Ontmoetingen in de kosmos

uit de cursus ‘Kosmische filosofie’ februari 1959

Wanneer wij de bewustwordingsprocessen hebben nagegaan, moeten wij voor onszelf wel tot de conclusie komen dat het einde van de bewustwording op een geheel andere wijze en met een geheel ander wereldbeeld moet plaats vinden, dan u aan het begin van deze cursus meende. In feite is het einde van de bewustwording een ontmoeting met God. Maar nu is God iets wat we niet kunnen ontleden en niet kunnen beschrijven. Daartegenover staat, dat God Zijn Wezen heeft geuit (dus als het ware weerkaatst ziet) in de kosmos. Willen wij dus van uit ons standpunt van bewustwording trachten iets van de eenwording met God (absolute bewustwording) te begrijpen, dan zullen wij een ontmoeting moeten hebben met de kosmos en ongetwijfeld ook in die kosmos met onszelf.

Hoe deze kosmos ons voor te stellen? Wij kunnen natuurlijk spreken over het heelal. Maar het heelal is één moment in tijd. Het verleden is schijnbaar voorbijgegaan en de toekomst hongert nog naar het beleven dat eens zich daarin zal openbaren. Van uit ons standpunt is dit waar. Maar al wat gebeurd is, al wat gebeuren zal, elke gedachte, elke daad, elke kleinste verandering, onverschillig op welk vlak, is vastgelegd. U zult zich misschien herinneren, hoe wij meermalen hebben gesproken over een kosmos, waarin alle dingen bestaan, alle mogelijkheden zelfs en waarin ons beleven krachtens eigen bewustzijn een selectie maakt uit de van uit het huidige standpunt mogelijke richtingen. Laat ons dan allereerst trachten die kosmos te definiëren.

Elk moment van tijd, alle mogelijke momenten van tijd, alle varianten die denkbaar zijn op elke persoonlijkheid, op elke wereld en op el­ke situatie zijn in het heelal vertegenwoordigd. Vergelijkend genomen: het is een geschiedenis waarin steeds slechts een letter veranderd wordt, gedrukt op opeenvolgende pagina’s. Elke pagina een verhaal. In welk verhaal we leven, kunnen we nu nog niet beseffen. Want we ken­nen het einde van de geschiedenis nog niet. Maar op de duur zal ons be­wustzijn groot genoeg worden om niet alleen maar letter na letter te spellen of desnoods enkele woorden gelijktijdig te overzien, maar om het gehele blad, de gehele pagina met één oogopslag te kennen. Met één oog­opslag dus te weten wat onze wereldbeleving is. En daarmede hebben we dan een deel van de kosmos gerealiseerd. Dan zullen we nog moeten bladeren in het boek om alle andere mogelijkheden ons eveneens te realise­ren. Achter al deze mogelijkheden en varianten echter blijft het verhaal toch steeds hetzelfde en dat is belangrijk. Onverschillig welke weg tot bewustwording wij volgen: wij komen tot dezelfde essentie van zijn, de­zelfde story.

Nu weten wij dat de geest niet onderworpen is aan de tijdselementen zoals de stof. Zij beweegt zich daarin volgens haar eigen bewustzijn en bevattingsvermogen. Zij is in staat om een enorme versnelling van tijd door te maken, zodat zij duizenden jaren kan doorleven in wat voor u een seconde is; terwijl zij omgekeerd aeonen van jaren, waarin werelden ontstaan en vergaan voor zich terug kan brengen tot één enkele seconde. Er zal een ogenblik zijn dat de geest elk concept van tijd kan uitschakelen en komen tot een gelijktijdige beschouwing van al het zijnde, is dit punt bereikt, dan begint in feite de ontmoeting in de kosmos. Want zodra wij alle dingen gelijktijdig voor ons kunnen zien, alle verhoudingen a.h.w. gefixeerd zien en onze eigen weg daarin, dan is het logisch dat eerst datgene wat met onszelf in verband staat, datgene wat in onze bewustwording zo’n belangrijke factor is geweest, onze aandacht vraagt.

Indien wij de kosmos ontmoeten, ontmoeten wij allereerst niet onszelf zoals wij onszelf kennen, maar de gehele wordingsgang, waarvan het eindproduct het huidige “ik” is. Dit ontmoeten behoeft niet altijd op het hoogste vlak plaats te vinden. Om u een voorbeeld te geven: Een vogel die vliegt heeft een betrekkelijk uitzicht over de omgeving, meer dan een mens die staat. Maar als een mens de mogelijkheid ziet om zich ‑ zij het voor nog zo’n korte tijd ‑ boven zijn omgeving te verheffen, dan zal ook hij als de vogel een groter deel van die omgeving gelijktijdig kunnen overzien. De mens maakt daarvan gebruik door uitkijktorens te bouwen. Maar gesteld dat die er nu niet zijn, dan zou het mogelijk kunnen zijn dat die mens alleen door krachtig genoeg omhoog te springen ook al een idee zou krijgen van al wat rond hem is.

In onze bewustwording is de belemmering van ons voorstellingsvermogen de keten, die ons op de aarde houdt, de zwaartekracht, die ons steeds terugtrekt tot ons eigen vlak en ons eigen niveau. Maar een enkele keer kunnen wij bv. door meditatie of concentratie voor onszelf zoveel kracht vergaren dat wij een kort ogenblik boven dit normale niveau uitkomen. Wij zien onze wereld in een nieuwe verhouding. Wij kunnen door een leven, dat dus gericht is op alleen deze erkenning desnoods, een soort vaste structuur in onszelf oprichten, waardoor het ons steeds weer mogelijk is om langere tijd buiten het menselijke te vertoeven.

Wij moeten echter altijd terugkeren tot onze eigen wereld. Dat hoort er natuurlijk bij.

Wanneer wij nu onszelf gaan ontmoeten, dan gebeurt dat in de eer­ste plaats wel tijdens zo’n korte uittreding ‑ ik mag het wel een uittre­ding noemen in. Dit korte moment van ontrukt zijn aan onszelf brengt ons de eerste zelfkennis. Niet meer gebonden in een keten van oorzaak en gevolg, waarmee we door emoties te sterk verbonden zijn om ons onpartij­dig te bezien, krijgen wij een plotseling inzicht in bv. ons verleden. Wij kunnen, indien wij ons aangezicht in een andere richting wenden (ons ervaren dus op de toekomst richten), ook toekomstige gebeurtenissen zich met een vaste en haast onloochenbare logica voor ons zien ontrollen. Wij zijn dus wel in staat om, zelfs bij een gedeeltelijke bewustwording en dus een onvolledig besef in de werkelijke kosmos, toch reeds een aar­dig beeld te verwerven van hetgeen wij zelf in die kosmos zijn. Dit is het eerste punt a.h.w. van beroering met God.

Daarnaast echter liggen al deze parallelle werelden, waarover ik zo-even sprak, het voorbeeld gebruikende van een boek. Laat ons nu eens dit stellen: Wanneer ik een daad stel op aarde of in een sfeer, heb ik alle andere mogelijkheden voor mij bereikbaar of voorstelbaar me over­dacht. Ik heb dus overlegd gehandeld. Dan is in dit geval mijn leven niet alleen die ene feitelijke verwerkelijking maar ook tevens alle mogelijkheden. Want door de verwerkelijking van dit ene, die ene daad, heb ik gelijktijdig mijn eigen houding bepaald tegenover elke andere voorstelbare mogelijkheid. Er is dus niet meer sprake van een lijn, die zich ergens door een toverrijk van mogelijkheden beweegt, maar van een betrekkelijk brede baan.

Het is alsof wij een soort brede weg tekenen door de oneindigheid. Maar de erkenningen, die die weg met zich meebrengt, betekenen tevens dat het aantal voorstelbare mogelijkheden zich steeds uitbreidt. Op de duur zou dit 2‑dimensioneel kunnen worden voorgesteld als een omgekeer­de piramide. Een driehoek met zijn breedste basis naar boven toe. Hierin ontmoeten wij op de duur de maximale bewustwording van onze wereld; of ‑ als wij in vele werelden gelijktijdig bewust zijn‑, van onze werelden.

Daarnaast echter is ook nog wat anders nodig. Wij moeten niet alleen het verhaal leren overzien, maar wij moeten ook ‑ en dat is even belangrijk – leren om het essentiële in dit verhaal te zien. In het begin kunnen wij alleen uit de ons bekende feiten een these opbouwen, de basis, een betrekkelijk brede lijn. Langzaam maar zeker zien wij dat al de mogelijkheden die wij hebben overwogen, al de feiten die wij hebben gezien onbelangrijk worden. Wij brengen meer en meer alles tot zijn essentiële waarde terug. Wij krijgen lijnen die naar boven toelopen. En op de duur hebben wij hier een rechtopstaande piramide.

Overigens is dit geen nieuwe kennis. Want als ik u mag herinneren aan de grootzegels, zoals die bv. door Salomo werden gebruikt, dan vindt u daarin ook deze twee elkaar kruisende driehoeken. Dit oude symbool was de sleutel voor kosmische kracht, beheersing van geesten, bescherming tegen demonen. Daar is wel iets van waar. Want de ontmoetingen die wij hebben in de kosmos, zijn ‑ zolang ons bewustzijn beperkt is en geen vol­ledige ingang weet te vinden in de ware kracht, in de werkelijkheid ‑ met demonen en spookgestalten, met problemen, waar wij haast niet kunnen uitkomen; met wensen die wij voortdurend moeten onderdrukken, met waar­heden, die wij maar half kunnen begrijpen en aarzelend verwerken. De spook­wereld van de astrale gebieden, de demonische wereld van de duisternis, al deze dingen tezamen liggen normalerwijze in je beleven.

Het eerste wat je in de kosmos ontmoet is je eigen onderbewustzijn, je eigen falen, uitgedrukt in vele gestalten. Wanneer je wat verder komt echter, zal de ontmoeting meer en meer een omschrijving worden van je eigen wezen. Je ontmoet in de kosmos datgene wat je eigen wezen weerkaatst. Hoe verder je gespecialiseerd bent (en een geest, die bewustwording zoekt is dit), hoe minder besef je hebt voor alle andere gebieden en hoe meer voor je eigen terrein. Op de duur is je eigen terrein voor jou het alomvattende. In deze specialisatie is het je mogelijk om wereld na wereld toe te voegen aan jouw begrip zonder gelijktijdig de gehele kosmos te moeten erkennen. Een typisch verschijnsel dus, dat enerzijds een vermindering van erkende waarden, anderzijds een realisatie van de grootste waarden mogelijk maakt. En van daaruit erkenning van alle waarden.

Wij moeten nog verdergaan. Onze tocht in de kosmos is zeker nog niet ten einde op het ogenblik dat wij eindelijk onszelf hebben leren kennen. Hij is ook niet ten einde op het ogenblik, dat wij alle delen van de schepping leren zien, want we hebben nog steeds een persoonlijk standpunt. Het grootste probleem dat zijn oplossing moet vinden, is de ontmoeting met God. En deze ontmoeting met God, vrienden, kun je je als volgt voorstellen.

Er komt een ogenblik dat je je eigen oordeel hebt over de totale schepping. Je staat dan tegenover God, je ontmoet Hem. De voorstelling die je hebt van je eigen wezen is onvolledig. De meest nauwgezette on­derzoekingen, het door vele levens en sferen heen streven naar absolute erkenning van het “ik”, kan nooit een absoluut resultaat opleveren, het is altijd onder voorbehoud, altijd weer met grote beperkingen, ook al beseffen wij die niet. Maar als wij staan tegenover God, dan zal deze ont­moeting ons aantonen waar wij falen (dus datgene wat in God bestaat en in ons niet; want in God moeten wij dit erkennen door Zijn werking in ons wezen) en daarmede gelijktijdig ook de aanvulling tonen van ons bewustzijn, totdat ons bewustzijn met het Goddelijke identiek is. Op het ogenblik van absolute congruentie van bewustzijn met het Goddelijke houdt de eigen persoonlijkheid volgens aardse en geestelijke normen op te bestaan. Wij ontmoeten dan niets meer. Alles is, alles is in ons, alles is tijdloos en alle dingen worden gelijktijdig erkend. Het_is op dit ogenblik dat de sporen die wijzelf door het totaal van de kosmische scheppingen hebben getrokken, al die momenten van tijd die ons leven hebben uitgemaakt, al die sferen die onze beleving waren, wegvallen in belangrijkheid. Tot op dat ogenblik blijft al hetgeen met ons gebonden is voor ons belangrijker, interessanter dan al het andere.

In deze gehele stelling vinden wij steeds weer feiten terug die bewijsbaar zijn; daarnaast echter supposities die klaarblijkelijk erg in de ruimte zweven. Het zal dan ongetwijfeld ook verstandig zijn om u de achtergronden van deze beschouwingen allereerst mee te delen.

In de eerste plaats: Tijd is beweging in de ruimte. Dat wil zeggen dat alleen waar beweging is, tijd is. Wanneer nu de beweging een beweging van bewustzijn is, zal voor dat bewustzijn het tijdverschijnsel gelijkelijk optreden alsof de massa zelf beweging kende. Stellende bv. dat de aarde niet beweegt, maar dat elk moment een nieuwe aarde in een volgende fase optreedt en het bewustzijn van vorm tot vorm gaande tel­kenmale voor een ogenblik zichzelf erkent in de daar bestaande omstan­digheid, dan kunnen wij aannemen dat een tijdloosheid van de kosmos zelf mogelijk is, waarbij geen enkele beweging en geen enkele werkelijke ener­gie‑uiting bestaat buiten hetgeen ervaren wordt door het zich verplaatsend bewustzijn.

Menigeen zal tegen deze these bezwaren inbrengen. Wij echter hebben ontdekt dat het mogelijk is om praktisch het gehele verleden voor ons te doen herleven met een absolute werkelijkheid, dus alsof wijzelf in dit verleden zouden bestaan. Degenen in onze wereld, die o.a. de geschiedenis van de mensheid onderzoeken, maken van dit proces voortdurend gebruik. Door echter hun bewustzijn te verplaatsen kunnen zij grote hiaten in de tijd doen ontstaan waarbij zij honderden of duizenden jaren overslaan, waarna ze weer rustig terugkeren tot een vroeger moment. Er is hier dus klaarblijkelijk en vastgelegde reeks van waarden, die voor de geest volledig beleefbaar is.

Een typisch verschijnsel hierbij is de identificatie van de onderzoeker. De onderzoeker zal zich steeds identificeren met een persoon, die in die tijd reëel was. Nu blijkt dat wij dit niet bij elke willekeurige vorm kunnen doen. Om een voorbeeld te geven: De één kan misschien zich verpersoonlijken met Cleopatra, een tweede met Marcus Antonius, een derde misschien met een slaaf uit die tijd. Maar zij kunnen hun plaatsen niet verwisselen. Niet eenieder kan deze persoonlijkheden aannemen. Dit leidt tot de veronderstelling dat in de tijd dus wijzelf een bepaald spoor hebben getrokken en dat alleen zeer dichtbij dit spoor het voor ons mogelijk is bepaalde persoonlijkheden te accepteren. Dat wij dan tot deze identificatie kunnen komen, waarbij wij tijdelijk de persoonlijkheid van een ander absorberen en door deze een reeks van momenten beleven.

Eigenaardiger is nog dat bij onderzoek in tijden waarin men niet zelf geleefd heeft, het niet mogelijk is langs directe weg tot een eenwording met een toen levende persoonlijkheid te komen. Dit kan wel weer via de bemiddeling van anderen, waarbij echter de beleving niet volkomen reëel is, maar eerder zich afspeelt als een droom of een telepathisch contact. Deze feiten staan vast. Zij schijnen voor ons te bevestigen dat dit verleden dus een vaste waarde is, die continu blijft bestaan en te allen tijde door een daarop afgesteld bewustzijn hernieuwd beleefd kan worden. Wij horen en kunnen dit door eigen onderzoekingen nog niet bevestigen dat onder de hogere geesten er zijn, die elk willekeurig moment in de tijd kunnen bezien. Zij bezien dit echter niet meer als een persoonlijkheid, maar zullen zich identificeren met groepen waartoe zij hebben behoord. bv. een volk of een stam. Ook in deze gevallen krijgen we weer een bewust herbeleven, maar nu met een veel grotere waarde en inhoud. Misschien is het aardig hierbij op te merken dat het voor de oudere geesten ‑ ik gebruik deze naam vergelijkenderwijs, zoals men op aarde ook wel doet, soms mogelijk is, zich te identificeren met wezens, die op andere werelden hebben geleefd en wel voordat deze aarde een bewustzijn dragend ras in menselijke vorm kende.

De conclusies die wij hieruit getrokken hebben, zijn o.i. niet onlogisch. Tijd is beweging in ruimte. Dat is waar van uit een zeker standpunt. Wij kunnen echter ook zeggen: Tijd is de opeenvolging van ervaringen binnen een bewustzijn. En wij komen daarmee tot een definitie van de persoonlijke tijd. Dit blijkt te allen tijde juist, voor zover onze ervaringen reiken. De conclusie is, dat onze persoonlijke erva­ring wel degelijk veel te doen heeft met de wijze waarop wij de kosmos beleven. Wanneer een hogere geest grotere tijdperken kan volgen, doordat hij niet gebonden is aan het leven van een individu, maar bv. aan het bestaan van een stam of een volk, dan volgt hieruit dat men nog groter wordend in zijn bewustzijn, zich kan identificeren met een wereld of een zon en zo nog grotere perioden van tijd kan omspannen. Hierbij blijkt volgens de verklaringen van de hogeren ‑ die wij dus niet kunnen controleren ‑ dat zelfs het kleinste stofje, een molecule misschien uit de atmosfeer de ruimte in geslingerd, gevolgd kan worden in zijn totale ontwikkeling, zolang het deel uitmaakt van de planeet, waarmee men zich geïdentificeerd had. Op deze wijze is een zeer grote kennis van het leven en de daarin voorkomende omstandigheden mogelijk. Anderzijds blijkt reeds in onze eigen ontwikkeling dat wij niet in staat zijn steeds maar weer grotere reeksen van ervaringen te verwerken. Eerder lijkt het erop dat wij bepaalde reeksen van ervaringen herhaald verwerken, maar dan telkens intenser en vereenvoudigd. Ook blijkt dat de regels en wetten die in het begin haast eindeloos lijken voor ons, op de duur samensmelten tot enkele en op de duur misschien één enkele wet. Ook dit geeft ons te denken.

Wij ontmoeten in de kosmos steeds weer beelden en werelden. Het blijkt dat het ons onmogelijk is in een wereld binnen te gaan, in­dien wij in onszelf niet bewust een waarde dragen, die daaraan inherent is. Zo kan geen enkele geest die absoluut rein is en dus geen bewust­zijn van het zgn. duister of kwaad in zich draagt, afdalen naar een duis­terder wereld. Slechts zij, die dit bewustzijn bezitten, kunnen wel in die wereld afdalen. Omgezet in een persoonlijke ervaring kunnen wij dus stellen dat bepaalde delen van de schepping niet bestaan en niet kun­nen bestaan voor wezens die door hun eigen geaardheid niet in staat zijn die delen van de schepping te begrijpen, te verwerken of te aan­vaarden.

De daaruit volgende conclusies: Wij menen dat wij het normale verloop van tijd en alle ontwikkeling daarmee verbonden van uit ons eigen beperkte standpunt wel moeten aanvaarden. Wij voelen echter aan dat daar­achter gelegen is die grote tijdloosheid, waarin wij onszelf kunnen ont­dekken niet slechts als een ego dat zich ontwikkeld heeft, maar als een bijna oneindige reeks van fasen, die zich uitstrekt door de kosmos van begin van bewustzijn tot absolute bewustwording. Wij menen verder dat er een ogenblik zal komen, waarop het verband dat op elk moment tussen ons “ik” en alle andere delen van de schepping bestaat, geopenbaard kan worden. Dat wij ‑ uitgaande van een bepaald moment van onze eigen beleving ‑ kunnen zien hoe de doorsnee van de wereld daarop heeft gerea­geerd. Dit betekent een erkennen van onze totale wereld en niet slechts van onze persoonlijke fase. Wij ontmoeten onszelf dan in de ware gedaante, in de ware gestalte. Maar omdat er zoveel aan wordt toegevoegd, dat niet in het persoonlijk bewustzijn is gelegen, maar slechts van uit dit persoonlijk bewustzijn kan worden omvat, spreken wij niet meer van een ontmoeting met het “ik” maar van een ontmoeting met God, de scheppende Kracht, de Kern van de kosmos zelf.

Deze theorieën zijn ongetwijfeld voor u moeilijk, maar uiteindelijk waarschijnlijk aanvaardbaar. Zij zijn hier niet uitgesproken om u nu alleen maar voor raadselen te stellen. Want uit deze ontmoetingen in de kosmos moeten wij onze conclusies weten te trekken. Op het ogenblik dat wij beseffen, dat elk moment van ons bewustzijn slechts deel is van een grote cyclus, zullen wij op dit moment minder nadruk gaan leggen en meer de nadruk gaan leggen op het totale beeld dat in ons ontstaat. Met andere woorden niet wat wij doen is zo belangrijk, maar het bewustzijn, dat wij er uit verwerven, de invloed die het op ons wezen heeft.

In de tweede plaats is het duidelijk dat wanneer wij ‑ door meditatie bv. zelfs een ogenblik buiten deze wereld komende ‑ kennis kunnen maken met het Groot‑Kosmische, dit kennismaken met het Groot‑Kosmische, het ontmoeten betekent van alle krachten en waarden die enigszins verwant zijn met onszelf. We kunnen in ons leven ‑ in de stof of in de geest ‑ omringd zijn door geleiders van hooggeestelijke of zelfs demonische inhoud. Dit zijn werkelijke persoonlijkheden. Maar slechts omdat zij ook in ons hun eigen kwaliteiten en eigenschappen erkennen en er een parallel bestaat tussen ons en deze geleiders, kan er van een contact, van een leiding, van een beïnvloeding sprake zijn.

Wanneer in de kosmos alle mogelijkheden bestaan, maakt het tenslotte voor God niets uit welke mogelijkheid wij voor onszelf realiseren. Van uit goddelijk standpunt is het onbelangrijk wat wij doen en wat wij laten. Want wij zullen eens ons einddoel moeten bereiken. Voor onszelf is het echter belangrijk dat wij dit einddoel zo snel mogelijk bereiken, met zo weinig mogelijk leed, zo weinig mogelijk disharmonie en duisternis. Om dit te kunnen bereiken moeten wij rekening houden met al wat wij ontmoeten in deze kosmos. Moeten wij rekening houden met elke invloed die ons van uit het onbekende tegemoet treedt. Wij moeten rekening houden met elke impuls, die in onszelf rijst en ons ook van de consequenties daarvan bewust zijn. Een ware ontmoeting in de kosmos kunnen wij op dit ogenblik voor onszelf reeds reëel maken, wanneer wij op dit ogenblik volledig bewust leven.

Om te komen tot een zo groot mogelijk bewustzijn, is het redelijk zoveel mogelijk ervaring te zoeken. Ons wezen echter ‑ denk aan hetgeen ik u verteld heb over de twee piramides of driehoeken ‑ brengt met zich mee, dat wij ons specialiseren. Wij moeten ons in ons beleven en ons ervaren wel beperken, omdat het onmogelijk is alle dingen gelijkelijk te ondergaan. De keuze die wij maken, betekent een specialisatie, een beperking. Maar juist in de beperking kunnen wij een volmaking bereiken. Door op een punt nu volmaaktheid te bereiken ‑ al het andere buiten beschouwing latend ‑ worden wij op dit ene punt volkomen harmonisch met de goddelijke Kracht Zelf, de levende Essence waaruit de kosmos is opgebouwd. Is dit gebeurd, dan is God onze onmiddellijke en erkende Leidsman. Dan is Hij a.h.w., onze Beschermgeest of Geleider geworden in de ware zin van het woord; een voor ons kenbaar Wezen dat onze wegen beïnvloedt en ons steeds in staat stelt de meest juiste weg te kiezen.

Daarom zouden wij eenieder, die werkelijk naar bewustwording streeft, de raad willen geven: streef niet naar algemene volmaaktheid. Die kunt ge niet bereiken. Maar probeer althans op één punt zo juist, zo goed en zo redelijk mogelijk te handelen te allen tijde. Niet slechts wanneer de omstandigheden dit gedogen, doch zonder enig respect voor alle hinderpalen die het leven schijnt op te werpen. Door deze weg te kiezen, kan men op dit punt de harmonie met God bereiken en zal men in de kosmos zijn Schepper, de wereld en uiteindelijk zichzelf als deel van de Schepper kunnen ontmoeten en daarmee voor het laatst staan te­genover de wereld, tegenover de kosmos, voor men er volkomen bewust deel van wordt.

Noot

t.a.v. de beleving van historische perioden der entiteiten.

Elke beleving, waarbij een identificatie met een historische persoon optreedt, impliceert het beleven van uit het standpunt van die persoon en een zien van diens tijd door diens ogen. Er is hier dus feitelijk sprake van een zeer subjectieve beleving. Het is echter mogelijk geestelijk a.h.w. aantekeningen te maken, zodat ‑ nadat men zich uit deze tijd heeft teruggetrokken ‑ een objectieve beschouwing van de daar verworven gegevens in verband met de verdere bekende ontwikkelingen mogelijk is. Dit geldt voor de historici, die bv. op ons eigen vlak werkzaam zijn.

Wij moeten echter niet te veel nadruk leggen op het objectief of subjectief zijn van waarnemingen. In feite nl. is een objectieve waarneming van uit een menselijk standpunt zelfs niet mogelijk. Het mens‑zijn zelf impliceert een subjectiviteit, waarbij alle menselijke waarden primair worden gesteld. Ja, van het allerhoogste belang worden geacht, terwijl daarentegen de waarden van bv. dierlijk leven, plantenwereld en zelfs geestelijk leven, invloed hebbend op de mensheid, praktisch worden verwaarloosd. Zo kunnen wij ook nog niet spreken over een objectieve beleving, wanneer een historicus van hoger vlak zich identificeert met een volk of met een stam. In dit geval echter wordt het standpunt wel iets ruimer en het overzicht ‑ zij het van uit een bepaald standpunt – meer omvattend. Het gevolg is dat men door wat men heeft geleerd aan objectieve waarden te toetsen aan de subjectieve beleving, een juistere interpretatie mogelijk wordt niet slechts van het historische gebeuren als zodanig maar van de bewustzijnswerkingen die daarmee gepaard gingen.

Historie betekent voor de geest nl. niet alleen het kennen van perioden, de politieke, sociale en religieuze ontwikkelingen van die tijden. Het houdt vooral in een begrip van de gronden die de mens be­wogen tot zijn gedrag in die tijd en ook het erkennen van de invloed die geestelijk ingrijpen in een bepaalde tijd gehad heeft. Een historisch onderzoek is dus enerzijds veel complexer dan dat op aarde ooit het ge­val is geweest. Hereditaire waarden bv. ‑ in de menselijke historie meestal verwaarloosd ‑ spelen in onze beschouwingen van een historisch gebeuren een grote, soms vaak sterk overwegende rol. Kennis van de gees­telijke voorgeschiedenis van bepaalde personen ‑ op aarde niet mogelijk ‑ maakt het ons duidelijk hoe hun tweeslachtigheid, hun tegenstrijdigheid, hun optreden te verklaren is. Het beeld dat op deze wijze van een aards gebeuren wordt verkregen, verschilt dus zeer sterk van al hetgeen een stoffelijke historicus op dit gebied zou kunnen presteren.

Een menging van subjectiviteit en objectiviteit kan op de duur leiden tot objectiviteit, wanneer de subjectieve begrippen duidelijk ma­ken, hoe de ervaring van objectieve waarden was. De werkelijkheid wordt door de persoon altijd vertekend gezien. Dit beeld is soms zo verschil­lend van de werkelijke toestand, dat een stoffelijk mens zich daarvan geen enkele voorstelling kan maken. Indien wij echter dit wel kunnen be­seffen, kunnen wij ook nagaan in hoeverre de persoon binnen de voor hem bestaande werkelijkheid rationeel heeft gehandeld. Wij kunnen verder na­gaan in hoeverre deze rationalisatie zijn invloed heeft doen gelden op een al of niet nader komen tot een objectieve werkelijkheid van anderen.

Om enkele typische verschijnselen hier te noemen: De heerser van het Derde Duitse Rijk, Adolf Hitler, leefde in wel heel zeer subjectieve wereld. Zijn beweegredenen waren ongetwijfeld ook zeer subjectief en geheel afhankelijk van zijn eigen instelling, zijn eigen waan, zijn begeerten en angsten. Eigenaardig genoeg bracht zijn optreden velen in zijn omgeving dichter tot een objectief beleven, waar een afreageren van alle subjectieve waarden in een haat of een aanvaarding mogelijk werd. Als gevolg werd door de meesten het normale dagelijkse leven zuiverder gezien en meer op zijn werkelijke waarde geschat, dan voordien het geval was. Nadien zien wij een verloopperiode, waarin wordt gezocht naar een andere mogelijkheid om eigen ressentimenten en haat te richten. Wij zien tevens dat de hoop ‑ ook een zeer subjectieve waarde van uit de oorlogsdagen – vervangen moet worden door idealen of andere gedachten, die een hoop nabijkomen. Wanneer blijkt dat deze dingen niet mogelijk zijn, zien wij zeer snel een groot gedeelte van het volk zich overgeven aan waanvoorstellingen, waarbij een zodanige subjectivering van de ware toestand ontstaat, dat niet mag worden gezegd, dat ook slechts 1/10 deel van Nederland enig besef heeft van de werkelijke toestand, waarin dit land zich sociaal, economisch, religieus bevindt.

Met dit voorbeeld hoop ik duidelijk te hebben gemaakt, hoe bij ons het historisch onderzoek ‑ en al deze waarden wel voortdurend in aanmer­king nemend ‑ een juister overzicht geeft van de werkelijke betekenis van de zgn. groten der aarde, de werkelijke betekenis van geestelijke factoren en invloeden op aarde en als zodanig een juistere indruk van de scheppende wil en de werking van de kosmische wetten.

Wereldrealisatie op verschillende vlakken

Gegeven het voorbeeld: De scheppende kracht is een wit licht vallend door een prisma, waardoor kleuren ontstaan, waarbij elke kleur een apart bewustzijnsvlak of wereld vertegenwoordigt, komen wij tot de volgen­de overweging: Elke wereld op zichzelf is een deel van een groter vlak van aan elkaar verwante werelden. Een voorbeeld: in het uit het prisma afleesbare kleurenvlak rood is een reeks van tinten te distilleren, die met elkaar zeer veel gemeen hebben, in trilling zeer weinig verschillen, en toch elk voor zich voldoende onderscheid vertonen om als afzonderlijk vlak van bewustzijn te worden beschouwd. De verwante werelden zullen allereerst moeten samenkomen. Wanneer werelden dicht naast liggen, beïnvloeden ze elkaar voortdurend en zullen zij voortdurend wederkerig elkaar moeten ervaren. Het is onmogelijk dat zij elkaar voortdurend uit het oog verliezen.

Vergelijkend gesproken kunnen wij hier nemen: De aarde met haar wereld van elementalen en haar astraal vlak, de daarbij komende lagere geestelijke vlakken plus het lichtend geestelijk vlak van Zomerland. In al deze werelden bestaat een ongeveer gelijk vormbewustzijn. De motivering der bestrevingen is in al deze werelden nog ongeveer gelijk. Als zodanig zal de astrale wereld zeer vaak verschijnselen veroorzaken in de stoffelijke wereld, terwijl zowel uit Zomerland als uit lagere geestelijk sferen voortdurend invloeden op aarde kenbaar zullen worden. Ze zijn zozeer met het bestaan van de stofwereld verweven, dat de doorsneemens zelfs niet in staat is deze invloeden als afzonderlijk te beschouwen. Hij ziet ze als verknoopt met het stoffelijk leven, geeft ze de naam van toeval of typische eigenschap van dit of dat. Toch zal het voor de bewustwording noodzakelijk zijn dat eerst deze parallel‑liggende werelden tot het bewustzijn doordringen. De mens dus zal in de eerste plaats moeten komen tot een kennen van de astrale wereld en de wereld der elementalen, terwijl hij daarnaast ongetwijfeld kennis maakt ‑ ook alweer ten dele via de astrale wereld – met lichtere en duisterder sferen. Op de duur is hij zelfs in staat om lichte en duistere werelden als directe actieve factoren te erkennen en te beleven, terwijl hijzelf toch in een stoffelijke wereld nog bestaat. Hij spreekt dan bv. over demonen en engelen. Zij zijn voor hem volkomen reëel en kunnen in zijn leven aanmerkelijke invloed uitoefenen. Hij heeft daarmee dan bereikt dat hij het gehele vlak rood voor zich omvat. Daarnaast ligt bv. een vlak oranje. Dit vlak oranje be­staat wederom uit vele naast elkaar gelegen werelden, en ook hier is dus een parallellelwerking mogelijk. En zo voort voor elk der bestaande kleuren in ons kleurenschema.

Wanneer die kleuren komen tot het punt van breking ‑ dus het punt van het prisma, waarin het wit zich deelt ‑ dan benaderen zij die andere werelden zozeer, dat het gecomprimeerd zijn der verschijnselen van verschillende werelden tot een beleving het mogelijk maakt die andere werelden nu als paralellen te erkennen. Komende tot een kosmische beleving of het witte licht zal men dus ‑ of men wil of niet de kern der verschijnselen van elke parallel‑liggende wereld mee moeten absorberen. Het witte licht echter omvat alle dingen en is identiek met kosmische bewustwording.

Nu heb ik in mijn voorbeeld hier slechts gesproken over de astrale wereld en de geestelijke werelden. Ik moet hierbij uitdrukkelijk opmerken dat dit slechts een voorbeeld is, want er liggen parallel aan deze stoffelijke wereld vele stoffelijke werelden. Werelden die slechts iets in ontwikkeling en in tijd van de uwe verschillen. Elk hunner heeft een gelijk vlak van astrale en verdere belevingen als voornoemd. De as­trale werelden echter vloeien reeds enigszins samen, de Zomerlandwereld komt reeds tot een wederkerige erkenning, de hogere geestelijke vlakken vloeien volledig samen, zodat daar geen onderscheid meer is te kennen. Ik probeer hiermee duidelijk te maken dat in een kosmische bewust­wording het niet noodzakelijk is de parallelwereld op zichzelf te kennen of te beleven, maar dat ‑ naarmate men geestelijk verder komt – eigen wereld meer en meer samenvloeit met alle daarmee parallel‑lopende we­relden, totdat een onderscheid tussen deze haast niet meer voor het “ik” bestaat. Vanuit elke wereld is een kosmische bewustwording mogelijk, maar elke wereld houdt in dat men om verder te gaan, langzaam maar zeker de begrenzing, die stoffelijk tussen deze werelden bestaat, in zijn bewustzijn overwint en met een bewustzijn van de stoffelijke sfeer, uit meer werelden opgebouwd dus, geestelijk stijgt. De vraag of deze stoffelijke werelden tot de aarde behoren, kan niet bevestigend of ontkennend worden beantwoord. Wij moeten hiervoor in de eerste plaats begrijpen dat de ruimte via een verdere dimensie of vierde dimensie punten vlak naast elkaar brengt, die volgens uw opvat­ting door miljoenen en miljoenen lichtjaren van elkaar gescheiden zijn. Het is dus mogelijk dat een planeet van een andere ster ‑ mits dit stelsel ongeveer gelijk is van samenstelling met uw eigen zonnestelsel ‑ een onmiddellijke parallelwereld vormt van uw stoffelijke wereld. Daar­naast is het echter mogelijk dat in een verschuiving van tijdsdimensie een tweede aarde bestaat, waarop een parallelle maar meestal ietwat di­vergente ontwikkeling heeft plaatsgevonden. Om een voorbeeld te geven: Het kan een wereld zijn, waarin Duits­land de overwinning heeft behaald. Het kan een wereld zijn, waarin Engeland nog regeert over zijn grote kolonie die in uw wereld de U.S.A. heet. Het kan een wereld zijn, waarin de Bolsjewiek indertijd geen overwinning konden behalen, zodat Rusland i.p.v. een dictatoriaal‑Communistische staat een democratische staat is, geregeerd door een vorst, bijgestaan door een waarschijnlijk socialistisch getinte Doema. Al deze mogelijkheden bestaan. Het is niet zeker dat zij alle gerealiseerd zijn. Maar wanneer zo’n in tijd parallel‑lopende wereld bestaat met een divergente ontwik­keling, dan wordt zij gerekend tot een parallelle wereld van de aarde, dus behorend tot hetzelfde trillingsgetal en behorende tot dezelfde reeks van ontwikkeling.

En dan is er verder nog een punt, waar wij een parallel‑wereld kunnen krijgen, ofschoon deze niet van een reëel stoffelijke opbouw is. Het is soms mogelijk dat in een geestelijke sfeer praktisch een replica van een bepaald deel van uw wereld wordt opgebouwd. Dergelijke sferen bestaan er meer. In vele gevallen wordt hierin het stoffelijk leven ‑ zij het met ietwat gewijzigde condities ‑ voortgezet, ongeacht de snelle veranderingen die daar optreden en de andere tijdsfactoren en vervalnormen die er bestaan, zijn de geesten van deze wereld volledig ingesteld op uw stoffelijke wereld. Hun trillingsgetal is daar dus praktisch mee gelijk. ‑ Hun wereld zelf is opgebouwd uit hun denkbeelden en kent als zodanig ook een soort gelijk trillingsgetal. Ook deze wereld als een directe parallelle wereld beschouwd.

De vraag of er een uitwisseling is tussen deze werelden is enigszins moeilijk te beantwoorden Er bestaat nl. wel degelijk tussen al deze werelden een zeker contact. Dit ligt echter niet op het zuiver materiele peil, terwijl het anderzijds veelal beneden het waarlijk geestelijk vlak ligt. Ik zal trachten duidelijk te maken in welke zin deze contacten dan optreden.

Zoals bekend kan een massa een gezamenlijk bewustzijn (een zgn. bo­venbewustzijn) bezitten, dat zijn directe inwerking heeft op alle leden van die massa. Uw eigen wereld heeft als zodanig een wereldomvattend bovenbewustzijn, waarin de totale gedachtenstroming van deze wereld als een grootste gemene deler komt tot een bepaalde stroming, een bepaalde reeks van aanvaarde denkbeelden. Dit nu ligt op het vlak der gedachten­stroming, die niet belemmerd wordt door tijdsgrenzen ‑ zo min als de geest ‑ of belemmerd wordt door verschil in materie. Ook 3‑dimensionale afstanden hebben hier geen enkel invloed, wanneer er een 4‑dimensionale nabijheid bestaat. Als zodanig zal het gemeenschappelijk bewustzijn van een wereld onmiddellijk invloed ondergaan van de aanliggende werelden; terwijl omgekeerd de aanliggende werelden met hun bewustzijn onmiddellijk op dit bovenbewustzijn der massa. In deze zin bestaat er een bijna voortdurend contact, waarbij verder kan worden opgemerkt dat dit contact zijn werking op uw eigen wereld slechts in zoverre uit­oefent, als een geneigdheid daartoe bestaat. Wij vinden dan ook in de streken waarin een parallel‑wereld in de stof een andere ontwikkeling heeft, vaak zgn. regressieve factoren, waarbij men dus wil terugkeren tot de vroegere toestand in deze wereld en deze gelijktijdig gecontinueerd is in een andere wereld. Degenen die zo ingesteld zijn, zullen hun ideeën omtrent hun rechten en hun verplichtingen dan vaak eerder ontlenen aan het bewustzijn van een parallel‑wereld dan aan het gemeenschappelijk bewustzijn van hun eigen wereld alleen.