Het ontstaan van het leven op deze wereld

uit de cursus ‘kosmologie’ (hoofdstuk 4) – januari 1977

Het ontstaan van leven op deze wereld

Wanneer moet je eigenlijk spreken van leven? Stel u een wereld voor vol van brakende vulkanen, een wolkendek, een wat brijachtig met lava doordrenkt land en verder niets. Toch leeft daar al iets. Daar zijn al elementen die leven aantrekken. Later zullen wij ze misschien salamanders noemen of luchtgeesten: watergeesten en aardgeesten, eigenlijk zijn het de bewoners van de eerste elementen. Ze zijn bezielende krachten.
Een deel van hen bindt zich tamelijk intens aan die vorm van bestaan. Ze zijn half geestelijk, half stoffelijk en ook een beetje astraal. Een ander deel dobbert door de brij totdat op een gegeven ogenblik de zon een enorme reactie vertoont op een boodschap van buiten en daardoor plotseling de regen ontstaat, het water komt:
Waar het water komt, daar ontstaat veel stoom en meer water. Er ontstaan een aantal wereldzeeën, betrekkelijk klein, een beetje puree-achtig zo hier en daar door al die stoffen die daarin zijn opgelost, alle as die erin drijft. Dan gaat dat verder.
Er zijn wat geesten die zich daarvan een beetje terugtrekken. Ze voelen er niet veel voor. Er komt dan een ogenblik dat er wederom een uitbarsting plaatsvindt. In die uitbarsting ontstaat dan het eerste leven : de half-eiwitten gevolgd door de eencelligen.
Nu zijn er een aantal entiteiten die zeggen: Wij zouden daar best iets mee kunnen doen. Maar ja, het zijn van die kleine wezentjes, je kunt je niet helemaal daarin verdiepen, ze zijn zo eenvoudig. Er zijn wel instincten, maar met zo’n wezen heb je eigenlijk geen ervaring. Ze nemen dan hele scholen. Het is alsof een entiteit een hele familie, die door deling van die simpele eencelligen wordt geschapen, voor haar rekening neemt. Het zijn verspreide lichamen die vaak over tamelijk grote afstanden door de wereldzee drijven en langzamerhand zich ontwikkelen tot nog steeds absorbeerders van chemicaliën of absorbeerders van ander leven.
Dan ontstaan er meercelligen. Van de meercelligen komen we langzaam maar zeker naar de eerste zeer eenvoudige levensvormen, een beetje molluskachtigen. Er is dan werkelijk al reden om je intenser met dat leven bezig te houden. Zo gaat het een hele tijd verder. U kent allemaal het verhaal. Ik behoef het niet in details te vertellen van de eerste reptielen; de eerste wezens die steeds meer uit het water aan land komen, zoiets als de longvis b.v.. Onder hen zijn er steeds meer die in de moerassen gaan leven. Moerassen zijn er in die tijd genoeg, want er is ontzettend veel regen en betrekkelijk weinig zon.
Zo ontstaat er langzamerhand een vorm van leven, dat zich in de varenwouden probeert te handhaven, maar de meeste kansen zijn eigenlijk wel in wat men tegenwoordig de vloedgrens zou noemen: het gebied waar de wateren van de primitieve oceaan tegen de nog niet geheel gevormde moerasachtige oevers aanklotst. Daar ontstaan ook de eerste grote vormen.
Daar verschijnen de eerste warmbloedigen. Koudbloedige wezens van allerlei grootte zijn reeds aanwezig en een bepaalde soort blijft nog een hele tijd in dat grensgebied vertoeven. Wij noemen ze robachtigen omdat ze iets weg hebben van een zeerob. Ze zijn overigens wat slanker van bouw. Ze leven in kolonies en ze kennen een zeer strikte rangorde. Als deze wezens zich een beetje gaan ontplooien op aarde (het zijn kolonies van misschien een paar honderd hier en een paar honderd daar), dan komen er entiteiten die al een stoffelijke ontwikkeling hebben doorgemaakt en die zeggen: Hier kunnen we misschien iets aan doen. Zij proberen dan vanuit hun sfeer, middels allerlei astrale krachten en werkingen, met deze wezens in contact te treden. En waarachtig … het lukt.
Langzaam aan wordt het mogelijk een soort lichtschijnsel te creëren. De wezens reageren daarop. Ze zijn telepatisch zeer ontvankelijk en het is mogelijk hun instinctieve drang zelfs voor een deel te reguleren. Er ontstaat voor het eerst op deze aarde een levensvorm die denkt, zij het beperkt, die iets van verering of een eredienst kent. Deze eenvoudige levensvorm heeft een gemeenschapsleven waarin de prooi wordt gedeeld en men tezamen bepaalde taken verricht.
In deze tijd komen ook insectenvolken voor, maar die hebben een snelle ontwikkeling en ze verdwijnen ook weer heel snel. Er is een tijd geweest van reuzenmieren. Die zijn voor een groot gedeelte eenvoudig verdwenen; daarvan is niets overgebleven. Er zijn ook andere volkeren geweest die doen denken aan de vliesvleugeligen. Men zou het een heel vroege vorm van bijen kunnen noemen. Die insecten hebben wel een groepsinstinct, maar helemaal gaat het toch niet. Het is net alsof ze op een gegeven ogenblik terugschrikken voor een individuele ontwikkeling. Toch hebben de geesten, die geïncarneerd zijn geweest in de robachtigen de behoefte gekregen om zich vrijer te bewegen, om a.h.w. meer zichzelf te zijn, zich een beetje los te maken van alle ritmen van de groep. Het resultaat is, dat ze inderdaad. voor een groot gedeelte weer zijn geïncarneerd in warmbloedigen. Dan komen we bij de apen terecht, beter gezegd bij de verre voorvaderen van de apen.
Nu is dit een enorm stormachtige tijd. In deze periode hebben wij namelijk te maken met alle soorten leven die men zich maar denken kan. Er is b.v. een paard, al is het niet veel groter, dan een fox terrier; het zal later ongeveer zo groot worden als een herdershond. Er is een voorvader van de hond, die vreemd genoeg in die periode groter is dan het paard.
Er zijn allerlei soorten reptielen. We zien langzaam maar zeker de hele familie van de saurïers van de grond komen. Er ontwikkelen zich bepaalde dikhuidigen, waarvan u nu nog enkele vormen overheeft.
Daar is ook de voorvader van de aapachtigen die later aanleiding zal worden tot het ontstaan van de premenselijke stammen. Kortom, elke vorm van leven die u tegenwoordig nog kent is in beginsel in die tijd aanwezig.
Als je dat zo vertelt, is het een eenvoudig verhaal. De meeste mensen begrijpen niet dat zoiets miljoenen en miljoenen jaren vergt. Het is zo ongeveer gegaan. Wat was hierbij nu het belangrijkst ?
In de eerste plaats: de elementalen blijven voor een groot gedeelte op aarde bestaan. En omdat contact tussen dierlijke en astrale vormen (denk aan de kolonies van de robachtigen) althans voor bepaalde soorten heel normaal is geweest, is het ook mogelijk voor deze astrale vormpjes om gewoon te integreren in de natuur.
Als u tegenwoordig een sprookje hoort over een nimf die in een bron woont (een najade) of van een geest die in een boom woont, dan halen de mensen hun schouders daarover op. Als je het hebt over het kleine volkje, dan zeggen ze: Nu ja, dat is in Ierland. De Ieren zijn nu eenmaal grote leugenaars, grote vechters en grote drinkers.
Als ik echter kijk naar wat er gebeurt, dan blijkt dat de astrale vormen, die met hun leven een rol spelen in de verschuiving van de elementen, zich aangetrokken voelen tot stoffelijke wezens, die iets van diezelfde vrijheid genieten, die zich ook bewegen, zich vestigen, die jachtgebieden kennen, die angst kennen. En onwillekeurig komt het tot een uitwisseling.
De natuurgeesten waarschuwen het dierlijk leven. Het is zelfs zo dat in de tijd van de Tvrannosaurus en de Tyrannosaurus Rex hele kudden kleine warmbloedige dieren reeds wegvluchten lang voordat er wat te zien is, omdat er toevallig een astrale flikkering voorbij is gegaan: een waarschuwing. Het leven is niet alleen stoffelijk, zoals u misschien denkt. Er is een zeer lange periode geweest waarin half stoffelijke en stoffelijke levensvormen een eenheid vormen. Ze leven in een soort symbiose waardoor de elementalen voor zich allerlei interessante ervaringen en prikkels vinden in de reacties van het stoffelijke, en omgekeerd alles wat in de stof leeft grotere mogelijkheden of zekerheden verwerft dank zij juist de reactie op deze natuurgeesten.
Dit is natuurlijk mystiek wat ik nu vertel, want ik kan het niet bewijzen. Maar geloof mij, de elementalen hebben in die tijd een heel belangrijke rol gespeeld. Het was zeker niet alleen het werk van de groepsgeesten dat hier van betekenis was. Het was wel degelijk ook de bescherming, die vele soorten hebben genoten doordat ze op de een of andere manier harmonisch werden met de elementalen. Dit geldt zelfs voor de vuur-elementalen (later salamanders genoemd, die in bepaalde gevallen gebieden a.h.w. beschermden. Dus niet verteerden, omdat daar met hen harmonische soorten leefden. Het betreft hier overigens voor een groot gedeelte salamanderachtige wezens. Ik neem aan, dat de geschiedenis van de vuurspuwende draken uit die tijd stammen.
Nu weet ik wel, vuurspuwende draken, zoals die in sprookjes voorkomen, zijn er niet geweest. Ze zijn er echter wel geweest in die zin, dat ze net als sommige koeien tegenwoordig nog gassen konden produceren die onder bepaalde omstandigheden zeer ontvlambaar waren. Als tegenwoordig een koe nog een stal in brand kan steken, is het misschien denkbaar, dat er een bepaalde soort draak was, die kort na het voederen gassen uitbraakte. En als er dan toevallig omstandigheden waren waardoor ze konden ontbranden (dat kon een spontane ontbranding zijn), dan konden ze vuurspuwen. Zo ziet u, zelfs sprookjeswezens vinden in het verleden, wel degelijk hun plaats. En niet op een bovennatuurlijke manier, maar op een heel andere wijze dan in de wereld van vandaag. Het is gewoon een ontwikkelingsstadium van zaken die u nog vandaag de dag kent.
Een zeer belangrijke scheiding treedt op, wanneer we ook op: het vasteland een scherpere verdeling krijgen van de jagers en de eters. De eters voeden zich met plantaardig voedsel. Enkelen van hen zullen in de primitieve periode ook nog bepaalde minerale stoffen als hoofdbestanddeel van hun voeding gebruiken. Daarnaast zijn er de jagers die hun prooi zoeken. Dit betekent dat een andere indeling tot stand moet komen. Als je allemaal plantaardig voedsel eet, dan stoor je elkaar niet zolang er genoeg is. Je kunt dan in grote gemeenschappen leven. Maar op het ogenblik, dat er prooi-jagers komen is het ook nog belangrijk om je te verdedigen. Dan moeten er dus eenheden worden gevormd die juist voor de verdediging mee georganiseerd zijn. Dat betekent een verandering in besef, in instinct. Het betekent tevens een totaal andere benadering van het bestaan.
Het leven hoog in de bomen van de voorvaderen van de apen was tot op die dag eigenlijk niet nodig. Alleen bepaalde pterodactylen (reuzen vleermuizen) moesten wat hoogte hebben anders konden ze niet wegfladderen. Die deden het bij voorkeur zo, dat ze een heel lange startbaan hadden, zoals b.v. een D.C. 9 of een ander transatlantisch vliegtuig. Voor de rest was er geen behoefte om een hoog punt te kiezen. Bescherming op een hoog punt? Waar had je dat voor nodig? Uitkijken? Waar had je dat voor nodig. Maar nu wordt het anders; en dit betekent ook dat er angst wordt geïntroduceerd. Een gemeenschappelijke reactie. Een veel grotere behoefte dan voorheen aan een aantal signalen, aan taal. Deels telepatisch in die periode, ongetwijfeld. Die telepatische taal maakt ze weer ontvankelijk voor wat elementalen maar ook groepsgeesten te zeggen hebben. Vanaf dat ogenblik krijgen we een versnelde ontwikkeling.
U zult wel begrijpen, dat het leven op aarde niet helemaal van de aarde alleen afhankelijk is. Per slot van rekening, er zijn onnoemelijk veel sterren, die allemaal een persoonlijkheid hebben, een bepaalde invloed uitoefenen. Een astroloog weet dat vandaag de dag nog. Al die invloeden werken in op de zon en op het zonnestelsel. Dat houdt in dat er voortdurend wijzigende condities kunnen optreden. Niet alleen ijstijden, maar ook perioden van zeer sterke activiteit, die aanleiding zijn tot het vormen van steeds complexere zenuwstelsels. Perioden van rust waarin een soort traagheid intreedt en de vormen zich stabiliseren. In deze perioden zijn de vroege voorvaderen van aap en mens op een punt gekomen, dat ze uit de wouden moeten komen.
Nu is de oplossing van dit probleem eigenlijk zo eenvoudig dat het mij, verbaast dat er nog niemand op is gekomen. Wat is er gebeurd? Er zijn vlakten ontstaan. Lava is buitengewoon vruchtbaar. Er is zonneschijn, maar niet veel. Er is wel veel regen. Bepaalde gebieden in de bergketens zijn zeer gevaarlijk, want zo’n regenbui kan daar plotseling allerlei stortvloeden en overstromingen teweeg brengen. Op de vlakte ben je echter betrekkelijk veilig. En omdat de basis daarvan toch voor een groot gedeelte lava was, heeft men die vlakte gekozen waar een bijzonder rijke plantengroei was. Een plantengroei waarvan juist de jonge scheuten zo heerlijk en verleidelijk waren voor de nog steeds plantenetende voorvaders van de mens, want uw vroegste voorvader was vegetariër; die wist nog niet beter.
Het is duidelijk, dat de keuze voor dat soort voedsel weer betekende, dat je je moet beschermen. De voorvader van de mens neemt een aantal gewoonten en gebruiken over van de planteneters en mengt zich voor een deel ook tussen hen. Het is dus helemaal niet zo vreemd, als u hoort dat de voorvader van de mens samen voederen, samen eten met de voorvaderen van hertsoorten, van paarden, van allerlei soorten planteneters, misschien, oerossen en oerkoeien. Dat zijn hun vijanden niet, integendeel. Die zijn door hun sterke telepatische contacten met natuurgeesten vaak nog eerder op de hoogte van gevaar dan de mensen, die tot dan toe in een andere omgeving hebben geleefd en de signalen dus niet zo goed kennen.
Je moet dan kunnen meelopen als er gevaar dreigt. Anders gezegd: de voortbeweging en ook de waarneming wordt belangrijk. Degenen die tot op dat ogenblik op vier pootjes liepen, gingen steeds meer op de achterpoten staan en ook dit is een menselijke kwaliteit die bewaard is gebleven. Zeg maar iets onaangenaams tegen een mens, hij staat meteen op z’n achterpoten.
De situatie van het wordende mensdom is een zeer wonderlijke, want er zijn nog steeds contacten met natuurgeesten, natuurkrachten, elementalen en met rassen- en soortgeesten. Steeds meer vormen er zich groepen, die een afzonderlijk gedrag vertonen, want ze moeten zich aanpassen aan de omgeving en aan alles wat er gebeurt. Dientengevolge ontstaan er steeds meer groepsgeesten: entiteiten die een bepaalde groep begeleiden.
De contacten, die in het begin vaak nog gevisualiseerd kunnen worden, zullen door de concentratie op de gevaren in de omgeving steeds minder worden waargenomen. Wat er overblijft is een soort telepatische impuls die zeker niet vergelijkbaar is met een bewust proces. Het is eerder een onbewuste uitwisseling van signalen waarvan de eindconclusie, getrokken door de geest en niet door het wezen in de stof bezield als het ook moge zijn als een drang naar voren treedt. Hier splitsen zich ook de levensgewoonten van de verschillende groepen.
Er zijn andere entiteiten gekomen. Er is nog wel een groepsgeest of een rassengeest die het geheel overziet, maar de rassengeest laat zoveel mogelijk over aan de groepsgeest. Hij kan alleen nog maar zorgen dat de soort gunstig evolueert, maar niet meer dat daarbij instinctieve drang en dergelijke overal gelijk worden ontwikkeld: Die grondwaarden liggen in de levensomstandigheden. De rassengeest trekt zich a.h.w. terug.
De groepsgeesten veroorzaken allerlei fenomenen die steeds beter worden begrepen. Wat zijn die fenomenen? Wezens, die ook al doordat ze in feite niet tot de sterksten behoren op samenwerking zijn aangewezen, zullen natuurlijk een taal ontwikkelen. Dat behoeft u helemaal niet te verbazen. Er zijn in deze dagen honden, die 800 tot 1000 uitdrukkingen kunnen begrijpen. Het zijn er niet veel, maar ze zijn er. Het is dus duidelijk, dat in die tijd een woordenschat van 80 tot 100 klanken en signalen te weinig was. Ontwikkeling van taal werd noodzakelijk. Daarbij ga je natuurlijk uit van de grondklanken die zijn ingebouwd in de structuur van het strottenhoofd. Langzamerhand ga je ze combineren.
Er ontstaat een soort oertaal die met gebaren moet worden aangevuld, maar daardoor wordt ook de communicatie met de geest anders. Tot nu toe was het een kwestie van meetrillen met de gedachten van anderen. Nu wordt de nadruk meer gelegd op signaal auditief of visueel of beide en is de aandacht dus meer gespitst op de vage drang die eens werd verstaan en die voerde tot een onmiddellijke reactie, maar die nu eerst moet worden omgezet in signalen voordat ze aanvaardbaar wordt.
Er ontstaan rassen. De evolutie van de rassen op aarde is een hele geschiedenis. Er zijn reuzen geweest. Er zijn minimannetjes geweest; de pygmeeën zijn daarvan nog een overschot. Overal evolueert nu de groep in overeenstemming met haar omgeving, behoeften en mogelijkheden. De gevaren zijn hierbij van heel groot belang, want het is tegen het gevaar dat je je als gemeenschap moet beschermen. Dit betekent dat de ene groep veel harder moet kunnen lopen dan de andere en dus betere hardlopers gaat voortbrengen. Het is niet voor niets dat een bepaald ras in uw tijd nog steeds de beste atleten juist op dit terrein voortbrengt. Andere groepen worden misschien meer agressief. Sommigen zoeken het juist in hun beweeglijkheid, anderen eerder in een enorme moed en een monolithisch vermogen om te blijven staan tegenover aanvallen van enorm grote wezens.
De groepsgeesten proberen nog steeds te helpen, ze proberen nog steeds in te grijpen. Daarvoor moeten ze nu verschijnselen produceren. Benoemd worden ze niet. De benaming is gewoon verdwenen. Hoogstens zal iemand zeggen: Dat lijkt mijn vader of mijn grootvader wel. In sommige gevallen zeggen ze alleen: Hier zijn verschijnselen die zeggen “je mag niet”. Ze beseffen niet dat er wordt gezegd: dit is gevaarlijk. Zo ontstaan taboes. Zo ontstaat verering van de voorouders, een van de eerste beginselen.
Gelijktijdig, wordt de drang van de instincten geringer. Zeker, de instincten werken nog wel, maar ze werken nu meer op individuele basis. Het kudde reageren dat in de tijd van de overheersende en dominerende groepsgeest elke menselijke groep steeds als een eenheid deed handelen, verdwijnt en er ontstaan sterke differentiaties binnen de groep. Dat is eigenlijk wel de bestaans- en ontstaansgeschiedenis van het leven op aarde zoals u het kent.
Wij zouden hier zeker allerlei theorieën bij kunnen halen. Wat ik u hier heb weergegeven is zeer eenvoudig, het ontstaan van het leven op aarde zoals de geest dat ziet. De geest let daarbij minder op verschillen dan u doet. Wij zien geen grote verschillen tussen de rassen, die achtereenvolgens de suprematie krijgen. Wij zien niet zo’n groot verschil tussen homo sapiëns en de vroegere vorm met een andere schedelbouw en andere borstkas; dat zijn ten slotte maar uiterlijkheden. Het gaat ons om het verstand.
Dat verstand ontwikkelt zich zeer snel. Als je niet meer door je instincten wordt gedomineerd, maar je je binnen de groep moet handhaven en je bovendien met de groep tegen vele bijzonder grote gevaren moet verdedigen, dan is het logisch dat je gaat denken, dat je alles gaat beschouwen, dat je de mogelijkheden ervan gaat overwegen. Dus heb je een goed geheugen nodig. Niet alleen voor het terrein waarin je je beweegt, maar ook voor de verschillende mogelijkheden die er zijn, indien er een zeker gevaar opdoemt.
Als iemand ziek wordt en hij wordt beter als hij van die of die bessen heeft gegeten, dan geef je die bessen aan een volgende zieke. Of misschien heeft iemand eens een lied gezongen voor een zieke, dan zing je dat lied weer voor een zieke, want het zou kunnen helpen. Er ontstaat dus iets wat lijkt op primitieve geneeskunde.
Enkele mensen, die gevoeliger zijn gebleken voor de krachten die uit de geest en uit de wereld der elementalen contact zoeken, worden haast automatisch wijzen, priesters, sjamanen. Dat kan haast niet anders. Zij zijn gevoelig en daardoor kunnen zij in vele gevallen inderdaad meer weten dan anderen. Maar ze kunnen niet duidelijk maken, hoe ze het weten. Ook in die dagen waren er al heel veel sceptici die zeiden: Die medicijnman kan mij nog meer vertellen.
De situatie waarin zij zich bevinden, dwingt hen ertoe om bepaalde gaven te vermommen, ze aan meer zichtbare zaken op te hangen. Zo ontstaan de eerste magische riten en rituelen. De wetenschap gaat schuil achter een vorm van poppenkast die op zichzelf niet altijd geheel zinloos is, maar die vooral tot doel heeft om het juiste contact mogelijk te maken. En daarmede zitten wij aan het begin van de menselijke beschaving.
Er zijn groepen, kleine misschien, maar die zich toch beschouwen als een natie in die dagen. Er zijn priesters; mensen die zich bezighouden met de geestelijke waarden en krachten. Er zijn natuurlijk ook de leiders in de strijd en op de jacht. De dictators van die tijd misschien. Er is de strikte rangorde binnen de gemeenschap, de indeling in standen. En als je dat nu allemaal hebt beschouwd, dan wordt het hoog tijd je te gaan afvragen, of dit in kosmische zin ook elders kan plaatsvinden.
Het blijkt dan dat de gehele ontwikkeling uitgaat van een planeet die zelf actief is; die dus een eigen kernactiviteit heeft waarbij het aanwezig zijn van een atmosfeer natuurlijk ook mede een rol speelt. Hier treden namelijk deze elementale krachten op. Waar elementalen zijn, wordt het eerste, zij het in geheugen nogal zwakke denkvermogen, geschapen. Dit denkvermogen kan zich in stoffelijk vorm bevestigen, indien het bestaan binnen het element niet bevredigend is.
Bijna elke planeet die wordt gevormd kent een periode waarin elementalen daar levenscondities vinden, die voor hen aanvaardbaar en juist zijn. Het astrale leven en de astrale bewustzijnsontwikkeling in de kosmos is dus betrekkelijk groot.
De levensduur van een elementaal is eveneens behoorlijk: Er zijn er bij die een paar duizend jaar kunnen bestaan. Daarna verdwijnt een groot gedeelte van het besef en gaat het a.h.w. weer terug naar de bron. Daarom zegt men in sprookjes wel eens dat de elementalen geen ziel hebben. Dat is niet helemaal waar. Het is eigenlijk een ziel die maar een tijdelijke vorm heeft en vanuit deze vorm naar een verdere ontwikkeling door kan gaan of weer moet terugkeren naar de bron, wanneer de vorm in haar mogelijkheden is uitgeput. Die elementalen zijn er door de hele kosmos.
Als die elementalen er zijn, dan zijn er ook bezielde levensvormen. Daar waar een cel of zelfs een vorm bestaat hoe simpel ook waarin actie en reactie mogelijk is, waarin belevingsmogelijkheden schuilen, daar is de kans heel groot dat die vorm bezield wordt. Overal waar hogere levensvormen kunnen voorkomen, daar ontstaan rassen en groepsgeesten. Dan is dus het hele Al wel bezield en overal zal er dus leven zijn. Maar niet alle leven ontwikkelt zich tot mensen of dieren van een soort die u kunt kennen. Het is heel goed mogelijk, dat ergens plantaardig leven de top wordt. Het is ook heel goed mogelijk, dat juist te midden van een groepsleven slechts een eenling, een uitgestotene, tot een verdere ontwikkeling van besef komt en zo in feite de leider gaat worden van alle anderen. Er zijn duizend en een mogelijkheden.
O zeker, de menselijke vorm, wordt hier en daar in het Al wel herhaald (niet geheel identiek, maar redelijk identiek), maar dat is niet zo belangrijk. Belangrijk is, dat er overal leven kan ontstaan, dat overal een bezieling van stoffelijke vormen kan plaatsvinden, dat overal een menselijke ontwikkeling qua bewustwording en bezieling denkbaar is.
Als wij ons bezighouden met kosmologie, dan moeten wij niet alleen zeggen: alle sterren zijn voortdurend in beweging en alle sterren beïnvloeden elkaar en hun planeten. Wij moeten zeggen, dit gehele heelal is vol van geestelijk bestaan, van astraal leven en van tijdelijk met de stof verbonden besef en leven. Dan pas krijgen we een beeld van de werkelijkheid. Als ik dat beeld nog wat verder wil doorvoeren wat ik dan tot besluit van deze lezing wil doen dan kom ik tot de conclusie:
Overal, letterlijk overal, zelfs in het niets van de ruimte waar op enigerlei wijze elementen bijeen zijn, al zijn het maar partikels stof, daar is een mogelijkheid dat een astraal wezen ermee speelt en op den duur zich er zelfs mee vereenzelvigt en zo een deel ervan bezielt. Het hele Al is dus bezield.
Nu kunnen we ons wel op de borst kloppen en zeggen dat wij van de menselijke ontwikkeling dan toch wel de kroon, de top der beschaving zijn. Wij zijn de ontwikkeling die het dichtst bij God staat. Ik vind het eigenlijk een brutaliteit om dat zo te zeggen, maar dat neemt niet weg dat anderen er net zo over kunnen denken.
Het ontstaan van het leven op aarde is misschien deels een toeval.
Ik geloof niet dat de zon heeft gezegd: Nu ga ik eens uitbarsten, opdat daar op aarde in die primaire wereldzee eindelijk het een en ander kan gebeuren. Maar de mogelijkheid was er en het bewustzijn dat zich daarvoor interesseerde, was aanwezig. Dat is belangrijk. Indien er in deze kosmos niet overal bewustzijn aanwezig zou zijn hoe dan ook dat zich voor alle verschijnselen interesseerde en de neiging had om zich met interessante verschijnselen tijdelijk te integreren, dan zouden wij de wordingsgeschiedenis van het leven rustig kunnen overslaan. Maar dan is er tussen alles ook een verwantschap, want de grenzen die je trekt tussen werelden of tussen de soorten op de wereld, bestaan geestelijk niet.
Je zegt niet tegen een geest: Wat bent u geweest? Een mens? Van welk ras, van welk land? Of: Wat ziet u er vreemd uit. Bent u vroeger misschien een poes of een hond geweest? Dat zeg je niet. Je toetst elkanders bewustzijn. En dat betekent dat het bewustzijn van al die werelden ergens met elkaar verbonden is.
Er is een onvoorstelbaar fijn maaswerk van bewustzijn geweven door het geheel van de kenbare ruimte. En overal ontstaat weer bewustzijn, leven, persoonlijkheid. Hoever het zich zal ontwikkelen vanuit menselijk standpunt gezien, wat er eventueel zal worden bereikt, ach, dat is niet zo, belangrijk. De ene soort gaat misschien met ballons de ruimte in, de andere kiest daarvoor meer een platte doosvorm en de derde heeft zeer onregelmatige vormen en doet aan ruimtevaart. En de mens maakt een soort superrotje en schiet zichzelf naar de maan. Dat komt voor, maar belangrijk is het niet. Belangrijk is het bewustwordingsproces.
Als ik aan het einde van deze korte les alles mag samenvatten, dan wil ik op het volgende wijzen:
De elementalen, die ook nu nog op aarde bestaan, zijn uw verwanten. Ze horen ergens bij u. Zonder hun, leven in de elementen van een voor het stoffelijke leven van meer ingewikkelde vormen nog niet geschikte wereld, zou er waarschijnlijk geen bezieling zijn geweest waardoor de latere vormen zich konden ontwikkelen.
Wij spreken over rassen en groepsgeesten als zijnde hoge entiteiten, maar in feite zijn ze wezens zoals u, alleen zijn ze zich meer of anders bewust van hun mogelijkheden en meer en anders dan u geïnteresseerd in bepaalde ontwikkelingen. Wij zijn niet anders. Wij zijn gelijken. En in deze gelijkheid putten wij allemaal uit dezelfde bron van kracht. In deze gelijkheid beïnvloeden wij allemaal elkaar. Als je klein bent, zul je natuurlijk door het dictaat van vaste sterren meer getroffen worden dan iemand die groter is, bewuster en vrijer, maar je wordt erdoor getroffen.
U leeft in een besef dat een hele kosmos omvaamt en dat in die kosmos een bepaalde hoofdontwikkeling onvermijdelijk heeft gemaakt, maar daarom bent u nog geen marionet. Want als u leert de mogelijkheden die er zijn te erkennen, kunt u ook de meest waarschijnlijke mogelijkheid vermijden. U kunt een eigen weg gaan en een eigen bewustzijn ontwikkelen.
Eens zult u misschien een groeps- of rassengeest zijn. Misschien ook brengt u het niet zo ver en zult u een tijd dolend in het duister ten slotte een nieuwe planeet ontdekken en u daar vereenzelvigen met een gaswolk, met stollende lava of misschien met het eerste ontstane water of de vloeistof welke die plaats inneemt. Wie zal het zeggen? Maar eindig zijn we niet, behalve in vorm. En juist dit deel zijn van de oneindigheid vormt niet alleen de verklaring van het voortdurend ontstaan en herontstaan van leven, maar ook de reden daarvoor.
Het leven is de voortdurende expressie van het bewustzijn. Het bewustzijn op zich is de voortdurende erkenning van grotere mogelijkheden en harmonieën in die totaliteit waarvan u deel bent. Als u dat uit dit betoog heeft begrepen, dan zal het zeker zijn doel niet voorbij zijn geschoten.

Noot
De hiërarchische indeling in de kosmos.
Een hiërarchisch geheel vloeit voort uit een denken dat de gelijkheid nog niet kan beseffen. Dat betekent, dat een hiërarchie menselijk is in haar origine. Het is een menselijk denkbeeld, niet een kosmisch bestel. Ook als wij de verhoudingen vanuit ons standpunt op een bepaalde manier zien moeten wij begrijpen dat op andere gebieden de functies misschien verwisselbaar zijn. U bent misschien nog slaaf van de een of andere Heer van een Straal. Maar in u is ook een bewustzijn en mogelijk dat u op een gegeven ogenblik de leraar kunt zijn van diezelfde Heer van een Straal; dus zijn goeroe, zijn meerdere op een terrein. De functie is geen rang. Het vermogen op zichzelf is zelden zo alomvattend dat er van een werkelijk hoger geplaatst zijn sprake is. Daarom moet u kosmisch niet van een hiërarchie spreken, ook als er tijdelijk bepaalde verhoudingen optreden. Die worden bepaald door de verschijningsvorm waarin u leeft: door het bewustzijn dat u op dit moment bezit en door de kracht waarover u op dit ogenblik bewust kunt beschikken. Die bepalen tijdelijke verhoudingen, die elk moment kunnen veranderen of die te wijzigen zijn.

Commentaar

Wanneer je spreekt over het leven op aarde, is iedereen bezig met alle bezieling. Nu vind ik dat natuurlijk heel prettig. Ik hou van bezieling, ik hou van geestdrift en ik hou nog meer van de geest. Als ik het geheel bezie, dan geloof ik dat we niet alleen van het begin naar het heden toe moeten werken, maar dat we ons ook eens moeten afvragen waartoe heeft al dat andere geleid? En dan komen we tot enkele wonderlijke conclusies.
Laten we nu eens die paar rampen nemen waardoor de aarde, met de verschuiving van de aardas en nog zo wat, zich een breuk heeft gelachen. Het is natuurlijk geen breuk. Het heet de Andreasfault. Het schijnt, dat de aarde de mensheid wat belachelijk vindt, want op het ogenblik vertoont zij alle tekenen van een komende lachbui; en als dat gebeurt, dan beeft de mensheid.
Nu wil ik helemaal niet zeggen dat het voor de mensheid erg is, wanneer de aarde beeft. Per slot van rekening, de slachtoffers komen dan bij ons en kunnen tot rust komen. En als ze recht hebben op de bibberatie, dan kunnen ze dat bij ons krijgen tot in der eeuwigheid.
Als je het zo bekijkt, dan wordt in het heden ontzettend veel bepaald door het verleden. Als u eens denkt aan de vroegere regeringen van Nederland. Misschien kunt u zich de tijd van Colijn nog herinneren. Men heeft hem zelfs uitgebeeld: Colijnsplaat. Dat is een zandplaat die onder water gaat, als het ernst gaat worden. Als het vroeger op de centen aankwam, dan was Colijn onder water zodra het ernst werd. Zijn mentaliteit weerkaatst in het heden.
Is zonder een Colijn in het verleden een Van Agt( premier geweest in NL?) in het heden mogelijk? En, wat dat betreft, zou een Carter ( voormalig president U.S.A. ) mogelijk zijn zonder een boerenopstand van eens: De ellende is, dat het nu den herenboer is geworden. Die herenboer zal ongetwijfeld proberen de noten te branden waarmee het volkslied van de Ver. Staten eens is geschreven; en dat betekent dat de Stars en Stripes er lichtelijk gehavend afkomen van het jaar.
In een heel ver verleden, als ik mijn voorganger mag geloven, was er eens een aap, die pas had geleerd op twee voeten te lopen en die een ontzettend paardengebit had: Die zocht ook zijn kapitaal onder de boomstammen en ondertussen probeerde hij iedereen met zijn glimlach te overtuigen dat hij gevaarlijk en gelijktijdig betrouwbaar was. U kunt zeggen: dat is kolder. Maar kan er iets in het heden bestaan wat niet uit het verleden is voortgekomen? Nu kunnen wij natuurlijk zeggen; het was geen directe voorvader van Jim Carter en daarin heeft u groot gelijk. Hij zal waarschijnlijk wel een voorvader zijn geweest van de familie Kennedy, vooral van oma Kennedy. Het is namelijk zo, dat oma in feite bepaalt wat er gebeurt. Het is net een olifantenkudde. In zo’n kudde maakt het oudste wijfje de dienst uit.
Nu is het zo, dat orde in de U.S.A. niet denkbaar is; want het is een democratie. Vandaar dat ze nu een Carter hebben genomen als een aardig evenbeeld om er wat wanorde in te brengen.
Er is vroeger in het heel verre verleden de eerste splitsing geweest tussen kerk en staat, ofwel de machtsstrijd van de medicijnman tegen de aanvoerder. Dat zien wij tegenwoordig nog steeds. Als de staatsman A zegt, dan zegt de Paus B. Er zijn zelfs bepaalde groepsgeest verschijnselen aan de gang. Denk maar eens aan Nederland.
Nederland heeft een C.D.A. Weet u wat dat is? Dat is een autobus, die met Van Agt aan het stuur naar Rome gaat, alle protestanten incluis.
Het is heel leuk om te zien. Dat zijn gewoon kuddeverschijnselen. Als je kijkt naar de menigte, dan behoef je tegenwoordig alleen maar een spandoek omhoog te steken waarop staat “wij zijn tegen iets” en iedereen loopt mee. Vroeger had je een aap, de brulaap. Die brulde en dan sjokten alle apen achter hem aan. Nu is het net zo, alleen mag je vanwege de geluidsoverlast niet meer brullen, dus neem je een spandoek.
Als ik dat allemaal zo beschouw, dan vraag ik mij niet alleen af: waar komt de mensheid vandaan, maar ook; waar gaat ze naar toe? Op het eerste gezicht gaat ze naar een botsing toe. Dat is ook altijd weer hetzelfde geweest.
Er is een Atlantis geweest waar ze het eindelijk een beetje goed begonnen te krijgen. Toen wilde de een het beter hebben dan de ander; de een wilde meer hebben en minder doen dan de ander. Daardoor brak er een oorlog uit. Die oorlog veroorzaakte de eerste zeebeving. Toen ontstond er een Atlantis dat licht fascistische trekken had, omdat het dacht dat het de meerdere was van andere bestaande rassen en volkeren. En omdat het zozeer van zichzelf overtuigd was, heeft het zichzelf opgeblazen.
Dat zie je tegenwoordig veel: mensen die zich opblazen. Er zijn natuurlijk ook verstandige mensen. Neem Brandt ( Duits kanselier ). Die ontdekte dat hij zich weer eens had gebrand. Toen heeft hij zich laten wegbranden en daarom is hij nog steeds Brandt. Maar als Van Agt merkt, dat hij niet meer geacht wordt, dan denkt hij ik blijf, want ik ben Van Agt. Totdat er een nacht komt dat Van Agt geen Van Agt meer is. Dan zal hij in onze wereld moeten nadenken over alle moeilijkheden, die hij zichzelf op de hals heeft gehaald door niet te erkennen waar hij zelf faalde. Dit zijn moeilijkheden waar je lang over kunt doorpraten.
Er moet ergens in het verleden iemand zijn geweest, die de eerste lijm heeft uitgevonden. Deze vond uit dat met een beetje speeksel en wat hars heel veel bleef plakken (dat was een verre voorvader van Den Uyl) daardoor kon hij kabinetten in elkaar zetten die wel rammelden, maar niet uit elkaar vielen.
Wat zou u denken van de priesters, die hebben gezegd dat de uitvinder van het wiel een boze tovenaar was? Toen zeiden ze; dat is krankzinnig, dat is vooruitgang. Maar als je nu al die auto s ziet, vraag je je stilletjes af, of hij toch niet iets verkeerds heeft gedaan?
De eerste mens, die een lans uitvond (een stok met een verharde punt ) had eigenlijk wat meer zekerheid voor de stam willen scheppen, een beter wapen. Maar wie realiseert zich tegenwoordig dat daar eigenlijk de opgang naar de atoombom is begonnen? De atoombom, die ook het komende jaar zo hier en daar wel weer zal ploffen. Ik had liever dat degenen, die hem willen proberen, zouden ploffen. Maar het vervelende is, dat die geen breinmassa genoeg hebben om kritisch te worden. Op het ogenblik, dat de menselijke breinmassa een kritisch punt bereikt of de massa kritisch genoeg wordt, beide zijn mogelijk, zijn er geen atoombommen meer. Maar in het verleden zei men ook: We hebben een wapen nodig en wat kan het ons bommen wat er van komt. U ziet wat ervan komt.
Wat dat betreft moet ik zeggen: Ik vind het erg mooi dat al die natuurgeesten vroeger zo prettig met de mensen en de dieren omgingen. Tegenwoordig zie je ze ook niet meer. Alleen op de televisiereclame, als een elfje komt vertellen dat mensen van bloemen houden en bloemen van mensen. Het eerste kan waar zijn. Het tweede is een leugen. Een elfje kan alleen leven waar sereniteit is, harmonie en rust. Rust is niet, zoals de mensen denken, vrede: Het hele leven is altijd strijd geweest, maar dan een wonderlijke strijd, want het sterven van het een, maakte het leven van het andere mogelijk. Een keten, een soort ingewikkelde symbiotische verhouding waardoor alles tezamen het bestaan, het voortbestaan en het harmonische bestaan van het leven mogelijk maakt.
Waar kun je dat tegenwoordig nog vinden? Misschien zit hier of daar in de ver afgelegen oerwouden nog de een of andere dwerg en houdt de een of. andere aardgeest zich schuil in een nog niet beklommen berg, maar daar zal het dan wel bij blijven. Behalve wat luchtgeesten. Maar in de lucht stinkt het tegenwoordig ook al zo door de straaljagers dat ze ook niet al te lang daar in de buurt blijven.
Ik geloof, dat de mensheid langzaam maar zeker zich niet alleen heeft ontworsteld aan, maar ook heeft ontdaan van een groot gedeelte van haar astrale vrienden. Dat is overigens helemaal niet zo belangrijk, indien de mensheid maar in staat is daarvoor zelf het erkenningsvermogen en de snelheid van reactie te ontdekken, die eens die astrale vrienden mogelijk maakten. Maar wat heeft de mensheid gedaan? Ze is het astrale kwijtgeraakt en heeft de bureaucratie opgebouwd. Ze is dus niet sneller, maar trager gewerden. Een bureaucraat is iemand, die snel en hard werkt om alles te vertragen wat een ander snel tot stand wil brengen.
En dan al die leidinggevende krachten. Vroeger had je groepsgeesten, die intens met de groep waren verbonden. Zij zorgden voor de groep. Tegenwoordig hebben ze technocraten die het zo technisch in elkaar zetten; dat de machines goed zijn. Maar dat de mensen er niet meer voor deugen. Dan zeggen ze: onze machines zijn goed: dus deugt de mens niet. En dan wordt de mens als ondeugdelijk materiaal opzij gezet omdat de machines, te goed zijn.
Vroeger was het: Wij moeten samen leven, samen eten, samen drinken, samen feesten, want wij zijn van elkaar afhankelijk. Alleen in een perfecte samenwerkring kunnen wij ons handhaven. Tegenwoordig hebben wij economen. En, omdat vele economen verschillende voorstellingen hebben van de mogelijkheden van de toekomst, voelen alle groepen zich gerechtvaardigd om met een gerechtvaardigd groepsegoïsme op te trekken tegen alle anderen, totdat er voor niemand meer wat overblijft.
Als ik het zo bekijk; het zijn misschien commentaren die maar zeer zijdelings slaan op al datgene wat mijn voorganger zo bondig en volgens mij ook vaardig en deskundig te berde heeft gebracht maar als die eerste mensen van ver vóór homo sapiens er nu eens niet zouden zijn geweest, waar zou u dan zitten? Bij ons. Gezellig, zonder regen, zonder vorst, maar wel met een tekort aan bewustwording.
Ik vraag mij altijd af: waarom gaat het juist zo?
Ik kijk dan in de grote wereldzeeën. Daar waren eens ontzettend veel planteneters. Toen kwam er een wezen die zei: Ik wil eigenlijk geen planten meer eten, dat is veel te ingewikkeld, want ik moet meercellig worden, dus ga ik planteneters eten: Dat was de eerste die de Planta ( soort margarine ) heeft uitgevonden. Hij was a.h.w. de eerste werkgever. Toen de werknemers tot de conclusie kwamen dat ze hem wilden wegjagen, had hij zich al teveel vermenigvuldigd. En omdat hij zich zo vermenigvuldigd had, had hij geen neiging meer tot delen. En zo ontstonden er grotere en grotere wezens.
Als je het goed bekijkt, is de eerste zeeslang een voorloper van de huidige Internationals. Zo beschouwd is er een directe parallel tussen alles wat er in het verleden is gebeurd en wat er vandaag gebeurt. En aangezien dit de eerste kans is die ik heb om mij tot u te richten na het begin van 1977, voel ik mij verplicht daar het een en ander aan te doen, wat u ongetwijfeld inmiddels reeds geconstateerd zult hebben.
Wat is er eigenlijk gebeurd? Er is een jaarwisseling geweest.
Weet u wat dat betekent? Dat je dezelfde sores nu met een nieuw jaartal aanduidt. Maar de jaarwisseling wordt altijd gevierd met vele goede voornemens, kapitalen aan vuurwerk en dranken en al dat andere wat de mens nodig heeft om zich zelf voor te houden dat het nu toch werkelijk een nieuw begin is. Maar er is nooit een nieuw begin. Alles blijft gebonden aan wat geweest is.
In het begin was het Mentens centen. Toen was het alleen Menten en nu is de vraag: waar zijn Menten zijn centen? Op een gegeven ogenblik zullen ze zeggen: Menten dement en wij geen cent. Die kans heb je. Dat zijn de problemen van uw tijd. Maar er is gelukkig in dit jaar iets aan de hand. Wat steeds in de historie terugkomt zijn van die perioden, dat op de een of andere manier de zon en de sterren op een wonderlijke manier samenwerken, om het een en ander te openbaren. Die openbaringen zijn dan niet altijd even prettig, dat geef ik graag toe, maar ze zijn vaak wel duidelijk.
De meeste mensen in deze tijd vermoeden dat ze belazerd worden. Maar als Pluto, die retrograde gaat en de andere dingen die daarbij betrokken zijn goed verlopen, dan weten ze dat aan het einde van het jaar zeker. Ik denk niet dat ze er veel aan zullen doen, maar het is toch prettig dat ze weten waar ze aan toe zijn. Belazerd worden is eigenlijk zo’n vreemde uitdrukking. Waar komt lazeren vandaan? Vermoedelijk van Lazarus en Lazarus is een wederopstanding. Misschien zou er een wederopstanding van de zelfstandigheid in de mens kunnen gebeuren, als hij zich realiseert hoezeer alles wat hij aan geestelijke mogelijkheden tot opstanding in zich droeg, werd begraven onder de schijnbaar gedegen goede zorgen van anderen.
Het is een goed. jaar. Wij kunnen nu eens gaan uitmaken, of het Kabinet Den Uyl blijft. Nu blijft er altijd wel een Kabinet, dat is de narigheid. Den Uyl daar heb ik niet zoveel bezwaar tegen, maar wel tegen een Kabinet. Want dat betekent beslotenheid; en beslotenheid betekent gebrek aan openheid. Een Kabinet dat zegt, dat het openheid nastreeft, zal dus in zijn beslotenheid bepalen wat voor de openbaarheid bestemd kan zijn. En aangezien de stemmers zeer veel zullen voelen voor meer openbaarheid, vraag ik mij af wat zij zullen stemmen.
Nu vind ik dat voor Nederland op het ogenblik een bijna onmogelijke taak, laat ik het eerlijk zeggen. Wilt u met Wiegel mee en de V.V.D.( politieke partij )? Als u dat doet, gaat u terug naar een stijl waarin men zegt: beloof alles, doe weinig en laat God voor ieder zorgen, opdat wij voor onszelf kunnen zorgen. Nu kunt u natuurlijk ook zeggen: dat zal mij een zorg zijn, maar in een zo sociaal bewuste maatschappij lijkt mij dat toch geen aantrekkelijk beeld. Dan kunt ook zeggen: wij gaan naar Den Uyl. Maar ja, per slot van rekening hebben wij al zoveel uilenballen gezien en zo weinig werkelijke resultaten dat je je afvraagt, of het zin heeft deze man verder te laten gaan met zijn ontwijkings maneuvres in de komende periode van vier jaar. Dan blijft alleen over Van Agt en het C.D.A. Maar als je daarmee begint, weet je maar een ding zeker: dat je vandaag of morgen nolens volens elke zondag naar de kerk moet. Ik ben bang, dat het een abortieve kwestie wordt met die verkiezingen. En wat blijft er over? Verwarring.
Verwarring is er altijd geweest in de wereld. Elke keer, wanneer er iets nieuws ontstond, was er grote verwarring: Wat denkt u, toen die eerste nieuwlichter, die verwijfde homo sapiens met zijn knuppel begon rond te lopen, wat al die anderen hebben gezegd? Die hebben hun brede hoofden geschud, eens in de voor opgezette bast gegromd en gezegd: Daar komt niets van terecht. Homo sapiens heeft het gemaakt: Wat, dat weet hij zelf nog niet, maar gemaakt heeft hij het.
Zo zijn er ook in deze tijd vele symptomen van vernieuwing. Maar nu blijkt, dat in het verleden de werkelijke vernieuwingen altijd gepaard zijn gegaan met nieuwe geestelijke krachten en nieuwe geestelijke inwerkingen en openbaringen. Of dat nu de eerste groepsgeest is geweest; die door een astraal licht de aandacht wist te trekken van de robachtigen dan wel de nieuwe openbaring van de eerste Witte Priesters van Atlantis of misschien de nieuwe bewustwording die door de grote Meesters en Leraren over de wereld zijn verbreid, altijd weer staat er aan het begin van elke verandering een geestelijke vernieuwing en altijd weer is die verandering voor de bestaande machten en de gewone mensen meestal onaanvaardbaar. Je zou dus moeten zeggen:
Wij bevinden ons in een periode waarin het onaanvaardbare, onvoorstelbare afmetingen gaat aannemen. Misschien dat wij dan op den duur zullen erkennen dat in dit onaanvaardbare juist de vernieuwing schuilt zonder welke de mensheid zich op deze wereld niet lang meer zal kunnen handhaven.
Als ik tracht commentaar te geven, dan kan ik alleen maar zeggen: Ik heb meer hoop op de mensheid dan de meeste mensen, want ik zie meer mogelijkheden voor de mensheid dan de doorsnee mens beseft. En bovenal zie ik werkingen en krachten van geestelijke aard, die van een zodanige intensiteit zijn dat ze mogelijk gepaard gaand met rampen of explosieve effecten op aarde binnen een jaar of vijf waarschijnlijk de mensheid voor een nieuwe taak stellen, een nieuwe mogelijkheid van samenleving en samenwerking. Want het is nog niet afgelopen.
Het ontstaan van de mensheid op aarde mag een mooi onderwerp zijn, maar het is het begin van het sprookje Het is: er was eens… verder zijn jullie nog niet. Maar daar kun je niet bij blijven stilstaan. Je moet het eerst anders gaan zien. Er was eens…, dat is datgene waaruit het heden ontstond. En wanneer dit heden in zijn mogelijkheden wordt gerealiseerd, dan staat er misschien aan het einde van het sprookje ..en ze leefden lang en gelukkig.
Dit is mijn commentaar. Misschien niet vol geestelijke commentaar, dat geef ik graag toe. Maar, hoe moet iemand, die zich voortdurend met uw wereld bezighoudt aan geestelijke dingen denken. Als ik mij realiseer dat zelfs in een katholieke krant de mogelijke beschadiging van een knie van Johan Cruyff ( voetballist ) veel meer aandacht krijgt dan een uitspraak van de Paus, dan kan ik toch wel zeggen: je moet een klein beetje dichter bij de feiten en bij de werkelijkheid blijven.
Weten wat er is gebeurd is leuk, indien je daaruit kunt afleiden wat er in het heden bestaat.
Weten hoe het is gekomen is heel erg aardig, als je dan ook maar weet waar het naar toe gaat. Ik geloof, dat de mensheid nog een lange en zeer vruchtbare ontwikkeling voor zich heeft. Maar ik heb ook de stille overtuiging, dat ze de eerste paar jaren kreunend de geboorteweeën van een nieuwe tijd zal blijven dragen. Hopelijk kreunt u niet te hard, want als u niet kreunt maar kijkt naar de positieve ontwikkelingen, dan kunt u er misschien nog een keer om lachen.
En onthoudt u dan maar, dat volgens mij een van de grootste momenten in de historie van de mensheid is geweest het ogenblik, waarop een mens zag hoe een ander op zijn zitvlak viel, daar een eigenaardig gezicht bij trok en begon te lachen. Want uit de lach is de mensheid geboren. Niet uit de logica, de redenering of de traagheid. Als u kunt lachen om de dwaasheden van deze tijd en gelijktijdig voortdurend ingrijpen in de mogelijkheden van de nieuwe tijd, dan zult u waarmaken wat eens waar was.
Door de krachten van de geest, door de invloeden en werkingen van astrale en andere aard werd de mensheid in staat gesteld zich verder te ontwikkelen. Zo groeide ze naar een menselijk stambestaan waarin overigens in een verdeling van machten de huidige tijd voor het eerst vaag gestalte kreeg.
Een toekomst waarin de mensheid meer is dan alleen maar een samenleving van mensachtige wezens, zie ik in deze dagen liggen. Ik zie invloeden en krachten uit de geest. Ik zie een licht van direct Goddelijke oorsprong zelfs. Ik zie ook demonisch en verterend licht en deze tezamen zullen volgens mij de mens louteren, zodat hij met begrip voor de eenheid, die de gehele mensheid dient te verenigen, zal komen in een nieuwe fase van ontwikkeling.

Verdriet

Verdriet: een diepe klacht in jezelf die je voortdurend herhaalt. Een poging te ontkennen wat niet onkenbaar is. Een voortdurend denken aan wat had kunnen zijn en nooit is geworden. Dat is verdriet. Verdriet is wat je had willen zijn en niet bent geworden. Verdriet is het “ik” dat de werkelijkheid niet helemaal verdraagt. En toch leef je met de werkelijkheid. Heeft het dan zin om verdrietig te zijn?
Besef, dat verdriet iets is dat van jou is. Dat het te maken heeft met jezelf. Dat de oplossing van het verdriet nooit kan liggen in een ander, maar dat het altijd moet liggen in jezelf, in je eigen houding, je eigen inhoud.
Begrijp, dat iemand die de kosmische harmonie en de kosmische krachten kent en in zich beleeft, niet verdrietig kan zijn. Zeker, je kunt soms wenen omdat je ziet dat een ander zich niet kan bevrijden. Maar je bent niet werkelijk verdrietig. Je kunt niet verdrietig zijn, als je het licht kent. Je kunt alleen betreuren dat anderen het licht niet vinden.
Maar in het licht dat je in je draagt, vind je de kracht om voort te gaan tot je misschien bereikt wat nodig is, tot je die ander weer kunt geven wat waarlijk belangrijk is, tot je uit die werkelijkheid datgene kunt distilleren waarvan je nooit hebt gedroomd, maar dat het enig ware en lichtende is waardoor voor jezelf en voor anderen vooruitgang mogelijk is.
Spaar uzelf verdriet door te erkennen: de bron ervan ligt in mijzelf. Want, dan kunt u misschien kijken waar de tegenwaarde van dat verdriet gebleven is. Die zult u buiten u en in uzelf altijd kunnen vinden, als u zoekt.
Wie de kracht zoekt, wie het leed overwint, die vindt ook de kracht waardoor hij leed kan wegnemen. En als u dat wat u in u heeft beter gebruikt, dan is er geen tijd voor verdriet, dan heeft u genoeg te doen