Ontwikkeling van het innerlijk denken

20 januari 1961

Allereerst wijs ik u erop, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn.   De laatste tijd hebben wij met u nogal eens gesproken over alles, wat er in deze dagen te gebeuren staat. Het zal u duidelijk zijn, dat er bepaalde parallellen zijn te vinden in het verleden. Deze treden vooral op in verband met geestelijke beïnvloedingen. Er zijn perioden geweest, dat Aquarius heerser was, of mede domineerde. In deze perioden hebben zich bijzondere ontwikkelingen voorgedaan op het terrein van inwijding, omvorming van sociale structuren, techniek, vernieuwing van godsdienstige concepten en geloofsinhouden. Wij hopen in de komende tijd meerdere dergelijke vergelijkende studies aan u voor te leggen. Wij menen, dat deze onderwerpen u zullen interesseren en bovendien u ook, bij een beschouwen van de gebeurtenissen in eigen tijd, van nut kunnen zijn. Als eerste onderwerp in deze reeks heb ik dan gekozen: ontwikkeling van het innerlijk denken.

De ontwikkeling van de innerlijke mens en zeker ook het meer vergeestelijkte denken tonen zich ons als in golven optredende krachten, die periodiek en over bijna geheel de wereld plegen te veranderen. Er zijn perioden van vooruitgang aan te duiden, maar ook van stilstand en terugval tot zuiver materialisme. In het verleden hebben wij bovendien kunnen constateren, dat de terugval voor sommigen tot dierlijkheid kan leiden.

Wanneer wij een beginperiode nemen, waarin Lichtende krachten zich weer merkbaar maken, zo vinden wij hierin, evenals in elke ongeveer gelijke periode de volgende verschijnselen. De oude godsdiensten worden zeer materialistisch. Binnen de godsdiensten ontstaat steeds weer strijd, er is steeds weer sprake van pogingen tot hervorming. Deze beroeringen zijn steeds weer het gevolg van enkelingen, die reeds beseffen, dat de gangbare handel- en denkwijzen niet juist zijn. Ook in de maatschappelijke structuur vinden wij personen, die al vooruit schijnen te zien en zichzelf, evenals zoveel mogelijk hun omgeving, op komende omwentelingen voorbereiden. Een van de opvallendste verschijnselen is in de meeste dergelijke perioden wel het ontwaken van vele mensen in verschillende graden van weten en beschaving tot een geheel nieuw innerlijk begrip en geestelijk inzicht, ofschoon hun omgeving daarvoor geen begrip kan tonen en hen vaak onaangenaamheden bezorgt.

Ik herinner mij dat in een vorige periode van het Egyptische rijk, een golf optrad van nieuw geestelijk ontwaken. De tempels, die tot op dat ogenblik alleen hun eigen God, hun eigen idee en leer hadden, waren zeer jaloers op elkaar. De tempels waren dan ook in een voortdurende strijd gewikkeld. De mogelijkheid van het volk om tot enig inzicht te komen op het gebied van geest en God was onder deze omstandigheden wel zeer beperkt. Zowel onder de slaven op het land, als onder de handelaren, de bootslieden, de hoger geplaatsten, zien wij opeens en zonder kenbare of uiterlijke oorzaak, mensen zich ontwikkelen tot een zelfstandig denken. Zij komen er toe de Goden met elkaar te vergelijken. Het vergelijken van deze Goden en zelfs contact met priesters, die door dezelfde invloed beroerd worden, maken het hen mogelijk een beeld van de kosmos te vormen, waarin de Goden niet meer persoonlijkheden met een gezag zijn, maar eerder de kinderen van een grotere God, die allen onderling verbonden zijn en op gezag van de grote Godheid een taak vervullen op aarde.

Over een periode van ongeveer 30 jaren zien wij, dat uit de betrekkelijk kleine bevolking, praktisch 4.000 dergelijke personen naar voren komen. Zij zijn vaak felle propagandisten voor hun ideeën. In de meeste gevallen zullen zij anderen zo weinig mogelijk kwetsen en schijnen zij de vriendschap van allen te willen behouden. Zij denken daarbij zelfstandig. Hun handelen wordt dan ook niet meer geleid door de algemeen geldende opvattingen van recht en godsdienst. Opvallend is het ook, dat, wanneer de tijd van werkelijke veranderingen begint, velen van hen niet meer in leven zijn. Zij zijn de voorbereiders geweest van de komende periode en vallen in de tijd, dat de verandering zich kenbaar toont, als slachtoffers van landheren, die hun gezag en rechten aangetast voelen, dan wel worden zij als ketters vervolgd en aan de Goden geofferd door de priesters van de grotere tempels.

Degenen, die overblijven, blijken tijdens het proces van geestelijk ontwaken op bijna dezelfde tijd van hun leven opeens te veranderen. Het is, alsof zij samenstromen op tevoren bepaalde punten van het land, maar van een afspraak, of het bepalen van mogelijke plaatsen van samenkomst, is in feite geen sprake. Stoffelijk bezien is er voor hen geen enkele dringende reden al hun bezittingen achter te laten en op reis te gaan. Er is zelfs geen zichtbare taak of zending voor hen. Zij komen samen in drie hoofdgebieden, o.m. aan de woestijngrens aan de watervallen van de Nijl. In deze tijd liggen dezen op het punt, waar een tropisch dal – bewerkt door Nubische slaven – een groot bosgebied en een woestijn samenkomen. In de woestijn, zowel als in het bos, leven zwervende stammen. Deze strijdlustige groepen laten de vreemdelingen met rust, die hier na enige tijd twee kloosters bouwen. Een andere groep vestigt zich verder naar het noorden in de nabijheid van de Vallei der Koningen, die toen nog niet zo beroemd was. Vooral deze laatsten blijken zich snel tot genezers te ontwikkelen en worden de geestelijke en stoffelijke geneesheren van een nieuwe periode. Uit hen komen vele wonderdoeners voort. De priesterorden van Toth en van Anubis nemen later hun werk grotendeels over. Nog noordelijker vinden wij enkele kleinere groepen, die invloed blijken te hebben op tempelritueel en de organisatie van de priesterkaste. Van hun werk wil ik niet in het bijzonder spreken.

Ik moet een groep vermelden, die zich vestigt aan de monding van de Nijl. Evenals andere groepen kennen de meesten elkaar niet; toch vormen zij in zeer korte tijd een belangrijke gemeenschap met sterke geestelijke overtuigingen. Belangrijk is, dat deze groep bereid blijkt alle leerstellingen, geloofsvormen, overleveringen en filosofieën, die door het nog schaarse verkeer over water van ver gelegen gebieden worden aangebracht, in zich op te nemen. Zij behouden hun eigen overtuiging weliswaar, maar weten de ervaringen van andere volkeren hier op verantwoorde en logische wijze in te voegen. Deze groep brengt onder meer, wanneer de kronen van Egypte worden verenigd, het college van wetgevers voort, dat de vorst steunt bij het bestuur van het land. Deze geroepenen krijgen al snel contact met alle andere groepen en, ofschoon zij zich meestal verschuilen achter een priesterlijke waardigheid, zijn zij de macht achter de troon, die levensverhoudingen, maar ook godsdiensten in Egypte beïnvloeden. Ook over geheel het nabije oosten breiden deze groepen hun invloed uit, hierbij geholpen door groepen van geroepenen in andere rijken.

Het verschil van opvattingen, dat zo over geheel de toenmalig beschaafde wereld ontstaat, is zo groot, als dat tussen dag en nacht. Stoffelijke veranderingen tonen dit nu nog aan. Wij zien rond deze tijd opeens het verschijnen van nieuwe en tot dan niet voorkomende beeldmotieven. Een zeer snel veranderen van het schrift. Zowel de hantering van de cartouche, als het gebruik van de gestileerde tekening als lettergreep, is uit deze tijd afkomstig. Ook politiek is deze periode zeer interessant. Steeds weer is er sprake van bondgenootschappen, die worden verbroken, oorlogen en afpersingen, waarvan wij zelfs in de Bijbel nog enige afschaduwingen kunnen vinden. Het is boeiend te zien, wat deze door niemand gewijde priesters tot stand brengen. De meest zuidelijk gelegen groep bouwt een inwijdingsleer op, die geheel wordt gebaseerd op de uitdrukking van de kosmische eenheid, zoals deze in de natuur tot uiting komt. Men verwerpt daarbij vele magische methoden en gegevens uit het verleden en brengt magiërs voort, die in staat blijken op geheel nieuwe en onbegrijpelijke wijze mensen te genezen, gebieden af te schermen voor kwade invloeden, gedachten uit te zenden e.d. De door hen ontwikkelde inwijdingsgedachte is waarschijnlijk de enige – of althans voornaamste – grondslag van het latere Dodenboek. Hun stelling is namelijk, dat de mens, één zijnde met het Al, door alle sferen zal moeten gaan, zowel door hemel als hel. Eerst wanneer de ziel deze weg heeft volbracht, kan hij werkelijk tot rust komen. In de Osiris mystiek keert dit motief terug.

Verder stellen zij, dat in het Al bepaalde krachten aanwezig zijn, die voor de mens gevaarlijk, of aan hem vijandig kunnen zijn, zolang hij de eenheid nog niet heeft bereikt. Deze krachten worden later vaak identiek geacht met bepaalde Goden en demonen. Daarnaast zijn er de vaak gruwelijke bewakers van pad en recht. Deze krachten zal de ingewijde op zijn weg ontmoeten, waarbij zij hem steeds weer een proef opleggen. Om in de inwijding niet te falen zal dan ook – volgens hen – de ingewijde zijn krachten steeds weer moeten bewijzen. Hij zal slechts door alle wachters te overwinnen, door kunnen dringen tot het hoogste geestelijke bereiken en binnen kunnen gaan in de zogenaamde Hallen van Weten. Deze Hallen van Weten worden in het Dodenboek slechts terloops even aangeduid, maar komen vaak voor in legenden en sprookjes, die zich bezig houden met de geesten van overgeganen, of tochten naar de werelden der doden. In deze Hallen kan de mens, die er binnen weet te dringen, de kennis van alle leven vinden. Een gedachtegang, die zelfs in deze dagen nog modern genoemd mag worden, indien wij alles op de grondbeginselen achten.

Opvallend is, dat deze groepen zich ten doel stellen, gedachten als invloeden over het land te zenden. Reeds voor het ontstaan van de twee zuidelijke kloosters zijn er groepen geweest, die dit poogden te doen. Het werkelijk hanteren van gedachtekracht als werktuig en wapen door het uitzenden van bepaalde krachten en golven is vóór die dagen door niemand in deze landen bereikt. Men ontwikkelt een techniek, die van bepaalde hulpmiddelen gebruik maakt. Wij horen dan ook in vele overleveringen spreken over gedachtekristallen, of de kristallen bollen van de grote magiërs. In feite gaat het hier niet om kristal, maar om betrekkelijk grof gevormde bollen van een dof groen glas, die met veel zorg zo gepolijst zijn, dat zij elke lichtstraal voor een groot deel weerkaatsen. Deze bollen, die een wat gewolkte structuur hebben, dienen voor gemeenschappelijke concentratieoefeningen. Men leert daardoor een zodanige harmonie en eenheid van denken te scheppen, dat in deze kloosters honderd mensen gezamenlijk een gedachte zo scherp uit kunnen zenden, dat het lijkt, of er maar één enkele mens werkzaam is. De kracht is groot. Zo kunnen deze gedachten zeer ver worden uitgezonden. Men acht deze kloosters dan ook – niet altijd geheel terecht – aansprakelijk voor zeer vele werkelijke of schijnbare wonderen in die dagen. In uw dagen zult u van een vorming van dergelijke kloosters niet veel merken. Toch meen ik in deze dagen bepaalde parallellen met de beschreven periode te ontdekken.

Allereerst vinden wij in deze dagen – evenals vroeger – mensen, die niet precies weten, wat zij moeten doen, mensen, die zich geroepen voelen en toch geen werkelijke taak weten te vinden. Mensen, die deze onrust in zich dragen, komen met zeer vele mensen in contact, waarbij zij in het bijzonder tot gelijkgestemden schijnen te worden getrokken. Zij delen vaak ervaringen en kennis en leggen zo een uitgebreid net van gedachten en invloeden over de wereld. De betekenis van dit net is haast allen nog onbekend. Waar het bevolkingsaantal op aarde veel groter is dan in andere tijden, ontwikkelt zich hier bovendien een soort sneeuwbalsysteem, waarbij belangrijke gedachten van mens tot mens worden doorgegeven. Opvallend bij de geroepenen van deze dagen is, dat zij zich halfbewust, of zelfs geheel bewust, innerlijk voorbereiden op het ogenblik, dat zij alles achter zullen laten om een nieuwe en werkelijke taak te gaan vervullen. Kentekenen: men wenst zich veelal niet teveel te binden aan andere mensen of goederen, geeft weinig of niet om bezit. Zij herzien steeds weer de weinige stoffelijke dingen, waar aan zij waarde hechten, alsof zij opeens met een klein koffertje als enige bagage af zullen moeten reizen naar een onbekend doel.

Zoals u hebt gehoord, ontstond een dergelijke tendens ook in de door mij beschreven periode. Opvallend is verder, dat de vele individuele denkers in deze dagen een modificatie vinden voor geloof, maar ook voor bepaalde, tot in deze dagen bij velen als onaantastbaar, geldende ethische en esoterische waarden. Een verschijnsel, dat zich – zij het op ander niveau – in haast alle soortgelijke perioden voordeed. Men mag wel stellen, dat – ook al is de Heerser van de zon niet dezelfde – een bepaalde ontwikkeling in deze dagen zich volkomen gelijk herhaalt.

Om de heerschappij van Aquarius beter te begrijpen, moeten wij verder in de tijd terug gaan: globaal 25.000 jaren. Helaas is omtrent deze tijd weinig wetenschappelijks bekend, zodat u op mijn Woorden af moet gaan. Het is dan een periode, waarin een grote beschaving langzaam ten onder gaat: Atlantis. In dezelfde tijd herleven hier en daar resten van Lemurië en hervinden invloed en enige cultuur in de Stille Oceaan en in de buurt van Madagaskar. De mensheid van die dagen zwerft rond, meestal in kleine, tot zeer kleine stammen. De rijken, die bestaan, zijn klein en hebben veelal een grotendeels vlottende bevolking. Daarnaast zijn er reeds enkele steden, die – geregeerd door een vorst of priester – van buitengewoon groot belang worden geacht, ook al zijn zij kleiner dan de dorpen van heden.

Wanneer Aquarius de heerschappij aanvaardt, blijken dezelfde verschijnselen op te treden als in Egypte, maar de reislust neemt grotere vormen aan. Wij zien uit China een groep wegtrekken, die in vele legenden later de “Gouden Mannen” zal worden genoemd. Zij trekken op goed geluk af de zee over, of over land naar het noorden. De groep, die over zee trekt, brengt het er niet al te goed af. Slechts enkelen van hen komen levend aan land in Zuid-Amerika. De naar het noorden trekkende groep mengt zich al snel met de daar levende stammen, leert hen vele dingen en laat eigen gebruiken achter. Op den duur trekt men over land en ijs langs de noordelijke route eveneens Amerika binnen. De reis wordt meestal door kleinere groepen ondernomen, die rond 15 mannen tellen, vergezeld van hun vrouwen en kinderen. De trek zelf is langzaam. Degenen, die naar Noord-Amerika trekken over land, komen daar eerst in de 4e generatie aan.

Het belangrijkste van deze groepen is hoofdzakelijk hun overlevering en hun van de vorm afwijkende denkwijze. Zij geloven niet alleen aan een natuurgod, of een bezielde natuur, maar menen tevens, dat de natuur een vaste wet kent. Deze vaste wetten maken het mogelijk, zo leren zij, door spreuken, gebaren en bezweringen, maar ook – wonderlijk in deze periode – door concentratie van gedachten en een opvoeren van gemeenschappelijke ondergane emoties de elementen te beheersen en het lagere leven te gebieden. Iets uit deze tijd blijkt zelfs nu nog uit de rendier- en zalmdansen van bepaalde Eskimostammen, de rendierdans van de noordelijke indianenstammen, de regendans, zonnedans enz. lijken wel direct van deze eerste trekkers geleerd te zijn, terwijl de mystieke achtergronden eveneens terug wijzen naar dit eerste erkennen van een wet in de bezielde natuur. Het geloof aan een zelf bezield-zijn van de aarde brengt hen er toe hun dansen op te voeren in zorgvuldig afgeperkte ruimten door sjamanen – dan wel op een platform – bv. de Hopi’s. De hoofdpersoon in de dans rijst altijd op uit een gat in de aarde, of in het platform. Ofschoon het bouwen van een platform dan wel het graven van een gat niet overal meer bestaat, zult u nog heden ontdekken, dat bij al deze bezweringsdansen de belangrijkste persoon aan het begin gehurkt zit en eerst, wanneer de dans reeds begonnen is, langzaam omhoog komt, alsof hij uit de aarde komende eerst nu de wereld van de mensen betreedt.

Een ander typisch deel van de gedachten in deze tijd is de idee, dat de mensen moeten klimmen. Men stelt: wij leven in een onderwereld. Indien wij juist leven en denken – wij zouden zeggen “bewust worden” – zullen wij uit deze onderwereld op kunnen stijgen en in een bovenwereld te land komen. De bovenwereld wordt voorgesteld als een mensenwereld, die harmonischer, groter en beter is. Natuurlijk is deze bovenwereld doortrokken van magische krachten, mogelijkheden en ontwikkelingen. Voor degenen, die Karl May hebben gelezen, is het misschien interessant te weten, dat de overleveringen omtrent de Manitou’ s en voorvaderenwereld – totem – tot gebruiken in de derde generatie van deze trekkers kunnen worden herleid. Natuurlijk gebruikt men dan het woord “Manitou” niet. Deze mensen zijn de eersten, die spreken van: Mannen in de hemel. Dit is te opvallender, waar deze uitdrukking hen niet anders dan door denken bekend kan zijn, maar toch voort lijkt te komen uit gebeurtenissen op grote afstand, die geheel niet samenhangen met het geestelijke patroon van deze wereld. Ik zal ook deze gebeurtenissen vermelden, omdat het niet heel onmogelijk is, dat ook hier een parallel optreedt in het heden.

De gouden mannen, die zover wegtrokken, hebben een eigen school voortgebracht, die reeds vóór hun tocht bestaat. Het is een stam, die gevestigd is in de buurt van het huidige Kanton en wordt later steeds weer in zuidelijke richting verplaatst. Zij brengt magiërs voort en zal, wanneer men veel later in noordelijke richting trekt, de grondslagen van het Tibetaanse volksgeloof met zich brengen naar de hoogvlakten van Azië. Deze invloed, gemodificeerd door de tweede vluchtelingengolf uit Atlantis, zal de praktijken en gedachten van de Witte Broederschap in de stof voor langere tijd bepalen. Slechts enkelen van de “Gouden Mannen” trekken naar het zuiden, waar zij met andere groepen in contact komen. Deze groepen tezamen – bijna 1.200 mensen, een voor die tijd zeer groot aantal – trekken allen in deze dagen verder weg en ontmoeten elkaar op een vlak terrein in de buurt van het huidige Allahabad. Waarom zij juist daar elkaar ontmoeten, zal niemand kunnen, zeggen. Het is niet aan te nemen, dat kennis van de sterrenwereld, of een ander weten daarvoor aansprakelijk is. Wel blijkt uit alle overleveringen en legenden, dat, wanneer zij allen daar vergaderd zijn, een vurige wagen van de hemel daalt, die rust op een staart van Licht. Uit deze wagen komen Goden, die tot hen spreken, hen bepaalde dingen leren – zeer waarschijnlijk kennis van de natuur – om hen daarna enkele werktuigen en wapenen te overhandigen. Deze wapenen worden dan door hen in steen en hout nagebouwd. Belangwekkend en niet heel verklaarbaar is hier de gedachte: een God, die uit de hemel – dus van boven – komt. Verder de overbrenging van deze idee over een voor die tijd onmetelijke afstand.

Misschien is het goed, dat hier geen Adamski in de zaal zit, die zeggen zou: Een manifestatie van de Venusmensen. Ik durf hier niet te spreken over Venusmensen of Marsmensen. Toch ben ik geneigd aan te nemen, dat hier sprake is van een – misschien toevallig – bezoek uit de ruimte. Ik acht dit waarschijnlijk, daar ook in andere perioden dergelijke landingen worden vastgesteld: rond 8.000 jaren geleden in de buurt van de Eufraat, rond 3.000 jaren geleden in de buurt van de Dode Zee etc. Er treedt hier een aan de aarde en mensen vreemd element op. Ik zal u de geestelijke ontwikkelingen beschrijven en daarbij de aandacht vestigen op het vreemde, dat steeds weer geconstateerd wordt.

Allereerst reeds het geloof: achter de sterren wonen de Goden. Tot op dit ogenblik hebben de mensen de hemel beschouwd als een koepel, waarin misschien wat lichten hangen, maar die toch het einde van alle dingen is. Daarachter is – volgens de mensen toen – niets. Beschrijvingen van de woningen der Goden brengen nu vreemde ideeën naar voren, die wij nergens voordien aantreffen. Ook de astrologie en astronomie kunnen niet voor het ontstaan van deze overleveringen aansprakelijk worden gesteld, waar deze alleen – en dan in beperkte zin – bekend waren in nederzettingen van de Atlantiërs. Een invloed van daaruit kunnen wij wel uitgesloten achten. Verder gelooft men, dat het leven op aarde wordt geregeerd door de dansende sterren, plus de vader en de moeder. De zon en maan dus. Vanuit het standpunt van een astroloog is dit aanvaardbaar. Maar die kennis bestond toen niet. Deze krachten kunnen berekend worden. Wanneer de richting, waarin zon en maan langs de hemel gaan, wanneer zij niet naar de onderwereld reizen – equinox – wordt bepaald, zal men aan de gang van zon en maan plus hun verhouding tot de dansende sterren of planeten uit kunnen maken, wat de wil der Goden is.

Dit eerste geloof wordt later waarschijnlijk gerationaliseerd. De opvatting van de ingewijden, die uit deze betrekkelijke primitieve groepen voortkomen, is dan verder: het is de taak van de mens de vruchtbaarheid in de wereld te vergroten. Daarom moet de mens zich voeden met vruchten. Slechts door de vrucht, die hem door de bomen en planten gaarne en met vreugde gegeven wordt, vindt hij de scheppende en levende kracht van de Goden weer, die de vruchtbaarheid werkelijk bevordert. Een opmerkelijke leer voor een volk, dat hoofdzakelijk uit herders en jagers is voortgekomen. Indien de mens een dier doodt, zo gaat de leer verder, neemt men de krachten van het leven weg, de kracht der Goden wordt niet meer geopenbaard. In de plaats daarvan treedt nu kracht van het duister, of de dood. Men zou deze orde dan ook wel kunnen beschouwen als een groep prehistorische vegetariërs. De eenheid van alle dingen berust op vrijheid en vrijwilligheid. De moeder, zowel als de vader – maan en zon – geven de mensen voortdurend geschenken. Elk geschenk mag worden aanvaard. Maar niets mag men nemen, zonder dat dit werkelijk en kennelijk aangeboden wordt. Deze stellingen doen een sekte ontstaan, die niet alleen zich van dierlijk voedsel onthoudt, maar zelfs weigert een vrucht te eten, die niet van de boom is gevallen, dus los is van de plant. U zult begrijpen, dat deze leer niet al te lang algemeen stand heeft kunnen houden, onder meer door de zeer grote moeilijkheden, die het zoeken van een dergelijk voedsel en het behoorlijk voeden van grotere aantallen mensen op deze wijze gaf.

Nog een wonderlijk element treedt in de leer op. Wanneer de mens slaapt, kan hij drie rijken betreden. Alleen reeds het onderscheid, dat wordt gemaakt tussen de mogelijkheden in slaap en waken, is naar mijn inzien reeds een aanduiding voor een invloed van buiten de mensheid. Het eerste rijk, dat de mens in zijn slaap kan betreden, is dan het rijk van de aarde. Het tweede rijk de mens zelf, het derde rijk het rijk van de sterren. De mens, die het rijk van eigen wezen betreedt, kan – nog steeds volgens deze leer – met behulp van de Goden der natuur eigen kwalen erkennen en genezen. Verder kan hij eigen bekwaamheden en mogelijkheden zo overzien. Indien hij zijn geest uitzendt over de wereld, is het hem mogelijk op de aarde alles waar te nemen, wat voor hem belangrijk is. Eerst wanneer hij voldoende kent van de wereld en voldoende overtuigd is van zijn eigen bekwaamheden, mag hij zijn geest achter de sterren zenden en met de Goden wandelen. Dit herinnert mij aan de Bijbel: Adam leefde in het paradijs en wandelde met God. Ik durf niet te zeggen, dat deze overeenkomst anders dan toevallig is, maar vreemd is het wel.

Wat hebben deze mensen met hun leringen en inwijdingen nu verder gedaan? In de eerste plaats hebben zij bij zeer vele volkeren een intens en vergaand begrip gewekt voor de mogelijkheden van een leven, dat buiten het lichamelijke gaat. Daarnaast brengen zij begrip voor een voortbestaan – voorouderdienst – van geestelijke wezens, en een intens verband, dat tussen mens en natuur moet bestaan. Zij geven richtlijnen voor het beheersen van de natuur en wijzen op de mogelijkheid het dier, dat bij de mens om hulp vraagt, zonder schuld tegenover het dier te temmen. Dit laatste vooral doet, gezien de grondregels van deze leer, op het eerste gezicht wat vreemd aan, maar wijst bij nader inzien op een primitief begrip voor symbiose tussen verschillende levende wezens. Bij deze gemeenschappen treffen wij dan ook later kudden aan, die niet voor het vlees worden gehouden en veelal zelfs alleen uit religieuze overwegingen. Mogelijk is dit de oorzaak voor de dierenverering, die veel later haast geheel de wereld een tijdlang in zijn ban houdt.

Een ander opvallend aspect is hun bouwwijze: zij bouwen uit hout en leem woningen, die doen denken aan een bijenkorf, maar iets hoger zijn. Vreemd is bovendien, dat vooral de tempels vaak op een verhoging zijn geplaatst, van waar vier trappen naar beneden voeren. Voor mensen uit uw tijd doet het geheel vaak denken aan de primitieve voorstelling van een tamelijk stompe raket. Men neemt dan ook wel aan, dat deze bouwwijze sterk werd beïnvloed door de ontmoeting, die de 1.200 in de buurt van Allahabad met de “Goden” hadden en mogelijkerwijze een poging zijn hun voertuig na te bouwen. Zeker is, dat deze bouwwijze en de bouwmethode voor zeer lange tijd een grote invloed zullen hebben op de huisvesting van de mens. Zover ik kan nagaan, zijn deze mensen dan ook direct aansprakelijk voor de ronde bouwwijze, die wij in Azië, zowel als in Afrika nog heden aantreffen. Lang vóór Christus werd overigens een soortgelijke bouwwijze in Europa ook wel gebruikt, zowel voor woningen als voor statiegraven.

Voorbeelden van deze vormen, zoals zij heden enigszins vertekend voortbestaan: de yurten van de Mongolen. De hut van de trekkende nomaden, ook in het hoge noorden, is altijd haast rond van vorm en toont ook naar boven toe een ronding. Eveneens blijkt de vorm bewaard in tempels en stoepa’s, de koepelvormige bouwsels, die wel als grafteken dienen. Ook in pagoden en zelfs in bepaalde kerken – St. Pieter te Rome – vinden wij deze vorm nog steeds terug. Men achtte deze dus zelfs nog kort voor uw dagen als bijzonder geschikt voor Godshuizen. Afrika toont ons hutten, die waarschijnlijk nog zeer dicht bij de oorspronkelijke bouwwijze staan. Het als teken van waardigheid gehanteerde zonnescherm toonde – vooral oorspronkelijk – ook al deze kegelvorm. Later zal men deze kegelvorm godsdienstig verder blijven bouwen, maar vereenzelvigt deze dan meer en meer met het mannelijke element en ziet op den duur deze als mannelijk geslachtsorgaan. Dit verklaart de wat vreemde vorm van de vroege fallische tekenen. Overigens mogen wij wel als zeker aannemen, dat reeds bij de groepen, waarover wij spraken, de menselijke vruchtbaarheid in eredienst en geloof een grote rol heeft gespeeld.

In een vergelijken van deze oude periode met het heden, zijn de belangrijkste factoren voor ons wel:

* Een trek, die niet redelijk verklaard kan worden, niet allen, maar slechts uit vele gemeenschappen, enkelingen omvat.

* Het samengaan van geheel elkaar vreemde elementen en met de meest verschillende achtergronden en stamgebruiken, iets, wat tegen alle maatschappelijke opvattingen van die tijd ingaat.

* Een contact van wezens van een andere wereld, dat nieuwe mogelijkheden geeft en onder meer het aanzijn geeft aan de eerste ploeg. Deze hak- of houweelachtige ploeg wordt zelfs nu bij primitieve volkeren nog wel gebruikt. Kortom: het ontstaan van nieuwe werktuigen. In deze periode zien wij ook het optreden van een mes met heft naast het tot dan gebruikelijke schraapmes en de bijl. Vernieuwing van de techniek dus, die in het leven van velen een haast alles omvattende verandering brengt.

* Een zuiverder verhouding tussen geestelijke leiders en degenen, die de stoffelijke macht uitoefenen, is eveneens in die ontwikkeling zeer belangrijk voor ons.

* Verder ontstaat – althans tijdelijk – een eenheid van geheel verschillende volkeren, die, gedeeltelijk samenvallende met een uittocht en zelfs een mogelijke veroveringstocht vanuit het reeds stervende Atlantis, de gehele toenmalige bekende wereld omspande.

* Verder is van belang, dat zonder kenbare middelen de kennis, in Azië opgedaan, wordt overgebracht naar de “Gouden Mannen” in Noord- en Zuid-Amerika. De sociale orde wordt haast overal gebaseerd op een voor de wereld geheel nieuw godsbegrip. Een wijziging in het geloof, die overigens gepaard gaat met intenser contact met geesten en een verdergaande werking van de geest op stof en stof op geest, dan tot op dat ogenblik bestond.

Wij mogen wel zeggen, dat er sprake was van een gehele ommekeer in de houding van de mensheid, zowel t.o.v. de stof als de geest. Ook in de tijd, waarover wij spreken, werd de mensheid door bepaalde gevaren bedreigd. Er was toen wel geen atoombom, maar wel een afnemen van uithoudingsvermogen en voortplantingsmogelijkheden als gevolg van een te ver gaande inteelt en geheel verkeerde huwelijksgewoonten. Door de beschreven gebeurtenissen en de daaruit voortkomende leer wijzigen zich de gebruiken in betrekkelijke korte tijd en wordt een uitsterven of ondergaan in het dierlijke vermeden.

In deze dagen bestaat een grote angst, een zelfvernietigingsdrang soms, die door haast alle mensen wel wordt erkend, maar waar men geen middelen tegen schijnt te kunnen vinden. Ook zien wij, dat reeds in deze dagen zich overal kleinere groepen gaan vormen, die maatregelen trachten te nemen, die de vernietigingen tegen kunnen houden. De filosofie van deze groepen brengt de leden ervan tot een anders beleven en begrijpen van de Godheid dan gebruikelijk is. Dit doet vermoeden, dat de huidige periode kan worden vergeleken met bv. de trek van de “Gouden Mannen” en het begin van de trek naar het zuiden door andere groepen.

Zoals ik reeds opmerkte, heeft Aquarius reeds vele malen een secundaire heerschappij op aarde gevoerd. In alle tijden, waarin zijn invloed sterker merkbaar wordt, vinden wij overeenkomsten met de huidige toestand, die ons verbazen. Ik noem enkele feiten: systematische sterrenkunde, het bijhouden van tabellen omtrent de hemelverschijnselen, begint onder invloed van Aquarius. De gegevens van deze eerste tabellen zijn mede verwerkt in de tafelen van Ur en Alexandrië, die nog heden vaak gebruikt worden om bepaalde astronomische verschijnselen op lange duur na te gaan en zo moderne stellingen te bevestigen. Het ontstaan van de eerste vrije dienst aan een alomvattende Godheid valt eveneens in een mede door Aquarius geregeerde periode. In de tijd van stamvader Jacob – Israël – ontstaat, wederom tijdens een sterke inwerking van Aquarius, het eerste kabbalistische concept, waarin de levensboom een grote rol speelt. De uitdrukking van kosmische en alomvattende gedachtegangen in bouwwerken vindt zijn weerslag onder meer tijdens een mede heersen van Aquarius in de bouw van het vaste tabernakel te Jeruzalem door Salomo.

Wij zouden meer voor de mensheid als geheel zeer belangrijke ontwikkelingen op kunnen noemen en steeds weer zien, dat de Waterman daar zijn invloed sterk heeft doen gelden. Dit samenvallen van ontwikkelingen en een astrologisch vaststelbaar gebeuren aan de hemel, lijkt mij te vaak op te treden, om ook maar met enige schijn van redelijkheid, hier nog over toeval te kunnen spreken. Met grote regelmaat brengt de invloed van Aquarius vernieuwingen op maatschappelijk en technisch gebied, nieuwe mogelijkheden tot inwijding en een alomvattende geestelijke stroming, waardoor de mensheid een nieuwe weg tot geestelijke bewustwording vindt. Zelfs het persoonlijk voortleven na de dood wordt door de mensen het eerst gesteld en aanvaard onder de invloed van deze kosmische heerser.

Aquarius schept ook vaak. Zowel het aanvaarden van het leven na de dood, het magisch Dodenboek bij vele volkeren, als het geven van een nieuwe inhoud aan bestaande godsdiensten, zijn onder zijn bewind regelmatig voorkomende verschijnselen. Het is jammer, dat veel daarvan later vervormd wordt, of weer teloor gaat. Een voorbeeld vinden wij bij de inwijdingen van Minos, waaraan de legende van de Minotaurus verbonden is. Deze was zeker niet het alverslindende monster, dat steeds weer jonge slaven eiste. De mens-stier van Minos is een mens die zeer waarschijnlijk met hogere geestelijke krachten sterk gelieerd is en slaven als offer vraagt. Hij offert ze niet, maar voedt ze eerst op tot grote lichamelijke kunde en bekwaamheid, om hen daarna uit de ogen der mensen te doen verdwijnen. Zij worden opgeleid tot leermeesters, magiërs en ingewijden. Wij vinden dezen later ver van Kreta verwijderd, als de geestelijke leiders van volkeren en staten. Deze ingewijden hebben grote invloed op de richting, die de ontwakende filosofie inslaat en geven ongetwijfeld mede richting aan de Griekse Godenmythen.

Overal, waar de Waterman de heerschappij aanvaardt, of grotere invloed heeft, zien wij een geestelijke ontwikkeling, die voor elke mens, die zelf denken en streven wil, een aanmerkelijke schrede voorwaarts betekent op het pad der bewustwording. In de oudheid was een dergelijke schrede reeds belangrijk, wanneer hij de mensheid maar iets verder van het zuiver dierlijke leven en bestaan voerde. In deze dagen zijn abstracte begrippen deel geworden van het denken der mensheid. Abstracties zijn reeds doorgedrongen tot de meest primitievere volkeren, enkele uitstervende rassen uitgezonderd. Slechts bij een betrekkelijk klein deel speelt de stamgod, de Elohim of Jahweh, een rol. Wel echter de oerkracht, de kosmische kracht of Alvader, die steeds meer in alle leringen en verklaringen optreedt en bij alle meer esoterische stellingen doel en middel tegelijk schijnt te zijn.

Is in de oudheid vaak magisch kunnen en bereiken het eerste doel van de ingewijde, in deze dagen zal er aan magie weinig behoefte bestaan. Het doel zal m.i. dan ook verder gelegen zijn en kunnen resulteren in een hernieuwd begrip voor het betreden van de drie werelden, waarover wij, met een ander doel, reeds spraken in verband met een fase van de oudheid. Het zenden van de geest op de wereld ten bate van allen, het zenden van de geest in het Ik om zichzelf beter aan te passen in de kosmische structuur en het doordringen achter de sterren om het doel van alle Schepping beter te kunnen begrijpen en zo grotere harmonie met de Al-kracht te verwerven. Een concept van eeuwige vrede of rust kunnen wij in de wereld meerdere malen aantreffen. De invloed blijkt in de werking van meerdere kosmische heersers vertegenwoordigd te zijn. Aquarius tracht deze waarden voor allen zo gelijkelijk mogelijk te maken. Wanneer Aquarius als absolute heerser optreedt, zal zich dan ook een leer kunnen verspreiden, die voor geheel de wereld vrijwording betekent.

Vraag u nu af, wat de grootste vrijheid kan zijn voor de moderne mens?   Zou dit niet in de eerste plaats een bereiken van innerlijke vrede betekenen, een bevrijd zijn van alle spanningen in de wereld, zonder dat men daarom ook de wereld geheel hoeft te verlaten. Mij dunkt dan ook, dat innerlijke vrede en eenheid, een wel zeer belangrijke rol in deze tijd zullen gaan spelen. Mogelijkerwijze kan dit tot een gehele eenheid der mensheid voeren en zo het duizendjarig rijk, dat men pleegt te verwachten onder de Waterman, eindelijk tot werkelijkheid maken.

Wat is in de oudheid kentekenend voor de invloed van Aquarius in geestelijk opzicht?   Het poortelement. U zult dit dan ook overal ter wereld terug vinden. In Stonehenge vindt u naast de eigenlijke cirkels een poort, die eveneens bestaat uit twee opstaande zuilen, waarover een derde steen is gelegd. Kreta, Cyprus en Griekenland tonen ons eveneens in oude ruïnen steeds weer twee stenen zuilen, dan wel een zadelachtig stenen geheel, waarover een stenen lintel of balk is gelegd. Zo groots werden deze tekenen gebouwd, dat zelfs nu nog de zuilen in meerdere gevallen door een derde zuil worden overbrugd. In Indië en China vinden wij, meestal uit hout opgetrokken, poorten, bestaande uit twee stammen door een derde overbrugd, die geheel los van alle bouwwerken staan. Ook in Japan vinden wij dergelijke poorten terug, maar daar hebben zij ook in de moderne tijd door de architectuur vormveranderingen ondergaan. Deze poorten werden gebouwd om magisch – geestelijke – redenen. Indien men door de poort het open heiligdom van de Kelten, de tempels van Egypte, Indië, China betrad, gaf men hiermede te kennen, dat men een nieuwe wereld binnen trad en deze aanvaardde.

Wanneer men deze poort binnentreedt, is men vrij van alle demonen, die de mens in de wereld buiten de poort misschien bedreigen of volgen, maar wordt men tevens één met, of onderdanig aan de krachten, die achter de poort regeren. Het gaan door de poorten in de Minoïsche cultuur, ook wel genoemd het betreden van het Heilige Teken, of schrijden door de Horens van de Stier, betekent een afstand doen van het Ik, een belofte van onderdanigheid, een aanvaarden van een inwijding, taak, of Goddelijke kracht. De demonen, die het Ik bedreigd hebben, laat men ook in dit geval achter. Bij de Germanen vinden wij een soortgelijk gebruik. De poort is hier meestal een holle of gespleten heilige boom. Men placht een zieke in de bast van een soortgelijke boom, dan wel een verse dierenhuid te hullen, om hem vervolgens door de spleet in de heilige boom te trekken. Men meende, dat de zieke zou genezen. Hij liet immers bij het gaan door de poort de demonen achter?

Steeds weer blijkt de poort een uitdrukking te zijn voor het achterlaten van kwade, of niet gewenste geestelijke machten, het verkrijgen van een nieuwe taak, het erkennen van een nieuwe verplichting. Zowel de huizen en steden van China als de tempels en vrijplaatsen van Japan worden nog in deze dagen beveiligd door dergelijke poorten. Schijnbaar is dit slechts een detail van de menselijke ontwikkeling. Maar het is vreemd, dat dit symbool overal dezelfde betekenis heeft en steeds weer ontstaat, wanneer Aquarius invloed sterk is. Zouden wij dan niet mogen verwachten, dat ook de mens van deze dagen, zij het uit geest en onvergankelijker dan in het verleden, een poort zal leren bouwen, waardoor hij kan schrijden, de demonen, die hem jagen, achterlatende. Uit het verloop van de ontwikkeling in de oudheid blijkt, dat inderdaad steeds weer bij het gaan door de poort veel kwaad werd achtergelaten. Ook bij het doorschrijden van een geestelijke poort, onbewust nog, die voert tot nieuwe bewustwordingen.

Uit de mensen is steeds weer nieuw kwaad geboren, dat geef ik toe. Zoals in een bepaalde leer wordt gesteld: Eerst, wanneer de mens alle dingen heeft beproefd en ondervonden, wanneer hij onder alle misslagen heeft geleden, zal de mens in staat zijn alle kwaad te verwerpen. Maar bij het begin van elke nieuwe fase wordt toch veel van het oude kwaad achtergelaten. Volgens mij zal ook de komende tijd een nieuwe geestelijke poort brengen. Een ieder, die deze geestelijke poort bewust door kan schrijden, zal m.i. alles, wat hem aan demonen achtervolgt, achter kunnen laten en zelf zich een dergelijke geestelijke poort bouwen, om zo een ieder, die tot hem komt, deel te doen hebben aan het vrij zijn van het kwade.

Er zijn vele demonen in deze dagen. De grootste demonen van uw tijd zijn wel: onverschilligheid, bezitslust en haat. Vroeger waren het eerder demonen als machtswellust, eenzaamheid en onbegrensd egoïsme. Er zijn verschillen te over, maar demonen zijn er. De honger naar steeds meer bezit, steeds meer overbodig bezit vooral, is een van de factoren, die uw moderne wereld tot steeds verder schrijdende verwarringen voert. Een van de ontwikkelingen bij het doorschrijden van de poort, die Aquarius nu voor de mensen bouwt, zal m.i. zijn, dat de mensen in vrijheid bezitten, nimmer het bezit om zichzelf achtend of nastrevend, zodat zij daardoor niet meer gebonden zullen zijn. Ook in vele andere aspecten van het menselijke leven verwacht ik een in volkomen vrijheid aanvaarden of verwerpen, zonder dat hieruit ooit een binding voort kan komen, die het Ik beheerst. Leven in volkomen vrijheid en zonder angst geeft de mens de innerlijke vrede weer, die haast niemand in uw dagen meer werkelijk kent.

Het trekken van parallellen voert tot vele en vreemde conclusies. Wanneer de mens de eerste geestelijke poort van bevrijding voor zich heeft leren opbouwen, zo zal hij uit zich zuilen optrekken van bewustzijn en weten. Door zijn wil en daad zal hij de poort overkluizen en een meesterschap verwerven. Een dergelijke bewustwording moet inhouden, dat de mens een absolute harmonie zal bereiken tussen stof en geest. Gelijktijdig zal het menselijke leven een begrip inhouden voor het onbelangrijke van vele stoffelijke verschijnselen, die de geest uit- eindelijk als speelgoed zal gebruiken, terwijl daarnaast een steeds intenser en beter werkzaam zijn op geestelijk terrein zich zal openbaren.

In de oudheid brengt de macht van de Waterman steeds weer gebeurtenissen en ontwikkelingen, die op magie lijken. Astrologie en lezen uit de sterren, het hanteren van bepaalde werktuigen en het vervaardigen daarvan, werden allemaal beschouwd als magisch. De eerste mensen, die leerden gezamenlijk gedachten gericht uit te zenden, waren eveneens grote magiërs in hun tijd. Het is onwaarschijnlijk, dat de tijd van Aquarius voorbij zal gaan, zonder ook op dit gebied nieuwe waarden te scheppen. In de oude tijd was veel van de magie een kennen van mensen, materialen en tendensen. In deze dagen zal men dit niet meer magie noemen. Laat ons daarom stellen, dat Aquarius de wereld een wetenschap zal brengen, die veel omvat, dat nu nog niet bekend is, dan wel magisch of geheim wordt genoemd. Onder meer het hanteren van onstoffelijke krachtvelden om daarmee stoffelijke werkingen te bereiken. Dit kan betekenen: het afschermen van personen, plaatsen en landen tegen ongewenste invloeden van buiten; het draadloos van energie voorzien van grotere gebieden; het beheersen van het klimaat door gelijksoortige velden. Wie weet, komt men misschien daardoor ook tot contacten met de niet stoffelijke werelden en transportmogelijkheden, die men zich nu nog niet voor kan stellen. De wetenschap zal ongetwijfeld meewerken aan de opbouw van een nieuwe tijd.

Indien de geroepenen en/of ingewijden in de oudheid altijd naar bepaalde plaatsen werden getrokken of kwamen, hoe zal dit dan in deze tijd geschieden?

Een nagaan van de ontwikkelingen in de oudheid toont ons, dat het begin steeds weer in het elkaar begrijpen en kennen ligt – in geestelijke zin – van kleinere groepen, die vaak slechts 3 of 4 personen tellen. Vergelijkende met het heden zouden wij op basis van de wereldbevolking kunnen stellen, dat de groepen nu zelfs tot 50 – 60 personen kunnen gaan. Deze groepen hadden geen onderling contact, of waren zich van onderlinge contacten niet bewust. Maar op een zekere tijd blijken zij opeens elkaar te ontmoeten en te herkennen. Zij leggen dan contacten, die een langere tijd in stand blijven. Uitwisseling van ideeën blijkt daarbij belangrijk. Ook zal in deze dagen niet de gehele groep zich verplaatsen, zo zal uit vele groeperingen contact op worden genomen met andere denkrichtingen en inwijdingen. Zo zal men kunnen komen tot een synthese van het menselijke denken.

De groepen gaan naar de plaatsen, die voor hen belangrijk zijn, althans in de oudheid. Buiten de groep van de “Gouden Mannen” – die klaarblijkelijk een andere zending hadden – blijken zij deze reizen steeds zó te kiezen, dat zij eerst ter plaatse komen, wanneer dit door een kosmisch gebeuren noodzakelijk is. Velen kiezen voor hun reizen uitvluchten, of zijn zich van het werkelijke doel lange tijd niet bewust. Wij zien in de oudheid soms geroepenen, als herders verder trekken, om een beter weidegebied te vinden. Zij zijn niet tevreden, voor zij het doel bereikt hebben. Jagers, zoekende naar betere jachtgronden, doen hetzelfde. Zwervers trekken soms zelfs in de juiste richting, terwijl zij voor zich menen, dat het alleen gaat om het ontmoeten van een machtig vorst, bij wie zij in dienst kunnen treden. Ieder heeft een eigen motief, is zich slechts half of niet bewust van het werkelijke doel en gebeuren, maar reist toch zó, dat hij juist op het beslissende ogenblik ter plaatse aanwezig is. In de moderne wereld betekent dit, dat een verplaatsing zeer snel en op zeer korte termijn zal kunnen geschieden. Om mensen van geheel de wereld samen te brengen op een bepaalde plaats zou een reisduur van 21 dagen haast altijd voldoende blijken.

De plaatsen van samenkomst hebben in de oudheid, zolang de Waterman regeert tenminste, enkele kenmerken gemeen: kloosters worden steeds weer gesticht, inwijdingsscholen gevormd op plaatsen, waar verschillen van volk en klimaat duidelijk kenbaar en zeer nabij zijn. Zij liggen vaak tussen bergen, oerwoud en vlakten. Gezien de meer geestelijke instelling en mogelijkheid van deze dagen kunnen wij dan ook aannemen, dat de gebieden van samenkomst voor dergelijke groepen steeds zullen liggen op plaatsen, waar duidelijk kenbaar twee of meer gedachtegangen en zelfs stoffelijke vormen van leven en werken elkaar ontmoeten, maar elkaar vreemd plegen te blijven. Daar, waar groepen contact opnemen met het hogere, of met wezens van andere werelden, zijn de plaatsen eenzaam en vlak. Vaak is er sprake van vlakten, die betrekkelijk klein zijn en door heuvelen of bergen worden omgeven. Een bijzonder kenteken is daarbij nog, dat één of meer meren in de buurt liggen. De eis, dat de vlakten eenzaam moeten zijn, beperkt de mogelijkheden zeer. In het noorden van Zuid-Amerika liggen enkele vlakten, die aan deze eis zouden kunnen beantwoorden. Er is een enkel gebied in Noord- Amerika en eveneens een dergelijk gebied in Azië, waarvan ook kan worden gezegd dat zij aan alle eisen uit het verleden geheel voldoen.

Waarheen deze geroepenen zullen trekken, is niet met zekerheid te zeggen, evenmin als wij kunnen bepalen wanneer. Maar dat binnen afzienbare tijd een trek zal ontstaan, is wel zeker. De groepen, die bestemd zijn de vermenging van culturen, een vergroting van onderling begrip e.d. mogelijk te maken, vinden wij altijd weer aan de monding van een rivier. In de termen van deze tijd zou dit betekenen: een plaats, waar belangrijke stromen van verkeer en handelsverkeer elkaar kruisen. Internationaal wel te verstaan. Ik denk hierbij dan aan de belangrijkste knooppunten, waarin internationale luchtlijnen, verkeer te water en te land plegen samen te komen. Op elk continent vinden wij plaatsen, die een hoofdpunt vormen in het contact met alle landen van dit continent, terwijl zij tevens een hoofdader voor het verkeer met andere continenten vormen. Hier zal de synthese brengende groep zich in deze dagen het sterkste manifesteren.

Vanuit de geest kunnen wij nog opmerken, dat in alle fasen, die wij bespreken met geesten, die ofwel mens geweest zijn, dan wel op een andere planeet als stoffelijk wezen leefden, in grote getale medewerkten aan de bewustwording. De werkingen werden dan ook steeds weer voor de geest aangekondigd door grotere concentraties van Lichtende krachten. Wij hebben ook aan het einde van het afgelopen jaar, zowel als in de nog lopende periode voor het eerst sedert lange tijd een dergelijke concentratie op zien treden. Zoals de toestand zich liet aanzien, zal een dergelijke concentratie van Lichtende krachten op en om de aarde zich met steeds kortere tussenpozen herhalen. De intensiteit zal daarbij steeds toenemen. Indien ik af mag gaan op deze tekens, zo zal de openbaring van de nieuwe tijdsgeest en het gaan van de geroepenen zich binnen vijf jaren afspelen, maar waarschijnlijk zelfs reeds na kortere tijd plaatsvinden.

Ik hoop u hiermede een inzicht te hebben gegeven in de werkingen van de geest en de stof, die gezamenlijk de mensheid steeds weer verder voeren op het pad naar kosmisch begrip en bewustzijn, een groter besef van de kosmische waarheid en zo een inwijding tot steeds groter kosmisch weten.

—————————————————————

Esoterie in verhalende vorm

Wij zullen ons weer wat met de esoterie bezighouden, in een meer verhalende vorm. Er zijn vele verhalen, die ons begrip voor eigen plaats in het Al kunnen helpen bepalen.

De aronskelk – smetteloos wit – geldt heden wel als beeld van onschuld. Er was een tijd, dat de kelk gevlekt was. In de tuinen speelde zij met andere bloemen, dansend op de wind. Vaak ook sprak zij tot diep in de nacht met de avondwind, want zij wilde de schoonste bloem van allen zijn.

Eens zweefde in de nacht een licht voorbij. Het was een toverfee, of misschien een engel. Deze hoorde de aronskelk klagen: “Men erkent mijn schoonheid hier niet en mijn waarde. Och, was ik maar smetteloos en edel boven alles”. De lichtende gestalte beroerde de aronskelk even met zijn staf. Smetteloos wit was zij toen. Maar vanaf dit ogenblik staat zij steeds alleen en meestal bij de graven. Want wie de schoonste en meest wijze wil zijn, kan alleen daar, waar de dood regeert, zijn werkelijke betekenis krijgen en erkenning gewinnen voor zijn eigenschappen.

Een vreemd verhaal misschien, maar er schuilt voor ons een belangrijke les in. Wanneer wij de edelste, de schoonste, of de meest wijze willen zijn, geestelijk hoog willen staan, zo kunnen wij dit alleen tot werkelijkheid maken in de nabijheid van de dood. Alleen de mens, die weet te sterven en in staat is alles, wat tot de stof behoort, achter te laten, indien het nodig is, is werkelijk vrij. Alleen de mens, die afstand heeft weten te doen en daardoor niet meer gebonden is, bloeit vrijelijk tot volle geestelijke rijpheid en schoonheid op.

Er zijn vele verhalen, die de les helpen bevestigen. Want het ik zelf is niet zo belangrijk, als men in de stof wel denkt, maar hetgeen het Ik bereikt, is buitengewoon belangrijk.

Zo verweet eens een vogel aan de klimop: “Je bent een parasiet. Je klimt omhoog aan de bomen, klamp je met duizenden klauwtjes vast. De boom sterft dan, maar jij woekert voort”. De klimop lachte wat en sprak: “Zo is mijn aard en mijn leven. Toch is het niet goed mij parasiet te noemen, want zie, ik breng zelf ook bladeren voort en beschut evengoed als de boom vogels, die verborgen tussen mijn bladeren willen nestelen. Duizenden insecten danken hun leven aan mijn beschutting. Maar wat te sterk is of te machtig is, zich te strak wil houden en stormwinden wil weerstaan, moet sterven. Het eist teveel van zichzelf. Het zwakke, dat zich daaraan eens omhoog heeft geheven, leeft voort en ook dit kan belangrijk zijn”.

De les hierin luidt: Het is niet altijd goed de grootste, de machtigste, of sterkste te zijn, tenzij wij alle gevolgen daarvan ook willen aanvaarden en de nodige offers willen brengen. Hoe belangrijk is het, indien men, vrijwillig deze sterkte ontwikkelt en de gevolgen daarvan aanvaardt. Belangrijker is het nog op de juiste manier te sterven, dan op de juiste manier te leven. Jezus is gestorven. Aan Zijn leven trekken duizenden zich op. Alleen zouden zij misschien niets kunnen bereiken en zouden zij geestelijk ondergaan. Het is Jezus’ dood, die hen het leven geeft. Wie nederig een verlossing aanvaardt, dankt veel aan de krachten van een ander. Wie naar verlossing streeft, zal misschien iets sterker zijn, maar blijft nog steeds gebonden aan de sterkere. Wie echter zelf de verlosser wil zijn, zal zich daaraan geheel op moeten offeren. Alleen door hetgeen hij offert, kan hij het anderen mogelijk maken verder te komen. Ook deze gedachtegang, zoals u bemerkt zult hebben, confronteert ons weer met het afstand doen, met de dood. De dood heeft dan ook een zeer belangrijke plaats in de esoterie. Niet als een afscheid voorgoed, of een uitblussen van het bestaan, maar eerder als een soort drempel, die je moet leren overschrijden.

Zo zei men eens tot een nachtschade: “Gij zijt des duivels, want in u is gif en wanneer de heksen vliegen door de nacht, danken zij dit ook mede aan uw sappen, die de heksenzalven krachtig maakt”. De nachtschade glimlachte en sprak: “Ik draag de dood in mij, maar ook het leven. Dat is waar. Menige geneesheer neemt mijn sappen en brouwt daaruit een medicijn, dat vele levens kan redden, want niet mijn wezen of sappen zelf zijn bepalend voor hetgeen gij in mij ziet, maar het gebruik, dat men van mij maakt. Ik groei, zoals ik geboren ben. Ik sterf, zoals ik geleefd heb. Niemand zal kunnen zeggen, dat mijn leven onvruchtbaar is, want ik blijf mijzelf en vervul de taak, die de Schepper mij heeft opgelegd”.

Misschien is de nachtschade wel een beeld van het stoffelijke leven, dat de geest kan genezen of kwetsen, maar het meest herinnert zij mij aan de mens zelf. Deze draagt in zich immers ook vele kwaliteiten? Soms hebben wij het idee, dat wij erg naar de buitenwereld moeten zien, want er zijn vele mensen, die door ons dan toch maar zorgen of leed hebben, of door ons ingrijpen misschien gered worden van veel lijden. Wij zouden dit alles dan willen zien als een eigenschap van ons wezen, maar dat is niet waar. De les van de nachtschade is voor de stofmens duidelijk. Je leeft, zoals je geboren bent en zult sterven, stoffelijk zoals je geleefd hebt. Je bent jezelf. Stoffelijk is dan ook, wat er door jou gebeurt in de buitenwereld, niet belangrijk. Belangrijk is alleen het geestelijke gebruik dat je maakt van de eigenschappen, die je stoffelijk hebt gekregen en je geestelijke Ik zo goed mogelijk ook in de stof verwerkelijkt naar beste weten. In uw geestelijke bestaan, niet in het stoffelijke leven, ligt het werkelijke doel en wordt de werkelijke betekenis van uw aards bestaan voor anderen bepaald.

Er zijn vele verhalen over planten, die dergelijke stellingen eens te meer onderstrepen. Er zijn ook andere vertellingen. Neem nu eens de beroemde professor in Parijs, die zo goed kon hypnotiseren. Hij had een medium gevonden, bracht dit in de diepste hypnotische trance en wist zo leven na leven af te lezen uit de antwoorden en beschrijvingen, die het medium hem gaf. Slechts één ding verbaasde hem: telkenmale kwam er een ogenblik, dat gesproken werd over een tijd van duister en warmte. Eerst daarna trad weer een ander leven naar voren. Deze mens meende, dat hij de reïncarnatie gevonden had en precies wist, welke incarnaties het meisje, dat hij onderzocht, had doorgemaakt. Hij heeft dit lang geloofd. Na zijn overgang ontdekte hij, dat de gegevens niet klopten want de beschrijvingen waren niet het leven van één persoon, maar van vele persoonlijkheden. Hij meende door zijn medium, zelfs tijdens de hypnose, bedrogen te zijn. Een meester, die zijn gedachten kon volgen, fluisterde hem toe: “Niet zij, maar jij zelf bent schuldig aan het bedrog. Je hebt niet begrepen, dat er altijd een scheiding zal zijn tussen stoffelijk en geestelijk leven. In de stof liggen de vorige geslachten van de stof verankerd als herinneringen en eigenschappen, maar in de geest ligt het groeiende bewustzijn, dat gevormd werd door alle levens, waarin de geest zelf bezielende kracht is geweest en dit bewust zijn is altijd één geheel.”

Misschien bent u geneigd de stoffelijke zaken erg zwaar op te nemen. U houdt u steeds weer met sombere stoffelijke gebeurtenissen bezig en laat u overweldigen door een stortvloed van leed. U meent, dat in de wereld u eigenlijk stoffelijk van belang bent, wanneer u alleen maar al dit lijden bestrijdt. U vergeet één ding: De dingen, die je stoffelijk kunt doen, de lichamelijke mogelijkheden, die u bezit, zijn voor het grootste deel stoffelijk en behoren bij de wereld. U bent op aarde beperkt door het leven en de geaardheid van de voorouders. Stoffelijk behoort u bij de natuur. Alles, wat u stoffelijk doet, is dan ook bijkomstig. Alleen, wat u werkelijk vanuit en door de geest doet, is blijvend voor u. Want wanneer de stof reeds lang vervallen is en de gedachten van het geslacht, verrijkt met uw leven reeds vele generaties is voortgedragen, zal nog alles, wat uw geestelijke ik op aarde beleefde, in u gegrift zijn, in u een mogelijkheid en een kunnen betekenen. Wat u geestelijk doormaakt, zal altijd en onuitwisbaar in u blijven bestaan.

Een esotericus dient dit wel in het bijzonder goed te begrijpen en te onthouden. Wanneer je immers in jezelf naar kennis gaat zoeken, zul je weliswaar niet al te veel incarnaties vinden, maar wel vele eigenschappen en tegenstrijdigheden, die je niet meent te kunnen verklaren. Leer in de esoterie te rekenen met het feit, dat u stoffelijk voor een deel bepaald en beperkt bent door alles wat stoffelijk voor u ging. Stoffelijk bent u een product van de natuur, waaraan u zonder meer niet zoveel kunt veranderen. Ten hoogste kunt u uw lichaam langzaamaan zeker iets beter geschikt maken voor het uiten van uw geestelijke behoeften. Verder gaat uw gezag over het stoflichaam niet. Wat in je leeft als een soort droom, een vaag ideaal, dat boven de vormen uitgaat, een aanvoelen meer dan een weten, is de innerlijke en geestelijke basis van uw wezen en leven. Menigeen voelt in zichzelf vaak de mogelijkheid aan van een volkomen vrede en verlangt, dat deze als een nevel zonder grenzen over de wereld zou liggen. Dit alles komt uit de geest. Wat uit de geest komt, heeft in de stof wel eens vreemde consequenties en onverwachte uitwerkingen.

Er was eens een mens die reeds, toen hij geboren werd, weende. Hij werd groter, maar sprak niet. Hij weende slechts. Men meende al, dat deze mens een idioot was, maar hij weende steeds voort. Op een dag zag deze mens twee vogels in een perelaar zitten en snavels wrijven, alsof zij stil met elkaar fluisterden. Toen lachte deze mens. Een ieder verwonderde zich daarover. Maar deze mens had heel zijn leven heimwee gehad naar een wereld, die hij moest verlaten. Heimwee naar de Lichtende zekerheid, die terug was geweken in ongekende verten. Toen hij de vogels zag, vrij, zonnig en vredig, voor een ogenblik fluisterende in de bloeiende boom, vond hij in zich voor een ogenblik de hemel terug. Daarom lachte hij. Van dat ogenblik af placht hij wel te spreken. Zijn woorden waren nooit vele, maar wat hij zei, was een woord van geluk, een woord van vrede, een zegening voor allen, die het hoorden. Soms weende de mens nog, dat is waar, maar altijd droogde hij zijn ogen snel. Naar de mensen keek hij niet meer en zelfs niet naar de vogels in de lucht en in de bomen. In zich vond hij een Licht, dat steeds een stralende glimlach op zijn gelaat geboren deed worden. Zo stil en vol was deze lichtende glimlach, dat op den duur de mensen wel moesten vragen: “Hoe kom je aan die lach? Wat betekent zij?”

De mens antwoordde: “Eens hunkerde ik naar een wereld van Licht en vrede. Nu heb ik de wereld leren zien en begrijp ik uit de wereld, hoe de vrede, waarnaar ik nog altijd verlang, wordt gebouwd uit alles, wat in de hemelen is, bestaat, ook op aarde. Maar wat in de hemelen voltooid is, is op de aarde nog ruw van vorm. Nu werk ik om de vrede, die ik verlang, te bouwen. En al is hetgeen ik bereik weinig, het is meer mijn vrede dan het in de hemelen ooit heeft kunnen zijn. Want ik heb begrepen uit de vogels en hun gefluister: alleen, waarin ik zelf geheel leef, waar ik ziel en wezen in weet te leggen, besta ik werkelijk…. Zoveel woorden had men nog nooit van hem gehoord. Zovele woorden achtereen heeft hij ook nooit meer gesproken. Hoe jammer, dat maar weinig mensen die woorden begrepen hebben.

U, met uw geestelijk denken en streven, zoekend naar de innerlijke weg, het eigen pad, moet wel begrijpen, dat wij natuurlijk onszelf los kunnen maken, ook van een stoffelijke wereld. Misschien is het door concentratie mogelijk in het levende Licht ondergedompeld te zijn, ja, zelfs de vrede daarvan te ondergaan en zelfs ook de Kracht en het Wezen, maar het zal nooit de onze zijn. Eerst wanneer men beseft, dat het eigen leven, de wereld en zelfs de geest niets anders zijn dan instrumenten en materiaal, waardoor men voor zichzelf de vrede, de kracht en het wezen van het eeuwige kan bouwen, heeft men werkelijk aan deze dingen deel. Dan eerst zal men waarlijk en zelf in de kosmos leven.

Het is misschien ingewikkeld. Maar ja, er zijn zovele verhalen en elk benadert hetzelfde probleem weer van een andere kant. Je weet nooit precies, wie en wat je bent. Je denkt jezelf te kennen. Alleen reeds de “kennis” van vorige levens voert tot vreemde misvattingen.

Er was eens een mens, die meende in een vorig leven zeker een machtig vorst te zijn geweest. Maar in werkelijkheid had hij nog in de vorige incarnatie als een hond langs de straten gezworven. Een ander meende zeker een nederige vorm van leven te hebben gekend. Deze was echter de grootste heerser van zijn tijd in een vorig bestaan. Zolang je in stof- en vormwerelden leeft, weet je niet, wat je bent en je hebt geen juist begrip, van wat je vroeger eens geweest bent. Toch is er één ding, waarvan men als mens en geest altijd zeker kan zijn.

Alle leven en alle kracht, zo zegt een oud boek, waren eens een eenheid. Het geheel was als een kristal van Goddelijke schoonheid, dat fonkelde in de hoge hemelen. De Schepper gaf het kristal het bewustzijn. Daaruit kwam de wil tot zelf-zijn voort. Daardoor brak het kristal in duizenden flinters uiteen. Sommige splinters vielen op de polen van de aarde en werden tot ijs. Andere splinters vielen in het vuur van vulkanen en werden tot zeeën en wolken. Weer anderen vielen in vruchtbare aarde. Zij werden tot planten, bomen en dieren. Enkele splinters werden, vóór zij geheel neer konden vallen, nog even door het Goddelijke Licht beroerd. Hun vorm veranderde. Zo ontstonden de eerste mensen. In hen is een herinnering van het grote kristal en allen menen dan ook: “Wij zijn de waarheid. Wij zijn het belangrijkste in de Schepping”. Maar hoe kan een splinter van het kristal ooit de schoonheid van geheel het kristal weerkaatsen? Eerst wanneer de eenheid van alle dingen terug is gevonden, de bewuste eenheid is bereikt en het kristal weer in de hemelen rust, zal men waarlijk kunnen zeggen: “Ziet, dit ben ik!”

Het oude boek spreekt van drie wonderlijke krachten, die eens in dit kristal woonden: een liefelijke Godin, die in haar handen een zwaard droeg en een tafel van zuiver goud, waarop alle wetten waren gegrift. De tweede kracht had de vorm van een volmaakt schone man. In de handen droeg hij een bokaal met kostelijke wijn en een gulden schaal met kostelijke gaven. Deze beiden spraken reeds in het kristal met elkander, want zij wisten omtrent het gebeuren. Zo spraken zij: “Wij beiden zullen eens de wereld zijn”. Maar de derde kracht was een krans van stralend Licht, zo verblindend, dat niemand lang haar kon aanschouwen. Uit het Licht sprak een stem tot hen: “Indien gij beide één zijt en niet tot eenheid wordt met mij, zo zal, wat nu is, breken en zal nooit herrijzen. Gij zult niet weten, noch uit wet, noch uit gaven. Slechts wie één is met mij, kent de wet, en weet, voor wie de gaven bestemd zijn, leert hoe alle dingen samen passen en kan zo de eenheid hervinden.”

De mensen van heden geloven niet meer, dat er eens in de hemelen een dergelijk kristal geflonkerd heeft en ook aan de drie figuren denken zij niet. Toch waren de drie krachten van eens, nu nog door het Al, ook al is het verhaal slechts een gelijkenis. Het Licht is een krans, die soms even boven een schepsel blijft staan en Licht en vrede geeft. Dan schijnen er stille woorden te klinken en zijn de raadsels van het Al, voor een ogenblik minder duister. De man is een schim van schoonheid. Als er ooit een mens weent, of geen vrede kan vinden, dan biedt hij deze zijn gaven, opdat er weer een lach zal groeien en het leven weer vol vreugde zal zijn. De vrouw doet streng en rechtvaardig haar zwaard dalen, overal waar er op de wereld onrecht is, zo de eeuwige wetten in de mens handhavende. U gelooft misschien niet daarin. Maar in en rond ons is steeds de kracht, die geeft, wanneer het nodig is, wanneer er werkelijk, intens en volledig, iets nodig is. Dan verwerft u een gave voor uzelf, die in zich goed is. Er is geen ogenblik, dat de mens, die werkelijke krachten rond hem aanvaardt, deze gave wordt ontzegd.

Zo u ooit onrecht hebt begaan, of anderen dit hebt zien doen, zo hebt u ook de wet in werking gezien, die onrecht wreekt op een wonderlijke en vaak onbegrijpelijke wijze: niet volgens de gedachten der mensen, maar volgens vreemde regels, die met grote felheid door de stof dringen en de mens in het diepste van zijn wezen beroeren en zelfs verwonden. Wanneer u geheel aan de wereld van menselijke zorgen ontrukt waart, hebt u zeker ook wel als een fonkeling achter de oogleden, een warmte, die uw wezen doordringt, de Lichtende kracht, gevoelt.

Het verhaal heeft een einde. Want, zo zegt men, eens werden de drie waarden begrepen.

Er was eens een mens die Licht vroeg. Niet voor zichzelf. Onrecht beging hij niet en voor zich eiste hij geen gaven. Deze werd één met het Licht en bracht het Al terug tot het kristal. De mensen aanvaardden hem niet. Hen leek het slechts, of de zon voor een ogenblik verduisterd was. Er is geen mens geweest op uw wereld, die door zijn liefde het recht terug hield en de scherpte van het zwaard neer deed komen op eigen onschuldig wezen. Hij bracht het recht terug tot zijn oorsprong. Nu regeert de liefde. Het Licht keerde met hem tot het kristal. Twee waarden zijn reeds één geworden. Maar nog gaat de man, de kracht der goedheid, met zijn gaven door de wereld, wachtend op de mens, die geen gave voor zich eist of neemt, maar leeft voor de mensheid en niet vragende, weet te geven. Ergens in het boek beschrijft men, wat zal gebeuren, er zal een slag klinken door het Al als het geluid van de donder. Eén zal het kristal geworden zijn, in zich dragende de drie krachten, in zich bergende alle sterren, in zich dragende de volmaaktheid van de Schepper. Dan zal de grote kracht zichzelf in het kristal spiegelen en spreken: Het is wel gedaan. Ik leef in u. De dag der Schepping zij ten einde. Rust in de nacht, die ik u schenk en ken Mijn wezen. Want weer zal Ik de dag stellen voor uw ogen, opdat gij verder moogt gaan.

Deze legende is voor mij de essence van de esoterie. Wij kunnen God niet alleen en zelf bereiken en het Al voleinden. Wij kunnen de drie krachten niet weer tot één maken, maar wij kunnen wel soms die ene daad, dat ene woord vinden, dat belangrijk is en dat tenminste één kracht terugbrengt tot zijn bron. Dit is onze taak. Zo wij de slagen van het Goddelijk recht voor anderen willen dragen en de gaven, die men ons biedt, slechts voor anderen begeren, zo zal ons ongetwijfeld het Licht worden gegeven. Eens zal het zo zijn voor alle mensen en zal de Kracht in allen leven, die een Mens eens deed gaan naar Golgotha, opdat de weg voor allen duidelijk zou zijn.