Opmars van de wetenschap

14 maart 1958

Aan het begin van deze bijeenkomst moet ik u er allereerst op wijzen, dat de sprekers van deze Orde niet alwetend of onfeilbaar zijn. Wij hopen, dat u daarmede rekening wilt houden. Het onderwerp voor hedenavond is: Opmars der wetenschap.

De wetenschap heeft in de loop der tijden vele eigenaardige stellingen geponeerd en vaak tegen alle getuigenis in getracht deze oude stellingen te handhaven. Wij mogen in die wetenschap dus niet direct het progressieve gedeelte van de wereld zien. Er moet worden gesteld, dat ontdekkingen vaak ondanks de wetenschap worden gedaan. Zelfs in perioden als de huidige, waarin de wereld wordt overstelpt met reeksen van uitvindingen, moeten wij – helaas – vaststellen, dat nieuwe principes slechts zelden naar voren worden gebracht en – zo dit al gebeurt – over het algemeen slechts na enige aarzeling worden geaccepteerd. Wij mogen dan ook rustig stellen, dat het peil, waarop de wetenschap zich in een bepaalde tijd bevindt, kenmerkend is voor algehele gesteldheid van de wereld in die periode. Het is vooral daarom, dat ik wil trachten met u – zij het kort – de verschillende ontwikkelingen der wetenschap in toekomstige tijden met u te bezien. Gaarne zou ik hierbij uitgaan van datgene, wat heden ten dage reeds ontdekt is, hopende zo een logisch beeld te ontwerpen, dat ook voor u enigszins aanvaardbaar blijft.

Het belangrijkste, wat deze wereld op het ogenblik kent, is het atoom en al datgene, wat men met een atoom kan doen. Naast de ongetwijfeld grote dreiging der radioactiviteit staat ook de zegen van verschillende radioactieve stoffen, waarmede men zowel de groeivorderingen van planten en hun voeding, als de levensprocessen van de mens kan nagaan. Naast de dreiging van de H-bom staat ook zeker de mogelijkheid tot energiewinning uit materie op goedkopere en rationelere wijze dan thans mogelijk is. Zekerlijk verkeert op dit ogenblik het atoomonderzoek nog in een beginstadium. Want het atoom op zichzelf is slechts de sleutel tot een veel grotere wereld: de wereld van de zuivere kracht en de krachtvelden, die de wereld beheersen. Wij mogen wel als zeker stellen, dat deze wereld van de werkelijke kracht aan de hand van de huidige onderzoekingen ontdekt moet worden. Wij hebben allereerst reeds te maken met – nog niet geheel volledige – algemene veldtheorie, die kort geleden aan de wereld werd voorgelegd. De formule, waarin deze theorie wordt gesteld, bestaat uit 27 termen die tezamen komen in één waarde. Aan de hand hiervan zou kunnen worden gezegd, dat het totaal van alle energie gelijk is aan het totaal van al het zijnde, daar al het zijnde herleid kan worden tot energie, ondanks de samenhang, die zij toont. Dit geldt zelfs – al heeft men dit thans nog niet geheel begrepen – voor tijd, die eveneens een vorm van kracht is.

Het feit, dat men op het ogenblik overal zoekt naar nieuwe wapens, schijnt somber. Maar het brengt mede, dat betrekkelijk grote sommen ter beschikking worden gesteld aan laboratoria, die zich o.m. bezig houden met atoomonderzoek en al wat daarmede verwant is. Juist hierdoor kunnen – dank zij de dreiging op de wereld misschien wel – ook zegenrijke ontdekkingen worden gedaan, die, wanneer de mensheid eenmaal bekomen is van haar atoompsychose en oorlogsvrees, ongetwijfeld de mensheid in een geheel nieuwe periode van leven zullen plaatsen.

Hierbij mogen wij niet uit het oog verliezen, dat vóór die tijd eerst de spanningen op de wereld moeten zijn opgelost. Het is mijn volste overtuiging, dat een oplossing kan en zal worden gevonden, zonder de mensheid geheel te vernietigen. Vandaar, dat ik het volgende durf stellen. Wetende, wat de eigenschappen der materie zijn, kennende de geaardheid van molecuul en atoom, wetende, hoe men gebruik kan maken – ook van de ruimtelijke spanningen, die daarin bestaan – kan men door een atoomimplosie – een naar binnen toe gerichte krachtontlading – komen tot het verwerven van zeer grote hoeveelheden elektrische energie, zonder dat daarbij ook maar enige radio-activiteit buiten de ontladingsruimte hoeft op te treden.

Verder zou men, dankzij de thans reeds bestaande z.g. breders-apparatuur, waarin men – terwijl voor krachtwinning radioactieve materialen worden gebruikt, gelijktijdig nieuwe radioactieve stoffen vervaardigt – een voldoende hoeveelheid reactiestof kunnen verkrijgen om een dergelijk proces voortdurend aan de gang te houden. De kosten daarvan, gezien de kunstmatige vervaardiging van zware elementen, zullen waarschijnlijk in verhouding zeer laag zijn. Dit impliceert, dat geheel de wereld, en niet slechts bepaalde delen daarvan, zal kunnen worden voorzien van zeer grote hoeveelheden goedkope energie. Het overbrengen van energie langs draadloze weg is op het ogenblik reeds een bestaande mogelijkheid. Ik mag er aan herinneren, dat enkele hotels van de Stattler-reeks, o.a. dat te San-Francisco, bij wijze van publiciteitsstunt enkele kamers hebben uitgerust met schemerlampjes zonder snoer. Deze lampen branden door het alleen maar overhalen van een schakelaar in het voetstuk. De methode is dus in feite reeds bekend. Met onbeperkte en goedkope energie zal men gehele steden kunnen maken tot kracht- velden, waaruit een ieder energie naar behoefte kan aftappen, mits hij hiervoor een soort belasting betaalt. Het feit, dat de energie goedkoop is en overal verkrijgbaar, zal ongetwijfeld een zeer sterke impuls geven aan alle elektronische ontwikkelingen op het gebied van huishouding e.d. Zeer veel van de arbeid, die de mens thans nog zelf verricht, zeer veel van de functies, die thans nog door gewone motoren en overbrengingen worden verricht, zullen dan eenvoudiger door kleine elektrische motoren worden kunnen verricht.

Een ander aspect is het feit, dat straling van elke gewenste geaardheid en hardheid niet slechts kan worden opgewekt, maar bovendien geconcentreerd kan worden – dankzij een implosie- effect – door radioactieve stoffen in te brengen in organen en lichaamsdelen. Dit schept een zeer praktische en haast feilloze methode om bijvoorbeeld weefselwoekeringen als kanker te verwijderen, zonder verdere schade. Het feit, dat men door in de bodem gebruik te maken van licht-radioactieve materialen, deze kan testen op zijn bestanddelen en zo de juiste reacties en groeivorderingen van daarop groeiende planten kan gade slaan, voorspelt, dat men zal leren de meest gunstige voeding en bodem voor elke plant te vinden, de meest gunstige bemesting, zo men op de normale bodem wil verbouwen. Of, wat ook mogelijk is, zal men in grote kassen verbouwen op hydroponische wijze, waarbij een overvloed van goedkope energie het mogelijk maakt, zonlicht en stralingen op een voor de plant bedrieglijke en dus voldoende wijze te imiteren en wel zo, dat daardoor de gunstigste condities voor een maximale groei kunnen worden verkregen.

Zo zal de grote stortvloed van energie, die over de wereld zal gaan, ongetwijfeld de mensheid ook in staat stellen om afstand te doen van een groot areaal, dat thans noodzakelijkerwijze gereserveerd moet worden voor verbouw van voedingsmiddelen. Daarvoor in de plaats zal men dan parken en mooie landschappen kunnen stellen als ontspanningsgebied voor de menigte. Ook in het luchtvaartverkeer zal men waarschijnlijk, wanneer deze nieuwe vorm van energie ter beschikking komt, veranderingen zien. Waarschijnlijk zal men gebruik gaan maken van magnetische aandrijvingen. Dit betekent minder geraas, minder verontreiniging van de lucht etc.

Een ander aspect van deze vloed van kracht, plus de kennis van het atoom, is de mogelijkheid om praktisch uit elke stof een andere begeerde stof, ongeacht de structuur daarvan, te vervaardigen. Hierbij zal de wetenschap waarschijnlijk het goud van zijn waarde beroven. Goud als waardemeter zal in de toekomst hebben afgedaan, evenals andere metalen. Ik durf niet zeker te zeggen, wat daarvoor in de plaats zal komen. Ik neem echter aan, dat de munteenheid een nominale hoeveelheid kracht zal uitdrukken in de dan aanvaarde energie-eenheid. Dit lijkt mij zeer wel mogelijk, daar de regeringen ongetwijfeld de energiebronnen in eigen hand zullen houden.

Volgende punten lijken mij in de opmars der wetenschap bovendien interessant.  Bij het kennen van atoom- en moleculaire structuur is het mogelijk praktisch rasterloze mikros- kopen op fijn magnetische basis in te richten. Men zal dan voor het eerst met zeer redelijke vergrotingsmogelijkheid door kunnen dringen in het rijk van het allerkleinste.

Het zal binnen 10 jaar waarschijnlijk reeds mogelijk zijn om atomen, elektronen en ionen zichtbaar te maken, hun gedrag – zij het grof – op film vast te leggen en zo de gedragingen van deze kleinste delen op een redelijke wijze na te gaan. U ziet, dat alleen reeds deze ene fase van onderzoek ons doet denken aan ontstellende mogelijkheden en ontwikkelingen. Helaas zijn hieraan ook andere factoren verbonden: het feit, dat radioactieve stoffen in steeds grotere hoeveel- heid en steeds meer verschillende geaardheid tot beschikking van de mensheid komen, heeft biologen bewogen te experimenteren met microcultures. Hierbij wordt in zeer korte tijd – dank- zij het gebruik van kleine schimmels en bacteriën – de invloed der radioactiviteit op vele geslachten worden gade geslagen. Dat hierbij helaas bepaalde soorten zijn ontstaan, die moeilijk te vernietigen en desalniettemin voor de mens zeer gevaarlijk zijn, is op zijn minst genomen onaangenaam te noemen. De enige thans bestaande radicale vernietiging kan worden bereikt door een warmtebron, die tenminste 1/30 van de zonnewarmte afgeeft op het punt, waar deze cultuur is geplaatst. Op het ogenblik is men gelukkig nog niet zover gevorderd. Toch doet de ontwikkeling in bepaalde takken der biologie mij vermoeden, dat men – hiermede experimenterend – binnen 20 à 24 jaar reeds vele gevaarlijke varianten van de thans bestaande bacteriën zal hebben gekweekt.

Daartegenover staat weer, dat de mens nu ook gebruik zal kunnen maken van stralingen om daarmede zijn woning continu te ontsmetten. Misschien kom ik hier een ogenblik op een meer huishoudelijk terrein. Toch is het zeer interessant om o.m. te zien, hoe een steeds wisselende lading in wanden en vloeren in staat is stof te verdrijven en weg te nemen. Deze ladingen blijven, ondanks de zeer snelle wisseling positief. Wanneer men dan ook een absorptiecentrum met tegengestelde lading aanbrengt, zal alle stof onmiddellijk, wanneer het in het geschapen veld binnen treedt, zich naar dit absorptiecentrum bewegen. Ook vuilverbranding en vernietiging zal, dankzij de grote hoeveelheden beschikbare energie, wel wat eenvoudiger geschieden dan tot nu toe het geval is. In de woningen der mensen zullen waarschijnlijk grote afvalkitten worden geplaatst, die, aangesloten op het elektrische veld, onmiddellijk zelf alle daarin geworpen afval zullen reduceren tot onschuldige as.

U ziet, ook op dit gebied is er veel nieuws te verwachten. Nu wil ik nog niet gaan spreken over het koken door straling etc. Het lijkt mij voor de dames wat onaangenaam, wanneer zij moeten roepen: “Jan, draai de straling eens even af, want ik heb mijn melk weer overstraald. Dadelijk straalt zij nog over….” Dergelijke termen zijn natuurlijk volkomen uit de lucht gegrepen en behoren tot de fantasie. Wel is het zeker, dat u in staat zult zijn uw voeding zonder moeite snel en doelmatig te bereiden, zonder dat daarbij vele der voedzame stoffen verloren gaan, zoals thans bij het koken. Ook is zeker dat men, dankzij de mogelijkheid tot het synthetiseren van bepaalde aroma’s, elke smaakcombinatie zal kunnen maken. Ja, ik meen zelfs, dat, gezien het onderzoek, dat thans reeds wordt gedaan met betrekking tot de voedingswaarde van wieren, bepaalde gelatine’s, etc. de mens binnenkort in staat zal zijn uit een simpel pakje haast alle gerechten te vervaardigen, die hij maar verlangt. Eén grondstof kan voldoende zijn, om onder- worpen aan verschillende behandelingen, elke smaak aan te nemen, terwijl de voedingswaarde in verhouding tot het werkelijke gerecht groter en gelijkmatiger zal kunnen zijn. Dit betekent dan een grote verbetering t.o.v. de in gehaltewaarde én waarde vaak zeer onregelmatige voeding, die de mens tot zich neemt.

Een ander punt is ongetwijfeld ook met het atoom verwant: de ruimtevaart. Op het ogenblik zijn de laatste kefjes van de eerste spoetnikhond nog nauwelijks verklonken. Het schijnt wel, dat de mensen een beetje wreed en onnadenkend zijn. Toch hebben zij, misschien zonder het te beseffen, hiermede de eerste schreden gezet op een pad, dat voor de mensheid, ofwel gehele verbetering van condities en absolute vrede zal betekenen, dan wel de algehele ondergang. In de ruimte wonen meer levende wezens. De wetenschap kan dit thans nog niet vaststellen. Maar naarmate zij meer leert over de waarde en gedraging van uitstralingen en de wijze, waarop deze uit de krachtbron geboren worden, zal zij in staat zijn vast te stellen – reeds hier, vanaf de aarde – welke sterren planeten hebben. Zelfs komt men waarschijnlijk zover, dat men leert bepalen de mogelijkheid tot aantreffen van levende wezens op een of meer planeten, aan de hand van bepaalde analysen met nieuwe soorten middelen. Hierdoor dringt men het Al dan al steeds verder binnen.

Maar ook het begrip der bronnen van energie is een belangrijke factor bij het z.g. radioscopisch onderzoek van de hemelruimten. Vele der vreemde geruisen uit de ruimte, die thans reeds de wereld bereiken, kunnen dan met zekerheid ontleed worden. Men zal kunnen zien, waar hun bron of oorzaak is gelegen en zal niet meer slechts gissen naar hun redenen van ontstaan, maar zal dit weten. Verder brengt de elektronica op den duur de mogelijkheden – met een variant op het huidige radar – te komen tot een aftasten van hemellichamen, die op het ogenblik zelfs in een kijker maar een lichtende speldenprik zijn. Ook dit kan alleen mogelijk worden, wanneer men in staat is om grote hoeveelheden energie gebundeld te gebruiken.

De aarde beschikt over alle materialen en condities, die nodig zijn om op redelijke wijze een dergelijke bundeling te doen plaatsvinden en zal, indien zij voornoemde krachten weet te gebruiken, ook over meer dan voldoende kracht hiervoor kunnen beschikken. De mens zal dan ook de weg naar de ruimte wel vinden en kiezen. Hij zal zich daarbij meer en neer gaan baseren op de eigenschappen van magnetische krachtvelden. Hierdoor zal het hem allereerst mogelijk worden zijn eigen zonnestelsel te veroveren. Het is daarom niet onredelijk aan te nemen, dat de mens rond de jaren 2025 tot 2050 zal beschikken over een interplanetair verkeer, dat alle mogelijkheden in zich draagt om ook te komen tot een interstellair verkeer.

De geneeskunde krijgt ook verschillende grote veranderingen te verwerken. Reeds heden ten dage beschikt men over bepaalde kunststoffen, die zich op gunstige wijze in en met weefsels laten hechten, terwijl zij reeds bijna soepel genoeg zijn om alle functies van weefsels over te nemen. Het is u waarschijnlijk bekend, dat reeds nu verschillende geslaagde operaties zijn uitgevoerd, waarbij bloedvaten, een deel van het darmtract, ja, zelfs een aorta werden vervangen door uit kunststoffen vervaardigde vervangingsmiddelen. Bij de darmvervanging bestond weliswaar een moeilijkheid – opname van voeding door het kunstmatige deel was niet mogelijk. Men kon echter een onredelijke verkorting met alle gevolgen van dien door de tussenvoeging van een kunststofbuis voorkomen. Wat de aorta betreft: dit was voor de patiënt, die reeds meerdere operaties had ondergaan, een kwestie van leven of dood.

Verder beschikt men op het ogenblik over apparaturen, die – zij het tijdelijk – in staat zijn de functies van hart, nieren en longen over te nemen. U zult begrijpen, dat de kennis, die de medische wetenschap hierbij steeds meer heeft verkregen en de vele experimenten, die hierbij werden gedaan, zeker aanleiding geven tot een zoeken naar een weefselachtige stof, die gemodelleerd en in het lichaam kan worden ingebracht, ja, op den duur zozeer de waarden der celweefsels in zich zal dragen, dat op den duur zelfs verloren gegane lichaamsdelen zullen kunnen worden bijgeleverd.

Voorbeeld: Zoals u nu naar een garage gaat om een paar nieuwe banden voor uw auto, zult u dan naar de weefselbank kunnen gaan en zeggen: “Geef mij even een paar nieuwe tenen, want men heeft mij er een paar afgereden”. Op het ogenblik klinkt u dit misschien als een onredelijke fantasie. Mag ik u er even aan herinneren, dat men reeds nu er meerdere malen in geslaagd is om langere tijd primitieve uit eiwitten opgebouwde weefsels in leven te houden in een salinesolutie? Dit is geen sprookje. De verslagen daaromtrent staan ten dele reeds thans ter beschikking van de wetenschappelijke wereld. Dat dit leven niet onbeperkt houdbaar was, betekent nog niet, dat hetgeen men geleerd heeft, voldoende is om later een pseudo-leven te wekken in een mengsel van grote eiwitten en enkele andere stoffen. Hieruit kan men dan een vervangingsmateriaal bouwen, dat in het lichaam gebracht, langzaam met het lichaam kan vergroeien en op den duur door nieuwe lichaamsweefsels kan worden vervangen, waarvoor het zelf waarschijnlijk nog groeibevorderende grondstoffen zal leveren. Op deze wijze zullen vele thans voorkomende gebreken en verminkingen kunnen worden behandeld.

Wat betreft het genezen van ziekten heeft men reeds thans zeer veel ontdekt omtrent het ontstaan van antistoffen, hun werking in het bloed, de mogelijkheden tot immunisatie en wat dies meer zij. Hieruit zal men steeds verdere conclusies gaan trekken. Naar ik meen, zullen dezen gaan in de volgende richting:

Het blijkt, dat immunisatie ontstaat, wanneer bepaalde vergiften in geringe mate aanwezig zijn en zo in het lichaam een tegengif wekken tegen een sterkere vergiftiging met hetzelfde vergif. Dit is reeds nu een vaststaand feit. Wanneer wij nu aannemen, dat een remming van de vergiftiging automatisch deze antistoffen doet ontstaan, zou een simpele toevoeging aan het menselijke lichaam – op de wijze bv. waarop men nu reeds fluoride aan water toevoegt ter bestrijding van tandbederf – de mens en zijn lichaam op een zodanige wijze kunnen conditioneren, dat hij voor bijna alle ziekten een voldoende remming vertoont, zodat antistoffen onmiddellijk na infectie kunnen worden ontwikkeld in voldoende mate. De mens zal dan niet meer zo vatbaar zijn voor vele van de thans nog zeer besmettelijke ziekten.

Ook zal men leren, dat de mens – of hij dit nu weet of niet – in een vast verband staat t.o.v. zijn omgeving. Op het ogenblik heeft men reeds op vele plaatsen diëtici, mensen, die diëten opstellen en van de voedingsleer een uitgebreide studie maken. Zij zijn in staat om door aanpassing van de voeding veranderingen in het lichaam tot stand te brengen. Heus niet alleen voor vermageringen, dames, of voor de opbouw van mooie spieren, heren. Reeds nu bereikt men daarmede nog heel veel andere dingen ook. Men zal in staat zijn om door het kiezen van juiste en uitgebalanceerde voeding in de mens praktisch elke verandering tot stand te brengen, die noodzakelijk is om – met verdere medische hulp – het lichaam als een volkomen harmonisch en gezond geheel te laten functioneren. Ik neem zelfs aan – al zal dat nog wel iets langer duren, ik meen tot 2100 n. chr. – dat men zal ontdekken, hoe men de vermoeidheidsstoffen, die thans het verouderen en de dood der cellen betekenen, aanmerkelijk eenvoudiger – en in veel groter mate – uit het lichaam zullen kunnen worden afgevoerd. Dit betekent een grote verlenging van de levensduur van de mens.

Daarnaast vrees ik, dat een nieuwe tak van de medische wetenschap , althans voorlopig, veel te doen zal krijgen. Psychotherapie is op het ogenblik een modewoord. De mensen, die vroeger, wanneer zij zich niet zo goed gevoelden, een straatje omliepen om een frisse neus te halen, vleien zich thans gaarne neer op de rustbank van een psychotherapeut om zich, naar aanleiding van hun vermoeidheid, te laten ondervragen over hun dromen en hun diepste jeugd.

Ik geef toe, dat dergelijke excessen nog niet overal voorkomen. Toch wordt deze drang steeds sterker, haast overal. Er kan worden gezegd, dat – psychologisch gezien – de ontwikkeling van de mensheid op het ogenblik wijst in de richting van een steeds sterker wordende psychose. Deze gaat gepaard met een steeds groter wordende innerlijke onzekerheid en een zoeken naar geborgenheid als in een prenatale periode. Zolang men niet in staat is de mens te ontdoen van dergelijke complexen zonder te grijpen naar extreme maatregelen als bv. de lobotomie, zal men in de mensheid niet veel kunnen verbeteren. Wanneer een te grote deviatie van de redelijke norm ontstaat, kan de psychotherapeut, dankzij een ingreep door o.m. hypnotische middelen, een zekere verandering, een aanpassing teweeg brengen. Door analyse, die gepaard gaat met sterke suggestie kan hij de patiënt tot een andere levenshouding en een ander gedrag bewegen. Dit alles is reeds heden volledig bekend.

Laten wij aannemen, dat men het beheersen van het menselijke zenuwstelsel zeker beter zal leren kennen in de komende tijden. Men zal de wijze, waarop het menselijk denken zich afspeelt, zich dan veel beter kunnen realiseren, dan op het ogenblik mogelijk is. Er zijn op het ogenblik reeds op meerdere plaatsen proeven gaande, waarbij men de z.g. dode plekken van de hersenen probeert te vinden en te bepalen. Dit zijn dus plekken, waarin het weefsel om een of andere reden geen contact met de verdere hersenen heeft. Later zal men ook leren de oorzaken van dergelijke blokkeringen geheel te leren kennen. Dan zal men in staat zijn om – dankzij de krachten, die men thans nog occult of geestelijk noemt, daar zij gebaseerd zijn op psychische of geestelijke, dus niet-stoffelijke eigenschappen – dergelijke contacten binnen de patiënt veelal te herstellen. Bovendien zal men in staat zijn – zo nodig – hem tijdelijk te voorzien van valse herinneringen, waardoor hij in zijn normale milieu kan worden opgenomen en daarin met een langzaam terugkerende ware herinnering zal kunnen leren het leven te aanvaarden. Deze dingen brengen zekere gevaren met zich. Ik meen dat de komende periode van strijd – niet oorlogsstrijd – zal voorkomen, dat enkelingen deze middelen trachten te gebruiken om zo de massa te beheersen.

Een ander punt is de mechanisatie. Het gebruik van z.g. denkende machines neemt reeds heden ten dage sterk toe. De magnetische band en de voorgeponste band nemen de plaats in van de arbeider en verrichten bepaalde gewoontehandelingen met een veel grotere nauwkeurigheid dan een mens ooit op kan brengen. En dit zonder dat het proces ooit hoeft te pauzeren. Daarnaast staan grote elektrische breinen de mensheid ter beschikking, waarin een groot deel der denkhandelingen van de mens – mits genormaliseerd – op eenvoudige en snelle wijze kunnen worden volbracht. Het is begrijpelijk, dat de mechanisatie ook verder voort zal gaan. Het gebruik van denkende machines is voor de mens belangrijk. Niet alleen, omdat hij daardoor zijn productie kan vergroten, maar ook omdat hij op deze wijze er zeker van kan zijn dat sommige voor hem zeer belangrijke installaties als elektrische centrales en wat dies meer zij, ook dan zullen kunnen blijven functioneren, wanneer door omstandigheden het personeel niet ter plaatse kan zijn. De allereerst maatregelen buiten de particuliere productie zullen dan ook wel de krachtbronnen betreffen, die door regeringen worden geëxploiteerd. Hierbij zal men een volledige automatisering invoeren. Ook op andere gebieden zal automatisering op treden……

Op het gebied van het verkeer is het mogelijk om door eenvoudige tellers de verkeersfrequentie op bepaalde trajecten te bepalen en alle verkeerssignalen daarnaar te regelen. Geen verkeersagenten meer dus, die met stalen zenuwen te midden van de op hen toestormende voertuigen moeten trachten te beslissen wie vóór mag gaan. Een mechanisme komt voor hen in de plaats, dat praktisch feilloos en meestal bovendien veelvoudig gezekerd en zelfcorrigerend, in staat is op precies de juiste wijze en in precies de juiste verhoudingen de verkeersstromen te dirigeren, ook langs parallel lopende trajecten te leiden. De verkeerscongestie, die in vele steden thans reeds bestaat, zal grotendeels kunnen worden opgeheven door dergelijke installaties. Dit zal bij kunnen dragen tot een langer voortbestaan van de steden dan door werkelijke noodzaak bepaald wordt.

Naarmate de mechanisatie voortgaat, naarmate men meer gebruik maakt van z.g. denkende machines, zullen degenen, die dezen bedienen meer en meer specialisten moeten zijn. Zij zullen een grotere en verdergaande scholing moeten doormaken. De kwestie van diploma’s, die op het ogenblik in vele landen overheersen, zal waarschijnlijk worden vervangen door een proeve van bekwaamheid. O.m. inhoudende het omgaan met een rekenliniaal, de bekwaamheid om verschillende meetkundige formules snel te overzien en vergelijkingen met meerdere onbekenden op snelle wijze op te lossen. Een test op het reactievermogen zal waarschijnlijk de plaats in gaan nemen van de kennis der jaartallen. Dit laatste lijkt mij geen betreurenswaardig feit. De jeugd zal, naar ik meen, dit zelfs toejuichen. De mens, die specialist is, zal een zeer grote concentratie moeten kunnen handhaven gedurende zijn arbeidstijd. Daar staat tegenover, dat die tijd in verhouding tot heden ook veel korter zal zijn. Hij heeft daar door veel meer de gelegenheid om op enige afstand van zijn plaats van arbeid te wonen. Hij zal de beschikking hebben over voertuigen, die moderner zijn en veelal door elektriciteit zullen worden aangedreven.

Ook het spoorwegverkeer zal waarschijnlijk een grote wijziging ondergaan. De mogelijkheid om eenvoudige impulsstralers op te stellen, neemt de noodzaak voor bedrading der lijnen weg. De mogelijkheid om de zwaartekracht en haar werkingen een zo nodig verminderde factor te veroorzaken door een wisselend magnetisch veld te scheppen, daar, waar thans de rails zijn gelegen, zal het mogelijk maken met enkele lichte geleiderollen praktisch zonder enige schokken en toch met zeer grote snelheden de treinen te doen bewegen. Hierbij denk ik aan uursnelheden van 4 à 500 km voor de grotere trajecten en ongeveer 250 km per uur op kleinere trajecten.

Ook de luchtvaart zal aanmerkelijke wijzigingen ondergaan. Op grote trajecten zal sprake zijn van parabolische banen van begin tot eindpunt, waarbij een groot deel van de baan door de hogere gebieden der stratosfeer zal gaan.

Ook op zee zullen wij ongetwijfeld een geheel andere vorm van verkeer zien. In de eerste plaats zal het verkeer aan de oppervlakte van het water waarschijnlijk grotendeels blijven voorbehouden aan degenen, die voor plezier op luxe wijze reizen. Daar, waar transport van goederen over de grond noodzakelijk is, zullen vrachtwagens en vrachttreinen kunnen rijden. Het vervoer van deze goederen “over water” zal waarschijnlijk echter onder het oppervlak van de zee plaatsvinden. De onderzeeër heeft vooral in de oceanen het voordeel, dat hij zich kan onttrekken aan de golfslag, aan belemmeringen door weersomstandigheden, terwijl ook hij van bestaande stromingen gebruik zal kunnen maken om zijn doel sneller te bereiken. De snelheid van deze onderzeese vrachtvaartuigen zal waarschijnlijk komen te liggen rond 80 tot 100 km per uur. Dit is in verhouding niet zeer snel. Daartegenover bestaat zo echter de mogelijkheid om met een betrekkelijk kleine installatie een zeer rendabele aandrijving te krijgen. De installatie zal waarschijnlijk berusten op atoomkracht, mogelijkerwijze met gebruik van het reeds genoemde implosiesysteem. Ook hier gaat de wetenschap gestaag verder en vindt de techniek nieuwe wegen om tegemoet te komen aan de eisen van de mensheid in deze komende tijden.

Een ander punt betreft de landbouw en veeteelt. Zij zullen op hun eigen wijze mede worden betrokken in de wetenschappelijke ontwikkeling. Waar het synthetisch vervaardigen van voedingsmiddelen op den duur mogelijk is, moeten wij allereerst stellen, dat landbouw en veeteelt voor een groot deel tot luxe industrieën zullen worden. Ook hier zal men gebruik gaan maken van installaties, die alle werkzaamheden aanmerkelijk vereenvoudigen. Wanneer wij nu weten, dat er vandaag aan de dag reeds een modelboerderij bestaat, waar de koe binnenstapt in een soort cabine, gebaad en gemolken wordt langs mechanische weg – één man kan 6 tot 10 van deze cabines bedienen – om vervolgens, na een lichte afborsteling, de cel te verlaten aan de andere kant van de schijf, waarop deze gemonteerd is en daar, eveneens mechanisch gestort, haar voedsel bereid te vinden, dan zult u met mij eens zijn, dat de ontwikkeling van de mechanische vee verzorging ongetwijfeld nog veel verder zal worden doorgevoerd.

Daar tegenover komt te staan, dat de eisen, die aan het product worden gesteld, steeds groter zullen worden, terwijl de vraag – o.m. door de prijsverschillen t.o.v. andere voedingsmiddelen – steeds minder wordt. Zoals reeds vandaag aan de dag margarine goedkoper kan worden geproduceerd en afgeleverd dan de roomboter, zo zal dit later ook gelden voor vlees, melk, eieren en praktisch alle denkbare groenten en fruitsoorten. Toch zal de mens als een lekkerbek – en een ieder die voldoende geld heeft, heeft hier wel aanleg voor – ongetwijfeld de duurdere, maar meer natuurlijke producten voor zijn bijzonder genot opeisen. Psychologische factoren zullen hierbij een rol spelen. Dit betekent, dat veredeling van gewassen in de landbouw belangrijker wordt dan de kwantiteit der productie. Kwaliteit, geen kwantiteit, zal meer dan ooit het parool worden van alle land- en tuinbouw. Bij de veeteelt zal men trachten een optimaal product te verkrijgen, dat goed verwerkt kan worden. Daarnaast zal men trachten door overeenkomsten van normen een redelijke beperking der productie te verzekeren. Het is niet aan mij te oordelen over de wijze, waarop prijsvormingen in komende tijden plaats zullen vinden. Ik neem echter aan, dat de kwestie van vraag en aanbod zeker zal worden aangevuld door het belang der Staat bij het behoud van landbouwende en landelijke gemeenschappen die als een soort folkloristische instelling, als een cultuurgoed zullen worden beschouwd.

Groente- en fruitteelt bergt vele mogelijkheden in zich, die thans nog niet gerealiseerd zijn. Kort geleden heeft iemand het klaar gespeeld om terzelfder tijd op de stam van een appelboom te enten een perzik, peer en citrusvrucht. De boom in kwestie heeft reeds een jaar al deze vruchten gedragen en het ziet er naar uit, dat dit ook in de volgende jaren het geval zal zijn, zij het met verminderde opbrengst. Ongetwijfeld zal men leren alle soorten fruit te doen groeien, zoals dit, gezien vraag en behoefte, op het ogenblik dienstig is. Niet meer de noodzaak van een jarenlange groei vooraleer een boom eindelijk rendabel vruchten draagt, maar het enten van de verlangde soorten op een bestaande stam en daarmede een onmiddellijk goed dragende boom met het gewenste product. U zult begrijpen, dat alles, wat ik hier naar voren breng, niet meer is dan een enkele schim van wat de toekomst bergt.

Dan nog de parapsychologie, die ik als laatst aanstip.

U weet, dat op het ogenblik de parapsychologie in haar kinderschoenen staat. Toch heeft zij, dankzij vele apparaten, foefjes en trucjes, reeds in menig eigenaardig effect van de menselijke geest en in menig vreemd verschijnsel reeds een redelijk inzicht kunnen verwerven. Wanneer zij leert om met minimale energieën te werken – de techniek is daar op het ogenblik reeds hard mee bezig – terwijl zij leert verschillende frequenties door selectieve processen zeer nauwkeurig te scheiden, wanneer dit nodig is – wat de techniek ook heden reeds in beginsel presteert – dan zal zij op den duur mechanische apparaturen gaan gebruiken, waarbij ook het effect van de gedachte kan worden gemeten, o. m. op de z.g. telepathische verschijnselen. Daarnaast zal men tot de conclusie komen, dat soortgelijke impulsen en boodschappen ook zonder kenbare bron worden afgegeven. Conclusies omtrent het bestaan van andere werelden en sferen zullen daaruit overtuigend kunnen worden getrokken. Ik meen, dat 1990 reeds belangrijke proefschriften over deze onderwerpen te zien zal geven, ofschoon van een algehele aanvaarding van deze stellingen en mogelijkheden eerst zal kunnen worden gesproken rond het jaar 2065.

U zult het weliswaar niet mee maken en het is nog lang niet zover dat wij kunnen zeggen: “binnenkort is er een telefooncentrale via welke u ook uw dierbare overgeganen op zult kunt bellen”. Maar zelfs wanneer dat nog niet het geval is, zullen er wel apparaten zijn, die een medium althans grotendeels kunnen vervangen. Door enkele daarvan zal zonder twijfel en onmiskenbaar de aanwezigheid van entiteiten kunnen worden aangetoond. Anderen zullen in staat zijn velden te produceren, waarbinnen elke geest – indien gewenst – zal kunnen schrijven en spreken zonder verdere hulpmiddelen, als een medium. Men zal echter niet in staat zijn deze aspecten ook van andere dan aardse zijde te bepalen.

De wetenschapsmens van heden zal geneigd zijn om veel van hetgeen ik deze avond naar voren heb gebracht op vriendelijke wijze als fantastisch te betitelen. Maar hoe fantastisch is de wereld van vandaag niet voor de mens van 1900? Mijne vrienden, de wetenschap gaat verder, moeizaam soms, soms ook strijdende tegen een vooruitgang, die haar overrompelt en haar voorop gezette meningen omver schijnt te werpen. Maar zij gaat verder, gedwongen door de eisen, die de mensheid stelt, gedwongen ook door de zoekers, die buiten alles om durven te gaan in onbetreden gebieden en de risico’s van een dergelijk onderzoek geheel durven aanvaarden. De wetenschap van heden bepaalt een zeer groot deel van de wereld van morgen. De wetenschap van vandaag bepaalt de condities, waaronder de mens van morgen zal leven en mogelijkerwijze ook zal sterven.

Dan nog een hoopvol punt. Ondanks alle enthousiasme voor cybernetische breinen komt men de laatste tijd reeds meer en meer tot het inzicht, dat het denken van de mens niet te vervangen is, dat een denken in alleen slechts gespecialiseerde richting, moet gaan leiden tot misvattingen. Thans gaat men over tot het opleiden van personen, die moeten dienen als een soort contacten tussen de verschillende sterk gespecialiseerde wetenschapsmensen. Zij worden coördinatoren, die de gegevens van verschillende richtingen samenvoegen en daardoor aan en ieder de gegevens ter beschikking kunnen stellen, waarop men verder kan gaan. Het menselijke brein is nog steeds machtiger dan alle machines; nog steeds is het bekwamer dan alles, wat de mens heeft uit kunnen denken, of zelfs durft te fantaseren. Het menselijke brein zal ook de toekomst verder blijven bepalen. Daarom zal de wetenschap een taak van de mensen blijven, zal deze wereld nooit een wereld vol heersende robots worden. Begrip voor de werkelijke waarden- statistiek – deze wordt thans schromelijk overschat – zal op den duur de mensheid bovendien in staat stellen ook onvoorziene verschijnselen op een redelijke wijze in te passen in zijn maatschappelijk bestaan en onaangename gevolgen daarvan te beperken en te voorkomen.

Er wacht een goede wereld op de komende geslachten. Een heel goede wereld. De geslachten van heden wacht nog de strijd. Een strijd in de eerste plaats wel om zichzelf te overwinnen en niet in verdwazing te strijden om niets. Er wacht de geslachten van heden een grote strijd, willen zij niet ondergaan in een zee van materialisme, of weg te drijven in fantasterij, die een geborgenheid schijnt te geven zonder ook maar een grein van realiteit of waarde te bezitten. Er wacht de geslachten van deze tijd een zeer grote strijd. De strijd om mens te kunnen zijn en blijven. Indien de geslachten van heden daarin slagen ligt er een gouden toekomst open. De wetenschap verschaft de middelen. Laat de mensheid dan tonen, dat zij in staat is ze ten dienste van de mensheid in overeenstemming met de Goddelijke wil te gebruiken.

Zullen wij nog een tweede onderwerp nemen?

DE DOOP

De doop is al heel erg oud. Er is namelijk een tijd geweest, dat de mensen bang waren van water. Dat zie je ook heden ten dage nog wel eens bij de jeugd, maar dat heeft een andere oorzaak. Vroeger meende men, dat in het water vele geesten woonden. Bovendien waren vele wateren ook nog verpest door allerhande wezens als bloedzuigers, vraatzuchtige vissen – een soort piranha’s – kaaimannen en dergelijke schone wezens. U zult dus wel begrijpen, dat iemand, die toch zonder vaartuig een water overstak, wel een zeer dringende behoefte daartoe moest hebben.

Nu gebeurde het wel eens, dat iemand in de eigen stam om de een of andere reden ruzie kreeg. Wanneer dat te erg werd, dan werd hij uit zo een gemeenschap gestoten. Voordat de stamleden dit uitstoten uit konden breiden tot het leven en de wereld, zorgde zo een mens er dan meestal wel voor, dat hij er vandoor ging. Als zij dan aan een water kwamen en dat overstaken, kwamen zij op het terrein van een andere stam. Mannen had niemand in die tijd genoeg. Een andere stam aanvaardde zo iemand dan wel, omdat hij door op deze wijze door het water te gaan kennelijk alles achter zich liet.

De onderdompeling in water was dus eigenlijk tevens het begin van een opname plechtigheid. Want zo iemand had immers zijn leven gewaagd om bij de stam te komen. De stam aanvaardde hem dan ook, nam hem op als volledig gerechtigd stamlid. Hij had daarbij alleen maar te beloven, dat hij zich zou houden aan alle wetten van de stam. Soms heeft een stamgemeenschap zelfs wel eens oorlog gevoerd om iemand die op deze wijze aanvaard was, te behoeden voor het treurige lot, dat zijn vroegere stam- en familieleden hem hadden toegedacht. U begrijpt wel, dat de besprenkeling met water op deze manier langzaamaan een symbool van aanvaarding werd.

Toen de wereld droger werd, de rivieren wat gemakkelijker konden worden overgestoken, ja, men zelfs reeds met vlotten over zee durfde te gaan, behield men dan ook het onderdompelen in of besprenkelen met water als een symbool. Iemand, die zich liet dopen – ook al heette dat toen anders – werd daardoor lid van een stam of gemeenschap. Hij gaf door het aanvaarden van die doop alle rechten, die hij elders had, prijs; aanvaardde rechten en wetten van de stam en verwierf de volledige bescherming van de stam of gemeenschap.

Ook heden ten dage zijn er nog stammen, die een dergelijke doopplechtigheid bij opname in de stam gebruiken. Later is het ook wel veranderd, zodat wij in vele gevallen in de plaats van de waterdoop een vorm van de bloeddoop zien. De idee is toch wel bewaard gebleven.

Toen er eenmaal grotere godsdiensten begonnen te ontstaan, moest men natuurlijk ook een symbool hebben voor het behoren tot de religieuze gemeenschap, van een zich geheel daaraan wijden. Het is geen wonder, dat men terug greep op het oude stamgebruik, dat nog ergens in de magische schatkisten van oude magiërs lag begraven. Het werd een soort plechtigheid, waarbij degene, die aanvaard werd als lid van het mysterie, of de godsdienst, geheel werd ondergedompeld in water. Dit is betrekkelijk lang blijven bestaan. Wij weten bv., dat bij de Isisverering een dergelijke doopplechtigheid voor de novicen gebruikelijk was. Deze doop ging dan gepaard met heilige spelen. Ook bv. in Mexico werd door vele indianenstammen en ook door de priesters van de meest beschaafde stammen de doop in de praktijk gebracht. Bij Xaxtla was een groot doopbekken, een zogenaamd doopmeer. Daarin werd men bij het intreden in de godsdienst gedoopt. Verder had men bij de Zacapapotl een soort put, waarin aan de dienaressen van de God soms een soort zonnedoop werd gegeven. Dat was niet erg prettig, want degene, die daarin werd gegooid, ging er bij het rijzen van de zon in. Als zo iemand dan ‘s avonds nog dreef, werd zij eruit gehaald. Was zij daarentegen gezonken, dan bleef zij, waar zij was. Het was de methode om tevens een soort offer van reinheid te brengen. Maar niet iedereen heeft op die plaats met evenveel genoegen gezwommen. Toch was ook dit weer een methode om door middel van water zijn onderdanigheid aan God te uiten, zich aan God te wijden.

Wanneer wij dan bij het christendom komen, zien wij ook al weer een doop; iets, wat ons eigenlijk wel even verbaast. Want wat doet Jezus, wanneer Hij Zijn openbaar leven begint? Hij gaat de woestijn in, waar aan de Jordaan Johannes de Doper predikt en doopt. Johannes had zijn naam dus eigenlijk aan zijn beroep te danken. Deze Johannes doopt ook Hem. Men zou kunnen redeneren: Jezus heeft zich dus bekend tot de groep van Johannes. Dat hoeft niet geheel waar te zijn. Hij bekende Zich tot God, zoals ook Johannes die kende en vereerde. Daardoor werd Jezus doop een openbare belijdenis: “Nu ben Ik van God en niemand anders heeft nu nog iets met mij te maken. Ik hoor alleen bij God. Het rijk Gods is Mijn rijk, Zijn werk is nu Mijn plicht en Mijn taak….” Het zal u dan ook wel niet verbazen, dat men er zo toe kwam de doop ook in het christendom in te voeren. Het is een symbool. Men moet vooral niet denken, dat het doopwater een soort van geestelijk wasmiddel is, waarmee erfzonden worden weggebleekt. Helemaal niet.

De doop is een symbool, dat aangeeft, dat degene die gedoopt wordt, vanaf dit ogenblik geheel behoort bij de godsdienst, de gemeenschap, die de doop toedient, dat hij vanaf dat ogenblik deel uitmaakt van het christendom. Eigen wil en bewustzijn spelen dus bij de doop een grote rol. Daarom heeft het dopen van pasgeborenen weinig doel. Daarom wordt hun doopgelofte dan ook overgenomen door de z.g. peter en meter, de doopvader en doopmoeder. Dit is een zeer oud gebruik. Deze mensen stellen zich ervoor verantwoordelijk, dat de jonge mens, die wordt gedoopt, ook zal worden opgevoed in het christendom tot de tijd, dat hij zijn geloof zelf kan bevestigen. Vandaar, dat vele kerken dan ook een plechtigheid invoeren, waarbij de jonge mens nogmaals – nu bewust – zijn verplichtingen t.o. God, aanvaardt en zijn behoren tot de gemeenschap bevestigt. Dat is bv. de belijdenis in de protestante kerken, de vorming, vormsel, bij de roomse kerk.

U ziet dus wel, dat de doop eigenlijk een oud en mooi symbool is, dat het overgaan naar een andere groep weergeeft. Bij de christenen is dit nog aanvaardbaarder dan elders, want het ware christendom is wel anders dan de rest van de wereld. Het baseert zich op naastenliefde. Het aanvaardt de taak om God te dienen, ook in de mens, ook in de wereld. De overgang is er dus een van een koude en nuchtere maatschappij, van een mensheid, die zichzelf het recht toekent egoïst te zijn, naar een groep, die dit recht niet meer bezit, maar in plaats daarvan het recht heeft verworven zich te beroepen op de God, Die zij dienen. Dit klinkt alles misschien wat nuchter en zakelijk, maar het neemt niet weg, dat in deze tijd het zich bekennen tot God de essence is van het doopsel, van de doop. Men kan dit zeer symbolisch doen. Bij enkele groepen doopt men en masse door een soort plumeau in een emmertje met water te dompelen en dat dit water over de dopelingen te sprenkelen. Anderen nemen het ernstiger en zeggen: Knijp uw neus maar even dicht, want u gaat helemaal onder….. Er zijn er, die de gulden middenweg nemen door te zeggen, dat een beetje water over het voorhoofd voldoende is. Het gaat hier immers niet over het water. Het gaat om het symbool, om de eenheid met God, Die hiermede wordt aanvaard door de mens. Vandaar ook, dat sommige kerken de doop niet zien als iets wat alleen maar met water kan worden bereikt. Men kent de doop van begeren. Iemand, die begeert tot de gemeenschap te behoren, behoort door zijn intense wil en overgave aan God reeds daartoe, ook wanneer de symbolische handeling nog niet heeft plaats gehad. Ook kent men nog een vorm van de zogenaamde bloeddoop. Wanneer men op een ogenblik voor de gemeenschap een offer brengt, dat het leven kost, wanneer men om God te dienen, Die je nog nooit in die vorm hebt leren kennen, maar Wiens wezen je toch aanvoelt, je leven in gevaar brengt en zou sterven, dan acht men dan ook dit meer dan voldoende om aan te duiden dat men bij God hoort, behoort tot het Koninkrijk Gods.

Wij mogen erover denken, zoals wij willen. Men mag zeggen: ik vind die doop eigenlijk maar bijgeloof, of menen, dat hetgeen ik over de doop heb gezegd deze veel te onbelangrijk voorstelt, Maar één ding zullen wij toch wel met elkaar eens zijn. In de eerste plaats, de doop is een mooi en inhoudsvol symbool. Ten tweede, het is niet de handeling van de doop, maar de geestelijke gesteldheid en de aanvaarding, die er mee gepaard gaat, die haar maakt tot een sacrale handeling. Ten derde, door het doopsel aanvaardt de mens een verplichting, die – mits hij deze verplichtingen wetend en zelfstandig heeft aanvaard – hem zijn leven lang bindt.

Dit laatste is zeer belangrijk. Indien men de verplichting niet ernstig en voor het hele leven aanvaardt, is de doop zinloos. Wanneer u dus vandaag gelooft en u laat zich dopen, dan moet u er aan denken, dat men door dit doopsel – volgens eigen bewustzijn – een soort contract met God heeft gesloten. Een falen van jouw kant, dit bewust aangegane verbond te volbrengen, geeft je partner daarbij, God, het volste recht om met deze contractbreuk rekening te houden.

Een doopsel, dat oprecht wordt ontvangen, een doop, die wordt ondergaan met volle intentie, berekent een verbintenis, die men aangaat tegenover het Al-scheppend Vermogen. Wanneer men daarin te kort schiet zal men, juist door de oprechtheid, waarmede men de doop onderging, in innerlijke disharmonie komen te verkeren. De doop bindt u niet aan een kerkelijk ceremonieel. Ook niet aan bepaalde vormen van geloof, wel bind zij je aan de verplichting de harmonie en wel op de wijze van een gemeenschap, die deze zoekt in de liefde Gods, ook verder te zoeken en te beleven en zo de werkelijke inhoud van een christelijk geloof te blijven vervullen.

Zelfs, wanneer je niet meer behoort, of wilt behoren, bij een christelijke kerk. Het is van geen belang, hoe je je noemt. Het maakt niets uit, aan wie je je kerkelijke belasting betaalt. Het gaat er alleen maar om, dat jezelf in harmonie bent en blijft met de Oneindigheid. Dit wordt evenzeer bepaald door wat je gelooft, als door de wijze, waarop je de praktische gevolgen daarvan aanvaardt. Wel kan men natuurlijk geestelijk zo zeer groeien, dat datgene, wat eenmaal het belangrijke geloof voor je was, nu maar een klein deel is van je totale aanvaarding van God. Het lijkt mij niet mogelijk om het eenmaal aanvaarde zonder meer opzij te leggen en zich iets nieuws te gaan zoeken. Dat gaat niet. Daarmede heb ik, naar ik meen, wel voldoende gezegd.

  • Maar men kan die verbinding toch wel aangaan, zonder dat perse een doop noodzakelijk is?

Ik heb dit aangestipt, toen ik wees op het doopsel van begeren. Hierbij heb ik met nadruk gezegd, dat het ceremonieel niet veel ter zake doet, doch dat de aanvaarding van God bepalend is.

  • De Grieken besprenkelden vroeger de mensen in tijden van ziekte toch ook met water?

Maar dat was geen heiliging, of doop. Het berust oorspronkelijk op een geloof aan de elementen. Water is een reinigend element. De ziekte wordt vaak gezien als een beeld van het element vuur. Door de symbolische besprenkeling met water wordt een contact aangeduid met de watergoden, de lichte geesten. Een soort van geestelijke Kneippkuur op religieuze gronden. Het water reinigde de patiënt. Het geloof van de patiënt daarin gaf vaak een goed resultaat. Maar met deze besprenkeling aanvaardde hij geen verplichtingen. Dit laatste maakt het grote verschil tussen een doop en een rituele besprenkeling uit. De besprenkeling moet dus wel in de eerste plaats worden gezien als een reiniging. Men meent, dat men door het rond zich werpen van geheiligd water de demonen verdrijft en zo de goede kracht toegang verschaft, ja, het a.h.w. de mogelijkheid geeft een volle prestatie te leveren.

ESOTERIE

Het is weer tijd om ons bezig te houden met de innerlijke waarheden en de meer innerlijke wijsheid. Wij allen weten, dat je niet voortdurend bezig kunt zijn met het beschrijven van alle praktische methoden der esoterie, terwijl het ook vaak moeilijk is de abstractere verhandelingen alle zonder meer te volgen. Er zijn echter voldoende belevingen, die wij nog op de andere wijze kunnen beschrijven. Vandaag zou ik gaarne trachten een beeld te tekenen van een beleving, die voor de esotericus mogelijk is.

Denk nu niet, dat dit een beleving is, die voor een ieder openstaat. Men moet eerst geestelijk gegroeid zijn en kennis hebben verworven van de geheimen, die in het eigen wezen verscholen liggen. Dan echter is het een werkelijkheid. Een werkelijkheid, die voert langs de vreemde weg, die in de rumoerigheid van vele gedachten begint. In een verstilling kan men dan echter langzaamaan tot een beleven raken van het gouden Licht, dat het kenmerk is van een mens in volkomen harmonie, in harmonie met God en de Oneindigheid.

Het begint met een gedachte. Langzaam maar zeker is in het Ik een begeren gegroeid naar rust en naar stilte. Langzaam maar zeker is er een verwerpen opgetreden van de luidruchtige eisen van de wereld, die toch niet geheel kan beantwoorden aan je eigen verlangen en aan de kern van je eigen gedachte. Het wordt duister. Langzaam is het bewustzijn van de dag weggezonken. Het lichtende weten van het innerlijk Ik is nog niet ontwaakt. Als purper-fluwelen vlerken komen de gedachten aan, grijpen naar de ziel, die vluchten wil tot eigen innerlijke waarheid terug te halen, woorden schijnen onsamenhangend in een lege zaal te galmen, het is haast beangstigend. Het lijkt, of duizenden demonen op je los zullen stormen, maar de gedachte klinkt door. Een gedachte aan vrede. Ja, meer nog. Een gedachte aan eenheid, die ver te boven gaat aan alles, wat de wereld mogelijk maakt. Een gedachte aan eenheid met de Schepping. Een gedachte aan eenheid met de Schepper Zelf.

Langzaam maar zeker begint het te lichten in de lege ruimte. Eerst een vreemd fosforiseren, waarin het lijkt, of vreemde vormen wegsluipen. Zou je trachten het te zien, zij zouden verdwenen zijn als schimmen, die zich ergens achter de oogleden verbergen, die ontsnappen willen aan de waarneming van het oog, schijnen zij rond je te dromen. Een vlek van licht wordt duidelijker. De kilte, die je heeft bevangen, de kou, die als een zucht uit de ruimte op je neer scheen te vallen, is verdwenen. Er tintelt iets van binnen, het prikkelt in je als vlak voor een onweer. In de mens is dan een zekere angst. Want nu moet hij de werkelijkheid verlaten, die hij kent. Nu moet hij afstand doen van die wereld, die hem – ook al is hij ze soms moe – zo veel betekent. Daarom bouwt de spanning zich op.

Het wordt stil. Erg stil. Geen klank meer, geen geluid, geen beweging meer, die de aandacht af zou kunnen leiden. Voor je een enkel punt van gouden Licht. Dat Licht zwelt en zwelt. Een Licht, dat nader en nader komt, tot het met een geluidloze donderslag uiteen schijnt te springen en je omhult. Je voelt in je de warmte omhoog trekken. Een tongelend, laaiend vuur schijnt in je alles te verteren, wat nog met de wereld samenhangt. Haast aarzelend ga je verder. Je tracht jezelf te zien, maar niet alleen maar Licht zonder een enkele schaduw. Je tracht de wereld te zien, maar er is niets dan Licht. Licht, dat levend is en zich verdicht, tot het lijkt, of miljarden sterren rond je dansen in een vreemde sluier van levend goud, die je zult moeten doorbreken.

 Op zo een ogenblik vraag je je af: Wat geloof ik? Je voelt, dat je het antwoord moet vinden op deze vraag om te kunnen ontkomen aan deze haast benauwende warreling van kracht in en rond je. Maar wie de sleutel vindt, wie het antwoord kent, kan verder gaan. Eenheid in alle dingen, eenheid in God, eenheid door zelf te streven voor alles en in het streven alles te dienen.

Dat is het antwoord. Even lijkt het dan, of het vuur, dat in je brandt, je verslindt. Of het vuur uit je losbarst als een vernieuwing van al dat Lichtende daar rond je. Het gouden gordijn van levend Licht verdwijnt. Voor je ligt een nieuwe eenzaamheid. Je beleeft ze. Je zou ze kunnen vergelijken met een landschap. Grote, donkere bomen, geurige pijnbomen op de achtergrond; een hellende weide van smaragdgroen, die ergens leidt naar een vreemde tempel, die daar – als uit de grond en de omgeving gegroeid – staat. Een witheid van marmer.

Nu voel je je gedreven door de kracht die nog in je is, om verder te gaan. In je ontstaan gedachten, die haast geen gedachten meer genoemd kunnen worden, omdat zij meer bevatten dan alleen maar een wereld en alleen maar een mens. Er ontstaat een weten, dat sterker en sterker wordt, naarmate je verder gaat. Zeker, dit landschap en deze tempel zijn maar een beeld. Maar laat mij deze beeldspraak nog even een ogenblik volhouden, want ik ken er geen andere woorden voor. Je gaat die tempel binnen. Daar zie je een vreemd beeld, vol van verwrongen vormen en je vraagt je af: heb ik zover moeten komen om dit demonische te aanschouwen? Dit zijn de begeerten der mensen; je eigen begeerte ook, uitgedrukt in de verwrongen lelijkheid, waarin je ze hebt gezien. Daar ligt de verdokenheid en de leugenachtigheid, waarmee je jezelf in de wereld hebt bewogen. Daar ligt het verkeerde streven, wat je in jezelf hebt erkend. Het is, alsof je een hellegrot binnen gaat. Een contrast, zo sterk verschillend van de gewijde stilte die je kende bij de benadering van deze tempel, dat je terug zou willen vluchten.

Ook hier is een sleutel nodig: het aanvaarden van de waarheid. De mens, die in zichzelf keert, moet zichzelf aanschouwen. Het is niet altijd een prettig schouwspel. Maar kan hij dit aanvaarden, dan kan hij verder gaan. Het is, alsof de verwrongen beelden wijken, verbleken, tot zij niet meer zijn dan een grijzig fries, dat ergens de tempelwand versiert. Je gaat verder. Er is een hoge boog tussen twee pilaren, die je aarzelend doorschrijdt, je afvragende, wat dit zal zijn. Nu, voor het eerst, zie je anderen. Mensen zijn het en toch geen mensen. Wezens, die leven, of waarvan je weet, dat ze leven, ook al heb je ze nog nooit gezien. Toch ben je met hen verwant. Want in elke mens leven de banden met zijn broeders, met zijn zusters, met hen, die één met hen zijn geweest in leven en streven, ergens in de tijd, ergens in een wereld.

Het zijn niet alleen maar beelden der herinneringen, die daar leven, pas wanneer je dit ondergaat, weet je, hoe waar het leven is. Hier, in gestalten uitgedrukt, zie je de band met het Al, zoals je die zelf hebt gezocht, hebt beleefd. Voor het eerst begrijp je, hoe je door je bestaan keten na keten hebt gevlochten van oorzaak en gevolg, hoe je band na band van bewustzijn hebt gesmeed. Met hen, die hier op je schijnen te wachten, ga je verder. Het is een lange gang. Telkenmale weer moet je even stilhouden, want er zijn treden. Drie treden ga je op en wijder, wijder wordt de gang. Drie treden ga je op en zij vernauwt zich weer tot het lijkt, of je eenzaam staat, begraven in de levende steen van een wereld, begraven om nooit meer terug te keren. De mens, die in zich het laatste geheim van het ik wil ontsluieren, moet eigenlijk sterven. Niet zozeer lichamelijk, maar hij moet alles nu prijs geven en achterlaten, zoals ook de dood dat noodzakelijk maakt.

Weer drie treden. Het is, alsof je voeten je niet verder willen dragen, of je gedachten stil zijn als de dood zelf. Er is een leegte in je. Het vuur, dat je tot zover voortgestuwd heeft, heeft je verlaten. Dan sta je voor het grote besluit: Zal ik verder gaan? Maar wie de laatste sleutel kent, kan ook hier ongehinderd doordringen. Wie weet, wat de waarheid is van leven en kracht, kent het geheim van de Schepper, zoals het in zijn ik is geopenbaard. Deze kan verder gaan. Het is een geheim, wat je niet kunt spreken, want het is het zijn en het niet-zijn, waaruit het zijnde geboren wordt, terwijl beide één zijn. Dan sta je in een Licht. Een Licht, dat eerst als onrustig warrelt. Het is, of rond jou plotseling slangen van vuur zich wentelen, niet je verstrengelende tot de verstikking toe, maar eerder je verheffende, je nieuw leven gevende. Alles schijnt van je weg te vallen, tot zelfs geen schaduw van herinnering meer blijft. Alleen nog een bewustzijn, dat in het Licht zijnde, het Licht ziet.

Op dat ogenblik erken je je Schepper, weet je, hoe je bent ontstaan en waar. Weet je, waarheen je gaat en weet je, waarom je leeft. Dan keer je terug en het is, of de duisternis je omvangt.

Weer naderen je de krachten en gedachten der wereld als fluwelen vlerken, die – eerst zacht strelende – dan dringender en dringender trachten je te doen ontwaken. Maar wanneer je dan eindelijk het mens-zijn, het geest-zijn in je eigen wereld weer aanvaardt, blijft er iets in je van die Lichtende kracht, die je gevonden hebt ergens ver, ver weg, en toch in je eigen hart, in eigen ziel. Elke mens draagt zo een heiligdom in zich. En in elke mens leven de demonen, die hem in krampachtig verwrongen beelden voortekenen, hoe hij ondanks zichzelf heeft begeerd en gehandeld. In elke mens ook bestaat de rustige stilte van de gewijde tuin, in elke mens is een Licht, dat meer is dan al het andere. Een Licht en een kracht, die je een deel maken van een oneindigheid.

Het is de taak van mens en geest dit Licht te vinden, wil men tenminste komen tot begrip en geluk, wil men komen tot een eenheid, die het mogelijk maakt de barre keten van aaneengesmede gevolgen te breken. Daarom is het goed, dat elke mens leert zich af te vragen: Hoe ben ik werkelijk? Daarom is het goed, dat elke mens leert voor een ogenblik alle gedachten opzij te zetten en door te dringen in het geheimzinnige wezen, dat hijzelf is, in dit Ik, dat voor zo menigeen een vreemdeling blijft. Heeft u de moed te beginnen? Heeft u de moed deze tocht te aanvaarden? Dan zult u zichzelf leren begrijpen. Maar u leert meer: u leert uw leven te ondergaan. U leert de werkelijke krachten, om de werkelijkheid te erkennen, die achter al deze uiterlijkheden schuilt.

Wij zijn hier nu bijeen, wij mensen en geesten. Wij kennen onze vorm; wij hebben onze gedachten en onze begeerten. Wij hebben zo dadelijk weer de noodzaak van onze eigen wereld, die ons opeist…. . Graag zouden wij daaraan voor een ogenblik ontkomen. Maar nog is het daarvoor geen tijd. Wanneer wij beseffen, dat al, wat wij zijn en al, wat wij doen, deel is van een groot geheel, wanneer wij beseffen, hoe wij door de kracht, waaruit dit alles ontstaat, waaruit dit alles is geboren, onze werkelijkheid ervaren, dan kunnen alle dingen voor ons wegsmelten tot alleen dit ene overblijft. Dan wordt dit ene ons tot een taak, een zending onder de mensen, een zending ook in de geest. Ja, dan kunnen wij terug gaan zonder moeite, zonder hinder. Ja, zonder leed zelfs, dat wij terug moeten keren uit deze innerlijke verhevenheid.

Hoevelen van ons zijn in staat om zover door te dringen? Toch is dit de enige weg tot de werkelijkheid. Dit is de enige weg, die het leven tot een werkelijk leven maakt, tot iets, dat het bestaan waard is, iets, wat je dank doet heten voor elke beproeving opnieuw, voor elk lijden en voor elke strijd. Zonder dit blijft het leven vaag, blijft het leeg. Alleen de innerlijke kracht kan ons vullen en niets anders. Laat ons daarom trachten in onszelf te keren, laat ons een enkele keer uittrekken als ontdekkingsreizigers in dat onbekende gebied, dat verscholen ligt achter onze oppervlakkige gedachten, dat ligt verscholen achter het onbegrepen spel van krachten, waarin wij bestaan. Mens, zoek jezelf, leer jezelf kennen. Wanneer je daartoe overgaat, wanneer je zoekt jezelf te zijn en te kennen, durf dan verder door te dringen. Blijf niet stilstaan bij dit weten: “Dit ben Ik”, maar ga verder. Achter het Ik, dat je leert kennen, wanneer je jezelf onderzoekt en beschouwt, ligt de gulden werkelijkheid: God. De God van gouden Licht, van een onmetelijke liefde en een onmetelijke kracht. Daar alleen ligt de waarheid.

Het is moeilijk om in woorden te vatten, wat een beleven is in de ziel. Moeilijker is het misschien nog om, wanneer u zo dadelijk uit de ban der woorden gevlucht bent, u toch nog terug te doen denken hieraan, u de drang te geven om langs de innerlijke weg de poorten te doortreden, die staan als een begrenzing van de waarheid en datgene, wat u, wat wij ook vaak nog noemen: het zijn, het leven. Er bestaat tussen ons en het andere leven geen werkelijke grens. Nu besef je dat niet, meen je nog afzonderlijk en alleen te staan, meen je, dat dat, wat anderen doen, je beroeren kan, of dat jij het recht hebt te oordelen over anderen. Wanneer je doordringt tot de kern, weet je omtrent de grote waarheid, die de enige werkelijkheid is. Vraag u dus niet af, of een ander goed of kwaad is. Vraag u niet af, wat een ander gelooft, of dat de waarheid is, of misschien dwaasheid. Vraag u slechts af, hoe het Licht, dat binnen u leeft, u ook verbindt met hen.

In het leven ontmoet u veel mensen. Haast zonder te weten waarom, help je vaak de een, ontwijk je de ander.

Uiterlijk kan dit bepaald worden door te spreken over reïncarnatie, te spreken over de taak, de taak die je in het leven is opgelegd, over het vreemde bestier van Gods wil. Er is meer. Elke mens, die je ontmoet, elke geest, die je ontmoet, is op enigerlei wijze een deel van je, hoort bij je. Net zo goed die verschrikking, die je van de ene zijde benaderd, als dat hemelse beeld, wat elders bestaat. Zij zijn deel van jezelf. Je kunt er niet aan ontkomen. Dezen ook zijn het die je zult ontmoeten op de weg naar binnen toe, verwordingen in vormen misschien, onrein geworden door de vreemdheid van je denken en streven, lichtend misschien ook als hemelse krachten, die in je wonen, als wezens, waarmede je al de werkelijke broederschap hebt verwerkelijkt. Alles, wat er is voor u, is deel van u. Alles, wat u kent, alles, wat u ontmoet, leeft ook in u.

Dit, is een waarheid. Misschien wel de enige waarheid, die er in het leven bestaat. Dit te beseffen, te zoeken naar alles, wat er in je leeft, je te realiseren wie en wat je bent, om dan verder te gaan tot je de reden van dit alles vindt, dat is esoterie. Dat is waarlijk keren tot het grote innerlijke geheim. Dat is keren tot het leven zelf.

Ik hoop, dat ik u iets heb kunnen laten voelen, laten horen van de werkelijkheid, die zowel in onze werelden als de uwe bestaat. Niet uiterlijk, maar innerlijk.