Ontwikkelingen in de geest

image_pdf

20 maart 1964

Allereerst moet ik u er op wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn, zodat u zelf dient na te denken.   Het onderwerp voor deze bijeenkomst is: Ontwikkelingen in de geest.

Er is voor ons van de Orde een tijd lang onzekerheid geweest. Afhankelijk van een andere en grotere groep, afhankelijk ook van kosmische werkingen, waren wij niet in staat om met enige zekerheid te zeggen, op welke wijze ons werk het best kon worden voortgezet. Daarbij speelden ook mogelijke stoffelijk ontwikkelingen een rol, maar hoofdzaak waren aspecten van vernieuwing die zich in sommige gevallen geleidelijk, maar in andere gevallen toch ook wel zeer plotseling zich zouden kunnen tonen.

Wij hebben nu langzaamaan de mogelijkheid gevonden, een balans op te maken. Deze balans is aan een kant misschien teleurstellend. Uit alles blijkt, dat de geest – en dit betreft dus niet alleen ons, maar praktisch alle geestelijke groepen die op aarde werkzaam zijn – in de komende jaren haar eigen werking en functie t.a.v. de stof zal moeten veranderen. Een lange tijd hebben wij getracht als het ware de mensen voor te gaan en onze leringen te geven, zelfs aanwijzingen en bepaalde bevelen gevende. Ofschoon de ODV zich van dit laatste steeds heeft onthouden, geldt toch ook voor haar, dat in de komende tijd de plaats tussen stof en geest voor iemand, die vanuit de geest werkzaam is, er een moet zijn, die uitgaat van een gelijkheid tussen deze beide waarden van leven en niet meer berust op een werkelijke meerderwaardigheid van de geest in alle opzichten.

Altijd weer beroept de mens zich op de geest, op God, op de Al-kracht, om van daaruit een beslissing te verkrijgen. Maar deze beslissingen liggen op het ogenblik niet meer in onze hand: Wij in de sferen kunnen onder de heersende omstandigheden niet meer met zekerheid en vooruit bepalen, welke richting een mens met zijn stoffelijk streven in moet slaan. Wij kunnen alleen zeggen: Over enkele honderd jaren vinden wij de wederkomst van een van de grootste geesten, die ooit op aarde geleefd hebben. Dan zal het nieuwe tijdperk ook in de stof geheel bevestigd zijn.

Maar de er tussen liggende periode, waarin zich een groot deel van de vernieuwing op aarde toch zal afspelen, laat ons in de kou staan. Wij hebben niet meer de mogelijkheid alles volledig te overzien, terwijl er een toenemend gevaar blijkt te bestaan voor ons, om bepaalde tendensen verkeerd te interpreteren.

Om u een voorbeeld te geven van de eigenaardigheden, die daarbij op kunnen treden, het volgende. Wij hebben enige tijd geleden iets gezegd omtrent het beursverloop. Daarbij namen wij bepaalde perioden aan als werkzaam in hausse – stijging – terwijl andere perioden voor ons duidelijk een baisse – een daling – betekenden. Het blijkt nu, dat dit alles geheel juist was gezien, maar ook geheel verkeerd was afgelezen. De spiegeling van waarden bracht ons er namelijk toe, baisse te zeggen waar wij hausse hadden moeten zeggen en omgekeerd. Dergelijke vergissingen zijn natuurlijk bij een prognose niet zo belangrijk, daar wij toch niet aannemen, dat u onmiddellijk zult weggaan om aandelen enz. volgens deze voorzeggingen te kopen.

Maar wanneer het over ernstiger dingen zou gaan, als waarden van geestelijke bewustwording en inwijdingsmogelijkheden, kan men zich een dergelijke vergissing niet permitteren. Dit betekent, dat steeds meer onzekerheid zal gaan heersen op punten, waar wij voor de stof zouden moeten beslissen of met enige zekerheid de meest juiste weg zouden moeten aanwijzen t.a.v. stoffelijke wegen en mogelijkheden. Wij kunnen wel vanuit onze ervaringen en vanuit onze eigen geestelijke mogelijkheden, u bijstaan.

Voor de geest is er echter nog iets aan de hand. De toenemende golven van energie, die ook u binnenkort zullen gaan beroeren, hebben op zijn minst genomen binnen de sferen enige levendigheid veroorzaakt. Van vele zijden probeert op het ogenblik de geest in te werken op de mensheid, waarbij eenieder uitgaat van zijn eigen standpunt. Normalerwijze zou dit niet zo ernstig zijn, omdat men nu eenmaal voor een inwerken vanuit de geest over redelijke kracht dient te beschikken en een redelijk afstemming zal moeten handhaven met alles, wat daaraan verder nog verbonden is. Maar op het ogenblik is er in de sferen een zodanige toename van Kracht, dat vele niet voldoende bewuste en voor contacten met de stofwereld niet voldoende geschoolde geesten deze mogelijkheden zullen vinden. Daar dezen niet zozeer getraind zijn in het gebruik van mediums en dergelijke middelen van uitdrukking, als degenen die zich het helpen van de stofmens reeds lange tijd ten doel stelden, grijpen zij hoofdzakelijk naar de mogelijkheden tot inspiratie en het beïnvloeden van mensen via het onderbewustzijn.

Het resultaat is verwarrend voor ons. Vanuit de sferen gezien wordt het ook hierdoor bijzonder moeilijk, om nu precies te zeggen, wat er bij de mensen zal moeten gebeuren. Eenieder, die ingrijpt op aarde, vanuit een der Lichtende sferen doet dit ongetwijfeld ten goede, volgens eigen inzichten en weten. Maar moeten wij, gezien de verschillen van inzicht en ervaring, die toch bestaan in onze sferen, gaan strijden met elkander over de juiste wet, formulering en beïnvloeding? Door een dergelijke onenigheid in de Lichtende sferen zouden wij niet alleen ons werk en de mensheid schaden, maar zeer waarschijnlijk onszelf en andere geesten een verder stijgen in bewustzijn zeer moeilijk maken. En dergelijke dilemma’s kunnen o.i. in toenemende mate verwacht worden.

Nu weet ik wel, dat dit probleem door de meeste andere vanuit de geest werkende groepen niet zo openlijk zal worden gesteld en behandeld. Wij zijn, wat dat betreft, misschien wel een beetje dom en beschikken dan ook niet over een soort regeringsvoorlichtingsdienst, om de zaak in de doofpot te stoppen. Wij menen, dat oprechtheid in deze de beste weg is en zullen trachten de zaak zo duidelijk mogelijk te stellen.

De Kracht, die ook voor u komt en in de sferen reeds wassende is, maakt het noodzakelijk, de rol van leider op te geven en onze bemoeiingen te wijzigen in de richting van het medewerken van een belangstellende oudere broeder. Voor de mensen betekent dit, dat zij nog veel meer dan voorheen zelf de verantwoordelijkheid voor eigen stoffelijk en geestelijk leven op zich zullen moeten nemen en vanuit zichzelf vaak vergaande maatregelen zullen moeten nemen. Verder houdt het in, dat, bij een wegvallen van een ingrijpen vanuit de geest, velen zelf naar een meer ingrijpende activiteit op velerlei terrein zullen moeten gaan zoeken, omdat hen “minder op de weg gebracht” zal worden.

Voor de geest betekent deze wijziging van verhoudingen, dat zij eigen meningen, vooroordelen en opvattingen, die niet met de stoffelijk gangbare stroken, bij alle benaderingen van de stof steeds meer ter zijde zullen moeten gaan zetten. Zij mag immers onder de heersende condities geen invloeden gaan scheppen, die tegen de belangen en inzichten van de mensen zonder meer ingaan. Wij mogen niet door onze leringen u grotere onzekerheden gaan scheppen, dat u over ongeveer 1 ½ half jaar al zonder ons zult moeten ervaren.

Zo staan de zaken er dus voor, voor onze Orde en gezien vanuit onze Orde. Maar wat is deze Orde eigenlijk? Ofschoon zij op zich een heel respectabele geestelijke groepering is, vormt zij toch maar een betrekkelijk klein deel van alles, wat er op dit terrein in de sferen nog verder bestaat. Er zijn duizenden groepen, kleinere, maar ook grotere broederschappen. Er zijn in de sferen bepaalde hiërarchische verhoudingen. Overal gaat echter hetzelfde gelden: Ook degenen die in sfeer boven ons staan en daardoor een zekere zeggingschap konden uitoefenen – iets wat door ons overigens gaarne aanvaard werd – staan voor dezelfde moeilijkheden en verschijnselen als wij. Er is een soort shift, een verandering van waarden gaande, waardoor het zeer moeilijk is op grond van het verleden en eigen ervaringen binnen eigen sfeer de ontwikkelingen in een andere wereld of sfeer dan de eigene te overzien. Ook zij zullen daardoor hun rol van leraar althans tijdelijk moeten verwisselen voor die van oudere broeders, die raad geven en bepaalde punten ter overweging voor kunnen leggen, maar toch niet meer geneigd zijn predicties te geven of beslissingen te treffen. Zij zullen dus niet meer – wat ook vanuit ons standpunt toch wel zeer aangenaam kan zijn – bereid zijn de verantwoordelijkheid te dragen voor een bepaalde wijze van handelen in of vanuit onze lagere sfeer.

Misschien is dit alles voor u niet zo buitengewoon interessant en vraagt u zich nu af: “wat zal dit voor onze wereld dan wel gaan betekenen?”, ofschoon daarover door ons reeds in de laatste tijd voldoende werd gezegd, naar ik meen. Wij kunnen echter wel met zekerheid stellen, dat de geestelijke invloeden en leringen op deze wereld van u in de komende tijd – althans voorlopig – de neiging zullen vertonen om steeds meer tegenstrijdig te zijn. Daaraan is niets te doen. De beste groepen, die op aarde werken, blijven natuurlijk desondanks een zekere harmonie van streven en lering behouden. Ofschoon dit u misschien wat chauvinistisch klinkt, beschouwen wij onze Orde als een hiervan.

Deze harmonie is mogelijk, omdat deze groepen uiteindelijk zich baseren op een kosmisch principe, dat voor alle sferen en werelden gelijkelijk bestaat en dus altijd en overal zal blijven gelden. De verschillende benaderingen en opvatting kunnen hierbij wel een schijn van tegenspraak wekken, maar geen feitelijke tegenwerking betekenen. Juist de kleinere geestelijke groepen echter die vanuit een meer beperkt of meer religieus besef op aarde hun werkzaamheden verrichten, zullen zich afgesneden zien van de wereld der mensen. De informaties, die zij omtrent die wereld nog kunnen verwerven, zijn vertekend, hun contacten en pogingen tot ingrijpen op de menselijke wereld hebben steeds minder verband met de feiten, zoals deze in de stof nu eenmaal bestaan.

Wat het verkrijgen van inlichtingen en juiste inzichten omtrent het verloop van gebeurtenissen in de stof betreft, kan het best de toestand worden vergeleken met de uitwisseling van berichten tussen twee landen, die in oorlog zijn: zoals men dan juist uit hetgeen wat men niet verneemt, zal moeten afleiden, wat er nu feitelijk aan de andere kant gebeurt, zullen ook de groepen in de geest hun inzichten eerder moeten baseren op invloeden, die uitblijven, dan op werkingen, die zij waar kunnen nemen, om een redelijk juist beeld van de werkelijke mogelijkheden en noodzaken op aarde te verkrijgen.

Daarom zijn er door de grotere krachten en groepen in de geest een aantal besluiten genomen, waarover u in de toekomst nog wel meer zult horen.

Vanuit het standpunt van onze Orde kan ik echter enkele punten reeds formuleren:

  1. De Orde stelt zich ten doel op zo juist en goed mogelijke wijze de banden tussen geest en stof ook verder te handhaven, met uitsluiting van elke dogmatische stelling of bindende verklaring.
  2. Wij zijn er echter van overtuigd, dat het ons niet altijd mogelijk zal zijn, aanwijzingen te geven voor het meest juiste gedrag, zodat een werkelijke leiding met bindende opdrachten enz. slechts onder uitzonderlijke omstandigheden mogelijk zal zijn. Onze raadgevingen enz. komen steeds voort uit eigen begrippen en eigen ontwikkelingen in eigen wereld, zodat zij steeds op geestelijk niveau voor de mens belangrijk zullen zijn, maar slechts ten dele en dan nog slechts in de tweede plaats materieel enig belang zullen kunnen hebben.
  3. In onze samenwerking met de Grote Broederschap en de binnen deze federatie opgenomen andere groepen hebben wij in de laatste tijd de ontwikkelingen in de stof met grote belangstelling gevolgd.

Wij menen bij onze verdere arbeid uit te mogen gaan van de vaststellingen omtrent stoffelijke noodzaken en mogelijkheden, die wij in deze periode hebben gedaan. Wij hopen binnenkort – en daarvan zult u dan ook weer horen – een nog geheel juiste en verantwoorde analyse te kunnen geven van de materiële mogelijkheden en toestanden, zoals deze op dit ogenblik bestaan. In wezen zal dus, tenminste voor het komende jaar, onze benadering van de stof gebaseerd zijn op de waarden, die bestonden op het ogenblik, dat de vertekenende invloeden ook op aarde werkzaam begonnen te worden.

  1. Dan stelt de Orde verder: Waar het niet mogelijk is, in meer algemene zin leiding te blijven geven, zal worden getracht een persoonlijke hulp – dus niet leiding – te geven aan allen, waarvan het streven in overeenstemming is met de als juist erkende doeleinden, die de Orde meent na te mogen streven voor de mens in de stof.

Zoals u ziet is hier, met enkele regels, reeds zeer veel gezegd. De veranderingen, die in de sferen optreden, de verhouding stofwereld – geest in de komende tijden, ligt daarin in wezen reeds opgesloten. Toch zullen wij bij het beschouwen van deze problemen – want dat zijn het voor ons – nog wel aan enkele andere dingen denken. U weet allemaal waarschijnlijk wel, dat de geest op aarde zo nu en dan nog wel iets kan doen. Wanneer bij ons in de sferen de energie groter wordt, wordt onze mogelijkheid om op aarde iets kenbaars te bereiken eveneens groter. Maar gelijktijdig wordt dus, zoals nu blijkt, de mogelijkheid om een juist inzicht in de werkelijke stoffelijke verhoudingen te verkrijgen, kleiner. Dit betekent dus, dat een ingrijpen op individueel vlak nog wel aanvaardbaar kan blijven, maar dat een ingrijpen op een méér omvattend vlak als bv. een land, een natie, een bevolkingsgroep, binnenkort niet meer verantwoord en dus nog aanvaardbaar zal kunnen worden geacht.

Deze werking houdt in, dat de mens, geestelijk, maar waarschijnlijk ook lichamelijk, krachtiger, vitaler, gaat worden. Of de mensen met deze extra energie ook weg zullen weten, blijft een grote vraag. Degenen, die op dit ogenblik reeds langere tijd met geestelijk werk bezig zijn en dit ook verder voort blijven zetten, zullen waarschijnlijk dankzij deze energie bewust door kunnen dringen tot in onze werelden. Alleen: Wanneer hun stoffelijk begrip een rol gaat spelen bij de interpretatie van de waarden van onze werelden zal voor dezen – evenals dus voor ons – de mogelijkheid bestaan om alles, wat zij in onze sferen ervaren, zien en waarnemen, verkeerd te interpreteren. Het is dus noodzakelijk geworden, ook hier naar mogelijke corrigerende werkingen en factoren te zoeken. Het is duidelijk, dat onder de dan heersende omstandigheden ook deze corrigerende factoren alleen op een zuiver persoonlijk vlak zullen liggen.

Om een oplossing hiervoor te vinden, wordt er gezocht naar een meer directe verbinding met de materie. Deze verbinding bestaat helaas nu alleen via hen, die reeds een zekere inwijding hebben ontvangen. Hierover hebben wij reeds meermaals gesproken – zodat u wel weet – dat er mensen zijn, die het Goddelijke Licht regelmatig kunnen ervaren. Zij zouden voor deze contacten in aanmerking kunnen komen. In hoofdzaak echter zullen wij ons toch voor een contact op aarde ons moeten gaan beroepen op mensen, die een verder gaande inwijding hebben. Zo zal het systeem van geestelijke voorlichting, zoals dit op het ogenblik bv. spiritualistisch bestaat, plaats gaan maken voor het oude lerarensysteem waarbij men steeds meer goeroes op zal zien treden.

Wij zullen ons af moeten vragen op welke wijze wij vanuit de geest via deze goeroes met redelijke juistheid kunnen werken. Vanuit de sferen blijkt het volgende beeld dan te bestaan: De leraar, die in voldoende contact met de mensen leeft en wie dus het menselijke niet vreemd is, heeft over het algemeen een juister inzicht in de materiële verhoudingen, ontwikkelingen en wenselijkheden, dan de geest zelf op dit ogenblik reeds met zekerheid kan verkrijgen. Zijn doel en doelstellingen kunnen echter veel eenzijdiger en beperkter zijn, dan voor de geest aanvaardbaar is.

Zo zal het noodzakelijk zijn, zoveel mogelijk geestelijk verschillend gerichte persoonlijkheden te zoeken – met voldoende inwijdingsbereiking en/of graad – om van deze aan de mensheid bepaalde wijsheid toch onvervormd over te kunnen brengen.

Wij moeten dan maar rekenen op de mogelijkheden tot samenvatten van verschillende lessen door de mensen en de mogelijkheden tot een juiste vertaling van geestelijke principes binnen het kader van het stoffelijk mogelijke en aanvaardbare door deze adepten.

Het aantal, dat voor dergelijke werkzaamheden en beïnvloedingen beschikbaar is, kan redelijk groot genoemd worden. Wij zien daarbij vooral als belangrijk, dat vele van deze adepten op hun doortocht – zeer velen van hen zijn op het ogenblik a.h.w. op reis naar toekomstige vestigingen – leerlingen hebben aangetroffen en ten dele ingewijd. Het totale aantal lijkt mij – dit is een persoonlijke mening – niet voldoende om aan de behoefte tot geestelijke ontwikkeling en esoterische behoeften in de komende tijd geheel tegemoet te komen. Vanuit het standpunt van de geest in de sferen is dit te betreuren. Vanuit een werelds standpunt kan het misschien prettig zijn, omdat de overgang nu wat geleidelijker wordt. Misschien zijn wij hier wel ongeduldig op een wat kinderlijke wijze en wensen wij telkens weer, dat onze verjaardag reeds morgen zal zijn. Want wij willen de bereiking altijd weer graag dichtbij zien. Hoe dit alles gaat verlopen, is dus voor ons een raadsel. Wat mogelijk en waarschijnlijk ook belangrijk is: De voorlichting die over de sferen zelf gegeven wordt, zal, zolang men zich dus op geestelijke zaken blijft baseren, haar volle waarde ook in de komende tijd kunnen behouden. Het is dus mogelijk alle waarden, die in onze sfeer reëel bestaan, naar uw wereld over te brengen als een lering, zolang er nog daar passende woorden voor te vinden zijn. Maar het is niet meer mogelijk om de juiste toepassing van deze waarden in de materie nog weer te geven. Dit is iets, wat elke mens voor zich en vanuit zichzelf zal moeten besluiten. Dan is er nog de kwestie van de astrale wereld. Wij hebben uit de sferen een groot aantal astrale voertuigen geschapen en regelmatig bezield, om op deze wijze in uw wereld gemakkelijk in te kunnen grijpen. Deze dingen kun je niet zo in een-twee-drie teniet doen. Wat dit aangaat ben ik dan ook zeer benieuwd, wat de Grote Raad van de Witte Broederschap dienaangaande besluiten zal. Want deze vormen zullen ongetwijfeld ook gewijzigd moeten worden – en wel vanuit de sferen. Vanaf de aarde hebben de mensen ook een groot aantal dergelijke vormen opgebouwd.

Een deel daarvan onttrekt zich aan een beïnvloeding vanuit de sferen, omdat de beelden nu eenmaal zo menselijk zijn, dat je met geestelijke waarden en krachten daaraan niets of slechts uitermate weinig kunt doen. Ik neem aan, dat de invloed van dergelijke astrale beelden en krachten op aarde dus aanmerkelijk groter zal gaan worden dan zij tot nu toe was.

Een punt om even bij stil te blijven staan: dit betekent zeer waarschijnlijk, dat allerhande extreme richtingen bij de mensen in de komende tijd aanmerkelijke versterkingen zullen ondergaan. De neiging tot extremisme op elk terrein zal zich dus bij u wel verder blijven ontwikkelen.

Wat wij vanuit de geest daartegenover kunnen stellen is verdraagzaamheid, naastenliefde, inzicht. Maar een inzicht dat op geestelijke waarden gebaseerd is en daardoor voor vele mensen in de stof niet meer aanvaardbaar zal zijn.

Ook deze problemen zullen wel hun oplossing vinden. Wij zijn ervan overtuigd, dat wij over 5 à 6 weken reeds nauwkeurig zullen weten, wat wij in de komende tijd als Orde zullen gaan doen. Dit houdt in, dat dan toch een voldoende duidelijke beeld van de mogelijkheden verworven moet zijn, ook al wordt er op het ogenblik nog onderzocht en gepraat. Omdat wij geen commissies behoeven in te stellen, die alles nog eens afzonderlijk onderzoeken en geen politieke belangen kennen die gespaard moeten worden, neem ik aan, dat onze werkwijze veranderingen zal ondergaan, die op korte termijn tot redelijke resultaten kunnen voeren.

Wat uw aarde betreft, moeten wij er verder wel rekening mee houden, dat zij niet zo in verhouding rustig zal blijven als zij nu is. Aan rampen e.d. is men in deze tijd waarlijk wel gewend. Deze kunnen buiten beschouwing blijven. Maar de aarde zelf zou – en dit is mogelijk zeer belangrijk – in de komende 8 à 9 jaren een verandering kunnen ondergaan, die mogelijk niet alleen haar magnetisch veld treft, maar bovendien een vergroting van zwaartekracht deviaties betekent en een versterking van verval en omzetting voor sommige elementen. Op aarde zal men dit niet zo gemakkelijk vast kunnen stellen. Het halfleven van sommige actieve elementen zal echter langzaamaan terug gaan lopen.

Dit betekent, dat ontbindings- en vervalprocessen op aarde de komende 1000 jaren steeds sneller plaats zullen hebben, wat zelfs een verandering van de samenstelling van de atmosfeer ten gevolge kan hebben, zij het, dat dit enkele, in wezen nu niet belangrijke gassen betreft.

De gevolgen van dit alles zijn niet te overzien. Men kan aannemen, dat de invloed na enige tijd de ademhaling en zo ook het menselijk lichaam zal vervormen, terwijl verder een wijziging in de waarde van sommige voedingsmiddelen op kan treden, wat voor de menselijke stofwisseling van belang zou kunnen zijn. Waartoe dit echter uiteindelijk voeren zal, is onbekend. Met dergelijke onbekende waarden kunnen wij vanuit de geest moeilijk rekening houden. Wij zullen ons in de toekomst dus steeds meer moeten gaan concentreren op de zuiver geestelijke waarden.

In de sferen gaan veel stemmen op, die menen, dat het nu de tijd is de mens te leren, hoe hij eigen geest kan gebruiken. Want wanneer de mens de krachten van eigen geest ook in de stof geheel leert gebruiken – en dit kan, volgens de geldende opvattingen, wel degelijk door de geest aan de mens geleerd worden – zal deze mens in de materie sterker komen te staan tegenover de mogelijke gevolgen van veranderingen, die wij nu niet kunnen overzien en waaraan wij waarschijnlijk vanuit onze wereld toch weinig of niets kunnen doen. Of dit werkelijk zal gelukken, weet ik niet. Binnen de Orde hebben wij ons in de laatste tijd vooral toegelegd op inzicht, waarbij zeker vooral de laatste 3, 4 jaren de belangrijkheid van harmonie door ons naar voor werd gebracht.

Ik geloof niet, dat wij een streven naar nog grotere onderlinge verbondenheid en harmonie van de mensen nog veel verder door kunnen voeren. Persoonlijk neem ik dus aan, dat de leringen van de Orde in de komende jaren of wel zeer praktisch en gericht op het ontwikkelen van geestelijke gaven zullen zijn, dan wel vanuit een menselijk standpunt bijzonder wereldvreemd aan zullen doen. Ik meen zelfs, dat een mengsel van deze elementen in het toekomstige werk van de Orde op aarde haast onvermijdelijk is. Ofschoon ik wel degelijk besef, dat ik u nog niet veel heb verteld over alles, wat er reeds nu in de sferen gebeurt, hoop ik u met het voorgaande toch enigszins een beeld gegeven te hebben van alles, wat dit voor u en ook voor ons kan inhouden. De tijd is daarbij een onbetrouwbare factor voor ons geworden. Het is voor ons uit de sferen toch altijd al moeilijk geweest in uw tijd berekeningen te maken, maar nu gaat het er naar uit zien, of de verschillen tussen de subjectieve tijdsbeleving in onze wereld en de z.g. objectieve tijd van uw wereld nog veel groter en onregelmatiger zullen worden. Wanneer wij echter in de sferen zelf een harmonie op kunnen bouwen, waarin de strijdigheden, die zich in de komende jaren ongetwijfeld zullen ontwikkelen, harmonisch worden opgelost en de eenlingen, die actief zullen worden door het komende groeien van Krachten, zich samen gaan sluiten – waarschijnlijk binnen de Witte Broederschap – om de mensheid directe geestelijke scholing te geven, zo kan verwacht worden dat, althans op dit terrein de invloed van de sferen verder kan worden uitgebreid dan nu denkbaar lijkt.

Dan zullen de stoffelijke communicatiemiddelen met de sferen, die in de toekomst langs mechanische ontwikkelingen zullen ontstaan, een verder gaande betekenis kunnen verkrijgen dan alleen persoonlijk contact. Het is niet uitgesloten, dat het hierdoor mogelijk wordt om op een voor de mensen aanvaardbare wijze steeds meer van de ons bekende kosmische werkelijkheid naar voren te schuiven als vervanging voor de in vele gebieden nog overheersende menselijke waanbeelden en waarderingen.

Geestelijke waarden en zelfs eeuwigheidswaarden zouden dan meer en meer in de plaats kunnen komen van de toch wel zeer tijdelijke en vluchtige gebondenheden en waarden, die de mens pleegt voorop te stellen. Men zal, naar ik meen, er ook in slagen, om een begrip voor de eeuwige ritmen in de plaats te stellen van de door menselijk voorstellingen en theorieën ontstane opvattingen omtrent curven en ritmen op aarde. Wanneer dit verwezenlijkt kan worden – en vanuit de sferen gezien lijkt mij dit toch wel binnen een betrekkelijk korte tijd mogelijk – zal de mens kunnen leren reeds als geest te leven op aarde. Misschien lijkt dit sommigen onder u niet bepaald aantrekkelijk. Een geest heeft echter veel meer mogelijkheden dan een lichamelijke mens. Met haar kracht en heerschappij kan de geest van de stof een zo veel meer rendabel en praktisch gebruik maken, dan nu gemiddeld geschiedt.

Indien ik mij niet vergis, zal men allereerst terug moeten keren tot een grotere zakelijkheid. Deze zakelijkheid zal ook inhouden, dat men geen verschil meer zal maken tussen een geestelijk erkende waarheid en de stoffelijke verwerkelijking daarvan. Voor ons in de sferen kan dit van groot belang zijn, omdat de geest, die vanuit de stof tot ons komt, ons dan van ervaringen kan vertellen, die gebaseerd zijn op ook voor ons geldende maatstaven en waarden. Hieruit zouden weleens geheel nieuwe inzichten omtrent de mogelijkheden en capaciteiten van de materie kunnen ontstaan! Wij gaan dus een zeer belangwekkende tijd tegemoet. Ik hoop alleen maar, dat ook u deze tijd als belangwekkend, geestelijk vruchtbaar zult ervaren en niet alleen zult staren naar de enkele gebeurtenissen en invloeden, die stoffelijk wat minder aangenaam zijn.

Vragen

  • U hebt  in het verleden reeds zeer veel stof gegeven waarmee de mens door studie kan bereiken, wat wordt beoogd?

Natuurlijk. Maar hoeveel gebruik maakt men daarvan? Wij hebben gedaan wat wij konden. Maar wanneer 1/3 van hetgeen wij uitzaaien, vrucht draagt, mogen wij al blij zijn.

Misschien zouden wij nu moeten zeggen: Wij hebben gezaaid in een tijd, dat dit mogelijk was; nu zullen wij rustig wachten tot de oogst rijp is. Er zijn echter nieuwe mogelijkheden: de bewust actieve geest, die in de stof leeft.

Nu wij af moeten wachten, wat er van de wintertarwe terecht komt, zijn wij al weer klaar om alles in orde te gaan maken voor de zomertarwe. Wij willen niet stil blijven staan. Ook al worden tijdelijk de verschillen tussen uw wereld en de onze groter en zullen vertekening optreden, die even misleidend kunnen zijn als hittespiegelingen in de woestijn, toch zullen de materiële wereld en de geestelijke wereld weer tezamen kunnen komen. Daarom moeten wij reeds nu binnen de mogelijkheden, die nu bestaan, trachten verder te bouwen en de banden tussen uw wereld en de onze sterker te maken, waar dit mogelijk is.

Daarbij mogen wij ons niet af laten schrikken door de verschillen en spanningen, die bestaan of kunnen ontstaan. Wij staan dus nog steeds achter elke lering, die wij in het verleden gaven en blijven actief, zij het, dat de mogelijkheden wat anders komen te liggen. Wij hadden dus hierover kunnen zwijgen. Het leek ons echter niet reëel, aan dit alles zo maar voorbij te gaan. Veel misverstanden kunnen uit de weg geruimd worden door, zodra men enig beeld heeft van de toestanden en mogelijkheden, een spreker – in dit geval ben ik dit dus – de mensen hierover voor te doen lichten. Dit is belangrijker, dan u denkt, want indien u aan de geest een andere waarde of betekenis toekent, dan wel van die geest andere waarden verwacht, dan in de toekomst mogelijk zijn, kunnen daaruit niet alleen misverstanden, maar ook mislukkingen en ongelukken voortkomen. Dan zou het ons of u kunnen vergaan als iemand, die denkt een meer water te gebruiken om vuur te blussen, maar in feite een emmer olie of benzine in het vuur gooit. Daarom geven wij zo snel en zo zuiver mogelijk voorlichting over de feitelijke situatie en kondigen hierbij aan, dat onze wijze van werken binnen afzienbare tijd grote veranderingen zal ondergaan.

Onder meer zullen wij ons moeten afwenden van werkzaamheden, die te zeer met de materie gebonden waren. Om u een voorbeeld te geven: Wij hielden ons, zover mogelijk, ook bezig met het genezen van lichamelijke kwalen. Dit geschiedde ook direct en dus niet slechts door bemiddeling van genezers e.d. Nu treden echter vertekeningen op. Het is dan niet meer verantwoord zonder meer direct vanuit de geest in de grijpen. Wat weer betekent dat dergelijke genezingen door menselijk contact en menselijk ingrijpen zullen moeten geschieden. Misschien maakt dit de betekenis van het gestelde duidelijker? Het neemt niets weg van alles, wat wij in het verleden gedaan en gegeven hebben, maar houdt wel in, dat alles wat werd gedaan en gegeven nu door de mens voor zich verwerkt moet worden terwijl de mens verder een deel van de taken, die wij op zijn wereld trachtten te vervullen, nu zelf op zich zal moeten gaan nemen.

De verbondenheid, en harmonie neemt dus niet werkelijk af, maar de mogelijkheden tot uiting hiervan komt anders te liggen.

  • Hoe staat het dan met de inwerking van grote Meesters, zoals wij er ook hier de laatste tijd wel gehad hebben?

Ik denk dat u daarvan ook in de komende tijd nog veel zult bemerken, zodat zelfs in onze kringen het optreden van deze Meesters nog langere tijd voortgaat.

Daarbij dient u er wel rekening mee te houden, dat deze Meesters in hun leringen teruggrijpen op oer-geestelijke waarden en door hun uiterste eenvoud meer kunnen doen. Zij immers trachten niet werkelijk iets uit te leggen. Zij zeggen alleen maar iets, wat u zelf moet verwerken en verwerkelijken. Wij daarentegen trachten u uitleg te geven. Zij zullen daarom gemakkelijker door kunnen werken dan wij. Overigens is het niet aan mij een oordeel te vellen of een prognose te geven omtrent de dingen, die zij wel dan niet zullen doen. Dat begrijpt u, naar ik hoop, wel. Het is misschien wel aardig hierbij op te merken dat, wanneer het aantal adepten, dat direct actief moet worden, in korte tijd een uitbreiding ondergaat met velen die nog wel geen adept zijn, maar toch als leerling kunnen gelden en mede kunnen werken, volgens ons het contact tussen de grote Meesters en de mensheid langs deze weg mede zal gaan verlopen.

Ik kan mij niet voorstellen dat een grote Meester een weg blijft bewandelen, die steeds meer bezwaren oplevert, wanneer er andere wegen bestaan, die zekerder zijn. In mijn oordeel kan ik echter falen, ik ben immers zelf geen “grote Meester”. U weet dat nog niet? Ik wel. Het is zo gemakkelijk, aan zelfoverschatting te gaan lijden en aan te kondigen: “Hier spreekt Meester Jozef.”

In zekere zin ben ik een meester, maar dan alleen met een certificaat dat onderwijs toelaat voor de laagste klassen. Wanneer u het woord Meester hoort, denkt u aan een wereldmeester.

Vandaar, dat ik deze term afwijs en meen, dat zij alleen gebruikt mag worden voor de allerhoogste geesten, voor de allerhoogste krachten die zich uiten op uw wereld, degenen, die sferen en wereld en alles wat daarin leeft, steeds nog weer een lesje kunnen geven.

  • U stelt, dat inspiratie in de komende tijden steeds meer vertekend kan zijn. Dit betekent dan, dat de mens steeds meer zelf verantwoordelijkheid moet dragen, niet meer op een impuls af mag gaan en steeds redelijk verantwoord zal moeten reageren.

Ik geloof niet, dat redelijk verantwoord hier de juiste term is. Wanneer wij de onredelijkheid zien van alles, wat mensen nog redelijk verantwoord plegen te noemen…. De mens beschouwt nu eenmaal de menselijk heersende normen – niet de feiten – als basis voor redelijk overleg en denken, terwijl hij daarbij zeer vele malen uit het oog verliest, dat er ook nog feitelijke normen en mogelijkheden zijn. Men zal echter met de feiten op de wereld rekening moeten houden en zal zich niet in zijn redelijkheid mogen beperken tot de menselijke stellingen en opvattingen van dit alles. Neem maar één voorbeeld: de prijsindex vertoont de laatste twee maanden praktisch geen stijging. Dus zijn de prijzen niet werkelijk belangrijk gestegen. Maar wanneer u meent, dat dit waar is, zult u behoren tot een gezin van een ongeschoolde arbeider, dat zich geen luxe veroorlooft of veroorloven kan en vele artikelen, die voor anderen een levensbehoefte blijken te zijn, niet opneemt in zijn levensmiddelenpakket.

Een “beroep op redelijkheid” lijkt mij dan ook gevaarlijk. Ik zou zeggen: “Wanneer je weet, dat iets voor jezelf goed is, moet je ook bereid zijn de consequenties daarvan persoonlijk en te dragen en te aanvaarden. Zolang deze bereidheid bestaat en het inzicht in de mogelijke gevolgen, kun je ook in de komende tijden rustig volgens je intuïtie werken. Volgens mij komt het erop neer, dat men dus wel zijn intuïtie of inspiraties mag volgen, maar dit niet meer mag doen tegen eigen beter weten of inzicht in, alleen maar, omdat dit nu eenmaal een stem van de geest, een opdracht is van een geestelijk leider, enz.

  • Dit is toch al altijd zo geweest?

Neen. In vele gevallen kon de verantwoordelijkheid worden overgedragen.

Voorbeeld? Jezus zegt tot een apostel: laat alles achter en volg mij. De verantwoordelijkheid voor dit achterlaten ligt hier bij Jezus, niet bij de apostel, die immers in een volledige overgave aan Jezus leeft. Nu is Jezus niet meer op aarde. Zijn wetten en leringen bestaan echter nog wel.

Nu komt er iemand, die dit zelfde verneemt. Er is echter niemand meer in zijn eigen wereld, die hij zichtbaar kan gehoorzamen en volgen. Dan zal hij dus vanuit eigen gevoel van verantwoording tegenover anderen, zijn innerlijk gevoel van aanvaardbaarheid, moeten besluiten wat hij wel en wat hij niet op verantwoorde wijze kan achterlaten.

Daar wringt bij deze veranderingen vaak de schoen. In vele kringen is het zo geweest – al heeft u bij de Orde daarvan niet zoveel last gehad – dat precies werd gezegd: dan en dan zult u samenkomen, die en die uitgaven zult u doen, gene offers zult u brengen, dat echter zult u laten. Er was daar dus in wezen sprake van een gezagsverhouding, waarbij de geest verantwoordelijkheid droeg. In het verleden was dit verantwoord. Nu echter zal, onder de druk van veranderde omstandigheden, het niet meer mogelijk zijn voor de geest, om waarlijk in geestelijke en desnoods stoffelijke opzichten verantwoordelijkheid voor de mensen te dragen. Dit vervalt dus: Degenen, die de bevelen zouden geven, zijn niet meer in staat, de juistheid van hun bevelen te toetsen of de gevolgen daarvan te overzien.

Daarom mogen wij wel zeggen dat de eigen verantwoordelijkheid van de mens steeds groter wordt. Wij hebben binnen de Orde getracht de laatste jaren dit voor u steeds duidelijker naar voren te brengen. In onze betogen van de laatste tijd zult u verder misschien iets ontdekt hebben, wat velen minder prettig vinden: Ofschoon in de geest de intentie geldt en bepalend is voor leven en bewustwording, zal men op aarde zichzelf alleen kunnen beoordelen – evenals anderen overigens – aan de hand van de resultaten. Dit is dus wel enigszins in strijd met leringen, die elders bestaan en zelfs met sommige leringen, die wij zelf in het verleden gegeven hebben. De verandering in onze werkwijze van de laatste jaren was reeds een voorafschaduwing van de invloeden, die nu gaan heersen. Wij wisten toen reeds, dat dit alles plaats zou vinden, maar konden nog niet overzien, in hoeverre dit invloed zou hebben op ons werk en onze mogelijkheden. Ik heb getracht u dit duidelijk te maken.

Tegenspraak

Op het ogenblik, dat de vlo spreekt over de mens, kan hij hetzelfde zeggen en denken als de mens, wanneer deze spreekt over de vlo. Hun punt van uitgang is echter geheel anders en daarom zullen zij in wezen zich anders uitdrukken. Zo kan er een schijnbare tegenspraak zijn tussen de mens, die zichzelf ziet als een eenvoudig denkend wezen, dat daar een parasiet gekweld wordt en de zes-potige pantserdrager, die de mens beschouwt als een soort heerlijk continent, waarin kort onder de aarde vele heerlijk voedzame stromen plegen voort te ijlen.

Wanneer beiden hetzelfde vanuit hun eigen standpunt trachten te zeggen, zullen er dan ook vaak schijnbare tegenspraken en tegenstellingen voorkomen, die echter in de waarde van het denkbeeld zelf bij nadere beschouwing niet blijken te bestaan. Houdt men echter rekening met de relatieve waardebepalingen en het verschil van standpunt, dan zal men vaak ontdekken, dat de formuleringen van beiden elkander aanvullen en een meer omvattend, zelfs een juister beeld van de werkelijke situatie geven.

De vlo, al dan niet levend in heerlijke wollen onderkleding – naar ik hoor hebben deze dieren een hekel aan nylon – beschouwt zichzelf niet als parasiet, maar leeft op zijn “land”, dat vaste regels kent en ondanks alle gevaren als krabben e.d. onpersoonlijk kan worden beschouwd. Zijn verhaal van het leven van de mens is dan ook eerder een historisch overzicht van een reeks natuurlijke ritmen, zo nu en dan verstoord door cataclysmen. De mens echter, zichzelf beschrijvende, gaat uit van een persoonlijk bestaan, waarin een aardbeving wordt teruggebracht tot een hoestbui en de overstroming tot een druipneus.

Wanneer wij hier spreken over het Al, de werkingen van de sferen en het leven van de geest, worden wij steeds weer geconfronteerd met dergelijke verschillen in standpunt. Wanneer ik zeg: God is Liefde, zo is dit geheel waar. God ís liefde. Maar Zijn liefde heeft niet veel van de heerlijke menselijke sentimentaliteit, die men foutieflijk als liefde pleegt te beschrijven. Zo kan God gelijktijdig in de ogen der mensen wreed zijn en toch geheel liefdevol; God kan eeuwig zijn en geheel het Al in Zich dragen, terwijl wij aan de andere kant toch kunnen stellen, dat deze God het lot van elke mens bepaalt. Is dan niet elke mogelijkheid, die in de mens is gelegen en elke mogelijkheid tot verwerkelijking, die hij vindt, reeds in het kosmische geheel vastgelegd? De mens kiest zelf de punten, die hij wil verwerkelijken. Hij heeft dus in deze zin, een vrije wil. God echter bepaalt het geheel, zodat ook de mens door Hem bepaald is. Beide standpunten, hoe schijnbaar strijdig ook, zijn waar. Het ligt er maar aan, vanuit welk standpunt men de zaak benadert.

Wanneer wij vanuit ons eigen standpunt iets willen bezien, zo zullen wij geneigd zijn om te stellen: Wij mensen – of geesten – gaan dit en dat beleven. Een hogere geest in dezelfde toestand, maar met meer inzicht, zal waarschijnlijk stellen: Ik ga het mij realiseren. Een nog hogere geest zegt: Ik beleef mijn werkelijkheid wat meer en droom wat minder.

Drie verschillende standpunten, drie grondstellingen, die hier en daar met elkander strijdig kunnen worden. Vanuit een menselijk standpunt zal men echter m.i. steeds weer kunnen zeggen: Alles, wat ik beleef, wat mij mogelijk is, is voor mij waar en werkelijk. Al het andere is theorie.

Toch kunnen wij rustig, uitgaande van een ander standpunt, dat nog niet eens zover van het menselijke verwijderd is, aantonen, dat 2/3 van deze menselijke werkelijkheid onbelangrijk, onbetekenend, niet waarlijk echt is. Want een groot deel van het leven is alleen maar emballage voor enkele grote belevingen en bewustwordingen, zich tot deze verhoudende zoals in waarde en betekenis als de papiersnippers of het zaagsel, dat men gebruikt om er een stuk kostbaar porselein in te verpakken.

De ervaringen van deze 2/3 van het leven zijn onbelangrijk, iets wat je als geest eenvoudig later weggooit. Vertel dit aan een mens en hij zal dit theoretisch wel willen aanvaarden, maar werkelijk begrijpen zal hij het niet. De mens zegt: mijn leven is één geheel, hij is niet in staat het onderscheid in betekenis te zien. Een ander kan dit misschien weer wel zien – een geest bv. – maar hij zoekt, tenzij hij zelf mens geweest is, een verklaring voor het feit, dat de mensen zo vast blijven houden aan al die onbelangrijke dingen, en zich bv. druk maakt over wat hij openbare zedelijkheid noemt, wanneer het over lichamen gaat, en aan de andere kant heel rustig politiek bedrog toelaat op een schaal, die toch werkelijk en ook vanuit geestelijk standpunt immoreel genoemd kan worden. De geest zal geen reden zien zich over een stukje bloot op te winden. Dat is nu eenmaal deel van de werkelijkheid. Bedrog echter is een vervalsing van die werkelijkheid.

Terwijl de mens meent consequent te streven of consequent zijn geloof te beleven, ziet de geest vele strijdigheden en tegenstellingen, die alleen verklaarbaar worden, wanneer men uitgaat van een menselijk standpunt en eigen geestelijk standpunt tijdelijk terzijde laat. Maar zodra men van deze kennis gebruik wil maken, zal men als geest steeds weer van eigen geestelijk standpunt en mogelijkheid uit moeten gaan. Het resultaat is, dat zelfs tussen de kennis van de geest en haar handelwijze een groot verschil schijnt te bestaan. Wanneer ik zeg: “De Goddelijke Kracht is vlak bij”, zo is dit voor mij, ook wanneer het u betreft, geheel waar. Ik kan zeggen: “de golf van kracht, die komen zal, zal u veerkrachtiger, energieker, maar ook onrustiger maken.” Vanuit mijn standpunt is dit geheel waar. De vraag is echter, hoe u dit zult ondergaan. Wanneer ik u zeg: “Ik geef u nu de kracht om ogenblikkelijk een mens te genezen”, zo is dit waar, maar wanneer u niet weet, hoe deze kracht te ontvangen en te gebruiken, merkt u er niets van. Voor u is het niet waar.  Wat u betreft heb ik dan eigenlijk staan liegen.

Iets kan dus gelijktijdig waar en onwaar zijn, indien wij uitgaan van een persoonlijk standpunt of verschillende vlakken van bewustzijn. En daardoor zullen wij met die pogingen om u inzicht te geven in een totale waarheid, steeds weer vast moeten lopen. De mens zoekt naar een systeem, benadert vanuit één enkel standpunt, dat op de juiste wijze geheel de kosmos omvat, God definieert, en eigen menselijke krachten en werkingen definieert. Dat dit niet te vinden is, blijkt hem geen beletsel te zijn, om toch voortdurend alleen hiernaar te blijven streven en desnoods zichzelf blind te maken voor alle waarden, die zijn systeem zouden kunnen aantasten. Wanneer wij bij onderricht beginnen, vanuit een ander standpunt hetzelfde feit te benaderen, om daaraan zo de nodige diepte en waarde te verlenen, zal menige mens zeggen: Dit klopt niet. Hier zijn tegenspraken. Hij beseft niet, dat dit alleen komt, omdat hij weigert een ander punt van uitgang, een ander standpunt dan het voorgaande te aanvaarden.

Het jammerlijke hiervan is, dat hij niet komt tot een verdieping van besef en begrip. Toch zal men dit niet altijd bewust doen. In vele gevallen is het een onbewuste reactie, die zich herhalen zal zodra iets eigen wereldbeeld, beeld van eigen ik, eigen mogelijkheden of bereikingen bedreigt volgens het nu bestaande besef.

Ook binnen eigen geestelijk leven komen dergelijke afwijzingen vaak voor. U leeft als mens.

Daarbij wordt uw leven en denken grotendeels door lichamelijke waarden bepaald. Uw honger, behoefte aan zon, ergernis wanneer te veel concentratie van u wordt gevergd of de neiging om in te slapen, wanneer anderen een waarheid prediken die het Ik niet past, zijn deel hiervan. U bent mens. Daarbij past op een bepaald ogenblik een zekere zienswijze. Morgen bent u geestelijk wakker. De stof lijkt terug te vallen. Nieuw besef rijst in je. Woorden komen als vanzelf naar boven. Je spreekt waarheden en wijsheden, die je meende, nog niet eens te kennen. Je komt tot een bewustzijn van een Hogere Kracht, die ook in jou leeft.

Dan wil je natuurlijk daarin weer doorgaan. Indien je nu zegt, dat je stoffelijke waarden van gisteren vanuit eenzelfde standpunt moeten worden bezien als de waarheid van je geestelijk ontwaken, zo zijn dit tegenspraken. Zoals sommige geestelijke Meesters misschien onaanvaardbaar lijken voor velen, omdat zij zich in lompen hullen enz. Men aanvaardt hen dan moeilijker, omdat zij niet aan de lichamelijke eisen van schoonheid beantwoorden. Toch kan bij een dergelijke goeroe een geest van hoge geestelijk waarde en hoog geestelijk Licht in het afzichtelijke menselijke omhulsel schuilen.

Maar het menselijke standpunt is hier vaak: het uiterlijk deugt niet. Dan zal de rest ook wel niet goed zijn. Alsof men de geestelijke waarden zou kunnen afmeten aan uiterlijkheden, waarden zou kunnen beoordelen, zonder ze werkelijk te kennen – inclusief de motieven voor deze vorm van manifestatie – of wat gisteren was zou willen gebruiken om de waarden van morgen te bepalen.

Daar zijn wij dan weer aan de tegenspraak, die in de mensen zo vaak schuilt. En wat kan een groter tegenstelling zijn dan de verschillende waarden in het leven van één enkele mens? Er zijn mensen, die 30 of 40 jaren leven op een wijze, die alles behalve netjes is. En dat zijn heus de minsten niet.

Franciscus van Assisi was de grootste losbol van zijn geboortestad. Ambrosius, de kerkvader, was als student een rabauw, terwijl zijn bewondering voor de klassieken hem zo nu en dan bedenkelijk dicht bij een volgen van de riten van Dionysos bracht. Toch bereikten zij grote geestelijke hoogten. En misschien bent u vroeger wel zo gemeen geweest, dat u maar blij bent dat niemand daar meer wat van weet. Het doet echter niet ter zake. Ofschoon uw verleden de oorzaak en gevolgwerkingen van het heden in de stof nog bepaalt, staat uw geestelijke waarde daarvan vaak volledig los. De geestelijke krachten die u kunt activeren, de machten waarmede u kunt werken, de inhoud en wijsheid, die u kunt bezitten of ontvangen, is daarvan echter in wezen niet afhankelijk. Vandaar, dat de goede moordenaar – Dismas – het paradijs kon binnen gaan, terwijl beneden het kruis vele priesters stonden, die volgens alle gegevens voor de patatfriteskraam beneden bestemd waren. Klaarblijkelijk is er een zeer groot verschil van waarde en betekenis, wanneer het standpunt zich wijzigt. Wie met mensen wil spreken, zal als een mens moeten kunnen denken en vanuit een menselijk standpunt moeten kunnen redeneren. Gaat dat niet – zoals dit bij ons het geval wordt – zo zal je je terug moeten trekken, tenzij je je eigen standpunt waarlijk en geheel aan de mensen duidelijk kunt maken. Maar tracht nooit anderen alleen met eigen maatstaf te meten. Want dat loopt mis.

Nogmaals, wie de kosmos beziet vanuit het standpunt van een mier en het standpunt van een berg, zal zien dat beiden geheel verschillen. Wil men dit onder één noemer brengen, dan ontstaan weer schijnbare tegenspraken en verwarringen. Dergelijke verschillen zijn niet zonder meer te overbruggen. Steeds weer ontdekken wij stellingen, die strijdig schijnen te zijn en toch juist zijn. Hun juistheid is afhankelijk van het standpunt dat men inneemt, het punt van uitgang. Wanneer wij zeggen, dat God voortdurend ingrijpt, kan men dit volgens mij van zuiver redelijk en menselijk standpunt gevoeglijk loochenen. Niet, dat God waarlijk niet ingrijpt, maar Hij doet dit niet volgens een stoffelijk redelijke maatstaf. En waar de redelijke mens in de stof veelal tracht alle niet redelijke waarde buiten te sluiten, zal hij eenvoudig niet kunnen beseffen of erkennen wat God eigenlijk is en doet.

Omgekeerd zien wij vaak, dat mensen zich geheel tot God wenden en daarbij hun eigen wereld buiten beschouwing laten, met het voor hen droevige gevolg dat ook zij doodlopen, niets bereiken, teleurgesteld worden, omdat zij niet meer in staat zijn hun eigen wereld te zien.

Het leven is waarlijk vol van schijnbare tegenspraken, die eenvoudig steeds weer ontstaan door het feit, dat geen van ons, in de stof of in de geest, in staat is bij voortduring alle verschillende standpunten in zichzelf te verenigen. Elk van ons heeft een eigen standpunt, waaraan hij de voorkeur geeft en waarmee hij al het andere vergelijkt. Ook is men maar al te vaak niet bereid een eens ingenomen standpunt tijdelijk prijs te geven voor een tweede standpunt, zodat men beide kan beleven en vanuit deze beleving tot een derde, mogelijk beter, standpunt te komen.

Toch is onze geestelijke groei het gevolg van een samentrekken van verschillende standpunten.

Want de afstand tussen God, die zo ver van ons schijnt te staan en de eigen wereld, waarvan wij zo intens deel plegen te zijn, moet worden opgelost, tot er sprake kan zijn van een God, Die gelijktijdig ver van ons en voortdurend in ons is, waaruit wij leven in een wereld, waarvan wij wel doel zijn, maar waar wij gelijktijdig los van kunnen staan.

De schijnbare tegenspraak is voor ons niet te vermijden. Zij is ons zelf noodzakelijk, omdat wij nu eenmaal geen wezens zijn van één enkele wereld en niet allen onderdanen van één aardgeest of alleen behoren tot één bepaalde hiërarchische lijn van Lichtende Krachten, maar wezens zijn, die deel uitmaken van een complete en afgeronde kosmos, alle waarden van die kosmos in ons zelf dragende. Wij zijn onszelf steeds maar bewust van een enkel deel van ons bestaan. Soms leren wij meerdere delen van dit ik kennen, maar kunnen niet beseffen, hoe deze zich in waarheid onderling tot elkander verhouden.

Pas wanneer wij beseffen, hoe volledig het geheel is en hoezeer wij daarvan in alle fasen en op alle vlakken deel zijn, zullen wij in staat zijn die tegenspraak en tegenstelling ongedaan te maken en in ons zelf de waarheid te zien zonder enige beperking.

Esoterische beschouwingen

Wanneer wij de esoterie beschouwen als een innerlijke weg, zo zullen wij tevens moeten erkennen, dat elk innerlijk beeld, dat wij van onszelf bereiken, slechts een gedeeltelijke weerkaatsing kan zijn van een oneindige werkelijkheid.

In een bepaalde groepering stelt men wel: De mens is een bouwsteen in de tempel, die God zichzelf heeft opgericht. Haar stenen zijn niet allemaal gelijkvormig: Er zijn eenvoudige bouwstenen, met vorm gebeitelde stenen, sluitstenen misschien. Wie alleen aan de hand van zijn innerlijke erkenningen zich een beeld wil vormen van de kosmos, zal altijd de vormen verwerpen,

die ook noodzakelijk zijn om zijn eigen bestaan en wezen aan te vullen.

Het is eenvoudig in symbolen te spreken. Maar hoe anders kan de mens een dergelijke werkelijkheid eenvoudig aanduiden en omschrijven? Wanneer ik stel, dat de mens een bouwsteen is, mag ik niet denken aan baksteen, maar moet ik denken aan de stenen, die men eens uit de rotsen heeft gehouwen om de grote tempels van Babel, Ninive en Memphis op te richten. Uit de groeve van de tijd wordt ons wezen gedolven. Naarmate wij meer los komen te staan van de tijd, krijgt ons wezen meer vorm. Maar het is niet voldoende een persoonlijke vorm te hebben. Een ego, dat een persoonlijke vorm heeft gekregen, is daarom nog niet een wezen, dat past in de structuur van de tempel. Daarom zegt de mens: het Ik moet bewerkt worden. Maar in hoeverre is dit juist?

Wanneer wij zien, hoe stenen, tot zij alle vorm verloren hebben door de wateren geslepen worden, zo moeten wij ons afvragen, of de mens wel in staat is een dergelijke arbeid zonder hulp, aan zichzelf te verrichten. Hij is hierbij echter niet alleen: Is daar niet de voortdurende stroom van gebeurtenissen? De vloed van belevingen en erkenningen ook, waardoor ons wezen wordt gevormd en afgeslepen? De mens, die zichzelf zoekt te kennen, verliest steeds weer delen van dat, wat hij meent te zijn. De ruwe vorm, die uit de tijd is ontstaan, is niet voldoende. Meer en meer moet het niet noodzakelijke verdwijnen. Steeds meer moet in de plaats van het grove oppervlak van zelfzucht de gepolijstheid komen, die zich aanpast bij alle andere vlakken.

Steeds meer ook zal men de vorm moeten kennen, die bij de eigen plaats in de tempel behoort. Wanneer men de steen is, die een gehele boog in stand moet houden, een sluitsteen, zo is de vorm onregelmatig. Hier past de perfecte evenredigheid niet meer, die de andere stenen menen te kennen. Daarom mogen wij wel zeggen, dat het niet noodzakelijk is, dat wij, zelfs in onze hoogste bereikingen, gelijk zijn aan anderen. In tegendeel, ieder van ons heeft zijn persoonlijke eigenschappen, zijn eigen vorm, plaats, doel en bestemming.

Een begrip voor dit verschil tussen eigen wezen en anderen lijkt mij vooral in de aardse esoterie zeer belangrijk, want maar al te zeer is men geneigd een ideaal als voor allen bepalend te stellen een afgodsbeeld, dat men boetseert uit de schoonste gedachten van hemelrijk en goddelijke krachten, om dan te zeggen: “Zie, elk van ons moet zijn als dit.” Daarbij vergeet men, dat dit fraaie ideaalbeeld is als het afgodsbeeld, waarvan eens een koning van Babylon droomde. Een beeld van zilver, koper en goud, dat echter stond op lemen voeten. Want hoe kan een ideaal gebouwd worden, zelfs in het innerlijk besef, wanneer men nog niet deelt in de totale werkelijkheid en bewust deel is van de Kracht, die het Al geschapen heeft?

Steeds weer zullen wij moeten zoeken naar dat, wat voor ons past, wat voor ons juist en aanvaardbaar is. Ook de mens, die zichzelf kent, zal vaak zich afvragen: Ben ik nu duivel of engel?

Want soms zie je jezelf als een gedrocht vol afzichtelijkheid, zo verwerpelijk, dat men haast liever sterven zou, dan het nog langer te moeten aanschouwen. Een volgend ogenblik zie je jezelf edel, als een hemels wezen, bekleed met het Licht van het goddelijke, een schoonheid, die verrukking brengt en het oog nooit uitput. Dan stelt men: Ik zal deze duivel in mij doden en alleen deze engel in mij waar maken. Maar waar is de steen, die slechts één zijde heeft? Licht en duister zijn in ons gehuwd. Het is de bijzondere verhouding van Licht en duister in ons wezen, die de betekenis van ons wezen in de kosmos vaststelt. Het is niet alleen onze persoonlijke verworvenheid, maar tevens de voortdurende vloed van gebeuren die wij ondergingen en het ons steeds weer zoeken naar het elimineren van het overbodige, waardoor wij onze uiteindelijke vorm vinden. Een vorm, die Licht is en duister, die onregelmatig kan zijn in de ogen van velen, maar past binnen een Goddelijk geheel.

In dezelfde groep, waaraan ik mijn symbolen ontleen, bestaat de legende van Hiram Abiff, de bouwmeester die de tempel bouwde van Salomo. Hij bouwde de zuilen van de tempel, waarop waarlijk het dak kon rusten. Maar toen het grote vat gegoten moest worden, waarin wijsheid, stof en kennis, versmolten zouden worden, faalde ook hij. Zoals Salomo in zijn wijsheid misschien toch vergat, dat de wijsheid behoefte heeft aan vakmanschap en kennis en zonder deze niets is, zoals Hiram op zijn beurt niet voldoende achting had voor de wijsheid, die hem tot het bouwen in staat stelde, zo acht de mens vaak de stof te weinig of te veel.

Ook wij gieten het bekken der wijsheid. Ook in ons zijn de symbolen van de dieren, de symbolen van de engelen en de kracht. Ook in ons zijn de perfecte afmetingen vastgelegd. Maar steeds weer onderbreken wij onze taak. Wanneer men echter een bronzen bekken wil gieten en een enkel ogenblik het gieten onderbreekt, zo wordt het gietstuk reeds misvormd. Wat in ons leven esoterisch gezien van het grootste belang is, is dan ook een vloed van stoffelijk ervaren en geestelijk erkennen, gezamenlijk werkende in ons.

Ons bestaan is een amalgaam, waarin de hoogste Lichtkrachten en de diepste stofwaarden vervlochten zijn. Wie tracht dezen te scheiden, mislukt. Wie tracht de vloed van gebeuren te onderbreken en stil te staan in zijn ontwikkeling, ziet zijn leven mislukken. Daarom is voortdurend streven ons noodzakelijk. Rust en zekerheid kunnen in geestelijke waarden en werken verworven worden. Indien dit echter betekent, dat gij u afwendt van alles, wat voor uw wereld van nu, uw aarde belangrijk is, zult gij niet slagen.

Werk daarom steeds met geest en stof, opdat wij allen mogen bereiken, waarvoor wij bestemd zijn: Onze juiste plaats in het Al, onze erkenning van onze Schepper in alle waarden van de kosmos.

image_pdf