onze macht ligt en met geheel eigen middelen kan worden volbracht. Het is zelfs niet mogelijk aan de hand van visioenen een eigen droomwereld of innerlijke erkenning te stellen dat dit voor eenieder de juiste weg is.

Wij kunnen dus stellen: Droom, droomwereld, utopisch beeld en ideaal zijn niet de producten van stoffelijke feitelijke mogelijkheden, feiten, eigenschappen of behoeften. Zij zijn het product van de angsten en begeerten van de mens, eventueel versterkt met de invloed van de geest op het stoffelijk bewustzijn van de mens. Dientengevolge kan geen enkele droominterpretatie voor allen gelijkelijk gelden, kan geen enkel ideaal voor allen gelijkelijk waardevol bestaan, door allen kunnen worden aanvaard of gediend en zal geen enkele utopie door en voor de gehele wereld ooit kunnen worden verwezenlijkt. Misschien klinkt dit velen bitter in de oren, maar het is nu eenmaal een waarheid. Zelfs indien men het uiterlijke beeld van een utopie of ideaal waar kan maken, zal de inhoud ervan nimmer kunnen beantwoorden aan de verwachtingen, die men ervan koestert.

Dit alles sloeg op dromen, die men in het leven waar probeert te maken. Wij zullen echter ook de innerlijke droomwereld nog verder nagaan.

Begeren. In het menselijke leven begeert men over het algemeen datgene, wat onmiddellijk bereikbaar zijn ontbeert. Ofwel niet bereikt kan worden volgens eigen werkelijke wensen. Hierdoor zal het begeerde en het symbool daarvan altijd weer gebaseerd worden op de dingen, die men innerlijk erkent of aanvoelt als niet geheel bereikbaar.

Angst. Ook deze speelt een grote rol. Zij mag niet alleen worden gezien als een vrees voor het andere. Zij zal juist, waar het de droomwereld betreft, eerder gebaseerd zijn op innerlijke gevoelens van onzekerheid, dan op feitelijke mogelijkheden. De angst geeft aanleiding tot compensatiewerkingen, zoals wij dit ook vaak bij minderwaardigheidscomplexen zien. De nadruk wordt gelegd op de punten in droom en leven als belangrijk, die in eigen leven als te zwak worden gevoeld, terwijl daarnaast een gevolg van deze zwakte steeds door schuld van anderen ontstaat (desnoods het toeval) of wordt opgeheven door eigen verborgen meesterschap en goede eigenschappen. De geestelijke inhoud van de mens zal dan ook in vele gevallen niet tot uitdrukking komen in zijn streven in en met de wereld, maar als een beeld van eigen streven voor een wereld, die in vele gevallen schuldig, of machteloos zal zijn, terwijl de feiten van het leven bij deze beelden geen rol van betekenis spelen.

Nu kennen wij angstdromen: Dromen waarin dus de angst dominant is. Hierin zien wij, dat weinig aandacht wordt gegeven aan de oorzaak, eigen innerlijke of uiterlijke onzekerheden. Maar steeds de gehele wereld, met al haar onrecht, onberekenbaarheid en slechtheid wordt voorgesteld als zich, zonder kenbare reden, centrerende op het eigen ik. Het doel, dat men zich stelt (vaak ook zeer vaag omschreven) blijkt onbereikbaar geworden te zijn. Er zijn voortdurende frustraties, de mens draagt in zijn droom (en vaak in zijn beeld van het leven) alle lasten van de wereld.

Deze wijze om dromen te ontluisteren en idealen aan te tasten door ze te verklaren, zal voor velen niet bepaald bevredigend zijn. Ik heb echter reeds gezegd, dat er natuurlijk ook werkelijk prognostische dromen zijn, toegegeven dat er dromen zijn, waarin de geest een rol speelt. Maar laten wij voorzichtig zijn met die dingen. Wanneer het ik zou kunnen uittreden (wat onder omstandigheden ook meer bewust mogelijk is) zo zal nog elke beleving in de geest moeten worden aangepast aan het voor de stof denkbare en aanvaardbare. Ik geef ook hiervan een voorbeeld. Ik ben mij in de geest bewust van een grote gemeenschap. Met deze gemeenschap vorm ik een harmonie, zoals bijvoorbeeld door gezamenlijk zingen denkbaar is, door het gezamenlijk ontvangen van lering of zelfs door het alleen maar gezamenlijk spreken. Elke interpretatie van de harmonie zal op aarde zekerheid omvatten. Een mogelijke droom als gevolg van dit ware beleven: Ik bouw in de geest een huis. Of ik zie mij omringd door demonen en duivels, maar weet mij onaantastbaar. In dit laatste spreekt misschien angst en behoefte aan zekerheid mede een rol, maar toch wordt uitgedrukt, dat er een gemeenschappelijke waarde of kracht is, welke vrij maakt van dingen, die mijn wezen vreemd zijn. Geestelijk gezien zou men kunnen zeggen: Daar waar geen harmonie met mijn wezen bestaat en ik deze niet nastreef of toelaat, ben ik voor de niet-harmonische krachten onaantastbaar.

Een droom over dergelijke disharmonische aspecten, eveneens mogelijk door uittreding ervaren, zal waarschijnlijk vorm krijgen in de gestalte van iemand, die je werk kapot probeert te maken of je aanvalt. Nu wil dit niet zeggen, dat er een werkelijk conflict in de geest is geweest. Het beeld brengt alleen tot uitdrukking, dat men tijdens de uittreding gefaald heeft in het bereiken van een begeerde harmonie. Tijdens uittreding ziet het ik een ‘hoge’ geest. Nu zullen wij er goed aan doen ons niet bezig te houden met het uiterlijk van deze geest. Want het is opvallend, dat vele zogenaamde hoge geesten er in de realisatie van mens er uitzien als een enigszins vervormd H. Hartbeeld of een jonge en verfraaide boeddha in staande en zegenende pose, zodat de voorstelling, die men zich van zo een wezen maakt kennelijk is gebaseerd op reeds gekende stoffelijke voorstellingen.

Stel dus, men benoemt een hoge geest. Deze geeft u lering. Kan men nu ook weten, wat deze lering werkelijk inhield? Neen. Het vreemde is, dat deze lering meestal niet of slechts zeer vervormd in de stof onthouden kan worden. Droomt men, dat een hoge geest dus werkelijk begrijpelijke leringen geeft, dan zal men aan kunnen nemen, dat er geen sprake is geweest van uitgesproken leringen, maar dat eerder sprake is geweest van een gevoel van verbondenheid. De droom is dan dus niet een bewijs, dat bepaalde gaven werden geschonken, maar eerder een aansporing tot het uiten van een bepaalde harmonie. En dat is weer heel iets anders.

Ten laatste een punt, dat wij in deze gevallen vaak tegenkomen. De mens heeft in zijn stoffelijk bewustzijn het gevoel, voortdurend door boze geesten belaagd te worden. Dit kan wel berusten op bepaalde feiten, maar zelfs dan is het een kwestie van vliegen vangen met honing in plaats van met azijn, daar je door je innerlijke onrust sterk attractief voor minder lichtende entiteiten wordt. Erkent men in dezen echter een deel van eigen leven, zonder gelijktijdig te beseffen, dat het hier alleen gaat om een deel van eigen wezen, dat tijdelijk gezien wordt in een ander, dan kunnen dergelijke entiteiten, ongeacht hun werkelijke wezen, voor degene die ze ondergaat, tot werkelijke demonen worden.

In menselijke en psychologische termen kan men het nog eenvoudiger stellen: Het ik wil bepaalde delen van zichzelf niet als deel van eigen wezen erkennen, daardoor verkrijgen zij een afzonderlijk leven vanuit het standpunt van de waarnemer en gedragen zich als duivelen. Daarom stel ik hier nadrukkelijk: Wanneer men al in uittreding of droom zich achtervolgd weet door duivelen, is dit zeer waarschijnlijk geheel of grotendeels een spel van eigen verbeelding, voortkomende uit een onvoldoende erkenning van eigen wezen en waarden.

U zegt nu misschien: Dit is allemaal wel aardig en zelfs aanvaardbaar, maar mij rijst de vraag, of er dan niet ergens iets in een uittreding of door de geest veroorzaakte droom kan zijn, dat op waarheid berust. Ja. De waarheid van een geestelijke droom zal over het algemeen, evenals een harmonische uitreding, een gevoel van vreugde en veerkracht achterlaten. Men zal zich dus na het ontwaken, ongeacht het al dan niet aanwezig zijn van beelden in de herinnering, ongewoon blij, energiek en veerkrachtig gevoelen. Iemand, die met disharmonische krachten op geestelijk niveau of tijdens uittreding in contact is geweest, zal, ongeacht de beelden, die in de stof als ‘herinnering’ daarvan bestaan, zich loom, zwaar, vermoeid en mistroostig gevoelen. Dit laatste kan, omdat de herinneringsbeelden (doordat de interpretaties die men eraan geeft anders zijn) worden verklaard met een: Ja, maar ik heb in de geest zwaar en vermoeiend werk gedaan.

Ofschoon dit zelden op waarheid berust, zou ik toch zeggen, laat degenen, die zo denken, hun illusie maar, want anders gevoelen zij zich helemaal ongelukkig.

Er is dus geestelijke waarneming mogelijk, zelfs indien deze zich hoofdzakelijk in gevoelens en niet in geheel juiste beelden zal uiten. Indien echter het beleven tijdens uittreding of geestelijk contact tijdens een droom geheel zou stroken met de grondwaarden van de persoonlijkheid, dus datgene wat is opgebouwd uit geestelijk bewustzijn, scholing en erfelijke eigenschappen, zo is een volledige overdracht van een werkelijk gebeuren wel mogelijk binnen het kader van het stoffelijke begripsvermogen.

Conclusie: In de droomwereld zien wij vaak een geestelijke of andere werkelijkheid optreden of mede optreden, doch alleen waar een volledige harmonie bestaat tussen de mentale structuur van de belevende persoonlijkheid en diens geestelijke beleving of contact, is een onvervormde overdracht in de materie mogelijk. Daar men slechts zelden zeker kan zijn, dat dit het geval is, dient men alle geestelijke dromen of uittredingsdromen niet te interpreteren als openbaringen vanuit een andere wereld of belofte van wezens uit een andere wereld, maar slechts als aansporingen om in eigen bestaan bepaalde daden te stellen en bepaalde problemen voor zich en anderen op te lossen.

Wat ons weer brengt tot de prognostische droom, die op aarde wel het meest bekende deel van de droomwereld schijnt te zijn. Wij kennen allen wel verhalen als: Een meneer ziet, in een hotel, vier mensen met een doodkist sjouwen over een binnenplaats. Hij informeert, wie er gestorven is: Niets bekend. Vier dagen later ziet hij echter precies hetzelfde. Ook nu ontkent men eerst.

Doch hij ontdekt, dat iemand zelfmoord heeft gepleegd….. enzovoort. Dit is een bekend deel van deze droomwereld, waarbij de waarneming in de toekomst ligt. Opvallend voor de leek is hierbij, dat de man in kwestie niet bewust slaapt. Hij kijkt eenvoudig naar buiten en ziet, in plaats van de ogenblikkelijke werkelijkheid, opeens een fragment van de toekomst. Hoe kan dit?

Wij moeten dan allereerst stellen: De menselijke geest en ook de mentale vermogens van de mens zijn niet zo sterk tijdgebonden als het lichaam zelf. Er bestaat dus een veel grotere gevoeligheid voor toekomstige mogelijkheden, die ook veel meer als werkelijkheid worden gezien en gevoeld, dan lichamelijk zou kunnen worden verwacht. In ogenblikken, dat geen concentratie in enigerlei zin optreedt, maar wel sterke gevoelens of indicaties voor komende ontwikkelingen kenbaar zijn, zullen daarom sommige personen mentaal een conclusie trekken, die over de werkelijkheid geprojecteerd wordt als een feit. Zo ontstaat een geschouwd beeld, dat niet onvermijdelijke waarheid geeft, maar een grote waarschijnlijkheid in de toekomst weergeeft.

Dit is dus één zijde van deze beelden. Er zijn andere verschijnselen, die al even bekend zijn. Een daarvan is meestal een wekdroom. Men ziet opeens een vriend, bekende, vader, moeder, de kamer binnenkomen en bijvoorbeeld aan het voeteneinde van een bed staan, stilzwijgend en droevig. Deze figuren groeten vaak stilzwijgen om te verdwijnen. Wat is hiervoor de verklaring?

Hier is sprake van een geestelijk contact, waarin een boodschap, een weergave van een overgang, gelegen is. Dit is dus een sterke gedachteprojectie, die ook het mentale bewustzijn van de mens beroert. Op het ogenblik, dat hiervoor geschikt is en dus niet op het ogenblik, dat de impuls wordt uitzonden, maar soms vroeger en meestal later (soms zelfs veel later) krijgt de onbewust ontvangen boodschap prioriteit over alle andere impulsen. Het beeld is dan de interpretatie van de opgevangen impulsen.

Stil. Stilte is bij dood een normale associatie. Afscheid. Eveneens een normale reactie. Wenken, kussen en dergelijke. Een uitdrukking van de verbondenheid, die in de impuls tot uiting kwam.

Spreken echter vergt een omzetten in woorden van de impuls. Daar deze in de meeste gevallen emotioneel en niet verstandelijk was, zullen wij zien, dat de meeste personen, die op dergelijke wijze hun dood kwamen aankondigen, niet spraken.

Ook hier kunnen wij van een droomwereld spreken, daar de waarneming dus niet werkelijk, niet geheel echt is. De mens heeft echter iets, wat wel echt is, via zijn zintuigen en rede een bepaalde vorm gegeven, waardoor de ervaring kenbaar en aanvaardbaar kan worden. Het opvallende hierbij is, dat details aan de gestalte worden weergegeven, die normalerwijze niet konden worden verwacht of gekend. Voorbeeld, een man is verdronken. Hij wordt gezien in natte kleding met druipend haar. Hoe zit dit dan? Waarschijnlijk is bij het contact rond het ogenblik van overgang sprake geweest van een overdragen van de emoties. Zelfs een voorstelling van eigen toestand en uiterlijk kan hiervan deel zijn. Daar de emotie in ieder geval in dergelijke gevallen ook een reactie op omgeving en gevoelens zal inhouden, ontstaat dit alles ook bij de ontvanger, die op zijn wijze het ontvangene dan op het beeld van de overledene, zoals deze gekend werd, wordt geprojecteerd. Ik zou zo verder kunnen gaan.

Ik heb met dit alles zeker niet getracht alle openbaringen van geesten en uittredingen te ontluisteren. Heus, er zijn dromen, die waarlijk fragmenten van de toekomst geven en er zijn wel geestelijke contacten denkbaar van wereld tot sfeer, of tussen personen in dezelfde wereld. Ik wilde echter uitdrukkelijk constateren, dat er een verschil bestaat tussen de wereld van het dagelijkse leven en zijn beelden, die berusten op een menselijk feitelijke samenstelling van waarden, en de werelden der dromen. U interpreteert altijd aan de hand der waarden van het dagelijkse leven, zoals u dit meemaakt. U zult dus altijd komen tot een vertalen van de dingen, die niet tot uw persoonlijke en stoffelijke werkelijkheid behoren. U leeft grotendeels in een onwerkelijkheid, een soort droomwereldje, ontstaan uit uw reactie op de feiten. Ik sprak hiervan reeds. Het is dit wereldje, uw persoonlijke werkelijkheid dus, waardoor uw reacties op alle werkelijke impulsen en belevingen in de geest, zowel als uw gewone dromen, gebaseerd zijn.

Ik neem aan, dat dit tot zover duidelijk is en wil nu een laatste deel aan mijn betoog toevoegen.  Ik geef deze punten echter in hoofdzaak, om bepaalde dingen nog wat duidelijker te maken.

Wanneer wij aannemen, dat de mensheid ergens een geheel is, dat wil zeggen, evenwichtig en harmonisch in haar totaliteit, zoals God deze schiep, zo moeten wij stellen, dat elk deel van de mensheid binnen het geheel een bepaalde en vaststaande waarde zal vertegenwoordigen. Ook wanneer deze waarde door een eigen wil kan veranderen en wisselen. Want er zal dan altijd een tweede verandering in het geheel plaats moeten vinden waardoor het evenwicht gewaarborgd zal zijn. Daarom stel ik: Er is een goddelijk evenwicht, dat ook in de oervorm, mens (of de rode adam, zo u wilt) tot uiting komt. Elke mens binnen de mensheid, zal zowel in droomwereld, voorstellingswereld als feitelijke belevingen, gebonden zijn aan de harmonische waarden van de gestalte mensheid en kan zich hieraan niet onttrekken. Op het ogenblik, dat geestelijke waarden en stoffelijke waarden te ver uiteen komen te liggen, zal automatisch een compensatie ontstaan.

Het evenwicht is in het geheel van het bestaan onvermijdelijk en kan door niets of niemand blijvend verstoord worden. Indien wij aannemen, dat de Goddelijke Wil zich ook in het totaal van de mensheid heeft geopenbaard, moeten wij verder aannemen, dat de bestreving van mens en geest eveneens deel uit zal maken van de Goddelijke Wil en als zodanig op een hoger plan de weergave zal zijn van hetzelfde, wat wij ook in het leven zien. Dan moet er sprake zijn van wat wij misschien geaardheid of mentaliteit noemen als het werkelijk belangrijke deel van het bestaan. God denkt niet in feiten. God denkt in reacties. Reacties en feiten, zoals deze menselijk worden gezien, kunnen zeer veel van elkander verschillen. Omdat God denkt in waarden en tegenwaarden, zal het geestelijk denken veel meer op waarden en tegenwaarden gebaseerd zijn dan het stoffelijk bestaan. De evenwichtigheid van de geest zal bepalend zijn voor het vermogen geestelijke waarden in de stof te uiten en (van menselijk standpunt uit dus) deze in de stof te doen ontvangen. Beelden, die op grond van geestelijk besefte waarheden worden uitgedrukt, zullen evenwichtiger en aanvaardbaarder worden, naarmate de geest voor zich bewuster de Goddelijke Wil, zoals zij die erkent, waarmaakt. Het menselijke leven in zijn daden representeert niet de Goddelijke Wil in feiten, maar slechts in samenhangen. Het menselijke leven in zijn motieven behoort de Goddelijke Wil dus wel te representeren.

Datgene, wat wij de hang naar het andere noemen, is in feite een verlangen naar de eenheid met het geheel. Dit ‘andere’ is niet een bepaald iets (ook al zal de mens het vaak als zodanig zien) maar een relatie tussen het ik en alle mogelijkheden, die voor het ik denkbaar of kenbaar zijn.

De angst zal in wezen geen angst zijn voor bepaalde feiten, gestalten of krachten, ook al zal de mens haar als zodanig interpreteren, maar zal de angst voor een isolement van het ik zijn. Als gevolg hiervan zal de mens elke vorm van angst, die hij of zij ondergaat als een isolement van mens en werkelijkheid tot uitdrukking brengen. Lijden kan in deze zin ook als een geïsoleerd zijn van de harmonie der gemeenschap worden gezien. Zodra de harmonie met de gemeenschap bestaat, zal de betekenis van lichamelijk lijden terugvallen tot het draagbare, en door zijn betekenis zelfs vreugdig ondergaan kunnen worden.

Ten laatste moeten wij zeggen: De begeerten van de mens is in wezen eenheid, zijn angst is die voor isolement. Zijn doel is dus innerlijk de eenheid met het Al te bereiken en zich daarvan zozeer bewust te blijven, – dat de uiterlijkheden – of de zogenaamde feiten voor het Ik niet meer van kracht zijn. Je zou dus kunnen zeggen, dat het doel van de mens een zich onttrekken aan een deelhebben in de feiten is. Niet dus het deel zijn, want men zal altijd deel blijven van de feiten, maar men wil dus innerlijk een distanciatie van het feit bereiken, om niet slechts het feit van eigen bestaan en de daarmede verbonden beleving van andere feiten te kennen, maar de harmonie van de totaliteit van feiten te kunnen ondergaan.

Als zodanig kunnen wij stellen, dat de droomwereld voor de mens een aanwijzing vormt omtrent eigen werkelijk wezen en eigen werkelijke tekortkomingen. Dat zij hem een compensatie biedt, waardoor hij eigen onevenwichtigheden deels teniet zal kunnen doen en zo een zekere harmonie met het Hogere zal kunnen bereiken. Wij kunnen ten laatste dan zeggen, dat het doel, dat in de droom wordt uitgebeeld, een illusie is, daar het zich bezighoudt met zeer bepaalde gebeurtenissen, ontwikkelingen of feiten en niet met het geheel. In de droomwereld wordt helaas maar zelden beseft, dat elke harmonie op zich doel en vervulling van het doel is. Juist hierom zal het moeilijk zijn de mensheid, met haar vele soorten van droomwerelden, die zij voor een groot deel tracht als werkelijkheid uit te geven, te begrijpen, tenzij wij uitgaan van de Goddelijke Eenheid.

Sta mij toe om, al behoort het niet bij het onderwerp, hieraan toe te voegen: Naastenliefde is geen bezitszucht, geen zelfontkenning door het geven van voorkeur aan de naaste, maar een voortdurend erkennen van de harmonie met het geheel, die in het ontmoeten van elke enkeling en in het contact met elke enkeling moet worden uitgedrukt. Het pad van onthechting is niet een pad, dat de mens van de mensheid wil isoleren, maar een weg, die hem leert om, in plaats van een zich richten op het detail, te komen tot een erkennen van het grote geheel, waarvan men bewust deel moet zijn. Alle grote leringen uit het verleden en in de toekomst zullen op dit aspect van eenheid wijzen. Alle esoterische leringen, welke dan ook, zullen ergens dit begrip van eenwording in zich dragen.

Het is jammer, dat de mens aansporingen nodig heeft, die niet op de werkelijkheid gebaseerd zijn, om hiertoe uiteindelijk te kunnen komen. Maar de droomwerelden, ondanks al hun onwerkelijkheden, hun gebrek aan kosmische of zelfs menselijke waarheid en waarden, heeft dan toch het nut, dat zij de mens de mogelijkheid geeft, vanuit de droom uiteindelijk tot een ontwaken te komen, waarbij de droomwereld plaats zal maken voor een aanvaarding van de werkelijkheid en een harmonisch beleven van het ik en de werkelijkheid, in de Goddelijke Totaliteit.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

 Vragen.

  • Men zegt, dat, zo je van iemand droomt, dat hij zal overlijden (of in een droom de mededeling krijgt, dat hij er slecht aan toe is en sterven zal) dit betekent, dat deze persoon juist lang zal leven. Is dit ergens op gebaseerd?

Dit is droomuitlegging. Een wat moeilijke kwestie: Men neemt dus vaak aan, dat het tegenovergestelde zal gebeuren van hetgeen men droomt. Ik zou in dergelijke gevallen zeggen, het is geheel niet zeker, dat zo iemand werkelijk zal overlijden. Maar de kans is wel groot, dat het die persoon toch wat minder goed zal gaan. Ik geef u mijn redenen voor deze uitspraak. Een groot deel van het droomleven is gebaseerd op waarnemingen, die men niet bewust deed. Wij kennen daarbij bijvoorbeeld een soort micro-fysiologie, waarbij men minuscule tekens waarneemt aan andere mensen, die niet bewust door de rede worden verwelkt. In de sluimer of slaap kunnen dezen op de voorgrond komen en de oorzaak worden voor een mededeling als de door u genoemde. Wanneer een dergelijke mededeling uit de geest zou komen, (ook die mogelijkheid bestaat wel degelijk), zou ik zelfs geneigd zijn aan te nemen, dat het gestelde een feitelijke waarheid inhoudt. Alleen wanneer het een kwestie is van iemand niet mogen, of bang zijn iemand te verliezen (zuiver een kwestie van begeerte of angst dus), zal de materie vaak het tegengestelde beeld geven van het droombeeld.

U kunt dus nooit zeggen, wanneer ik dit droom, zal de uitleg zo en zo moeten zijn. Ik wil nadrukkelijk stellen, dat alle boeken van droomuitlegging, waarin men dergelijke ‘wijsheden’ meestal aan zal treffen, alleen reeds door hun poging tot het stellen van algemeen geldende regels voor de droombeleving, in wezen en in feite onjuist zijn. Een uitkomen van een dergelijke uitleg is even zeldzaam als het winnen van een hoofdprijs in een loterij. Alleen wanneer je iemand van haver tot gort kent, niet alleen zijn bewustzijn, maar ook zijn onderbewustzijn, en daarbij inzicht hebt in de werkelijke geestelijke status van zo iemand, is het mogelijk een uitleg te geven, die redelijk juist zal zijn. Het uitleggen van dromen is dan ook een zaak, waarbij zeer veel geestelijk inzicht, grote gevoeligheid en een schouwen van zowel de droom als de dromer noodzakelijk zal zijn. Zonder dit is het in de praktijk haast onmogelijk bewust een juiste verklaring te geven.

  • Wat is het doel van dromen? Ontvlucht de geest voor ontspanning de minder prettige stofwereld? Waarom zijn dromen vaak zo onsamenhangend?

Dit zijn twee afzonderlijke vragen.

Waarom droomt de mens? De mens droomt, ongeacht of de geest hierbij door middel van uittredingen en contacten betrokken is of niet, omdat de activiteit van de hersenen nu eenmaal niet tot stilstand komt op het ogenblik, dat een verhouding van de bewustzijnsdrempel een contact met de buitenwereld gaat afsluiten. Wanneer verminderd, of geheel geen impulsen van buiten opgenomen worden, zal dus het denken zich bezighouden met de impressies, die in de hersenen aanwezig zijn en deze zullen beleefd worden, zonder dat hierbij de beperkingen van de zogenaamde werkelijkheid van de mens een rol meer speelt. Gebeurt dit weinig intens, dan spreekt men niet van een droom, omdat er geen herinnering zal bestaan aan dit alles. Zijn er echter emoties of beelden aanwezig geweest, waarmede de mens zeer verbonden was, zo zal de droom het lichaam beïnvloeden en reacties van het lichaam tot stand kunnen brengen. Zij worden dan herinnerd. Er is dan in wezen vaak sprake van vrije associaties op basis van een bepaalde emotie, die de droom veroorzaken. In feite zal de droom voor een groot deel een compenseren van de disharmonische factoren van de werkelijkheid omvatten. Is ook de geest bij de droomwaarden betrokken, dan kan verder nog worden gesteld, dat in de droomwereld het geestelijke element vaak veel sterker tot uiting zal komen dan deze in het waakbewuste bestaat, zodat het innerlijk van de mens zowel als geest en ziel een grotere rol in de droombeleving kunnen spelen dan de stoffelijke ervaringen. Noodzakelijk is dit laatste echter niet. De geest ontvlucht dus over het algemeen het lichaam niet voor ontspanning. Zo dit gebeurt, zien wij bepaalde voertuigen, een deel van de persoonlijkheid, wel iets loskomen van het lichaam en daar als het ware boven drijven, zodat een groter isolement van het lichaam bereikt wordt, maar een uittreden of een eigen actie van de geest is hierbij toch niet noodzakelijk. Wel zal dan een meer ontspannende slaap mogelijk zijn, welke en snellere recuperatie van het lichaam ten gevolge heeft.

Dromen zijn onsamenhangend door het element, dat ik reeds noemde: De beelden van de droom ontstaan feitelijk aan de hand van vrije associaties. Indien immers in de droom een situatie ontstaat, kan een enkel detail reeds de associaties oproepen die de volgende fragmenten van de droom bepalen. Voorbeeld? Je loopt door een paradijstuin. Er is niemand. Je zoekt contact met anderen en ziet opeens een brievenbus. Daarop ga je opeens naar de melkboer. Op weg daarheen passeer je de brievenbus altijd weer. U gaat echter niet graag naar de melkboer, bent bang voor iets (een hond bijvoorbeeld) dat u op uw weg vaak ontmoet, zodat u niet bij de melkboer terecht komt, maar bij een monster, enzovoort. De associaties zijn nu: Rust – paradijs— contact – brievenbus – melkboer – monster. Een vrije associatie. Maar daarmede zijn wij er niet.

De beleving van de droom wordt zelden in zijn geheel naar het waakbewustzijn teruggebracht. Zou je iemand, direct nadat hij gedroomd heeft, kunnen wekken en tot een weergeven van de droom zou brengen, zou het geheel nog wel enigszins samenhangend zijn, ook al zouden vrije associaties kennelijk het verloop beïnvloeden. In de meeste gevallen herinnert men zich slechts een paar van de fragmenten, zodat de voor een juist begrip noodzakelijke associaties vaak ontbreken.

Andere dromen gaan uit van hun einde, dat zij zoeken te verklaren. Voorbeeld: Door verschuiven van een deken voelt men een tikje in de hals. Nu heeft men bijvoorbeeld een boek over de Pimpernel gelezen en reageert nu als verklaring voor deze tik met een beeld van de guillotine.

  • Hoe kom ik hier terecht; volgt een verklarend beeld, dat echter wederom een verklaring zal vergen enz. tot ontwaken of wegsterven van de reactie op de prikkel. Je droomt dus vaak achterstevoren en zoekt vanuit de impressie naar de verklaring, de reden. Ook hier zijn de associaties vrij en zal van logica geen sprake zijn.

Ten laatste moeten wij begrijpen, dat, wanneer geestelijke elementen of bijvoorbeeld ervaringen als uittreding een rol spelen in de droom, slechts een gering deel daarvan naar de herinnering wordt overgebracht op een wijze, die toegankelijkheid tijdens het waakbewustzijn garandeert. Van het gehele boek, dat de droom is, zal onder de normale belichting van de dag, slechts hier en daar een alinea leesbaar blijven. Iets wat in zich wel degelijk een samenhang had, wordt door gebrek aan toegankelijkheid onsamenhangend. Het ik zoekt deze samenhang en rationaliseert de fragmenten weer tot een geheel, dat van het oorspronkelijke sterk kan verschillen. Resultaat: Een verhaal, dat onsamenhangend blijft en bovendien alle betekenis gaat ontberen.

Voor het onsamenhangend zijn van dromen zijn dus vele verklaringen. Voor geestelijke invloeden, die via de droom tot uiting komen, geldt over het algemeen dat slechts fragmenten naar het stoffelijke besef worden teruggebracht. Voor dromen, die het resultaat zijn van prikkels van buitenaf, geldt dat zij een verklaring zijn voor de prikkel, waarbij associaties niet op logica gebaseerd zijn, maar voortkomen uit de herinneringen, die in de hersenen op dat moment het sterkst aanwezig zijn. Ten laatste: In een gewone droom zal vaak een reeks van indrukken en impressies, die in de laatste tijd werden opgedaan, dooreen worden gemengd tot een geheel. Het onsamenhangende karakter zal dus in feite verweten moeten worden aan het verwerken van vele afzonderlijke impulsen en impressies tot één verhaal.

  • Men zegt wel, dat de droom, ook wanneer zij een boekdeel omvat, in een seconde kan plaats vinden, omdat alle indrukken in de hersenen reeds aanwezig zijn.

Het element tijd is in een droom de meest variabele factor die denkbaar is: het aantal impulsen, dat de hersenen op een gegeven ogenblik gelijktijdig verwerken kunnen, bepaalt het aantal ogenblikken en daarnaast de samenhangen. Vooral wanneer de droom een herinneringsdroom is. Indien wij het fragmentarische karakter van vele dromen buiten beschouwing laten waarin een illusie van tijd eveneens kan optreden – zo kan men zeggen dat rond 24 uren ervaring in 3 tot 5 minuten kan worden samengeperst. Vlugger dan dit verloopt de droomtijd zelden. Schijnt de droom vele jaren te omvatten, dan zal zij in wezen bestaan uit een reeks afzonderlijke en in tijd korte voorvallen. Er blijven dus vele hiaten bestaan, die echter niet worden opgemerkt of herinnerd. Het is echter evengoed mogelijk, dat de droom parallel aan het normale tijdsbesef verloopt, zodat een droom, die een actie van 15 minuten omvat inderdaad ook een kwartier duurt. Men kan dus wel zeggen, dat de droom een element bevat, dat nimmer geheel ontleed kan worden, tenzij wij beschikken over iemand, die de gedachten af kan lezen.

Denkbaar is, dat men bijvoorbeeld door middel van een encefalograaf, de duur van de droomactiviteit kan nagaan en door de dromer onmiddellijk na het afbreken van de droom te wekken, enig inzicht in de tijdverhouding kan krijgen.

  • De droom als compenserende factor: Indien men herhaaldelijk droomt, dat men in maatschappelijk opzicht is tekortgeschoten, hoe kan dit dan als een compenserende factor worden gezien?

Onrust, die in het normale bestaan verborgen blijft, doet zenuwspanningen ontstaan, waarvoor men geen verklaring kan vinden. Men voelt zich dus niet prettig. Nu komt de droom en geeft de mogelijkheid de gevoelens of bezorgdheid tot uiting te brengen. Dit geeft een sanerend effect: De onrust is uitgedrukt en zal zich dus niet zonder meer blijven versterken, zoals anders het geval zou zijn. Spanningen en onzekerheden die in het dagelijks leven bestaan worden dus zo verminderd. Daarnaast kan men stellen, dat in de droom vaak het tekortschieten duidelijk wordt geformuleerd, zij het in een samenhang, waaraan men waak bewust nooit zou kunnen of willen denken. Facetten van de persoonlijkheid komen aan het licht, die bij normaal redelijk denken schijnbaar wegvallen. Door de droom wordt nu, via gevoelens en vage herinnering aan de droom, een dimensie toegevoegd aan het normale bestaan, waardoor men op belangrijke gebeurtenissen zuiverder kan reageren. Door rationalisaties ontstane tekorten aan besef kunnen dus zo gecompenseerd worden, terwijl het in dromen uiting geven aan onzekerheden in het ik en besef van mogelijke fouten, de spanningen vermindert, die anders in het zenuwstelsel zouden ontstaan. Vergelijk dit laatste met de psychologisch gunstige uitwerking van een biecht.

  • Kan de angst voor een tekortschieten hier de oorzaak zijn?

Dit is mogelijk ten aanzien van innerlijke doelgerichtheid, gebruik van uiterlijke mogelijkheden of ten aanzien van erkende verplichtingen en moraal. Het besef van het tekort, zij het reëel of niet, resulteert in mentale en zenuwspanningen. De droom compenseert dus niet voor gevoelens of feiten, maar compenseert innerlijke onevenwichtigheden. Belangrijk kunnen hier de beelden zijn, waarin dit besef tot uitdrukking komt: de droom geeft immers de compensatie-elementen aan. Indien een droom dus steeds terugkeert en daarin steeds een zelfde actie (geen omstandigheid dus) een rol speelt, dan kan men wel aannemen, dat er in eigen leven iets niet in orde is, dat met die actie in verband staat. Men kan dan zijn leefwijze harmonischer maken, indien men eerlijk is tegenover zichzelf. Sommigen kunnen daarmede dus werkelijk een eind verder komen in hun bewustwording. De meeste mensen, zo moet ik tot mijn spijt opmerken, zijn tot een volledige eerlijkheid zelfs tegenover zichzelf zelden in staat.

  • Meer dan eens heeft de Orde ons gezegd, dat een droom zwart-wit is. Hoe kan dit nu, wanneer men bijvoorbeeld van landschappen droomt?

Zwart-wit is de weergave in Licht en duister. De normale droom kent inderdaad dit effect. Maar de waarneming wordt in de interpretatie, dus de herinnering aan de droom, niet de droom zelf, met kleuren verrijkt. Een bloem bijvoorbeeld gaf bepaalde gevoelens. Men meent, dat die bloem een kleur dient te hebben. Men heeft die kleur in de droom niet gezien, maar zal in de herinnering daaraan een kleur toekennen, die past bij de gevoelde emotie. Ook gewoonte kan een kleurenassociatie wekken, zonder dat deze feitelijk ‘gezien’ werd. Gras bijvoorbeeld moet groen zijn. Het is altijd groen. Droom ik dus van gras dan ‘zie’ ik dat het groen is… De herinnering vult dus kleuren in, die de droom zelf niet bracht.

Er is echter een onderscheid, dat ik nog niet aanstipte. Wanneer het ik zal uittreden, kan het ook in een andere sfeer waarnemen. Het vreemde is nu, dat waar een waarneming van de geest buiten het ik (tijdens de slaap- of sluimertrance) optreedt, kleur wel wordt waargenomen.

Opvallend hierbij is, dat de herinneringsbeelden van de droom (na het ontwaken dus) vele afwijkingen in de normale kleurverhoudingen vermelden. Het kleurengamma van de geestelijke wereld kan niet vertaald worden in het kader van het gamma van de menselijke wereld.

Dientengevolge treden verschuivingen op, waarbij wij bijvoorbeeld gelijktijdige verschuivingen naar rood en naar blauw zien. Bij dode voorwerpen naar rood, bij levende wezens naar blauw of violet in vele gevallen. Ontleedt men de droom verder, dan blijken de beelden vaak aan de herinnering ontleend te zijn, terwijl de herinnerde kleuren een juiste weergave vormen van de toestanden, harmonieën en mogelijkheden, die in bepaalde sferen bestaan.

Algemeen kunnen wij dus stellen: De normale droom is zwart-wit. Een eventuele aanvulling met kleuren is gevolg van associaties bij waakbewuste herinnering aan de droom. Uittredingsdromen zullen in kleur worden gerealiseerd. De beelden zullen vaak niet juist zijn, de waargenomen kleuren liggen meestal dichter bij de geestelijk beleefde werkelijkheid. Men zal echter nooit met zekerheid kunnen stellen, dat een bepaalde droom een uittreding weergeeft, tenzij bepaalde kleurverschuivingen t.a.v. het als normaal geldende optraden.

Een uittredingsdroom is overigens een werkelijke droom, omdat de uittredingsbeleving wordt geprojecteerd in de hersenen en daar alleen, waar in de hersenen vergelijkbare waarden of associaties aanwezig zijn, een herinnering aan de uittreding kan ontstaan. Niet de beleving, maar herseninhoud en vermogen zijn bepalend, terwijl de weergave niet die van een buiten het ik bestaande werkelijkheid is, maar een in het ik daarop bestaande reactie. Wij mogen dit dus wel een droom noemen.

  • Indien een droom zich eindeloos schijnt te herhalen, kan men dan daaruit concluderen dat een bepaald probleem op dat moment voor de mens onoplosbaar is.

Neen. De herhalingsdroom komt in verschillende vormen voor. Daar is bijvoorbeeld de prognostische droom, die voorvoelde ontwikkelingen in de toekomst aanduidt. Indien het ik met het erkende in de toekomstige ontwikkelingen (als mogelijkheid) zich gebonden voelt, is het mogelijk, dat in toenemende frequentie, naarmate het ogenblik, waarop de droom waarheid kan worden nabijkomt, een gelijke of ongeveer gelijke droombeleving zal kennen. Is de herhalingsdroom een probleemdroom, dan mogen wij niet aannemen, dat de inhoud van de droom steeds dezelfde zal zijn. Zo dit gebeurt, zal dit plaats vinden, omdat de eerste droom een grote indruk heeft achtergelaten. Dit is echter een uitzondering. Daar een bepaald motief zich blijft herhalen en een probleemstelling inhoudt, zo duidt dit aan, dat men innerlijk overtuigd is dat a. het probleem oplosbaar is en b. men zoekt naar een associatie, waardoor de in het ik reeds erkende oplossing naar het bewustzijn kan worden overgebracht.

Als noot voeg ik hieraan toe: De oplossingen, die in de droom gevonden worden, zijn niet redelijk en kunnen daarom niet onmiddellijk in werkelijkheid worden omgezet. Voorbeeld: Een ingewikkeld rekenkundig probleem, dat in de droom wordt opgelost. Het zal soms blijken dat het antwoord, dat men verkrijgt, juist is. Maar dat de bewerking, de wijze, waarop het antwoord verkregen werd, onzin is. Omgekeerd kan het voorkomen, dat de bewerking juist is, maar het antwoord onjuist. Dus geen onmiddellijk bruikbare oplossingen. Wel een indicatie van de probleemwaarden en van de mogelijkheid, een oplossing te vinden. Waar geen mogelijkheid tot oplossen van het probleem bestaat, zal de droom een oplossing suggereren en herhalen als compensatie. Dit is zeker het geval, wanneer innerlijke spanningen tot neurotische of abnormaal psychische spanningen voeren zouden tot stoffelijke of geestelijke schade. Een kenteken van waanzin is dan ook de steeds terugkerende en als werkelijk beschouwde oplossing voor problemen of niet bestaande dreiging. Deze herhaalt zich in ongeveer gelijke termen steeds, zonder dat voor het ik een mogelijkheid tot verdere benadering van het probleem of het afleiden van een werkelijke oplossing in de droom wordt aangeduid of zelfs maar symbolisch aanwezig is.

Ten laatste, de repeterende droom kan ook het gevolg zijn van telepathische resonans. Is men ontvankelijk voor een ander of anderen, dan kan vaak een opvangen van gedachten en problemen plaats vinden. Hier geldt: De vorm is gelijk, het probleem wijzigt zich echter. Wil men nagaan of dergelijke dromen hieruit voortkomen, dan zal men voor de slaap een sterk suggestief verhaal moeten lezen of voor het ik indrukwekkende en boeiende gesprekken moeten voeren.

Gaat men kort daarna slapen en herhaalt zich de droom onder deze omstandigheden niet, terwijl zij anders regelmatig pleegt op te treden, dan weten wij wel haast zeker, dat hier sprake is van invloeden van buiten af, die wij door het scheppen van levendige indrukken kort door het slapengaan kunnen verdringen. Overigens, wanneer men niet of niet veel droomt, heeft het weinig zin te trachten dromen op te wekken. Neem genoegen met de omstandigheden, zoals zij zijn. Wanneer er dan een levendige droom optreedt, weet u in ieder geval, dat deze voor u belangrijk is. Ik zal nu kort ons onderwerp besluiten.

Wij spraken over de droomwereld en kwamen uiteindelijk terecht op de droom zelf. Dit is typerend voor de mens: Wanneer je hem spreekt over zijn droomwereld, die hij zelfs wakende soms kan beleven, zo schuift hij dit snel terzijde. Wat hem interesseert, is niet of hij nu een werkelijkheid kent of desnoods een tweede werkelijkheid of een magische werkelijkheid. Hem interesseert alleen de droom, een beleving, die hij niet altijd kan ontgaan of ontkennen, zodat hij hiermede zelfs te maken heeft.

Als mens (en ook nog wel als geest denk ik) is men altijd in beleving en denkt men wat eenzijdig, wat bevooroordeeld, heeft men eigen interesse, belangstelling en zelfs waanbeelden, waardoor je alles in een zeer bepaalde richting interpreteert. Het gevaar ligt dan ook niet zozeer in het dromen of niet dromen, maar in de neiging om eigen droomwereld aan de werkelijkheid op te willen leggen, zonder dat dit door de feiten wordt gerechtvaardigd. Men is vaak zozeer verliefd op droomwereld en buiten de werkelijkheid liggende beelden, dat men er niet toe komt in de werkelijkheid het potentieel te realiseren, dat in de mens verborgen ligt. Daarom waarschuw ik u nogmaals uitdrukkelijk: De droomwereld kan soms uw werkelijkheid aanvullen, verbeteren of tonen, maar zij zal nooit de mens mogen verleiden tot een leven, waarin zijn droombeelden alle ervaring en beleving van de werkelijkheid gaan beheersen.

image_pdf