Optimist contra pessimist

image_pdf

24 januari 1958

Aan het begin van deze bijeenkomst moet ik u erop wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Mijn onderwerp is: optimist contra pessimist.

In het leven van elk mens komen er vlagen voor van optimisme, maar ook van pessimisme. Het is een normaal verschijnsel om de eenvoudige reden, dat de mens zelf noch de waarheid weet te bevatten, noch zijn ware toestand volledig in kan schatten. Hij heeft wel, zoals men heeft gezegd, een brein, dat ingewikkelder is dan welke rekenmachine ook die gemaakt kan worden. Het gebruik ervan is zo erratisch, zo “happy go lucky”, dat over het algemeen de uitkomsten niet beantwoorden aan de werkelijkheid. Daarom wil ik u vanavond deze twee soorten van denkers, van denkvlagen, tegenover elkaar stellen.

Je kunt het heel simpel doen door te zeggen: een optimist is iemand, die zo van het slechte is overtuigd, dat het hem altijd beter gaat, dan hij durft verwachten. Daartegenover zal je moeten zeggen: een pessimist is iemand, die zozeer naar het goede verlangt, dat altijd zijn verwachtingen beschaamd worden. Het optimisme en het pessimisme zijn niet in de eerste plaats gelegen, zoals men misschien denkt, in een bepaalde mode van gedrag, een zekere manier van denken zonder meer. Zij vloeien voort uit de innerlijke gesteldheid van de mens zelf. Juist daardoor wordt het probleem “optimist contra pessimist”, naar ik meen, voor iedereen belangrijk. Zonder dat u het weet, bent u waarschijnlijk of optimist of pessimist. Laat mij dan deze keer als misthoorn fungeren en u al loeiende aan het verstand brengen, waar nu eigenlijk de mogelijkheden en ook de fout van deze denkwijze kunnen schuilen.

Optimisme: een “het zal wel gaan” of “je moet het zo nauw niet nemen, of het komt wel in orde, ach, het is toch altijd goed.” De uiting op zichzelf is een klein beetje onbezorgd. “Ik kan er toch niets aan doen…” die houding verandert vaak wanneer het leven dan niet aan de verwachtingen tegemoet komt: het gaat net niet, of het blijkt, dat de vernieuwing wel noodzakelijk moet zijn. Zonder direct in de politiek verzeild te raken zou ik bv. willen stellen, dat de doorvoering van de huidige politiek, door verschillende regeringen, eigenlijk een blijk is van een grovelijk optimisme. Men neemt nl. aan, dat omstandigheden gecontinueerd zullen worden, die niet gecontinueerd kunnen worden, zonder een neurotisch verzet in de bevolking te wekken, en daardoor dit land – het geldt voor heel veel landen – deze mensheid in een praktisch voortdurend verzet te brengen tegen alles, wat recht en rede is.

Dat is natuurlijk een oordeel van mijn kant. Maar zoals dat nu in het groot gaat, zo heeft elk mens dat voor zichzelf… . Och, ik speel het wel klaar. Waarom speelt u dat wel klaar? Hebt u zulke grote capaciteiten, meneer en mevrouw optimist? Bent u in een uitzonderingspositie gekomen? Bevindt u zich in een gelukkige toestand, waarin niets u benaderen of aantasten kan? U hebt geluk, zegt u. Ik kan het mij voorstellen. Er zijn tijden, dat je geluk hebt. Maar in het leven moet alles altijd betaald worden ook. Dus heb je teveel geluk, dan zul je dat moeten betalen met mogelijkheden tot heel groot ongeluk.

En als je dan té pessimistisch zou worden, zou je je geluk misschien kunnen behouden, maar dan zou je door je gedachten al je geluk kunnen vertroebelen. Zou je echter optimist blijven, dan zou je je werkelijke kansen verknoeien en daardoor ook al weer in een sombere gedachtesfeer komen. Optimisme heeft zin, wanneer het beperkt blijft. Optimisme moet zijn: een verwachten van het beste, van de grootst mogelijke prestatie, van het grootst mogelijke geluk, mits de gehele eigen persoonlijkheid wordt ingezet.

Wanneer wij zo zeggen, dat elk mens eenmaal toch weer tot de bron terug zal keren en daarmee in het Goddelijke, in het Volmaakte, zal zijn opgenomen, dan klinkt dat – vanuit ons standpunt – ook weer een klein beetje optimistisch. Maar wij hebben er een basis voor. Onze eigen ervaring en ons streven, plus het feit, dat deze ontwikkeling niet door ons gelimiteerd wordt in een bepaalde tijd, maar eenvoudig wordt gezien als een verschijnsel van de eeuwigheid.

Wanneer u daarentegen meent: ach, ik kan het zo wel verder voortzetten, het leven, ik kom toch wel in het geluk terecht, … dan komt u in een duistere sfeer misschien. Optimisme moet steeds gebaseerd zijn op de wil het “Ik” volledig in te zetten en de verwachting, dat deze inzet – al mag zij dan ook niet aan de verwachtingen beantwoorden, – te allen tijde een goed resultaat zal hebben. De ware optimist is een mens die begrijpt, dat al wat je vanuit jezelf in de wereld brengt, als een echo tot je terugkeert en als zodanig je eigen leven ook tevens beïnvloedt.

Voorbeeld? U hebt het misschien niet zo erg breed. Niet zo erg prettig… U zegt: “Oh, ik zie daar een arme kerel, hem zal ik wat geven, ook al kost mij dat wat moeite, want ik zal altijd nog wel genoeg hebben om voor een ander wat te kunnen missen…” Gezond optimisme, want dat wat u geeft is een innerlijke verrijking, die u zelf een verwerven makkelijker maakt. Ongezond optimisme is: “Nu ja, ik heb wel bijna niets meer, maar waarom zou ik met de tram gaan en geen taxi nemen? Per slot van rekening: morgen zien wij wel weer…” Morgen is er voor u geen tram en geen taxi, maar lopen op twee versleten schoenen en een hongerige maag. … Dat kan de mens meestal niet aanvaarden. Hij kan de tegenstelling, de verandering, niet verwerken.

Daarentegen staat de pessimist er ook niet zo mooi voor. De pessimist begint met te zeggen: och, wat verschrikkelijk is het, het is allemaal zo slecht. Pessimisten bv. vindt je onder de oudere mensen, die hoofdschuddend kijken naar de wereld en dan zeggen: “Och, och, die jeugd van tegenwoordig…”. Je vindt ze onder de mensen, die zeggen: “Ach, wat een misdadigheid op de wereld; wat een geweld en wat een ellende, dat kan toch nooit zin hebben…”.

Pessimisme vind je bij mensen, die, wanneer de Bild ( tijdschrift – red. ) zegt dat er zon komt, onmiddellijk de regenjas aantrekken, een dikke wollen das om doen en zo midden in de augustuszon gaan wandelen, want er zou eens iets kunnen gebeuren. De optimist zegt tegen de pessimist altijd: “Ach, je bent dwaas. Waarom zou je je zoveel zorgen maken? Waarom zou je je zo druk maken? Want wanneer het gaat regenen, dan ga je schuilen…”. Ja, zegt de pessimist: “Maar als ik nu eens midden op de hei sta?…”.  Ja, zegt de optimist: “Dan moet je hopen, geluk te hebben…”.

De fout is hier, de een treft teveel voorzorgen, de ander helemaal geen. Wat zou het redelijke zijn in een dergelijk geval? Een makkelijk oprolbare regencape meenemen, zodat je tegen het ergste althans beschermd en beschut bent, zonder je daardoor ook onnodig te belasten en zo je eigen plezier en genoegen te vergallen.

De pessimist zegt tegen de optimist: “Wat neem jij dat leven licht. Man, als je nu toch eens begrijpt, hoe moeilijk het is om een beetje menswaardig bestaan te voeren, hoe lastig het is om jezelf het Koninkrijk der Hemelen waardig te tonen. Dan heb je geen tijd voor vreugde, dan is de hele wereld leed”. De optimist lacht hem uit: “Is er geen zon, zijn er geen wolken? Is er niet de humor? Kun je niet uitgaan? Zijn er niet allerhande mooie dingen?” Dan schudt de pessimist zijn hoofd, en zegt: “Jij bent niet te redden”. De optimist kijkt naar de ander, zeggend: “God, God, God, man je bent nog zuurder dan een vat azijn”.

De waarheid ligt weer in het midden. Natuurlijk, de wereld legt de mens een hoop verantwoording op. Maar je hoeft je toch geen zorgen te maken over de verantwoording, die anderen wordt gegeven. Doe wat je zelf moet doen en doe het zo goed mogelijk, dan heb je je handen vol. Dan kun je als de optimist genieten van al het schoons rond je. Je kunt bereiken, wat de pessimist zichzelf heel vaak ontneemt: een nu al aansluiting vinden bij de kosmische harmonie.

Wij zijn in sommige opzichten grote optimisten, want wij geloven, dat het ons toch wel goed zal gaan. In een ander opzicht zijn wij vaak pessimisten. Wij menen, dat het een ander wel slecht zal gaan in dat hiernamaals, want wij zijn zo kwaad niet. Maar die anderen! Wij verdelen ons optimisme en pessimisme op een eigenaardige manier. Wij splitsen ons wezen in twee persoonlijkheden. Wij zetten twee rechters in de rechterstoel. De één heeft tot taak om alles goed te praten wat wij doen; de ander om alles te veroordelen, wat anderen doen.

Het zoeken naar bewustzijn en bewustwording betekent heel wat meer dan alleen maar afwachten wat er komt, maar goed praten, wat je zelf doet. Dat betekent ook heel wat meer, dan anderen of jezelf veroordelen, zonder er enige reden voor te hebben. De werkelijke inhoud van je leven moet eigenlijk het volgende zijn:

Je weet, dat je een taak hebt. Aan deze taak kan niemand ontkomen, het vervullen van die taak op de juiste wijze betekent een aansluiting bij een kosmisch geheel. Die taak kan u niet worden opgelegd door de mensen. Zij kan ook niet gebonden zijn aan menselijke wetten, noch aan het menselijk sociaal, of moreel concept, dat in uw tijd nu toevallig bestaat. De kosmische taak, die in ons ligt, de bewustwording, het bereiken van de juiste plaats binnen het Al, het ons open stellen voor het totaal van de Goddelijke Kracht, dat bereiken wij alleen door de taak, die in ons ligt, vóór al het andere te stellen. Ook vóór een maatschappelijke opvatting, ook vóór een oordeel van een gemeenschap, of zelfs van onszelf. Wij mogen niet denken, dat de Schepper in ons zo maar een drang heeft neergelegd voor niets. Wij mogen niet optimistisch weglopen over de eisen van het leven en menen, dat het zo een vaart wel niet loopt, dat wij het wel doen in een volgend bestaan… Dan lopen wij vast. Aan de andere kant mogen wij zeker niet als pessimisten menen, dat deze last voor ons te zwaar is; dat de gehele wereld, die ons zou moeten steunen, ons in de steek laat en wat dies meer zij. Wij moeten het juiste concept vinden. Dan sta je lijnrecht tegenover allebei de begrippen, die ik je genoemd heb. Want tussen optimisme en pessimisme ligt realisme.

Wat is in deze wereld, waarin u leeft, de werkelijkheid? De maatschappij! Zeker. Dat u uw brood moet verdienen. Zeker. Dat het niet altijd prettig is, natuurlijk. Dat het kan sneeuwen en glad kan worden, of dat het te warm kan zijn. Akkoord. Een politiek, die niet prettig is. Onmiskenbaar zijn al deze dingen echt. Maar is dat de werkelijke inhoud van je leven? Wat is de realiteit?

Als je als jong kind op de wereld komt, dan heb je al een droom, een ideaal. Het neemt misschien vreemde vormen aan. Het past zich op een groteske, haast karikaturale wijze aan bij de wereld van de volwassenen. Want er moet een beeld gezocht worden. Maar in u ligt een verlangen, dat niet miskend mag en kan worden. Een honger naar volledigheid misschien? Naar volmaaktheid? Die honger is gebaseerd op een aanvulling van het eigen wezen en die kun je niet krijgen in de stof.

Aanvulling van het eigen wezen betekent: een zodanige harmonie vinden, dat je de Kracht erkent, die je steunt. Dat is de werkelijkheid.

En dan zit er een tweede verlangen, even werkelijk. Het voortdurend streven naar actief beleven van die Kracht, een terugbrengen van die Kracht tot waarden van je eigen wereld. Soms vindt men daar ten dele bevrediging voor in helderziendheid. Het geestelijke spelletje: ik zie, wat jij niet ziet… Een andere keer vindt men het in het ontplooien van mediamieke kwaliteiten, of misschien in het openbaren van het “Ik”, want dat “Ik” wordt gegeven van buiten en van boven af, in kunst, op het toneel, op het doek, in muziek. Men zou zo graag willen scheppen. Men zou zo graag de volledigheid van eigen wezen en vormen een uitdrukking geven.

Men kan wel optimistisch zijn en zeggen: “Het komt er niet op aan”, maar dáár zijn wij er dan niet mee. Wij kunnen pessimistisch worden en zeggen: “Wij kunnen het nooit bereiken”, maar dan beliegen wij ons zelf. Ook uw stoffelijk bestaan geeft, mens voor mens de mogelijkheid te komen tot een actief beleven van het Goddelijke, zelfs wanneer dat niet is wat men zich misschien zou voorstellen, een opgaan in een Lichtende Wereld, om nooit meer neer te dalen tot de normaliteit van elke dag

Mijn waarde vrienden, werkelijk leven wil zeggen in jezelf voortdurend die Lichtende stralen en die Goddelijke Kracht versterken, uw leidsman a.h.w. van binnen volgen, ook al gaan zij paden, die niet redelijk lijken; wanneer die innerlijke stem je zegt “dat Jan Pastoor gelijk heeft, al mag je verstand neen zeggen”, aanvaard het dan als je weg. Wanneer die innerlijke stem zegt, dat je bepaalde dingen van het leven moet verloochenen, dan zal je verstand misschien zeggen, dat het stom is, maar doe het dan maar, want dan is dat je weg. Je hebt een eigen weg, die niet kan betekenen: “O, nu komt er vast dat van”, of: “Nu ja, het zal zo ook wel gaan”. Er is voor u allen één weg. Die weg is u ingeschapen. Zonder het volgen van deze weg kunt u niet komen in dit aardse bestaan tot een bereiking die geestelijk vrij maakt van alle stoffelijke banden.

Mijn vrienden, elke mens, die zijn eigen weg gaat, de weg zoals die van binnen uit bestuurd, gedicteerd wordt, vindt in het gaan van die weg de vrede en de kracht om alles te volbrengen, wat er gevraagd wordt. Die heeft geen pessimisme nodig. Wanneer die weg u zegt, –  het zal niet voorkomen, het is een fantastisch beeld – dat u in de ruimte moet gaan staan als een steunpilaar, de wereld omhoog houdend met één hand, dan hebt u die kracht. Het zal niet gemakkelijk zijn, maar het gaat. Als een innerlijke stem u zegt, dat u de wereld moet veranderen, dan zult u daarin slagen, volgens de Wil van het Goddelijke, ook wanneer het u misschien lijkt, dat die verandering niet zover gaat. De kracht ervoor krijg je.

Daarom heeft de optimist gelijk, wanneer hij tegen een ieder, die pessimistisch is, zegt over mensheid, over de wereld, over het geestelijk bestaan en de ontwikkeling: “Je bent dwaas, want alles wat jij droomt, haal je maar naar jezelf toe. Elke moeilijkheid, die jij je voorstelt, verwerkelijk je voor jezelf. Je maakt het jezelf onmogelijk om te leven”. Hij heeft gelijk, maar ook de pessimist heeft gelijk, wanneer hij tegen de optimist zegt: “Hoor eens, jij vriend zonder zorgen, jij denkt, dat alles vanzelf gaat. Je meent, dat je je kunt beroepen op de oneindigheid zonder meer. Maar dat is niet zo. Er zijn zorgen en verplichtingen. Daar zul je aan tegemoet moeten komen..”. Zij staan lijnrecht tegenover elkaar deze periode van denken, deze ogenblikken van menselijk beleven van de wereld. Maar niet zo lijnrecht, of tussen hen beide ligt de waarheid. Ik heb in mijn leven menige scheve schaats gereden. Als mijn figuur rechter was geweest, zou ik ongetwijfeld ook menig slippertje gemaakt hebben. Dat is menselijk. Men denkt misschien, dat die dingen van een groot belang zijn geweest. Laat ik hier nu uitdrukkelijk vertellen, dat dat niet zo is. Het komt er niet op aan, als je zo nu en dan eens eventjes menselijk bent. Het komt er niet op aan, of je een ogenblikje vergeet om gewichtig en plechtig te doen. Het komt er niet op aan, dat een deel van je leven aan vrolijkheid, aan lach is gewijd. Het komt er alleen op aan – en dat is erg belangrijk -, dat je nooit jezelf daarin verloochent. Dat je nooit de innerlijke stem verloochent.

Het klinkt misschien erg vreemd, wanneer ik zeg dat zelfs ik – ik was vroeger niet veel – ogenblikken heb gekend, waarin ik mij opgenomen voelde in een grote Lichtende Wereld. Ik begreep wel niet waarom, totdat ik in de wereld kwam, waar ik nu ben. Maar het was er, dat ogenblik van Licht. Ik heb het niet krampachtig nagezocht en nagejaagd. Onbewust heb ik aangevoeld, dat dat niet de bestemming was, die mij was gegeven. Die lag elders. Maar zelfs ik heb dus een ogenblik van harmonie door mogen maken, ook ik heb een ogenblik uit mogen stijgen vanuit – volgens uw idee – een somber menselijk bestaan, tot een Lichtende Hoogte, waarin de geest vrij wordt en de werkelijkheid een ogenblik ervaart in zichzelf.

Datzelfde is voor u allemaal weggelegd, wanneer u uzelf kunt zijn, wanneer u beantwoorden kunt aan de drang en de drijfveer, die in u zelf ligt. Dat is de werkelijkheid. Het ligt niet in het hoog esoterische alleen, of in het laag stoffelijke zonder meer. Zij ligt in de weg, die voor ons gebaand is door het leven. Een weg, die soms met heel veel teleurstellingen gepaard gaat, die soms door een afgrond van wanhoop je jezelf doorheen laat worstelen; door perioden misschien van onverschilligheid, van vlucht voor het leven. Toch moet je die weg gaan.

Het is dwaas om optimistisch genoeg te menen, dat wanneer je eenmaal een beetje dat geestelijk Licht hebt gevonden, alles vanzelf loopt. Dat is niet waar. Het is dwaas om pessimistisch te menen, dat er je ooit – geestelijk of stoffelijk – een last kan worden opgelegd, die je niet kunt dragen. Je kunt er misschien op aarde aan sterven, dat is mogelijk. Maar dan is dat sterven tegelijkertijd een geestelijke bereiking. Er is geen “een ondergaan”. Geen mens hoeft ten onder te gaan, tenzij hij het zelf wil. Geen van ons hoeft eenzaam te staan in de wereld, – of in de geest – tenzij hij het zelf wil. Indien wij de Kosmische Harmonie en Krachten nemen en onszelf daarop voortdurend richten, dan vervult zich ons leven vanzelf. Wij zullen teleurstellingen doormaken. Wij zullen veranderingen zien, die niet prettig zijn. Maar wij zullen in ons de zekerheid hebben, dat het goed gaat. Wij zullen meer kunnen bereiken. Wij zullen meer kunnen zien.

Er was eens een optimist, die de wereld inging. Hij stond voor een grote zee. Hij zei: “Het is mijn taak om over die zee te gaan, dus ik loop rustig door”. Hij heeft ongeveer 20 meter gelopen. Toen was het geen lopen meer, toen was het bubbelen. Verder is hij nooit gekomen. Toen hij uit gebubbeld was, kon zijn geest teruggaan om een nieuw lichaam te zoeken en nog eens voor diezelfde zee terecht te komen.
Er was een pessimist, die de opdracht kreeg over de zee te gaan. Toen hij zag, hoe woest dat water was, zei hij “Ik kom er toch nooit.” Hij is gaan zitten en is van uitputting gestorven. U lacht erom? Natuurlijk. Zó dwaas zijn wij, mensen, niet… Behalve wanneer het gaat om dingen, die niet stoffelijk zijn. Behalve wanneer het gaat om geestelijk werk. Sommigen lopen met een ondoordachte, domme dwaasheid midden op een redelijk principe in en dan: “Vooruit maar, het zal wel goed gaan”. Ja, dan komen zij in een zenuwinrichting, of zoiets, of zij krijgen een volkomen verkeerd levensbeeld en zij verprutsen hun hele eigen bestaan, op aarde en later.

Je hebt ook mensen, die zitten in het leven en die hebben een taak, die voelen, dat zij wat moeten doen. Zij voelen, dat er nog iets te bereiken valt. Dat er nog een verplichting is tegenover hun medemens, tegenover Geestelijke Krachten. Maar dan kijken zij naar wat het inhoudt, dan gaan zij erbij zitten en zeggen: “Ik kan het niet. Dat is te veel, dat is te zwaar. Dat is te gevaarlijk.” Dan verhongeren zij geestelijk, omdat zij genoegen genomen hebben met minder dan hen toekwam; omdat zij weigeren datgene te aanvaarden, wat hen gegeven is door een Goddelijke Kracht.  Elke mens, die de moed heeft om alle voorzorgen te treffen die hij treffen kan, volgens menselijk bewustzijn datgene te volbrengen, wat hij in zich voelt als een door God gegeven taak, als een drang waaraan geen weerstand te bieden is, die mens komt aan de overkant van de zee; die komt over de grens heen die het bewustzijn scheidt van de oneindigheid van Licht en Kracht, die rond ons allen is. De mens, die weigert om de dingen te doen, of die meent, dat andere krachten het wel op zullen knappen, loopt gevaar. Die loopt het hele grote, het hele ernstige gevaar, dat hij zichzelf voor dit leven ongelukkig maakt. Dat hij zich voor zijn geestelijk bestaan arm, doodarm maakt.

Nu weet u dus wat de zaak is: optimist contra pessimist; een “het zal wel gaan”, tegen “het gaat toch nooit.” Het is beide dwaas. Vooral wanneer het op geestelijke dingen aankomt.

Maar degene, die realist durft te zijn, zal in veel gevallen door de pessimist voor een optimist worden versleten, want hij leeft dan toch maar gemakkelijk. Een optimist zal menen, dat hij – de pessimist – zich te druk maakt over later. Want hij houdt zich zo bezig met allerhande problemen die nog niet eens de werkelijkheid raken. Toch is die realist degene die wat bereikt. Daarom wil ik dit korte betoogje beëindigen met een pleidooi voor realisme, ook bij u.

Er is een Kracht, die boven alle krachten staat. Een Wet, die boven alle wetten staat. Die Kracht en die Wet leven in u. Die Kracht en die Wet zijn uw mogelijkheid om in korte tijd het bewustzijn van het Grote Licht, van de volmaaktheid zelf misschien te bereiken. Wanneer u tracht dingen te negeren, dan ga je ten onder. Wanneer u tracht die dingen in een andere wereld te stellen dan de uwe, dan verdwaast u. Maar wanneer u ze werkelijk van toepassing brengt in uw eigen wereld en u zo laat leiden door de inhoud van uw wezen, zoals God u die geeft, werkend met heel uw bewustzijn en uw krachten om te verwerken wat u voelt als noodzaak, dan vrienden, komt er misschien een ogenblik, dat Henri zijn petje voor u afneemt en zegt: “mag ik een beetje Licht van u”? Vrienden, als er vragen zijn, de “Vragenrubriek” is er goed voor…  .

Vragenrubriek

  • Hoe noemt u optimisme of pessimisme zonder grond?

Optimisme zonder grond is een onredelijke vlucht uit de werkelijkheid in een niet feitelijk bestaand vertrouwen. Ik tracht hiermee weer te geven, dat een dergelijk optimisme in de meeste gevallen slechts een uiterlijke kwestie is, waarbij men zich innerlijk of onderbewust toch realiseert, dat men problemen en feitelijke toestanden ontwijkt zonder te trachten ze op te lossen. Pessimisme zonder grond noem ik evenzeer een poging om onbewust zichzelf te verheffen door anderen te veroordelen, omstandigheden te zwaar aan te slaan, om zo de verantwoording te ontvluchten van ontwikkelingen, die men vreest als gevolg van eigen bestaan of daden.

  •  Waar komt de naam Europa vandaan?

Deze naam is gekozen uit een Grieks Godenverhaal. Er wordt mede geïmpliceerd, dat het werelddeel Europa verwant is aan de Goden, a.h.w. geboren is uit een paring van de Goden. Verder wijst het verhaal op rampen, het verscheurd worden. Ook vroegere grote verdeeldheid van Europa heeft er ongetwijfeld toe bijgedragen de naam ingang te doen vinden. Daarnaast kan Europa ook tot oudere klankbetekenis worden teruggebracht. In dit geval zou de juiste vertaling ongeveer luiden: Wereld – niet land – van de in duister strevenden. Deze laatste vertaling is niet algemeen gangbaar, doch kan worden teruggevonden bij klankoverzetting uit het oude Sanskriet.

image_pdf