Ontwikkeling van het ‘ik’

uit de cursus ‘Ontwikkeling van het ‘ik’ tot beheersing’ (Hoofdstuk 2) – november 1960

Ontwikkeling van het ‘ik’.

Nadat wij het ‘ik’ en zijn verschillende mogelijkheden hebben bezien, dienen wij thans onze aandacht te richten op het ontwikkelen van dit ‘ik’. Want hoe belangrijk de beheersing van het ‘ik’ voor elke verdere bewustwording ook moge zijn, wij zullen in dit ‘ik’ een bepaald aantal factoren moeten kennen en ontwikkelen, voordat deze beheersing ons inderdaad kan voeren tot een contact met de werkelijkheid en gelijktijdig tot een meesterschap in de stof.
De eigenschappen, die in het ‘ik’ voor ons belangrijk zijn, behoren tot verschillende klassen.
Allereerst is daar natuurlijk het denkvermogen. Het denkvermogen is belangrijk, omdat het de mogelijkheid geeft te formuleren, de mogelijkheid geeft toe te passen, de mogelijkheid verder geeft om stoffelijke samenhangen en geestelijke werkingen te doen samengaan.
De tweede factor ‑ al even belangrijk ‑ is het doorléven. Het is onmogelijk alleen aan de hand van theoretische kennis oorde­len te vellen. Zoals ik al reeds een vorige maal heb gezegd, is het onmogelijk in een te grote eenzijdigheid tot een waar bewustzijn te komen. Indien wij willen uitgaan van een bepaald bewustzijnspunt, waar­op wij de beheersing van het ‘ik’ en de ontwikkeling daarvan opbouwen, zo zullen wij dit punt moeten kennen en hebben ondergaan.
Ten derde: de innerlijke verrijking. Innerlijke verrijking ‑ een term die overigens tot de Hindoe‑filosofie behoort ‑ brengt de mens ertoe in zijn eigen wezen bepaalde mystieke belevingen door te maken. Hij verkrijgt hiertoe een zeer sterke binding van geest en stof, die niet alleen de harmonie bevordert maar ook tevens de zinrijkheid van zijn streven.
Ten vierde: zeer belangrijk is voor ons, althans in dit verband, de gevoelswereld. De gevoelswereld van de mens drukt zuiverder dan hij redelijk of mentaal tot stand kan brengen zijn totale wezen uit in directe relatie tot zijn omgeving. Het zal duidelijk zijn dat het erkennen van deze relatie bij een beheersing noodzakelijk is. Zonder deze kennis zou enerzijds zinloze beheersing worden betracht, terwijl men anderzijds aan zinrijke beheersingsmogelijkheden zou voorbij gaan.
Op ons pad naar kennis zullen wij verder trachten in ons ‘ik’ bepaalde waarden te leren beseffen en te leren gebruiken, die in vele gevallen paranormaal worden genoemd. Hierover hebt u overigens reeds scholing kunnen ontvangen. Deze paranormale eigenschappen zijn voor de beheersing alleen dan belangrijk, als zij voortvloeien uit een gesteld doel. Dus nimmer zal het paranormale doel in zichzelf zijn, maar ter bereiking van een doel kan het paranormale wél noodzakelijk zijn.
Ik wil trachten u enig inzicht te geven in de verschillende door mij genoemde waarden. Daarbij ga ik deze avond niet zo systematisch te werk als een vorige maal, maar ik zou wel een beroep willen doen op uw innerlijke kracht. De samenwerking tussen leraar en leerling ligt voor een zeer groot deel niet in het onderwijzen en onderwijs ontvangen, maar in de gemeenschap en eenheid van denken. Dit maakt het noodzakelijk dat ik mijn systeem van onderricht voor hedenavond iets wijzig.
Een zoeker naar kennis zal zich moeten bepalen tot één hoofdpunt. Wij kunnen niet in drie richtingen tegelijk gaan. Wij kunnen met ons lichaam slechts één richting tegelijk inslaan, ongeacht hoe complex de beweging ook is die daartoe aanleiding is.
Zo is het ook bij ons streven. Wanneer wij kennis verlangen, moeten wij allereerst vaststellen in welke richting wij willen gaan. Wij moeten begrijpen dat deze richting voor ons de hoofdtoon vormt van een bepaalde periode van ons leven. Naast deze hoofdtoon echter zullen wij trachten a.h.w. het landschap dat ons voorbij vliegt, de samenhangen die rond ons zijn, eveneens in ons op te nemen. Hier­uit volgt dat elke kennis, gericht op een bepaald doel, moet worden omringd door een reeks van gegevens, die weliswaar met het doel samenhangen, maar daarmee niet onmiddellijk in verbinding behoeven te staan. Ik wil u hiervan een duidelijk voorbeeld geven.
Uw wezen gaat uit naar b.v. het doel: openbaring. U zou in de magische spiegel van Ptah willen schouwen hoe de toekomst ligt, waar uw weg is; u zou in het Eeuwige Gerechtshof de rollen van het leven willen lezen. Gij richt u dus in dit geval op het bovennatuurlijke. De kracht van de ziel wordt uitgestort, voortgestuwd en voortgejaagd en zij dringt inderdaad door in het paranormale. Zij ziet inderdaad een spiegel van de Schepper. Zij erkent haar wezen en haar doel. Maar indien zij daarin slechts zichzelf zoekt, zal zij dit doel door een gebrek aan samenhangen voor zichzelf nimmer kunnen herkennen. Want wat innerlijk wordt beleefd, wat het eigen levensdoel is, hangt niet direct samen met het onmiddellijk gebeuren. Slechts indien het gebeuren, dat daar omheen ligt, eveneens wordt gekend, krijgt het visioen zin, krijgt de kennis van eigen vroeger leven of van eigen voortbestaan een vaste vorm, welke hanteerbaar wordt. En bruikbaar moeten deze dingen zijn.
Ge zult begrijpen dat het voor ons dus zeer belangrijk is ons juist te richten en ons toch niet te eenzijdig te verdiepen in een te scherp zoeken. Degene, die zich een doel stelt, heeft natuurlijk vele mogelijkheden. Maar alle mogelijkheden kunnen worden samengevat in het volgende beeld: Al wat van mijzelf uitgaat, omschrijft een parabolische baan. Het keert dus tot zijn doel terug na een bepaalde buiging. Over het algemeen kennen wij vele belangrijke punten, die ons leven beheersen. Deze gaan uit van de kern van het ‘ik’ en beschrijven lussen als bloembladeren. Deze bloembladeren geven echter niet aan, hoe dat wat van ons uitgaat ook tot ons terugkeert. Schijnbaar gelijk zullen de werkingen in de wereld buiten ons (het momentum, de energie dus, de doorslagkracht) de betekenis wijzigen, welke door ons innerlijk wezen is uitgesproken. Wat wij doen, keert tot ons terug. Als wij nu weten wat wij willen, laten wij het aan andere eeuwen en andere werelden over om de krans van bladeren te vormen, die noodzakelijk is om het ‘ik’ in zijn volheid te openbaren. Wij zijn ermee tevreden voor onszelf één blad tegelijk te ontwikkelen en zullen in die ontwikkeling trachten deze momenten (dus deze beïnvloeding door de buitenwereld) te erkennen en zelfs in zoverre te regelen, dat het ‘ik’ altijd is aange­past aan de terugkeer van de gebeurtenis. Dit moge voor u in het Westen misschien zonderling klinken, maar het is belangrijk. Wanneer ik wetenschap of kennis zoek, dan werk ik met het mentaal gebied, met het bewustzijn. In dit bewustzijn kan ik een voorstelling maken en deze voorstelling omzetten in de daad.
Dit laatste is noodzakelijk omdat ik slechts zó de verworven kennis voor mijzelf kan bevestigen. Nu wordt deze daad dus uitgezonden.
Ik mag er echter niet mee volstaan deze vàn mij uit te doen gaan.
Ik moet ook beseffen van wáár haar ervaring tot mij wederkeert.
Ik moet begrijpen in hoeveel gebieden buiten mij en groter dan het deel, dat in mijn eigen wezen wordt beroerd, de werking zich zal uit­breiden.
Op deze wijze kan dus iemand een eenvoudig feit leren uit een encyclopedie.
Laat ons zeggen: de vervaardiging van garens. Als hij deze kennis gebruikt om een garen te keuren, zal hij daardoor op de kwaliteit der garens een misschien zeer kleine maar toch werkelijke invloed uitoefenen. Als hij ze vervaardigt, zal hij daardoor deze kennis eveneens de wereld insturen. Nu is het keuren van minder grote betekenis voor de buitenwereld dan de vervaardiging. Wanneer ik een daad baseer op kennis en ik gebruik haar tot onderzoek, is de daaruit voortvloeiende parabool klein. Gebruik ik haar voor het scheppen van een daad, dan is de parabool groter. Voor mij is zij dan over het al­gemeen ook meer waardevol.
Naast de kennis geldt ook de ontwikkeling van onze eigen­schappen. Het is eenvoudig te zeggen: Ik wil een paranormale eigen­schap ontwikkelen. En het is mij bekend dat velen trachten op eniger­lei wijze de occulte wereld binnen te dringen om uit deze wereld der geheimen voor zich een bijzonder weten te putten. Maar de wereld van het occulte is als een uitgerekte rubberband. Wanneer ge komt en niet reeds de beheersing bezit, zo gaat het u als een steen. Ge stoot te­gen het rubber aan (tegen het occulte), gij beweegt u achter het vlak van het occulte, maar gij doordringt de wereld van het occulte niet. Zij beïnvloedt u en werpt u terug, zonder dat ge beseft hoe of waarom. Daarom moet elke poging min of meer paranormale gaven te ontwikkelen gebaseerd zijn op iets, dat wij kennen, iets waarin wij een zeker mees­terschap hebben verworven.
U zult voor uzelf misschien graag willen weten, hoe u bv. de gebieden van onder‑ en bovenbewustzijn zoudt kunnen benaderen en doordringen. U zult graag willen weten, hoe u van daaruit met de grotere wereld, de onveranderlijke wereld van het kosmisch Ik, in verbinding kunt treden. Dit is nl. zeer belangrijk en is voor de beheersing van het ‘ik’ een essentieel deel van de gehele bewustwordingsfase. Toch zult u bv. in het onderbewustzijn niet kunnen doordringen, zolang gij nog enig schuldgevoel kent, en u oneerlijkheid, enige ontduiking van werkelijk bestaande verplichtingen. U zult nooit en te nimmer de wereld van het onderbewuste kunnen verwezenlijken, voor u vrij bent van innerlijke tegenstrijdigheid. De beheersing moet de mens dus voeren tot een zeer sterke innerlijke harmonie.
Deze harmonie, die hij in zichzelf heeft gewekt, openbaart hem de gebieden, die men onderbewustzijn pleegt te noemen. Hij zal daaruit meer en meer oude herinneringen kunnen putten. Zijn geheugen wordt niet ‑ volgens menselijke norm ‑ beter, maar meer‑omvattend. Als op bevel is men in staat om elk detail uit het verleden terug te lezen. Men kan misschien niet onmiddellijk zeggen wat men reeds heeft doorgemaakt en gezien; maar wanneer dit noodzakelijk is, spreekt het onmiddellijk bewust mee. Een onharmonisch mens zal een groot deel van die vroegere ervaringen en bewustwordingen niet kúnnen aanvaarden. Zij brengen hem in een ondraaglijke situatie. Als gevolg daarvan is hij onbeheerst. Want hij kan die situatie niet op juiste wijze waarderen. Hij handelt in vele gevallen op halve gegevens en weet dus nooit van te voren waaróm hij zó handelt en wàt precies het gevolg zal zijn. Zo is het voor hem onmogelijk vast te stellen wat dit uiteindelijk voor zijn werkelijk ego aan bewustwording betekent. Voor het betreden van onderbewuste gebieden is uitdrukkelijk grote innerlijke rust en harmonie nodig, het vermijden van elk zelfbedrog en een innerlijk weten omtrent waarheid.
Ik noemde daarnaast het gebied van het bovenbewuste en ik meen dat ook dit u voldoende interesseert om daaraan enig commentaar te verbinden.
De wereld van het bovenbewuste is gebaseerd op invloeden, die niet uit uw onmiddellijk ‘ik’ (uw huidig ‘ik’) voortkomen. Integen­deel, het huidig ‘ik’ bevindt zich met een groot aantal andere ik-heden in de tijdstroom, in hetzelfde moment tijd. U bent a.h.w. in een capsule opgesloten, die bv. een periode van 40 tot 100 jaar omsluit.
Zolang u gebonden blijft aan de stof en de vorm‑kennende sferen, blijft u aan dit moment tijd geketend. Het bovenbewustzijn zal dus bestaan uit al hetgeen binnen dit tijdsmoment ‑ deze periode a.h.w. ‑ aan werke­lijk gedachteleven op aarde bestaat. Dit houdt ook in: al het geeste­lijk bewustzijn, dat binnen die tijd op aarde actief is geworden, doch slechts voor zover het in die tijd óók werkzaam was. Dus nooit al het bewustzijn of een totale gedachtewereld, maar altijd dát deel dat ge­openbaard wordt.
Ge zult begrijpen, dat daarvoor in de eerste plaats gevoeligheid nodig is. Die gevoeligheid bezitten de meeste mensen wel. Zij ontvangen re­gelmatig indrukken van buitenaf; zij zijn echter niet in staat om uit het collectief menselijk en geestelijk denken binnen de tijdscapsule (binnen het tijdsmoment) de eigen impulsen en gedachten af te zonderen.
Vandaar dat ook hier een zekere beheersing noodzakelijk is. De beheer­sing is dus in dit geval het vermogen om eigen gedachten zo sterk af te vlakken, dat zij slechts een basis of een achtergrond vormen voor invloeden, die van buitenaf worden afgedrukt. Hier werken geest en geestelijke factoren sterk aan mee. Zo sterk soms, dat u meent dat dit toch uit uw bewustzijn komt en het u moeilijk lijkt het onderbewust­zijn hier geheel uit te schakelen.

De methode is als volgt:
Leer wederom uzelf beheersen, tot u volkomen rustig bent. Harmonie is hier niet absoluut noodzakelijk, want de invloed die u ontvangt, is geen harmonische invloed. Zij is het grootste gemiddelde van het totaal van wereldse tegenstrijdigheden.
Zodra u rustig bent, laat u de problemen en ook de antwoor­den op u toestromen. U bent passief en in deze volledige pas­siviteit laat ge u doordringen door dit ander deel van het bewustzijn. Er ontstaan ideeën, die u wezensvreemd zijn. Er ontstaan impulsen en gedachten, die al evenmin onmiddellijk uit uw eigen wezen voortkomen. Wanneer u nu klaar bent met opne­men (en u neemt dit op als een spons, gij neemt veel meer in u op, dan u ooit zou kunnen verwerken), gaat u dit langzaam, zeer langzaam naar buiten brengen. Langzaam, al naar de behoefte bestaat, worden de bovenbewuste waarden afgegeven aan het bewustzijn. En omdat zij niet wezenseigen zijn maar we­zensvreemd, kunnen zij voor een groot gedeelte als zodanig wor­den erkend.
Deze invloeden worden vooral dan kenbaar, wanneer zij gedurende een be­paald moment onmiddellijk op het ‘ik’ inwerken. Het bovenbewustzijn pleegt op de mens ongeveer 200 à 300 afzonderlijke impulsen gelijktijdig af te drukken. Een deel daarvan ‑ iets meer dan de helft ‑ is van geestelijke aard. De andere zijn zuiver materiële ideeën, behoeften en impulsen. U kunt dus uitgaan van het feit: wanneer een bepaalde bovenbewuste tendens sterk optreedt, dan word ik mij bewust van wat ik heb opgenomen. Ik erken dit nu als een bovenbewuste beïnvloeding en erken tevens dat dit uit het boven‑bewustzijn tot mij doordrong en mij ook op dit ogenblik beïnvloedt; ik kan mij daardoor verdedigen of mijzelf overgeven aan dat, wat op dit ogenblik uit de wereld werkt, zolang dit een bevordering van mijn eigen doel betekent.
Ten slotte wil ik nog iets zeggen over de wereld van het gevoel.
Gevoel of emotie is voor de mens oorspronkelijk dierlijk. Er bestaat in u geen enkele emotie, die ‑ zolang zij in een menselijk lichaam wordt ervaren ‑ niet tevens dierlijke elementen bevat. Wanneer wij deze gevoelswereld echter ervaren, wanneer de innerlijke wereld dus tot ons spreekt, dan geven wij daarin uiting aan het totaal van het ‘ik’. Het onder‑ en bovenbewustzijn werken mee aan het tot stand komen van de emotie. Eigen doel, eigen geestelijk streven zowel als eigen stoffelijke conditie en mogelijkheden zijn eveneens deel van de emotie. Daarom kan worden gesteld dat de emotie op zichzelf een zeer belangrijke samenvatting geeft van het menselijk leven. Onbeheerst is echter de emotie als een orkaan. Zij teistert het land, zweept de zeeën op en verslindt veel van hetgeen ons waardevol was. Zolang wij echter meester zijn over de daad, die uit de emotie voortkomt en leren deze eerst redelijk te overwegen, zal de emotie ons een aanwijzing zijn van alles, wat in ons leeft. In plaats van de kale kust is er een sterke muur van persoonlijk bewustzijn gebouwd. De golven slaan zich ertegen te pletter; de wind strijkt erover heen en kan het land, dat er achter ligt, niet beroeren. De kennis van deze krachten echter stelt ons in staat onze handelingen juister af te stemmen op het ‘ik’.
Een mystiek beleven voert ons tevens naar een ander terrein van deze lering omtrent de beheersing van het ‘ik’. Mystiek beleven wil zeggen: innerlijk worden opgenomen in de grote geheimen. Opgenomen in geheimen, die niet onmiddellijk kenbaar worden uitgedrukt, maar die het ‘ik’ meeslepen in een steeds fellere droom, waarin voortdurend meer werkelijke elementen een rol gaan spelen.
De mystiek is de droombeleving van de werkelijkheid voor iemand, die wakend die werkelijkheid niet kan ondergaan. Maar voor de mystiek is een zelfverloochening nodig. De mens, die in de mystiek iets zoekt voor zichzelf en zijn wereld, iets zoekt voor al hetgeen hem als mens interesseert, zal daarin nooit en te nimmer een werkelijk beeld kun­nen vinden. Voor hem is het een zelfbegoocheling, een roes van zelf­verheffing, die hem misschien soms tot geestelijke hoogten en licht kan dragen, maar hem dan ‑ als Icarus’ vleugels, gehecht met was, die smelt voor de waarheid ‑ hard neerslaat in een leven, dat dan zoveel te bitterder en duisterder lijkt.
De ware mysticus leert zijn vlucht beheerst te ondergaan. Hij baseert zijn beheersing op een absolute verloochening van het ‘ik’, een verloochening zelfs van de associatie van het ‘ik’ met hetgeen hij door­maakt. Hij is als een stofje, dat danst in een straal van het kosmisch licht. Een wezen, dat door ongekende krachten wordt samengevoegd tot een ogenblikkelijke glinstering en ‑ zichzelf blijvend ‑ tegelijk met de glorie van de lichtstraal en de lichtende dans vervliegt, kennend en wetend dat dit zijn mogelijkheid is. Gij ziet, het is voor ons belang­rijk in dit ‘ik’ bewustzijn te kweken en bewustwording tot stand te brengen.
In mijn vorige les heb ik u erop gewezen dat er zeer vele mogelijkheden voor het ‘ik’ bestaan om zich a.h.w los te maken.
Ik heb u aangetoond in hoeveel verschillende delen dit wezen kan worden gesplitst; en dat elke splitsing een deel ‘ik’ overlaat, dat werkelijk is. Bedenk nu dat de mystiek een begin kan zijn van het verwerven van kennis.
Als ik mijn gedachten laat uitgaan en uit deze gedachten een web weef, dan blijkt het dat deze gedachten mij soms voeren tot ver ach­ter de horizon van eigen bewustzijn. Ze kunnen mij meeslepen tot die wereld, waar geen ander zijn meer wordt erkend buiten het bestaan.
Zij kunnen mij de vreemdste en wonderlijkste dromen doen dromen.
Dromen kunnen nooit werkelijk bedrog zijn en toch zijn zij nooit werke­lijkheid, zoals men ze ziet.
Ik ben één met u; en u droomt dit op uw eigen wijze, maar u kunt niet beseffen wat die eenheid is. Een deel van mijn denken, dat in het uwe berust, een deel van uw denken dat door het mijne wordt opgenomen, dit is een mystieke eenheid, dit is een mystiek samengaan, dat zich onafhankelijk maakt van het rad van leven en dat niet beïnvloed kan worden door een hof van hemelse rechters. Het is kosmisch en behoort tot het kosmisch Ik, het grote Ik, waarin men werkelijk leeft.
Op deze wijze is het mogelijk om veel te bereiken. Als leraar zend ik mijn geest uit tot u. Als leerling ontvangt u iets van mijn geest en u geeft mij daarvoor iets terug….. verwarring misschien, uw vraag, uw begrijpen en uw vreugde. Deze eenheid is onverbrekelijk. Vandaar dat, waar een werkelijke verhouding leraar/leerling bestaat, deze kosmisch wordt.
Deze mystiek nu ‑ want dit is mystiek ‑ is de feitelijke kern van iedere bereiking en van de gehele ontwikkeling van het ‘ik’. Tenslot­te zijn wij als ‘ik’ gelijkblijvend aan kracht. Wij kunnen onszelf niet veranderen en wat wij kosmisch zijn zullen wij blijven. Maar….wij kunnen met elkaar een eenheid vormen, die ons bewustzijn wijzigt, de beleving anders en groter maakt. Eenheid van denken, eenheid van innerlijk zoe­ken en streven is de belangrijke weg. Menselijke gevoelens kunnen soms een verwijdering betekenen. Maar er bestaan gevoelens, die altijd een binding blijven in deze mystieke zin. Wij kennen ze als het medeleven: het mét een ander samen beleven.
Wij kennen ze als naastenliefde: het ‘ik’ weerspiegeld zien in een ander. Wij kennen ze als gezamenlijk dragen, waaruit blijkt dat men zelf de last van anderen als de zijne ziet. Deze dingen zijn zeer belangrijk. Juist voor de realisatie van dit ‘ik’ in het eigen wezen en de uitbreiding ervan zijn deze dingen, hoe mystiek zij mogen zijn, van onschatbare waarde.
Laat ons echter terugkeren tot de praktijk. Indien u wilt leren omtrent al hetgeen het ‘ik’ verder kan brengen en ontwikkelen, zult u moeten onthouden:

Ten eerste: niets kan mij verder brengen, tenzij ik mijzelf daarin kan ver­liezen. Als ik een studie begin, moet die studie een deel van mijn wezen worden. Als ik een boek lees, moet ik mijzelf in dit boek kunnen verliezen. Als ik een lezing hoor, moet ik innerlijk een eenheid kunnen ervaren, waardoor de woorden, die als klanken oprijzen en aan mij voorbij trekken, in mij een betekenis krijgen. Slechts datgene, wat aan mij verwant is, kan mij langs de verstandelijke weg verder helpen. Vreemd genoeg liggen hier dus gevoel en verstand onmiddellijk naast elkaar en is elke mentale bewustwording gebonden aan een associatie, die op gevoelswaarden of onderbewuste waarden berust.

Ten tweede: alle kennis, die voor mij belangrijk is, zal mij worden gegeven. Op het ogenblik, dat in het ‘ik’ een behoefte bestaat aan bepaalde kennis en ontwikkeling en deze voor het ‘ik’ dus werkelijk noodzakelijk is geworden, zal de wereld zelf zich zo plooien, dat zij de mogelijkheid tot deze bewustwording, deze realisatie, biedt. Wij behoeven niet aan te nemen dat alles ons wordt thuisge­bracht, dat het bij ons wordt binnengedragen; maar wij behoe­ven niet eens zo intens te zoeken om te vinden wat voor ons noodzakelijk is. Hieruit volgt: wat de wereld ons op een ogen­blik als lering biedt, is voor de verstandelijke ontwikkeling op dat ogenblik gewenst en begeerd. Vooropgesteld dat wij daarin kunnen opgaan, zullen wij al hetgeen ons wordt geleerd en geboden moeten aanvaarden en wij zullen trachten dit te ondergaan.

Ten derde: al wat ik uitzend, keert tot mij terug. Al wat ik uitzend, keert eenmaal wérkelijk tot mij terug. Zolang het buiten mij bestaat, zal te allen tijde een deel van die kracht (of zo u wilt: de werking van die kracht in de buitenwereld) tot het ‘ik’ terug­keren en innerlijk ervaarbaar zijn. Wanneer mijn streven naar een bepaald bewustzijn rond mij strijd wekt en deze boven mijn macht van beheersing gaat, zal ik mij moeten terugtrekken. Ik moet mijn daad compenseren door een andere, opdat ik daar­door rond mij de nodige vrede wek en de mogelijkheid tot zelfbeheersing herwin.

Ten vierde: volgt de kwestie van gevoel en paranormale ontwikkeling. Onthoud dit: Al wat in het gevoelsleven ontstaat, ongeacht het feit dat het in strijd kan zijn met alle aanvaarde gewoonten en gebruiken van uw wereld, is een weerspiegeling van een behoefte, die in u leeft. Op het ogenblik, dat in u zo’n gevoel rijst, zult u niet trachten dit onmiddellijk om te zet­ten in bevrediging, maar u zult eerder trachten te erkennen welke waarde mede daarin is gelegen. In vele gevallen zult u tot uw verbazing ontdekken, dat bepaalde geestelijke krachten en waarden een veel grotere rol in het gevoel speelden, dan u meende.
In de tweede plaats: Wanneer u iets ervaart, dat het gevoels­leven schokt, zult ge u onmiddellijk moeten afvragen: Hoe kan ik dit neutraliseren? Ben ik meester? Want slechts indien wij beheerst kunnen blijven, zullen wij juist die schokken in het gevoelsleven kunnen benutten om bewuster en meer harmonisch te worden. Is dit niet het geval, dan kunnen wij slechts door een afweer, door het opbouwen van onverschilligheid of ‑ indien noodzakelijk ‑ het afreageren van het teveel aan emotie op een wijze, die ons zo min mogelijk met anderen in strijd brengt, trachten de beheersing te herwinnen. Het gehele ge­voelsleven is buitengewoon kostbaar, maar kan alleen dan wor­den aanvaard, wanneer wij geen slaaf van de emotie zijn, maar het meester blijven.
Elke paranormale openbaring, welke in verband staat met het occulte en magische werkingen vertoont, is voor de mens in de stof iets, wat niet onmiddellijk verklaard kan of mag worden. Laat deze verschijnselen, tot u in u zelf de bekwaamheid tot beheersing van het verschijnsel hebt verworven, zoveel mo­gelijk rusten. Indien zij u door anderen worden geboden, onder­ga ze dan als een weldaad. Indien zij u niet worden geboden, wacht dan af. Verlang niet naar het paranormale, zolang u daarover geen meester kunt zijn. Voor innerlijke harmonie is ‑ zeker i.v.m. geestelijke krachten ‑ zelfbeheersing een van de meest kostbare gaven, een gave die vaak door veel lijden moet worden veroverd.
Indien u dit alles beseft en kunt verwerken, kan ik over­gaan tot het tweede deel van mijn lezing.

De kwestie van bewustwording kan op zovele wijzen worden gesteld, dat het onmogelijk is voor eenieder de juiste weg of mogelijkheid aan te wijzen. Er gelden echter bepaalde regels. Die regels lijken vele mensen in de stof haast dwaas. Toch wil ik ze hier allereerst in de vorm van artikelen voor u neerleggen.

Artikel l.:      Wanneer u een bepaalde taak op u neemt, overweeg haar dan goed. Maar als u haar overwogen hebt, vertrouw dan op uzelf, op de God waarin gij gelooft en op de krachten die achter u staan. Aarzel niet en handel, wetende dat ‑ waar ge overdacht hebt aanvaard ‑ de ver­vulling van deze taak of opdracht voor u te allen tijde een verdere openbaring van het ware ‘ik’ zal betekenen, een vergroting van harmonie met de wereld en het schep­pen van omstandigheden en toestanden, die voor anderen in die wereld noodzakelijk zijn.

Artikel 2.:  Voor elke bewustwording ‑ en zeker voor de vergroting van bewustzijn rond het ‘ik’ ‑ is schuldgevoel een van de grootste demonen. Voel u nooit schuldig; erken uw fouten en verbeter ze. Wanneer een fout in het verleden is vastgesteld, noteer die en leg deze in u vast. Zodra de mogelijkheid zich voordoet een compensatie te scheppen, schep die dan. Spreek echter niet over schuld of verleden. Leef in het heden en volbreng in het heden alles, wat u vrede geeft met uzelf, wat uw harmonie met de kosmos vergroot en waardoor het evenwicht in uw eigen leven volgens eigen bewustzijn zich scherper openbaart.

Artikel 3.:  Zoeken in de wereld is overbodig voor allen, die streven. Streven is beter dan zoeken. Want hij, die streeft, vindt op zijn weg al hetgeen noodzakelijk is om zijn streven te voleinden. Beschrijf nimmer de weg, langs welke u het doel wilt bereiken. Aanvaard alle middelen u daartoe ge­geven. Indien u het doel hebt gesteld, zal u het bewust­zijn en het vermogen worden geschonken om die taak goed te vervullen. Dit geldt echter niet voor beperkte stoffelijke zaken en taken, die met het ‘ik’ samenhangen.

Artikel 4.:  Leven wil vóór alles zeggen: ervaren, bewust zijn en han­delen. Een betere bewustwording van het ‘ik’ kan nooit worden verkregen door daadloosheid. Een verdere bewustwording kan nooit worden verkregen door bespiegeling al­leen. Stel voor uzelf vast: het doel, dat ik mij heb ge­steld en de mogelijkheden, die ik vind in mijn ogenblik­kelijke wereld, zijn de hoofdzaak. Door daarmee te werken, schep ik automatisch voor mijzelf alles, wat voor mij nodig is en verkrijg ik automatisch de volledige harmonie, die begeerlijk is en mij tot een verdere bereiking voert.

Artikel 5.:      Zie nimmer op tegen al wat occult, geheim of paranormaal wordt genoemd. Respecteer uw meester, maar vereer hem niet. Erken en aanbid uw God, maar wees niet Zijn slaaf. Gij zijt. Uw zijn, als deel van het kosmisch geheel, is even belangrijk als dat van ieder ander. Gij zijt even belangrijk als de door u erkénde openbaring Gods. De grote openbaring Gods valt buiten uw bewustzijn. Ga altijd rechtuit. Streef voor uzelf. Vrees de boze en het boze niet. Vrees niet dat gij het goede van u zult afstoten. Zolang u zelfstandig en oprecht gaat, handelt en denkt en daarbij niet in strijd komt met uzelf, zult u alle krachten kennen als dienaren. Geen enkel wonderlijk resultaat of gebeuren kan u de mindere maken van een ander, want u bezit in uzelf misschien meer, ofschoon u dit niet erkent.

Artikel 6.:     Zij, die naar beheersing en bewustwording streven, dienen zich als hoofdregel te stellen: niets ontken ik, niets beken ik, alles bén ik. Wie ontkent en afwijst, wijst een deel van zichzelf af. Zijn bewustzijn nl. omtrent hetgeen hij erkent of ontkent leeft in hem. Hij, die erkent, neemt de beperking van zijn eigen wezen en weten aan als waarheid. Hieruit volgt waan. U bent alles, al wat rond u is, al wat in u is, al wat u eens zult zijn. Al deze dingen leven in u, zij worden uit u geopenbaard en brengen u de volledige be­wustwording van al het zijnde. Dit laatste moet worden erkend om de nodige bewustwording en groei van het ‘ik’ mogelijk te maken.

Uit deze artikelen blijkt, dat het streven naar een groter bewustzijn voor het ‘ik’ belangrijk is, zodra men de beheersing daarvan mede als doel stelt. Het grootste bewustzijn, dat niet wordt be­heerst, is chaotisch en kan nooit de kosmos aanvaarden, die harmo­nisch is. Maar wanneer het ‘ik’ zichzelf voortdurend uitbreidt, wan­neer het voortdurend ‑ en bij voorkeur langs een bepaalde weg ‑ ernaar streeft meer kennis te verkrijgen, meer aan te voelen, meer te beleven, zal het door het kiezen van die weg alleen reeds zichzelf aanmerkelijk vergroten.
Door de beperking van ons streven hebben wij de mogelijkheid van beheersing. Ik wijs op hetgeen wij een vorige maal hebben gezegd: Tracht niet alle dingen tegelijk te beheersen want dit is onmogelijk. Beheers één ding tegelijk, maar dan zo volledig mogelijk.
Gij, mijne vrienden, zoekt naar een praktische weg van bewust­wording. Ik geef u deze praktische weg in de volgende proeven:

Eerste proef: Tracht ‑ al is het maar voor één ogenblik ‑ uzelf volledig te vergeten. Vergeet wat ge zijt, man of vrouw, vergeet wat ge zijt op deze wereld, arm of rijk, dom of verstandig. Vergeet alle dingen buiten het zijn. Tracht dit te bereiken. Tracht dit te ondergaan.
Aanwijzingen voor het volbrengen van deze proef: deze proef kan alleen worden afgelegd op een ogenblik, dat men zich redelijk goed voelt en een zekere vrede met zichzelf heeft. Wanneer men in deze toestand verkeert, is het verstandig zich van licht en geluid af te sluiten. Men kan dit desnoods doen door de ogen te bedekken en de oren tijdelijk af te sluiten. (Wees voorzichtig dat u dit niet al te goed doet, anders hebt u medische hulp nodig om de afsluiting te verwijderen.) Wanneer u zo volledig mogelijk bent afgesloten, leg u dan zo rustig mogelijk neer. Tracht, door voor uzelf te zeggen: “dit wil ik niet zijn”, de voor u belangrijkste delen van uw ogenblikkelijk leven één voor één af te snijden. Zij moeten erkend worden vóór zij verworpen kunnen worden. Wanneer gij dit alles op een grote hoop naast u hebt gesteld, blijft voor u alleen nog over een soort “ik ben” en “wat ben ik?” Probeer dan een ogenblik de gedachte stil te zetten en u zult ervaren, hoe duizenden impressies tegelijk op u afstormen. In dit ogenblik mag u zich daarmee niet bezig houden. Dan is een zeer belangrijke stap gedaan op het pad naar bewustwording.

Tweede proef: Zet uzelf neer en tracht daarbij zoveel mogelijk harmonisch te zijn en ook de levensstromen te richten. Hierbij moet u trachten u voor te stellen dat u doordringt in een kleine wereld. Bouw uzelf een droom op van het innerlijk van een waterdruppel of van de vreemde werelden binnen het atoom, als gij dit kunt. Tracht die kleine wereld binnen te gaan en u daarvan deel te voelen. Als ge dit hebt gedaan en daarin voor één ogenblik slaagt, dan hebt ge in uzelf bepaalde harmonische elementen van de micro‑kosmos ontdekt, de kleinere en voor u onzienlijke wereld en ge zult deze te allen tijde met uzelf blijven vereenzelvigen. Deze indruk blijft. Zij zal via het onderbewustzijn en bepaalde harmonische afstemmingen ‑ ook via bovenbewustzijn of geest ‑ het voor u mogelijk maken meer met het kleine leven rekening te houden en daarover een grotere beheersing te verwerven.
Te volgen methode: Het best luistert men naar rustige muziek en ligt of zit ontspannen in gedempt licht. Gebruik geen alcoholica en bij voorkeur niet al te veel stimulerende dranken als bv. de geliefde koffie. Probeer voor uzelf een droom op te bouwen. Steun deze desnoods door het bezien van platen of het lezen van een klein artikel. Het is niet belangrijk dat wat ge u voorstelt, werkelijk is, maar dat ge u één gaat voelen met het kleine. Zie de vreemde dieren in de waterdruppel rond u even groot of groter dan ge zelf zijt. Stel u deze in grote wouden voor. Voel de spanning van de oppervlakte van een druppel, die ge niet kunt doorbreken. Kortom, bouw u een droom op, waarin u microscopisch klein bent. Probeer aan te voelen dat dit werkelijk is. Wanneer dit voor een ogenblik bereikt is, is het reeds voldoende. Dit dient om een bepaalde innerlijke afstemming te verkrijgen.

Derde proef: deze kan het best worden genomen, wanneer u de nachtelijke he­mel kunt zien of wanneer u in staat bent u daarvan en voorstelling te maken bv. uit sterrenkaarten e.d.
Wederom, zet u ontspannen neer. Bij voorkeur in gedempt licht. Muziek als begeleiding zou ik u niet aanbevelen, tenzij zij wordt gebruikt om licht gedruis of geluid uit de omgeving te overstemmen. Hebt ge het zover gebracht, stel u dan de sterrenhemel voor of beschouw haar, zo ge dit kunt. Probeer u voor te stellen dat ge groter en groter wordt. Probeer a.h.w. een ogenblik de maan te beroeren als een kind een bal en verder te groeien tot rond u de sterren staan als lichtende schij­ven. Wederom, de voorstelling is belangrijk, de realiteit ervan nog niet. Tracht u één te voelen met deze grote wereld, tot ge zijt als een geest, die zelf ster is door een lichtende schijf die hij hanteert.
Tracht met de sterren te gaan. Zie de aarde een ogenblik onder u wer­velen en keer terug. Het volbrengen van deze oefening werd ten dele reeds omschreven en berust dus wederom op suggestieve waarden. Deze suggestieve meditatie­ vorm is erop gericht ook een afstemming op het hogere, het grotere te verkrijgen. Wanneer aldus een afstemming zowel op de micro‑ als op de macro‑kosmos is verkregen, volgt hieruit ‑ vooral bij herhaling van de oefeningen ‑ een sterker gevoel van eenheid met het totaal van het zijnde. Hierdoor zal o.m. via onder‑ en bovenbewustzijn, maar ook wel degelijk via de geest (het contact met de geest) voor u een meer harmo­nisch beeld ontstaan. U krijgt een gevoel alsof u uw wereld beter be­grijpt en kent. Dit maakt het u mogelijk juister te handelen en geeft u meer redenen tot beheersing, waar dit noodzakelijk is.

Dergelijke proefnemingen, vrienden, beveel ik u niet aan voor de grap. Het zijn oefeningen, die aan menig leerling in het Oosten worden voorgelegd. Het zijn begin‑oefeningen en zij zijn zodanig ingericht, dat ze voor u allen wel ongeveer te volbrengen zijn. Het is een droom, die gij bouwt. Probeer niet de werkelijkheid op te bouwen.
Misschien zult u daartoe eens in staat zijn, nu nog niet. Bouw rustig een droom, maar tracht u in die droom één te voelen met de wereld, die ge opbouwt. Hierdoor vindt ge de juiste instelling en de juiste afstemming. Instelling en afstemming zijn nodig. Afstemming om de juiste harmonieën te kunnen bereiken, die voor het ‘ik’ noodzakelijk zijn; instelling om eigen kracht te kunnen voegen bij de krachten rond het ‘ik’ en zo de bewuste beheersing te kunnen bevorderen.
Ik meen, dat ik u met deze les voor heden genoeg heb gegeven.

Vooroordeel

Uit de eerste les blijkt dat het ‘ik’ ‑ kosmisch zijnde ‑ volmaakt is geschapen. Het beleeft dus wel, maar kosmisch gezien zijn de­ze belevingen gebonden aan de eigenschappen van de schepping zelf.
Nu stellen wij, dat de eigenschappen van de schepping de wetten van de Schepper zijn, omdat zij onveranderlijk blijven en te allen tijde hetzelfde zijn. De kwestie van eenzijdigheid, of vooroordeel kan soms ont­staan, als wij in ons beleven van het werkelijk ‘ik’ ‑ het kosmisch IK ‑ ertoe overgaan om slechts één kant te ontwikkelen of slechts één kant te zien. Ik zal trachten dit duidelijker te maken.
Wij leven onder bepaalde wetten. Nu is er één wet, die voor elke mens altijd geldt en dat is de wet van oorzaak en gevolg. Daaren­tegen kan soms bv. de wet van compensatie binnen een bepaald leven niet tot uiting komen. Wanneer wij bepaalde wetten dus niet en andere daarentegen zeer sterk beleven, zullen wij geneigd zijn ons wezen ge­heel te richten op die wetten, welke wij hebben erkend. Dit is heel begrijpelijk, maar daardoor laten wij andere zijden van ons wezen buiten beschouwing. Want elke wet is een zijde van ons leven. U zou dit kun­nen vereenvoudigen, als u in plaats ervan over kosmische wetten of over een kosmisch Ik zou gaan spreken, over een eenvoudig mens met zijn men­selijke eigenschappen.
Zeg, dat iemand wordt geboren met een grote aanleg voor mu­ziek, zomede een grote wiskundige begaafdheid en daarnaast bv. met een scheppend talent op literair gebied. Dat zijn dan drie eigenschappen, welke deze mens bezit. Als hij nu echter één van die eigenschap­pen boven alles stelt, dan zien wij ‑ als hij volwassen is ‑ in hem bv. het beeld van de mathematicus, die ongetwijfeld voor zijn genoegen wat musiceert, maar tevens probeert zijn mathematische structuren en inzichten in de muziek tot uitdrukking te brengen. Hij schrijft misschien wel eens een artikel, maar alleen over mathematische onderwerpen. Want de wiskunde is zijn eigenlijk leven en al het andere beschouwt hij als daaraan ondergeschikt. Daardoor komt hij ook niet tot het leveren van een werkelijk schone muzikale prestatie. Hij kan het scheppen of herscheppen in de muziek niet zo volledig beleven als wenselijk zou zijn. Hij is ook niet in staat de problemen, die in hemzelf leven, in een roman zo tot uiting te brengen, dat anderen er iets aan hebben.
Zelf ziet hij dit echter niet in en hij meent dat hij ‑ uitgaande van de mathematica ‑ de enig juiste weg kiest. Het gevolg is dat hij in dat leven bepaalde dingen minder goed doet, dan hij zou kunnen doen en dat zijn aandacht niet gericht is op het totaal van zijn begaafdhe­den maar op een enkel facet daarvan en dat hij met zichzelf in strijd zal komen, omdat hij anderzijds toch de behoefte hééft om muzikaal of literair te scheppen.
Als we dit voorbeeld nu weer herleiden tot het kosmisch Ik, dan kunnen wij zeggen: Dit kosmisch ego wordt geboren met alle eigen­schappen die het ooit zal kunnen bezitten. Het openbaart in een leven soms echter slechts één eigenschap. Het gaat dus naar de wereld om te leren en begint daar heel rustig te zeggen: Ik moet leren ver­draagzaam te zijn, ik moet leren geduld te hebben, ik moet hier leren oorzaak en gevolg beter te begrijpen, ik moet grotere harmonie schep­pen, ik moet loskomen van te grote gebondenheid aan de massa, of ik moet gevoel krijgen voor de totaliteit van de mensheid enz. Dat wil zeggen dat al die andere aspecten, die in die mens ‑ kosmisch gezien ‑ besloten liggen, buiten beschouwing blijven. Maar die mens wordt ook beïnvloed door de geest. Het is niet alleen zijn stoffelijk wezen of zijn ene incarnatie, zijn ene wereld, die zijn ‘ik’ uitmaakt.
Het gevolg is dat hij eenzijdig is. Even eenzijdig of nog eenzijdiger dan de mathematicus uit mijn voorbeeld. Door deze eenzijdigheid echter zal hij ‑ en vaak gedurende lange tijd ‑ een vooroordeel hebben tegen alle andere eigenschappen, die bij hem behoren. Hij zal menen dat alles tot verdraagzaamheid of harmonie of iets anders herleid moet worden en niet beseffen dat elk deel harmonisch mèt het andere moet groeien, omdat nu eenmaal de ziel in zijn volmaakte vorm misschien het best ver­geleken kan worden met een sneeuwkristal, dat buitengewoon samenge­steld is, tegelijk buitengewoon symmetrisch en in deze symmetrie de uitdrukking is van een bepaalde volmaaktheid.
De stelling omtrent vooroordeel, zoals wij die in de eerste les van cursus 1 hebben geformuleerd, betekent niet meer of minder dan dat, als wij uitgaan van slechts één bepaald standpunt, dit wél de grondslag kan zijn van een stoffelijk leven, maar dat het niettemin een eenzijdigheid is, waardoor andere, even waardevolle aspecten worden verworpen, die evenzeer tot het wezen en het leven behoren. Hieruit ontstaat een niet te rechtvaardigen vooroordeel, dat ongetwijfeld door meer pijnlijke omstandigheden en ervaringen zal moeten worden overwonnen, omdat wij slechts in een harmonische en a.h.w. symmetrische ontwikkeling kosmisch tot ons recht kunnen komen.

Innerlijke vrijheid

Wanneer een mens vrijheid zoekt, moeten wij voorop stellen dat hij een bepaald iets zoekt, wat hij als vrijheid omschrijft. Dit is tenminste zo in de stof. Maar in het innerlijk leven is het anders. Bestaat er in het uiterlijk leven een grote reeks begrenzingen als bv. wetten, opvattingen en maatschappelijke verhoudingen, zo zijn deze in het innerlijk leven niet of bijna niet aanwezig. Wat is het dan wat ons innerlijk bindt? Voor een groot gedeelte ons onvermogen om zelf redelijk te denken en afstand te doen van hetgeen wij in een uiterlijke wereld beleven.
Een mens wordt grootgebracht met bepaalde begrippen, met be­paalde leerstellingen, met een bepaald geloof, bv. met het idee dat hij geen spruitjes mag eten omdat het zondag is. Hij zal dan nooit op zondag spruitjes willen eten, omdat dit zondig is; en daarin schuilt de fout. U mag rustig de maatschappelijke maatregelen of normen erken­nen. Maar innerlijk vrij zijn betekent, dat je althans innerlijk de regels overboord gooit. Innerlijk bestaat er maar één ding: het contact, dat je kunt krijgen met God, met de wereld, met de kosmos. Dat is hetgeen waar alles om draait en elke poging esoterisch of zelfs exoterisch te stijgen tot een nieuwe vorm van bewustzijn draait uit op het zoeken naar die harmonie. Zolang je je vastklampt aan bepaalde dingen ‑ van binnen uit dus ‑ bega je de grote fout jezelf ketenen aan te leggen, waar dit niet noodzakelijk is. Je gedachten moeten zich vrijelijk kunnen bezig houden met onderwerpen die, laten we zeggen, in de maatschappij niet mogen worden besproken, of waarmee men in de maatschappij last zou kunnen krijgen. Men moet innerlijk in staat zijn om nuchtere kritiek uit te oefenen, zowel met gevoel, be­leven als met het verstand op al wat men heeft geleerd, wat ons is voorgeschoteld. Men moet nl. een eigen wereldbeeld hebben.
Innerlijke vrijheid betekent dus in feite het verwerpen van de uiterlijke banden, zodra je je terugtrekt in de binnenkamer van je eigen wezen, in je eigen psyche.

Hoe dit vrijmaken te bewerkstelligen? Ik zou in de eerste plaats zeggen: kijk goed uit wat je uiterlijk doet en wat je innerlijk gelooft. Voordat je nl. aan een bevrijding van het innerlijk kunt beginnen, moet je eerst vaststellen in hoeverre je innerlijke wereld en je uiterlijke wereld met elkaar in overeenstemming zijn. Wanneer het je blijkt dat je uiterlijk om de een of andere reden niet aan een innerlijke aanvaarding kúnt beantwoorden, moet er ergens iets fout zijn.
Dat kan aan u liggen of aan de wet of aan de wereld, maar die fout moet worden vastgesteld.
Wanneer wij dit hebben gedaan, redeneren wij verder. Wij gaan dan zeggen: “Wat is nu voor mij hier bruikbaar? Waarom maak ik deze fout?” Het ant­woord daarop wordt vaak heel vlot gegeven, bv.: “Zonder dat zou ik in de wereld niet vooruit kunnen komen.” Dan is het redelijk wederwoord: “Wanneer mijn doel is in de wereld vooruit te komen, mag ik mijzelf niet­ binden aan concepten, die mij daarbij in de weg staan. En wanneer ik dit tòch wil doen, omdat ze voor mij innerlijk wáár zijn, moet ik derhalve de uiterlijke vorm daarbij aanpassen.”
Dit proces met zijn moeilijkheden breng ons een stap verder. Wij zijn nl. nu niet meer gebonden aan tegenstrijdigheden, maar hebben deze overboord gegooid. Wij hebben onszelf innerlijk en uiterlijk zo harmonisch mogelijk gemaakt.

Dan gaan we punt 2. overdenken: Hoe kan ik verder komen? Wat zijn mijn wensen, dromen en gedachten? Niet alleen omtrent de hogere geestelijke wereld, maar ook als ik ze nu eens stoffelijk zou kunnen uitleven. En dan blijkt ons dat deze bv. kunnen zijn: liefde, rijkdom, gezondheid, geestelijk licht, geestelijke kracht, enz. Dat verlangen heeft weer een grond, een reden. Als ik die reden kan erkennen, dan blijkt dat ik bv. geld wil hebben, omdat ik geen vertrouwen heb in mijzelf en in de wereld. Alles wat ertoe leidt dat ik mij innerlijk niet zeker voel, moet worden herzien, totdat ik het gevoel krijg dat ik wél zeker ben. Ook zo word ik weer vrij.

Dan ga ik mijzelf verder afvragen: waarom aarzel ik? Wat is de reden van mijn aarzeling? In 9 van de 10 gevallen zult u ontdek­ken, dat u bevreesd bent een figuur te slaan; met andere woorden dat u innerlijk aan anderen een bepaalde houding toekent, een bepaalde ge­dachtegang, een bepaalde reactie. Ook dit is foutief. Dat kúnt u niet met zekerheid doen. Dientengevolge moet u trachten ook dit van u af te werpen.

Zo gaat u al het overbodige, dat uw voorstellingsleven en uw innerlijk leven a.h.w. beperkt, langzaam en voorzichtig naar buiten projecteren. Dat mogen dan uiterlijkheden blijven, maar innerlijk mag ons dat niet hinderen. Je wordt zo vanzelf psychisch vrij, d.w.z. in het totaal van stoffelijke en geestelijke waarden, welke tezamen de persoonlijkheid vormen.

Hebben wij dit bereikt, dan gaan wij zoeken naar de kràchten, die in ons leven. Dus dàn eerst. Eerst vrij baan maken. De kracht, die in ons leeft, kan soms een droom zijn. Soms is ze een weten omtrent een innerlijke roeping of het aanvoelen van een kracht, een steun of een hulp. Wij hebben meestal op deze te weinig acht geslagen. Wij laten haar overweldigen door buiten ons liggende omstandigheden, de eigen lichamelijke toestand en al wat hierbij hoort. Wij proberen nu die kracht in ons innerlijk leven zo scherp mogelijk te zien en te definiëren. Wat blijkt? Door nu de uiterlijke omstandigheden te verwerpen kunnen wij in onszelf iets gaan aankweken, dat in feite tot de zending van de geest op aarde behoort. Zo wordt de geest vrij en alles, waarin die geest zich onmiddellijk kan uitleven (als bewustzijn, onder‑ en bovenbewustzijn enz.) deelt in die vrijheid. Grotere vrijheid kan een mens in de stof niet verwerven. Wordt men echter van de stof bevrijd, dan blijkt dat geestelijke vrijheid nog veel meer behelst.

Wij zijn nl. gewend bepaalde vormen en normen te associëren met bepaalde krachten en verschijnselen. In de geest moet je dan ook nog leren dat deze dingen niet noodzakelijk met elkaar verknoopt zijn.
Wij zien dan dat een bepaalde kracht duizend vormen kan aannemen en toch dezelfde kracht blijft. Wij leren de kràcht te aanvaarden en niet meer de vorm. Ook dit betekent een vrijmaking van de geest, die nu boven de vormenwerelden uitstijgt en een veel rijker veld van ervaring vindt.

Gaan wij nog een stap verder, dan blijkt ons dat in ons krach­ten leven, die volledig gelijk zijn aan hetgeen buiten ons geopenbaard wordt. Wij gaan dan de kracht in ons en dat wat wij buiten ons zien, als eenheid beschouwen. Daarin vinden wij voor het eerst de vrijheid van de kosmos.

Dit tweede gedeelte is minder belangrijk dan het eerste, dat is duidelijk. Voor ú althans. Want jezelf geestelijk vrijmaken betekent in de eerste plaats alle ongerechtigheden a.h.w. in jezelf en je eigen leven trachten te verklaren of zo te ontleden dat je zegt: Van binnen ben ik niet belast door een voortdurend weerkerend schuldbewustzijn. Ik ben niet meer belast met vooroordelen, die in feite niet tot mijn wezen behoren. Ik ben niet meer belast door de noodzaak een bepaalde geloofsvisie te aanvaarden, omdat ik dat nu eenmaal uiterlijk doe.
Ik voel dat ik innerlijk verder kan gaan.
Zo schept u de mogelijkheid uw innerlijk wezen verder te ontplooien en zult u op de duur veelal daardoor ook een groter stoffelijke vrijheid verwerven.

De belangrijkste regel voor alle bevrijding is nl. deze:
Je moet jezelf zijn zo goed je kunt en voor zover je kunt, ten koste van alles, uitgezonderd anderen. Je mag nooit jezelf zijn en anderen daarvan de lasten laten dragen. Bij anderen moet je je aanpassen. Zodra het echter jezelf betreft en het om jezelf gaat, moet je weten wat je wérkelijk wilt. Niet wat je denkt of wat je voor een ogenblik droomt, maar wat je werkelijk wilt. En dit zo harmonisch mogelijk uiten en innerlijk beleven.
Wie deze vrijheid heeft gewonnen, heeft een grote stap voorwaarts gedaan op het geestelijk pad, maar tevens voor zichzelf stoffelijke vre­de en stoffelijk geluk verzekerd en een eenvoudige en over het alge­meen buitengewoon prettige overgang. Kortom, al datgene waarvan de mensen dromen en waarom ze bidden, maar wat ze zo zelden bereiken, omdat ze tegen zichzelf leugenaars blijven of zich innerlijk voortdurend blijven meubileren met gedachten, beelden enz., die niet bij hun wezen passen.