Opstanding, gebaseerd ook op niet-christelijke waarden

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom  – deel 10

11 maart 1956

Nu de kring toch is opengesteld, zullen we trachten een ogenblikje nog wat meer in de richting van het Paasfeest te gaan denken. Uiteindelijk nog een bijeenkomst en de Christenheid viert weer de herrijzenis van Jezus.

Nu kan men natuurlijk deze aspecten vanuit zuiver christelijke basis gaan benaderen. Ik geloof echter dat wij verstandiger doen, wanneer wij ons houden aan de richting van denken, die wij al zo lang gevolgd hebben binnen deze groep en ik zou daarom willen spreken over het onderwerp “opstanding”, gebaseerd ook op niet-christelijke waarden

Willen wij in het niet-christelijk denken de gedachte aan de herrijzenis uit de dood terugvinden, dan komen wij terecht op het terrein der magie, der magisch-esoterische belevenissen. Ik meen niet gerechtigd te zijn U nauwkeurig mijn bronnen aan te geven, wanneer ik U een aantal citaten hierover voorleg. Ik hoop echter dit, wat in Uw ogen misschien een tekort is, te kunnen aanvullen door een spreker aan het woord te laten, die persoonlijk en uit eigen beleving een aantal magische aspecten kan belichten.

Het eerste citaat houdt zich bezig met het wezen van het leven. En in tegenstelling tot hetgeen wij daarover veelal geloven, zegt hier een oud leermeester:

“Leven is niet op een plaats of een gebied te beperken. Wanneer een bewustzijn leven tot zich roept, dan zijn bewustzijn en leven één, en is er een persoonlijkheid geboren. Het leven vraagt niet vanwaar het bewustzijn komt, zoals het bewustzijn niet vragen zal vanwaar dit leven komt, dat het tot persoonlijkheid maakt. Dit nu diene men te weten en te behouden. Zolang ons bewustzijn in staat is enigerlei deel van het leven tot ons te trekken, zijn wij een persoonlijkheid. Het gebied waarop wij het tot ons trekken, bepaalt, op welke wijze dit leven uitdrukking zal geven aan hetgeen wij zijn”.

Hier wordt dus gezegd, dat het leven in de magische betekenis niet identiek is te achten met de ziel.

“Er is een bewustzijn”, zo stelt deze leraar, “en daarnaast de essence van het leven. Waar men die essence tot zich neemt, leeft men”.

Nu weten wij allen, dat de werkelijke levenskracht meer is dan de levensessence, die de magiër hier naar voren schuift. Maar wij zouden het óók ze kunnen vertalen:

Er is in alle materie een factor, die reageert op de goddelijke Kracht, die in ons woont. Op het ogenblik, dat ons eigen wezen en bewustzijn zich volledig uitdrukt in die wereld, als wij in die wereld, waar onze gedachten alleen, ons bewustzijn alleen voldoende zijn, om alle materie tot ons te trekken en te vormen tot datgene, wat wij wensen te zijn.

Wij gaan nog verder, want ook een esoterische school geeft ons een verklaring over het leven;

“Het leven in zich is onvergankelijk”.

Hier hebben we dus te maken met hetgeen wij de Goddelijke Kracht het Goddelijk Licht noemen.

“De onvergankelijkheid van het leven, binnen ons geborgen, maakt het ons mogelijk alle dingen tot leven te brengen. Wij kunnen leven in al wat bestaat, indien wij ons wezen daar geheel in weten te plaatsen. Dit is echter slechts mogelijk, indien wij ons ook bewust zijn van de levende kracht in óns, waardoor wij al hetgeen wij met onze gedachten beroeren, ook tevens bezielen.”

De gedachtegang is duidelijk. Wat wij noemen de Goddelijke Kracht, het Goddelijk Licht in ons, is de Kracht, die leven kan brengen in alles. Een steen kan een ziel krijgen op deze manier. Zij kan spreken en tot lichaam worden van een geest. Maar…. er zijn twee dingen voor nodig, de geest zelve moet dit verlangen, zij moet zich bewust zijn van het wezen van de steen en zij moet zich bewust zijn van de levende kracht, die in hem woont. Zo kan zij de levende kracht a.h.w. overdragen in een voertuig en dit tot werkelijk leven brengen.

De Eleusische school stipt hetzelfde onderwerp nog weer iets anders aan. Ze zegt:

“De geest in haar hoge trilling kan alle materie rond zich verzamelen. Maar wanneer de geest te hoog vliegt in haar eigen afstemming, zal zij door haar hoge trilling het leven rond haar vernietigen, zodat haar stof uiteenvalt en niet meer kan bestaan in de wereld, waarin zij eens ontstaan is”.

Hier vinden we dus de gebruikelijke trillingskwestie weer uitgedrukt, nu op zeer logische wijze.

“Want”, zo staat hier uitdrukkelijk, “de geest heeft een trillingsgetal”. Zodat wij dat kunnen vertalen in een uitstraling van haar gedachten, die al hetgeen dat rond haar is, doordesemt. Dan zal zij, zolang zij zich een lichaam vormt (materialisatie bv.), te allen tijde haar eigen gedachten dus ook deze trilling opleggen aan de stof, die zij rond zich verzamelt. Maar stof is aan bepaalde grenzen gebonden. Wanneer die grenzen overschreden worden, dan zijner maar twee mogelijkheden: ofwel de stof valt geheel uiteen, ofwel zij verdwijnt vanuit deze wereld, omdat zij met haar verhoogd trillingsgetal in een andere wereld terechtkomt.”

De citaten die ik heb gegeven zijn alle oud. Zij zijn alle uitgesproken voor de geboorte van Jezus.

Jezus Christus, Jezus de Nazarener, is een mens, die herrezen is uit de dood en wel indien wij de getuigenis van hen, die daar waren, mogen aanvaarden werkelijk met geheel zijn eigen lichaam. Echter verheerlijkt. Wanneer wij een verklaring daarvoor zoeken, dan vinden wij die in de voorgaande citaten.

Het is mogelijk, dat een mens herrijst uit de dood. Zeker wanneer die mens zo bewust, zo vergevorderd is als Jezus. Want Jezus kende de Vader, Die in Hem woonde. De Goddelijke Kracht was a.h.w. de Zijne.

Hij kende echter ook de stof en de materie. Was Hij daarin niet afgedaald om een werk der verlossing en der bevrijding te volbrengen? Heeft Hij niet in Zijn leven, vooral in de laatste jaren, door voortdurend contact met de eeuwige waarden, wonderen tot stand gebracht? Dan is het ook geen wonder meer, dat Jezus uit den dode herrijst. Dan is dit het natuurlijk resultaat van Zijn leven en Zijn streven. Zijn Leven als eenheid met God, Zijn streven naar bewustwording en bevrijding der mensheid. Door Zijn Leven kon Hij niet sterven, tenzij Hij dit zelve wilde. Door Zijn streven word Hij genoopt terug te keren tot Zijn leerlingen, die, zonder Hem stuurloos en radeloos, misschien zouden ondergaan. De gehele gebeurtenis van het toekomstige Paasfeest is of behoort te zijn een weerspiegeling van dit wonder uit het verleden.

Maar ik wil ook verder denken dan alleen maar dat verleden, dan alleen maar het juichend vaststellen: “Loof den Heer, Christus is opgestaan”. Ook heden ten dage leven er geesten op de wereld, die het Licht kennen en het goede zoeken. Maar voor de ogen der mensen zijn zij schijnbaar bedolven en begraven onder een veelheid van bemoeiingen, voorschriften, gedachten, haat, nijd en strijd. De vlam der vrijheid schijnt soms gedoofd, de vrede gekooid. Maar zij zijn mede de uitdrukking van het streven van geest, die op deze wereld zoekt naar een uiting. Geest, die zich bewust van haar eigen kracht zowel als van de Kracht van het Licht in haar, zich zal trachten te wenden tot deze wereld om haar te bevrijden. Die zal trachten de mensheid op te heffen, totdat zij uiteindelijk de onmenselijke waarden van het huidige mensdom verloochent, het ware mens-zijn, het bewuste leven, zal kunnen aanvaarden.

Daarom zeg ik U; Niet alleen Jezus is in het verleden uit den dode opgestaan, maar er zijn geesten en met hen vele anderen die zullen opstaan in een niet zo verre toekomst. Herrijzen uit den dode.

O, de wereld zal het niet zien en net zo cynisch lachen als ze eens lachten, toen de Apostelen verklaarden, dat Jezus herrezen was uit den dode. Maar het magisch dwingend principe is hetzelfde. De kracht die dit alles bezielt is ook dezelfde.

Het wonder van het komende feest, met zijn dood en zijn herrijzenis, ligt in de innige liefdeband tussen de bewuste geest en de stofgebonden schepping. Hierdoor zijn zij beiden één. Hierdoor herrijst het licht in stoffelijke vorm en hierdoor zal de wereld verheven worden tot het Licht in haar leeft en alle stof wordt veredeld tot de eeuwige waarde, zoals die altijd bestaan heeft in God.

Dit is mijn betoog voor deze keer. Ik hoop een volgend maal nog wat verder door te gaan op de magisch-esoterische achtergronden van het Paasfeest. Voor heden echter meen ik voldoende te hebben gezegd. Ik geef daarom het woord over aan mijn meer magische vriend, die U ongetwijfeld vanuit zijn standpunt iets van de betekenis zal zeggen, die in zijn ogen dit gebeuren, maar ook het gebeuren der wereld heeft.

Ik dank U voor Uw aandacht.

o-o-o-o-o

Spreken, over magie is, als in een onvolkomenheid van woorden, de schittering van de ondergaande zon bannen. Magie is een spel van krachten der geest, die zich onmiddellijk uitdrukken in de stof. Niet slechts van beelden, die verwazend in klank een ogenblik rondzwerven.

Het is mij dan ook moeilijk gevolg te geven aan de uitnodiging, die ik ontving: U iets te zeggen over het magisch gebeuren. Het enige waarover ik met reden kan spreken, zijn de gevolgen die de magie kan hebben.

Mijn vriend, die mij, in deze Uw kring heeft ingevoerd, heeft U getracht duidelijk te maken, dat er een magisch-esoterische betekenis is verbonden aan het heropstandingsgeloof der Christenheid. Ik wil verder gaan dan dat.

Geheel deze wereld gaat onder en herleeft, naarmate zij zelve het leven aanvaardt of verwerpt. Hoe intenser het leven wordt geaccepteerd met zijn volle vreugden, hoe sterker de wereld leeft. Hoe meer de mensheid verlangt het leven te veranderen, hoe meer de mensheid lijden moet en sterven. Want er is een wet die zegt, dat geen verandering mogelijk is zonder lijden.

Het magisch karakter hierin ligt in de volgende feiten; Alle streven naar verandering brengt verandering, maar alle krachten tot verandering moeten uit het “ik” voortkomen. Het betekent een tijdelijke verarming van het wezen en daarin een grote beproeving van stoffelijke en geestelijke waarden. Wanneer de kracht is gegeven en het offer volbracht, dan zal de hernieuwde vorm vrede betekenen voor langere tijd.

Zo gaat de mens, offer, herrijzenis, offer, herrijzenis, door de eeuwen heen. En de mens zelve, die zich voor de wereld blijft interesseren, die zich aan de wereld gebonden voelt, gaat dezelfde weg persoonlijk mede.

Wij weten dat elke kracht, die geheel opgaat in voorwerpen, in toestanden of personen, zich daardoor bindt aan deze voorwerpen, toestanden of personen. Wie de wereld lief heeft, bindt zich aan de wereld, zal de band groter zijn. Naar mate men dit meer bewust doet.

Ik durf te verklaren, dat Jezus met de mensheid voortdurend sterft en herrijst. Want hij heeft zich door Zijn leer, Zijn leven en werken volledig gebonden aan het lot der mensheid, Hij kan deze keten slechts losmaken door Zichzelf, Zijn wezen en streven te verloochenen. Dit nu is Hem onmogelijk gezien de geestelijke waarden, die in Hem leven. Zo leeft Hij met de wereld en zal Hij zich in de wereld uiten. Het is niet aan ons om te zeggen wanneer of hoe. Ook zonder dat kunnen wij vaststellen; dat Zijn geest meer en meer werkzaam en waardig zal worden, naarmate het lijden der mensheid meer een hoogtepunt bereikt.

De onvrede, die bestraft in de wereld, het verlangen naar vrede en rust en het gelijktijdig trachten de wereld te veranderen wat op het ogenblik over de gehele aarde kenbaar wordt is mij het bewijs, dat het lijden der mensheid een groot offer, een nieuwe herrijzenis zal baren. Jezus zal mede lijden, sterven en herrijzen met deze wereld en zo tot uitdrukking brengen de eeuwigheid van toekomstige ontwikkelingen.

Leven, zoals de doorsneemens doet, is half sterven. Van intens leven kan slechts gesproken worden, wanneer men zich volledig bewust is van zichzelf, zijn drijfveren en het doel, waarheen men streeft. Dit te realiseren is aan Jezus van Nazareth gelukt. Hij was niet de enige. Ná Hem zijn er vele anderen in dit besef de wereld of gekomen, zoals er vóór Hem anderen waren, die hun eigen weg hebben gekozen, zich bindend met de wereld of zich daarvan bevrijdend en zich bindend met een sfeer. Al degenen, die in Zijn naam of langs Zijn weg gegaan zijnde, zich eens bonden door de liefde aan het Al, zullen hun kosmische krachten uiten op deze wereld en hiermede zullen de wetten tot uiting komen, die thans verborgen blijven, zodat de mensheid, daarom, ondanks niet zal sterven maar herrijzen en ingaan tot een nieuw en ander leven. Hiervan ben ik overtuigd, Al mijn berekeningen en waarnemingen tonen dit aan.

Ik kan voor U slechts wensen, dat ge nooit zult twijfelen aan deze herrijzenis, daar zij een waarheid is. Zo ge twijfelt daaraan, bedreigt ge Uw eigen voortbestaan in verband met deze wereld en haar ontwikkeling. Toch is deze wereld zo oud en zo rijp geworden, dat zij thans voor het eerst de waarden van een volwassen wereld aanvaardend een mensheid kan dragen, die verder uitgrijpt dan zuiver stoffelijke gebieden.

Ik wens U toe, dat ge te allen tijde één zult blijven met deze ontwikkeling, zo steeds sterker begrijpende de volheid van uitdrukking, die gelegen is in de tweeheid van het grote principe, dat drie is in zijn wezen, twee in zijn kenbare uiting en een in zijn bestaan en streven.

GOLGOTHA

Verstoft en grijs, geblakerd door de zon, ligt daar, een kleine reis slechts van Jeruzalem, het oord waar eens begon de herrijzenis van Jezus, der mensen Leider, Weg en Kracht, Die op de schedelplaats het leven eens ten offer bracht aan God en mens en zo verwon de dood, en word tot geestelijke zon.

Verlaten ligt daar Golgotha. Er klinkt nog niet het druk gejoel, het angstige gespannen gerumoer, dat dadelijk zal omvamen heel de lege heuvel. Want beneden in de straten van de stad, zo kronkelig en krom, daar trekt de mensenmenigte heen.

En is haar stem nog stem, één licht spreekt reeds uit haar geleen, als langverloren glimp der zon, die terugkeert tot haar bron. het is Jezus met verscheurde leen, die moeizaam gaande onder het kruis, terugkeert tot de plaats, waar naar – naar Hij weet – Zijn worden eens begon. Een schedelplaats. En blozend vlucht nu reeds de zon.

Er is rumoer op Golgotha en wolken spelen, hel en zonnig nog, haar spel. …. Er klinkt een stilte en de aarde rommelt stem, tot langzaam dreigend als een tromde donder rolt in ‘t ver verschiet; als erkende slechts het ledig niet het drama, dat begon op Golgotha.

‘t Is duister nu. Er heerst angst. De mensen zijn gebogen en aarzelend richt een enk’ling slechts tot ‘t kruis omhoog de ogen. Een vrouw weent zacht. Dan klinkt een stem: “Vergeef hen, wat zij doen”. …. Het ogenblik der dood is na. De duisternis verscheurt nu dra en wordt tot wonderlijk fatsoen van voorhang, wijl het voorhang reikt tot in de tempelgang. Het is of heel de wereld wacht en alle sfeer hier hangt rond Golgotha.

“Het is volbracht”. Het hoofd valt neer. En een Romein hanteert een speer, wat latig en door medelij bewogen. De dood van onschuld beweegt de ruwheid der soldaat zelfs tot een ongemakk’lijk mededogen.

Dan valt de nacht en ‘t is voorbij. Verlaten staat weer Golgotha. Dag van jubelend fel geweld, van wereld, eerst verheugd en dan ontsteld, laat slechts de stilte na. En mensen dragen, vol geween, verscheurd en bleek een lichaam heen, nu weg van Golgotha. En in de verte schijnt de maan wat bleke stralen aan, terwijl zij daar ter grafstee gaan.

Nu is er aan de wens der mensen weer voldaan, De onschuld stierf op ‘s werelds kruis. de geest der onschuld vluchtte weg naar Licht en geestelijk thuis,

Maar zie, de wereld zo alleen, zij roept de gaande na. En zo keert terug de lichte geest en treedt op Golgotha. Dan in het graf een lichaam roert. Een licht doorbreekt de nacht. De mens, die stierf, die henen’ging, is weer teruggebracht en betreedt de aarde als te voren. Hij zegent zacht terwijl hij gaat de mensen na een ogenblik een ledig kruis, dat staat op Golgotha.