Oost – West

image_pdf

16 juni 1961

Aan het begin van deze avond wijs ik u er op, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Door ons wordt dan ook verwacht, dat u na zult denken over alles, wat gebracht wordt. Mijn onderwerp voor heden luidt: Oost – West.

Er bestaat een bekend gedicht van Kipling, waarin gesteld wordt: “East is East and West is West and never the twain shall meet”. Indien wij op het ogenblik West en Oost t.o.v. elkaar bezien, zijn er – geestelijk zowel als materieel – vele verschijnselen, die ons een dergelijke algemene stelling in twijfel doen trekken. Indien wij de verschillen bezien, zo is er wel in de eerste plaats sprake van een voor de westerling onbegrijpelijke gevoeligheid in het Oosten, zich uitende in een reeks van opvattingen, waarmee men zich moeilijk kan verenigen. Indien de westerling in het Oosten komt, zo wordt van hem verwacht, dat hij alleen het goede zal zien en de ogen zal sluiten voor alles, wat minder mooi of aangenaam is. Ook naar buiten toe uit men zich op dezelfde wijze: men eist, dat een ieder alle mooie bedoelingen en kleine bereikingen zal appreciëren, maar alle mislukkingen mogen niet worden bemerkt en worden ver van de openbaarheid gehouden. Dit vloeit niet, zoals men in het Westen misschien meent, voort uit een kinderlijk denken, of een neiging tot dictatuur, die het Oosten meer dan het Westen eigen zou zijn.

Wij moeten – om de werkelijke verhoudingen te leren zien – de ontwikkelingen ontleden. Daarbij komen wij allereerst tegenover de innerlijke overtuigingen van de Aziatische volkeren te staan. Het merendeel van deze volkeren was lange tijd gewend alle gebeuren te zien als de wil van de Goden: Je huwt. Je huwt met iemand, die je niet kent, die je ouders voor je hebben uitgezocht. Het is de wil der Goden; waarom je er dan tegen te verzetten? Er komen kinderen. De wil der Goden! Kinderen sterven misschien. De wil der Goden! Als de oogst slaagt of mislukt: het is steeds de wil der Goden. Het is steeds weer het Goddelijke dat de mens regeert. Ten hoogste kan men zich tot de Goden wenden en hen smeken enigszins met de menselijke wensen en eisen rekening te houden. In de oosterse opvattingen hebben de mensen geen verantwoording voor alles, wat er buiten hen geschiedt. Dit is het beginsel van de eenvoudigen, die de massa’s van het Oosten vormen. Aanvaarding is bij hen een normaal verschijnsel, ongeacht het stoffelijke of geestelijke karakter van het gebeuren, want al deze dingen maken deel uit van een onbegrijpelijke strijd tussen Goden, of een wereldplaag, waarop men zelf geen invloed uit kan oefenen.

In een dergelijke gedachtewereld dringt nu het Westen binnen en roept uit: “Maar daaraan kun je wél iets doen. Je kunt wél iets veranderen en verbeteren”. Dan begint men met mensen en kinderen, die ten dode opgeschreven schijnen te zijn – de wil der Goden! – te genezen. Een rivier trad steeds buiten de oevers. Dit was de wil der Goden, zo meenden de mensen. Maar de westerling zegt hen, dat zij zelf aansprakelijk zijn en leert hen stuwen bouwen en kanaliseren. Hierdoor ontstaat het verschijnsel, dat voor de westerling zo verwarrend schijnt te zijn. In de mensen van Azië leven de Goden nog voort als Almachtige en Al bepalende wezens, terwijl gelijktijdig vanuit het Westen de voortdurende jacht is gekomen, voortvloeiend uit dat voor Azië zo zware en moeilijke woord: “Je kunt er zelf iets aan doen. Zelf ben je verantwoordelijk, niet de Goden”. Wanneer u een mislukking in het Oosten ziet en daarover een opmerking maakt, zullen zelfs uw beste vrienden u niet aanzien, of u misschien zelfs verwijten maken. U mag dit immers niet zien, want zij hebben zóveel goed gedaan. U ziet dit dan als kinderlijk en dwaas. Tot voor kort konden deze mensen zelf niet falen. Indien iets faalde, zo was dit de wil der Goden, niet de schuld van de mensen. En nu zouden zij opeens moeten aanvaarden, dat zij wel kunnen falen? Dit is niet aanvaardbaar. Zo ontstaat de voor het Westen de curieuze houding, die vele staten in bv. Zuid Azië tegenover het Westen aannemen.

Men vraagt zich bij u vaak af, waarom zelfs staten als bv. India zich plegen te verheffen op bereikingen en weigeren over ontvangen steun later nog te spreken. Men ziet niet in, waarom men enerzijds met grote wijsheid bemiddelend op tracht te treden, maar aan de andere kant de praktische bezwaren van het Westen niet wenst te aanvaarden. Men was tot voor kort onfeilbaar, daar het steeds de wil der Goden was, die alles bestemde. Men kan nu niet zo maar opeens gaan falen. Zelfs indien mensen verantwoordelijkheid op zich nemen, zo is dit in de ogen van de eenvoudigen nog in feite de wil der Goden, die zij uitvoeren. Het Westen beziet de haast krampachtige pogingen van de Aziatische staten om zich te moderniseren en te mechaniseren en meent, dat een overwinnen van de westerse inzichten en leefwijze niet uit kan blijven. Het Westen denkt immers zo rationeel; is zó op de hoogte van verbeteringen in landbouw en industrie; kent de mechanisatie en heeft zovele mogelijkheden en dingen ontwikkeld, waarover men in het Oosten zelfs nog niet heeft nagedacht. Ook hier faalt het westerse begripsvermogen.

Indien u ooit een reis zou maken naar de staten, waarover ik sprak – of China en Japan, waarvoor het gestelde evenzeer geldt – dan zal men u wijzen op de resten van het verleden. Men brengt u bv. voor de Taj Mahal en zegt u: “Deze schoonheid werd uit en door ons geboren. Dit hebben wij geschapen”. Men neemt u mee naar de rijke tempels, of toont u de majestueuze ruïnes van Angkor Vat en roept vol trots uit: “Zie, zo groots is ons verleden”, maar men vergeet, dat dit verleden in tegenspraak is met alles, wat men nu als goed en gangbaar aanvaardt. Men wil dit vergeten, men wil niet meer weten, dat tot voor kort in vele culten groepsparingen gebruikelijk waren en in het openbaar plaats vonden. Men vergeet, dat lijfeigenschap en slavernij tot voor kort nog voorkwamen, evenals men bewust wil vergeten, dat de uitbuiting – tot het laatste toe – van armeren vroeger het recht van de heersers was. Over deze dingen spreekt men niet, want deze passen – volgens het huidige bewustzijn – niet meer in het beeld van de verantwoordelijke mens en zijn wereld. Deze dingen zouden een feilbaarheid toegeven, waar men deze nog niet heeft leren aanvaarden. De Taj Mahal is schoon, maar deze schoonheid van wit-marmer, vol beeldhouwwerk en mozaïek, is gevoegd met het bloed van de mensen die dit  grafteken bouwden. Juist dit wil men niet weten, want het zou een smet vormen op de bewonderde grote tekenen van het verleden.

Deze houding is verantwoordelijk voor de schijnbare toespitsing van problemen tussen het Oosten en het Westen, ongeacht alle pogingen van het Westen om voor het Oosten veel te doen en alle pogingen van het Oosten om het Westen te imiteren en met de westerse wereld op voet van gelijkheid te verkeren. Al beseft men dit niet, de grondoorzaak is een intrinsiek verschil in de benadering van de kernwaarden van het leven. De misvattingen omtrent de oosterse verhoudingen en leefwijzen in het Westen dragen hiertoe zeker het hunne bij. Zo meende men in het Westen, dat de vrouw in het Oosten weinig of niets te zeggen had. Ik kan u verzekeren, dat in vele staten de vrouw – ongeacht haar besloten wijze van leven, vroeger zowel als heden – meer te zeggen heeft dan haar westerse zusters. Voor dit gezag heeft de oosterse vrouw minder hoeven te strijden: haar gezag, haar heerschappij vloeit reeds lange jaren voort uit haar opvoeding. De westerling begrijpt niet – of vergeet ook steeds weer – dat de vrouw in het Oosten de actieve factor in de verhouding man-vrouw is geweest. Zoals in het Westen de man lange tijd ten overstaan van zijn wereld en het gedrag van de vrouw bepalend was, zo is in het Oosten zeer vaak, vooral de oudere vrouw – de schoonmoeder of moeder meestal – de bepalende factor van het bestaan geweest. Zij bepaalde uiteindelijk de meeste handelingen, ook van de man binnen het huishouden en de houding van het geheel tot de buitenwereld.

Een groot deel van de tussen Oost en West bestaande misvattingen, ook deze, zouden wij uiteindelijk waarschijnlijk terug kunnen brengen tot een verschil in kosmisch bewustzijn; een verschil, dat op het ogenblik iets aan het verwateren is. Zelfs nu zult u dit verschil aan een oosterling moeilijk, aan een westerling praktisch geheel niet, duidelijk kunnen maken.

Wat is de kern, waaromheen alle oosterse godsdiensten steeds weer draaien?

“Ons leven is een korte tijd op de aarde. Wij worden beheerst door de wil van de Goden en van de Groten. Onze voorouders leven door en rond ons. Het menselijke leven is maar een kort ogenblik in de werkelijkheid van ons bestaan. Alles wat daarin gebeurt, is maar van weinig belang. Indien wij maar door dit leven verder kunnen komen”.

Het Westen stelt daar tegenover de kern van zijn eigen godsdienstige beschouwing:

“Mens, je leeft maar één enkele keer. Je hebt maar weinig tijd. In deze tijd moet je geestelijk voldoende bereiking krijgen om aan verdoeming te ontkomen. In deze tijd dien je zoveel mogelijk te produceren en dien je je stempel op de wereld te drukken. Je moet in deze tijd een gezin vormen, maar gelijktijdig ook de maatschappij bewijzen, wie en wat je bent. Het leven is zo kort. Haast je!”

Het Oosten antwoordt hierop:

“Waarom je haasten, wanneer het leven zo kort is en er daarna nog zo vele mogelijkheden zijn. Geduld mens, geduld”.

Dit verschil wil men in het Westen misschien nog begrijpen en zelfs wel aanvaarden. Maar indien wij verder doorgaan op de gedachten van Oost en West, blijkt ons, dat het Westen alle levenskracht ziet als een onmiddellijke Goddelijke macht, vanuit de verte door een onbekende God geprojecteerd. Leven is iets, waaraan men alleen deel aan kan hebben, indien men de vereiste offers in het leven brengt en zich baseert op een reeks wetten, waarvan het doel en de zin slechts bij benadering te begrijpen zijn: “Er is maar één God, één leven, één weg, één reeks van juiste wetten, één juiste wijze van leven”. In het Oosten daarentegen zoekt elke mens de goden, die hem het beste bevallen en dient deze. In deze goden vindt hij de weg tot bewustwording, tot gelukkig voortleven in andere werelden desnoods.

De grote vaste wet, waarmee het Westen in zijn geloof voortdurend geconfronteerd wordt, de wet van levenskracht en de ware levensvreugde, krijgt in het Oosten een geheel andere betekenis.

Ik zal u een vergelijkend voorbeeld geven: In het Westen is een verkeersregeling aanvaardbaar en stelt men: Het is toch logisch, dat wij juist hierin door de wet worden geregeerd. In ons huis echter zijn wij geborgen en vrij onze eigen gedachten na te gaan! In het Oosten is het omgekeerd: Het huis wordt geregeerd door gebruiken, wetten, meerderen. Juist hier ondergaat de mens de sterkste invloed van priesters en vorsten. De weg was vrijheid. In het huis is alles aan gebruik en regel gebonden, maar op de weg rust je, wanneer je lust hebt. Hier zit men aan de kant van de weg en ziet naar de voorbijtrekkende ossenwagens, olifanten, palankijnen en de vele voetgangers. Een vrouw zal hier voor een vreemdeling, zo het haar lust, haar gelaat ontbloten en flirten; iets, wat zij in eigen dorp en huis nooit zal doen. De weg is voor de oosterling vrijheid, niet meer gebonden zijn door de omgeving. Wanneer hij lust heeft op een kruispunt te blijven staan met zijn ossenwagen en langdurig een oude vriend te begroeten, zo ziet hij niet in, waarom hij dit niet zal doen, ondanks alle verkeersregels. Hij is immers op de weg? Hij is hier immers vrij?

Zoals in dit voorbeeld de wet, is ook levenskracht voor de oosterling iets, dat gebonden wordt, zolang je in een bepaald milieu leeft. Zodra je dit milieu verlaat, zal deze kracht vrij zijn en zul je door de je voortdurend omringende krachten in staat worden gesteld je eigen lot een weinig te bepalen. Voor de westerling is dit duidelijk omgekeerd: Hoe verder hij van huis gaat, hoe sterker hij zich verbonden acht met het milieu, dat hij verlaat. Deze instelling is onder meer de verklaring voor het feit, dat een deel van de Riviera bevolkt wordt door stoere “van-je-hela-hola” zingende Nederlanders. Met deze zang vlucht men uit het onbekende terug naar het vertrouwde, verwerft men nieuwe zekerheid en mogelijkheden. In het oosten is juist een vlucht voor het eigen milieu waar te nemen.

Hoe groot zijn deze tegenstellingen niet? Toch is er – zoals overal – ook hier weer een synthese te vinden, een gouden weg, een gulden eenheid. Een gouden weg, een gulden eenheid kan nooit gebaseerd zijn op zuiver westerse opvattingen, of een zuiver westerse cultuur, want het Oosten heeft geen goden, die het mogelijk maken deze cultuur als geheel te aanvaarden en de ontwikkeling daarvan voort te zetten. Ook zuiver oosterse wetten en zeden kunnen geen oplossing brengen, daar deze voor het Westen onaanvaardbaar zullen blijven op grond van geloof en maatschappelijke structuur.
Het Oosten staat op het ogenblik op een vreemde tweesprong in zijn ontwikkeling. Er is een voortdurende strijd tussen het oude, het oosterse denken, en de nieuwe, de westerse wereld. Hoe vaak komt het niet voor, dat kinderen uit de familie worden uitgestoten, omdat zij niet wensen te huwen volgens de verlangens van hun ouders en dan sterven in wanhoop, al dan niet samen met degene, die zij werkelijk lief hebben. Dwaas in uw westerse ogen, naar ik meen, zoals veel in uw ogen overmatig sentimenteel zal zijn en gelijktijdig onmogelijk traag en zonderling.
Vanuit uw standpunt hebt u gelijk. Kunt u ook beseffen hoe ernstig en zwaar het leven wordt, wanneer geheel je wereld verandert, wanneer alle waarden en gebruiken, waarmee je geheel je leven rekende en waarop je maatschappij en geloof gebouwd waren, opeens weg vallen?

Ga naar de grote steden van Zuid Azië, bv. in Pakistan. U zult daar vrouwen zien, die hun gelaat rustig laten zien aan een ieder, maar zodra zij weer in hun eigen omgeving komen, dragen zij weer een yashmak, een sluier, en verbergen zij zich voor de ogen van vreemden. Anachronismen? Eigenlijk niet. Eerder een zoeken naar een weg om verleden en heden samen te doen gaan op de juiste wijze. Neem als voorbeeld hiervoor een schone jonge vrouw in sari, gezeten achter op een scooter. Gevaarlijk misschien, een schijnbare strijdigheid, maar in feite een symptoom van een zoeken naar nieuwe mogelijkheden; naar een weg om het oude en het nieuwe samen te doen gaan en het goede in beide te behouden. Daarnaast speelt ongetwijfeld ook de noodzaak tot behouden van het eigene, hetgeen eigen wereld kleur geeft en haar wezen bepaalt, bij dergelijke verschijnselen een rol.

Vergeet niet, dat de wereld ook aan het Westen voortdurend nieuwe eisen stelt en ook het Westen voortdurend zoekt naar een compromis tussen het oude, het gekende en het nieuwe, dat toch ook zovele voordelen biedt. Het Westen zegt begrip te hebben voor het Oosten. Maar toont het Westen dit begrip ook, wanneer men het vertelt dat zijn eigen zedelijke, politieke en geloofswaarden en maatstaven eveneens slechts beperkte waarde hebben? Het Westen leeft krachtens de onfeilbaarheid, die het in zich meent te kennen. Het geloof in een onfeilbaarheid, dat een strijdvaardig Westen in korte tijd – na de 4e eeuw – in Christelijke onverdraagzaamheid geheel de bekende wereld deed domineren, zodat de Christenen niet alleen het Westen gewelddadig tot het christendom bekeerden, maar ook grote rijken van andersdenkenden, zoals dat van de Kaliefen, eenvoudig uiteen sloegen.

Dit geloof aan eigen onfeilbaarheid, aan eigen leer bezit de Aziaat niet. Daarvoor in de plaats stelt hij een onvermogen om eigen falen te aanvaarden en te begrijpen, voor het te laat is. Zo in de oosterling al een begrip voor het Westen is, zal zijn wereld er een vol twijfels zijn. U meent misschien, dat daarbij de vele voor hem in de natuur verborgen Goden en demonen een belangrijke rol zullen spelen. Dit is niet juist, want de demonen, die men daar in de natuur zoekt, begeert en vreest tegelijk, bestaan ook in het Westen, alleen hebben zij andere namen en heten jukebox, bromfiets, verkeer of atoombom. Dezelfde hoop, dezelfde vrezen zijn ook in het Westen aanwezig.

Het voor mij grootste en belangrijkste verschil is de wijze, waarop de levenskrachten vloeien in het Oosten en de wijze, waarop zij vloeien in het Westen.

In het Westen is de levenskracht in zijn uitingen kort, fel en stotend als, een voortdurend de kortsluiting benaderende spanning. In het Oosten is levenskracht een langzaam aanzwellende en afnemende vloed, als een toon, die stijgt van mineur tot majeur om dan langzaam te versterven.

Dit grote verschil zal nimmer op kunnen worden gelost, ongeacht de wederkerige bedoelingen, door een eenvoudig samengaan van het Oosten en Westen. Dit kan alleen worden opgelost,  wanneer beide werelden, Oost zowel als West, worden geconfronteerd met een reeks van geheel van nieuwe waarderingen en ervaringen, verschillende condities, die aan oud geloof een nieuwe inhoud geven en oude gebruiken in een geheel nieuw daglicht stellen. Een werkelijk samengaan, een werkelijke eenheid, kan alleen voortvloeien uit een nieuwe vrijheid, een nieuwe ongekende reeks van problemen en belevingen, waardoor men kan komen tot een beseffen van de noodzaak tot vrijwillige gebondenheid aan het gangbare en belangrijke.

Dit, vrienden, is het meest belangrijke punt van mijn betoog. Op het ogenblik, dat de wetenschap van het Westen niet meer stil kan blijven staan bij de materie en het materieel bewijsbare, maar over moet gaan naar het transcendentale, waarin de oosterse wetenschap zo sterk uitmunt, zal in het Westen veel teloor gaan van dit geloof aan eigen belangrijkheid en onfeilbaarheid en daarmee tevens veel van de stimulus, de drijfkracht, die het nu door doet jachten. Er zal iets teloor gaan: het idee van eigen recht en de rechtmatigheid van eigen aanspraken en eisen. Dit betekent het einde van de eigenaardige gevoelswereld en drang die het blanke ras in eigen ogen een zo geweldige superioriteit boven alle andere volkeren schijnt te verlenen.

Wanneer er geen hemel meer is, zoals men dit zich op grond van de westerse godsdiensten voorstelt als loon en einde van het stoffelijke bestaan na reeds één enkel leven, maar daarvoor in de plaats komt het bewijs van een leven in vele verschillende sferen, een bewijs voor de mogelijkheid tot reïncarnatie, zal het onmogelijk zijn de nu geldende opvattingen nog langer te huldigen. Een ontwijken en ontvluchten van aansprakelijkheden, zoals dit in het Westen nog zo vaak voorkomt, is dan niet meer te verrechtvaardigen en niet meer mogelijk. Indien dit al geschiedt, zo behoudt het Westen daarbij steeds het gevoel van een persoonlijke verantwoordelijkheid, iets wat – zoals ik trachtte duidelijk te maken – in het Oosten in veel mindere mate het geval is.

Stel nu, dat in het Oosten eenzelfde ontwikkeling plaats vindt en men ontdekt, dat alleen materiële wetenschappen en bewijzen een voldoende aanvulling en bewijs kunnen vormen voor betekenis en waarde van al hetgeen men in vele eeuwen op geestelijk terrein wist te bereiken, dan valt eindelijk daar de nu nog bestaande superioriteit van these en theoretisch weten geheel weg en komt daarvoor in de plaats een noodzaak tot realistischer denken en handelen. De superioriteit van de monnik in zijn gele gewaad zal wegvallen, tenzij hij door tekenen en praktisch bruikbare kennis zich opnieuw een plaats in de achting van het volk kan verwerven. Dan valt de betekenis van woorden steeds meer weg en vergt men meer en meer daden in de plaats daarvan. Dan valt ook de uitvlucht “God wil dit” weg, indien men meer kinderen voortbrengt, dan men ooit zal kunnen voeden. Dan zal er ook een einde komen aan de eigenaardige wijze, waarop men in sommige staten tracht de overbevolking – door deze houding steeds toenemend – te beteugelen.
Misschien is het u niet bekend, dat in verschillende staten een betrekkelijk grote bonus, een behoorlijk grote premie wordt gegeven aan mannen, die zich vrijwillig laten steriliseren. Vreemd? Ja, maar deze staten weten niet, waar zij met hun bevolkingsaanwas naar toe moeten. Indien zij kunnen rekenen met een gemiddelde productie en welvaartsstijging voor het geheel van rond 5% per jaar, blijkt de aanwas van de bevolking per jaar op het ogenblik 6 à 8% te bedragen.

Degenen, die bekend zijn met de westerse opvattingen en de sociale wetenschappen, beseffen zeer wel, dat dit voert tot een toenemende verarming van het individu, maar het volk ziet de komst van kinderen als een zegen, als de wil van de Goden en weigert daaraan iets te doen. Tegen deze traagheid kan een ogenblikkelijk voordeel soms werkzaam blijken, waar men immers stelt, dat hetgeen men zegt te doen – sterilisatie – alleen mogelijk zal zijn, indien dit de wil van de goden is. Westerse redelijkheid en wetenschap kunnen hier weinig of niets uitrichten. Vandaar de zonderlinge strijd, die men in vele gebieden voert, de vele zonderlinge maatregelen en politieke acties, die in de ogen van de westerling geheel onverantwoord zijn. Indien dit alles in het Oosten verandert en plaats maakt voor een samengaan van een persoonlijk verantwoordelijkheidsgevoel, geestelijk bewustzijn en stoffelijke kennis, blijkt, dat het Oosten veel bezit, dat voor het Westen van groot belang is. Het is niet onmogelijk, dat dan ook de landen van het Oosten naar het Westen zendelingen en hulpmissies sturen om onderontwikkelde gebieden op behoorlijk geestelijk peil te helpen brengen.

God is een levende kracht. God heeft vele namen en vele gestalten. Niemand kan zeggen, wie en wat Hij werkelijk is. Hij is als een Fo-Hi, een Jezus, een Petrus, die over de wereld dwalen, volgens de legenden, en ongekend tussen de mensen verkeren. Want indien de Lichtende kracht niet op menselijk vlak geopenbaard wordt, kan niemand zeggen, waar het verschil ligt tussen God en mens. Zonder de uiting is dit slechts aan de Goden bekend, is de God, Die tussen de mensen verkeert, alleen kenbaar voor God en de Goddelijke krachten. De mens kan soms deel hebben aan die Goddelijke kracht, er zijn in zijn leven soms ogenblikken, dat hij in deze kracht voor een ogenblik gevangen is als in de bundel van een zoeklicht, zodat hij voor een kort ogenblik ver boven zijn normaal menselijke status wordt verheven. Dan is hij het geïnspireerde instrument van de Groten, de krachten, die deel van God zijn, of misschien wel een beperkte persoonlijkheidsuiting van God Zelf. Het Oosten weet dit, het Westen niet. Doch alleen, wanneer het Westen dit kan aanvaarden en leren begrijpen, zal het verder kunnen komen.

Nu zult u misschien zeggen: dit alles geeft de verschillen tussen Oost en West wel weer, maar verklaart nog niet, waarom er in het Oosten op het ogenblik zovele grote problemen bestaan. De werking en invloed van het communisme, dat voor u vreemde houding en reacties heeft gewekt in Azië bijvoorbeeld. Ik zal trachten u dit aan de hand van de geesteshouding en de geestelijke invloeden en krachten duidelijk te maken.

In het Oosten geldt: Wij allen zijn geboren uit één kracht. Wat ik heden ben, zal ik morgen niet meer zijn. Wat ik nu niet kan zijn, of kan bezitten, zal ik morgen misschien zijn of bezitten. Vandaag ben ik een tijger, die doolt in het oerwoud, maar morgen ben ik reeds een vorst, die op een troon zit en heerst. Overmorgen ben ik een eenvoudige dienstbare, voortgejaagd door de zweep en de bevelen van opzichters. Het is dus niet zo belangrijk, dat ik in het heden dienen en offeren moet, want later zal ik terug kunnen keren in een betere wereld. De gedachte een ideale wereld in de materie op te bouwen is voor de oosterling steeds interessanter en belangrijker dan voor het Westen denkbaar is.

In het Westen streef je misschien voor anderen en voor komende geslachten, maar in het Oosten doe je dit alles eigenlijk ook enigszins voor jezelf. Overheerst en misschien zelfs geëxploiteerd te worden is voor het Oosten niet zo pijnlijk als voor het Westen. Men is immers altijd al overheerst en geëxploiteerd geweest. Dit was de wil van de Goden en indien het de wil van de Goden is, wie zal het wagen zich daartegen te verzetten? Een enkeling misschien, maar meer dan ook niet. Zoals nu de slaven in Saoedi  Arabië nog zeggen: “Malish ….. Wat geeft het?” Het is immers de wil van God. Zo moet het nu eenmaal zijn. Voor vele westerlingen (oosterlingen Red.) komt daarbij nog de mogelijkheid zelf eens in plaats van slaaf, meester te worden in een volgend bestaan. De zo ontstane aanvaarding, gepaard gaande met de behoefte toch voor latere geslachten iets beters te scheppen, iets van schoonheid na te laten, bracht reeds in het verleden de Aziaten er toe met zekere vreugdigheid kostbare tempels en paleizen te bouwen, ondanks alle offers die dit met zich bracht, want een ieder kon dromen van een volgend leven, waarin hij zelf voor korte tijd de eigenaar zou mogen zijn. Deze innerlijke overtuiging bracht vele machthebbers er toe schuiloorden en kloosters te bouwen voor de gewone mensen en monniken, alleen in de hoop, dat zo het huidige leven geen voortgaan op een hogere trap rechtvaardigde, men zelf daarin eens een toevlucht zou kunnen vinden. Is het Oosten zich van deze drijfveren zich grotendeels onbewust, het Westen kan een dergelijke instelling geheel niet begrijpen en de daaruit voortkomende houding tegenover de wereld niet beseffen.

De massa’s van China zijn geen communisten, zoals u het communisme meent te kennen, maar zij zijn Aziaten. Voor hen is het leven een kort moment, dat voorbij vliegt. Daarbuiten ligt een wereld van veel meer belang, een wereld, van waaruit je desnoods herboren kunt worden, een wereld, waarin je het recht van je bestaan, zowel aan voorgeslacht als nageslacht moet bewijzen en deze taak voor al het andere komt. Ook indien dit uiterlijk niet erkend wordt, zo is het juist dit alles, dat vele stellingen voor de Chinees aanvaardbaar maakt, terwijl het u verwerpelijk lijkt. Daarom is Azië zo belangrijk in deze dagen. De geest van het Oosten is als een licht, dat voortdurend brandt met een kleine en gestadige vlam. Ook de storm van een westerse ontwikkeling zal dit licht niet kunnen doven, want de vlam is te klein, te zeer in het innerlijk geborgen om door uiterlijkheden beïnvloed te worden. Daarom kan uit al het westerse ingrijpen in Azië moeilijk duisternis voortkomen.

Lang voor men in het Westen meer deed dan een eenvoudige slede of wagen bouwen en in grotten en plaggenhutten woonde,  waren er paleizen en steden van grote schoonheid in Azië. Ook nu nog bouwt men daar nieuwe steden en schept men voortdurend nieuwe schoonheid, want Azië blijft zichzelf gelijk. Het licht van het Oosten is een kleine, gestage vlam, die altijd door blijft branden. Het is de vlam van een leven, dat uiteindelijk gebaseerd blijft op een geloof in de zin van alle dingen, in de leiding vanuit Goddelijke sferen, in de zin van dragen en aanvaarden. De belangen van het Ik tellen eerst, wanneer het niet meer in de gemeenschap past, wanneer het uit de maatschappij wordt uitgestoten. Het gezicht, het aanzien, dat in het Oosten zo belangrijk is, is dan ook niet voor het Ik zelf zo belangrijk. Wat telt, is het feit, dat een verliezen van dit aanzien een uitstoting van de maatschappij zou kunnen betekenen, een falen en een verlies van positie en daarmee de zin van het leven. Degene, die zijn aanzien verliest, wordt door de maatschappij uitgestoten en sluit daardoor zichzelf uit van een verder deelhebben aan de rustige Vlam van Azië.

Dit alles is van meer dan gewoon belang in de komende tijden. Eerst wanneer de mensheid beseft, dat het niet haar taak is in korte tijd grote veranderingen te brengen en tevens inziet, dat niet zij meester van hemel en aarde is, maar zich eerder gaat gevoelen als een uitvoerend orgaan van de Goddelijke wil, een geheel, dat samenwerkt in de vervulling van de Goddelijke wetten en uiting gevend aan het Goddelijke wezen, kan zij tot werkelijk aanzien in de geest en tot werkelijke eenheid in de stof komen. Het donderende geweld, de haast van het Westen, kunnen de vlam van het Oosten niet doven, maar eerst, wanneer het Westen voortdurend het werkelijke Licht kent en niet slechts, in haast verschroeiende flarden deel heeft aan de levende krachten, zal het Westen in staat zijn het Oosten te begrijpen en waarlijk met het Oosten samen gaan. Dan pas is eenheid tussen Oost en West mogelijk. Sprekende over dit alles, zei ik u reeds, dat er een verandering zal moeten komen, die beide delen van de wereld gelijkelijk treft. Vanuit een meer materieel standpunt heb ik de noodzakelijke veranderingen reeds enigszins beschreven.

Stel, dat de essence van deze veranderingen geestelijk is. Stel dat God, in een van Zijn vele uitingen of openbaringen, plotseling alle wetten weg zou nemen uit de harten der mensen. Stel, dat God de remmen, die de mensheid zichzelf – ten behoeve van een sociale samenleving – heeft ingebouwd, opeens teniet doet door de mensheid zonder teugels los te laten op de wereld. Stel verder, dat deze God een nieuw middel geeft om toch een menselijke samenleving mogelijk te maken, één enkele kracht, die voor allen gelijk zou zijn. Een kracht, die allen bezielt, een weten, waaraan een ieder zich tot hoger bewustzijn op kan trekken en een waarheid, die voor allen ook innerlijk dezelfde is, zodat de mensheid één kan worden en zichzelf zal kunnen handhaven. Stel, dat die Goddelijke kracht zich openbaart in wat u waarschijnlijk Goddelijke liefde zult noemen, doch wat door ons het Licht van het Gouden Pad wordt genoemd, en neem aan, dat deze openbaring geen enkele uitzondering meer gedoogt, krachtens haar wezen, en elke uitzondering zal straffen door mislukkingen, die voor het Westen zich zullen uiten als armoede en nood, voor het Oosten voor alles als een verlies van aanzien…. . Dan móét de wereld wel veranderen.

Zeker, de neonlichten zullen blijven flitsen in de grote steden en de mensen zullen zich blijven bewegen en handelen, zoals nu. Maar de motieven van dit alles zullen anders zijn, want voor alles heeft de mens behoefte aan een bevestiging van eigen wezen en belang. Deze kan blijvend niet gevonden worden in de materie alleen, zoals zij al evenmin tot uiting kan komen in een voor de mens bevredigende wijze in de geest alleen. Elke bevestiging van eigen wezen moet worden uitgedrukt in een harmonie, die het totaal van de erkende kosmos omvat, die in stof even sterk kan en zal worden uitgedrukt als in de geest en omgekeerd. Eerst dan is een werkelijk bereiken mogelijk.

Wanneer de mens dit leert beseffen, zo ben ik overtuigd, dat hij tegen dit besef zal worstelen om zo lang mogelijk zijn eigen wereld en eigen beelden van recht en juistheid te kunnen behouden. In bepaalde landen in Azië tracht men op het ogenblik om soortgelijke reden de oude klederdrachten als sari, sarong enz. te behouden, ook al weet men zeer wel, dat deze dracht in een meer moderne samenleving niet altijd praktisch zal zijn. Men tracht dit oude te continueren om iets bijzonders voor zich te hebben, zich te onderscheiden van anderen. Dit gaat tegen beter weten in, zoals bv. het westen weigert – zelfs tegen beter weten in – iets van eigen zelfoverschatting prijs te geven. Deze strijd, hoe verschillend dan ook in de verschillende delen van de wereld, zal steeds de mens naar één enkel punt voeren: ik kan alleen maar slagen, wanneer in mijzelf harmonie bestaat met de grote, de kosmische wetten. Ik kan immers niet meer rekenen op mijn macht, mijn beheersing. Ik kan zelfs niet meer zeggen, dat ik meester ben over mijzelf, want op het ogenblik, dat ik mijn beheersing het meest van node heb, verlaat zij mij… . Zo zal men binnenkort ook niet meer kunnen vertrouwen op zijn bezit, zijn geld en goed. Want op het ogenblik, dat men het geld het meest nodig heeft, blijkt het zijn waarde verloren te hebben en op het ogenblik, dat de goederen, die men bezit, het belangrijkst zijn, worden zij genaast of vernietigd. Als enige zuivere waarde blijft dan het Ik over.

Het is in dit zuivere Ik alleen, in het werkelijke menselijke ego, dat de eenheid tussen Oost en West, de beheersing van de wereld door de mens, gewonnen kan worden. Neutraliteit is niet mogelijk. Vijandschap, afzondering, zal op de duur niet meer mogelijk zijn ten overstaan van deze alles beheersende stromingen uit de kosmos. In korte tijd hebben zich reeds grote en zeer bijzondere veranderingen op aarde voorgedaan, zelfs in de politiek. Nu al blijkt, dat het tempo, waarin de mens deze veranderingen weet te volgen, onvoldoende is. Steeds meer wordt de mens door feiten overweldigd en door zijn ontdekkingen beheerst. Steeds meer wordt men reeds nu gedwongen rekening te houden met omstandigheden, die men niet wenst en ontwikkelingen, die men zelf niet heeft kunnen voorkomen of veroorzaken. Telkens blijkt, dat hetgeen, waarop men bouwde als het machtsmiddel, het overwicht, het redmiddel, tekort schiet. Dit is nu al waar. Dit kunt u vernemen uit alle dagbladen en middelen van uw publiciteit, zowel in het Oosten als in het Westen.

Is het nu al niet duidelijk, dat de mens terug zal moeten keren tot het persoonlijk beleven en volbrengen van alle dingen? Is het niet duidelijk, dat een overdragen van verantwoordelijkheden en macht steeds minder resultaten geeft en steeds meer verwarringen veroorzaakt? Is het reeds nu niet voor allen duidelijk, dat de Goddelijke liefdeskracht, die men Christusgeest noemt, in alle mensen opnieuw zal moeten worden gewekt? Juist in dit begrip van kosmische liefde zullen vroegere tegenstanders, of elkaar niet begrijpende delen van de mensheid, zoals Oost en West, elkaar goed kunnen ontmoeten.

Wat immers is de behoefte van de mens op het ogenblik, dat hij op de wereld geboren wordt? Is dit niet de behoefte om geborgen en beschut te zijn? Is niet het doel van alle streven op aarde om enerzijds zeker te blijven en grotere zekerheid te verwerven, terwijl men anderzijds er naar streeft anderen aan de voordelen van zijn macht en bereiken in de vorm van hulp en bescherming deel te laten hebben? De uiteindelijke behoefte van elke mens, die op aarde leeft, kan worden omschreven als vrede en een harmonie, waarin men zich geborgen en op zijn juiste plaats kan voelen. Dit alles is nu alleen te verwerkelijken door de Christusgeest, door het gulden licht van het gouden pad, waarin alle waarheid innerlijk wordt geopenbaard.

De kracht, die wij liefde noemen, wordt in uw dagen teveel verspild aan kleine en in wezen onbelangrijke dingen. Men bemint dode voorwerpen en haat de mensen, niet beseffende, dat men uiteindelijk zo ook zichzelf haat. Men bemint gebruiken, nationaal aanzien, of persoonlijke status en beseft niet, dat men – door anderen te verwerpen – ook zichzelf verwerpt, daar men uiteindelijk – ook al geeft men dit niet toe – voor zich steeds weer zal moeten zeggen: “daar sta ik, behoudens de Goddelijke kracht, die mij nog maakt, tot wat ik nu ben…” . Juist daarom is het noodzakelijk de liefde te beleven in kosmische zin. Men kan niet alleen leven voor één enkele mens, maar dient uiteindelijk te leven voor het geheel van de mensheid. Je kunt niet jezelf een groter inzicht verwerven, grotere geestelijke inhoud, waarde, of vermogen, zonder dit te verliezen, indien men niet alleen en zonder uitzonderingen daarin deel doet hebben. Men kan niet zeggen: “dit gaat mij niet aan…”. Want van de mensheid, die uw wezen is, maken al deze dingen deel uit. Eén is de mens met de mensheid en één en uit God is de levende kracht in de mensheid. Eén zijn de tijden van het verleden en toekomst met het heden, één zijn alle dingen.

Hiermee citeer ik een zeer waar woord, dat nog kort geleden op deze wereld van u werd uitgesproken. Ik zal trachten het aan te vullen:

De enige weg, die Oost en West, maar ook de mens en mens waarlijk tot elkaar kan brengen, is de weg van een zelfnegatie, een besef van eenheid met anderen. Een dienend en nederig besef, waardoor men voortdurend zichzelf geeft aan de wereld, niet in meer persoonlijke zin, maar door zijn leven en werken. De krachten die regeren, de vorm Gods, Die zich op aarde openbaren, gaat de mens dwingen deze dingen te leren en te aanvaarden, zo hij tenminste niet aan zijn eigen fouten ten onder wil gaan.

Dit is de waarheid voor het Oosten én het Westen. Dit is de waarheid voor geheel de mensheid. Dit alles berust op feiten. Feiten, die u misschien nu nog weifelend verwerpt, maar die geheel duidelijk kenbaar zullen zijn voor u allen, indien u nog slechts vijf jaar te leven hebt. Want binnen die tijd zijn de ontwikkelingen al zover gevorderd, dat u – met de u nu reeds gegeven voorlichting – zult kunnen begrijpen, dat dit de enige uitweg is voor de mensheid.

Vragen

  • Hoe zal dit zich alles in de praktijk voltrekken?

Het zal u duidelijk zijn, dat het Oosten zichzelf niet onmiddellijk prijs kan geven, zonder in eigen ogen teveel aan waarde en aanzien te verliezen, terwijl ook in het Westen velen de oude waarden niet prijs zullen kunnen geven, zonder daarbij het gevoel te hebben, dat zij zichzelf verloochenen en daarmee buiten de mensheid komen te staan. Het is duidelijk, dat een beweging als omschreven, op een ‘zogenaamd’ laag niveau zal beginnen. Zij begint met kleinere groepen als bv. deze. In deze groepen zal men spreken over dingen, die men nog niet openlijk en geheel in de praktijk brengt. Vergeef mij, leden van de Orde der Verdraagzamen: ik hoop, dat ik althans gedeeltelijk ongelijk heb, wanneer ik zeg, dat u deze dingen niet in praktijk omzet. Deze dingen worden besproken en overdacht. Daardoor worden zij langzaamaan tot een meer algemeen aanvaardbaar begrip. Sommige kernen van dergelijke groepen, voorlopig nog verborgen kernen, gaan deze dingen omzetten in een steeds daadwerkelijker praktijk. Naar buiten toe zal dat dan nog niet mogelijk zijn. Er ontstaat een reeks van half verborgen gebruiken.

Terwijl deze praktijk in de kleine kring groeit, neemt gelijktijdig een daarbij passend besef in grotere kringen steeds toe. Steeds meer beseffen dergelijke groepen, hoeveel zij gemeen hebben, waardoor zij een steeds meer gesloten beweging weten te vormen, die in zich nog wel vele verschillen kent, maar naar buiten toe als een steeds sterker geheel op kan treden en in- vloed zal kunnen uitoefenen.

In deze groeiende gemeenschap zal begrip steeds meer worden aangevuld door de praktijk. Daar deze ontwikkeling zich praktisch gelijktijdig over geheel de wereld afspeelt, volgt hieruit, dat groepen in verschillende naties en blokken elkaar steeds beter gaan begrijpen en elkaars streven gaan aanvoelen. Daardoor wordt deze beweging supranationaal met een eenheid van leven en denken, waarbij een steeds intenser beleven van het Goddelijke Licht en de Christuskracht mogelijk is. De kracht van het Licht openbaart zich door steeds meer mensen steeds sterker, en vormt zo de werkelijke macht, die de wereld uiteindelijk verandert.

Reeds vóór vijf jaren verstreken zijn, zullen dergelijke groepen reeds in alle landen van de wereld bestaan! De binnen deze groepen zich ontwikkelende paranormale begaafdheden van steeds meer mensen, maken op de duur zelfs ijzeren gordijnen, bamboegordijnen e.d. tot een waan. Meen nu niet, dat de wereld zal groeien naar een wereldcommunisme, socialisme, kapitalisme e.d. Dergelijke namen verliezen snel hun betekenis en zijn van minder belang, naarmate de mensheid naar een werkelijke eenheid toegroeit. De voltooiing van het omschreven proces vergt natuurlijk meer dan 5 jaar. Vóór de ontwikkeling de wereld begint te overheersen zullen 100 – 200 jaren weg liggen. De algehele omwenteling kan vanaf heden nog rond 700 jaren verwijderd zijn. Het begin hiervan zult u praktisch allen meemaken. Dit alles voert tot de praktische verwerkelijking. Denk niet, dat dit alles bewust en opzettelijk geschiedt. Het grootste deel daarvan geschiedt haast onbewust en baseert zich op kleine en onbelangrijke groeperingen, schijnbaar onbelangrijk werk.

Aan dit alles wil ik nog toevoegen, dat de z.g. innerlijke stem bij allen, die tot dergelijke groepen behoren, steeds sterker zal worden. In het begin zal men deze stem ongetwijfeld wantrouwen, zal men, hetgeen deze stem aanraadt, leert, vraagt, 1001 malen trachten te toetsen aan de werkelijkheid, aan de mogelijkheid. Er komt een ogenblik, dat velen zullen beseffen, dat deze stem wáár is; dat deze stem niet meer de stem is van één persoon, één meester, één kracht, maar eerder een soort synthese, een weerkaatsing van alle dingen. Hoe sterker de mensen dit kosmische aspect gaan beseffen, hoe sterker zij onderling gebonden zullen zijn in streven en werken; dit ongeacht de beperkingen en scheidingen, die maatschappij, politiek, nationaliteit, voorlopig nog uiterlijk noodzakelijk maken.

  • Er zijn dan wel krachten noodzakelijk, die op het bewustzijn van de mensen inwerken, anders kan dit proces zich volgens mij in geen 100 en geen 700 jaren afspelen. Volgens mij moet er een soort sprongmutatie plaatsvinden, die het bewustzijn van de mens op zodanige wijze verruimt, dat men geneigd is dergelijke ideeën te aanvaarden.

Een kat in het nauw maakt rare sprongen, een mens eveneens. Noemt u deze sprongen een sprongmutatie, zo is dit stoffelijk minder juist, maar hun werking is niet minder reëel.

Indien wij uitgaan van hetgeen op het ogenblik gebeurt, zo wijs ik u op de volgende punten:

  1. Op het ogenblik is de nieuwe wereldleraar werkzaam. Ofschoon vele van zijn stellingen voorlopig bij vele mensen weinig begrip zullen ontmoeten, zo zijn deze stellingen toch reeds de werking en leringen van een nieuwe tijd.
  1. Verlichte genootschappen vanuit de geest en in de stof zijn op aarde in toenemende mate werkzaam. Overal, waar harmonie ontstaat tussen een mens, zijn streven en denken en de wereldgeest, kan de innerlijke verlichting – al dan niet door geestelijke krachten bijgestaan – in de eenling eveneens optreden. Deze eenling wordt dan bewust, of onbewust, het middelpunt van een beginnende kring, die in het allereerste begin al te vaak het karakter van een discussiegroep zal hebben.

Later – ook al ontstaat geen vereniging in stoffelijke zin – ontwikkelt zich dit tot een steeds uitbreidende kring van mensen met gelijke geestelijke en vaak ook stoffelijke belangen en interesses. Langzaam, maar zeker, ontwikkelt zich zo – vooral bij hen, die de eenheid met de wereldgeest, de harmonie met de Christusgeest vinden – de openbaring van veel, wat op het ogenblik nog occult heet. De mens, die rijp is voor deze dingen, krijgt zo de beschikking over een soort wapen: het wapen van bewustzijn, geestelijke vermogens en krachten, waartegen anderen – zeker anderen, die niet geestelijk rijp zijn – zich zelden kunnen verweren.

Nu staat in Uw Heilige Schrift, in het Boek der Openbaringen, dat er in die dage vele valse profeten zullen zijn. Ook voor deze dagen geldt dit. Wanneer er vele valse profeten zullen zijn, zullen er ook echte zijn, anders heeft het geen zin te spreken over “vele valse profeten”, doch zou het duidelijker en juister zijn te zeggen: “zijn er slechts valse profeten”. Hieruit volgt, dat elk land, elk deel van de maatschappij, op elk sociaal vlak, zijn eigen profeten zal kunnen vinden; zijn eigen en voor de groep meest aanvaardbare centra van werkende krachten. In de afgelopen periode is deze werking hoofdzakelijk mediamiek geweest. In de komende periode wordt zij meer en meer bewust, bewust inspiratief en op de duur geheel zelfstandig werkend aan de hand van verkregen innerlijke verlichting. Het zal u verder duidelijk zijn, dat dergelijke centra, dergelijke mensen, de juiste richting zullen kunnen aanduiden, wanneer alle anderen niet meer weten waarheen.

De begin volgend jaar optredende invloeden houden in, dat een zeer groot deel van de mensheid sterk onder druk komt te staan, iets, wat de bouw van de beschreven groepen en hun groei aanmerkelijk bevorderen zal. Binnen 100 jaren zullen dergelijke groepen op een zeer harmonische wijze gevormd zijn en wel zo, dat een harmonische samenwerking tussen deze groepen allereerst geestelijk, maar kort daarop ook stoffelijk mogelijk zal worden. Wat inhoudt, dat deze samenwerking reeds voldoende is om zodanige voorkeuren te scheppen bij incarnaties, omstandigheden te wijzigen e.d., dat het omschreven proces volgens mij inderdaad na rond 700 geheel voltooid zal zijn, zodat er dan een nieuwe mensheid op aarde leeft, die niet een sprongmutatie heeft doorgemaakt, maar zich heeft bevrijd van vele onnodige illusies en uit waan geboren aanhangsels, maar daarvoor in de plaats het innerlijk beleven van de waarheid heeft weten te stellen.

Vragenrubriek

  • Is de tijd van iemands dood tevoren bepaald, of kan men zelf daarop invloed uitoefenen? Onder meer door de wil al of niet verder te leven op aarde?

Natuurlijk is aan de hand van de logische wetten als oorzaak en gevolg vast te stellen, wanneer iemand zal sterven. Naarmate de dood dichterbij komt, kan dit ogenblik juister worden vastgesteld, tot uiteindelijk zelfs de seconde van overgang geheel te bepalen zou zijn. In alle fasen behoudt de mens het recht en de mogelijkheid, door eigen instelling en handelswijze te veranderen – geestelijk, zowel als in gedachten en daden – het ogenblik van sterven te wijzigen. Indien men niet wenst te leven, werkelijk niet meer leven wil, blijken de impulsen van het hart steeds zwakker te worden. Voor een normaal mens, die niet meer wil leven, zal de dood bij een volgehouden wens tot sterven, in ongeveer vijf weken kunnen optreden. Bij iemand, die gezond of ziek is, in ieder geval lichamelijk verzwakt is, bedraagt de tijd ca. rond 72 uur, terwijl iemand die geschoold is in het gebruik van gedachtekracht en wil, zichzelf dood kan wensen in rond drie uren. In al deze gevallen zal er sprake zijn van een volgens oorzaak en gevolg bepaald moment van overgang en wel door de werking van de vrije wil.

Hoe wij over zoiets denken? Wij vinden het over het algemeen niet netjes, wanneer iemand wegloopt, vóór hij zijn werk heeft afgemaakt. Bovendien vinden wij het eigenlijk jammer van alle moeite, die wij later hebben om een dergelijk iemand weer in het juiste spoor te krijgen, ook al zullen wij die moeite natuurlijk toch wel doen. Ingewijden uitgesloten hier, die veroorzaken geen moeite en weten precies, wat zij doen.

  • Kan het geestelijke Ik, het Ik van de mens, dit niet voorkomen?

Aangezien het werkelijk Ik van de mens – gedurende zijn stoffelijk bestaan – bestaat uit de geest, het stoffelijk bewustzijn en de stof zelf, zal een dergelijk jezelf-dood-willen niet mogelijk zijn, tenzij ook de geest op grond van eigen gesteldheid, bewustzijn en ervaringen, het hiermee eens is.

  • Indien iemand, ondanks waarschuwingen, toch de straat oversteekt en daarbij de dood vindt, is dit dan eigen schuld of voorbestemd?

Aangezien het oversteken van zo iemand uit eigen vrije wil zal geschieden, kan niet worden gesteld, dat hier sprake is van voorbestemming. Er was een mogelijkheid tot keuze en een ontwijken van de dood was dus zeker mogelijk. Wanneer wij nagaan hoe het karakter van de mens, zijn omstandigheden en stemming, de oorzaak geweest kunnen zijn voor zijn – ondanks waarschuwingen – oversteken, kan worden gesteld, dat, zo hij al zelf voor het vinden van de dood aansprakelijk moet worden geacht, hij door de fatale keuze alleen de tendenzen volgt, waarin hij door incarnatie en stoffelijk denken heeft geleefd.

  • Wanneer men stelt, dat achter het wereldgebeuren, achter elk gebeuren, een zekere geestelijke kracht schuilgaat, is dit toch juist?

Ik ben het daarmee niet helemaal eens. Indien er een vrije wil bestaat, dient men ook te stellen, dat het wereldgebeuren en alle gebeuren voor een deel door de mens wordt bepaald en niet door de geestelijke krachten er achter.
Voorbeeld: mensenkinderen op aarde krijgen van de hemelse onderwijzer de opdracht een opstel te maken over het onderwerp “Vrede”. Zij kunnen dan natuurlijk – volgens de Goddelijke wetten en regels – stellen dat vrede het gevolg is van een gehoorzamen aan de kosmische noodzaak, begrip en achting voor de naaste te tonen. Meestal zullen de mensen stellen: vrede is een zodanige macht, dat het mij mogelijk is een ieder, die niet naar een vrede verlangt volgens mijn inzicht, de kop te verpletteren. De onderwijzer corrigeert het werk, maar grijpt niet in, zo lang men nog bezig is met zijn taak. Dan is het ook mogelijk, dat de kinderen, die de laatste opvatting verdedigen, tegen de wil van de onderwijzer in – tegen de wil van alle geestelijke krachten – ook een ondergang van de mensheid zouden veroorzaken. Als zodanig zal deze mogelijkheid in het kosmische bestel verdisconteerd zijn, en in de kosmische werkelijkheid reeds zijn vastgelegd.

God is alwetend. Dat is waar, maar Hij geeft de mens een vrije wil. Dan betekent dit ook, dat op elk ogenblik van het menselijke leven een mogelijkheid tot keuze zal bestaan tussen tenminste twee mogelijkheden, terwijl elke gedane keuze op zijn beurt nieuwe keuzemogelijkheden schept.

De vrije wil is niet uit te sluiten, zelfs indien men stelt dat, de persoonlijke vrije wil van elke mens op zich beperkt zal zijn door de maatschappij, het milieu en de vorm, waarin hij leeft. Dit betekent nog niet, dat wij het milieu – of de maatschappij – identiek kunnen achten met de wil Gods. Elke keuze door het geheel gedaan, weerkaatst tot op grote hoogte de wil – of de fouten – en besluiteloosheid van alle delen, waaruit dit geheel is gevormd. Het totaal van de mensheid, via het bovenbewustzijn kenbaar wordend voor de eenling, die niet alleen het onbewust ondergaat, doch er bewust in door weet te dringen, feitelijk geen Goddelijke wil of geestelijke invloed kan weer geven, doch alleen de som van alle vrezen, complexen, begeerten en andere drangverschijnselen, die de mens beïnvloeden en de daden, die hieruit voort zullen vloeien. Indien door hogere machten, geestelijke waarden op de mens pressie wordt uitgeoefend – zoals in deze dagen te gebeuren staat – betekent dit niet, dat de mensheid nu maar één enkele weg kan gaan, maar dat zij genoopt wordt tot een keuze, waar zij deze in andere omstandigheden misschien nog zou weten te ontwijken.

  • Wat is het ontbreken van werkelijkheidszin in de stof? Indien deze bij de mens  ontbreekt, is deze dan een fantast of ontbreekt het bewustzijn?

Het ontbreken daarvan bij de mens is identiek met bewusteloosheid. Maar een gebrek aan werkelijkheidszin moeten wij eerder zien als een niet waarderen van de verschijnselen van de relatieve werkelijkheid op dezelfde wijze als in zijn omgeving gebruikelijk is. Dit impliceert, dat een dergelijk mens vanuit het standpunt van de omgeving een fantast is, ofschoon hij op zich reeds reële waarden kan beleven, of ontdekken. Stellen wij ontbreken van werkelijkheidszin vanuit een geestelijk standpunt, zo houdt dit in, dat de geest de ware inhoud en bedoelingen van het leven niet kan doorzien, daardoor handelend op een wijze, die vanuit zijn geestelijke noodzaak en behoeften op de wereld, of in de sferen, niet verklaarbaar is.

  • Zal een helderziende tijdens de zwangerschap het geslacht van het kind kunnen  vaststellen?

Dit is voor een deel afhankelijk van de kwaliteiten, die de helderziende bezit. Niet elke helderziende zal hiertoe in staat zijn, zoals niet elke helderziende in staat is alle feiten van helderziendheid te volbrengen. Sommigen zien alleen in ruimte, anderen bij voorkeur in tijd,  sommigen zien meer persoonlijk, anderen zien tendenzen, er zijn er die geesten waarnemen,  terwijl het ook mogelijk is, dat alleen uitstralingen van mensen kunnen worden waargenomen. In het laatste geval lijkt het mij niet onwaarschijnlijk, dat tijdens de zwangerschap, ook de sekse van het komende kind kan worden vastgesteld. Verschillende soorten van helderziendheid kunnen in één enkele persoon verenigd zijn, maar slechts zelden vinden wij alle mogelijkheden binnen één enkele mens verenigd.

  •  Kan een helderziende zijn eigen overgang van tevoren zelf vaststellen?

Dit is hoofdzakelijk afhankelijk van de mate van medewerking, die hij er zelf aan verleent. Alleen door middel van een geest – dus een waarneming van buiten het Ik – kan hij zekerheid omtrent dit uur in andere omstandigheden voorzien.

  • Worden tornado’s, wervelwinden enz. door demonen veroorzaakt, mede gezien de schade, die deze veroorzaken?

Hierbij verwijs ik u naar de soort geleerden, die het weerinstituut e.d. bevolken. Uit hun we- ten zal u blijken, dat wervelstormen enz. plegen te ontstaan, wanneer in de atmosfeer bijzondere verhoudingen van hoge en lage druk voorkomen, gepaard gaande met het optreden van abnormaal hoge statische ladingen. Aangetrokken stofdeeltjes raken door de atmosferische bewegingen in werveling, trekken door verhoging van lading, andere deeltjes, meestal door water omgeven, aan enz. enz. De baan van een dergelijke luchtwerveling worden bepaald door de luchtdrukverschillen, die optreden en daaruit voortkomende stromingen, die steeds de weg van de minste weerstand kiezen. Verder kan in de selectie van de baan het aanwezig zijn van tegengestelde statische lading op aarde een rol spelen, terwijl ook de geaardheid van het terrein een rol speelt. De verklaring is dus in de eerste plaats een natuurlijke.

Het is denkbaar, dat een geest – niet noodzakelijk een demon – van een dergelijke luchtwerveling gebruik maakt om een bepaald doel te bereiken en onbelangrijke afwijkingen van de oorspronkelijk te volgen baan – volgens de zuiver natuurlijke omstandigheden – veroorzaakt. Verschijnselen als deze wervelingen en stormen komen ook voor op Mars bv., in de atmosfeer van de zon. Overal, waar een atmosfeer bestaat van redelijke dichtheid en een niet overal gelijke verwarming en weerkaatsing van een planeet optreedt, of een volkomen gelijke werking vanuit de kern naar alle zijden in een ster zou optreden, komen wervelstormen zeer sterk voor.

Een groot deel van Mercurius bv. kent voortdurende wervelstormen. A priori kan geen aansprakelijkheid van demonen e.d. voor deze en soortgelijke verschijnselen worden aangenomen. Wel kan bij uitzondering een bepaalde geest – of kracht – gebruik maken van een dergelijke werveling om een gesteld doel daarmee na te streven.

  • Kan de mens zelf niet voor natuurrampen aansprakelijk worden geacht?

In vele gevallen wel. Menselijk denken van voldoende eenheid en duur schept een astrale vorm. Deze kan vergeleken worden met een magnetostatisch veld, waarin kleinste delen in vaste binding voorkomen, die een binding, maar ook een gerichte mogelijkheid tot uiting kunnen bezitten. Dergelijke invloeden, en de daaruit voortkomende uitwisselingsverschijnselen bij contact met de materie, zouden voor verschillende soorten natuurrampen direct – of indirect – aansprakelijk kunnen worden gesteld. Er bestaan dus wel door de wetenschap niet gekende invloeden, die, waar kritieke spanningen bestaan, bv. uitbarstingen kunnen veroorzaken, aardbevingen op kunnen doen treden, baanveranderingen voor wervelstormen veroorzaken, e.d. Deze factoren hebben pas dan werkelijke belangrijke gevolgen, wanneer reeds een kritieke toestand bestaat door natuurlijke oorzaken.

  • Hoe kan Mercurius, die toch zo klein is, een veel bewogen atmosfeer in stand  houden en vasthouden?

Van vasthouden is eigenlijk bijna geen sprake door de hoge temperaturen op het aan de zon toegewende oppervlak, waardoor vervluchtiging van vaste stoffen plaats vindt. Deze beweegt zich in de richting van de van de zon afgewende zijde. Zodra de schaduwzone bereikt wordt, ontstaan wervelingen en zelfs enige verdichting, die op een neerslag lijkt, doch natuurlijk geen water maar dampvormige stoffen van op aarde, die vaste aard bevat. Bij het bereiken van het duistere deel van de planeet is de wervelingssnelheid zó hoog, dat een groot deel van de nog gasvormige stoffen naar de ruimte ontsnapt. De resten slaan neer en herwinnen een vaste toestand. Eerlijk gezegd weet ik zelfs niet, of ik onder deze condities wel wetenschappelijk juist van atmosfeer kan spreken, maar meen, dat dit de eenvoudigste wijze is, om hetgeen zich daar afspeelt, weer te geven.

  • Zal er eens een tijd zijn, dat mensen en huisdieren met elkaar zullen kunnen spreken en elkaar begrijpen?

Dit is m.i. mogelijk op het ogenblik dat de mens de telepathie voldoende beheerst en dan zal een beter begrip tussen de mens en de dieren mogelijk zijn. Misschien, dat u dit spreken wilt noemen. In feite is het iets anders. Bovendien ben ik bang, dat voor velen, die nu hun huisdieren wat teveel menselijk bezien en idealiseren, een dergelijk contact niet zonder teleurstellingen zal zijn.

image_pdf