Oosterse filosofie

2 maart 1958

Vanuit het Oosten zijn voortdurend geestelijke invloeden naar het Westen gekomen en de basis van het westers streven is heel vaak – ofschoon men dit niet beseft – zuiver oosters.

In het Oosten nu liggen de waarderingen, zoals U ongetwijfeld reeds hebt kunnen merken, geheel anders dan in het Westen. En hierdoor komt men vaak met elkaar in strijd. Want het Westen wenst de oosterse filosofie aangepast aan haar eigene op judaïstische wetten en christelijke concepten opgebouwde moraal en haar eigen inzichten omtrent sociaal bestel, zoals die uit de westerse maatschappij zijn gegroeid. Het Oosten kan echter nooit zijn waarden geven in de beperkingen van het Westen. Dit zullen wij wel moeten beseffen.

Jezus leer is in de eerste plaats ook een oosterse leer. Het Westen heeft deze leer geadopteerd en veranderd volgens eigen inzichten. De christen zal dit niet beseffen, maar wanneer wij nagaan, welke grondwaarden dan toch de meest belangrijke zijn, dan zullen wij al zeer snel ontdekken, dat hier het Westen wel zeer ver van het christendom en dus ook van het Oosten afstaat. De Oosterling leert; “Verhef U niet op goed en bezit, want dit zijn dingen, die U slechts tijdelijk gegeven zijn. Gij zult ondergaan, indien gij meent, dat dit de inhoud van Uw leven is.” Jezus zegt; “Laat al dit (hiermee bedoelt hij aardse goederen, enz.) achter U en vertrouw op de wil des Vaders.” Wanneer men hem wil volgen, voegt hij daaraan toe; “en volg mij.” Het concept van werelds goed als onbelangrijk wordt hier wel zeer sterk uitgedrukt.

In de oosterse zedenleer der eerste jaren – dus dat is de periode, dat het Sanskriet pas geschreven werd – vinden we ook weer een aantal van deze eigenaardige citaten. Daar staat nadrukkelijk, dat niemand zich mag verheffen op hetgeen hij bezit, noch op hetgeen hij is door geboorte, noch op hetgeen hij vererfd heeft of zich door eigen capaciteiten heeft kunnen verwerven. Want – zo merkt daar de wetgever op – deze dingen zijn gaven, geen verdiensten. Zo ge U beroemen wilt, beroem U er op, dat gij niet gebonden zijt door begeerte of angst. Beroem U er op, dat ge afstand kunt doen van alles en toch Uzelf blijven, zonder bitterheid.

Een typische consequentie vloeit hier ongetwijfeld uit voort. Het Oosten, van het begin af aan verwerpende de belangrijkheid van het stoffelijke zonder daarom afstand daarvan te doen, moest in zijn eigen levensconcepten komen tot een veel grotere belangrijkheid van het geestelijke. De eerbied, die men heeft voor een filosoof, een wijsgeer, een geestelijk man, is dan ook in het Oosten veel groter dan in het Westen voorstelbaar is. Dit is weer gebaseerd op stelregels, die juist de wijsgeer daar leiden.

Jezus zegt tot zijn leerlingen; “Wanneer men U weigert in het eerste huis, zo ga verder en zo men U weigert in het laatste huis, schud het stof van die stad van Uw sandalen en ga verder.” De Oosterling heeft dat ietwat verfijnder gezegd. Hij zei; “De wijsheid is een groot bezit. Ze is echter de grootste gave. Wie wijsheid geeft, geeft meer ” (en dan kun je zelf wel invullen; meer dan al het andere.) Daarom is de wijsgeer iemand, die recht heeft. Hij geeft immers een onschatbare waarde. Een woord van hem, één ogenblik van aandacht is a.h.w. een contact met andere, diepere werelden. De wijsheid en de weg, die zij brengen weer – uitdrukkelijk vertaald uit de Veda, de Vedanta – dus de weg en de wijsheid, die zij brengen, leiden de helden tot de goden. Met andere woorden je kunt op aarde alles zijn, alles betekenen, alles doen wat je wilt, maar je kunt nooit, zelfs niet al ben je een vorst of de grootste held van geheel de wereld, werkelijk iets betekenen zonder de wijsheid.

De achtergrond van deze denkwijze is duidelijk. Wijsheid is niet kennis. Wijsheid is het vermogen om de innerlijke waarden in harmonie te brengen met de uiterlijke toestand. Wijsheid is het vermogen om de inhoud van het geleerde en van het gekende in het “ik” te bevatten en van uit het “ik” te doen uitvloeien. (Wederom als een harmonie brengende factor.) Deze harmonie is zo belangrijk, dat niets boven wijsheid kan worden gesteld. Een ieder, die zich wendt tot een wijze, moet zich daarom aan diens wijsheid overgeven. En zoals wederom uitdrukkelijk is vastgesteld; Indien de goden of de wijzen tot U spreken, zo is het hun weg, die U wordt geopend. Indien ge hun woord aanvaardt, zult ge hun weg moeten gaan. Jezus zegt; “Ik ben U de weg en de waarheid.”

Elke gedachtegang op zichzelf kan leiden tot het Goddelijke, maar ze moet gedragen worden door een intens begrip voor God en wereld. Er mag geen ogenblik een afbuiging zijn naar de zelfverheffing of de kennis. Altijd moet er deze zuivere eenheid blijven, waarbij het “ik” zich aan de hand van het gekende volledig harmonisch inpast in de wereld. Maar dit kun je een ongeteld aantal malen en op verschillende manieren doen. Logischerwijze zullen wij dus juist, wanneer zoiets gebeurt, ons moeten wenden tot één richting. Je kunt niet op drie manieren harmonisch zijn met de wereld. Er is slechts één mogelijkheid. Wie de weg van een wijsgeer aanvaardt, moet die weg gaan.

Ook het geloof is in het Oosten een ietwat andere factor dan in het Westen. In het Westen doet het geloof ons soms wat krampachtig, ja, soms zelfs wat belachelijk aan. Het is zo, dat in het Oosten menigeen eerlijk meent gaven te bezitten, die hij niet heeft. In het Westen komt het heel vaak voor, dat zij, die werkelijk gaven bezitten, niet durven aanvaarden, dat deze werkelijk zijn. Hierin kentekent zich het verschil. tussen Oost en West. Het geloof van het Oosten gaat verder dan het werkelijke. Het impliceert a.h.w. een onmogelijke uitbreiding van het persoonlijke leven. Het westers geloof daarentegen probeert om het eigen leven te handhaven en daarbij een formalisering te geven van mogelijke bovennatuurlijke krachten op een wijze, die hen zo ver mogelijk van het dagelijks leven houdt en gelijktijdig een rechtvaardiging van dat “ik” in het dagelijks leven voortdurend mogelijk maakt. Dat is natuurlijk een pijnlijke toestand.

Wat is dus de ware weg van het geloof, waarop Jezus ook heeft geduid en waar zelfs Boeddha een enkele keer op zinspeelt. (En toch is Boeddha de minst dogmatische leraar, die ooit op de wereld is geweest.) Geloof, wáár geloof, wil zeggen; een aanvaarding van de bovennatuurlijke kracht, die men door de wijsheid erkent in eigen leven en het leven van anderen, zonder op deze kracht te vertrouwen om daardoor meer te zijn dan anderen. Dit is overigens geen zuiver oosterse formulering. Het is de formulering van een Franciscaan, die ongeveer 3 á 400 jaar geleden al een missie volbracht in Afrika. Maar hij formuleerde daar iets voor een Mohammedaan, dat toch wel de kern van het Oosterse inhoudt. Je moogt niet verwachten, dat je door het geloof meer wordt gegeven dan je bent, dat je méér kunt zijn. Je moogt alleen maar accepteren, dat je – door harmonisch te zijn volgens het geloof, dat in je leeft – een eenheid bereikt met de dingen, die gaat boven al.

Dit is schijnbaar in strijd met Jezus’ uitspraak; “Vraagt en U zal gegeven worden, klopt en U zal worden opengedaan.” Maar slechts schijnbaar. Want indien ik in harmonie ben, zal ik – niet uit eigen krachten, noch door eigen vermogen – mijn taak in de wereld kunnen vervullen met de grootste volmaaktheid. Dat is de harmonie, het principe harmonie met de oneindigheid. En in deze harmonie kan ik dan a.h.w. vanzelf komen tot een grote ervaring van de goddelijke goedheid. In mijzelf wordt mijn bede beantwoord door mijn geloof. De beantwoording houdt zelfs in een vervulling binnen het “ik”, maar niet buiten het “ik”.

In het Oosten gaat het geloof zo ver, dat het leven en dood als gelijk ziet. Dat het de invloeden van het leven plotseling ziet overgebracht in een onzichtbare wereld, waardoor men – men heeft immers geen controle meer over de doden – tracht om zoveel mogelijk voorzorgen te treffen, voordat ze hun zuiver aardse reflexen op de aardse mens zouden kunnen botvieren. Maar de achtergrond van dat geloof is een absoluut wegvallen van elke scheiding. Want er is geen dood. Dit is voor de Oosterling meer waar dan voor de mens in het Westen. De mens in het Westen sterft. De Oosterling gaat voort naar een volgend leven, een volgend lichaam, een volgend bestaan, of misschien zelfs naar de vrijheid, die ligt in “het zijnde niet zijn” van Nirwana en al, wat daarmee verbonden is.

Vrienden, wanneer wij als geest, of U als westerse mensen, de consequenties zouden willen trekken uit hetgeen ik heb getracht thans naar voren te brengen, dan kunnen wij het zo stellen; Alle leven op aarde is één. Wij kunnen niet sterven, zolang wij deel zijn van dit leven, Wij zullen overgaan van wereld tot wereld of van vorm tot vorm. Er is geen enkele reden dus om te vrezen voor de dood. Er is ook geen reden om te vrezen voor het lijden. Want zolang het lijden ons nog beroert, is dit zwakte, zodra we het overwinnen echter wordt het onze kracht. Deze kracht is gelegen in ons en heeft geen betrekking op ons lichaam. Wij kunnen, wanneer wij intens geloven in het Goddelijke, komen tot een inzicht, waarbij onze eigen wereld dit Goddelijke uitdrukt. In deze uitdrukking verwerven wij geen macht over de wereld, maar zijn wij zozeer harmonisch met de wereld, dat het werkelijk noodzakelijke ons steeds vervuld wordt. Dat al wat wij vragen volgens deze wijsheid ons gegeven kan worden, omdat het slechts is een vragen om een grotere volmaaktheid van ons eigen bestaan.

Er bestaat voor ons geen enkele reden de normen, die de wereld aanlegt, te accepteren dan onder voorbehoud. Er bestaat geen enkele wet, die groter is dan de wet, die in ons leeft. Langs deze weg kunnen wij door wijsheid en aanvaarding het Goddelijke bereiken. Nooit langs de uiterlijke wegen. Laat ons daarom scherp stellen – zoals de Oosterling dit doet – dat er twee wetten zijn, waarvan de wet Gods de eerste, de meer seculaire wet de tweede is. Geen enkele wet echter zal mogen strijden met de wijsheid, die in ons leeft. Ook waar geen wet is, zijn wij ons een eigen wet, zo de wijsheid, die in ons leeft en het begrip, dat in ons bestaat ons deze wet uit het eigen “ik” doen zien en aflezen.

Wij hebben geen reden om dogmatisch te denken over een God, noch bestaat er enigerlei reden die God in een bepaalde vorm te aanbidden. Wel echter moet de God erkend worden in alle dingen. Aanbidding van God is a.h.w. overdreven. Aanvaarding van God als een werkelijk en direct deel van het eigen bestaan echter is een noodzaak. Zoals een Yogi, nog niet zo lang geleden, eens opmerkte tegen een christenleraar; “Gij zegt; ‘Wij aanbidden God,’ En ge meent, dat ge dus door voor Uw God te treden als voor een vorst, die God kunt eren. Maar kunt ge voor iemand treden, die steeds met U is? Gij zijt dwaas. Erken God als deel van Uw leven. Eer Hem niet als vorst en koning, maar zie Hem voor wat Hij is; de Adem, Die Uw leven in stand houdt.”

Zo God te zien wil zeggen: de volmaaktheid van het eigen wezen a.h.w. bevestigen in de grootheid van Zijn bestel. Dat is belangrijk. Zeg niet; “Dit zijn de geboden, die God ons gegeven heeft.” De geboden, die God geeft, worden niet neergelegd voor alle mensen, maar worden geschreven in de ziel van elk levend wezen. Slechts deze wet is waar en deze wet is krachtiger dan alle wetten. Zeg niet; “Ik ben toch gedwongen te beantwoorden aan de sociale en maatschappelijke regelen van mijn maatschappij.” Want wie zo spreekt, stelt die maatschappij boven God, boven de wijsheid, boven de inhoud van zijn eigen wezen. Zeg steeds; “Eerst mijn eenheid met de schepping, mijn realisatie van de Schepper. Eerst mijn verantwoord zijn voor mijzelf, daarna de verplichting, die de wereld mij oplegt.” Een oosters wijsgeer zegt; “Erken niet kind of moeder, vrouw of vader, erken geen enkele band behalve deze ene; ‘In mij leeft de oneindigheid.”

Die wet is zeer hard. Zij is voor een Westerling haast niet uitvoerbaar. Ze is strijdig met elk idee van verantwoordelijkheid, met elk idee van verplichting, die in hem leeft. Dat komt, omdat het Westen heeft getracht zijn eigen beperkte en stoffelijk gebaseerde beschouwingen te maken tot goddelijke wetten. Dat gaat niet. Gods wet is leven ín en mét Hem, meer niet. Maar wie dit kan doen, geheel en volledig, oprecht en overtuigd, die behoeft zich ook niet te bekommeren over andere moeilijkheden. Want op deze wijze vindt hij elke wet, die noodzakelijk is en vindt hij de juiste wijze, waarmee elk contact met de mensheid – nooit band maar contact met de mensheid – op een verantwoorde wijze volgens de harmonie van de oneindigheid kan worden volbracht,

Al deze consequenties en meer vinden wij in het christendom, vrienden. Want ook daar liggen ze, ook daar zijn ze geschreven. Maar mensen, die ze niet willen verstaan, hebben erover heen gelezen, hebben ze a.h.w. weggevaagd door de nadruk, die ze hebben gegeven aan andere zinnen. Want ik geloof niet, dat er veel christenen zijn, die gaarne arm willen zijn, ofschoon de armen worden zalig geheten, of eenvoudigen van geest, ofschoon ze natuurlijk het voorrecht der zaligheid voor zich opeisen; die willen zijn arm, ziek, gebroken, en toch zijn dezen degenen, die Jezus zalig spreekt. Men heeft niet begrepen, wat hij met zijn Bergrede heeft bedoeld. Zij, die door de omstandigheden geen banden hebben met de wereld, die in eenvoud het leven aanvaarden als een deel van het Goddelijke, die zijn zalig. Alle anderen zullen moeten hunkeren en zoeken om deze zaligheid te kunnen bereiken.

Dit nu is de inhoud van alle oosterse filosofie. Dit is de inhoud van elke beschouwing opnieuw, te allen tijde weer. Eerst wie onthecht is, bezit waarlijk. Eerst wie zich beheerst, kan waarlijk heersen. Eerst wie God in alle dingen aanvaardt, kan waarlijk Gods wezen leren kennen.

o-o-o-o-o

Wanneer ik zo al die abstracties probeer te volgen, komt er voor mij altijd weer één punt naar voren; Waar leidt dit heen? Ten slotte wat voor lading een schip heeft kan belangrijk zijn, maar het belangrijkste is toch wel de koers, die het schip zet. Want die bepaalt, of schip en lading veilig de haven bereiken, dan wel hier of daar worden afgeschreven onder de treurige begeleiding van de klok van Lloyd’s. Dus voor ons is de koers, die wij inslaan in het leven, eigenlijk veel belangrijker dan de inhoud. En waar gaat nu zo’n reeks stellingen heen?

Het is natuurlijk erg mooi om te zeggen; Er bestaat geen enkele wet dan God in jezelf. Maar…,.zit daar geen gevaar aan vast? Wanneer je op een schip zou zeggen; “Er is geen kapitein dan God,” dan denk ik, dat het gauw een warboeltje zou zijn, tenzij de kapitein zou zeggen; “Maar ik heb ook nog wat mee te praten.” En een mens, die op de wereld leeft – en nu mag u denken over het Westen en de Westerlingen zoals je wilt – die zal toch in zekere mate moeten tegemoetkomen aan de toestand, waarin hij leeft. Het is natuurlijk erg mooi om te zeggen; “Je behoeft je aan geen enkele wet te storen behalve aan de wet, die je is ingeschapen.” Maar ik vrees, dat bv. rechts houden op straat je niet is ingeschapen. Doe je het niet, dan kom je vermoedelijk toch tot heel eigenaardige consequenties.

Kijk, daar ligt nu juist datgene, wat de spreker zo even m.i. een klein beetje buiten beschouwing heeft gelaten, n.l. dat ware wijsheid op een kennen van de wereld gebaseerd is en niet alleen op een aanvaarden. En één wijze, die zal m.i. zeggen; “Ik maak gebruik van alle mij geboden middelen,ook wanneer dat wetten of regels zijn, om mijn doel zo snel mogelijk te bereiken. Vroeger gingen de klippers uit en wat deed zo’n klipper? Die maakte – gezien t.o.v. de rechte lijn – soms fantastische omwegen. Waarom? Hij wou de tredewind hebben, de wind, die steeds in één richting blaast en die dus de zeilen voortdurend blijft vullen. Want dat was de snelste weg. En ik ben bang, dat menige wijsgeer in zijn wijsgerigheden deze praktische regels wel eens verwaarloost. Misschien neemt hij wel aan, dat iedereen dat vanzelf snapt, maar als het om geestelijke dingen gaat, dan snappen de meeste mensen – zo was ik vroeger zelf ook – er maar net genoeg van om het verkeerd te kunnen doen. Daarom zou ik willen zeggen; De praktijk van het leven brengt met zich mee, dat je elke wet respecteert, voor zover die wet je in conflict kan brengen met je medemensen, zonder dat dit noodzakelijk is voor jezelf. In de tweede plaats; Alle wijsheid moet gebaseerd zijn op een kennen van feiten plus een begrip van hun inhoud. Als je streeft naar wijsheid, dan moet je niet beginnen met de wereld en al wat zij in zich draagt, te verwerpen. Dan ben je hoogstens eigenwijs, maar zeker niet wijs. Je moet proberen uit te vinden in hoeverre die wereld harmonisch is met jezelf. In hoeverre je die wereld kunt accepteren met haar regels en wetten; en in hoeverre ze volledig strijdt met je eigen inzicht. En alleen daar – in dat laatste geval – mag je dan proberen (en dan nog heel voorzichtig) of je het ook zonder die regels, die wetten, die gewoonten kunt stellen. Dat houdt dus in, dat de wijze een wet erkent, niet omdat ze voor hem een noodzaak is, maar opdat ze geen belemmering wordt voor zijn vooruitgang.

Denk nu maar eens aan het sprookje van Roodkapje. Wanneer het goede kind regelrecht naar haar oude grootmoeder was gegaan, dan was er niets gebeurd. Maar zij moest opzij bloempjes plukken. En juist dat plukken van die bloempjes werd haar en haar grootmoeder bijna noodlottig. Zo gaat het je, wanneer je meent, dat je de tijd kunt nemen in je zoeken naar geestelijke bewustwording om eerst even de menselijke wetten en gewoonten te kraken. Als je er tegenaan loopt en het zijn hinderpalen, ga er doorheen. Dat maakt niets uit. Maar begin vooral niet van tevoren te zeggen; “Dit geldt voor mij dus niet.” Doe maar net of je net zo stom bent als ieder ander. Dan leef je meestal meer volgens je stand.

U moet maar eens opletten, onze vorige vriend had het over oosterse wijzen. Maar hebt U wel eens zo’n oosterse wijsgeer gezien, de werkelijke wijsgeer? Wanneer je die ziet, misschien dat zijn vormen wat edeler zijn, dat kan wel eens voorkomen, maar het enige verschil, dat er is tussen een bedelaar en een wijze, is misschien dat de wijze net iets zindelijker is. Het enige verschil, dat je kunt maken tussen de hoogste ingewijde en de grootste huichelaar op dat terrein, een soort fakir, is veelal alleen maar de manier, waarop ze zich t.o.v. hun medemensen gedragen en verder niet. Ze passen precies in dezelfde wereld. Ze gedragen zich volgens dezelfde normen en wetten, alleen…. ieder leeft zijn eigen persoonlijkheid uit. En daar heeft de wijsgeer – waar hij overal meegevoel wekt, eerbied wekt – het vaak nog gemakkelijker dan een bedrieger. Een bedrieger kan zich voor een wijze uitgeven, maar het is voor een wijze onmogelijk zich voor een bedrieger uit te geven. En het vreemde is, dat dat feit onbewust door de doorsneemens en ook door de geest wel wordt ervaren.

Wanneer wij dus als een wijze door het leven zouden willen gaan, dan zullen wij toch allereerst wel moeten aanvangen met wijs genoeg te zijn om niet te beginnen met onze wereld te vechten. En wijs genoeg te zijn om niet de mogelijkheden, die nu plotseling in het verschiet bloeien, maar eens éérst te gaan activeren. Je zou kunnen zeggen; De grootste hinderpaal van hen, die het pad van de esoterie en de bewustwording gaan, is vaak, dat ze eerst proberen de bloemen van het bovennatuurlijke als beleefbare mogelijkheid te plukken, voordat ze overgaan tot de beleving van die dingen.

Nu weet ik niet, hoe het tegenwoordig is. Maar als een ongeschoold werkman bij een baas komt en zegt; “Baas, ik wil wel voor je werken, maar geef mij eerst een maand voorschot,” dan zal die baas toch wel zeggen; “Je bent getikt.” Maar degenen, die eerst de gaven willen hebben en dan eens willen gaan streven naar die wijsheid en dat bereiken, zijn eigenlijk nog veel erger. Want die nemen aan, dat het leven nog stommer is dan een doodgewone werkgever op aarde. Het leven is om de dooie dood niet dom. Integendeel. Alles wat dom is in het menselijke is uit het leven geëlimineerd. Er zit wel een mogelijkheid in, maar je realiseert haar niet, als je het leven zelf ziet.

Probeer dan ook nooit om buiten de wetten van het leven om te gaan, ook al zou dit volgens de wijsgeer mogelijk moeten zijn. Begin met die wet van het leven nu maar te accepteren. Wanneer je er boven uitgroeit, merk je dat vanzelf wel. Dat wil zeggen, dat voor een Westerling het erom gaat, dat hij begrijpt waar hij aan toe is. Dat hij zich innerlijk moet onthechten, terwijl hij uiterlijk nog aanvaardt en dient. Wanneer hij zo verder gaat, dus uiterlijk aanvaardend en dienend maar innerlijk strevende naar wijsheid, dan komt eigenlijk de zaak pas goed in orde. Want wanneer je innerlijk streeft naar wijsheid en je bereikt deze, dan wijzig je – onbewust vaak – de uiterlijke omstandigheden zo, dat je zonder strijd volledig schijnt te beantwoorden daaraan, doch ze interpreteert op de wijze, die voor jou de enige juiste is.

Nu zijn er nog een paar punten bij. Bezitsrecht wordt bv. door de oosterse wijsgeer helemaal verworpen. Nu kunt U dat ook wel doen, wanneer U iemand ontdekt, die bezitsrecht heeft op datgene, wat U dan niet werkelijk bezit maar in bewaring heeft. Maar het lijkt mij toch wel heel dom, om demonstratief dat, wat je gegeven is, eenvoudig een ander in de schoot te werpen. Het enige, dat de mens in het Westen allereerst zal moeten beseffen, is; Geen enkele mens kan rechten hebben op een ander mens. De man niet op de vrouw, de vrouw niet op de man; het kind niet op de vader of op de moeder, de moeder en de vader niet op het kind. Want elke mens is een wezen dat in zich vrij is en door de goddelijke kracht wordt gedragen. En omdat je geen rechten hebt, zul je – wanneer ze je toch tijdelijk gegeven worden – deze met eerbied en dankbaarheid kunnen accepteren en daaruit heel wat meer wijsheid en ervaring putten dan degenen, die dat vanzelfsprekend aannemen en dan menen, dat – wanneer die rechten ergens een beetje worden teruggenomen – nu toch wel de hele wereld op zijn kop staat.

Ja, als je het mij vraagt, dan ligt daar eigenlijk het grote verschil tussen de Oosterling en de Westerling, Wanneer de Westerling merkt, dat het niet gaat zoals hij meent, dat het moet gaan, dan zegt hij; “De wereld staat op zijn kop.” Wanneer de Oosterling in hetzelfde geval verkeert, zegt hij; “Ik sta op mijn kop.” En dan gaat hij proberen weer op zijn pootjes terecht te komen. Het vreemde is daarbij, dat zodra de Oosterling bepaalde westerse ideeën aanvaard heeft, hij standvastiger blijft volhouden, dat de wereld op zijn kop staat en hij niet, dan ieder ander. Klaarblijkelijk is dus de stelling, die het Westen door gewoonte niet zo serieus meer neemt, voor de Oosterling, die er nieuw tegenover staat, nog een bijzonder krachtig iets. En daarom is het goed, dat we ook al hebben we nu geen last van dat ver doorgevoerde idee; “Ik ben goed, dus als het mij niet goed gaat, staat de wereld op zijn kop.” we onszelf steeds weer voor ogen houden, dat niets verkeerd kan zijn behalve onze eigen houding.

Als U op die manier de oosterse filosofie in de westerse praktijk brengt, dan denk ik, dat het er nog wel mee losloopt. Want dan heb je een koers gevonden, die het je mogelijk maakt alles in het leven met al zijn moeilijkheden, al zijn klippen en zandbanken, eenvoudig zonder gevaar te passeren. N.l. deze koers; De kracht, die het leven zelf is, is goed. Al wat mij daarvan verwijdert, is fout. Al wat mij daar nader toe brengt, is goed. Dit is mijn koers; het leven beleven, zonder mij ooit te verzetten tegen hetgeen het leven mij aandoet, maar voor mijzelf steeds bevestigend al wat het leven mij geeft, al wat ikzelf ben in het leven.

We zullen nu maar zeggen; goede landing. Wanneer jullie een loods nodig hebt tegen de tijd, dat jullie naar onze wereld toekomt, dan behoeven jullie helemaal niet bang te zijn, dat er geen aan boord komt. Dat is een van de mooie eigenschappen van het leven. Het laat je je eigen weg gaan. Wat je wilt doen – vieren, een rechte koers varen of kruisen – het laat je je gang gaan. Maar wanneer je bij één van de havens van het leven komt, dan is er altijd een loods om je binnen te brengen. Onverschillig welke haven dat is of wordt.

Vrienden, dat is ook een zekerheid voor ons. We behoeven ons maar een doel te stellen, op een haven aan te sturen, zo recht mogelijk en we kunnen al heel snel een loods aan boord krijgen, die ons precies vertelt hoe we daar komen, waar wij moeten zijn. En gaan we later van uit die haven misschien verder naar een volgende, dan hebben we toch in ieder geval de bevrediging van een goed volbrachte reis met alle nut daarvan. En daarop zullen we het dan maar houden.

0-0-0-0-0-0-0-0

GOEDE LOODS.

Je zwerft over de levenszee, je wordt soms door de storm gedreven naar oorden, die je nog niet kent. Maar als je bij de haven bent, komt er een loods aan boord. Dan neemt zijn hand het stuur en jaagt het scheepje rustig voort, juist op de goede wijs, juist langs de goede weg, als strookt met de natuur van de haven, die reeds naakt.

Een haven voor de mens is vaak ’t ontmoeten van een grens, die boeien slaakt. Een mens is geketend in ’t aardse bestaan, gevangen in plichten en noodzaak en waan en weet niet, waarheen hij wordt gedreven. Want ach, het stormt vaak in het leven. Hij voelt zich beroofd, van alles ontdaan en meent met zijn leven reeds onder te gaan.

Maar klinkt dan het noodsein, er is één, die het hoort en dra komt opnieuw goede loods U aan boord. De stem, die van binnen de orders je geeft. Die je zegt; “Zo is ’t goed, dat je streeft en je leeft, maar ….. zo mag je werkelijk niet gaan, omdat daar gevaren te wachten staan.”

Een stem, die je leidt en zegt; “Ach, aanvaard wat hier op aarde is gegeven.” Of; “Bedenk, dit is geen werkelijkheid. Het is slechts ‘n schijn van stoffelijk leven, die nooit in geestelijke waarheid op kan gaan.”

En leer je dan die loods verstaan, dan komt er altijd weer een haven, waar je rusten kunt, je laven aan geestelijke kracht en licht| waar voor ‘een korte wijl de plicht ophoudt te bestaan. En ieder wil ten haven gaan.

Maar voor ons lokt de wijde zee en roept het avontuur. Wij rusten wel een wijl, maar wee, dra komt het afscheidsuur en gaan wij voort. En het geluk, dat ons een haven was, ligt achter ons. Het is vergaan.

Voor ons ligt het wijde leven en in ons is de kracht, die streven doet naar nieuw bestaan en een einder, waar achter ons ligt Eldorado, het land van het licht en het goud, zegt de waan.

Ik zeg U: Men heeft goede loods aan boord, wanneer men de levenskracht kan aanvaarden, die telkenmale bij ’t bereiken van ’t doel spreekt door middel van gevoel, van denken en van rede en U zegt; “Ziet, wilt ge vrede, ik voer U voort naar een veilige ree. Maar volg dan getrouwelijk die woorden. Tracht niet een andere koers te zeilen, want dan wacht U slechts nog wee en ondergang.

Wie vraagt om leiding, vindt een goede loods. Wie vraagt om kracht, die wordt gedreven, tot door de eigen wil aan ’t einde van het leven men vindt de haven van een sfeer, die licht is, vol van dromen, waaruit de beelden werkelijk reeds van ware dingen komen. Dan zie je de band die niet verbroken werd ook voor jezelf weer één.

Dan zie je, dat het duister van de nacht verdwijnt. Dan zie je, dat geen zon je schijnt, maar ander, hoger licht, dat tot je wezen zelve komt, als is het goddelijke kracht, die in je samendromt.

Dan zie je; Achter al ligt ene kracht en in je welt één woord. Het woord, dat is de naam van God. Dan het je ’n goede loods aan boord.