Ontwikkeling van geestelijke gaven

uit de cursus ‘Actief geestelijk streven’ – (Hoofdstuk 9)   juni 1958

Zoals reeds werd vastgesteld, heeft praktisch iedere mens enkele z.g. geestelijke gaven. Men kan deze gebruiken en de wijze waarop hebben wij ook al besproken, maar in vele gevallen zal men zich afvragen: Hoe kan ik deze gaven ontwikkelen en ‑ vooral wanneer ze nog latent zijn ‑ hoe kan ik leren ze te gebruiken? In aanvulling op wat wij de vorige maal reeds daaromtrent gezegd hebben, wil ik deze avond hoofdzakelijk besteden aan een aantal raadgevingen, die gebruikt zouden kunnen worden voor het ontwikkelen van voornoemde geestelijke gaven. Nu wil ik allereerst aansnijden de kwestie lichamelijke beheersing ter bevordering van geestelijke gaven. Het is begrijpelijk dat de staat, waarin het lichaam verkeert, bepalend kan zijn voor de wijze, waarop gees­telijke krachten tot uiting komen. Hoe beter wij ons lichaam beheersen en in de macht hebben, hoe minder het ons kan storen, wanneer wij buiten het stoffelijke gebied bepaalde krachten willen aantrekken dan wel gegevens willen verwerven. De beheersing van het lichaam kan volgens vele scholen geschieden. Er zijn o.a. verschillende soorten van yoga. Daarnaast zijn beheersingsleren van de meest verschillende geaardheid in omloop. Ik meen er goed aan te doen ter bevordering van lichaamsbeheersing hier enkele punten aan te stippen. Deze zijn niet volledig maar berekend op de mentaliteit en mogelijkheden van de doorsnee‑westerling.

Allereerst is het noodzakelijk dat men meester is over zichzelf en over zijn lichaam. Hiertoe begint men met de ideale houding te bepalen en deze aan te nemen zonder zich door vermoeidheid te laten afleiden. Dit kan op eenvoudige wijze gebeuren b.v. tijdens kantoorwerk, bijeenkomsten, waarbij men langere tijd moet zitten of staan en zelfs gedurende z.g. visites of genoeglijke avonden. De houding moet worden bepaald in overeenstemming met datgene, wat gezond en goed wordt geacht. Over het algemeen betekent dit: gestrekte ruggengraat, die met het zitvlak een hoek maakt van ongeveer 90 graden. In het begin zal het u moeilijk vallen deze houding zonder meer aan te nemen. Op de duur echter zal blijken dat u in staat bent die houding wel aan te nemen, wanneer u dit slechts wenst.
U zult zich afvragen wat dit voor geestelijk nut kan hebben. Doordat men hierbij de positie van de ruggengraat en dus van de belangrijke lumbale gangliën eigenlijk beheerst, is men ook in staat door deze houding een zo groot mogelijke ontspanning te bevorderen. Wat eens een inspanning was, kan door het juist plaatsen van de ruggengraat tot ontspanning worden. Het grote voordeel hierbij is verder, dat bepaalde zenuwstromen a.h.w. met zo weinig mogelijk misvorming en druk kunnen werken, terwijl alle voorstellingen die met levenskracht samenhangen zoals b.v. het opwekken van de vlam, die langs de ruggengraat omhoog trekt, hier zo weinig mogelijk hinder zullen ervaren. Toch moet dit worden gezien als een eenvoudige voorstudie.
Daarna zullen wij trachten de spierbeheersing verder te ontwikkelen. Een eenvoudige wijze om dit te doen is b.v. uzelf een bepaalde zit‑ en armhouding voorstellen. Dit kan b.v. zijn: het lichaam recht gesteld als vooromschreven, de voeten recht op de grond geplaatst naast elkaar, de knieën aansluitend en de armen gevouwen, doch niet rustend op de borst maar los. Deze houding wordt ook gebruikt in verschillende z.g. beheersingsscholen, o.a. bij de Brahmienen. De houding geeft niet alleen het voordeel, dat men leert de spieren te beheersen en ook te stalen; ze geeft ons daarnaast de zekerheid, dat wij zo dadelijk meer ingewikkelde houdingen gemakkelijker zullen kunnen uitvoeren en gemakkelijker daarin zullen kunnen volharden.

Een daarop volgende oefening, die wederom zeer belangrijk kan worden, is leren in kleermakerszit met rechte ruggengraat te zitten, terwijl de handen op de knieën steunen. Hierbij wordt een contact gemaakt voor bepaalde levensstromen, dat in het ‘ik’ ‑ het stoffelijke ‘ik’ ‑ een circulatie tot stand brengt, bevorderlijk voor afsluiting van invloeden van buiten, bevorderlijk voor overpeinzing in het ‘ik’ zelf. Later zal men leren hierbij de hoofdhoudingen ook te gebruiken. En dan wordt gerekend dat de nekspieren soepel moeten zijn, maar ook beheerst, zodat de blik willekeurig gevestigd kan worden vanaf een blik op de navel als concentratiepunt ‑ boeddhistische wijze – tot een concentratie, die gelegen is ongeveer 4 à 5 meter vóór de proefpersoon en ongeveer 2 à 3 meter boven de plaats waar zijn eigen hoofd zich bevindt.

Bij deze oefeningen brengen wij bovendien een zeker gezag over onze lichaamsdelen, onze levensstromen tot stand en daarmee ook de mogelijkheid om capaciteiten verder te ontwikkelen. Die capaciteiten zijn bij deze houding wel in de eerste plaats beschouwende (dus meditatief) en eventueel ook concentratie. Daarnaast is de houding een aanloop voor z.g. helderziendheidsoefeningen.
Bij helderziendheid is het ook noodzakelijk, dat het oog zelf goed wordt onderhouden en goed wordt geoefend. Want bij concentratie en medi­tatie, waarbij wij bovendien nog helderziende waarnemingen trachten te doen, zal heel vaak een staren optreden. Dit staren op zichzelf is niet goed voor het oog. Om dus dit oog in staat te stellen deze geconcen­treerde beschouwing langere tijd vol te houden zonder dat schade ontstaat, zullen wij oogoefeningen maken. Deze bestaan hieruit, dat men de ogen in één richting voortdurend in beweging houdt. Men laat ze dus van boven via de neusbrug naar beneden lopen, dan weer via de ooghoek naar boven toe. Die oefeningen maakt men natuurlijk niet te veel, maar wel regelma­tig. Verder is het ook goed het oog met zo zuiver mogelijk water te spoe­len en wel voor‑ en nadat men een concentratie‑oefening heeft gedaan.
Er zijn natuurlijk nog vele andere mogelijkheden tot lichaamsbeheersing, maar aan het volbrengen van deze punten alleen heeft de doorsnee‑westerling reeds voldoende werk. Zou het noodzakelijk zijn hierop later terug te komen, dan kunnen wij deze punten eventueel aansnijden in de Cursus II volgend jaar, die zich wederom ook met praktische oefeningen zal bezighouden.

Ten tweede is noodzakelijk de beheersing van het denkleven. Beheersing van gedachten is niet, zoals menigeen meent, de kunst om elke gedachte afzonderlijk opzij te zetten. Wij hebben ditzelfde ook wel gedoceerd, maar dat is maar een beginnerstrap. Het is een poging om te doen inzien, hoe beperkt het eigen denkleven is, hoe moeilijk het is om in dit denkleven tot concentratie te komen door het uitsluiten van beelden. Er bestaat echter een andere methode, die vooral door bepaalde indiaanse medicijnmannen werd gebruikt en die voor onze doeleinden zeer goed acceptabel is:
Men neemt één gedachte, desnoods één enkel woord en tracht dit zo belangrijk voor het ‘ik’ te maken, dat alle andere gedachten daarbij in het niet vallen. Deze methode van positieve concentratie brengt met zich mee dat men na enige oefening in staat is elk willekeurig woord of voorwerp of elke willekeurige voorstelling vast te houden voor onbepaalde tijd, ongeacht verdere gedachten‑achtergronden. Deze laatste zijn dan niet storend meer. Deze concentratie is erg belangrijk, wanneer wij willen doordringen in ruimte en tijd. Hierbij is het vaak noodzakelijk langere tijd één gedachtebeeld vast te houden om daardoor indrukken te kunnen vergaren.
Direct tegenovergesteld aan deze oefening ‑ maar even belangrijk – is de methode van algehele verslapping van gedachten. Want niet alleen moeten wij in staat zijn de gedachten te concentreren, wij moeten ook in staat zijn om gebruik te maken van de mogelijkheid ‑ juist door het niet gericht zijn der gedachten – indrukken in onszelf te verzamelen, die ons normalerwijze zouden ontgaan. De oefening wordt het best als volgt volbracht:
Men begint met een beschouwing. Dit mag meditatief‑contemplatief geschieden, het mag ook eenvoudig een visuele waarneming zijn. Wanneer wij nu dit onderwerp in gedachten hebben, gaan wij z.g. willekeurig associëren. Dit is eenzelfde proces als bv. door de psychiater wordt gebruikt, wanneer hij op een aantal trefwoorden een zo snel mogelijk aanvullend woord wil hebben. Bijvoorbeeld: bezem …. heks; enz. Het resultaat van deze associatieve oefeningen is, dat wij in de antwoorden, die wij onszelf geven, de beelden, die wij steeds weer naar voren brengen, niet alleen ons eigen ‘ik’ aan onszelf kunnen onthullen, maar ook al wat binnen dat ‘ik’ geborgen is. Van een directe ontleding zal er geen sprake zijn en daarom is het ook noodzakelijk, dat wij een geheugen‑oefening doen. Geheugen oefent men het best op de volgende wijze:

Men went zich eraan een betrekkelijk klein aantal regels uit een boek b.v. van buiten te leren. Men doet dit in de morgenuren ‑ twee regels van ongeveer vijftien woorden is voor een beginneling al meer dan voldoende ‑ en tracht deze Is avonds uit de herinnering op te schrijven. Daarnaast beschouwt men een aantal voorwerpen, die willekeurig zijn neergeworpen op een blad, neem deze waar gedurende laten we zeggen vijftien seconden – dertig seconden misschien in de beginperiode ‑ om daarna ons daar van af te wenden en zowel de voorwerpen als de positie, waarin ze zich bevinden, zo nauwkeurig mogelijk te beschrijven.
Dan doen wij verder nog iets. Wij leren nl. onszelf om z.g. instinctief te rekenen. Ook dit is een geheugen‑oefening. Een voor iedereen waarschijnlijk bruikbare methode is een aantal lucifershoutjes neerwerpen, gedurende ongeveer tien à vijftien seconden daarnaar kijken en daarna de hoeveelheid opschrijven. Men zal op de duur leren a.h.w. te tellen. Het gaat erom een zo juist mogelijke uitslag te krijgen. Indien u zichzelf niet bedriegt bij deze proeven, zult u na ongeveer drie maanden van deze oefeningen een buitengewone verscherping van geheugen ondergaan en bovendien op de duur tot een bijna total recall komen; d.w.z. een geheugen, dat het mogelijk maakt ook kleine, niet bewust waargenomen punten weer naar voren te brengen.

Hebben wij onze concentratie en ook ons dwalen van gedachten nodig om door te dringen in de geheimzinnige gebieden van tijd en ruimte, om ook onze geestelijke impulsen misschien duidelijker te ervaren, dit total recall, dit totaal herinneringsvermogen is voor ons een zeer nuttige hulp, wanneer wij eenmaal komen tot uittreding en dus een werken in gebieden, die vreemd zijn aan de stof. De geheugenscholing maakt het mogelijk, dat op zichzelf zeer summiere indrukken, die de geest aan het stoflichaam kan overdragen, toch een aaneensluitend beeld blijven geven, zodat een stoffelijke realisatie van het geestelijk beleefde steeds gemakkelijker en steeds vollediger mogelijk wordt.

De oefeningen, die ik zo-even heb omschreven, moeten dus worden gezien als een drie‑eenheid. Al doet men de oefeningen ook afzonderlijk, om tot een werkelijk resultaat te komen, moeten de drie oefeningen redelijk beheerst worden. Het gevolg zal zijn dat wij te allen tijde de indrukken, die wij verworven hebben, zullen kunnen weergeven in de stof. Dit is zeer belangrijk. Want het betekent ook dat wij geestelijke impulsen steeds duidelijker zullen leren erkennen, terwijl wij door onze wijze van concentratie ook het beleven op geestelijk gebied aanmerkelijk gemakkelijker maken.
U zult begrijpen, dat deze eenvoudige oefeningen op zichzelf ten hoogste een aanloop kunnen zijn voor de vergroting van gaven. En hierbij is dan aangenomen, dat een zekere begaafdheid reeds erkend werd. Nu kan ik mij voorstellen, dat menigeen actief geestelijk zou willen streven, maar niet in staat is zich te realiseren, in hoeverre geestelijke gaven ter beschikking staan. Ik wil daarom hier enige eenvoudige toetsmiddelen geven, aan de hand waarvan men eigen begaafdheid op z.g. paranormaal gebied zou kunnen constateren.
Wanneer men regelmatig met anderen dezelfde woorden spreekt, de gedachten van anderen uitspreekt dan wel door anderen eigen gedachten plotseling hoort uitspreken, kan worden aangenomen, dat van een zeker telepathisch talent sprake is. Een telepathisch talent behoeft zich niet te beperken tot het stoffelijke. Wij zullen dus trachten om ook andere impulsen en invloeden op te vangen. Wij doen dit bij voorkeur alleen; en wel door ons personen ‑ overgegaan of levend ‑ voor te stellen en te trachten hun gedachten op te vangen. Dat is in dit begin niet belangrijk. Wanneer wij echter zover komen, dat wij menen duidelijke impressies te ontvangen, zullen wij verder kunnen gaan door nu bewust gedachten te toetsen van mensen, die wij daarnaar kunnen vragen. Wanneer wij dat niet opvallend doen, zal ons al heel snel blijken, in hoeverre onze eigen begaafdheid hier reikt. Aan de stoffelijke toets en de betrouwbaarheid van het stoffelijk contact kan worden afgemeten in hoeverre een geestelijk contact op telepathische basis mogelijk is. Blijkt, dat dit contact niet betrouwbaar is of ten hoogste voor 60% à 70% betrouwbaar, dan zal men zich dienen toe te leggen op z.g. inspiratief werk.
Inspiratief werk kan het best worden geleerd, indien men zich – en nu in gemeenschap met enkele anderen ‑ stelt tot discussie van onderwerpen, die men niet voorbereidt en die men tracht aan de hand van opkomende impulsen zo volledig mogelijk te behandelen. Na de eerste aarzelingen kan zich daaruit een zekere welsprekendheid ontwikkelen. Deze welsprekendheid kan gepaard gaan met een diepe gedachte-inhoud. Is dit laatste het geval, dan zal men zelf wel ontdekken, dat hierin aan de persoonlijkheid vreemde elementen schuilen en er dus van een inspiratieve werking inderdaad sprake is. Later zal men trachten dit ook op een ander terrein te doen. Men doet dit b.v. door schriftelijke prognoses te stellen; door te trachten eenvoudige gegevens omtrent andere personen a.h.w. op te vangen uit de ruimte, b.v. waar A zich op dit ogenblik bevindt.

Al deze proefnemingen op zichzelf zijn niet beslissend. Integendeel, ze kunnen heel vaak leiden tot een zeker misverstand, omdat men de mislukkingen ziet als een gebrek aan eigen capaciteiten. Wil men dit echter terzijde stellen en dus toch verder streven, dan wordt hierdoor elke fase van het ‘ik’ geactiveerd ‑ voor zover deze noodzakelijk is voor al, wat in de eerste plaats op telepathische werking berust.

Een andere vaak begeerde kwaliteit is het z.g. mediumschap. Onder mediumschap wordt verstaan: het in staat zijn zich geheel of gedeeltelijk te doen beheersen of te laten leiden door geestelijke personen, of entiteiten, die niet uit deze wereld stammen; en wel op zodanige wijze, dat hun wezen wordt uitgedrukt bij verminderd, vernauwd of zelfs afwezig bewustzijn van de persoon, die in de stof deze mededelingen doorgeeft. Eerst ontstaat een mengeling van waarheid en zelfbedrog.
Mediamiciteit is ongetwijfeld bij velen aanwezig, maar wij moeten daarbij heel voorzichtig zijn. Want de aanleg tot mediamiciteit berust voor een deel op, laten we zeggen, seksuele spanningen. Het gevolg is dat deze mediamiciteit altijd een zekere instabiliteit met zich brengt. Dit is lang niet altijd begeerlijk. Wil men dus tot een mediumschap komen, dan zal men zich er wel degelijk rekenschap van moeten geven, dat men vele onevenwichtigheden zal moeten kunnen beheersen en overwinnen, wil dit niet voor het ‘ik’ op de duur een vloek worden. Heeft men na deze overweging toch nog lust om proeven te nemen, dan zijn daarvoor de volgende testen eenvoudig en gemakkelijk uitvoerbaar:

In de eerste plaats gebruikt men als testmiddel kruis en bord. Men wisselt voortdurend van aanzittenden, totdat bepaald is wie uit een bepaalde kring als voornaamste kracht optreedt. Op deze persoon wordt geconcentreerd. De groep zal uit 6 à 7 personen dienen te bestaan. Wanneer deze persoon nu als kern van de kring wordt neergezet, dan schaart men zich inderdaad zo, dat b.v. middels een tafelvlak een zo groot mogelijke flux van gezamenlijke levenskracht aanwezig is. Men brengt bij de persoon in de nabijheid een tekenstift, een potlood en een schrijfvlak. Bij voorkeur niet gelinieerd papier. Verder make men, dat de persoon zich gemakkelijk kan concentreren door alle schelle lich­ten uit te schakelen en zoveel mogelijk alle storingen door geluiden, vooral onverwachte geluiden, te vermijden. In enkele gevallen zal blijken dat de uitgekozen persoon inderdaad begint te reageren. In vele gevallen blijkt dat ook anderen reactie vertonen. Is deze reactie ver­toond, dan is hiermee een zekere vatbaarheid voor deze stemming aan­wezig en dus mediamiciteit in eerste instantie wel aangetoond.
Wij zullen echter moeten nagaan in hoeverre deze mediamiciteit met werkelijke geestelijke entiteiten kan werken en in hoeverre hier grotendeels een uiting van verdrongen complexen of een onderbewust ‘ik’ op de voorgrond wordt geschoven. Om dit te testen, is het noodzakelijk, dat elk der media, voor zover ze in zo’n kring aanwezig zijn, afzonderlijk en bij toerbeurt de gelegenheid krijgt als middelpunt van de kring te fungeren. Ongeacht de prestaties, die in de eerste maanden worden geleverd, mag geen van hen als beter of minder goed worden beschouwd. Niemand van hen zal zich vermeten te zeggen dat de doorgekomen ‘boodschappen’ werkelijk van geestelijke entiteiten stammen. Men zal dit ook niet ontkennen. Na verloop van tijd zal een zekere gemakkelijkheid van uitdrukking ‑ hetzij door schrijven, hanteren van planchette, hanteren van tekenstift of spreken ‑ ontstaan zijn. Eerst nu is het mogelijk om proeven te nemen aangaande de betrouwbaarheid.
Deze proeven kunnen wij natuurlijk ook wel baseren op het fysieke. Waar dit echter in doorsnee voor zo’n medium te zeer storend is, zullen wij ons allereerst bepalen tot z.g. testvragen. Deze testvragen dienen niet als een examen te worden opgesteld. Dit zal heel vaak bij eventueel bezitnemende entiteiten of beïnfluencerende entiteiten een tegenzin verwekken en tot eigenaardige misverstanden kunnen leiden. Men stelt echter enkele vragen of problemen, die volkomen buiten de vakrichting liggen en buiten het bekende weten van het medium in kwestie. Men verzoekt daarvoor een uitdrukking te geven ‑ hetzij door schrijven, spreken, dan wel schetsen ‑ in overeenstemming met de vragen. Die antwoorden worden daarna getoetst. De persoon in kwestie mag eerst na de seance eventueel verder op de hoogte worden gebracht van de gestelde vragen. Het is daarom goed dat in een dergelijke kring één onpartijdige aanwezig is, die niet zelf aan de zittingen deelneemt, maar wel voortdurend alle vraagstelling en leiding van de seance op zich neemt, voor zover dit noodzakelijk is. Met deze oefeningen is het mogelijk om een betrekkelijk groot aantal mediamieke personen tot een erkennen van hun kwaliteiten te brengen. Zij moeten er zich van bewust zijn, dat ten hoogste 1 op 100 tot een verdere mediamieke ontwikkeling komt, terwijl misschien 1 op 1000, inderdaad een volledige ontwikkeling tot trance‑medium of goed tranceschilder (schilderes) kan doormaken. Uit het voorgaande zal u gebleken zijn dat streven naar medium­schap ook grote nadelen heeft. Ik wil daarom eenieder ontraden zich daaraan te wijden, tenzij men inderdaad overtuigd is, dat men alle con­sequenties daarvan durft en wil dragen. Om elk misverstand te voorko­men wil ik ze nogmaals opsommen:

Mediamiciteit brengt te allen tijde emotionele instabiliteit met zich. Deze kan door sommigen beheerst worden, door anderen niet.

Mediumschap vraagt een zeer grote beheersing van de kwaliteit zelf om niet voortdurend als slachtoffer te vallen van willekeurige geestelijke invloeden, die van de ontwikkelde capaciteit gebruik willen maken.

Het vraagt een voortdurend groot vertrouwen, omdat in principe elke trance‑ of halftrance‑toestand met doodsgevaar gepaard gaat. Ook wanneer dit misschien niet vaak gerealiseerd wordt, is het gevaar voortdurend aanwezig.

Verder heeft men er rekening mee te houden dat het opwekken van tegenzin bij anderen door dergelijke bezigheden niet alleen het ‘ik’ nadelig beïnvloedt, maar ook de gave zelf vaak een negatieve ontwikkeling geeft, waardoor slechts de minder goede kwaliteiten tot uiting komen.

Bij actief geestelijk streven zou ik dan ook niet willen aanraden allereerst mediamiciteit te ontwikkelen. Veeleer zou ik u willen raden voordien andere kwaliteiten tot ontwikkeling te brengen.

Dan hebben we al heel veel gezegd over genezing, maar het is misschien toch goed, dat ik u hier nog even enkele kleine oefeningen omschrijf, die de doorsnee‑genezer, die met levenskracht (magnetisme) werkt, een vergroting van deze kracht toestaat. De eenvoudigste hiervan is: Beide voeten naast elkaar plaatsen op de aarde, een zo recht mogelijk zittende houding aannemen, waarbij de handen horizontaal worden gehouden en deze langzaam van elkaar worden afgetrokken. Zij moeten dus volkomen vlak tegen elkaar liggen ‑ niet gespitst met de vingers naar elkaar toe maar met het gehele handvlak ‑ en zo van elkaar worden weggetrokken. Men kan dan op de duur een zekere trilling daartussen voelen. Eerst wanneer de afstand 30 cm. is en men deze trilling nog voelt, wanneer er zich dan n.l. een zodanige lichaamsflux ontwikkelt, dat zij deze ledige ruimte zonder enig bezwaar kan overbruggen, wat als een tinteling in de handvlakken merkbaar wordt, is het niet meer nodig deze oefeningen regelmatig, te doen. Het zal nu ook mogelijk zijn anderen te behandelen en de uittredende kracht in zich te voelen, zonder dat daarvoor een direct contact noodzakelijk is, zonder dat men daarbij gedwongen is voortdurend weer af te gaan op gissingen.

Een tweede oefening, die ook voor iedereen is aan te raden, is de volgende: Leg een aantal voorwerpen van verschillend materiaal naast elkaar onder een doek op tafel. Ga met de handen daaroverheen en tracht de verschillende indrukken, die u krijgt boven elk voorwerp, voor uzelf te definiëren. Op de duur zult u in staat zijn de verschillen tussen b.v. koper, ijzer en hout als een verandering van tinteling in de hand te gevoelen. Heeft u deze gevoeligheid ontwikkeld, dan kan ze u helpen bij het stellen van diagnoses, waar u dan de storing in de aura van een patiënt gemakkelijker zult kunnen opmerken. Verdere aanwijzingen op dit gebied hebt u ruimschoots gehad.

Er is op gewezen, dat de binding tussen de magnetiseur en zijn patiënt over het algemeen zo zwak mogelijk moet zijn, zodat bij de behandeling geen persoonlijke elementen de boventoon voeren. Verduidelijkend wil ik opmerken dat dit noodzakelijk is om een kosmische werking mogelijk te maken. Elke persoonlijke band geeft een zekere bias, een zeker vooroordeel. Dit vooroordeel drukt zich niet slechts uit in de wijze waarop wij de patiënt behandelen, maar drukt zich bovendien uit in de wijze, waarop wij de krachten aan die patiënt willen geven en de wijze, waarop wij de toestand van die patiënt willen accepteren. Naarmate de binding met een patiënt sterker is, zal men geneigd zijn om de kwalen daarvan hetzij te overdrijven of te minimaliseren. Men zal datgene, wat gevreesd wordt, van zich af willen zetten, omdat men dát de ander nu werkelijk niet gunt; omdat het een verschrikking zou zijn, wanneer die ander juist deze ziekte zou moeten hebben, etc. Het gevolg is dat het gebruik van de kracht niet onpartijdig is, niet evenredig en gelijkmatig en niet aangepast alleen aan de behoeften van de patiënt, maar sterk wordt beïnvloed door de wensen van de magnetiseur en de patiënten samen. U zult begrijpen dat dit in vele genezende processen een vertraging ten gevolge kan hebben.
Hier komt bovendien nog bij dat een sterke persoonlijke binding gedurende de behandeling voor de patiënt nadelig zou kunnen zijn om de doodeenvoudige reden dat de wijze, waarop de patiënt tegenover de genezer staat, voor die genezer ook zeer belangrijk is. Wanneer die genezer b.v. speculeert op de afhankelijkheid van de patiënt, zal blijken dat hij hierdoor geneigd is zijn superioriteit verder uit te drukken. Er ontstaat dan een binding, die niet alleen meer kan worden uitgedrukt door patiënt-genezer, maar een overheersen, een domineren, dat op bepaalde psychische factoren berust.
Een domineren over de patiënt kunnen wij nooit verlangen. Het is zelfs bij psychische gevallen niet wenselijk. Bindingen, die te vast zijn, brengen conflicten en problemen. Een genezer, die een te sterke binding heeft met zijn patiënt, kan ervan overtuigd zijn dat ‑ zodra door genezing die binding verbroken wordt ‑ nieuwe kwalen zullen ontstaan als gevolg van het verbreken van deze binding.
Ik hoop hiermee duidelijk te hebben gemaakt waarom bij de behandeling een onpersoonlijke uitstraling van krachten en een zo onpersoonlijk mogelijk gedrag wel het beste is. Ik wil er hier onmiddellijk aan toevoegen dat mij bekend is dat er andere en zelfs meer persoonlijke methoden bestaan, die ook resultaat hebben; maar ik meen dat deze niet passen in de westerse maatschappij.
Het is logisch dat wij bij elke ontwikkeling van geestelijke gaven zoveel mogelijk in altruïstische zin deze gaven trachten te gebruiken. Het zal ons blijken, dat dit eerst werkelijk mogelijk wordt, wanneer wij iets bereiken. Wees daarom nooit bang, wanneer u komt tot een geringe ontwikkeling van een bepaalde geestelijke gave, om deze voorlopig voor uzelf te behouden. Dit klinkt misschien als in strijd met het voorgaan­de. Maar ik kan u verzekeren dat u ‑ juist door u te beheersen in het meedelen van deze resultaten aan anderen en het desnoods alleen aan bevoegden en kenners op dit gebied voorleggen van uw resultaten ‑ voor komt dat anderen schade lijden door misverstanden of fouten, die bij u zijn ingeslopen. Voor degenen die helderziend zijn en die dus o.a. door oefeningen ook hun organen tegen overmatige slijtage en vermoeidheid hebben behoed, zou ik nog het volgende willen opmerken:
Probeer nooit bewust te zien, tenzij dit absoluut noodzakelijk is. Tracht, wanneer u onbewust ziet, de indrukken zoveel mogelijk van u af te zetten, ook wanneer zij schoon zijn. Geestelijke krachten, die zich aan u kenbaar willen maken en inderdaad goed en lichtend zijn, beschikken ook over het vermogen, ondanks uw onwil zich toch te tonen. Een grijpen naar elke schijnbare vorm in de omgeving betekent dat u zich blootstelt aan bedrog en zelfbedrog.
Leg bij helderziendheid nooit de nadruk op de details. Deze details kunnen misschien worden gebruikt om een ander te overtuigen, zij zijn echter voor de helderziende zelf nooit beslissend. Want deze details kunnen zozeer wisselen, dat verschillende personen ook verschillende details waarnemen, terwijl de hoofdgestalte hetzelfde blijft. De eigen wijze van benadering ‑ zoals reeds in vorige lessen omschreven ‑ is bepalend voor de wijze van waarneming.
Begrijp goed dat, om helderziendheid werkelijk in dienst van de mensheid te stellen, zij zo weinig mogelijk gebruikt moet worden om anderen nu eens even de les te lezen of aanwijzingen te geven. Zij moet zeer beheerst worden gebruikt en zo weinig mogelijk met een beroep op de paranormale kwaliteiten.
Wanneer zij gebruikt wordt voor b.v. het stellen van diagnoses, moet er altijd rekening mee worden gehouden dat het vaststellen der diagnose langs helderziende weg grote voordelen heeft, maar ook mogelijkheden tot fouten in zich bergt. Een werkelijk goed helderziend diagnosticus zal daarom trachten de gestelde diagnose slechts zeer algemeen aan de patiënt mee te delen en eerst de nauwkeurige gegevens, die werden verworven, te verifiëren – zo mogelijk door middel van deskundigen. Hoe meer men zichzelf voorhoudt dat men zeker moet zijn, hoe groter de mogelijkheid tot twijfel. Deze twijfel kan soms fnuikend zijn voor onze wijze van werken. Wij zullen dus deze twijfel moeten bestrijden. Dit geldt overigens ook voor praktisch alle andere soorten van werken, inclusief het ontwikkelen van mediumschap in verschillende vormen.
Wij moeten er zeker van zijn dat ons streven eerlijk is. Wij moeten ons niet vasthouden aan de verschijnselen, zoals die bij anderen zich heb­ben voorgedaan, of zoals zij in boeken omschreven staan doch aan ver­schijnselen, die zich zo eerlijk mogelijk bij onszelf vertonen. Wij moeten, wanneer in ons een zekere drang ontstaat om uiting te geven, deze uiting echter beperken tot datgene, wat verantwoord gegeven kan worden. Een redelijk censorschap op alle paranormale kwaliteiten – uitgezonderd dan bij een absoluut wegvallen van eigen bewustzijn ‑ is wenselijk en aan te raden.
Hiermee heb ik dan enkele raadgevingen en aanwijzingen gegeven, die u misschien van nut kunnen zijn. Ik wil hier onmiddellijk aan toevoe­gen dat wij de volgende maand in het tweede gedeelte op alle vragen dienaangaande, desnoods ook in meer persoonlijke zin, zullen ingaan. Dit gaat zo ver dat degenen, die vragen te stellen hebben maar niet zelf deze cursus bijwonen, doch regelmatig ‑ hetzij door lezing of door het bijwonen van een andere cursus ‑ daarvan kennis kunnen nemen, ook de­ze vragen mogen stellen, mits op een door het bestuur omschreven wijze gesteld en mits de beantwoording dan ook letterlijk kan worden overge­bracht, zoals ze door ons wordt gegeven. (Dit is dan voor het bestuur eventueel verder te bezien, in hoeverre men daarop wil ingaan.)
In meer algemene zin wil ik nu nog even terugkomen op het actief geestelijk streven, omdat wij tenslotte tot een verwerkelijking moeten komen van ons eigen wezen, ons eigen vermogen op aarde en in de sferen.
Onze activiteit ligt niet in het jagen naar resultaten. Onze geestelijke activiteit is eerder te zien als een aanvaarden der mogelijkheden en ‑ bij het erkennen der mogelijkheden ‑ het gebruiken daarvan. Actief geestelijk streven betekent dat datgene, wat ons gegeven wordt ‑ dus datgene wat wij in onszelf als mogelijkheid erkennen – zoveel mogelijk gebruikt wordt ten voordele van anderen. Hoe meer wij in staat zijn ons streven te gebruiken voor een grotere kring, hoe meer ons dit in onze ontwikkeling ten goede komt en hoe meer wij ook de geestelijke krachten, die de aarde trachten te helpen, dichter bij de wereld kunnen brengen. Voor ons uit de geest geldt dat, naarmate een mens meer altruïstisch werkt op aarde met zijn geestelijke gaven ‑ zelfs wanneer deze zeer beperkt zijn ‑ voor ons een mogelijkheid wordt geschapen de mensheid te helpen, terwijl dit, zodra men egoïstisch de problemen benadert, niet meer mogelijk is.
Actief geestelijk streven is niet afhankelijk van stoffelijke of morele wetten in de algemeen gangbare zin, maar het is wel afhankelijk van een voortdurend ten goede streven volgens eigen beste weten.
De hoofdregel, die voor eenieder moet gelden, is deze: Stel nooit dat u ouder, wijzer, verstandiger of begaafder bent dan een ander. U kunt dit nooit beoordelen.
Zeg nooit dat de consequenties van deze of gene daad voor een ander minder ernstig zijn dan de goede resultaten, die u zelf daarmee meent te bereiken. Tracht, wanneer onaangename consequenties zouden optreden door het gebruik van gaven, niet zelf eraan te ontkomen en deze af te schuiven op anderen. Probeer zoveel mogelijk andere mensen en vooral hen, die minder begaafd zijn, te behoeden voor onnodig leed.
Gebruik uw gave in bescheidenheid, want zij is u niet gegeven als een punt ter verheffing maar alleen als een verplichting te meer om de mensheid te dienen. Degene, die dit alles kan aanvaarden en verwerkelijken, zal door zijn wijze van leven en gebruik van geestelijke gaven, voor zichzelf ongetwijfeld de goddelijke Kracht dichterbij brengen en een beter begrip krijgen van de goddelijke werkingen. Hij zal daarnaast in staat zijn om anderen dichter te brengen bij een begrip van de werkelijkheid. Alleen dit doel te bereiken is vanuit ons standpunt reeds alle offers waard.
Verder blijkt nog dat degenen, die zich op onzelfzuchtige wijze voortdurend wijden aan het heil van hun medemensen, degenen, die trachten zelfs in hun eigen leven voortdurend zo te handelen, dat zij anderen niet schaden, een voortdurend intenser gevoel van eenheid krijgen met geestelijke waarden en krachten, zodat zij op de duur in een groot gedeelte van hun leven gedragen kunnen worden door anderen. Dit betekent niet dat hun leven zelf minder belangrijk wordt maar wel dat zij meer kunnen bereiken in minder tijd, dat zij meer en intenser kunnen beleven met minder middelen. Voor de geestelijke ontwikkeling en bewustwording is dit ongetwijfeld zeer belangrijk.
Toch mogen wij deze punten niet voorop blijven zetten, wanneer wij in de meer praktische zin actief geestelijk gaan streven. Dit zijn de verschijnselen, die wij als gaven Gods kunnen omschrijven. Het is niet aan ons om deze af te dwingen, het is niet aan ons om er naar te zoeken. Wel is het onze taak te zoeken naar de eventuele talenten, die ons gegeven zijn en die wij nog niet ontplooiden. Het is onze taak deze zo goed mogelijk te ontwikkelen en zo goed mogelijk te gebruiken. Eerst de mens, die geleerd heeft naast zijn stoffelijke ook zijn geestelijke capaciteiten te ontplooien en te gebruiken, is in ware zin een volledig mens.

De hof van Eden

O, wonder paradijs, waarin de innerlijke rust en vrede je doet voortbestaan en ’t leven in de rust van ’t zijn de mens in strijd niet meer doet ondergaan maar leven, altijd voort! Waar is ons Eden dan gebleven?
’t Is gegaan met de wind van het menselijk denken. ’t Is gegaan met ’t begeren, dat mensen doorgloeit. ’t Is gegaan met de strijd om méér te wezen. ’t Is gegaan met de duizenden vrezen, waardoor je aan stof steeds blijft geboeid.
Eden, droom van menselijk begeren, gave van God aan wat als schepsel eens door Hem werd voortgebracht, gij zijt nog steeds een werkelijkheid. Maar dolend in een nacht van onbegrip, gejaagd door onbegrepen tijd, kan de mensheid U niet vinden.
Want Eden is de zon, die leven geeft. Eden is God. Die in alles leeft. Eden is wensloosheid van het bestaan, wanneer je begrijpt waarom je leeft.
Eden is een streven, dat geen moeite kost, omdat het de kern van het ‘ik’ is, waarnaar je streeft. Eden is een droom van eeuwigheid, werkelijk geworden in der mensen ziel, wanneer ze ontwaken uit de beperking van hun eigen denken.
Gij zoekt een paradijs? Ge draagt het altijd met u. Want in u leeft een eeuwigheid, waarin geen ondergang bestaat, waarin zelfs alle tijd geen sporen achterlaat en al het zijn, tot werkelijkheid geworden, u één maakt met het Al.
Maar voor de poort van Eden staat een engel met een vlammend zwaard. Ons streven om onszelf te wezen, ons vrezen voor dat, wat wij moeten ondergaan en ons begeren ‑ niet om de werkelijkheid te leren maar om rijker te worden ‑ is dwaasheid en waan.
Wij kunnen de engel met het zwaard verwinnen, wanneer wij zoeken in onszelf naar de wet, die alle leven regeert. Die wet luidt: Eén zijn alle dingen. Liefde zonder persoonlijk doel is de kern en de werkelijkheid van het goddelijk bestaan. Het zijn zelf is niet onze wil of taak; het is het wezen van de Schepper, waarvan wij ons bewust worden.
Dit is de sleutel tot de Hof van Eden. Maar om er binnen te gaan moet men niet alleen de inhoud van de sleutel verstaan, doch haar hanteren en zo ontsluiten de weg, tot eigen ziel. Dan eerst vindt men de eeuwigheid, uitgedrukt in stof én geest. Dan wandelt men met God en kan men eens ook binnengaan in Zijn wezen. Zodat, wanneer Eden vergaat, het leven voortbestaat, dat is de adem Gods en werkelijkheid.