De ontweken werkelijkheid

14 oktober 1962

We zullen ons vandaag eens gaan bezighouden met wat meer psychologische materie, indien u daartegen geen bezwaar hebt. Wij worden nl. uit onze wereld en uit ons werken altijd weer geconfronteerd met het vreemde ontwijken van de werkelijkheid door de mens.

Nu kunnen we dat begrijpen. De wereld is misschien niet zo mooi, maar toch ga je je afvragen: Wat zijn hiervan de gevolgen en welke directe inwerking op de geestelijke ontwikkeling kan uit deze ontwijkingen worden verwacht? Het is mooi om bv. te spreken over inwijding, over bewustwording, maar we moeten ook de factoren leren kennen, die daarmee in verband staan.

En dan wil ik allereerst proberen duidelijk te maken waar het grote verschil ligt tussen de werkelijke bewustwording en het menselijk leven. Als mens zoek je altijd naar een vaste verhouding, een vast milieu, een vaste band, een vaste norm, een vaste leer, een vaste zekerheid. Deze neiging van de mens om in zijn leven alles vast te leggen komt ongetwijfeld ten dele voort uit de vaste vormen van de wereld, waarin hij leeft. Men meent te worden geconfronteerd met een wereld, die aan vaste en onveranderlijke wetten gehoorzaamt, waarin vaste en onveranderlijke wetten heersen.

Maar geestelijk gezien is dit niet waar. Elk ogenblik van de dag kan de betekenis d.i. het eigenlijke wezen van alles op aarde zich wijzigen. De bananenschil is vandaag het middel tot bescherming van de vrucht, morgen is zij het handvat, waaruit de vrucht wordt gegeten; maar een uur later is zij het moordwapen, waardoor een mens zijn leven of zijn gezondheid kan verliezen. De intentie, die in de vorm en in het voorwerp ligt, wordt door de mens niet gewaardeerd. Een enkele keer wordt hij zich ervan bewust dat bepaalde vormen ergens iets “unheimisch” hebben, iets spookachtigs. Maar zelfs dan zal hij zich aanpraten, dat het een kwestie van smaak is en dat het met het werkelijke wezen van het voorwerp niet te maken heeft.

Zonder direct over te gaan tot een bewuste bezieling van alle voorwerpen, zoals in het primitieve geloof, zal een mens toch moeten aannemen dat de wereld rond hem toch niet zo vast is als ze schijnt. De betekenis van de vaste norm, van de vaste waarde, ja, van de vaste band, de vaste wet, kan zich van het ene ogenblik op het andere wijzigen, en dat betekent dat die mens met zijn zoeken naar vastheid, naar een zekere stabiliteit in zijn wereld de grote fout maakt, dat hij de werkelijke invloeden van die wereld over het hoofd ziet. Hij komt tot een beleven van een wereld, die hij niet kan verklaren. Waarom is een bepaald instrument, een voorwerp of een machine vandaag vriendelijk tegenover mij, alles gaat goed en morgen vijandig? Wanneer ik daarin geen oorzaak-en-gevolg-werkingen erken – die ook buiten mij liggen – ga ik het alleen op mijzelf betrekken en zeg ik: Ik ben vandaag niet in orde. Ik ben onhandig. De doorsneemens doet dit. Doordat hij uitgaat van dit gefixeerde beeld, van de vaste wet, de vaste regel, de vaste norm en geen rekening houdt met de voortdurende wijziging van waarden, die in het leven zelf door het hele Al bestaat, zal die mens altijd weer onder spanning staan.

Hij kan alleen maar kiezen tussen het vluchten in een schijnwerkelijkheid, welke de vastheid bezit die hij begeert, of het erkennen van een realiteit, waarin echter zijn eigen gedrag – althans gezien volgens een vaste, redelijke norm – irrationeel moet zijn. De keus ligt dus in de eerste plaats wel tussen wat men noemt rationaliteit en irrationaliteit. Uit de sferen (dus uit onze wereld gezien) blijkt het irrationele(van uit menselijk standpunt dan) veel vastere en juistere gevolgen te veroorzaken dan het z.g. rationele.

Datgene wat de ratio (redelijk) is, blijkt van uit geestelijk standpunt in vele gevallen eerder een zelfmisleiding te zijn en kan zelfs voeren tot een absolute misinterpretatie, niet alleen van het Al maar ook van eigen wezen, van eigen taak. Deze resultaten, doen je je natuurlijk afvragen, of die mens is te helpen. En nu ga ik hieraan een paar conclusies verbinden.

In de eerste plaats: Rede en redelijkheid zijn niet een vastleggen van maatstaven voor de wereld of voor mijzelf. Rede en redelijkheid vormen slechts het contactmiddel tussen mij en andere levende wezens van gelijke grootorde, in dit geval dus tussen mens en mens.

In de tweede plaats: Het irrationele element (het niet redelijke) is in vele gevallen gebaseerd op een directe aanpassing van mijn wezen aan de feitelijke waarde en invloed van alles rond mij. Waar deze invloed voort: durend wisselt, zal er geen moment zijn van een direct en volledig gefixeerd streven. Zodra de mens in het irrationele door angst of begeerte gedreven een bepaald iets fixeert, komt hij zelf tot zeer grote conflicten. Hij of zij kan dan niet meer de juiste weg terug vinden. Zolang er echter een voortdurende aanpassing aan het a.h.w. meer fluïde wezen van lotsbestemming, vorming van wereld en wezen plaatsvindt, zal ongeacht de schijnbare tegenstrijdigheden in gedrag tussen nu en zo dadelijk een zo juist mogelijke aanpassing aan zijn milieu voor de mens een zo juist mogelijke reactie produceren op alles uit het Al wat hem persoonlijk betreft en zal een zo snel mogelijke bewustwording tot stand komen door een steeds juistere waardering, niet naar de uiterlijke vorm maar volgens het wezen der dingen.

De gedachte van inwijding – dat moet ik er toch weer even bij halen – is het sterven. Inwijding is het sterven voor de wereld en het herboren worden in een nieuwe gemeenschap of een nieuwe wetenschap. Dat heeft de mens ook heel goed beseft en hij neemt aan, dat het alleen met bepaalde systemen mogelijk is. Maar van uit het geestelijk standpunt gezien, is dit voortdurend mogelijk voor elke mens en in elke omstandigheid. Het totale leven kan een inwijding zijn maar die inwijding kan alleen ontstaan, wanneer wij dus in staat zijn steeds afstand te doen van het verleden en steeds open te staan voor de toekomst. Een mens zal daarbij wel eens enige moeilijkheden ondervinden, daarvan ben ik overtuigd. Maar als ik moet sterven, dan wil dat zeggen dat ik alle oude maatstaven, alle oude regels en opvattingen, mijn kennis, mijn banden met de wereld, ja, zelfs mijn oude vrijheden en gebondenheden moet opgeven. Ook wanneer dit in de gemiddelde inwijding meer symbolisch gebeurt, zo geeft dit toch aan dat de mens zelve – mede dank zij de grote leraren, die op aarde zijn geweest – wel degelijk beseft, dat de vaste verhouding de grote vijand is van de bewustwording. Zelfs in de genootschappen, waar men de inwijding kent en de inwijdingsprocedure volgt, bestaat echter een neiging tot een petrificatie, een soort versteningsproces. Wij zijn nu ingewijd en gaan ons nu vasthouden aan dat, wat het begin van de inwijding brengt.

Het is een mens, die in zijn jeugdjaren plotseling voor de noodzaak wordt gesteld zichzelf te verdedigen, zijn eigen onderhoud te verdienen en die daarvoor doodeenvoudig een aantal regels opstelt, die hij tot het einde van zijn leven trouw blijft. Nu mag ik van uit een zuiver psychologisch standpunt zeggen: De greep naar vastheid is verklaarbaar, want zij betekent een vermindering van inspanning, een vermindering van angst voor het onbekende, een vermindering van angst voor het belachelijke en voor falen. Maar aan de andere kant betekent ze ook het niet meer opnemen van nieuwe maatstaven en nieuwe waarden. En daar ligt het grote gevaar.

De geestelijke bewustwording van de mens is gebaseerd op het voortdurend opdoen van ervaring; en daarbij moet steeds weer dat is. het wezen van de bewustwording eigen standpunt t.o.v. het Al worden herzien en eigen relatie tot het Al opnieuw worden erkend. En dat gaat van uit elk contact; dus evengoed van de waardering voor een vaasje, voor een bloem, voor een wolk in de lucht als voor een medemens. Elke mens heeft een grondkarakter, een grondtype en dat is natuurlijk iets lichamelijks. Maar in dit grondtype heeft hij a.h.w. de grove maatstaven; voor zijn eigen bewustwording. Iemand, die met een zeer fel temperament wordt geboren, zal alleen bewust kunnen worden, indien dat temperament kan worden omgezet in een voortdurende, zo intens en zo juist mogelijke relatie met de wereld, onverschillig of dat dode dan wel levende dingen betreft. En iemand, die met een zeker flegma wordt geboren, zal eigenlijk alleen in het leven werkelijk tot een bewustwording komen, wanneer hij in zijn bezadigde rust – want, zo mag men dat wel noemen – voortdurend ontvankelijk is voor de invloeden van buitenaf en daarop ook antwoordt. Het is dus een wisselwerking. Maar heb ik een vaste maatstaf, een vaste regel, dan gaat dat niet, want dan zal ik een groot gedeelte van mijn ervaringen a priori afwijzen. Ik zal een aantal andere ervaringen niet beantwoorden volgens mijn persoonlijkheid of mijn wezen,maar ik ga erop reageren aan de hand van een vastgestelde regel.

Wat dat betreft, kan ik u een kleine anekdote vertellen, die dat misschien verduidelijkt. Ik hoop, dat ze u niet choqueert, dat is niet de bedoeling. Het gechoqueerd zijn overigens – dat mag ik u erbij vertellen – is ook eigenlijk een verweer van de mens tegen zichzelf. Hoe meer u gechoqueerd bent, hoe dieper de angst en hoe groter de begeerte. Dat moet u eens onthouden, wanneer u soms een oordeel hebt over anderen. Dat is ook een deel van de bewustwording.

Mijn anekdote is: Een jongeman was opgegroeid in betrekkelijk grote eenzaamheid. Hij had wel eens gehoord van het andere geslacht, maar was er nooit toe gekomen om dit wonder, waarover men sprak, in nadere ogenschouw te nemen. Nu was het een heel verstandige jongeman. Hij dacht: Ik moet van alles wat weten en daarom schreef hij naar een boekhandelaar en liet zich boeken sturen met titels als:”Hij en zij”, “De gelukkige tijd voor het huwelijk”, “Hoe maak ik haar het hof”, “Duizend instructies voor jonggehuwden” e.d. Na verloop van tijd werd hij door omstandigheden gedwongen zijn eenzaamheid te verlaten. Van zijn bijna onbewoond eilandje ging hij naar het vasteland en daar ontmoette hij een jonge vrouw. De goede jongen wilde, overweldigd door het wonder van het verschil, dat hij – ondanks alle bekleding – toch wel direct constateerde, haar het hof maken. En omdat de goede jongen nu toevallig een boek had gelezen van een zeer strenge, laat ons zeggen meer theologisch dan psychologisch gevormde schrijver over het seksuele vraagstuk, benaderde hij haar eerst volgens blz. 59, maar het was helemaal geen type voor blz. 59. Hij probeerde zijn fout goed te maken door haar aan te vullen met blz. 107, toen kreeg hij een draai om zijn oren, want dat waren oefeningen voor gevorderden. Ten slotte is hij teruggegaan naar zijn eiland en heeft gezegd: “De vrouw is een onredelijk wezen, want zij beantwoord niet aan alle boeken, die ik over haar heb gelezen.” Dat is de typische reactie van de mens. De mens gaat de wereld in en verwacht, dat de wereld beantwoordt aan de in zijn hoofd vastgelegde opvattingen en kennis. Doet zij dit niet, dan zal hij over het algemeen zich blijven vastklampen. aan zijn innerlijke reactie en kennis en zeggen: De wereld deugt niet; die wereld is niet juist.

Hier ligt het grote probleem dat wij, ziende van uit de geest op aarde, elke keer ontdekken. Het is het probleem, mag ik er wel bij zeggen, dat o.i. eigenlijk aansprakelijk is voor menige oorlog, zowel in huiselijke kring als in meer wereldomvattend verband, het onvermogen van de mens om zich voortdurend in te stellen op de nieuwe waarde van alles rond hem. Als men het idee van gisteren wil toepassen op vandaag, dan wordt men als een lid van een zeer orthodoxe staatsinrichting, die nu nog een pleidooi gaat houden voor de heropvoeding van Nieuw Guinea. Ik hoop, dat het beeld in uw land juist is gekozen. Laat ons even terugkeren tot de ernst van de zaak. Alles verandert; d.w.z. dat alles een voortdurende aanpassing vergt. Een aanpassing, die niet afhankelijk is van de ideeën, van de regels en zelfs voor een groot gedeelte van de ervaringen, die in de mens leven.

Zolang de mens van uit zich gaat reageren, zal hij dit in de eerste plaats doen – daarvan ben ik overtuigd – aan de hand van zijn ervaring, van zijn norm. Maar hij moet altijd bereid zijn te erkennen, dat er een uitzondering is op de regel. Hij moet bereid zijn te erkennen, dat zijn benadering weliswaar uitgaat van volgens zijn ervaring normale gebeurtenissen, maar dat hij aan de andere kant ….. rekening ermee moet houden dat het anders kan zijn, dat de waarde anders kan zijn. Zo iets als het vliegje, dat ervan houdt in het stuifmeel van de margrieten te stoeien, maar dat bij vergissing in de buurt van de zonnedauw komt en zegt: “Nou ja, jongens, het is een bloem, en een bloem is er om in te stoeien”… .om daarna zich met enige pijnlijke kreten aan de spijsvertering van de zonnedauw te onderwerpen. Alles kan voortdurend zijn waarde wijzigen, uiterlijke vormen en normen zijn slechts een gemiddelde maatstaf. Zelfs een voorwerp, reagerend op uw eigen gedachte-invloeden maar ook ondergaand de sfeer en de gedachte-invloed van anderen, reageert op u voortdurend verschillend.

Dat geldt zelfs voor dat litertje melk, dames. Hebt u wel eens opgemerkt, dat de ene fles altijd overkookt en dat u bij de andere fles altijd nog net op tijd komt? U moet er eens op letten. De reactie is anders. En uw persoonlijke reactie op het wezen der dingen betekent een direct contact met de dingen. Een mens is geneigd om dat contact af te wijzen, want dat is te onzeker. Maar kan hij dit aanvaarden, kan hij uitgaan van het standpunt dat alles rond hem een zekere persoonlijke waarde bezit (zelfs wanneer het geen eigen persoonlijkheid bezit), dat elk voorwerp, elk stukje materie met een eigen reactie zal antwoorden en wel naar omstandigheden dus ook steeds verschillend zal antwoorden op de mens, diens wezen, diens uitstraling en diens inzichten, dan komen wij een schrede verder.

Want dan gaat de mens elk ogenblik afstand doen, niet van zijn kennis maar van zijn oude benadering. Hij laat zijn reactie van geval tot geval afhangen van zijn feitelijke ontmoeting met de wereld. En nu we dit wat luchtiger, wat duidelijker,misschien zal een enkeling zelfs zeggen; wat langdradiger hebben uiteengezet, terug naar de harde feiten van het leven. Uw werkelijk wezen wordt evengoed als alle voorwerpen en alle leven rond u voortdurend beïnvloed. Deze beïnvloeding wordt voor een groot gedeelte gefixeerd in wat men noemt het onderbewustzijn. Wanneer de psychiater de hengel van zijn geduldige vragen uitwerpt, dan krijgt hij een verklaring voor een groot gedeelte van uw onevenwichtigheden. Maar die verklaring, let wel, is nimmer volledig; en hij kan u nimmer tot een normaal mens maken. Hij kan u slechts in zoverre aanpassen, dat u de redelijke norm van de mensheid aanvaardt, meer niet.

Uw werkelijk wezen is de geest, maar ook de beïnvloeding die u nu ondergaat, de spanning die nu in u bestaat en daardoor de bepaling van de juiste reactie op de wereldrond u, zoals ze nu behoort te zijn. Voortdurend wordt in de mens van uit wat u noemt gevoelsleven, instinctieve reactie, van uit zijn geest eigenlijk de verhouding bepaald t.o.v. alles, wat hij op zijn weg ontmoet. De situatie van gisteren is precies gelijk aan die van vandaag, maar mijn persoonlijke reactie daarop kan een totaal andere zijn. Probeer ik mij nu in de norm in te schakelen, dan zal ik gisteren niet volledig juist hebben gehandeld en vandaag niet volledig onjuist handelen, dat is waar. Maar indien ik voor mijzelf besef, hoe ik de wereld tegemoet treed en haar ervaar, dan ontstaat wat men noemt harmonie, want harmonie is het weerklank vinden. Wanneer u de weerklank, die de wereld vindt in uw wezen verwijdert of verdrijft – onverschillig op welke redelijke gronden of door welke angsten of begeerten – dan leeft de mens dus in strijd met het Al. En nu het vreemde: Wanneer een mens eenmaal met iets in strijd is (dat kan, dames, zelfs met een ritssluiting of met een drukknoopje, en wat de heren betreft misschien met een stropdas of zo iets), dan is hij geneigd deze strijd, deze disharmonie aan de wereld over te dragen. De mens generaliseert. En wanneer hij ruzie heeft met zijn stropdas, dan is hij geneigd de dienstboden, zijn gade, zijn kinderen, de huisdieren, iedereen en alles er onder te laten lijden, tot de deuren toe, waarmee hij gaat smijten. Hij heeft disharmonie geschapen.

Die disharmonie is een vastgelegde gedachte. Nu gaat die mens zelf verder. De onlust, de onwil verdwijnt. Hij denkt er eigenlijk al niet meer over na. Maar hij komt terug….. De deur herinnert zich echter de smak; niet met een menselijk geheugens maar die invloed ligt erin. De huisdieren hebben nog dezelfde angst. De vrouw is nog ontstemd en de dienstboden zijn precies zo onnauwkeurig, dat er geen aanmerking kan worden gemaakt, maar dat je je toch dood ergert. Elke disharmonie, die ontstaat door een verkeerd begrip voor de juiste verhouding tussen “ik” en wereld op een bepaald moment, is geneigd zich om te zetten in een progressieve disharmonie.

Een progressieve disharmonie kan – wanneer ze eenmaal is ontstaan – alleen worden gebroken door uit eigen bewustzijn zo goed men kan elke associatie met het verleden weg te vagen. Dit is natuurlijk niet mogelijk op redelijk vlak, dat weet ik wel. Maar wij kunnen proberen de dingen nieuw te zien, alsof we ze voor het eerst zagen. Wij kunnen proberen de mens tegemoet te treden, alsof er tussen ons alleen nog het maagdelijk vlak van een eerste herkenning, een eerste ontmoeting zou zijn. Dan beschrijven wij dus uit ons wezen a.h.w. hernieuwd voor onszelf de invloed, de harmonie, en door dit beschrijven zullen wij – let wel – reageren op het andere of op de ander, zoals deze momentaan is en vanzelf de juiste verhouding, de juiste harmonie scheppen. Een probleem, dat eigenlijk psychologisch is, omdat de mens moet leren voortdurend te herwaarderen, niets als vaststaan en zeker aan te nemen.

Wij leven in de geest in een wereld van voortdurende vervorming. Iemand wil voor zichzelf een huis bouwen. Hij denkt zich een huis en er vormt zich een huis. Dan komt hij tot de conclusie, dat het erkertje weg moet en dan gaat het erkertje weg. Misschien wil hij in de plaats daarvan een atrium hebben en hij bouwt in dat huis een atrium. Zo wisselt dat voortdurend. Het zou voor u lastig zijn, als u bij de buren op bezoek gaat en vandaag in een Saksische boerenhoeve komt, morgen in een paleisje, een beetje rococo en kort daarop zit u in iets a la Corbusier. Maar voor ons is dit normaal. De geest en de zuivere relatie van de geest met het Al is niet gebaseerd op vorm en in feite zelfs niet op kleur, op trilling of op licht. Deze dingen zijn uitdrukking, maar zij zijn nimmer het wezen. En wanneer ik mijn buurman ga opzoeken, dan zal zijn Saksische boerenhoeve, zijn rococopaleisje, zijn supermoderne flat ten slotte dezelfde eigenschap vertonen; de eigenschap van mijn buurman: een zekere warmte misschien of een gastvrijheid, een behoefte om te leren kennen of een vermogen om kennis te geven.

En dat is dus het essentiële. Voor ons in de sferen is dat eigenlijk vanzelf sprekend. Vandaar dat wij altijd in die wisselende werelden weer zoeken naar het wezen, het antwoord dat het wezen geeft op ons wezen en verder niet. De mens nu is precies als wij; d.w.z. hij is geest. En wanneer hij dus met een bepaald karakter, een bepaalde lichamelijke constitutie, met bepaalde opvattingen op de wereld komt, dan zit daarin een geest, die wel degelijk is afgesteld op deze voortdurende verandering van vorm en zoekt hij, zoals ook het kind in zijn jeugdjaren doet, naar de essentiële verhouding tussen “ik” en wereld. Hij betrekt die op zichzelf. Naarmate hij echter zijn wereldbeeld meer fixeert, zal hij minder harmonisch zijn met zijn wereld.

En nu de grote fout. Van dat ogenblik af is die mens geneigd om reëel niet bestaande maatstaven toe te passen op zichzelf en anderen, ja, aan zijn wereld op te leggen en voorwerpen e.d. net zo goed te hervormen als mensen. Geestelijk kan hij daaruit dan niet meer leren. Hij kan hoogstens leren, dat hetgeen hij zo heeft opgebouwd niet goed is. Het als die architect, die vond dat er een betrekkelijk lage en scherphoekige versiering aan de deurlijsten moest zijn. Toevallig liep hij iets zijdelings, en stootte zijn hoofd ertegen. Toen hij uit het ziekenhuis kwam, hersteld van een hoofdwond en een lichte hersenschudding, heeft hij de hoeken toch maar afgerond. Maar dat was geen verbetering, want het architectonisch geheel, dat hij had geconstrueerd, was daardoor minder in waarde geworden. Er moet een samenhang zijn, ook in het menselijk leed. En die kan nimmer komen, als wij alleen die details herzien, waaraan wij ons stoten en ons pijn doen. Wij moeten uitgaan van wat wij zijn.

Ik heb niet zo erg veel tijd meer, maar ik wil dit proberen af te ronden met een aantal eenvoudige voorschriften of raadgevingen, die in de eerste plaats belangrijk zijn voor het verkrijgen van een zekere inwijding, een zekere harmonie met het Al.

In de eerste plaats: Uw wezen, zoals het op aarde bestaat – ongeacht het oordeel dat de wereld daarover heeft – is voor u de basis van uw bewustwording. Het is voor u het meest juiste en aan uw geestelijke mogelijkheden het best aangepaste instrument. Dit geldt ook, wanneer u het voertuig zelf zou willen kritiseren.

In de tweede plaats; Het temperament en het karakter, die u hebt gekregen, zijn voor u slechts eigenschap bepalend. Ze zullen bepalen met welke delen van de schepping harmonie voor u mogelijk is. Ze mogen nooit bepalen op welke wijze u andere delen van de schepping veroordeelt of wilt hervormen.

In de derde plaats: De geest – zoekend naar het essentiële, naar het wezen der dingen – zal in alle dode materie het element van tijdseigenschap, tijdspotentieel en de daaruit voortkomende uitstraling opnemen. De reactie zal dus steeds zijn op door tijd bepaalde uitstraling van voorwerpen en zelfs gebouwen, maar wordt door de zintuiglijke waarneming plus het redelijk verband te vaak gecorrigeerd. Ga uit van het aanvoelen van het wezen. Als uw auto u altijd trouw heeft gediend en vandaag lijkt zij u kwaadaardig, ga te voet. Het bespaart u waarschijnlijk een ongeluk en veel schade, op zijn minst genomen zenuwschokken en spanning. Reageer steeds op de stemming. Laat uw geest in de ervaring van de op dit moment harmonische en disharmonische mogelijkheden de intuïtief juiste weg naar ervaring kiezen.

In de vierde plaats: Zoek nimmer van uit uzelf het Hogere te bepalen, want dan wordt het zoeken naar het Hogere een vlucht voor de werkelijkheid van nu. Laat het Hogere zich in het heden en in het gekende openbaren. Indien u op het wezen der dingen en der mensen, op de gehele sfeer, die u steeds weer ontmoet, afgaat, dan treedt het Hogere u voortdurend tegemoet. Leer het Hogere eerst, erkennen in wat rond u is. Dan eerst zult u het Hogere misschien eens kunnen volgen naar de wereld, waarin de u bekende maatstaven, de voor u bekende reacties, harmonieën en disharmonieën niet meer zullen bestaan.

In de vijfde plaats: Bedenk, dat ook elke medemens en elk levend wezen van moment tot moment verandert. Neem nimmer iets aan, indien u een mens, een dier of een plant ontmoet, die voor u belangrijk is, maar onderga steeds eerst de invloed en reageer dan pas. Het zal blijken dat u op deze wijze vele misstappen en fouten voorkomt, dat u de juiste harmonie opbouwt en daardoor een dieper inzicht krijgt zowel in uw eigen persoonlijkheid als in het wezen van anderen.

In de zesde plaats zou ik willen opmerken: Neem niets tragisch of ernstig. Het zoeken naar het ernstige, het tragische in het leven en zelfs in uw eigen persoonlijkheid voert tot verstarring, want om iets ernstig te nemen, en iets tragisch te beleven moet men het fixeren. Anders zullen de steeds wisselende spanningen van tijd de ernst weer doen afwisselen met het spel en de tragedie vervangen door de komedie. Besef goed: Niets is volledig ernstig en niets is volledig tragisch, zoals er niets op aarde volledig vreugdig kan zijn of volledig komisch. Alles is een mengsel. Laat dit mengsel van moment tot moment tot u spreken van uit zijn eigen geaardheid. U komt dan niet in contact met een wereld, waarover u kunt huilen of lachen, maar met een wereld, die warm en pulserend is en die u daardoor iets van haar eigen levenskracht, van haar oneindige spoed geeft door die vreemde kwaliteit, welke men tijd noemt. Vibreer met de wereld mee in haar wisselingen.

En dan kom ik aan mijn zevende en mijn laatste tip: Mensen zijn geneigd om absoluut bedroefd of absoluut vreugdig te zijn, om mismoedig te zijn, om verwachtingen op te bouwen. Onthoud dit: Op het ogenblik, dat u een verwachting opbouwt, wordt die – als zij te intens is – in 9 van de 10 gevallen beschaamd. Een te intense dwang op voorwerpen of mensen, alleen reeds als sfeer van u uitgaande, zal daarin een omgekeerde, dus een tegen uw wil in gerichte reactie wekken. Daarbij zou ik u willen zeggen: Uit de mildheid van uw aanvoelen en denken en de bereidheid om uw mening ogenblikkelijk te herzien vloeit de mogelijkheid voort zelfs contact te krijgen met dat, wat een feitelijke tegenstelling zou zijn. Wees dus altijd in uw wezen en denken mild. Wees bereid om uw eigen reactie te wijzigen en wees bovenal ook bereid het licht (of moet ik zeggen: de wijsheid, want zo noemt u het meestal, de schoonheid of ook wel de kracht, die spreekt uit al wat rond u is) steeds te aanvaarden, zoals het zich openbaart. Op die manier ontmoet men God in de wereld, waarmee men zelve verwant is en wordt God niet iets, dat ver verwijderd is, doch de Kracht die men niet aanbidt, maar die men leert en waaruit men een harmonie wint met alles wat men nu erkent.

Ja, dan heb ik met mijn zeven punten een lezinkje besloten, waarin heel wat verschillende waarden liggen. Het klinkt misschien erg ernstig. Geloof me, ik neem mezelf niet volledig serieus, zomin als u zichzelf als u verstandig bent niet volledig serieus zult nemen. Bedenk dit: Mijn woorden zijn waar, indien ze in u harmonie wekken. Bestaat die harmonie niet, lach er dan om, dan heeft u er tenminste iets aan. Mijn woorden worden van uit mijn standpunt geboren uit die vreemde verwantschap, dit harmonisch contact dat de sfeer steeds weer kent met de mens, steeds anders maar steeds aanwezig.

U kunt dus zeggen, dat mijn werken en spreken in zekere zin uit liefde tot u geschiedt. Maar die liefde is geen stabiele waarde, ze wisselt steeds. Niet dat ze teloor gaat, maar haar verdeling, haar intensiteit, haar inzicht kan steeds veranderen. En daarom moet u zich afvragen of u datgene, wat ik u breng, ook als sfeer prettig kunt vinden, want dan alleen heeft het zin.

Erger u er in ieder geval niet over, het zou u kunnen brengen tot een kleine verstarring, waardoor u dadelijk bv. met de dorpel last krijgt en dan valt u op uw neus. Alles, wat ik u leer, is direct deel van een inwijdingsweg, die ik persoonlijk heb gevolgd. De kennis, die ik probeer naar voren te brengen, is dus het resultaat van mijn ervaring. Dat wil niet zeggen, dat het voor u precies zo is als voor mij. Het wil alleen zeggen, dat de elementen welke voor u harmonisch zijn ook nu voor u belangrijk zijn, al kan het over een paar weken misschien weer anders zijn.

En dan mag ik nu wel eindigen met nog een kleine anekdote. Een mens had geworsteld met zijn ziel, met de duivel, met de engelen en eindelijk kwam hij bij God. Maar omdat hij zocht naar de God, waarvoor hij had gestreden, was het een beetje moeilijk dat alles te aanvaarden. Hij keek naar de oneindige Rechtvaardigheid, de oneindige Liefde en de oneindige Schoonheid en zei toen: “Is dat alles? Heb ik me daarvoor zo druk gemaakt?” Toen ging hij weg met het idee, dat hij een betere God zou vinden. Het resultaat was, dat hij een bondgenootschap sloot met de duivel. En op het ogenblik klaagt hij over alle dingen, behalve een: hij klaagt nooit meer over kou, en dat had hij vroeger wel gedaan. Wees verstandig als deze mens, maar wees wat gevoel betreft verstandiger. Strijd om uw God te vinden, zoals u Hem zelf erkent, maar begrijp dat Hij toch altijd anders is dan u zich Hem voorstelt en dat ook de waarheid, de kosmische waarheid, de werkelijkheid van het leven, nog wel eens anders zijn dan u denkt. En als u daarmee nu maar rekening houdt, dan bent u niet een van degenen, die teruggaan om te zeggen; “Is dat alles?” Dan bent u één van degenen, die zegt: “Vreemd, ik had het me wel anders voorgesteld, maar ik heb toch ergens rijkdom gekregen.”